regelbalk




 

Canto 2

Prabhupâda Pranâti

 
 

Hoofdstuk 2: De Heer in het Hart

(1) S'rî S'uka zei: 'Door je te bezinnen op het Hoogste Zelf  [van de Universele Gedaante] waar je [net als Heer Brahmâ] uit voortkwam, krijg je, aldus voldoening vindend [met de Oorspronkelijke Persoon], je geheugen terug dat teloor ging. Met je blik aldus helder werkt de intelligentie weer als voorheen en kan je je leven op orde krijgen. (2) Het [geestelijk] aanhangen van de klanken van de [onpersoonlijke] Absolute Waarheid, zorgt ervoor dat de intelligentie, vanwege de vele termen [die ermee gemoeid zijn], zich bezighoudt met onsamenhangende ideeën waarvan men, zonder ooit vreugde te vinden, ronddoolt in illusoire werkelijkheden - en de verschillende verlangens die erbij horen - alsof men aan het dromen is. (3) Op basis van het praktisch inzicht dat hij zich anders in zou zetten voor [zinloos] zwaar werk, moet een intelligente en oplettende persoon met zijn aandacht gefixeerd [in meditatie] om de perfectie te bereiken, zich enkel minimaal, niet meer dan noodzakelijk, betrekken op denkbeeldige [niet spirituele] doelen. (4) Waarom zou je streven naar een bed als je op de grond kan liggen; waarom zou je je druk maken om een kussen als je armen hebt; waarom zou je je inspannen voor allerlei gerei als je met je handen kan eten en waarom zou je je bekommeren om kleren als de bomen die verschaffen [met hun bast]? (5) Vindt je dan geen afgedankte kleding op straat; zijn er dan geen giften uit liefdadigheid; bieden de bomen niet een aalmoes met het onderhouden van anderen; zijn de rivieren opgedroogd; zijn de grotten gesloten; heeft de Almachtige Heer het opgegeven de overgegeven zielen te beschermen? Waarom zou een geleerd mens dan degenen die zich door weelde laten leiden naar de mond moeten praten? (6) Als men aldus met de zaak van Hem, de meest geliefde, eeuwige Ene Superziel die geheel aanwezig is in het hart, onthecht is van de wereld, moet men Hem, de Fortuinlijke, vereren die het permanente voordeel vormt waarmee men zonder twijfel een einde ziet komen aan de oorzaak van de materiële gebondenheid. (7) Wie anders dan de materialisten zouden, met het verwaarlozen van de bovenzinnelijke gedachten, hun toevlucht nemen tot het niet-permanente van materiële aanduidingen, waardoor zij, die de grote massa vormen die beheerst wordt door de misère van de terugslag van de baatzuchtige arbeid, zich als gevallen zien in de rivier van het lijden?

(8) Anderen zien in de meditatie op Hem binnenin hun eigen lichaam in de hartstreek ter grootte van twintig centimeter de persoonlijkheid van God daar verblijven met vier armen die de lotus, het wiel van de strijdwagen, de hoornschelp en de strijdknots hooghouden. (9) Met op Zijn mond de uitdrukking van geluk, Zijn ogen wijd open als een lotus, Zijn kleding geel gekleurd als een Kadambabloem, bedekt met juwelen en met gouden sieraden ingelegd met kostbare stenen, draagt Hij een stralende hoofdtooi met oorbellen. (10) Zijn voeten bevinden zich op het bloemhart van de lotusharten van grote mystici. Op Zijn borst draagt Hij het prachtig gegraveerde Kaustubha-juweel en om Zijn nek laat een bloemenslinger zijn schoonheid zien. (11) Met Zijn middel decoratief omwikkeld, kostbare ringen om Zijn vingers, enkelbelletjes, armbanden, smetteloos geolied, zwart krullend haar en Zijn prachtige, glimlachende gezicht, ziet Hij er zeer aangenaam uit. (12) Zijn grootse spel en vermaak en de gloedvolle blikken van Zijn gelaat geven uitdrukking aan de rijkdom aan zegeningen van deze bijzondere bovenzinnelijke gedaante van de Heer waarop men zich behoort te richten zolang als het denken er maar op gefixeerd kan zijn ter wille van iemands meditatie. (13)  Men behoort op de ledematen stuk voor stuk te mediteren, van de voeten af aan, totdat men het glimlachen van Zijn gezicht ziet. Aldus geleidelijk de beheersing over het denken verkrijgend, vertrekt men in meditatie naar hogere en hogere sferen en zuivert men op die manier de intelligentie. (14) Zolang de materialist geen toegewijde dienst ontwikkelt voor deze gedaante van de Heer, de ziener van de materiële en bovenzinnelijke werelden, moet hij, als hij zijn voorgeschreven plichten heeft vervuld, zich met gepaste aandacht de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon voor de geest halen.

(15) Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven, o Koning, behoort men als een wijze, zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten en met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, met het beheersen van de levensadem de zinnen in te perken met behulp van de geest. (16) Met het in relatie tot het levende wezen reguleren van de geest bij machte van de eigen zuivere intelligentie moet men opgaan in dit zelf. Dat zelf moet men herleiden tot de volkomen, voldane Superziel zodat men aldus, aan alle activiteiten een einde makend, de volkomen gelukzaligheid bereikt. (17) Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen of enige andere materiële verandering of oorzakelijkheid van de grote natuur. (18) Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de transcendentale positie, geven zij die het goddeloze uit de weg willen gaan volledig de verwardheid op [van het argumenteren naar plaats en tijd], en plaatsen daarbij steeds in een zuiver op Hem gerichte goede wil Zijn aanbiddelijke lotusvoeten in hun hart. (19) De wijze die goed op de hoogte is van de wetenschap van het ter wille van het levensdoel naar behoren reguleren van de kracht [der zinnen], dient zich als volgt terug te trekken: hij moet zijn aars ['het lucht-gat'] blokkeren met de hiel en de levensadem naar boven richten door de zes primaire plaatsen [navel, plexus, hart, keel, wenkbrauwen en de top van de schedel] en aldus de materiële inertie te boven komen. (20) De mediterende moet, met de kracht van zijn visie van wijsheid, zijn levensadem geleidelijk van de navel naar de plexus [het 'hart'] leiden, hem dan verder naar boven naar de borst brengen om dan uit te komen bij het strottenhoofd en zo zijn materiële verlangens beëindigen. (21) De ziener die van verzaking is moet, om het Allerhoogste te bereiken, met het blokkeren van de zeven uitgangen [ogen, oren, neusgaten en mond], van tussen zijn wenkbrauwen het domein van het hoofd binnengaan om daar een poos ['een half uur'], afzijdig te verwijlen ter wille van het altijd nieuwe eeuwige.

(22) Als men er echter een verlangen op nahoudt, o Koning, om te heersen over, zoals men dat zegt, het lustoord van de goden in de ether, of als men ernaar streeft de wereld van de guna's [de geaardheden van de natuur] te beheersen met de acht mystieke vermogens [de acht siddhi's of perfecties], dan krijgt men onvermijdelijk ook te maken met de geest en de zinnen die daarbij horen. (23) Men beweert dat de grote transcendentalisten in het bereik van het subtiele lichaam, zich op basis van hun kennis, verzaking, yoga en verzonkenheid in en buiten de drie werelden vrij kunnen bewegen, maar dat zij die hun werk doen op basis van materiële motieven nimmer die vooruitgang  bereiken.

(24) Met het beheersen van de goddelijkheid van het vuur [Vais'vânara, ofwel met regelmatig offeren en mediteren] bereikt men door het pad van de [sushumnâ, het kanaal van het in evenwicht brengen van de] ademhaling, de verlichtende zuivere Geest van het Absolute, waarna men bevrijd van onzuiverheden zich naar boven bewegend [in achting voor de hemellichamen] de [galactische cakra-orde van de] Heer bereikt, o Koning, genaamd S'is'umâra [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd]. (25) Zich voorbij die navel van het universum, het centrum, het draaipunt van de Handhaver [Vishnu] begevend, wordt door enkel het individuele levende wezen dat gezuiverd werd door het besef van zijn kleinheid [de yogi], de plaats bereikt aanbeden door hen die de Absolute Waarheid kennen. De zelfgerealiseerde zielen genieten aldaar voor de duur van een kalpa [een dag van Brahmâ]. (26) Daarop zal hij, die vanaf het bed van Vishnu [Ananta] ziet hoe het universum tot as verbrandt door het vuur uit Zijn mond, vandaar naar de hoogste verblijfplaats vertrekken die, als het thuis van de gezuiverde zielen van de verheffing, voortbestaat voor de duur van twee parârdha's [de twee helften van Brahmâ's leven]. (27) Daar zal men nooit treurnis kennen of ouderdom, dood, pijn of angsten, behalve dat men soms gevoelens van mededogen heeft als men de onwetenden ziet die onderworpen zijn aan de moeilijk te overwinnen misère van de herhaling van geboorte en dood.

(28) Na het achter zich gelaten hebben van de gedaanten van water en vuur en aldus hebben bereikt van het zuivere zelf dat vrij is van angst, bereikt men met het op die manier komen tot de stralende atmosfeer, na de nodige tijd via de adem van het zelf het etherische zelf, de ware grootheid van de ziel. (29) Door geuren de reuk krijgend, door de mond iets proevend, met het oog iets ziend, door fysiek contact aanraking ervarend en tenslotte door geluidstrillingen de kwaliteit van de ether ervarend, komt de yogi door middel van de activiteit van de zintuigen eveneens tot realisatie [van het meer subtiele]. (30) Nadat hij aldus op het mentale vlak in verhouding tot het grove en subtiele een neutraal punt van ik-bewustzijn heeft bereikt, overstijgt hij in de geaardheid goedheid die realisatie van zichzelf die onderhevig is aan verandering [het ego] en vordert hij, door het stoppen van de werking van de materiële geaardheden, in de richting van de werkelijkheid van de volmaakte wijsheid. (31) Door die zuivering in de richting van het zelf van de Superziel, bereikt de persoon de vrede, bevrediging en natuurlijke verrukking van het bevrijd zijn van alle onzuiverheden. Hij die deze bestemming van de toewijding bereikt zal zeker nooit opnieuw gehecht raken aan deze materiële wereld, mijn beste [Parîkchit].

(32) De [twee directe en indirecte] wegen die ik u beschreven heb, o beschermer van de mens, stemmen zoals uwe Majesteit dat verlangde zoals het hoort overeen met de Veda's. Ook stemt het geheel overeen met de eeuwige waarheid zoals die voorheen door de aanbeden Opperheer Vâsudeva werd uitgesproken voor Heer Brahmâ die Hem voldoening had geschonken. (33) Voor hen die in dit leven ronddolen in het materiële universum bestaat er zeker geen methode van realisatie die gunstiger is dan de [directe] weg waarin men komt tot de toegewijde dienst [bhakti-yoga] van de Allerhoogste Persoonlijkheid Heer Vâsudeva. (34) De grote persoonlijkheid [Vyâsadeva] bestudeerde de Veda's in totaal drie keer en stelde studieus, nauwgezet onderzoek doend vast dat iemand optimaal is gefocust als hij zich aangetrokken voelt tot de ziel. (35) De Hoogste Persoonlijkheid kan worden waargenomen in alle levende wezens als de eigenlijke aard van die ziel, als de Heer die door de intelligentie van de ziener wordt herkend aan de hand van verschillende tekenen en effecten. (36) Derhalve, o Koning, behoort iedere ziel, waar hij ook is en wanneer hij ook bestaat, te vernemen over, te zingen van en terug te denken aan de Heer die verheerlijkt en herinnerd wordt als de Hoogste Persoonlijkheid van het menselijk wezen. (37) Zij die hun oren vullen met de vertellingen over de Allerhoogste Heer die de toegewijden het dierbaarst is en van die nectar drinken, zullen hun, door het materiële plezier verontreinigde, geestesstaat gezuiverd zien en terugkeren naar de aanwezigheid van Zijn lotusvoeten.'


Lees de inspiratie bij dit hoofdstuk door Anand Aadhar.

 

next

 
Derde herziene editie, geladen 2 juli 2016.

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Door je te bezinnen op het Hoogste Zelf  [van de Universele Gedaante] waar je [net als Heer Brahmâ] uit voortkwam, krijg je, aldus voldoening vindend [met de Oorspronkelijke Persoon], je geheugen terug dat teloor ging. Met je blik aldus helder werkt de intelligentie weer als voorheen en kan je je leven op orde krijgen.
S'rî S'uka zei: "Spoedig herwint de ziel vanaf zijn geboorte, mediterend op de Universele Gedaante, zijn verloren herinneringen met het aldus vinden van vrede met de Heer, waarna, met een opgehelderde blik, hij zijn leven opnieuw kan opbouwen als voorheen. (Vedabase)


Tekst 2

Het [geestelijk] aanhangen van de klanken van de [onpersoonlijke] Absolute Waarheid, zorgt ervoor dat de intelligentie, vanwege de vele termen [die ermee gemoeid zijn], zich bezighoudt met onsamenhangende ideeën waarvan men, zonder ooit vreugde te vinden, ronddoolt in illusoire werkelijkheden - en de verschillende verlangens die erbij horen - alsof men aan het dromen is.

Voorzeker doet het aanhangen van het spirituele de intelligentie, vanwege haar vele namen, verwijlen in betekenisloze ideeën waarin men rondwaart in werkelijkheden van illusie en haar verschillende verlangens zonder ooit te genieten, alsof men aan het dromen is. (Vedabase)


Tekst 3

Op basis van het praktisch inzicht dat hij zich anders in zou zetten voor [zinloos] zwaar werk, moet een intelligente en oplettende persoon met zijn aandacht gefixeerd [in meditatie] om de perfectie te bereiken, zich enkel minimaal, niet meer dan noodzakelijk, betrekken op denkbeeldige [niet spirituele] doelen.

Derhalve behoort de verlichte persoon in de wereld der namen zichzelf te beperken tot het hoogst noodzakelijke zonder gek te zijn van verlangen, intelligent gefixeerd [op de Universele Gedaante] teneinde succesvol te zijn. Hij behoort tot het praktisch inzicht te komen dat hij anders enkel ter wille van hard werken bezig zou zijn. (Vedabase)

 

Tekst 4

Waarom zou je streven naar een bed als je op de grond kan liggen; waarom zou je je druk maken om een kussen als je armen hebt; waarom zou je je inspannen voor allerlei gerei als je met je handen kan eten en waarom zou je je bekommeren om kleren als de bomen die verschaffen [met hun bast]?

Waar heeft men een bed voor nodig, als men op de grond kan liggen; waar is een kussen voor nodig als men zijn armen heeft; waarom moet men zich van allerlei gerei bedienen als men met zijn handen kan eten en met de beschutting van bomen, wat is dan het nut van kleding? (Vedabase)

 

Tekst 5

Vindt je dan geen afgedankte kleding op straat; zijn er dan geen giften uit liefdadigheid; bieden de bomen niet een aalmoes met het onderhouden van anderen; zijn de rivieren opgedroogd; zijn de grotten gesloten; heeft de Almachtige Heer het opgegeven de overgegeven zielen te beschermen? Waarom zou een geleerd mens dan degenen die zich door weelde laten leiden naar de mond moeten praten?

Vindt men afgedankte kleding niet gewoon op straat, zijn er geen giften uit liefdadigheid; bieden de bomen niet een aalmoes in het onderhouden van anderen; zijn de rivieren opgedroogd; zijn de grotten gesloten; heeft de Almachtige Heer Zijn bescherming van de overgegeven zielen opgegeven? Waarom moet dan een geleerd mens, het diegenen die onder de invloed van weelde verkeren, naar de zin maken? (Vedabase)

 

Tekst 6

Als men aldus met de zaak van Hem, de meest geliefde, eeuwige Ene Superziel die geheel aanwezig is in het hart, onthecht is van de wereld, moet men Hem, de Fortuinlijke, vereren die het permanente voordeel vormt waarmee men zonder twijfel een einde ziet komen aan de oorzaak van de materiële gebondenheid.

Aldus zal voorzeker met het aanbidden van het in het eigen hart zo geliefde doel van de Superziel volmaakt in zichzelf, in onthechting van de wereld ter wille vsn Hem, de Eeuwig Onbegrensde en Allerhoogste Heer, het hoogste en duurzame gewin geven waarin de oorzaak van de materiële gebondenheid zonder twijfel zijn einde zal vinden. (Vedabase)



Tekst 7

Wie anders dan de materialisten zouden met het verwaarlozen van de bovenzinnelijke gedachten hun toevlucht nemen tot het niet-permanente van materiële aanduidingen, waardoor zij, die de grote massa vormen die beheerst wordt door de misère van de terugslag van de baatzuchtige arbeid, zich als gevallen zien in de rivier van het lijden?

Wie anders dan de materialisten zouden door het verwaarlozen van de bovenzinnelijke gedachten hun toevlucht nemen tot het niet-permanente van namen en henzelf, de grote massa in het algemeen, als gevallen in de rivier van het lijden zien, beheerst als ze zijn door de misère die het gevolg is van hun eigen arbeid? (Vedabase)

 

Tekst 8

Anderen zien in de meditatie op Hem binnenin hun eigen lichaam in de hartstreek ter grootte van twintig centimeter de persoonlijkheid van God daar verblijven met vier armen die de lotus, het wiel van de strijdwagen, de hoornschelp en de strijdknots hooghouden.

Anderen zien in de meditatie op Hem binnen in hun eigen lichaam in de hartstreek de persoonlijkheid van God daar verblijven ter grootte van twintig centimeter in het idee van Hem als hebbende vier armen die de lotus, het wiel van de strijdwagen, de hoornschelp en de strijdknots dragen. (Vedabase)

 

Tekst 9

Met op Zijn mond de uitdrukking van geluk, Zijn ogen wijd open als een lotus, Zijn kleding geel gekleurd als een Kadambabloem, bedekt met juwelen en met gouden sieraden ingelegd met kostbare stenen, draagt Hij een stralende hoofdtooi met oorbellen.

Met op Zijn mond de uitdrukking van geluk, Zijn ogen wijd open als een lotus, Zijn kleding geelgekleurd als een Kadamba bloem bedekt met juwelen en met gouden sieraden ingelegd met kostbare stenen, draagt Hij een stralende hoofdtooi met oorbellen. (Vedabase)

 

Tekst 10

Zijn voeten bevinden zich op het bloemhart van de lotusharten van grote mystici. Op Zijn borst draagt Hij het prachtig gegraveerde Kaustubha-juweel en om Zijn nek laat een bloemenslinger zijn schoonheid zien.

Zijn voeten bevinden zich op het bloemhart van de lotusharten van grote mystici. Op zijn borst draagt Hij het prachtig gegraveerde Kaustubha-juweel en om Zijn nek laat een bloemenslinger zijn schoonheid zien. (Vedabase)

 

Tekst 11

Met Zijn middel decoratief omwikkeld, kostbare ringen om Zijn vingers, enkelbelletjes, armbanden, smetteloos geolied, zwart krullend haar en Zijn prachtige, glimlachende gezicht, ziet Hij er zeer aangenaam uit.

Met Zijn middel decoratief omwikkeld, kostbare ringen om Zijn vingers, enkelbelletjes, armbanden, smetteloos geolied, zwart krullend haar en Zijn prachtige, glimlachende gezicht, ziet Hij er zeer aangenaam uit. (Vedabase)

 

Tekst 12

Zijn grootse spel en vermaak en de gloedvolle blikken van Zijn gelaat geven uitdrukking aan de rijkdom aan zegeningen van deze bijzondere bovenzinnelijke gedaante van de Heer waarop men zich behoort te richten zolang als het denken er maar op gefixeerd kan zijn ter wille van iemands meditatie.

Zijn grootse spel en vermaak en de gloedvolle blikken van Zijn gelaat geven uitdrukking aan de rijkdom aan zegeningen van deze bijzondere bovenzinnelijke gedaante van de Heer waarop men zich behoort te richten zolang als het denken er maar op gefixeerd kan zijn ter wille van iemands meditatie. (Vedabase)

 

Tekst 13

Men behoort op de ledematen stuk voor stuk te mediteren, van de voeten af aan, totdat men het glimlachen van Zijn gezicht ziet. Aldus geleidelijk de beheersing over het denken verkrijgend, vertrekt men in meditatie naar hogere en hogere sferen en zuivert men op die manier de intelligentie.

Stuk voor stuk, behoort men op de ledematen te mediteren, van de voeten af aan, totdat men het glimlachen van Zijn gezicht ziet, en aldus geleidelijk de beheersing over het denken krijgend, vertrekt men in meditatie naar hogere en hogere sferen en zuivert men op die manier de intelligentie. (Vedabase)

 

Tekst 14

Zolang de materialist geen toegewijde dienst ontwikkelt voor deze gedaante van de Heer, de ziener van de materiële en bovenzinnelijke werelden, moet hij, als hij zijn voorgeschreven plichten heeft vervuld, zich met gepaste aandacht de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon voor de geest halen.

Zolang de materialist geen toegewijde dienst ontwikkelt voor deze gedaante van de Heer, de ziener van de materiële en bovenzinnelijke werelden, behoort hij, aan het eind van zijn voorgeschreven plichten, zich met gepaste aandacht de Universele Gedaante van de Oorspronkelijke Persoon in herinnering te brengen. (Vedabase)

 

Tekst 15

Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven, o Koning, behoort men als een wijze, zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten en met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, met het beheersen van de levensadem de zinnen in te perken met behulp van de geest.

Wanneer men ook zijn lichaam op wil geven, o Koning, behoort men als een wijze zonder verstoord te zijn, comfortabel gezeten met het denken onberoerd door aangelegenheden van tijd en plaats, de zinnen door de geest te beheersen in het de baas zijn over de levensadem. (Vedabase)

 

Tekst 16

Met het in relatie tot het levende wezen reguleren van de geest bij machte van de eigen zuivere intelligentie moet men opgaan in dit zelf. Dat zelf moet men herleiden tot de volkomen, voldane Superziel zodat men aldus, aan alle activiteiten een einde makend, de volkomen gelukzaligheid bereikt.

Het denken, behoort door zijn eigen zuivere intelligentie in relatie tot het levende wezen zichzelf te reguleren en met alles wat erbij hoort in het zelf op te gaan, terwijl dat zelf op de volkomen voldane Superziel vast moet liggen zodat het aldus, alle andere activiteiten beëindigend, de volkomen gelukzaligheid kan bereiken.  (Vedabase)

 

Tekst 17

Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen of enige andere materiële verandering of oorzakelijkheid van de grote natuur.

Daarin zal men niet de heerschappij van de tijd aantreffen die voorzeker de godspersonen beheerst die sturing geven aan de wereldse schepselen met hun halfgoden, noch zal men daar wereldse goedheid, hartstocht of onwetendheid aantreffen, noch enige andere materiële verandering of veroorzaking van zijn natuur.  (Vedabase)

 

Tekst 18

Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de transcendentale positie, geven zij die het goddeloze uit de weg willen gaan volledig de verwardheid op [van het argumenteren naar plaats en tijd], en plaatsen daarbij steeds in een zuiver op Hem gerichte goede wil Zijn aanbiddelijke lotusvoeten in hun hart.

Wetende wat wel en wat niet betrekking heeft op het goddelijke van de opperste situatie, geven zij die ernaar verlangen de goddelozen uit de weg te gaan volledig de verwardheden op [van het argumenteren naar plaats en tijd], waarbij ze in het absolute van de goede wil de aanbiddelijke lotusvoeten van de Heer op ieder moment in hun hart nemen. (Vedabase)

 

Tekst 19

De wijze die goed op de hoogte is van de wetenschap van het ter wille van het levensdoel naar behoren reguleren van de kracht [der zinnen], dient zich als volgt terug te trekken: hij moet zijn aars ['het lucht-gat'] blokkeren met de hiel en de levensadem naar boven richten door de zes primaire plaatsen [navel, plexus, hart, keel, wenkbrauwen en de top van de schedel] en aldus de materiële inertie te boven komen.

Door middel van inzicht behoort de filosoof zich aldus terug te trekken, welbekend met de wetenschap van het ter wille van het leven naar behoren reguleren van de kracht, door de aars ['het lucht-gat'] te blokkeren met de hiel en de levensadem naar boven te richten door de zes primaire plaatsen [navel, plexus, hart, keel, wenkbrauwen en de top van de schedel], en aldus een eind te maken aan het materiële verlangen. (Vedabase)

 

Tekst 20

De mediterende moet, met de kracht van zijn visie van wijsheid, zijn levensadem geleidelijk van de navel naar de plexus [het 'hart'] leiden, hem dan verder naar boven naar de borst brengen om dan uit te komen bij het strottenhoofd en zo zijn materiële verlangens beëindigen.

De zwevende kracht moet geleidelijk van de navel naar de plexus [het 'hart'] worden gevoerd, opwaarts naar de borst vanwaar de mediterende op intelligente wijze het meditatieve uit moet zoeken door het langzaam in het strottehoofd te brengen.(Vedabase)

 

Tekst 21

De ziener die van verzaking is moet, om het Allerhoogste te bereiken, met het blokkeren van de zeven uitgangen [ogen, oren, neusgaten en mond], van tussen zijn wenkbrauwen het domein van het hoofd binnengaan om daar een poos ['een half uur'], afzijdig te verwijlen ter wille van het altijd nieuwe eeuwige.

Van tussen de wenkbrauwen behoort de ziener, de uitgang van de zeven centra blokkerend en een tijdje ['een half uur'] onafhankelijk van zingenot standhoudend voor het angstvrije, het domein van het hoofd binnen te gaan en op te geven ter wille van het Allerhoogste. (Vedabase)

 

Tekst 22

Als men er echter een verlangen op nahoudt, o Koning, om te heersen over, zoals men dat zegt, het lustoord van de goden in de ether, of als men ernaar streeft de wereld van de guna's [de geaardheden van de natuur] te beheersen met de acht mystieke vermogens [de acht siddhi's of perfecties], dan krijgt men onvermijdelijk ook te maken met de geest en de zinnen die daarbij horen.

Als men er echter een verlangen op nahoudt, o Koning, om te heersen over, zoals men dat zegt, het lustoord van de goden in de ether, of als men met de acht mystieke vermogens [de acht siddhi's], het verlangt de wereld van de guna's [de geaardheden der natuur] te bestieren, zal men het ongetwijfeld ook te stellen krijgen met de geest en de zinnen die erbij komen kijken. (Vedabase)

 

Tekst 23

Men beweert dat de grote transcendentalisten in het bereik van het subtiele lichaam, zich op basis van hun kennis, verzaking, yoga en verzonkenheid in en buiten de drie werelden vrij kunnen bewegen, maar dat zij die hun werk doen op basis van materiële motieven nimmer die vooruitgang  bereiken.

Men zegt van de bestemming van de grote transcendentalisten, dat ze van binnen de levensadem van het subtiele lichaam bestaan, terwijl degenen die hun werk materieel gemotiveerd volbrengen nooit de vooruitgang bereiken die door degenen in de verzonkenheid van de yoga gerealiseerd wordt in de versobering van de toegewijde dienst. (Vedabase)


Tekst 24

Met het beheersen van de goddelijkheid van het vuur [Vais'vânara, ofwel met regelmatig offeren en mediteren] bereikt men door het pad van de [sushumnâ, het kanaal van het in evenwicht brengen van de] ademhaling, de verlichtende zuivere Geest van het Absolute, waarna men bevrijd van onzuiverheden zich naar boven bewegend [in achting voor de hemellichamen] de [galactische cakra-orde van de] Heer bereikt, o Koning, genaamd S'is'umâra [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd].

In de beheersing van de goddelijkheid van het vuur bereikt men, de hemelbewegingen volgend, door het gracieuze verloop van de ademhaling [de sushumnâ], de zuivere geest [Brahmaloka, plaats van de Schepper] die opheldering geeft en de besmettingen wegwast, waarna men opwaarts de cirkel [de cakra, het wiel], o Koning, genaamd S'is'umâra bereikt [betekenis: dolfijn, de vorm van de Melkweg, de galactische tijd]. (Vedabase)

 

Tekst 25

Zich voorbij die navel van het universum, het centrum, het draaipunt van de Handhaver [Vishnu] begevend, wordt door enkel het individuele levende wezen dat gezuiverd werd door het besef van zijn kleinheid [de yogi], de plaats bereikt aanbeden door hen die de Absolute Waarheid kennen. De zelfgerealiseerde zielen genieten aldaar voor de duur van een kalpa [een dag van Brahmâ].

Zich voorbij die navel van het universum, het draaipunt van de Handhaver [Vishnu], begevend, wordt door het enkele levende wezen dat gezuiverd werd door het besef van zijn kleinheid, de plaats bereikt aanbiddelijk voor hen die zich in het bovenzinnelijke bevinden, waar de zelfgerealiseerde zielen genieten voor de duur van een kalpa [een dag van Brahmâ]. (Vedabase)

 

Tekst 26

Daarop zal hij, die vanaf het bed van Vishnu [Ananta] ziet hoe het universum tot as verbrandt door het vuur uit Zijn mond, vandaar naar de hoogste verblijfplaats vertrekken die, als het thuis van de gezuiverde zielen van de verheffing, voortbestaat voor de duur van twee parârdha's [de twee helften van Brahmâ's leven].

Daarop zal hij, die vanaf het bed van Vishnu [Ananta] ziet hoe het universum tot as verbrandt door het vuur uit Zijn mond, verdwenen zijn vandaar naar de hoogste verblijfplaats [van Brahmâ] die, als het thuis van de gezuiverde zielen van verheffing, voortbestaat voor de duur van twee parârdha's [de twee helften van Brahmâ's leven]. (Vedabase)

 

Tekst 27

Daar zal men nooit treurnis kennen of ouderdom, dood, pijn of angsten, behalve dat men soms gevoelens van mededogen heeft als men de onwetenden ziet die onderworpen zijn aan de moeilijk te overwinnen misère van de herhaling van geboorte en dood.

Daar zal men nooit treurnis kennen of ouderdom, dood, pijn of angsten, behalve dat men soms gevoelens van mededogen heeft bij het zien van de onwetenden onderworpen aan de moeilijk te overwinnen misère van de herhaling van geboorte en dood. (Vedabase)

 

Tekst 28

Na het achter zich gelaten hebben van de gedaanten van water en vuur en aldus hebben bereikt van het zuivere zelf dat vrij is van angst, bereikt men met het op die manier komen tot de stralende atmosfeer, na de nodige tijd via de adem van het zelf het etherische zelf, de ware grootheid van de ziel.

Zonder twijfel bereikt men vanuit dat zuivere zelf, de vormen van water en vuur overtreffend, de stralende atmosfeer waar, na de nodige tijd, het zelf door de eigen adem het etherische bereikt, de ware grootheid van de ziel. (Vedabase)

  

Tekst 29

Door geuren de reuk krijgend, door de mond iets proevend, met het oog iets ziend, door fysiek contact aanraking ervarend en tenslotte door geluidstrillingen de kwaliteit van de ether ervarend, komt de yogi door middel van de activiteit van de zintuigen eveneens tot realisatie [van het meer subtiele].

Door het ruiken van geuren, door het proeven met de mond, door het zien van vormen en door het in contact verkeren middels fysieke aanraking en, als het ware, het door ontvangst via het gehoor bereiken van de identificatie met het etherische, komt de yogi door de zintuigen eveneens tot materiële handelingen. (Vedabase)
 
Tekst 30

Nadat hij aldus op het mentale vlak in verhouding tot het grove en subtiele een neutraal punt van ik-bewustzijn heeft bereikt, overstijgt hij in de geaardheid goedheid die realisatie van zichzelf die onderhevig is aan verandering [het ego] en vordert hij, door het stoppen van de werking van de materiële geaardheden, in de richting van de werkelijkheid van de volmaakte wijsheid.

In de geaardheid goedheid overtreft hij de verandering in de materiële vorm door de grove en subtiele zinnen te neutraliseren, tezamen met die vooruitgang de wijsheid van de ware werkelijkheid [zelfrealisatie] zien meekomend in dat volledige ophouden van de [werking van de] materiële geaardheden. (Vedabase)


Tekst 31

Door die zuivering in de richting van het zelf van de Superziel, bereikt de persoon de vrede, bevrediging en natuurlijke verrukking van het bevrijd zijn van alle onzuiverheden. Hij die deze bestemming van de toewijding bereikt zal zeker nooit opnieuw gehecht raken aan deze materiële wereld, mijn beste [Parîkchit].

De persoon bereikt door die zuivering van het zelf van de Superziel de rust, bevrediging en natuurlijke verrukking van het bevrijd zijn van alle besmettingen. Hij die deze bestemming van de toewijding bereikt zal voorzeker nooit opnieuw worden aangetrokken tot deze materiële wereld, mijn beste [Parîkchit]. (Vedabase)


Tekst 32

De [twee directe en indirecte] wegen die ik u beschreven heb, o beschermer van de mens, stemmen zoals uwe Majesteit dat verlangde zoals het hoort overeen met de Veda's. Ook stemt het geheel overeen met de eeuwige waarheid zoals die voorheen door de aanbeden Opperheer Vâsudeva werd uitgesproken voor Heer Brahmâ die Hem voldoening had geschonken.

Alles wat ik u beschreven heb, o beschermer van de mens, is in overeenstemming met de Veda's zoals uwe Majesteit dat naar behoren verlangde, en het is eveneens waarlijk overeenkomstig de eeuwige waarheid zoals die beslist werd vernomen in het zuivere van de geest naar de voldoening van de aanbeden Opperheer Vâsudeva.  (Vedabase)

 

Tekst 33

Voor hen die in dit leven ronddolen in het materiële universum bestaat er zeker geen methode van realisatie die beter is dan de [directe] weg waarin men komt tot de toegewijde dienst [bhakti-yoga] van de Allerhoogste Persoonlijkheid Heer Vâsudeva.

Voor hen die ronddolen in dit leven in het materiële universum, is er zeker niets gunstiger als middel van realisatie dan dat wat beoogd wordt in de toegewijde dienst [bhakti-yoga] jegens de Allerhoogste Persoonlijkheid Heer Vâsudeva. (Vedabase)

 

Tekst 34

De grote persoonlijkheid [Vyâsadeva] bestudeerde de Veda's in totaal drie keer en stelde studieus, nauwgezet onderzoek doend vast dat iemand optimaal is gefocust als hij zich aangetrokken voelt tot de ziel.

De grote persoonlijkheid [Vyâsadeva] bestudeerde de Veda's drie keer, en met een studieuze inzet nauwgezet onderzoek doend, stelde hij vast dat iemands denken naar behoren gefixeerd is in het aangetrokken zijn tot de ziel. (Vedabase)

 

Tekst 35

De Hoogste Persoonlijkheid kan worden waargenomen in alle levende wezens als de eigenlijke aard van die ziel, als de Heer die door de intelligentie van de ziener wordt herkend aan de hand van verschillende tekenen en effecten.

De Hoogste Persoonlijkheid kan worden waargenomen in alle levende wezens als de eigenlijke aard van die ziel; als de Heer die onderscheiden wordt door de intelligentie van de ziener in verschillende tekenen en veronderstellingen. (Vedabase)

 

Tekst 36

Derhalve, o Koning, behoort iedere ziel, waar hij ook is en wanneer hij ook bestaat, te vernemen over, te zingen van en terug te denken aan de Heer die verheerlijkt en herinnerd wordt als de Hoogste Persoonlijkheid van het menselijk wezen.

Derhalve, o Koning, behoort iedere ziel, waar en wanneer dan ook, te vernemen van de Heer die verheerlijkt en herinnerd wordt als de Hoogste Persoonlijkheid van het menselijk wezen. (Vedabase)

 

Tekst 37

Zij die hun oren vullen met de vertellingen over de Allerhoogste Heer die de toegewijden het dierbaarst is en van die nectar drinken, zullen hun, door het materiële plezier verontreinigde, geestesstaat gezuiverd zien en terugkeren naar de aanwezigheid van Zijn lotusvoeten.'

Diegenen die de nectar drinken die hun oren vult met de vertellingen over de Allerhoogste Heer, de dierbaarste van de toegewijden, zullen hun materiële plezier, het verontreinigde levensdoel, gezuiverd zien en terugkeren naar de voeten die verwijlen naast de lotus.'' (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.

Het schilderij is getiteld: "Lakshmîdevî meditating on Nârâyana"
en is © van
Johannes Ptok.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.



 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties