regelbalk

 

Pañca Tattva

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 3

 

Bevrijding uit Mâyâ en Karma met het Kennen en Aanbidden van de Heer

(1) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Mijne heren, alstublieft zeg ons, we willen van de Allerhoogste Heer Vishnu het begoochelend vermogen [ofwel de mâyâ, zie ook 11.2: 48] doorgronden, dat zelfs de grote mystici verbijstert. (2) Met het koesteren van de nectar van uw woorden over de gespreksonderwerpen van Hari, ben ik, als een sterveling geplaagd door de misère van samsâra, nog niet voldaan met dat als de remedie tegen die pijn.'

(3) S'rî Antarîksha zei: 'Met de elementen van de gigantische schepping ontwikkelde [conditioneerde] de Ziel der Gehele Schepping, de schepselen hoog en laag [zie B.G. 13: 22 & 14: 18], o machtig gearmde, zodat voor hen [de delen en gehelen] die de Oorspronkelijke toebehoren er [de keuze van] het succes was met de zinsbevrediging en met de zelfrealisatie [zie ook 10.87: 2]. (4) Met het door Hem binnengegaan zijn in de levende wezens aldus geschapen middels de vijf grofstoffelijke elementen en met het Zich als de Ene [getuige, geest] verdelen naar de tien [zinnen van waarnemen en handelen], zet Hij ze in gang met de drie geaardheden. (5) Het levende wezen, opgewekt door de Opperziel, als de meester [zie ook B.G. 15: 8], door de geaardheden genietend met de geaardheden en aldus verstrikt rakend in dezen, denkt dat het geschapen lichaam de essentie is [vergelijk 11.2: 37]. (6) Door de organen van handelen naar gelang zijn verlangens er baatzuchtige aktiviteiten op na houdend, plukt de eigenaar van het lichaam de verschillende vruchten van de arbeid, in geluk en met andere emoties zich rondbewegend in de wereld [zie B.G. 2.62]. (7) Op deze manier door zijn karma reikend tot bestemmingen die veel zaken met zich meebrengen die niet zo goed zijn, ondergaat het levende wezen hulpeloos geboorte en dood tot aan de zondvloed. (8) Als de ontbinding der materiële elementen op handen is trekt de [Heer in de gedaante van de] Tijd die Zonder een Begin of een Einde is, het gemanifesteerde universum bestaande uit de grofstoffelijke objecten en subtiele geaardheden [terug] in het niet-gemanifesteerde [zie ook 3.29: 40-45, 3.26: 51]. (9) Zeer zeker zal er een verschrikkelijke droogte zijn op aarde die een honderdtal jaren aanhoudt en gedurende welke de oplopende hitte van de zon in ernstige mate de drie werelden zal verschroeien. (10) Beginnend vanuit de lagere regionen [Pâtâla], zal het vuur uit de mond van Sankarshana met zijn vlammen omhoogschietend, aangewakkerd door de winden, in alle windrichtingen branden. (11) Grote massa's wolken zullen honderd jaren lang regenen met stromen zo dicht als olifantenslurven waardoor het universum ondergedompeld zal raken. (12) De Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Universele Gedaante die dan het universum [als zijnde Zijn lichaam] aflegt, o Koning, gaat het subtiele, niet-gemanifesteerde binnen, precies als een vuur dat zonder brandstof kwam te zitten [zie ook B.G. 8: 19, 3.32: 12-15]. (13) De aarde door de wind verstoken van haar aroma verandert terug in het water en het water door hetzelfde proces verstoken van zijn smaak gaat [weer, zie *] over in vuur. (14) Vuur, door het duister ontdaan van zijn vorm, verandert onvermijdelijk in lucht en de lucht, die door de ether zijn aanraking verliest, lost op in de ether, terwijl het etherische door de Opperziel van de Tijd niet langer meer tastbaar zijnd overgaat in het ego [van niet-weten]. (15) De zinnen, de geest en de intelligentie tezamen met de goden [die de emoties vertegenwoordigen], o Koning, gaan het ego-element binnen en het ik-bewustzijn tezamen met al zijn guna-kwaliteiten gaat over in het Allerhoogste Zelf [zie ook 3.6 en 3.26: 21-48]. (16) Met het aldus door ons hebben beschreven van deze begoochelende energie bestaande uit de drie kwaliteiten, van deze instantie van schepping, handhaving en uiteenvallen van de Allerhoogste Heer, wat zou u graag nog meer willen vernemen?'

(17) De achtenswaardige koning zei: 'O grote wijze, zeg ons alstublieft hoe personen traag van begrip met gemak deze materiële energie van de Heer te boven kunnen komen, die zo onoverkomelijk is voor hen die zichzelf niet in de hand hebben.

(18) S'rî Prabuddha zei: 'Van mensen levend als man en vrouw moet men inzien dat het ondernemen in baatzuchtige handelingen, met de bedoeling het lijden terug te dringen en er in geluk op vooruit te gaan, leidt tot tegengestelde resultaten. (19) Welk geluk verwerft men met het niet-duurzame van het hebben van een huis, kinderen, verwanten en huisdieren en met de zo lastig te vergaren weelde die, met het daarvoor constant in pijn verkeren, de dood van de ziel vormt? (20) Men moet inzien dat de volgende wereld [de hemel, 'een hogere planeet'] op deze manier geregeld vanuit het vruchtdragend handelen niet permanent is en gekenmerkt wordt door het ten ondergaan door [de rivaliteit van] gelijken en hoger geplaatsten [B.G. 8: 16], net zoals dat is met het zich bewegen in hogere kringen [in deze wereld]. (21) Derhalve moet men, leergierig wat betreft het hoogste goed, zijn toevlucht nemen tot een geestelijk leraar die verblijft in de opperste vrede van de Absolute Waarheid en goed bekend is met het brahmaanse woord [zie b.v. 5.5: 10-13, 7.11: 13, 7.12: 1-16, 7.15: 25-26, 10.86: 57 & B.G. 4: 34]. (22) Aldaar, met de goeroe als zijn ziel en godheid, moet men het bhâgavata dharma [zie ook 11.2: 34] leren waarmee, zonder te misleiden trouw van dienst zijnd, de Opperziel, de Heer die Zijn eigen Zelf Vergunt, kan worden tevreden gesteld [**]. (23) Om te beginnen moet de geest in ieder opzicht van onthechting zijn en behoort men aldus, zoals het past, met genade, vriendschap en eerbied voor alle levende wezens van omgang te zijn met de geheiligden [vergelijk 11.2: 46]. (24) Men moet van [innerlijke en uiterlijke] reinheid zijn, boete, tolerantie en stilte; studie van de heilige geschriften, eenvoud, het celibaat, geweldloosheid en van gelijkmoedigheid indien geplaatst voor tegenstellingen [zie ook yama & niyama en B.G. 12: 13-20]. (25) Op een eenzame plek zonder een vaste verblijfplaats, met overgebleven vodden aan zijn lijf, en tevreden met wat dan ook, behoort men met de Beheerser voortdurend voor ogen, te mediteren ter wille van het Ware Zelf Alomtegenwoordig [zie ook 2.2: 5, 7.13: 1-10]. (26) Met geloof in de geschriften met betrekking op de Allerhoogste Heer en zonder te spotten met andere geschriften, behoort men met respect voor de waarheid, met de geest, met zijn woorden en met zijn handelingen strikt beheerst, van innerlijke vrede te zijn alsook van zinsbeheersing [zie ook B.G. 15: 15]. (27-28) Luisterend naar, zingend over en mediterend op de wederwaardigheden en de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer, van wiens incarnaties de handelingen allen even wonderbaarlijk zijn, moet men alles doen te Zijnent wille. Met welke aanbidding ook die men er op na houdt, van welke liefdadigheid, boetedoening, japa, vroomheid, men ook is, moet men dat, met inbegrip van alles wat dierbaar is, de echtgenote, de zoons, het huis en de eigen levensadem, doen als een offer voor het Allerhoogste [zie ook B.G. 9: 27]. (29) Met de dienst geleverd èn voor beide [bewegende en niet-bewegende wezens] en voor de mensen, èn voor hen eenduidig in de heiliging en voor de grootsten, moet men aldus van vriendschap zijn en dienstbaarheid voor de mensen die Krishna aanvaarden als de Heer van hun ziel. (30) In gezamenlijke discussies, in wederzijdse aantrekking en in wederzijdse bevrediging, is er, door de heerlijkheden van de Heer, in het gezamenlijke beëindigen van materiële activiteiten, de zuivering van de [relatie tot de] ziel [zie ook 3: 38]. (31) Zich heugend en elkaar helpen herinnerend is men met de bhakti voor de Heer die een einde maakt aan de aaneenschakeling van zonden, ontwaakt en heeft men van de toewijding een lichaam in beroering van de extase [zie ook 11.2: 40]. (32) Soms huilt men bij de gedachte aan Acyuta, soms lacht men, schept men er groot genoegen in en spreekt men, handelt men wonderlijk, danst men en zingt men en soms is men, in navolging van de Ongeborene stil wordend, bevrijd van het leed en bereikt men het Allerhoogste [zie ook 10.35]. (33) Aldus het bhâgavata dharma lerend en door de resulterende bhakti volledig van toewijding zijnd voor Nârâyana, komt men gemakkelijk de mâyâ te boven die zo moeilijk te overwinnen is [zie ook 1.1: 2].'

(34) De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Alstublieft, u allen experts in de kennis van het spirituele, wees zo goed ons de bovenzinnelijke situatie te beschrijven van de Superziel van de Absolute Waarheid geassocieerd met de naam van Nârâyana [zie ook 1.2: 11].'

(35) S'rî Pippalâyana zei: 'Alstublieft o Koning, weet dat het Allerhoogste [van de Persoonlijkheid van God] dat is: de Oorzaak Zonder Oorzaak van de schepping, handhaving en vernietiging van dit universum, welke in de waaktoestand, de droomstaat en in de diepe slaap, als ook buiten hen om bestaat en waardoor de lichamen, de zinnen, de levensadem van ieder afzonderlijk en de geesten tot leven gewekt zich bewegen. (36) Dit kan door de geest, de spraak, het zien, de intelligentie, de levensadem noch door de zinnen worden omvat, precies zoals het vuur niet kan worden omvat door zijn eigen vonken; zelfs niet het vedisch woord vermag het uit te drukken daar het ontkent dat dat van het Allerhoogste Zelf - waarzonder de schriftuurlijke restricties geen eindbestemming zouden hebben - zo kan zijn anders dan bewezen middels een omhaal van woorden [vergelijk 10.87]. (37) In het begin Eén zijnd raakte de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid bekend als het drievoudige, dat met de macht van handelen, de macht van het bewustzijn en het egobesef aldus het individuele levende wezen wordt genoemd [de jîva] met het aannemen van gedaanten van geestelijke kennis [de goden], de handelingen [de zinnen] en de vruchten [van goede en slechte resultaten]; aldus is het, met het hebben van een grote variëteit aan energieën, het Opperste Brahman alleen dat gemanifesteerd is voorbij zowel het grofstoffelijke als het subtiele [van gedaanten erdoor aangenomen, zie ook mahat-tattva, pradhâna, 4.29: 79, B.G. 10: 42, 13: 13 & 7: 14]. (38) Deze Ziel, nimmer geboren, nimmer stervend, groeit noch vergaat; hij is de kenner van de tijden van leven van de levende wezens onderhevig aan verandering, en die Ziel, waarlijk steeds overal nimmer verdwijnend, is zuiver bewustzijn inderdaad precies zoals de [ene] levensadem [prâna] van binnen dat is, door de macht der zinnen voorgesteld rakend als zijnde verdeeld [zie ook B.G. 2: 23-30 en ***]. (39) [Met wezens] van eieren, van embryo's, van planten en van wat moeilijk is te onderscheiden in het vochtige, volgt het vitale beginsel van de lucht de individuele ziel [zie ook linga] inderdaad van de ene [levensvorm] naar de andere; precies zoals er, los van de staat van denken als de zinnen en het ego allen zijn opgegaan in de diepe slaap, de verandering is [van het eeuwige zelf] met de daaropvolgende herinnering [bij het ontwaken, zie B.G. 2: 22]. (40) Als men zich de voeten van de Ene met de Lotusnavel wenst wordt het vuil in het hart, voortspruitend uit het baatzuchtig handelen naar de geaardheden van de natuur, weggezuiverd door de macht van de bhakti en wordt, volledig gezuiverd, rechtstreeks de waarheid van de ziel gerealiseerd, zoals men met het blote oog de zonneschijn kan waarnemen [B.G: 2: 55 & 6: 20-23 en nyâyika].'

(41) De achtenswaardige koning zei: 'Alstublieft leg ons de karma yoga uit waarmee verfijnd een persoon in dit leven snel zich ontdoet van vruchtdragende handelingen en, bevrijd van karmische terugslagen, het bovenzinnelijke geniet [zie ook B.G. 1-6 of 3.5]. (42) In mijn vaders bijzijn [Ikshvâku zie 9.6: 4] stelde ik de wijzen [de kumâra's] in het verleden een soortgelijke vraag, maar de zoons van Brahmâ gaven geen antwoord, alstublieft, om die reden, spreek erover.'

(43) S'rî Âvirhotra gaf ten antwoord: 'Karma, akarma en vikarma zijn, omdat zij hun oorsprong vindend in de Beheerser niet van het wereldse zijn, als kwesties begrepen middels de Veda's, iets waarover zelfs de grote geleerden in verwarring verkeren [zie ook B.G. 4.16-17 en 4.29: 26-27]. (44) In bedekte termen schrijven de Veda's, in het begeleiden van de kinderlijke mens om bevrijd te raken van zijn karma, inderdaad materiële handelingen voor, precies zoals men ook een medicijn voorschrijft [zie ook B.G. 3: 26, 5.5: 17 en 10.24: 17-18]. (45) Hij die, zijn zinnen niet onderworpen hebbend, onwetend niet uitvoert wat de Veda's voorschrijven, bereikt, door zijn gebrek aan religie tegen de plicht handelend, de dood telkens weer [zie ook B.G. 3.8, 16: 23-24, 17: 5-6, 18: 7]. (46) Zeker zal men, naar wat de Veda's voorschrijven zonder gehechtheid te werk gaand en offers brengend voor de Allerhoogste Beheerser, de volmaaktheid bereiken die om de belangstelling op te wekken is geformuleerd in termen van tastbare resultaten [karma-kânda & B.G. 4.17-23]. (47) Iemand die snel de knoop [der gehechtheid] in het hart wil doorhakken moet Heer Kes'ava aanbidden en eveneens de goddelijkheid bestuderen zoals beschreven in de aanvullende vedische literatuur [de tantra's, zie ook B.G. 12: 6-7]. (48) Met het hebben verkregen van de genade [de initiatie] van de leraar van het voorbeeld die hem toont wat bij genade van de traditie is doorgegeven, behoort de toegewijde van aanbidding te zijn voor de Hoogste Persoonlijkheid in de specifieke gedaante van zijn voorkeur [zie ook B.G. 3: 35, 7: 20]. (49) Schoon gewassen, er recht voor zittend, de adem beheersend en zo voorts [zie ashthânga-yoga] moet hij, het lichaam zuiverend met het in verzaking aanroepen van de bescherming, de Heer aanbidden [door de delen van zijn lichaam aan Hem toe te wijzen door ze met mantra's te markeren, zie ook B.G. 5: 27-28 en 6.8: 4-6]. (50-51) Met welke ingrediënten dan ook beschikbaar zichzelf in hart en ziel voorbereidend, de beeltenis en alles wat erbij hoort, de zaken die moeten worden geofferd, de vloer en de zitplaats besprenkelend, behoort men, het water klaarzettend voor de offerplechtigheid, geconcentreerd de beeltenis op zijn geëigende plaats te zetten met het hebben geplaatst van heilige merktekens op Zijn hart en andere delen en met de daartoe bestemde mantra van aanbidding te zijn [4*]. (52-53) Met het aanbidden van iedere afzonderlijke beeltenis en Zijn ledematen, speciale kenmerken [zoals zijn cakra], en metgezellen [zoals de pañca-tattva] met Zijn eigen mantra's [zoals b.v. de S'is'umâra-mantra of de Ambaris'a gebeden voor de cakra vermeld in 5.23: 8 en in 9.5], met water voor Zijn voeten, reukwater ter verwelkoming, fijne kleding, ornamenten, geuren, halssnoeren, ongebroken graankorrels [om tilaka aan te brengen] en met bloemenslingers, wierook, lampen, en dergelijke offergaven in alle respect de aanbidding zoals vastgelegd complementerend, behoort men van eerbetoon met gebed zich voor de Heer te verbuigen. (54) Met zichzelf daarin opgaand [als een dienaar en niet zich valselijk identificerend] behoort men aldus mediterend volledig van aanbidding voor de mûrti van de Heer te zijn en, met het op zijn hoofd aanvaarden van wat er over blijft, Hem respectvol op de voor Hem bestemde plaats te zetten. (55) Hij die aldus de Beheerser, de Opperziel, aanwezig in het vuur, de zon, het water en zo voorts, als ook in de gast en in het eigen hart [zie ook 2.2: 8] aanbidt, raakt zonder meer werkelijk bevrijd.

 

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Liberation from the Illusory Energy

 

Tekst 1:

De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Mijne heren, alstublieft zeg ons, we willen van de Allerhoogste Heer Vishnu het begoochelend vermogen [ofwel de mâyâ, zie ook 11.2: 48] doorgronden, dat zelfs de grote mystici verbijstert.

King Nimi said - Now we wish to learn about the illusory potency of the Supreme Personality of Godhead, S'rî Vishnu, which bewilders even great mystics. My lords, please speak to us about this subject.

 

Tekst 2:

Met het koesteren van de nectar van uw woorden over de gespreksonderwerpen van Hari, ben ik, als een sterveling geplaagd door de misère van samsâra, nog niet voldaan met dat als de remedie tegen die pijn.'

Although I am drinking the nectar of your statements about the glories of the Supreme Personality of Godhead, my thirst is not yet satiated. Such nectarean descriptions of the Lord and His devotees are the actual medicine for conditioned souls like me, who are tormented by the threefold miseries of material existence.

 

Tekst 3:

S'rî Antarîksha zei: 'Met de elementen van de gigantische schepping ontwikkelde [conditioneerde] de Ziel der Gehele Schepping, de schepselen hoog en laag [zie B.G. 13: 22 & 14: 18], o machtig gearmde, zodat voor hen [de delen en gehelen] die de Oorspronkelijke toebehoren er [de keuze van] het succes was met de zinsbevrediging en met de zelfrealisatie [zie ook 10.87: 2].

S'rî Antarîksha said - O mighty-armed King, by activating the material elements, the primeval Soul of all creation has sent forth all living beings in higher and lower species so that these conditioned souls can cultivate either sense gratification or ultimate liberation, according to their desire.

 

Tekst 4:

Met het door Hem binnengegaan zijn in de levende wezens aldus geschapen middels de vijf grofstoffelijke elementen en met het Zich als de Ene [getuige, geest] verdelen naar de tien [zinnen van waarnemen en handelen], zet Hij ze in gang met de drie geaardheden.

The Supersoul enters the material bodies of the created beings, activates the mind and senses, and thus causes the conditioned souls to approach the three modes of material nature for sense gratification.

 

 Tekst 5

Het levende wezen, opgewekt door de Opperziel, als de meester [zie ook B.G. 15: 8 ], door de geaardheden genietend met de geaardheden en aldus verstrikt rakend in dezen, denkt dat het geschapen lichaam de essentie is [vergelijk 11.2: 37].

The individual living being, the master of the material body, uses his material senses, which have been activated by the Supersoul, to try to enjoy sense objects composed of the three modes of nature. Thus he misidentifies the created material body with the unborn eternal self and becomes entangled in the illusory energy of the Lord.

 

Tekst 6

Door de organen van handelen naar gelang zijn verlangens er baatzuchtige aktiviteiten op na houdend, plukt de eigenaar van het lichaam de verschillende vruchten van de arbeid, in geluk en met andere emoties zich rondbewegend in de wereld [zie B.G. 2.62].

Impelled by deep-rooted material desires, the embodied living entity engages his active sense organs in fruitive activities. He then experiences the results of his material actions by wandering throughout this world in so-called happiness and distress.

 

Tekst 7

Op deze manier door zijn karma reikend tot bestemmingen die veel zaken met zich meebrengen die niet zo goed zijn, ondergaat het levende wezen hulpeloos geboorte en dood tot aan de zondvloed.

Thus the conditioned living entity is forced to experience repeated birth and death. Impelled by the reactions of his own activities, he helplessly wanders from one inauspicious situation to another, suffering from the moment of creation until the time of cosmic annihilation.

 

Tekst 8

Als de ontbinding der materiële elementen op handen is trekt de [Heer in de gedaante van de] Tijd die Zonder een Begin of een Einde is, het gemanifesteerde universum bestaande uit de grofstoffelijke objecten en subtiele geaardheden [terug] in het niet-gemanifesteerde [zie ook 3.29: 40-45, 3.26: 51].

When the annihilation of the material elements is imminent, the Supreme Personality of Godhead in His form of eternal time withdraws the manifest cosmos, consisting of gross and subtle features, and the entire universe vanishes into nonmanifestation.

 

Tekst 9

Zeer zeker zal er een verschrikkelijke droogte zijn op aarde die een honderdtal jaren aanhoudt en gedurende welke de oplopende hitte van de zon in ernstige mate de drie werelden zal verschroeien.

As cosmic annihilation approaches, a terrible drought takes place on earth for one hundred years. For one hundred years the heat of the sun gradually increases, and its blazing heat begins to torment the three worlds.

 

Tekst 10

Beginnend vanuit de lagere regionen [Pâtâla], zal het vuur uit de mond van Sankarshana met zijn vlammen omhoogschietend, aangewakkerd door de winden, in alle windrichtingen branden.

Beginning from Pâtâlaloka, a fire grows, emanating from the mouth of Lord Sankarshana. Its flames shooting upward, driven by great winds, it scorches everything in all directions.

 

 Tekst 11

Grote massa's wolken zullen honderd jaren lang regenen met stromen zo dicht als olifantenslurven waardoor het universum ondergedompeld zal raken.

Hoards of clouds called Samvartaka pour torrents of rain for one hundred years. Flooding down in raindrops as long as the trunk of an elephant, the deadly rainfall submerges the entire universe in water.

 

 Tekst 12

De Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Universele Gedaante die dan het universum [als zijnde Zijn lichaam] aflegt, o Koning, gaat het subtiele, niet-gemanifesteerde binnen, precies als een vuur dat zonder brandstof kwam te zitten [zie ook B.G. 8: 19, 3.32: 12-15].

Then Vairâja Brahmâ, the soul of the universal form, gives up his universal body, O King, and enters into the subtle unmanifest nature, like a fire that has run out of fuel.

  

 Tekst 13

De aarde door de wind verstoken van haar aroma verandert terug in het water en het water door hetzelfde proces verstoken van zijn smaak gaat [weer, zie *] over in vuur.

Deprived of its quality of aroma by the wind, the element earth is transformed into water; and water, deprived of its taste by that same wind, is merged into fire.

 

 Tekst 14

Vuur, door het duister ontdaan van zijn vorm, verandert onvermijdelijk in lucht en de lucht, die door de ether zijn aanraking verliest, lost op in de ether, terwijl het etherische door de Opperziel van de Tijd niet langer meer tastbaar zijnd overgaat in het ego [van niet-weten].

Fire, deprived of its form by darkness, dissolves into the element air. When the air loses its quality of touch by the influence of space, the air merges into that space. When space is deprived of its tangible quality by the Supreme Soul in the form of time, space merges into false ego in the mode of ignorance.

  

 Tekst 15

De zinnen, de geest en de intelligentie tezamen met de goden [die de emoties vertegenwoordigen], o Koning, gaan het ego-element binnen en het ik-bewustzijn tezamen met al zijn guna-kwaliteiten gaat over in het Allerhoogste Zelf [zie ook 3.6 en 3.26: 21-48].

My dear King, the material senses and intelligence merge into false ego in the mode of passion, from which they arose; and the mind, along with the demigods, merges into false ego in the mode of goodness. Then the total false ego, along with all of its qualities, merges into the mahat-tattva.

 

 Tekst 16

Met het aldus door ons hebben beschreven van deze begoochelende energie bestaande uit de drie kwaliteiten, van deze instantie van schepping, handhaving en uiteenvallen van de Allerhoogste Heer, wat zou u graag nog meer willen vernemen?'

I have now described mâyâ, the illusory energy of the Supreme Personality of Godhead. This illusory potency, consisting of the three modes of material nature, is empowered by the Lord for the creation, maintenance and annihilation of the material universe. Now, what more do you wish to hear?

 

Tekst 17

De achtenswaardige koning zei: 'O grote wijze, zeg ons alstublieft hoe personen traag van begrip met gemak deze materiële energie van de Heer te boven kunnen komen, die zo onoverkomelijk is voor hen die zichzelf niet in de hand hebben.

S'rî Prabuddha said - Accepting the roles of male and female in human society, the conditioned souls unite in sexual relationships. Thus they constantly make material endeavors to eliminate their unhappiness and unlimitedly increase their pleasure. But one should see that they inevitably achieve exactly the opposite result. In other words, their happiness inevitably vanishes, and as they grow older their material discomfort increases.

 

 Tekst 18

S'rî Prabuddha zei: 'Van mensen levend als man en vrouw moet men inzien dat het ondernemen in baatzuchtige handelingen, met de bedoeling het lijden terug te dringen en er in geluk op vooruit te gaan, leidt tot tegengestelde resultaten.

S'rî Prabuddha said: Accepting the roles of male and female in human society, the conditioned souls unite in sexual relationships. Thus they constantly make material endeavors to eliminate their unhappiness and unlimitedly increase their pleasure. But one should see that they inevitably achieve exactly the opposite result. In other words, their happiness inevitably vanishes, and as they grow older their material discomfort increases.

 

 Tekst 19

Welk geluk verwerft men met het niet-duurzame van het hebben van een huis, kinderen, verwanten en huisdieren en met de zo lastig te vergaren weelde die, met het daarvoor constant in pijn verkeren, de dood van de ziel vormt?

Wealth is a perpetual source of distress, it is most difficult to acquire, and it is virtual death for the soul. What satisfaction does one actually gain from his wealth? Similarly, how can one gain ultimate or permanent happiness from one's so-called home, children, relatives and domestic animals, which are all maintained by one's hard-earned money?

 

 Tekst 20

Men moet inzien dat de volgende wereld [de hemel, 'een hogere planeet'] op deze manier geregeld vanuit het vruchtdragend handelen niet permanent is en gekenmerkt wordt door het ten ondergaan door [de rivaliteit van] gelijken en hoger geplaatsten [B.G. 8: 16], net zoals dat is met het zich bewegen in hogere kringen [in deze wereld].

One cannot find permanent happiness even on the heavenly planets, which one can attain in the next life by ritualistic ceremonies and sacrifices. Even in material heaven the living entity is disturbed by rivalry with his equals and envy of those superior to him. And since one's residence in heaven is finished with the exhaustion of pious fruitive activities, the denizens of heaven are afflicted by fear, anticipating the destruction of their heavenly life. Thus they resemble kings who, though enviously admired by ordinary citizens, are constantly harassed by enemy kings and who therefore never attain actual happiness.

 

 Tekst 21

Derhalve moet men, leergierig wat betreft het hoogste goed, zijn toevlucht nemen tot een geestelijk leraar die verblijft in de opperste vrede van de Absolute Waarheid en goed bekend is met het brahmaanse woord [zie b.v. 5.5: 10-13, 7.11: 13, 7.12: 1-16, 7.15: 25-26, 10.86: 57 & B.G. 4: 34].

Therefore any person who seriously desires real happiness must seek a bona fide spiritual master and take shelter of him by initiation. The qualification of the bona fide guru is that he has realized the conclusions of the scriptures by deliberation and is able to convince others of these conclusions. Such great personalities, who have taken shelter of the Supreme Godhead, leaving aside all material considerations, should be understood to be bona fide spiritual masters.

 

 Tekst 22

Aldaar, met de goeroe als zijn ziel en godheid, moet men het bhâgavata dharma [zie ook 11.2: 34] leren waarmee, zonder te misleiden trouw van dienst zijnd, de Opperziel, de Heer die Zijn eigen Zelf Vergunt, kan worden tevreden gesteld [**].

Accepting the bona fide spiritual master as one's life and soul and worshipable deity, the disciple should learn from him the process of pure devotional service. The Supreme Personality of Godhead, Hari, the soul of all souls, is inclined to give Himself to His pure devotees. Therefore, the disciple should learn from the spiritual master to serve the Lord without duplicity and in such a faithful and favorable way that the Supreme Lord, being satisfied, will offer Himself to the faithful disciple.

 

 Tekst 23

Om te beginnen moet de geest in ieder opzicht van onthechting zijn en behoort men aldus, zoals het past, met genade, vriendschap en eerbied voor alle levende wezens van omgang te zijn met de geheiligden [vergelijk 11.2: 46].

A sincere disciple should learn to dissociate the mind from everything material and positively cultivate association with his spiritual master and other saintly devotees. He should be merciful to those in an inferior position to him, cultivate friendship with those on an equal level and meekly serve those in a higher spiritual position. Thus he should learn to deal properly with all living beings.

 

 Tekst 24

Men moet van [innerlijke en uiterlijke] reinheid zijn, boete, tolerantie en stilte; studie van de heilige geschriften, eenvoud, het celibaat, geweldloosheid en van gelijkmoedigheid indien geplaatst voor tegenstellingen [zie ook yama & niyama en B.G. 12: 13-20].

To serve the spiritual master the disciple should learn cleanliness, austerity, tolerance, silence, study of Vedic knowledge, simplicity, celibacy, nonviolence, and equanimity in the face of material dualities such as heat and cold, happiness and distress.

 

 Tekst 25

Op een eenzame plek zonder een vaste verblijfplaats, met overgebleven vodden aan zijn lijf, en tevreden met wat dan ook, behoort men met de Beheerser voortdurend voor ogen, te mediteren ter wille van het Ware Zelf Alomtegenwoordig [zie ook 2.2: 5, 7.13: 1-10].

One should practice meditation by constantly seeing oneself to be an eternal cognizant spirit soul and seeing the Lord to be the absolute controller of everything. To increase one's meditation, one should live in a secluded place and give up false attachment to one's home and household paraphernalia. Giving up the decorations of the temporary material body, one should dress himself with scraps of cloth found in rejected places, or with the bark of trees. In this way one should learn to be satisfied in any material situation.

 

Tekst 26

Met geloof in de geschriften met betrekking op de Allerhoogste Heer en zonder te spotten met andere geschriften, behoort men met respect voor de waarheid, met de geest, met zijn woorden en met zijn handelingen strikt beheerst, van innerlijke vrede te zijn alsook van zinsbeheersing [zie ook B.G. 15: 15].

One should have firm faith that he will achieve all success in life by following those scriptures that describe the glories of the Supreme Personality of Godhead, Bhagavân. At the same time, one should avoid blaspheming other scriptures. One should rigidly control his mind, speech and bodily activities, always speak the truth, and bring the mind and senses under full control.

 

Tekst 27-28

Luisterend naar, zingend over en mediterend op de wederwaardigheden en de bovenzinnelijke kwaliteiten van de Heer, van wiens incarnaties de handelingen allen even wonderbaarlijk zijn, moet men alles doen te Zijnent wille. Met welke aanbidding ook die men er op na houdt, van welke liefdadigheid, boetedoening, japa, vroomheid, men ook is, moet men dat, met inbegrip van alles wat dierbaar is, de echtgenote, de zoons, het huis en de eigen levensadem, doen als een offer voor het Allerhoogste [zie ook B.G. 9: 27].

One should hear, glorify and meditate upon the wonderful transcendental activities of the Lord. One should specifically become absorbed in the appearance, activities, qualities and holy names of the Supreme Personality of Godhead. Thus inspired, one should perform all of one's daily activities as an offering to the Lord. One should perform sacrifice, charity and penance exclusively for the Lord's satisfaction. Similarly, one should chant only those mantras which glorify the Supreme Personality of Godhead. And all one's religious activities should be performed as an offering to the Lord. Whatever one finds pleasing or enjoyable he should immediately offer to the Supreme Lord, and even his wife, children, home and very life air he should offer at the lotus feet of the Supreme Personality of Godhead.

 

Tekst 29

Met de dienst geleverd èn voor beide [bewegende en niet-bewegende wezens] en voor de mensen, èn voor hen eenduidig in de heiliging en voor de grootsten, moet men aldus van vriendschap zijn en dienstbaarheid voor de mensen die Krishna aanvaarden als de Heer van hun ziel.

One who desires his ultimate self-interest should cultivate friendship with those persons who have accepted Krishna as the Lord of their life. One should further develop an attitude of service toward all living beings. One should especially try to help those in the human form of life and, among them, especially those who accept the principles of religious behavior. Among religious persons, one should especially render service to the pure devotees of the Supreme Personality of Godhead.

 

Tekst 30

In gezamenlijke discussies, in wederzijdse aantrekking en in wederzijdse bevrediging, is er, door de heerlijkheden van de Heer, in het gezamenlijke beëindigen van materiële activiteiten, de zuivering van de [relatie tot de] ziel [zie ook 3: 38].

One should learn how to associate with the devotees of the Lord by gathering with them to chant the glories of the Lord. This process is most purifying. As devotees thus develop their loving friendship, they feel mutual happiness and satisfaction. And by thus encouraging one another they are able to give up material sense gratification, which is the cause of all suffering.

 

Tekst 31

Zich heugend en elkaar helpen herinnerend is men met de bhakti voor de Heer die een einde maakt aan de aaneenschakeling van zonden, ontwaakt en heeft men van de toewijding een lichaam in beroering van de extase [zie ook 11.2: 40].

The devotees of the Lord constantly discuss the glories of the Personality of Godhead among themselves. Thus they constantly remember the Lord and remind one another of His qualities and pastimes. In this way, by their devotion to the principles of bhakti-yoga, the devotees please the Personality of Godhead, who takes away from them everything inauspicious. Being purified of all impediments, the devotees awaken to pure love of Godhead, and thus, even within this world, their spiritualized bodies exhibit symptoms of transcendental ecstasy, such as standing of the bodily hairs on end.

 

Tekst 32

Soms huilt men bij de gedachte aan Acyuta, soms lacht men, schept men er groot genoegen in en spreekt men, handelt men wonderlijk, danst men en zingt men en soms is men, in navolging van de Ongeborene stil wordend, bevrijd van het leed en bereikt men het Allerhoogste [zie ook 10.35].

Having achieved love of Godhead, the devotees sometimes cry out loud, absorbed in thought of the infallible Lord. Sometimes they laugh, feel great pleasure, speak out loud to the Lord, dance or sing. Such devotees, having transcended material, conditioned life, sometimes imitate the unborn Supreme by acting out His pastimes. And sometimes, achieving His personal audience, they remain peaceful and silent.

 

Tekst 33

Aldus het bhâgavata dharma lerend en door de resulterende bhakti volledig van toewijding zijnd voor Nârâyana, komt men gemakkelijk de mâyâ te boven die zo moeilijk te overwinnen is [zie ook 1.1: 2].'

Thus learning the science of devotional service and practically engaging in the devotional service of the Lord, the devotee comes to the stage of love of Godhead. And by complete devotion to the Supreme Personality of Godhead, Nârâyana, the devotee easily crosses over the illusory energy, mâyâ, which is extremely difficult to cross.

 

Tekst 34

De achtenswaardige koning [Nimi] zei: 'Alstublieft, u allen experts in de kennis van het spirituele, wees zo goed ons de bovenzinnelijke situatie te beschrijven van de Superziel van de Absolute Waarheid geassocieerd met de naam van Nârâyana [zie ook 1.2: 11].'

King Nimi inquired - Please explain to me the transcendental situation of the Supreme Lord, Nârâyana, who is Himself the Absolute Truth and the Supersoul of everyone. You can explain this to me, because you are all most expert in transcendental knowledge.

 

Tekst 35

S'rî Pippalâyana zei: 'Alstublieft o Koning, weet dat het Allerhoogste [van de Persoonlijkheid van God] dat is: de Oorzaak Zonder Oorzaak van de schepping, handhaving en vernietiging van dit universum, welke in de waaktoestand, de droomstaat en in de diepe slaap, als ook buiten hen om bestaat en waardoor de lichamen, de zinnen, de levensadem van ieder afzonderlijk en de geesten tot leven gewekt zich bewegen.

S'rî Pippalâyana said - The Supreme Personality of Godhead is the cause of the creation, maintenance and destruction of this universe, yet He has no prior cause. He pervades the various states of wakefulness, dreaming and unconscious deep sleep and also exists beyond them. By entering the body of every living being as the Supersoul, He enlivens the body, senses, life airs and mental activities, and thus all the subtle and gross organs of the body begin their functions. My dear King, know that Personality of Godhead to be the Supreme.

 

Tekst 36

Dit kan door de geest, de spraak, het zien, de intelligentie, de levensadem noch door de zinnen worden omvat, precies zoals het vuur niet kan worden omvat door zijn eigen vonken; zelfs niet het vedisch woord vermag het uit te drukken daar het ontkent dat dat van het Allerhoogste Zelf - waarzonder de schriftuurlijke restricties geen eindbestemming zouden hebben - zo kan zijn anders dan bewezen middels een omhaal van woorden [vergelijk 10.87].

Neither the mind nor the faculties of speech, sight, intelligence, the life air or any of the senses are capable of penetrating that Supreme Truth, any more than small sparks can affect the original fire from which they are generated. Not even the authoritative language of the Vedas can perfectly describe the Supreme Truth, since the Vedas themselves disclaim the possibility that the Truth can be expressed by words. But through indirect reference the Vedic sound does serve as evidence of the Supreme Truth, since without the existence of that Supreme Truth the various restrictions found in the Vedas would have no ultimate purpose.

 

Tekst 37

In het begin Eén zijnd raakte de goedheid, de hartstocht en de onwetendheid bekend als het drievoudige, dat met de macht van handelen, de macht van het bewustzijn en het egobesef aldus het individuele levende wezen wordt genoemd [de jîva] met het aannemen van gedaanten van geestelijke kennis [de goden], de handelingen [de zinnen] en de vruchten [van goede en slechte resultaten]; aldus is het, met het hebben van een grote variëteit aan energieën, het Opperste Brahman alleen dat gemanifesteerd is voorbij zowel het grofstoffelijke als het subtiele [van gedaanten erdoor aangenomen, zie ook mahat-tattva, pradhâna, 4.29: 79, B.G. 10: 42, 13: 13 & 7: 14].

Originally one, the Absolute, Brahman, comes to be known as threefold, manifesting itself as the three modes of material nature - goodness, passion and ignorance. Brahman further expands its potency, and thus the power to act and the power of consciousness become manifest, along with the false ego, which covers the identity of the conditioned living being. Thus, by the expansion of the multipotencies of the Absolute, the demigods, as the embodiment of knowledge, become manifest, along with the material senses, their objects, and the results of material activity, namely happiness and distress. In this way the manifestation of the material world takes place as the subtle cause and as the material effect visible in the appearance of gross material objects. Brahman, which is the source of all subtle and gross manifestations, is simultaneously transcendental to them, being absolute.

 

Tekst 38

Deze Ziel, nimmer geboren, nimmer stervend, groeit noch vergaat; hij is de kenner van de tijden van leven van de levende wezens onderhevig aan verandering, en die Ziel, waarlijk steeds overal nimmer verdwijnend, is zuiver bewustzijn inderdaad precies zoals de [ene] levensadem [prâna] van binnen dat is, door de macht der zinnen voorgesteld rakend als zijnde verdeeld [zie ook B.G. 2: 23-30 en ***].

Brahman, the eternal soul, was never born and will never die, nor does it grow or decay. That spiritual soul is actually the knower of the youth, middle age and death of the material body. Thus the soul can be understood to be pure consciousness, existing everywhere at all times and never being destroyed. Just as the life air within the body, although one, becomes manifest as many in contact with the various material senses, the one soul appears to assume various material designations in contact with the material body.

 

Tekst 39

[Met wezens] van eieren, van embryo's, van planten en van wat moeilijk is te onderscheiden in het vochtige, volgt het vitale beginsel van de lucht de individuele ziel [zie ook linga] inderdaad van de ene [levensvorm] naar de andere; precies zoals er, los van de staat van denken als de zinnen en het ego allen zijn opgegaan in de diepe slaap, de verandering is [van het eeuwige zelf] met de daaropvolgende herinnering [bij het ontwaken, zie B.G. 2: 22].

The spirit soul is born in many different species of life within the material world. Some species are born from eggs, others from embryos, others from the seeds of plants and trees, and others from perspiration. But in all species of life the prâna, or vital air, remains unchanging and follows the spirit soul from one body to another. Similarly, the spirit soul is eternally the same despite its material condition of life. We have practical experience of this. When we are absorbed in deep sleep without dreaming, the material senses become inactive, and even the mind and false ego are merged into a dormant condition. But although the senses, mind and false ego are inactive, one remembers upon waking that he, the soul, was peacefully sleeping.

 

Tekst 40

Als men zich de voeten van de Ene met de Lotusnavel wenst wordt het vuil in het hart, voortspruitend uit het baatzuchtig handelen naar de geaardheden van de natuur, weggezuiverd door de macht van de bhakti en wordt, volledig gezuiverd, rechtstreeks de waarheid van de ziel gerealiseerd, zoals men met het blote oog de zonneschijn kan waarnemen [B.G: 2: 55 & 6: 20-23 en nyâyika].'

When one seriously engages in the devotional service of the Personality of Godhead, fixing the Lord's lotus feet within one's heart as the only goal of life, one can destroy the innumerable impure desires lodged within the heart as a result of one's previous fruitive work within the three modes of material nature. When the heart is thus purified one can directly perceive both the Supreme Lord and one's self as transcendental entities. Thus one becomes perfect in spiritual understanding through direct experience, just as one can directly experience the sunshine through normal, healthy vision.

 

Tekst 41

De achtenswaardige koning zei: 'Alstublieft leg ons de karma yoga uit waarmee verfijnd een persoon in dit leven snel zich ontdoet van vruchtdragende handelingen en, bevrijd van karmische terugslagen, het bovenzinnelijke geniet [zie ook B.G. 1-6 of 3.5].

King Nimi said: O great sages, please speak to us about the process of karma-yoga. Purified by this process of dedicating one's practical work to the Supreme, a person can very quickly free himself from all material activities, even in this life, and thus enjoy pure life on the transcendental platform.

 

Tekst 42

In mijn vaders bijzijn [Ikshvâku zie 9.6: 4] stelde ik de wijzen [de kumâra's] in het verleden een soortgelijke vraag, maar de zoons van Brahmâ gaven geen antwoord, alstublieft, om die reden, spreek erover.'

Once in the past, in the presence of my father, Mahârâja Ikshvâku, I placed a similar question before four great sages who were sons of Lord Brahmâ. But they did not answer my question. Please explain the reason for this.

 

Tekst 43

S'rî Âvirhotra gaf ten antwoord: 'Karma, akarma en vikarma zijn, omdat zij hun oorsprong vindend in de Beheerser niet van het wereldse zijn, als kwesties begrepen middels de Veda's, iets waarover zelfs de grote geleerden in verwarring verkeren [zie ook B.G. 4.16-17 en 4.29: 26-27].

S'rî Âvirhotra replied: Prescribed duties, nonperformance of such duties, and forbidden activities are topics one can properly understand through authorized study of the Vedic literature. This difficult subject matter can never be understood by mundane speculation. The authorized Vedic literature is the sound incarnation of the Personality of Godhead Himself, and thus Vedic knowledge is perfect. Even the greatest learned scholars are bewildered in their attempts to understand the science of action if they neglect the authority of Vedic knowledge.

 

Tekst 44

In bedekte termen schrijven de Veda's, in het begeleiden van de kinderlijke mens om bevrijd te raken van zijn karma, inderdaad materiële handelingen voor, precies zoals men ook een medicijn voorschrijft [zie ook B.G. 3: 26, 5.5: 17 en 10.24: 17-18].

Childish and foolish people are attached to materialistic, fruitive activities, although the actual goal of life is to become free from such activities. Therefore, the Vedic injunctions indirectly lead one to the path of ultimate liberation by first prescribing fruitive religious activities, just as a father promises his child candy so that the child will take his medicine.

 

Tekst 45

Hij die, zijn zinnen niet onderworpen hebbend, onwetend niet uitvoert wat de Veda's voorschrijven, bereikt, door zijn gebrek aan religie tegen de plicht handelend, de dood telkens weer [zie ook B.G. 3.8, 16: 23-24, 17: 5-6, 18: 7].

If an ignorant person who has not conquered the material senses does not adhere to the Vedic injunctions, certainly he will engage in sinful and irreligious activities. Thus his reward will be repeated birth and death.

 

Tekst 46

Zeker zal men, naar wat de Veda's voorschrijven zonder gehechtheid te werk gaand en offers brengend voor de Allerhoogste Beheerser, de volmaaktheid bereiken die om de belangstelling op te wekken is geformuleerd in termen van tastbare resultaten [karma-kânda & B.G. 4.17-23].

By executing without attachment the regulated activities prescribed in the Vedas, offering the results of such work to the Supreme Lord, one attains the perfection of freedom from the bondage of material work. The material fruitive results offered in the revealed scriptures are not the actual goal of Vedic knowledge, but are meant for stimulating the interest of the performer.

 

Tekst 47

Iemand die snel de knoop [der gehechtheid] in het hart wil doorhakken moet Heer Kes'ava aanbidden en eveneens de goddelijkheid bestuderen zoals beschreven in de aanvullende vedische literatuur [de tantra's, zie ook B.G. 12: 6-7].

One who desires to quickly cut the knot of false ego, which binds the spirit soul, should worship the Supreme Lord, Kes'ava, by the regulations found in Vedic literatures such as the tantras.

 

Tekst 48

Met het hebben verkregen van de genade [de initiatie] van de leraar van het voorbeeld die hem toont wat bij genade van de traditie is doorgegeven, behoort de toegewijde van aanbidding te zijn voor de Hoogste Persoonlijkheid in de specifieke gedaante van zijn voorkeur [zie ook B.G. 3: 35, 7: 20].

Having obtained the mercy of his spiritual master, who reveals to the disciple the injunctions of Vedic scriptures, the devotee should worship the Supreme Personality of Godhead in the particular personal form of the Lord the devotee finds most attractive.

 

Tekst 49

Schoon gewassen, er recht voor zittend, de adem beheersend en zo voorts [zie ashthânga-yoga] moet hij, het lichaam zuiverend met het in verzaking aanroepen van de bescherming, de Heer aanbidden [door de delen van zijn lichaam aan Hem toe te wijzen door ze met mantra's te markeren, zie ook B.G. 5: 27-28 en 6.8: 4-6].

After cleansing oneself, purifying the body by prânâyâma, bhûta-s'uddhi and other processes, and marking the body with sacred tilaka for protection, one should sit in front of the Deity and worship the Supreme Personality of Godhead.

 

Tekst 50-51

Met welke ingrediënten dan ook beschikbaar zichzelf in hart en ziel voorbereidend, de beeltenis en alles wat erbij hoort, de zaken die moeten worden geofferd, de vloer en de zitplaats besprenkelend, behoort men, het water klaarzettend voor de offerplechtigheid, geconcentreerd de beeltenis op zijn geëigende plaats te zetten met het hebben geplaatst van heilige merktekens op Zijn hart en andere delen en met de daartoe bestemde mantra van aanbidding te zijn [4*].

The devotee should gather whatever ingredients for worshiping the Deity are available, make ready the offerings, the ground, his mind and the Deity, sprinkle his sitting place with water for purification and prepare the bathing water and other paraphernalia. The devotee should then place the Deity in His proper place, both physically and within his own mind, concentrate his attention, and mark the Deity's heart and other parts of the body with tilaka. Then he should offer worship with the appropriate mantra.

 

Tekst 52-53

Met het aanbidden van iedere afzonderlijke beeltenis en Zijn ledematen, speciale kenmerken [zoals zijn cakra], en metgezellen [zoals de pañca-tattva] met Zijn eigen mantra's [zoals b.v. de S'is'umâra-mantra of de Ambaris'a gebeden voor de cakra vermeld in 5.23: 8 en in 9.5], met water voor Zijn voeten, reukwater ter verwelkoming, fijne kleding, ornamenten, geuren, halssnoeren, ongebroken graankorrels [om tilaka aan te brengen] en met bloemenslingers, wierook, lampen, en dergelijke offergaven in alle respect de aanbidding zoals vastgelegd complementerend, behoort men van eerbetoon met gebed zich voor de Heer te verbuigen.

One should worship the Deity along with each of the limbs of His transcendental body, His weapons such as the Sudars'ana cakra, His other bodily features and His personal associates. One should worship each of these transcendental aspects of the Lord by its own mantra and with offerings of water to wash the feet, scented water, water to wash the mouth, water for bathing, fine clothing and ornaments, fragrant oils, valuable necklaces, unbroken barleycorns, flower garlands, incense and lamps. Having thus completed the worship in all its aspects in accordance with the prescribed regulations, one should then honor the Deity of Lord Hari with prayers and offer obeisances to Him by bowing down.

 

Tekst 54

Met zichzelf daarin opgaand [als een dienaar en niet zich valselijk identificerend] behoort men aldus mediterend volledig van aanbidding voor de mûrti van de Heer te zijn en, met het op zijn hoofd aanvaarden van wat er over blijft, Hem respectvol op de voor Hem bestemde plaats te zetten.

The worshiper should become fully absorbed in meditating upon himself as an eternal servant of the Lord and should thus perfectly worship the Deity, remembering that the Deity is also situated within his heart. Then he should take the remnants of the Deity's paraphernalia, such as flower garlands, upon his head and respectfully put the Deity back in His own place, thus concluding the worship.

 

Tekst 55

Hij die aldus de Beheerser, de Opperziel, aanwezig in het vuur, de zon, het water en zo voorts, als ook in de gast en in het eigen hart [zie ook 2.2: 8] aanbidt, raakt zonder meer werkelijk bevrijd.

Thus the worshiper of the Supreme Lord should recognize that the Personality of Godhead is all-pervading and should worship Him through His presence in fire, the sun, water and other elements, in the heart of the guest one receives in one's home, and also in one's own heart. In this way the worshiper will very soon achieve liberation.

 

*: Als een kwaliteit word weggenomen, raakt een element niet-verschillend van het element dat vroeger in de evolutie van het universum zijn bestaan vond en gaat het er aldus in op, verandert het erin, of lost ze erin op: aldus vindt de vernietiging van het universum plaats.

** S'rîla Rûpa Gosvâmî formuleerde vier vereisten waaraan men moet voldoen om vooruit te komen in dezen: '[1] Het aanvaarden van de toevlucht van een bona fide geestelijk leraar, [2] het worden ingewijd door de geestelijk leraar en het leren hem van dienst te zijn, [3] het met geloof en toewijding opvolgen van de opdrachten van de geestelijk leraar, en [4] het volgen in de voetsporen van de grote âcârya's [leraren] onder leiding van de geestelijk leraar.' (Bhakti-rasâmrita-sindhu 1.2.74)

*** S'rîla Madhvâcârya citeert hierbij, uit de Moksha-dharma sectie van Vyâsadeva's Mahâbhârata, de Heer die zegt:

aham hi jîva-samjño vai
mayi jîvah sanâtanah
maivam tvayânumantavyam
dristho jîvo mayeti ha
aham s'reyo vidhâsyâmi
yathâdhikâram îs'varah

'Het levende wezen, bekend als de jîva, verschilt niet van Mij, daar Hij mijn expansie is. Aldus is het levende wezen eeuwig, zoals Ik, en bestaat het altijd in Mij. Maar je moet niet gekunsteld denken, 'Nu heb ik de ziel aanschouwd.' Het is eerder zo dat Ik, als de Hoogste Persoonlijkheid van God, je deze zegen zal vergunnen als jij er werkelijk voor in aanmerking komt.'

*4 Precies zoals iedere prâkrita, onpersoonlijke, materialistische toegewijde de Heer aan het aanbidden is in Zijn gedaante van de Tijd met pragmatisch verdraaide klokken en niet-geschrikkelde weekindelingen [zie de Orde van de Tijd en kâla om dit recht te zetten] als zijnde de godheid van voorkeur met mantra's als 'wees op tijd' en 'tijd is geld', zo voorziet de klassieke bhakti met de kanishthha of beginnende, personalistische toegewijde meer waarachtig naar de vedische autoriteit erin ook de persoonlijke gedaante van de Heer in de vorm van een beeltenis te aanbidden met 'om namo bhagavate vâsudevâya' [4.8: 54], de gâyatrî, de mahâmantra en andere mantra's. In al deze gevallen moet worden gedacht aan wat Vyâsa in 11.2: 47 zegt over mûrti-aanbidding in het algemeen.

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De afbeelding van de Tijd op deze pagina is van
Johannes Ptok
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties