Canto
3
Hoofdstuk 6: Het Genereren van de Universele Gedaante
(1) De wijze [Maitreya] zei: 'Zo stond de Heer voor het feit dat in de vooruitgang van de universele scheppingen Zijn eigen vermogen in sluimering verkeerde als gevolg van het een gebrek aan orde. [zie 3.5.: 24 ] (2) Toen ging in één keer het oppermachtige vermogen de drieëntwintig elementen binnen [de vijf elementen en hun kwaliteiten, de vijf organen van handelen en de zintuigen en de drie vormen van individueel bewustzijn: het denken, de intelligentie en het ego; vergelijk 2.4: 23] en stond bekend als Kâlî, de godin der vernietiging. (3) Dat later binnengaan van de Allerhoogste Heer in de vorm van de kracht der materie, Kâlî, zette afzonderlijk de levende wezens aan het werk waarbij ze uit hun onbewuste staat werden opgewekt tot hun karma. (4) Teweeggebracht door de combinatie van de drieëntwintig hoofdelementen wekte de wil van het Allerhoogste op die manier de activiteiten op middels Zijn persoonlijke volkomen expansie van de Universele Gedaante. (5) De Heer die met een volkomen deelaspect van Zijn eigen Zelf [Kâlî] al de elementen van de schepping binnenging, transformeerde Zich aldus tot de vormen waar Hij in combinatie toe kwam, waarin al het bewegende en niet-bewegende [der scheppingen] van de werelden zijn vrede vindt. (6) Hij, deze Vishnu Hiranmaya, de oorspronkelijke persoon, spreidde zichzelf zo voor een duizendtal hemelse jaren [één zo'n jaar is 360 jaar voor de mens] uit in de wereld in het water, daar verblijvend met alles wat er van Zijn goedheid was.(7)Vanuit de actieve ziel vol van vermogen was die totaliteit van de levende energie van de gigantische vorm er zeker van het goddelijke zelf te verdelen ten opzichte van zichzelf als de eenheid die zich verhoudt tot het drie- en tienvoudige. (8) Dit voorzeker onbegrensde van de zielen van de levende wezens die deel uitmaken van de Superziel, is de eerste incarnatie waarop het geheel van al die levende wezens tezamen floreert.
(9) De gigantische gedaante in drieën heeft betrekking op het fundament van het zelf [of de tijdruimte, âdhyâtma], het fundament van de goddelijkheid [van de lotus der schepping, de âdhidaiva], en het fundament van de wereld en haar schepselen [de âdhibhûta], het tienvoudige heeft betrekking op [de organen van] de levenskracht [de prâna: de handen, de voeten, de anus, de geslachtsorganen, de ogen, de neus, de oren, de tong, de huid en de mond; zie brahma sûtra 2.4: 5-6], en het één zijn heeft betrekking op het hart. (10) De heugenis van de begiftigde wezens van de Heer die voor Hem baden als de Transcendentie, had zo de schittering voor ogen van de gigantische vorm die er was voor hun begrip. (11) Luister nu naar hoe ik voor u beschrijf hoeveel belichamingen van halfgoden er daarom waren als de afgescheiden delen in deze contemplatie van Hem.
(12) Uit de mond van Zijn vuur [Agni] werden zo de lokale bestuurders van het materiële leven afgescheiden en in hun relatie met de ideeën van hun eigen afdeling ontstond de spraak waarmee ze zich uitdrukken. (13) Varuna, de godheid die de lucht beheerst scheidde zich van deze wereldse heersers af als het verhemelte en ging van de Heer [Zijn vermogen] het deel van de tong binnen en schonk het levend wezen de expressie in de smaak. (14) De twee As'vinî Kumâra's werden afgescheiden als de twee neusgaten van Vishnu en door het innemen van die positie kwam de desbetreffende ervaring van geuren tot stand [zie ook 2.1: 29 en 2.5: 30]. (15) Als Zijn ogen, de zon, ging de lokale heerser van het licht het gigantische binnen waarvan, naar de vormen, de ervaring van het deel van het zien tot stand kwam. (16) De huid onderscheidde zich van de Universele Gedaante, als de lokale heerser in de lucht [Anila, de Vasu van de wind] en ging zo als het ademende deel binnen, waarvan het levend wezen in staat is tot ervaren in aanraking. (17) Van de oren van de gigantische gedaante werden toen de heersers naar de oorspronkelijke richtingen afgescheiden die binnengingen met de principes van het horen waarmee de volmaaktheid van het geluid wordt ervaren. (18) Met de afzonderlijke manifestatie van de huid van de universele gedaante gingen de heersers van het gevoel en hun afdelingen binnen, waarvan met de haren op het lichaam [of de vegetatie] het levend wezen jeuk ervaart. (19) Toen de genitaliën van de gigantische gedaante werden afgescheiden kwam hij die de eerste is [Brahmâ, de Prajâpati] tot zijn positie en ging op die manier het deel van het zaad het bestaan binnen waarmee de wezens het genot [van de sex] ervaren. (20) De ontlastingsopening manifesteerde zich afzonderlijk waarmee de lokale heerser ervan met de naam Mitra met het deel van het uitscheidingsproces [de dood] binnenging en daarvan verricht het levend wezen zijn ontlastingstaken. (21) Naar de afzonderlijke manifestatie van de handen van de gigantische gedaante, vond Indra de heerser van het oorspronkelijke [de hemel] zijn bestaan met het deel van de handelsprincipes waarvan het levend wezen zijn zaken kan afhandelden. (22) Met de benen van de gedaante die toen afzonderlijk hun bestaan vonden, ging de plaatselijke orde van Vishnu binnen met zijn eigen deel van het vermogen tot beweging waarmee het levend wezen zich naar zijn bestemming verplaatst. (23) Met het zich onderscheiden van de intelligentie van het universele, vond de Heer van het gesproken woord [de Veda] zijn bestaan als de heersende macht die binnenging als dat deel van de intelligentie waarmee de ervaring van het begrijpen van dingen kon worden gerealiseerd. (24) Ook het hart van het Universele Wezen manifesteerde zich afzonderlijk als Candra, de orde van de maan, die binnenging als de heersende macht over de mentale activiteit waarmee het levend wezen beslissingen neemt en overeenkomsten sluit. (25) Het ego van het zich identificeren met de [materie van de] universele gedaante manifesteerde zich eveneens afzonderlijk, de positie innemend [als Rudra, Heer S'iva] met het deel van de activiteiten waarmee het levend wezen onderneemt in objectieve handelingen. (26) Toen ook de goedheid zich afzonderlijk manifesteerde van de universele gedaante, ging de beheersing over het geheel van de energie het bestaan binnen als het deel van Zijn bewustzijn waarmee het levend wezen specifieke kennis cultiveert.
(27) Van het hoofd van de Universele Gedaante met de hemelse werelden, de aardse werelden als Zijn benen en het belang van de ether van Zijn onderbuik, ontstonden de reacties op de drie geaardheden waarmee de halfgoden en anderen zich manifesteren. (28) In de overmaat van de geaardheid goedheid vonden de goddelijken hun plaats in de hogere posities terwijl al die menselijke wezens die leven naar de aard van hun hartstocht aan hen ondergeschikt zijn op aarde. (29) Al degenen die, in de overmaat van de derde geaardheid, van de aard [der traagheid] zich bevinden tussen die twee [van hemel en aarde] in, behoren bij de ether van Zijn navel tot de bevolking als de metgezellen van Rudra.
(30) De leiders van de vedische wijsheid, welke voortkwamen uit de mond van de Universele Gedaante, o aanvoerder van de Kuru-dynastie, werden, in hun toeneiging tot de orden in de samenleving [de roepingen], de zogeheten brahmanen, de erkende leraren of spirituele woordvoerders. (31) Zij die zich toen manifesteerden uit de armen [van de gigantische gedaante] waren de volgelingen [van de brahmanen] in relatie tot de macht der bescherming [de kshatriya's of bestuurders] die, als vertegenwoordigers van de Hoogste Persoonlijkheid, de andere beroepen bevrijden van de ondeugd van storende maatschappelijke elementen. (32) Uit Zijn dijen genereerde de Almachtige, voor de productie en distributie van de middelen van bestaan, de handelsgemeenschap [de vais'ya's] wiens beroep het is zorg te dragen voor de verschaffing voor een ieder. (33) Voor het vervolmaken van de plichten vanuit de benen van de Opperheer werd de dienst in het leven geroepen waarnaar het primaire belang van het beroep der arbeiders [s'ûdra's] werd gegenereerd waarmee de Heer wordt tevredengesteld. (34) Al deze orden van de samenleving naar de individuele plichtsbetrachtingen aanbidden met de leraren zelve de Heer door wie met geloof en toewijding een ziel tezamen met zijn beroepsmatige bezigheid zijn zuivering vindt.
(35) Wie, o Vidura, heeft een idee van de totaliteit van deze gedaante van het goddelijke werkzame Zelf van de Allerhoogste Heer, die zich manifesteerde door de kracht van de illusoire materiële eenheid [van Zijn innerlijk vermogen]? (36) Derhalve, o broeder, beschrijf ik, ondanks dit feit, de intelligentie voor zover begrepen uit het vernemen over de heerlijkheden van de Heer in lezingen van zuiverheid, anders zal het denken zich tot het onware wenden. (37) De Onvergelijkelijke wint men voor zich door besprekingen over de Allerhoogste Persoon Zijn fameuze handelingen, waarvan men in hun verheerlijking spreekt van nectargelijke transcendentie voor het oor en die, op schrift gesteld door de geschoolden, de ware bedoeling ten dienst staan van het nader tot elkaar komen. (38) De heerlijkheden van de Allerhoogste Ziel werden, mijn zoon, door de oorspronkelijke poëet [Brahmâ] na een duizendtal hemelse jaren gekend door een intelligentie gerijpt in meditatie. (39) Daarom wordt dat wat zelfs voor de manipulerenden een bekoorlijk goddelijk vermogen is, ook door de ziel die aan zichzelf genoeg heeft niet gekend; en wat dan te zeggen van anderen? (40) Van wie wij, niet in staat tot inschatting, ermee opgehouden zijn het te proberen met woorden en het denken, ego en al deze andere goden; Hem, de Allerhoogste Heer, bieden we onze respectvolle eerbetuigingen.'
Tweede Editie, geladen 19 mei, 2006.
Bronteksten:
Schepping van de Kosmische Gedaante
De wijze [Maitreya] zei: 'Zo stond de Heer voor het feit dat in de vooruitgang van de universele scheppingen Zijn eigen vermogen in sluimering verkeerde als gevolg van het een gebrek aan orde. [zie 3.5.: 24]
De rishi Maitreya zei: Zo vernam de Heer van de opschorting van het gefaseerde scheppingswerk in het heelal, als gevolg van het niet samengaan van Zijn vermogens, zoals het mahat-tattva. (Vedabase)
Toen ging in één keer het oppermachtige vermogen de drieëntwintig elementen binnen [de vijf elementen en hun kwaliteiten, de vijf organen van handelen en de zintuigen en de drie vormen van individueel bewustzijn: het denken, de intelligentie en het ego; vergelijk 2.4: 23] en stond bekend als Kâlî, de godin der vernietiging.
De Oppermachtige Heer ging toen met de godin Kâlî, Zijn uitwendige vermogen, die als enige alle verschillende elementen met elkaar versmelt, tegelijk in de drieëntwintig elementen binnen. (Vedabase)
Dat later binnengaan van de Allerhoogste Heer in de vorm van de kracht der materie, Kâlî, zette afzonderlijk de levende wezens aan het werk waarbij ze uit hun onbewuste staat werden opgewekt tot hun karma.
Toen dan de Godspersoon door Zijn energie in de elementen binnenging, werden alle levende wezens opgewekt tot het verrichten van uiteenlopende activiteiten, zoals men na het ontwaken uit de slaap zijn werk begint te doen. (Vedabase)
Teweeggebracht door de combinatie van de drieëntwintig hoofdelementen wekte de wil van het Allerhoogste op die manier de activiteiten op middels Zijn persoonlijke volkomen expansie van de Universele Gedaante.
Toen de drieëntwintig hoofdelementen door de wil van de Allerhoogste in beweging waren gebracht, ontstond de reusachtige kosmische gedaante of vis'va-rûpa van de Heer. (Vedabase)
De Heer die met een volkomen deelaspect van Zijn eigen Zelf [Kâlî] al de elementen van de schepping binnenging, transformeerde Zich aldus tot de vormen waar Hij in combinatie toe kwam, waarin al het bewegende en niet-bewegende [der scheppingen] van de werelden zijn vrede vindt.
Toen de Heer in de gedaante van Zijn volkomen deelaspect in de elementen van de stoffelijke schepping binnenging, transformeerden ze zich tot de reusachtige gedaante, waarin alle planetenstelsels en alle bewegende en roerloze scheppingen rusten. (Vedabase)
Hij, deze Vishnu Hiranmaya, de oorspronkelijke persoon, spreidde zichzelf zo voor een duizendtal hemelse jaren [één zo'n jaar is 360 jaar voor de mens] uit in de wereld in het water, daar verblijvend met alles wat er van Zijn goedheid was.
De reusachtige virâth-purusha, bekend als Hiranmaya, verbleef duizend hemeljaren op het water van het heelal, terwijl alle levende wezens bij Hem rustten. (Vedabase)
Vanuit de actieve ziel vol van vermogen was die totaliteit van de levende energie van de gigantische vorm er zeker van het goddelijke zelf te verdelen ten opzichte van zichzelf als de eenheid die zich verhoudt tot het drie- en tienvoudige.
De totale energie van het mahat-tattva, in de gedaante van de reusachtige virâth-rûpa, verdeelde Zich door Zijn eigen vermogen in het bewustzijn van de levende wezens, het actieve leven en zelfidentificatie, die respectievelijk onderverdeeld worden in één, tien en drie. (Vedabase)
Dit voorzeker onbegrensde van de zielen van de levende wezens die deel uitmaken van de Superziel, is de eerste incarnatie waarop het geheel van al die levende wezens tezamen floreert.
De gigantische kosmische gedaante van de Allerhoogste is de eerste incarnatie en het volkomen deelaspect van de Superziel. Hij is het Zelf van een oneindig aantal levende wezens, en het geheel der schepping rust erin en gedijt op die manier. (Vedabase)
De gigantische gedaante in drieën heeft betrekking op het fundament van het zelf [of de tijdruimte, âdhyâtma], het fundament van de goddelijkheid [van de lotus der schepping, de âdhidaiva], en het fundament van de wereld en haar schepselen [de âdhibhûta], het tienvoudige heeft betrekking op [de organen van] de levenskracht [de prâna: de handen, de voeten, de anus, de geslachtsorganen, de ogen, de neus, de oren, de tong, de huid en de mond; zie brahma sûtra 2.4: 5-6], en het één zijn heeft betrekking op het hart.
De reusachtige kosmische gedaante wordt vertegenwoordigd door drie, tien en één in de zin dat Hij lichaam, geest en zinnen is, de bewegingskracht van alle activiteiten door middel van tien vormen van levensenergie en het ene hart van waaruit de levensenergie opgewekt wordt. (Vedabase)
De heugenis van de begiftigde wezens van de Heer die voor Hem baden als de Transcendentie. had zo de schittering voor ogen van de gigantische vorm die er was voor hun begrip.
De Allerhoogste Heer is de Superziel van alle halfgoden aan wie de taak van de opbouw van de kosmische openbaring is toevertrouwd. Alsdus [door de halfgoden] aanbeden, ging Hij bij Zichzelf te rade en openbaarde de reusachtige gedaante ter wille van hun begrip. (Vedabase)
Luister nu naar hoe ik voor u beschrijf hoeveel belichamingen van halfgoden er daarom waren als de afgescheiden delen in deze contemplatie van Hem.
Maitreya zei: U kunt nu van me horen hoe de Allerhoogste Heer Zich na de openbaring van de reusachtige kosmische gedaante in de verschillende gedaanten van de halfgoden afscheidde. (Vedabase)
Uit de mond van Zijn vuur [Agni] werden zo de lokale bestuurders van het materiële leven afgescheiden en in hun relatie met de ideeën van hun eigen afdeling ontstond de spraak waarmee ze zich uitdrukken.
Agni, de hitte, scheidde zich af uit Zijn mond, en alle leiders van de materiële aangelegenheden gingen daarin binnen om er hun diverse posities in te nemen. Door middel van deze energie drukt het levend wezen zich uit in woorden. (Vedabase)
Varuna, de godheid die de lucht beheerst scheidde zich van deze wereldse heersers af als het verhemelte en ging van de Heer [Zijn vermogen] het deel van de tong binnen en schonk het levend wezen de expressie in de smaak.
Toen het gehemelte van de reusachtige gedaante afzonderlijk geopenbaard werd, ging Varuna, de halfgod van de lucht in de planetenstelsels, erin binnen, en hierdoor is het dat het levend wezen alles proeven kan met zijn tong. (Vedabase)
De twee As'vinî Kumâra's werden afgescheiden als de twee neusgaten van Vishnu en door het innemen van die positie kwam de desbetreffende ervaring van geuren tot stand [zie ook 2.1: 29 en 2.5: 30].
Toen de neusgaten van de Heer zich afzonderlijk openbaarden, namen de beide As'vinî-kumâra's daarin hun positie in, en hierdoor is het dat de levende wezens overal de geur van kunnen ruiken. (Vedabase)
Als Zijn ogen, de zon, ging de lokale heerser van het licht het gigantische binnen waarvan, naar de vormen, de ervaring van het deel van het zien tot stand kwam.
Vervolgens werden de beide ogen van de reusachtige gedaante van de Heer afzonderlijk geopenbaard. De zon, de bestuurder van het licht, ging daarin binnen met het deel dat het gezichtsvermogen vertegenwoordigt, en hierdoor is het dat de levende wezens vormen kunnen onderscheiden. (Vedabase)
De huid onderscheidde zich van de Universele Gedaante, als de lokale heerser in de lucht [Anila, de Vasu van de wind] en ging zo als het ademende deel binnen, waarvan het levend wezen in staat is tot ervaren in aanraking.
Toen, gescheiden van de reusachtige gedaante, de huid werd geopenbaard, ging Anila, de windgod, erin binnen met het deel van de aanraking, en hierdoor is het dat de levende wezens via de tastzin kennis kunnen verwerven. (Vedabase)
Van de oren van de gigantische gedaante werden toen de heersers naar de oorspronkelijke richtingen afgescheiden die binnengingen met de principes van het horen waarmee de volmaaktheid van het geluid wordt ervaren.
Toen de oren van de reusachtige gedaante zich openbaarden, gingen alle halfgoden van de richtingen erin binnen met de beginselen van het gehoor, waardoor alle levende wezens horen en hun voordeel doen met geluid. (Vedabase)
Met de afzonderlijke manifestatie van de huid van de universele gedaante gingen de heersers van het gevoel en hun afdelingen binnen, waarvan met de haren op het lichaam [of de vegetatie] het levend wezen jeuk ervaart.
Toen er afzonderlijk huid geopenbaard werd, gingen de halfgoden van de verschillende vormen van gevoel, met bijbehoren daarin binnen, en hierdoor komt het dat de levende wezens als gevolg van aanraking, jeuk en streling ervaren. (Vedabase)
Toen de genitaliën van de gigantische gedaante werden afgescheiden kwam hij die de eerste is [Brahmâ, de Prajâpati] tot zijn positie en ging op die manier het deel van het zaad het bestaan binnen waarmee de wezens het genot [van de sex] ervaren.
Toen het geslachtsdeel van de reusachtige gedaante zich afzonderlijk openbaarde, ging Prajâpati, het eerste levend wezen, erin binnen met zijn zaad-deel, en zo kunnen de levende wezens van seks genieten. (Vedabase)
De ontlastingsopening manifesteerde zich afzonderlijk waarmee de lokale heerser ervan met de naam Mitra met het deel van het uitscheidingsproces [de dood] binnenging en daarvan verricht het levend wezen zijn ontlastingstaken.
De anus werd afzonderlijk geopenbaard, en de bestuurder Mitra ging erin binnen met het evacueringsorgaan-gedeelte. Zo komt het dat de levende wezens ontlasting en urine kunnen lozen. (Vedabase)
Naar de afzonderlijke manifestatie van de handen van de gigantische gedaante, vond Indra de heerser van het oorspronkelijke [de hemel] zijn bestaan met het deel van de handelsprincipes waarvan het levend wezen zijn zaken kan afhandelden.
Toen vervolgens de handen van de reusachtige gedaante afzonderlijk werden geopenbaard, ging Indra, de bestuurder van de hemelplaneten, erin binnen met het handels-gedeelte, en hierdoor komt het dat het levend wezen met zakendoen in zijn levensonderhoud kan voorzien. (Vedabase)
Met de benen van de gedaante die toen afzonderlijk hun bestaan vonden, ging de plaatselijke orde van Vishnu binnen met zijn eigen deel van het vermogen tot beweging waarmee het levend wezen zich naar zijn bestemming verplaatst.
Daarna werden de benen van de reusachtige gedaante afzonderlijk geopenbaard, en de halfgod Vishnu [niet de Godspersoon] ging erin binnen met het deel van de beweging. Dit helpt het levend wezen om zich naar zijn bestemming te begeven. (Vedabase)
Met het zich onderscheiden van de intelligentie van het universele, vond de Heer van het gesproken woord [de Veda] zijn bestaan als de heersende macht die binnenging als dat deel van de intelligentie waarmee de ervaring van het begrijpen van dingen kon worden gerealiseerd.
Toen de intelligentie van de reusachtige gedaante afzonderlijk geopenbaard werd, ging Brahmâ, de heer der Veda's, erin binnen met het deel van het begrip, en zo kunnen de levende wezens een begripsobject ervaren. (Vedabase)
Ook het hart van het Universele Wezen manifesteerde zich afzonderlijk als Candra, de orde van de maan, die binnenging als de heersende macht over de mentale activiteit waarmee het levend wezen beslissingen neemt en overeenkomsten sluit.
Daarna openbaarde het hart van de reusachtige gedaante zich afzonderlijk, en daarin ging de maangod binnen met het deel van de geestes-activiteit. Zo kan het levend wezen innerlijk bespiegelen. (Vedabase)
Tekst 25:
Het ego van het zich identificeren met de [materie van de] universele gedaante manifesteerde zich eveneens afzonderlijk, de positie innemend [als Rudra, Heer S'iva] met het deel van de activiteiten waarmee het levend wezen onderneemt in objectieve handelingen.
Daarop openbaarde het materiële ego van de reusachtige gedaante zich afzonderlijk, en daarin ging Rudra binnen, de bestuurder van het vals ego, met het deel van zijn eigen activiteiten, waardoor het levend wezen zijn objectieve doen en laten ten beste geeft. (Vedabase)
Toen ook de goedheid zich afzonderlijk manifesteerde van de universele gedaante, ging de beheersing over het geheel van de energie het bestaan binnen als het deel van Zijn bewustzijn waarmee het levend wezen specifieke kennis cultiveert.
Toen Zijn bewustzijn zich afzonderlijk openbaarde, ging vervolgens de totale energie, het mahat-tattva, erin binnen met Zijn bewustzijnsdeel. Zo kan het levend wezen specifieke kennis bevatten. (Vedabase)
Van het hoofd van de Universele Gedaante met de hemelse werelden, de aardse werelden als Zijn benen en het belang van de ether van Zijn onderbuik, ontstonden de reacties op de drie geaardheden waarmee de halfgoden en anderen zich manifesteren.
Daarna werden uit het hoofd van de reusachtige gedaante de hemelse planeten geopenbaard, terwijl uit Zijn benen de aardse planeten en uit Zijn buik de ruimte zich afzonderlijk openbaarden. Daarin werden de halfgoden en ook anderen geopenbaard volgens de drie geaardheden van de natuur. (Vedabase)
In de overmaat van de geaardheid goedheid vonden de goddelijken hun plaats in de hogere posities terwijl al die menselijke wezens die leven naar de aard van hun hartstocht aan hen ondergeschikt zijn op aarde.
De halfgoden, de zich kenmerken door de buitengewone geaardheid goedheid, verblijven op de hemelse planeten, terwijl de mensen, vanwege hun aard in hartstocht, in gezelschap van hun ondergeschikten op aarde verblijven. (Vedabase)
Al degenen die, in de overmaat van de derde geaardheid, van de aard [der traagheid] zich bevinden tussen die twee [van hemel en aarde] in, behoren bij de ether van Zijn navel tot de bevolking als de metgezellen van Rudra.
Levende wezens die Rudra vergezellen, ontwikkelen zich volgens de derde geaardheid van de natuur, de onwetendheid. Ze bevinden zich in de ruimte tussen de aardse en de hemelse planeten. (Vedabase)
De leiders van de vedische wijsheid, welke voortkwamen uit de mond van de Universele Gedaante, o aanvoerder van de Kuru-dynastie, werden, in hun toeneiging tot de orden in de samenleving [de roepingen], de zogeheten brahmanen, de erkende leraren of spirituele woordvoerders.
O hoofd van de Kuru-dynastie, uit de mond van de virâth, de reusachtige gedaante, werd de vedische wijsheid geopenbaard. Degenen die tot deze wijsheid geneigd zijn, worden brâhmana's genoemd en zijn van nature de meesters en geestelijke leraren van alle geledingen van de samenleving. (Vedabase)
Zij die zich toen manifesteerden uit de armen [van de gigantische gedaante] waren de volgelingen [van de brahmanen] in relatie tot de macht der bescherming [de kshatriya's of bestuurders] die, als vertegenwoordigers van de Hoogste Persoonlijkheid, de andere beroepen bevrijden van de ondeugd van storende maatschappelijke elementen.
Daarop werd uit de armen van de reusachtige virâth-gedaante het vermogen tot beschermen verwekt, en kwamen met betrekking tot dat vermogen ook de kshatriya's tot zijn. Het principe van de kshatriya's is dat ze de samenleving beschermen tegen dieven en onverlaten. (Vedabase)
Uit Zijn dijen genereerde de Almachtige, voor de productie en distributie van de middelen van bestaan, de handelsgemeenschap [de vais'ya's] wiens beroep het is zorg te dragen voor de verschaffing voor een ieder.
De middelen tot levensonderhoud van alle mensen, namelijk het verbouwen van graan en de verdeling ervan onder de prajâ's, kwamen voort uit de dijen van de reusachtige gedaante van de Heer. De kooplieden, die zich met deze zaken bezighouden, worden vais'ya's genoemd. (Vedabase)
Voor het vervolmaken van de plichten vanuit de benen van de Opperheer werd de dienst in het leven geroepen waarnaar het primaire belang van het beroep der arbeiders [s'ûdra's] werd gegenereerd waarmee de Heer wordt tevredengesteld.
Daarna werd uit de benen van de Godspersoon het dienen geopenbaard, ter wille van de vervolmaking van het religieuze leven. Op de benen bevinden zich de s'ûdra's die de Heer door hun dienst voldoening schenken. (Vedabase)
Al deze orden van de samenleving naar de individuele plichtsbetrachtingen aanbidden met de leraren zelve de Heer door wie met geloof en toewijding een ziel tezamen met zijn beroepsmatige bezigheid zijn zuivering vindt.
Al deze verschillende maatschappelijke geledingen worden samen met hun taken en leefomstandigheden geboren uit de Allerhoogste Godspersoon. Daarom moet men als men naar een bevrijd leven en zelfverwerkelijking verlangt, de Allerhoogste Heer aanbidden onder leiding van de geestelijk leraar. (Vedabase)
Wie, o Vidura, heeft een idee van de totaliteit van deze gedaante van het goddelijke werkzame Zelf van de Allerhoogste Heer, die zich manifesteerde door de kracht van de illusoire materiële eenheid [van Zijn innerlijk vermogen]?
O Vidura, wie kan de bovenzinnelijke tijd, activiteit en energie peilen of meten van de reusachtige gedaante, die geopenbaard werd door het innerlijke vermogen van de Allerhoogste Godspersoon? (Vedabase)
Derhalve, o broeder, beschrijf ik, ondanks dit feit, de intelligentie voor zover begrepen uit het vernemen over de heerlijkheden van de Heer in lezingen van zuiverheid, anders zal het denken zich tot het onware wenden.
Ondanks mijn onvermogen beschrijf ik nu met zuivere taal wat ik allemaal heb kunnen horen [van de geestelijke leraar] en wat ik allemaal heb kunnen verwerken, dit ter verheerlijking van de Heer, want anders zou mijn spraakvermogen onzuiver blijven. (Vedabase)
De Onvergelijkelijke wordt gewonnen door besprekingen over de Allerhoogste Persoon Zijn fameuze handelingen, waarvan men in hun verheerlijking spreekt van nectargelijke transcendentie voor het oor en die, op schrift gesteld door de geschoolden, de ware bedoeling ten dienst staan van het nader tot elkaar komen.
De hoogste volmaaktheid die de mensheid bereiken kan, bestaat in het deelnemen aan gesprekken over de activiteiten en de glorie van de Alvrome Weldoener. Deze activiteiten zijn door de grote wijzen zo fraai beschreven, dat datgene die er alleen maar naar luistert, het oor op de volmaakte wijze gebruikt. (Vedabase)
De heerlijkheden van de Allerhoogste Ziel werden, mijn zoon, door de oorspronkelijke poëet [Brahmâ] na een duizendtal hemelse jaren gekend door een intelligentie gerijpt in meditatie.
O mijn zoon, de oorspronkelijke dichter Brahmâ kon na duizend hemeljaren van diepe meditatie alleen maar concluderen dat de grootsheid van de Allerhoogste onvoorstelbaar is. (Vedabase)
Daarom wordt dat wat zelfs voor de manipulerenden een bekoorlijk goddelijk vermogen is, ook door de ziel die aan zichzelf genoeg heeft niet gekend; en wat dan te zeggen van anderen?
Het schitterende vermogen van de Allerhoogste Godspersoon brengt zelfs goochelaars in de war. Dat machtige vermogen is zelfs de in zichzelf voldane Heer onbekend, dus hoe zouden anderen het kunnen kennen? (Vedabase)
Van wie wij, niet in staat tot inschatting, ermee opgehouden zijn het te proberen met woorden en het denken, ego en al deze andere goden; Hem, de Allerhoogste Heer, bieden we onze respectvolle eerbetuigingen.
Woorden, de geest en het ego zijn er, met de verschillende halfgoden die hen besturen, niet in geslaagd de Allerhoogste Godspersoon te kennen. Daarom moeten we Hem eenvoudigweg uit gezond verstand onze eer betuigen. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
Srîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Produktie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties