regelbalk


 

Canto 5

S'rî S'rî Gurv-ashthaka

 

Hoofdstuk 5: Heer Rishabhadeva's Onderricht aan Zijn zoons.

(1) Heer Rishabha zei: 'Mijn beste zoons; dit lichaam dat jullie met je meedragen in deze materiële wereld verdient het moeizame niet van de zinsbevrediging eigen aan honden en zwijnen, maar verdient de moeite van de verzakingen en boetedoeningen ter wille van het goddelijke waardoor het hart gezuiverd raakt en dan een oneindig spiritueel geluk wordt gevonden. (2) Het dienen van de groten, zegt men, is de weg der bevrijding en het opzoeken van het gezelschap van degenen die aan vrouwen gehecht zijn is de weg van de kerker, de duisternis; de vergevorderden zijn mensen die in het spirituele een gelijke achting hebben voor allen, ze verwijlen in vrede, voelen zich niet tekort gedaan, wensen allen het beste en weten hoe ze zich moeten gedragen. (3) Zij die in het zich verhouden tot Mij, hun Heer, volijverig zijn liefde te ontwikkelen* , en die aan mensen, die geïnteresseerd in het onderhoud van hun lichaam verzot zijn op hun thuis, hun vrouw, kinderen, weelde en vrienden, niet zo gehecht zijn, zij vergaren van en houden zich bezig met de wereld alleen voor zover dat nodig is. (4) Inderdaad, Ik denk dat het doldwaas opgegaan zijn in het begaan van ongewenste daden gekoppeld aan de bevrediging die, hoewel het misère met zich meebrengt, dit tijdelijke bestaan van het lichaam mogelijk maakte, de ziel niet past. (5) Zo lang als er de verslagenheid is die resulteert uit onwetendheid, zolang men geen navraag doet over de werkelijkheid van de ziel, zolang de geest vol is van vruchtdragende handelingen, is men in feite bevangen door zijn karma waarvan er de gebondenheid aan dit materiële lichaam is. (6) Als de ziel zodoende overdekt is door onwetendheid gedraagt de geest zich in onderwerping aan vruchtdragende handelingen voor zolang er jegens Mij, Vâsudeva, geen liefde is; zolang dat het geval is, is men niet verlost van het vastzitten aan een fysiek lichaam. (7) Zelfs als men als een opgeleid iemand niet inziet hoe zinloos de onderneming van het bevredigen van de zinnen is, zal men er zeer snel, onnadenkend zijnd in het eigenbelang, gek van worden en een dwaas zijn die niets anders ontdekt dan materiële narigheden in een leven thuis dat gebaseerd is op geslachtsgemeenschap. (8) Van de seksuele aantrekking tussen man en vrouw zijn hun beider harten aan elkaar gebonden en naar gelang daarvan roepen ze om een thuis, privacy, kinderen, welvaart en verwanten; dit is de illusie van het levende wezen die bekend staat als 'ik' en 'mijn'. (9) Als het denken, de hechte knoop in het hart van zo'n persoon die gebonden is door de resultaten van het handelen in het verleden, ontward wordt, keert de geconditioneerde zich te dien tijde af van de misvatting van het 'ik', en gaat hij, het opgevend, bevrijd naar de bovenzinnelijke wereld die de oorspronkelijke oorzaak is. (10-13) Door het volgen van een spiritueel gevorderde persoon, een goeroe; in toegewijde dienst jegens Mij, door niet te begeren, met tolerantie voor de wereld der tegenstellingen en door eveneens navraag te doen en door realisatie van de waarheid van al de ellende van het levend wezen overal; door verzakingen te beoefenen en boete te doen en zinnelijke genoegens op te geven; door voor Mij te werken, te luisteren naar verhalen over Mij als ook door altijd vast te houden aan het gezelschap der toegewijden; door te zingen over Mijn kwaliteiten; door geen vijandschap te koesteren, allen gelijkgezind te zijn, door de emoties te beteugelen, o zonen; door er naar te verlangen de vereenzelviging met je thuis en het lichaam op te geven, door het bestuderen van de yogageschriften; door in afzondering te leven, door een volledige controle over de ademhaling, de zinnen en de geest; door geloof te ontwikkelen, door altijd het celibaat in acht te nemen, door immer waakzaam te zijn, door zich te beperken in het spreken; door aan Mij te denken, Mij overal te herkennen; door kennis te ontwikkelen, door wijsheid en door verlicht te zijn door de yogapraktijk; door geduld, enthousiasme en behept te zijn met goedheid en liefdadigheid, kan men de valse identificatie met de materiële wereld, de oorzaak van de materiële gebondenheid, opgeven. (14) Volledig bevrijd rakend van de hang naar profijt, en door middel van deze yogapraktijk, zoals ik jullie dat zei, de knoop van de gebondenheid in het hart die werd teweeggebracht door onwetendheid aanpakkend, behoort men [verder] afstand te doen van de middelen der bevrijding. (15) De koning of goeroe voor zijn zoons of discipelen die, in zijn verlangen naar Mijn verblijf, ervan uitgaat dat Mij bereiken het levensdoel is, behoort op deze wijze, vrij van woede, instructie te verschaffen; als men de geestelijke kennis ontbeert behoort men niet tot vruchtdragende handelingen aan te zetten - want wat kan een man simpelweg zedig of onzedig voor het profijt werkend bereiken? In feite zal hij er de oorzaak van zijn dat degenen wiens visie vertroebeld is, in de put zullen raken [vergelijk B.G. 3: 26]. (16) Mensen die persoonlijk het zicht verloren hebben op het pad der goedgunstigheid en die geobsedeerd zijn in hun verlangen naar de goederen, belanden jaloers op elkaar voor het heil van tijdelijk geluk in talloze vormen van lijden en hebben als dwazen geen idee [zie ook B.G. 7: 25]. (17) Welke man van studie die persoonlijk welbekend is met de spirituele kennis zou in zijn genade iemand anders er toe aanzetten uit te zien naar nogmaals dat, waarop gericht die persoon, in onwetendheid als een blindeman levend verslaafd aan materiële slimmigheid, de verkeerde weg aan het bewandelen is? (18) Een dergelijke persoon vermag niet een verwant te zijn, een vader, een moeder, een huwelijkspartner, noch kan hij de werkelijkheid vormen, de geestelijk leraar of de godheid van aanbidding zijn of degene die de verlost brengt uit de herhaling van geboorte en dood. (19) Het is in deze belichaming van Mij, die ondoorgrondelijk van het eeuwige is, dat daadwerkelijk Mijn hart is ingesteld op het dharma, het devotionele, en Mijn rug is weggekeerd naar het adharma, het niet-devotionele; derhalve noemen de beschaafden mij naar waarheid De Beste, Rishabha. (20) Daarom, jullie allen, geboren uit Mijn hart, probeer met een zuivere intelligentie de meest verhevene van dienst te zijn, die broeder Bharata van jullie die over de mensen regeert.

(21-22) Van de levenden en niet-levenden, zijn in verre superieur aan de planten die wezens die zich rondbewegen; van hen zijn zij die intelligentie ontwikkelden beter en beter dan zij zijn de menselijke wezens van wie degenen van de geest, de mediteerders van S'iva, de besten zijn. Beter dan zij zijn de zangers van de hemel [de Gandharva's] en superieur aan hen zijn de volmaakten [de Siddha's], boven wie men de bovenmenselijke wezens [de Kinnara's] aantreft. De goddelijken zijn beter dan de onverlichten en van de directe zonen van Brahmâ, zoals Daksha, geleid door Indra, is Heer S'iva de beste; boven hem vinden we hij die ontsprong aan Heer Brahmâ, Mijn toegewijde [de brahmaan], naar wiens goddelijkheid van tweemaal geboren zijn, Ik er ben als de Heer. (23) Geen andere bestaansvorm doorstaat de vergelijking met de brahmaan noch ken ik, weledelgeleerden, ook maar iemand die boven hem staat. Door hem eet Ik met meer voldoening van het voedsel dat door de mensen met geloof en liefde werd geofferd in gepast eerbetoon [voor de mond van Mij en de mijnen], dan van het voedsel dat aldus in [de mond van] het vuur werd geofferd. (24) Van het lichaam [van de Veda] gevoed door het eeuwige van Mijn geest die vrij is van materiële smetten, heeft men in deze wereld de [acht brahmaanse kwaliteiten van de] aard der opperste goedheid [sattva], de zuivering [pavitra], de beheersing over de geest [s'ama] en de zinnen [dama], de waarheidlievendheid [satya], de genade [anugraha], de boete [tapasya] en de tolerantie [titikshâ], waarin de verwezenlijking van God wordt gevonden. (25) Oh, aan wie anders zouden jullie [Mijn zoons] behoefte hebben dan aan diegenen die, zonder verlangens en bezittingen in toegewijde dienst jegens Mij, in staat zijn de hemel, de bevrijding en het plezier van Mij af te roepen, en zelfs het onbeperkte van een kracht en weelde hoger dan het hoogste? (26) Mijn beste zoons, indachtig de heldere visie dat Ik in hen allen verblijf, behoor je te allen tijde van respect te zijn voor een ieder en voor alles, wetend dat met het respecteren van hen je indirect van respect bent voor Mij. (27) Betrek al je denken, al je woorden en al wat je ziet van je actieve en ontvankelijke zinnen, rechtstreeks bij Mijn aanbidding, omdat een persoon anders nimmer in staat zal zijn zichzelf te bevrijden van de grote illusie die Yama's val van de dood is.'

(28) S'rî S'uka zei: 'Na voor het heil van de mensen persoonlijk op deze manier Zijn zoons instructie te hebben verschaft ondanks dat ze hoogst ontwikkeld waren, plaatste de grote persoonlijkheid, de begunstiger en Opperheer van allen die werd gevierd als De Beste, Rishabha, Bharata, de oudste van Zijn honderd zoons en allerhoogste toegewijde en navolger van de goddelijke orde, op de troon om over de planeet te regeren. Dit is de instructie wat betreft de plichten van de grote wijze, die de beste is van al die menselijke wezens die vrij van verlangen niet langer voor het profijt werken en die gekenmerkt zijn door toegewijde dienst, spirituele kennis en onthechting. Alhoewel hij achterbleef met wat hij thuis was, aanvaardde Hij, enkel lichamelijk, als een halve gek met Zijn haar in wanorde, de hemel als zijn kleed en zwierf Hij rond, het vedisch vuur vanbinnen brandend houdend, wijd en zijd buiten Brahmâvarta. (29) Hoewel Hij, ledig, blind, doof, stom, als een geest en als een halve gek, de mensen toescheen als iemand die zich niet bekommert om de wereld [een avadhûta], hield Hij zich met de gelofte der zwijgzaamheid stil. (30) Her en der door steden komend, dorpen, delfplaatsen, landerijen, tuinen, leefgemeenschappen gelegen in valleien, militaire kampementen, veeschuren, boerderijen, rustoorden voor pelgrims, heuvels en wouden, toevluchtsoorden en zo voorts, was Hij omringd door slechte mensen en vliegen en werd Hij, als een olifant die uit het bos komt, weggejaagd en bedreigd, bewaterd en bespuugd, in het stof geworpen tussen de stenen en de ontlasting, weggescheten en uitgescholden; maar Hij gaf er niet om omdat Hij, vanuit Zijn begrip over hoe het lichaam zich verhoudt tot de ziel, wist dat de verblijfplaats die dit lichaam is en die men voor echt houdt, niet een levensomstandigheid was die geschikt is voor een man van eer; in plaats daarvan verwijlde Hij in Zijn persoonlijke glorie in ontkenning van het "ik' en "mijn" en zwierf Hij onverstoord moederziel alleen over de aarde rond. (31) Met Zijn zeer delicate handen, voeten, borst, lange armen, schouders, nek en gelaat etc.; met de prachtige aard van Zijn goed geproportioneerde ledematen, Zijn natuurlijke glimlach, mooie lotusblaadjesgelijke gracieuze mond, het wonder van Zijn roodachtige wijdopen ogen en de grote schoonheid van Zijn voorhoofd, oren, halslijn, neus en expressieve lip, waarvan Zijn gezicht als een feest was voor al de huisvrouwen in het alom opwekken van Cupido in het hart, zag Hij, met het hebben van Zijn overvloed aan krullend bruin haar, dat samengeklit, smerig en verwaarloosd was, er in het lichaam uit als iemand die door de duivel was bezeten. (32) Toen Hij, de Allerhoogste Heer, zag dat de mensen zich over het algemeen tegen Zijn yoga waren gekant, ging Hij, om dat karma tegen te gaan, er toe over zich op de grond liggend als een python te gedragen, waarbij hij met het kauwen van Zijn voedsel en drinken van Zijn drinken, het unrineren en Zich ontlasten, Zijn lichaam besmeurde door zich in de uitwerpselen te wentelen. (33) Zijn ruiken naar de ontlasting was van een dermate prettige geur dat de lucht van de landstreek in een omtrek van tien yojana's doortrokken raakte van een aangenaam aroma. (34) Aldus in Zijn handelingen zich bewegend, staand, zittend en neerliggend met de koeien, de kraaien en de herten at Hij, dronk Hij, en urineerde Hij ook zoals de koeien, de kraaien en de herten dat doen. (35) Met het op die manier bewandelen van de verschillende wegen van de mystieke yoga genoot de Opperheer, de Meester der Verlichting, Rishabha, onophoudelijk in grote gelukzaligheid van het Allerhoogste. Door Zijn fundamentele onverschilligheid bereikte Hij in het Hoogste Zelf, de volkomen perfectie van het onbegrensde van het geheel van de weelde en de symptomen van liefdevolle emoties jegens de Allerhoogste Persoonlijkheid Vâsudeva die zich ophoudt in het hart van alle levende wezens; maar het volle van de mystieke vermogens, zoals het reizen door de lucht, zich met de snelheid van de bliksem bewegen, het vermogen ongezien te blijven, het vermogen in het lichaam van anderen binnen te gaan, de macht om zonder moeite dingen op afstand waar te nemen en andere perfecties [siddhi's, zie eveneens 2.2: 22; 2.9: 17; 3.15: 45; 3.25: 37] die hij aldus bereikte, o Koning Parîkchit, aanvaardde Hij nimmer rechtstreeks in Zijn hart.

next                    

 
Tweede editie, geladen 9 januari, 2007.
 

 

 

Bronteksten::

Heer Rishabhadeva onderricht Zijn zonen

 

Tekst 1 :

Heer Rishabha zei: 'Mijn beste zoons; dit lichaam dat jullie met je meedragen in deze materiële wereld verdient het moeizame niet van de zinsbevrediging eigen aan honden en zwijnen, maar verdient de moeite van de verzakingen en boetedoeningen ter wille van het goddelijke waardoor het hart gezuiverd raakt en voorzeker een oneindig spiritueel geluk wordt gevonden.

Heer Rishabhadeva sprak tot Zijn zonen: Mijn beste jongens, van alle levende wezens die in deze wereld een materieel lichaam aanvaard hebben, zouden degenen aan wie een menselijke levensvorm toegekend is niet dag en nacht hard moeten werken om gewoon hun zinnen te kunnen bevredigen, want zinsbevrediging is zelfs voorhanden voor honden en zwijnen die zich met uitwerpselen voeden. Men zou zich in plaats daarvan aan ascese en boetedoening moeten wijden, om zo tot het goddelijke niveau van toegewijde dienst te komen. Door dergelijke activiteiten raakt iemands hart gezuiverd en komt hij tot eeuwig, gelukzalig leven, dat transcendentaal is aan materieel geluk en onafgebroken voortduurt. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Het dienen van de groten, zegt men, is de weg der bevrijding en het opzoeken van het gezelschap van degenen die aan vrouwen gehecht zijn is de weg van de kerker, de duisternis; de vergevorderden zijn mensen die in het spirituele een gelijke achting hebben voor allen, ze verwijlen in vrede, voelen zich niet tekort gedaan, wensen allen het beste en weten hoe ze zich moeten gedragen.

Men kan de weg der bevrijding uit de materiële gebondenheid alleen bereiken door dienst te bewijzen aan mensen die geestelijk zeer gevorderd zijn; dit kunnen zowel impersonalisten als toegewijden zijn. Of men nu op wil gaan in het bestaan van de Heer of ernaar verlangt om in het gezelschap van de Allerhoogste Godspersoon te zijn - men moet in beide gevallen de mahâtmâ's dienen. Voor degenen echter die niet in dat soort activiteiten geïnteresseerd zijn, maar omgaan met mensen die gek zijn op vrouwen en seks, staat de deur naar de hel wijd open. De mahâtmâ's zijn evenwichtig van geest. Ze zien geen enkel verschil tussen het ene levend wezen en het andere. Ze zijn zeer vredig en gaan volkomen op in toegewijde dienst. Woede kennen ze niet, en ze zetten zich in voor ieders welzijn. In hun gedrag is niets te vinden wat verwerpelijk is. Zulke mensen noemt men mahâtmâ's. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Zij die in het zich verhouden tot Mij, hun Heer, volijverig zijn liefde te ontwikkelen* , en die aan mensen, die geïnteresseerd in het onderhoud van hun lichaam verzot zijn op hun thuis, hun vrouw, kinderen, weelde en vrienden, niet zo gehecht zijn, zij vergaren van en houden zich bezig met de wereld alleen voor zover dat nodig is.

Degenen die hun Krishna-bewustzijn weer op willen wekken en hun liefde voor God willen verdiepen, houden er niet van om ook maar iets te doen wat geen verband houdt met Krishna. Ze begeven zich niet graag onder mensen die zich alleen maar bekommeren om het in-stand-houden van hun lichaam, en eten, slapen, paren en zich verdedigen. Zelfs als ze getrouwd zijn, zijn ze niet gehecht aan hun huis, vrouw, kinderen, vrienden of rijkdom. Tegelijkertijd staan ze niet onverschillig tegenover het uitvoeren van hun plichten, maar ze willen niet meer geld vergaren dan nodig is om lichaam en ziel bij elkaar te houden. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Inderdaad, Ik denk dat het doldwaas opgegaan zijn in het begaan van ongewenste daden gekoppeld aan de bevrediging van de zinnen, hetgeen dit tijdelijke bestaan van het lichaam mogelijk maakte - hoewel het misère met zich meebrengt -, de ziel niet past.

Als iemand het bevredigen van zijn zinnen als het doel van het leven beschouwt, zal hij zich beslist als een gek in het materiële bestaan storten en allerlei zonden begaan. Hij weet niet dat hij als gevolg van zijn wandaden in het verleden reeds een lichaam gekregen heeft dat ondanks zijn voorbijgaande aard de oorzaak van al zijn ellende is. In feite had het levend wezen zich nooit in een materieel lichaam moeten hullen, maar hij heeft het gekregen omdat hij zijn zinnen wilde bevredigen. Daarom denk Ik niet dat het een intelligent man past om zich opnieuw met activiteiten voor zinsbevrediging in te laten, waardoor hij leven na leven gedwongen wordt om het ene materiële lichaam na het andere te aanvaarden. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Zo lang als er de verslagenheid is die resulteert uit onwetendheid, zolang men geen navraag doet over de werkelijkheid van de ziel, zolang de geest vol is van vruchtdragende handelingen, is men in feite bevangen door zijn karma waarvan er de gebondenheid aan dit materiële lichaam is.

Zolang het levend wezen geen onderzoek doet naar de geestelijke waarden van het leven, is hij de verliezer en moet hij de ellende verduren die voortkomt uit onwetendheid. Karma werpt zijn vruchten af, of die nu het gevolg zijn van zondige of van vrome daden. De geest van iemand die zich aan de een of andere vorm van karma wijdt, noemt men karmâtmaka, "getint met baatzuchtige activiteit". Zolang de geest onzuiver is, is het bewustzijn troebel, en zolang men opgaat in baatzuchtige activiteiten moet men een materieel lichaam aanvaarden. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Als de ziel zodoende overdekt is door onwetendheid gedraagt de geest zich in onderwerping aan vruchtdragende handelingen voor zolang er jegens Mij, Vâsudeva, geen liefde is; zolang dat het geval is, is men niet verlost van het vastzitten aan een fysiek lichaam.

Wanneer iemand in onwetendheid gehuld is, kan hij noch de aard van het individuele wezen noch die van het allerhoogste wezen begrijpen, omdat zijn geest in beslag genomen wordt door baatzuchtige activiteiten. Tenzij iemand daarom liefde ontwikkelt voor Heer Vâsudeva, die niemand anders is dan Ikzelf, ontkomt hij beslist niet aan het feit dat hij steeds weer een ander materieel lichaam moet aanvaarden. (Vedabase)

 

Tekst 7:

Zelfs als men als een opgeleid iemand niet inziet hoe zinloos de onderneming van het bevredigen van de zinnen is, zal men er zeer snel, onnadenkend zijnd in het eigenbelang, gek van worden en een dwaas zijn die niets anders ontdekt dan materiële narigheden in een leven thuis dat gebaseerd is op geslachtsgemeenschap.

Zelfs iemand die heel geleerd en wijs is, is krankzinnig als hij niet begrijpt dat de moeite die men verricht om zijn zinnen te bevredigen nodeloze tijdverspilling is. Zijn ware belang vergetend, probeert hij gelukkig te zijn in de materiële wereld door al zijn gehechtheden te centreren rond zijn gezinsleven, dat gebaseerd is op seks en hem allerlei ellende bezorgt. Dit maakt dat hij niet veel hoger staat dan een onwetend dier. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Van de seksuele aantrekking tussen man en vrouw zijn hun beider harten aan elkaar gebonden en naar gelang daarvan roepen ze om een thuis, privacy, kinderen, welvaart en verwanten; dit is de illusie van het levende wezen die bekend staat als 'ik' en 'mijn'.

De wederzijdse aantrekking tussen man en vrouw is het basisprincipe van het materiële bestaan. Door deze misvatting, die de harten van man en vrouw aan elkaar bindt, raakt men aangetrokken tot zijn lichaam, huis, grond, kinderen, verwanten en rijkdom. Zo breidt men zijn illusies uit en denkt men alleen nog maar in termen van "ik en mijn". (Vedabase)

 

Tekst 9:

Als het denken, de hechte knoop in het hart van zo'n persoon die gebonden is door de resultaten van het handelen in het verleden, ontward wordt, keert de geconditioneerde zich te dien tijde af van de misvatting van het 'ik', en gaat hij, het opgevend, bevrijd naar de bovenzinnelijke wereld die de oorspronkelijke oorzaak is.

Wanneer de harde knoop in het hart van iemand die als gevolg van de reacties op zijn zonden verwikkeld is in het materiële leven losraakt, verdwijnt zijn gehechtheid aan huis, vrouw en kinderen. Op die manier geeft men het basisprincipe van illusie op [ik en mijn] en raakt men bevrijd, zodat men terug kan keren naar de geestelijke wereld. (Vedabase)

 

Tekst 10-13

Door het volgen van een spiritueel gevorderde persoon, een goeroe; in toegewijde dienst jegens Mij, door niet te begeren, met tolerantie voor de wereld der tegenstellingen en door eveneens navraag te doen en door realisatie van de waarheid van al de ellende van het levend wezen overal; door verzakingen te beoefenen en boete te doen en zinnelijke genoegens op te geven; door voor Mij te werken, te luisteren naar verhalen over Mij als ook door altijd vast te houden aan het gezelschap der toegewijden; door te zingen over Mijn kwaliteiten; door geen vijandschap te koesteren, allen gelijkgezind te zijn, door de emoties te beteugelen, o zonen; door er naar te verlangen de vereenzelviging met je thuis en het lichaam op te geven, door het bestuderen van de yogageschriften; door in afzondering te leven, door een volledige controle over de ademhaling, de zinnen en de geest; door geloof te ontwikkelen, door altijd het celibaat in acht te nemen, door immer waakzaam te zijn, door zich te beperken in het spreken; door aan Mij te denken, Mij overal te herkennen; door kennis te ontwikkelen, door wijsheid en door verlicht te zijn door de yogapraktijk; door geduld, enthousiasme en behept te zijn met goedheid en liefdadigheid, kan men de valse identificatie met de materiële wereld, de oorzaak van de materiële gebondenheid, opgeven.

Beste zonen, jullie moeten een zeer verheven paramahamsa, iemand die geestelijk zeer gevorderd is, als je geestelijk leraar aanvaarden en op die manier Mij, de Allerhoogste Godspersoon, degene maken aan wie je je vertrouwen en liefde schenkt. Jullie moeten afkerig zijn van zinsbevrediging en de dualiteit van vreugde en verdriet leren verdragen, die te vergelijken is met het veranderen van de seizoenen, waardoor het nu eens zomer is en dan weer winter. Probeer je bewust te worden van de ellendige situatie waarin de levende wezens verkeren, want zelfs op de hogere planetenstelsels zijn ze ongelukkig. Doe filosofisch onderzoek naar de waarheid, en beoefen vervolgens allerlei vormen van ascese en boetedoening in het kader van toegewijde dienst. Laat elk streven naar zingenot varen en wijd je aan de toegewijde dienst van de Heer. Luister naar gesprekken over de Allerhoogste Godspersoon, en ga altijd met toegewijden om. Verheerlijk de Allerhoogste Heer, en beschouw iedereen als gelijk aan elkaar op het geestelijke niveau. Geef alle vijandschap op, en beteugel gevoelens van woede en verdriet. Identificeer jezelf niet meer met je lichaam en je huis, en oefen je in het lezen van de geopenbaarde geschriften. Ga op een afgezonderde plek wonen, en beoefen de methode waardoor je tot volkomen beheersing van je levenslucht, geest en zinnen kunt komen. Heb volledig vertrouwen in de geopenbaarde geschriften, de vedische literatuur, en houd je altijd aan het celibaat. Vervul je voorgeschreven plichten, en vermijd onnodig praten. Denk altijd aan de Allerhoogste Godspersoon, en verneem kennis uit de juiste bron. Door op die manier met geduld en enthousiasme bhakti-yoga te beoefenen, zal je tot het niveau van kennis komen en in staat zijn om het vals ego op te geven. (Vedabase)

 

Tekst 14:

Volledig bevrijd rakend van de hang naar profijt, en door middel van deze yogapraktijk, zoals ik jullie dat zei, de knoop van de gebondenheid in het hart die werd teweeggebracht door onwetendheid aanpakkend, behoort men [verder] afstand te doen van de middelen der bevrijding.

Mijn beste zonen, doe alsjeblieft zoals Ik jullie aangeraden heb en wees daarbij heel voorzichtig. Op deze manier zullen jullie vrij worden van onwetendheid - het verlangen naar baatzuchtige activiteiten - en zal de knoop der gehechtheid in het hart definitief doorgehakt worden. Om nog meer vooruitgang te maken, moeten jullie ook de middelen opgeven; dat wil zeggen dat jullie niet gehecht moeten raken aan het proces van bevrijding. (Vedabase)

 

Tekst 15:

De koning of goeroe voor zijn zoons of discipelen die, in zijn verlangen naar Mijn verblijf, ervan uitgaat dat Mij bereiken het levensdoel is, behoort op deze wijze, vrij van woede, instructie te verschaffen; als men de geestelijke kennis ontbeert behoort men niet tot vruchtdragende handelingen aan te zetten - want wat kan een man simpelweg zedig of onzedig voor het profijt werkend bereiken? In feite zal hij er de oorzaak van zijn dat degenen wiens visie vertroebeld is, in de put zullen raken [vergelijk B.G. 3: 26].

Wie werkelijk terug wil gaan naar huis, terug naar God, moet de genade van de Allerhoogste Godspersoon als het allerhoogste goed en het belangrijkste doel in het leven beschouwen. Of het nu om een vader gaat die zijn zoons opvoedt, een geestelijk leraar die zijn leerlingen onderricht, of een koning die advies geeft aan zijn onderdanen - ze moeten allemaal hun ondergeschikten instrueren zoals Ik aangegeven heb. Zelfs als de leerling, de zoon of de onderdaan soms niet in staat is om de instructie op te volgen, moet men doorgaan met hem aanwijzingen te geven, zonder kwaad te worden. Mensen die in onwetendheid verkeren en zich aan vrome of goddeloze activiteiten wijden, moeten hoe dan ook in toegewijde dienst betrokken worden en zulke baatzuchtige activiteiten altijd vermijden. Wat wint men als men een leerling, zoon of onderdaan, die geen transcendentale visie heeft, verstrikt laat raken in karmische activiteiten? Dan zouden we niet beter zijn dan iemand die een blinde naar een donkere put leidt en hem erin laat vallen. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Mensen die persoonlijk het zicht verloren hebben op het pad der goedgunstigheid en die geobsedeerd zijn in hun verlangen naar de goederen, belanden jaloers op elkaar voor het heil van tijdelijk geluk in talloze vormen van lijden en hebben als dwazen geen idee [zie ook B.G. 7: 25].

Door zijn onwetendheid kent een materialist zijn ware eigenbelang, het levenspad dat alle zegen brengt, niet. Zijn wellustige verlangens binden hem slechts aan materieel genot, en alle plannen die hij maakt zijn voor dit doel bestemd. Voor tijdelijke zinsbevrediging creëert zo iemand een samenleving die gebaseerd is op afgunst. Door deze mentaliteit gaat hij onder in een oceaan van lijden, maar daar is hij zich in zijn onwetendheid niet eens van bewust. (Vedabase)
 
Tekst 17:

Welke man van studie die persoonlijk welbekend is met de spirituele kennis zou in zijn genade iemand anders er toe aanzetten uit te zien naar nogmaals dat, waarop gericht die persoon, in onwetendheid als een blindeman levend verslaafd aan materiële slimmigheid, de verkeerde weg aan het bewandelen is?

Hoe kan iemand die werkelijk geleerd, genadig en gevorderd is in geestelijke kennis, een ander die in onwetendheid verkeert en verslaafd is aan het pad van samsâra, in baatzuchtige activiteiten betrekken en hem zodoende nog meer verstrikt laten raken in het materiële bestaan? Als een heer ziet dat een blinde een gevaarlijke weg inslaat, hoe kan hij hem dan door laten lopen? Hoe kan hij hem daarin aanmoedigen? Geen enkel wijs of welwillend mens kan zoiets toestaan. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Een dergelijke persoon vermag niet een verwant te zijn, een vader, een moeder, een huwelijkspartner, noch kan hij de werkelijkheid vormen, de geestelijk leraar of de godheid van aanbidding zijn of degene die de verlost brengt uit de herhaling van geboorte en dood.

Wie degenen die van hem afhankelijk zijn niet uit de kringloop van geboorte en dood kan bevrijden, moet nooit een geestelijk leraar, een vader, een echtgenoot, een moeder of een aanbiddenswaardige halfgod worden. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Het is in deze belichaming van Mij, die ondoorgrondelijk van het eeuwige is, dat daadwerkelijk Mijn hart is ingesteld op het dharma, het devotionele, en Mijn rug is weggekeerd naar het adharma, het niet-devotionele; derhalve noemen de beschaafden mij naar waarheid De Beste, Rishabha.

Mijn transcendentale lichaam [sac-cid-ânanda-vigraha] lijkt precies op dat van een mens, maar het is niet materieel, zoals het menselijk lichaam. Men kan zich er geen voorstelling van maken. Ik word ook niet door de natuur gedwongen om een bepaald soort lichaam te aanvaarden; Ik kies uit Mijn eigen vrije wil in welk lichaam Ik wens te verschijnen. Ook Mijn hart is geestelijk, en Ik denk altijd aan het welzijn van Mijn toegewijden. Daarom zal men in Mijn hart het pad van toegewijde dienst aantreffen, dat bedoeld is voor de toegewijden. Goddeloosheid [adharma] en niet-devotionele activiteiten zijn echter ver van Mijn hart verwijderd; Ik ben er niet toe aangetrokken. Vanwege al deze transcendentale eigenschappen richt men doorgaans gebeden tot Me door Me aan te spreken als Rishabhadeva, de Allerhoogste Godspersoon, de beste van alle levende wezens. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Daarom, jullie allen, geboren uit Mijn hart, probeer met een zuivere intelligentie de meest verhevene van dienst te zijn, die broeder Bharata van jullie die over de mensen regeert.

Beste jongens, jullie zijn allen geboren uit Mijn hart, dat de zetel is van jullie transcendentale eigenschappen. Wees daarom niet als afgunstige materialisten, maar volg je oudste broer Bharata, die zeer gevorderd is op het gebied van toegewijde dienst. Als jullie Bharata dienen, bewijs je daarmee tegelijkertijd dienst aan Mij, en zullen jullie de burgers als vanzelf regeren. (Vedabase)

 

Tekst 21-22:

Van de levenden en niet-levenden, zijn in verre superieur aan de planten die wezens die zich rondbewegen; van hen zijn zij die intelligentie ontwikkelden beter en beter dan zij zijn de menselijke wezens van wie degenen van de geest, de mediteerders van S'iva, de besten zijn. Beter dan zij zijn de zangers van de hemel [de Gandharva's] en superieur aan hen zijn de volmaakten [de Siddha's], boven wie men de bovenmenselijke wezens [de Kinnara's] aantreft. De goddelijken zijn beter dan de onverlichten en van de directe zonen van Brahmâ, zoals Daksha, geleid door Indra, is Heer S'iva de beste; boven hem vinden we hij die ontsprong aan Heer Brahmâ, Mijn toegewijde [de brahmaan], naar wiens goddelijkheid van tweemaal geboren zijn, Ik er ben als de Heer.

Van de twee geopenbaarde energieën [geest en materie] zijn de wezens die levenskracht bezitten [groenten, gras, bomen en planten] superieur aan dode materie [steen, aarde enzovoort]. Boven deze niet-bewegende planten en groenten staan wormen en slangen, die zich kunnen bewegen. Superieur aan wormen en slangen zijn dieren met ontwikkelde intelligentie, en boven hen staan de mensen, die weer ondergeschikt zijn aan geesten, omdat die geen materieel lichaam hebben. Boven de geesten staan de Gandharva's, terwijl de Siddha's weer hoger zijn dan de Gandharva's. Superieur aan de Siddha's zijn de Kinnara's, en boven de Kinnara's staan de asura's. Beter dan de asura's zijn de halfgoden, van wie Indra, de hemelkoning, de allerhoogste is. Hoger dan Indra zijn echter de rechtstreekse zonen van Heer Brahmâ, zoals Daksha, en de meest verhevene van al Brahmâ's zonen is Heer S'iva. Aangezien Heer S'iva de zoon van Heer Brahmâ is, wordt Brahmâ als superieur aan hem beschouwd, maar zelfs Brahmâ is ondergeschikt aan Mij, de Allerhoogste Godspersoon. Omdat Ik de brâhmana's echter speciaal toegenegen ben, zijn zij de besten van allen. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Geen andere bestaansvorm doorstaat de vergelijking met de brahmaan noch ken ik, weledelgeleerden, ook maar iemand die boven hem staat. Door hem eet Ik met meer voldoening van het voedsel dat door de mensen met geloof en liefde werd geofferd in gepast eerbetoon [voor de mond van Mij en de mijnen], dan van het voedsel dat aldus in [de mond van] het vuur werd geofferd.

O eerbiedige brâhmana's, voor Mij is er niemand in deze wereld superieur of gelijk aan de brâhmana's. Ik vind niemand die met hen vergeleken kan worden. Mensen die Mij begrijpen, offeren Mij na het uitvoeren van een vedisch ritueel vol geloof en toewijding voedsel via de mond van een brâhmana. Voedsel dat op die manier aan Mij geofferd wordt, eet Ik met zeer veel voldoening. Ja, Ik beleef meer plezier aan dat voedsel dan aan het voedsel dat in het offervuur geofferd wordt. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Van het lichaam [van de Veda] gevoed door het eeuwige van Mijn geest die vrij is van materiële smetten, heeft men in deze wereld de [acht brahmaanse kwaliteiten van de] aard der opperste goedheid [sattva], de zuivering [pavitra], de beheersing over de geest [s'ama] en de zinnen [dama], de waarheidlievendheid [satya], de genade [anugraha], de boete [tapasya] en de tolerantie [titikshâ], waarin de verwezenlijking van God wordt gevonden.

De Veda's zijn Mijn eeuwige transcendentale geluid-incarnatie en worden daarom s'abda-brahma genoemd. In deze wereld zijn het de brâhmana's die alle Veda's grondig bestuderen, en omdat zij zich de conclusies van de Veda's eigen maken, moeten ze als de verpersoonlijking van de Veda's beschouwd worden. De brâhmana's zijn in sattva-guna, de allerhoogste, transcendentale geaardheid der natuur. Daardoor zijn ze meester van hun geest [s'ama] en hun zinnen [dama], en spreken ze altijd de waarheid [satya]. Ze leggen de Veda's uit zoals ze oorspronkelijk bedoeld zijn, en prediken uit mededogen [anugraha] het uiteindelijke doel van de vedische geschriften aan alle geconditioneerde zielen. Ze oefenen zich in versterving [tapasya] en verdraagzaamheid [titikshâ], en zijn zich ten volle bewust van zowel de positie van het levend wezen als die van de Allerhoogste Heer [anubhava]. Dit zijn de acht eigenschappen van de brâhmana's. Daarom is van alle levende wezens niemand beter van de brâhmana's. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Oh, aan wie anders zouden jullie [Mijn zoons] behoefte hebben dan aan diegenen die, zonder verlangens en bezittingen in toegewijde dienst jegens Mij, in staat zijn de hemel, de bevrijding en het plezier van Mij af te roepen, en zelfs het onbeperkte van een kracht en weelde hoger dan het hoogste?

Mijn grootheid en macht kennen geen grenzen en Ik sta boven Heer Brahmâ en Indra, de koning der hemelse planeten. Ik ben het die het geluk van de hemelse planeten en van bevrijding schenkt. Toch vragen de brâhmana's niets materieels van Me, want ze zijn heel zuiver en willen niets bezitten. Ze zijn voldaan door Mij toegewijde dienst te bewijzen - dus waarom zouden ze iemand om iets materieels moeten vragen? (Vedabase)

 

Tekst 26:

Mijn beste zoons, indachtig de heldere visie dat Ik in hen allen verblijf, behoor je te allen tijde van respect te zijn voor een ieder en voor alles, wetend dat met het respecteren van hen je indirect van respect bent voor Mij.

Mijn beste zonen, jullie moeten geen enkel levend wezen benijden - of het nu bewegend of niet-bewegend is. Wetend dat Ik Me in hen bevindt, moeten jullie hen allen op ieder moment respect betonen. Op die manier betoon je respect aan Mij. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Betrek al je denken, al je woorden en al wat je ziet van je actieve en ontvankelijke zinnen, rechtstreeks bij Mijn aanbidding, omdat een persoon anders nimmer in staat zal zijn zichzelf te bevrijden van de grote illusie die Yama's val van de dood is.'

De ware positie van de zintuigen - of het nu de geest betreft, het oog, de tong of welk ander werk- of kennisverwervend zintuig dan ook - is om volkomen in Mijn dienst betrokken te zijn. Tenzij iemand zijn zinnen op die manier gebruikt, heeft hij geen enkele kans om bevrijd te raken uit de enorme verstrikking van het materiële bestaan, dat net als het knellende touw van Yamarâja is. (Vedabase)

 

Tekst 28:

S'rî S'uka zei: 'Na voor het heil van de mensen persoonlijk op deze manier Zijn zoons instructie te hebben verschaft ondanks dat ze hoogst ontwikkeld waren, plaatste de grote persoonlijkheid, de begunstiger en Opperheer van allen die werd gevierd als De Beste, Rishabha, Bharata, de oudste van Zijn honderd zoons en allerhoogste toegewijde en navolger van de goddelijke orde, op de troon om over de planeet te regeren. Dit is de instructie wat betreft de plichten van de grote wijze, die de beste is van al die menselijke wezens die vrij van verlangen niet langer voor het profijt werken en die gekenmerkt zijn door toegewijde dienst, spirituele kennis en onthechting. Alhoewel hij achterbleef met wat hij thuis was, aanvaardde Hij, enkel lichamelijk, als een halve gek met Zijn haar in wanorde, de hemel als zijn kleed en zwierf Hij rond, het vedisch vuur vanbinnen brandend houdend, wijd en zijd buiten Brahmâvarta.

S'ukadeva Gosvâmî zei: Aldus onderrichtte de Allerhoogste Heer Rishabhadeva, de grote weldoener van alle levende wezens, Zijn eigen zonen. Hoewel deze reeds volmaakt opgevoed en ontwikkeld waren, onderrichtte Hij hen met als enige doel om te laten zien hoe een vader zijn zonen dient te verlichten voordat hij zich uit het gezinsleven terugtrekt. Ook sannyâsî's, die niet meer gevonden zijn door baatzuchtige activiteiten en na al hun materiële verlangens te hebben overwonnen tot toegewijde dienst zijn overgegaan, kunnen van dit onderricht leren. Zo verlichtte Heer Rishabhadeva dus Zijn honderd zonen en vervolgens kroonde Hij Zijn oudste zoon Bharata, die een zeer gevorderde toegewijde en volgeling van de vaishnava's was, tot koning van de wereld. Daarna leefde Heer Rishabhadeva, hoewel Hij nog steeds thuis woonde, als een dolleman, naakt en met verwarde, loshangende haren. Vervolgens nam de Heer het offervuur in Zich en verliet Brahmâvarta om over de hele wereld te gaan reizen. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Hoewel Hij, ledig, blind, doof, stom, als een geest en als een halve gek, de mensen toescheen als iemand die zich niet bekommert om de wereld [een avadhûta], hield Hij zich met de gelofte der zwijgzaamheid stil.

Vervolgens nam heer Rishabhadeva het gedrag aan van een avadhûta - een grote heilige die zich om niets materieels druk maakt - en begaf Zich onder de mensen als een blinde doofstomme man, een bewegingloze steen, een geest of een dolleman. Hoewel de mensen hem dit soort namen toeriepen, hield Hij zich stil, en sprak met niemand. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Her en der door steden komend, dorpen, delfplaatsen, landerijen, tuinen, leefgemeenschappen gelegen in valleien, militaire kampementen, veeschuren, boerderijen, rustoorden voor pelgrims, heuvels en wouden, toevluchtsoorden en zo voorts, was Hij omringd door slechte mensen en vliegen en werd Hij, als een olifant die uit het bos komt, weggejaagd en bedreigd, bewaterd en bespuugd, in het stof geworpen tussen de stenen en de ontlasting, weggescheten en uitgescholden; maar Hij gaf er niet om omdat Hij, vanuit Zijn begrip over hoe het lichaam zich verhoudt tot de ziel, wist dat de verblijfplaats die dit lichaam is en die men voor echt houdt, niet een levensomstandigheid was die geschikt is voor een man van eer; in plaats daarvan verwijlde Hij in Zijn persoonlijke glorie in ontkenning van het "ik' en "mijn" en zwierf Hij onverstoord moederziel alleen over de aarde rond.

Rishabhadeva begon door steden, dorpen, landerijen, valleien, tuinen, heuvels, wouden en militaire kampen te reizen, en passeerde daarbij mijnen, koeiestallen, de huizen van koeherders, hotels, heuvels, wouden en kluizenaarshutten. Waar Hij ook maar kwam, werd Hij omringd door slechte mensen, net als een olifant die uit het woud komt onder de vliegen zit. Hij werd voortdurend bedreigd en geslagen, en mensen urineerden en spuwden op Hem. Soms gooiden ze stenen, uitwerpselen en stof naar Hem, en dan lieten ze weer winden als Hij langskwam. Zo scholden de mensen Hem voor van alles en nog wat uit en bezorgden Hem allerlei moeilijkheden, maar Hij gaf daar niets om, aangezien Hij begreep dat dat het enige is waar het lichaam voor bedoeld is. Hij was op het geestelijke vlak, en doordat Hij Zich in Zijn geestelijke glorie bevond, raakten deze materiële beledigingen Hem niet. Met andere woorden, Hij besefte volkomen dat materie en geest twee verschillende dingen zijn, en was vrij van de lichamelijke levensbeschouwing. Zo liep Hij, zonder op wie dan ook boos te worden, in Zijn eentje de hele wereld door. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Met Zijn zeer delicate handen, voeten, borst, lange armen, schouders, nek en gelaat etc.; met de prachtige aard van Zijn goed geproportioneerde ledematen, Zijn natuurlijke glimlach, mooie lotusblaadjesgelijke gracieuze mond, het wonder van Zijn roodachtige wijdopen ogen en de grote schoonheid van Zijn voorhoofd, oren, halslijn, neus en expressieve lip, waarvan Zijn gezicht als een feest was voor al de huisvrouwen in het alom opwekken van Cupido in het hart, zag Hij, met het hebben van Zijn overvloed aan krullend bruin haar, dat samengeklit, smerig en verwaarloosd was, er in het lichaam uit als iemand die door de duivel was bezeten.

Heer Rishabhadeva's handen, voeten en borst waren heel lang, en Zijn schouders, gezicht en ledematen waren zeer fijn en symmetrisch. Een natuurlijke glimlach sierde Zijn mond, en Zijn roodachtige, wijd open ogen waren als de kelkbladen van een pas ontloken lotus bedekt met ochtenddauw, en verhoogden Zijn schoonheid nog meer. De irissen van Zijn ogen waren zo innemend, dat iedereen die Hem zag zich verlicht voelde van al zijn problemen. Zijn voorhoofd, oren, hals, neus en alle andere delen van Zijn lichaam waren heel mooi. Zijn vriendelijke glimlach maakte Zijn gezicht altijd zo prachtig, dat zelfs getrouwde vrouwen tot Hem aangetrokken raakten; het was alsof ze doorboord waren door de pijlen van Cupido. Zijn gezicht was omlijst door een overvloed aan dik, bruin, krullend haar, dat volkomen in de war zat aangezien Zijn hele lichaam vuil en onverzorgd was. Hij zag eruit alsof Hij bezeten was door een geest. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Toen Hij, de Allerhoogste Heer, zag dat de mensen zich over het algemeen tegen Zijn yoga waren gekant, ging Hij, om dat karma tegen te gaan, er toe over zich op de grond liggend als een python te gedragen, waarbij hij met het kauwen van Zijn voedsel en drinken van Zijn drinken, het unrineren en Zich ontlasten, Zijn lichaam besmeurde door zich in de uitwerpselen te wentelen.

Toen Heer Rishabhadeva zag dat de meeste mensen zeer vijandig reageerden op Zijn mystieke yoga-beoefening, begon Hij het gedrag van de python te imiteren om zo een eind te maken aan hun tegenstand. Hij ging op de grond liggen, en kwam niet meer van Zijn plaats. Zo at, dronk, urineerde en ontlastte Hij Zich liggend, en rolde dan door Zijn eigen uitwerpselen en urine. Ja, Hij besmeerde Zijn hele lichaam met Zijn uitwerpselen en urine, opdat Hij niet meer lastig gevallen zou worden door vijandige mensen. (Vedabase)

 

Tekst 33:

Zijn ruiken naar de ontlasting was van een dermate prettige geur dat de lucht van de landstreek in een omtrek van tien yojana's doortrokken raakte van een aangenaam aroma.

Omdat Heer Rishabhadeva zo bleef liggen, vielen de mensen Hem niet lastig. Zijn uitwerpselen en urine verspreidden echter geen onaangename geur - integendeel - ze roken zo heerlijk dat ze de hele omgeving in een straal van 130 kilometer met een zoete geur vulden. (Vedabase)

 

Tekst 34:

Aldus in Zijn handelingen zich bewegend, staand, zittend en neerliggend met de koeien, de kraaien en de herten at Hij, dronk Hij, en urineerde Hij ook zoals de koeien, de kraaien en de herten dat doen.

Op die manier deed Heer Rishabhadeva het gedrag van koeien, herten en kraaien na door nu eens te bewegen of te lopen, en dan weer onbeweeglijk te blijven zitten. Soms ging Hij ook liggen op dezelfde manier als koeien, herten en kraaien dat doen. Zo at, dronk, ontlastte Hij Zich en urineerde Hij, en op die manier misleidde Hij de mensen. (Vedabase)

 

Tekst 35:

Met het op die manier bewandelen van de verschillende wegen van de mystieke yoga genoot de Opperheer, de Meester der Verlichting, Rishabha, onophoudelijk in grote gelukzaligheid van het Allerhoogste. Door Zijn fundamentele onverschilligheid bereikte Hij in het Hoogste Zelf, de volkomen perfectie van het onbegrensde van het geheel van de weelde en de symptomen van liefdevolle emoties jegens de Allerhoogste Persoonlijkheid Vâsudeva die zich ophoudt in het hart van alle levende wezens; maar het volle van de mystieke vermogens, zoals het reizen door de lucht, zich met de snelheid van de bliksem bewegen, het vermogen ongezien te blijven, het vermogen in het lichaam van anderen binnen te gaan, de macht om zonder moeite dingen op afstand waar te nemen en andere perfecties [siddhi's, zie eveneens 2.2: 22; 2.9: 17; 3.15: 45; 3.25: 37] die hij aldus bereikte, o Koning Parîkchit, aanvaardde Hij nimmer rechtstreeks in Zijn hart.

O koning Parîkshit, alleen om de yogi's het pad der mystieke yoga te tonen, verrichte Heer Rishabhadeva, een gedeeltelijke expansie van Heer Krishna, allerlei wonderbaarlijke activiteiten. In feite was Hij echter de meester der bevrijding, en ging Hij volkomen op in transcendentale gelukzaligheid die altijd maar verduizendvoudigde. Heer Krishna, Vâsudeva, de zoon van Vasudeva, is de oorsprong van Heer Rishabhadeva, en er bestaat geen verschil in constitutie tussen Hen. Heer Rishabhadeva vertoonde dan ook alle symptomen van transcendentale liefde, zoals huilen, lachen en beven. Zo ging Hij altijd op in gevoelens van transcendentale liefde, en als gevolg daarvan kreeg Hij vanzelf alle mystieke vermogens, zoals het vermogen om door de ruimte te reizen met de snelheid van de geest, om desgewenst te verschijnen en te verdwijnen, om binnen te gaan in het lichaam van anderen, en om dingen te zien die heel ver weg zijn. (Vedabase)

 

* De vijf belangrijkste relaties van liefde of rasa's waarin met de Heer alle hogere emoties worden ervaren, zijn de neutrale (santa), de relatie tussen meester en dienaar (dâsya), de vriendschapsrelatie (sakhya), de ouder-kind relatie (vâtsalya) en de liefdesrelatie (sringâra).

 
 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het tweede schilderij op deze pagina is van
Dinabandhu dasa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties