regelbalk



 

Canto 4

S'rî Gurv-ashthaka

 

 

Hoofdstuk 5: Het Verhinderen van Daksha's Offerplechtigheid

(1) Maitreya zei: 'Toen Heer S'iva van Nârada vernam over de dood van Satî veroorzaakt door de schaamteloosheid die de Prajâpati aan de dag legde en dat de soldaten van zijn metgezellen verdreven waren door de Ribhu's die waren voortgekomen uit Daksha's offervuur, werd hij ongekend kwaad. (2) Zeer kwaad zijn lippen met zijn tanden op elkaar persend greep hij uit de bos haar op zijn hoofd één haar die verschrikkelijk laaide met een elektrisch vuur. Abrupt opstaand lachte Rudra met een diep geluid en smeet de haar op de grond. (3) Toen verscheen er een grote zwarte man met een huizenhoog lichaam dat straalde als drie zonnen en een duizendtal armen had die verschillende wapens omhoog hielden. Hij had schrikwekkende tanden, een rij van schedels om zijn nek en haar op zijn hoofd dat eruit zag als een brandend vuur. (4) Toen hij [genaamd Vîrabhadra] met gevouwen handen de grote Heer vroeg: 'Wat kan ik voor u doen, o Heer van de Geesten?', zei de Heer hem: 'Jij als de aanvoerder van mijn bondgenoten, o Rudra, o expert in de krijgskunst die voortkwam uit mijn lichaam, ga heen en maak een einde aan Daksha en zijn offerplechtigheid!'

(5) Met die opdracht omliep hij, als de woede van de woede van de god van de goden, de machtige S'iva. Met de niet te keren kracht die de allergrootste hem geschonken had, beschouwde hij zich als oppermachtig, mijn beste Vidura, en aldus in staat om welke kracht dan ook te trotseren. (6) Met banden om zijn enkels die een hard geluid maakten en een schrikwekkende drietand in zijn handen die zelfs de dood kon doden, haastte hij zich toen met een luide brul weg, daarbij gevolgd door S'iva's soldaten die [mee]brulden met een enorm lawaai. (7) Op dat moment zagen de priesters, Daksha de leider van de yajña en al de personen verzameld, vanuit het noorden de duisternis van een zandstorm opdoemen. De brahmanen en hun vrouwen begonnen toen te speculeren over waar dat stof vandaan kon komen: (8) 'Het waait niet, het kunnen geen plunderaars zijn want Koning Barhi is nog steeds in leven om hen te straffen en de koeien worden ook niet opgedreven; dus waar komt dit stof vandaan? Betekent dit dat de wereld op het punt staat te vergaan?'

(9) De vrouwen van Daksha met Prasûti aan het hoofd zeiden vol angst: 'Dit gevaar is nu het gevolg van de zonde van Daksha die, als Satî's heer en schepper, zijn volmaakt onschuldige dochter heeft beledigd in de aanwezigheid van haar zusters. (10) Of zou hij het zijn die, als de eindtijd is aangebroken, danst met zijn wapens als vlaggen gehesen in zijn handen en met zijn bos haar loshangend, terwijl hij de heersers met zijn puntige drietand doorboort en zijn luide lach als een donderslag in alle windrichtingen laat weerklinken? (11) Hoe kan er nu geluk zijn als je, van Brahmâ zijnd,  hem kwaad maakt, als je de woede opwekt van hem die nu met een ondraaglijke gloed vol van woede de hemel verduistert met de vreselijke aanblik van zijn schrikwekkende tanden en de beweging van zijn wenkbrauwen?'

(12) Terwijl de mensen [verzameld bij de offerplechtigheid van] Daksha allen zo aan het praten waren, konden ze nerveus om zich heen kijkend overal en bij herhaling talloze beangstigende voortekenen waarnemen in de lucht en op de aarde [als gevolg] van de grote Heer [zijn woede]. (13) Spoedig, o Vidura, werd het offerperk omsingeld door de volgelingen van Rudra die met allerlei opgeheven wapens overal rondrenden met hun gedrongen, geel  en zwart gekleurde, op haaien lijkende lichamen en gezichten.

(14) Sommigen trokken de zuilen van de baldakijn omver terwijl anderen de verblijven van de vrouwen, het offerperk, de verblijfplaats van de priesters en de plaats waar gekookt werd binnendrongen. (15) Sommigen sloegen de potten stuk die voor het offeren werden gebruikt, anderen blusten de vuren die ter wille van de offerplechtigheid brandden, sommigen trokken de afscheiding omlaag die het offerperk markeerde en sommigen urineerden er. (16) Anderen blokkeerden de wijzen de doorgang en sommigen bedreigden de vrouwen en grepen de godsbewuste zielen die vlakbij zaten en vluchtten. (17) Manimân nam Bhrigu Muni vast, Vîrabhadra [de grote] ving Prajâpati Daksha, Candes'a pakte Pûshâ beet en Nandîs'vara greep de halfgod Bhaga. (18) Gebukt onder een regen van stenen, stonden al de priesters, goddelijke zielen en andere deelnemers aan het offer die dit alles zagen gebeuren, doodsangsten uit en verspreidden ze zich in alle richtingen. (19) S'iva's machtige verschijning [Vîrabhadra] rukte, temidden van allen daar bijeen, de snor van Bhrigu Muni eraf, van hem die de offerlepel had vastgehouden waarmee de uitgietingen werden gedaan, want hij had het gewaagd om met zijn [trotse] snor S'iva uit te lachen. (20) Bhaga's ogen werden door de grote krijgsheer die hem zeer kwaad ter aarde had geworpen, uitgestoken in het bijzijn van de Vis'vasrik's, daar hij door de bewegingen van zijn wenkbrauwen de vervloeking van Heer S'iva had aangemoedigd. (21) Zoals Baladeva dat deed met de koning van Kalinga [tijdens het gokspel bij de huwelijksplechtigheid van Aniruddha], sloeg hij [Vîrabhadra] Pûshâ de tanden uit de mond omdat die lachend zijn tanden had laten zien tijdens de vervloeking van S'iva. (22) Maar toen hij, met zijn voet op de borst van Daksha, met een scherpe bijl zijn hoofd van zijn romp wilde scheiden, kon de drie-ogige reus dat niet voor elkaar krijgen. (23) Noch met wapens, noch met behulp van mantra's in staat om hem enkel maar een schrammetje toe te brengen, was Vîrabhadra met stomheid geslagen en moest hij diep nadenken. (24) Toen viel zijn oog op het instrument dat werd gebruikt om de offerdieren te doden en met behulp daarvan scheidde hij het hoofd van de romp van Daksha, de heer die over het offer heerste maar nu zelf een offerdier was.

(25) Al de Bhûta's, Preta's en Pis'âca's van S'iva juichten van vreugde toen ze hem dat zagen doen, terwijl de volgelingen van Daksha het tegengestelde ondergingen. (26) In zijn grote woede jegens Daksha gooide Vîrabhadra het hoofd bij wijze van offerande in het zuidelijke offervuur en stak hij al de voorzieningen van de brahmanen voor de offerplechtigheid in brand. Toen vertrokken ze in de richting van de verblijfplaats van hun meester [Kailâsa, 'daar waar de Guhyaka's verblijven'].'

 

next                         

 
Derde herziene editie, geladen  11 juli 2017.

  

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

Maitreya zei: 'Toen Heer S'iva van Nârada vernam over de dood van Satî veroorzaakt door de schaamteloosheid die de Prajâpati aan de dag legde en dat de soldaten van zijn metgezellen verdreven waren door de Ribhu's die waren voortgekomen uit Daksha's offervuur, werd hij ongekend kwaad.
Maitreya zei: 'Toen Heer S'iva van Nârada vernam over de dood van Satî vanwege het beledigd zijn door Daksha en dat de soldaten van zijn metgezellen verdreven waren door de Ribhu's die waren voortgebracht uit Daksha's offervuur, gaf hij blijk van een ongekende woede. (Vedabase)

 

Tekst 2

Zeer kwaad zijn lippen met zijn tanden op elkaar persend greep hij uit de bos haar op zijn hoofd één haar die verschrikkelijk laaide met een elektrisch vuur. Abrupt opstaand lachte Rudra met een diep geluid en smeet de haar op de grond.

Zeer kwaad zijn lippen met zijn tanden op elkaar persend greep hij uit de bos haar op zijn hoofd één haar die verschrikkelijk laaide alsof hij van electriciteit was of van vuur, en direct opstaand lachte Rudra met een diep geluid en smeet hij de haar op de grond. (Vedabase)

 

Tekst 3

Toen verscheen er een grote zwarte man met een huizenhoog lichaam dat straalde als drie zonnen en een duizendtal armen had die verschillende wapens omhoog hielden. Hij had schrikwekkende tanden, een rij van schedels om zijn nek en haar op zijn hoofd dat eruit zag als een brandend vuur.

Toen verscheen er een grote zwarte man met een huizenhoog lichaam dat straalde als drie zonnen in één en dat een duizendtal armen had die verschillende wapens omhoog hielden. Hij had schrikwekkende tanden, een rij van schedels om zijn nek en haar op zijn hoofd dat eruit zag als een brandend vuur. (Vedabase)

 

Tekst 4

Toen hij [genaamd Vîrabhadra] met gevouwen handen de grote Heer vroeg: 'Wat kan ik voor u doen, o Heer van de Geesten?', zei de Heer hem: 'Jij als de aanvoerder van mijn bondgenoten, o Rudra, o expert in de krijgskunst die voortkwam uit mijn lichaam, ga heen en maak een einde aan Daksha en zijn offerplechtigheid!'

Op zijn vraag aan de grote Heer, met gevouwen handen: 'Wat kan ik voor u doen, o Heer der Geesten?', werd hem gezegd: 'Jij als de aanvoerder van mijn metgezellen, o Rudra, o expert in de krijgskunst die voortkwam uit mijn lichaam, ga heen en maak een einde aan Daksha en zijn offerplechtigheid!' (Vedabase)"

 

Tekst 5

Met die opdracht omliep hij, als de woede van de woede van de god van de goden, de machtige S'iva. Met de niet te keren kracht die de allergrootste hem geschonken had, beschouwde hij zich als oppermachtig, mijn beste Vidura, en aldus in staat om welke kracht dan ook te trotseren.

Aldus opgedragen, woedend door de verpersoonlijking van de woede zelve die door de goddelijken wordt aanbeden, omliep hij hem, de machtige, zich, met zijn niet te weerstane macht begiftigd, beschouwend als zijnde van het grootste vermogen, mijn beste Vidura, in staat om welke macht tegen hem dan ook het hoofd te bieden. (Vedabase)

 

Tekst 6

Met banden om zijn enkels die een hard geluid maakten en een schrikwekkende drietand in zijn handen die zelfs de dood kon doden, haastte hij zich toen met een luide brul weg, daarbij gevolgd door S'iva's soldaten die [mee]brulden met een enorm lawaai.

Gevolgd door de soldaten van S'iva die brulden met een enorm rumoer, haastte hij zich derwaarts een drietand met zich meedragend schrikwekkend genoeg om zelfs de dood uit het leven te helpen en banden om zijn enkels die een hard geluid maakten. (Vedabase)

 

Tekst 7

Op dat moment zagen de priesters, Daksha de leider van de yajña en al de personen verzameld, vanuit het noorden de duisternis van een zandstorm opdoemen. De brahmanen en hun vrouwen begonnen toen te speculeren over waar dat stof vandaan kon komen:

Op dat moment zagen de priesters, Daksha de leider van de Yajña en al de personen verzameld, dat er vanuit het noorden, de duisternis van een zandstorm aankwam, waarop de brahmanen en hun vrouwen begonnen te speculeren over waar dat stof vandaan kwam: (Vedabase)

 

Tekst 8

'Het waait niet, het kunnen geen plunderaars zijn want Koning Barhi is nog steeds in leven om hen te straffen en de koeien worden ook niet opgedreven; dus waar komt dit stof vandaan? Betekent dit dat de wereld op het punt staat te vergaan?'

'Het waait niet, het kunnen geen plunderaars zijn aangezien Koning Barhi nog steeds in leven is om hen te bestraffen, de koeien worden niet opgedreven; dus waar komt dit stof vandaan? Betekent dit dat de wereld op het punt staat te vergaan?' (Vedabase)

 

Tekst 9

De vrouwen van Daksha met Prasûti aan het hoofd zeiden vol angst: 'Dit gevaar is nu het gevolg van de zonde van Daksha die, als Satî's heer en schepper, zijn volmaakt onschuldige dochter heeft beledigd in de aanwezigheid van haar zusters.

De vrouwen van Daksha met Prasûti aan het hoofd zeiden vol angst: 'Dit is nou het gevaar dat resulteert uit de zonde van het, als haar Heer en schepper, beledigd hebben van zijn volmaakt onschuldige dochter Satî in de aanwezigheid van haar zusters. (Vedabase)

 

Tekst 10

Of zou hij het zijn die, als de eindtijd is aangebroken, danst met zijn wapens als vlaggen gehesen in zijn handen en met zijn bos haar loshangend, terwijl hij de heersers met zijn puntige drietand doorboort en zijn luide lach als een donderslag in alle windrichtingen laat weerklinken?

Maar hij die ten tijde van de voleinding danst met zijn bos haar loshangend, doorboort de heersers van alle windstreken met zijn drietand en lacht luidkeels, al die windrichtingen uiteendrijvend met het geluid van de donder onder het als vlaggen heffen van de wapens in zijn handen. (Vedabase)


Tekst 11

Hoe kan er nu geluk zijn als je, van Brahmâ zijnd,  hem kwaad maakt, als je de woede opwekt van hem die nu met een ondraaglijke gloed vol van woede de hemel verduistert met de vreselijke aanblik van zijn schrikwekkende tanden en de beweging van zijn wenkbrauwen?'

Hoe kan er ook goed geluk bestaan met het, vanuit Brahmâ, de woede hebben afgeroepen van hem die nu met een ondraaglijke uitstraling vol van woede het zwerk verduistert met de afgrijselijke aanblik van zijn schrikwekkende tanden en de beweging van zijn wenkbrauwen?'  (Vedabase)

 

Tekst 12

Terwijl de mensen [verzameld bij de offerplechtigheid van] Daksha allen zo aan het praten waren, konden ze nerveus om zich heen kijkend overal en bij herhaling talloze beangstigende voortekenen waarnemen in de lucht en op de aarde [als gevolg] van de grote Heer [zijn woede].

Terwijl de mensen verzameld bij Daksha's offerplechtigheid allen op deze manier aan het spreken waren, nerveus om zich heen kijkend, konden overal en bij herhaling van de grote ziel talloze beangstigende voortekenen worden waargenomen in de lucht en op de aarde. (Vedabase)

 

Tekst 13

Spoedig, o Vidura, werd het offerperk omsingeld door de volgelingen van Rudra die met allerlei opgeheven wapens overal rondrenden met hun gedrongen, geel  en zwart gekleurde, op haaien lijkende lichamen en gezichten.

Snel, o Vidura, werd het offerperk omsingeld door de volgelingen van Rudra met zijn keur aan wapens en renden ze rond met hun gedrongen, geel- en zwartkleurige, aan haaien gelijke lichamen en gezichten. (Vedabase)

 

Tekst 14

Sommigen trokken de zuilen van de baldakijn omver terwijl anderen de verblijven van de vrouwen, het offerperk, de verblijfplaats van de priesters en de plaats waar gekookt werd binnendrongen.

Sommigen trokken de zuilen van de baldakijn omver terwijl anderen de verblijven van de vrouwen, het offerperk, de verblijfplaats van de priesters en de plaats waar gekookt werd binnendrongen. (Vedabase)

 

Tekst 15

Sommigen sloegen de potten stuk die voor het offeren werden gebruikt, anderen blusten de vuren die ter wille van de offerplechtigheid brandden, sommigen trokken de afscheiding omlaag die het offerperk markeerde en sommigen urineerden er.

Sommigen sloegen de potten stuk die voor het offeren werden gebruikt, anderen blusten de vuren die terwille van de offerplechtigheid brandden, sommigen urineerden en sommigen trokken de afscheiding omlaag die het offerperk markeerde. (Vedabase)

 

Tekst 16

Anderen blokkeerden de wijzen de doorgang en sommigen bedreigden de vrouwen en grepen de godsbewuste zielen die vlakbij zaten en vluchtten.

Anderen blokkeerden de wijzen de doorgang en sommigen bedreigden de vrouwen en hielden de godsbewusten tegen die ze in hun vluchtpogingen te pakken konden krijgen. (Vedabase)
 
Tekst 17

Manimân nam Bhrigu Muni vast, Vîrabhadra [de grote] ving Prajâpati Daksha, Candes'a pakte Pûshâ beet en Nandîs'vara greep de halfgod Bhaga.

Manimân greep Bhrigu Muni vast, Vîrabhadra [de grote] ving Prajâpati Daksha, Candes'a hield Pûshâ aan en Nandîs'vara bracht de halfgod Bhaga op. (Vedabase)

 

Tekst 18

Gebukt onder een regen van stenen, stonden al de priesters, goddelijke zielen en andere deelnemers aan het offer die dit alles zagen gebeuren, doodsangsten uit en verspreidden ze zich in alle richtingen.

Gebukt onder een regen van stenen verkeerden de priesters, de goddelijken en andere deelnemers aan het offer die dit alles zagen gebeuren, werkelijk in alle staten en waren ze bezig zich in alle richtingen te verspreiden. (Vedabase)

 

Tekst 19

S'iva's machtige verschijning [Vîrabhadra] rukte, temidden van allen daar bijeen, de snor van Bhrigu Muni eraf, van hem die de offerlepel had vastgehouden waarmee de uitgietingen werden gedaan, want hij had het gewaagd om met zijn [trotse] snor S'iva uit te lachen.

Van muni Bhrigu, die de lepel vasthield waarmee de uitgietingen werden gedaan, werd door de heer van S'iva [Vîrabhadra] temidden van de bijeenkomst de snor er af getrokken daar hij het had gewaagd hen uit te lachen. (Vedabase)

 

Tekst 20

Bhaga's ogen werden door de grote krijgsheer die hem zeer kwaad ter aarde had geworpen, uitgestoken in het bijzijn van de Vis'vasrik's, daar hij door de bewegingen van zijn wenkbrauwen de vervloeking van Heer S'iva had aangemoedigd.

Bhaga werden door de grote krijgsheer, die hem met grote woede ter aarde had geworpen, toen in het bijzijn van de Vis'vasriks de ogen uitgestoken, daar hij met het bewegen van zijn wenkbrauwen de vervloeking van heer S'iva had aangemoedigd. (Vedabase)
 

Tekst 21

Zoals Baladeva dat deed met de koning van Kalinga [tijdens het gokspel bij de huwelijksplechtigheid van Aniruddha], sloeg hij [Vîrabhadra] Pûshâ de tanden uit de mond omdat die lachend zijn tanden had laten zien tijdens de vervloeking van S'iva.

Zoals Baladeva dat deed met de koning van Kalinga [tijdens het gokspel bij de huwelijksplechtigheid van Aniruddha], sloeg hij Pûshâ, die lachend zijn tanden had laten zien tijdens de vervloeking van S'iva, de tanden uit de mond. (Vedabase)

 

Tekst 22

Maar toen hij, met zijn voet op de borst van Daksha, met een scherpe bijl zijn hoofd van zijn romp wilde scheiden, kon de drie-ogige reus dat niet voor elkaar krijgen.

Hoewel gezeten op de borst van Daksha met een scherpe bijl teneinde zijn hoofd van zijn romp te scheiden, was de drieogige reus er niet toe in staat dat te volbrengen. (Vedabase)

 

Tekst 23

Noch met wapens, noch met behulp van mantra's in staat om hem enkel maar een schrammetje toe te brengen, was Vîrabhadra met stomheid geslagen en moest hij diep nadenken.

Noch met wapens, noch met behulp van mantra's nog niet in staat om enkel maar een schrammetje toe te brengen, was hij met stomheid geslagen en aldus moest Vîrabhadra er de nodige aandacht aan schenken. (Vedabase)

 

Tekst 24

Toen viel zijn oog op het instrument dat werd gebruikt om de offerdieren te doden en met behulp daarvan scheidde hij het hoofd van de romp van Daksha, de heer die over het offer heerste maar nu zelf een offerdier was.

Toen zag hij het instrument dat werd gebruikt om de offerdieren te doden en met behulp daarvan scheidde hij het hoofd van het lichaam van de heer die over het offer heerste en nu zelf een offerdier was. (Vedabase)

 

Tekst 25

Al de Bhûta's, Preta's en Pis'âca's van S'iva juichten van vreugde toen ze hem dat zagen doen, terwijl de volgelingen van Daksha het tegengestelde ondergingen.

Toen op dat ogenblik ze hem dat zagen doen begonnen allen, de Bhûta's, Preta's en Pis'âca's van S'iva, te juichen van vreugde terwijl de volgelingen van Daksha het tegengestelde ondergingen. (Vedabase)

 

Tekst 26

In zijn grote woede jegens Daksha gooide Vîrabhadra het hoofd bij wijze van offerande in het zuidelijke offervuur en stak hij al de voorzieningen van de brahmanen voor de offerplechtigheid in brand. Toen vertrokken ze in de richting van de verblijfplaats van hun meester [Kailâsa, 'daar waar de Guhyaka's verblijven'].'

Vîrabhadra gooide, uit zijn grote woede met Daksha, het hoofd bij wijze van offerande in het zuidelijk deel van het offervuur en stak al de voorzieningen van de brahmanen voor de offerplechtigheid in brand. Toen vertrokken ze in de richting van Kailâsa ['daar waar de Guhyaka's verblijven'], de verblijfplaats van hun meester. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

Het schiderij is getiteld: 'Shiva Carrying Sati on His Trident',
India, Himachal Pradesh, Kangra, circa 1800. Ter beschikkig gesteld door
LACMA.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.



 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties