regelbalk


 

Canto 7

S'rî Râdhika Stava

 

 

Hoofdstuk 13: Het Gedrag van een Heilige Persoon

(1) S'rî Nârada zei: 'Een persoon die door zelfrealisatie klaar is voor wat ik tevoren beschreef, behoort over de aarde rond te trekken en daarbij, niet meer dan zijn lijfsbehoud wensend, niet van enig iets afhankelijk zijn en in geen dorp langer te blijven dan een dag [zie ook het verhaal van Rishabha 5.5: 28]. (2) De verzaker [sannyâsî] moet niet meer kleding dragen dan een schamele bedekking van zijn lendenen en, als het hem niet tegenzit, in zijn verzaking aan niets anders vasthouden dan aan zijn staf [danda] en dergelijke. (3) Zijn heil bij Nârâyana zoekend, levend van enkel aalmoezen en volledig tevreden zijnd in zichzelf, beweegt hij zich rond geheel op zichzelf, volledig onafhankelijk, ieder levend wezen het beste wensend in volmaakte vrede. (4) Zo een iemand moet dan dit universum van oorzaak en gevolg zien als bestaande binnenin het onvergankelijke Zelf in het voorbije en zichzelf zien als [een deel van] het Opperste Absolute dat overal de wereld van oorzaak en gevolg doordringt. (5) Van het slapen, waken en het dromen ertussenin waar men zo mee bezig is [zie ook 6.16: 53-54] moet hij die het zelf werkelijk ziet begrijpen dat de staten van gebondenheid en bevrijd zijn in feite niets anders dan een spel van de verbeelding vormen. (6) Met moet zich niet zozeer verheugen in het zekere - of het onzekere - van de dood van dit lichaam en zijn levensduur, maar zich meer de Hoogmogende Tijd voorhouden die heerst over het verschijnen en verdwijnen van de levende wezens. (7) Men moet niet zwelgen in fixaties op het onware noch daarin een loopbaan proberen op te bouwen; doelloos argumenteren moet worden opgegeven en ook moet men niet zijn toevlucht zoeken in partijen [politieke partijen]. (8) Geen volgelingen voor het een of ander, noch voorzeker het lezen en schrijven van vele boeken, noch moet men voor zijn brood proberen lezingen te organiseren of het ooit proberen de zeggenschap uit te breiden [met het bouwen van tempels b.v.]. (9) Hij die gevorderd is, van vrede en een gelijkgezinde geest, kan, hoewel als verzaker ze nimmer nodig hebbend, de symbolen van zijn geestelijke positie uitdragen [zijn âs'rama*] of ze evenzogoed eraan geven. (10) Hoewel hij uiterlijk misschien niet direct als een wereldverzaker is te herkennen, is zijn opzet toch duidelijk; zo iemand kan zich als heilige voor de samenleving voordoen als een opgewonden jochie of, als hij een groot redenaar was, zich voordoen als iemand die niet in staat is te spreken.

(11) De geschoolden halen in dit verband als een voorbeeld van deze verhulde identiteit een zeer oud historisch voorval aan van een gesprek tussen Prahlâda en een heilige man die leefde als een python. (12-13) Hij was getuige van het zuiverste, hoogst ernstige, geestelijk vermogen van die man daar aan de oever van de Kâverî rivier op een helling van de berg Sahya, met hem op de grond liggend met zijn gehele lichaam overdekt met vuil en stof. Prahlâda, de lieveling van de Allerhoogste Heer, kwam hem tegen toen hij in het gezelschap van een stel van zijn koninklijke vrienden de wereld bereisde in een poging te begrijpen wat het was wat de mensen beheerste. (14) Uit wat hij deed, hoe hij eruit zag, naar wat hij zei en naar zijn leeftijd en bezigheid en andere identiteitskenmerken konden de mensen niet opmaken of die man nu wel of niet dezelfde persoon was die ze ooit zo goed gekend hadden. (15) Na hem zijn respect betoond te hebben en hem volgens de regels te hebben vereerd en zijn lotusvoeten met zijn hoofd te hebben beroerd, stelde de grote asura toegewijde van de Heer, benieuwd hem te leren kennen, de volgende vraag. (16-17) 'Ik zie dat u er een nogal dik lijf op nahoudt als iemand die belust is op geld; mensen die zich altijd zorgen maken om een inkomen zijn zeker van de zinsbevrediging en zij die het zo breed hebben als genieters van deze wereld en zich met niets anders bezighouden, worden bijgevolg zo dik als inderdaad dit lichaam van u. (18) Het moge duidelijk zijn dat met u die hier neerligt zonder iets te doen, o man van de geest, ook geen geld kan hebben om uw zinnen te genieten; hoe kan, niet uit op het plezier, uw lichaam nu in deze staat verkeren, o geleerde, alstublieft zeg ons dat als ik zo onbeleefd mag zijn. (19) Ondanks het feit dat u zo geleerd bent, bedreven en intelligent, en in staat bent u goed uit te drukken en gelijkmoedig te blijven, gaat u, terwijl u ziet hoezeer de mensen druk zijn met baatzuchtige handelingen, er maar bij liggen!'

(20) S'rî Nârada zei: 'Op deze manier overspoeld door de woorden van de daitya koning glimlachte de grote muni naar hem en was hij, gecharmeerd door de nectar van zijn woorden, ertoe bereid antwoord te geven. (21) De achtenswaardige brahmaan zei: 'O beste der Asura's geprezen door de âryan's, vanuit uw bovenzinnelijke visie bent u wel bekend met inderdaad al de zaken waartoe de mensen geneigd zijn en waarvan ze zich afkeren al naar gelang hun verschillende posities. (22) Hij die Nârâyana onze God en Nârâyana onze Heer altijd in zijn hart heeft, kan door enkel zijn toewijding de onwetendheid uitbannen zoals de zon de duisternis verdrijft. (23) Niettemin zal ik al uw vragen proberen te beantwoorden o Koning, in overeenstemming met de Veda's, daar u daadwerkelijk, voor iemand die zijn zelf gezuiverd wenst, het waard bent te worden aangesproken. (24) Vanwege materiële verlangens was ik onder de invloed van de wereld bezig mijn lustige verlangens bot te vieren en worstelde ik, voortgedreven van de ene handeling naar de andere en geboren in verschillende levensvormen, om mijn voortbestaan. (25) Deze menselijke gedaante, meegevoerd op de golven van de oceaan der materie, bereikte, door zijn karma zich her en der begevend, de hemelpoort der bevrijding, de lagere vormen van leven en weerom een menselijk leven [zie ook B.G. 8: 16 en **]. (26) En in dat leven treft men de gemeenschap van man en vrouw aan terwille van het plezier. Maar ziende hoe, altijd bezig met vruchtdragende handelingen, men het tegendeel [van dat plezier] bereikt, ben ik er nu mee opgehouden teneinde te kunnen ontkomen aan die ellende. (27) Gelukkig zijn is de natuurlijke staat van het levend wezen, en aldus, definitief een punt zettend achter alles hier met het gezien hebben hoezeer de eisen van de wereld zijn gekoppeld aan de zinsbevrediging, ben ik, me bezinnend op deze zaken, tot de stilte overgegaan. (28) Het zich bevinden in deze wereld doet iemand, door de valse aantrekking van die materiële wereld zeer beangstigend verstrikt geraakt in materiële aangelegenheden die hem vreemd zijn, daadwerkelijk het belang van het levende wezen in zichzelf vergeten. (29) Precies als water dat overwoekert door gras over het hoofd wordt gezien door een dorstig iemand het onwetend elders zoekt, is dienovereenkomstig iemand in zijn materiële eigenbelang een luchtspiegeling [van materieel geluk] aan het najagen. (30) Iemand die met zijn lichaam en alles in de zo machtige greep verkeert van de materie, zoekt het geluk dat eigen is aan het zelf door te trachten zijn ellende te verminderen en raakt, volledig geconditioneerd als hij is, keer op keer teleurgesteld in zijn plannen en ondernemingen. (31) Door het drievoudige van de ellende geschapen door hemzelf, door anderen en door de natuur, is de sterveling, soms van enig succes in het zich verweren tegen de onvermijdelijke tegenslagen, maar desalniettemin komt hij er niet van af; wat is dan de waarde van zulk een geluk, waar lopen dat soort verlangens nu op uit? (32) Denk maar eens aan de ellende van de rijken die zo druk zijn met hun bezit: als het slachtoffer van hun zintuigen hebben ze uit angst slapeloze nachten waarin ze het gevaar van alle kanten op zich af zien komen. (33) Voor de regering, voor dieven, voor vijanden, verwanten, dieren en vogels, voor bedelaars, voor de Tijd zelve, zowel als voor zichzelf, is hij die voor het geld leeft altijd bevreesd. (34) Wat een intelligente persoon op moet geven is de eigenlijke oorzaak die leidt tot alle jammerklachten, illusies, angst, woede, gehechtheid, armoede, zwoegen enzovoorts van het menselijk wezen: het verlangen naar status en geld [***].

(35) De bijen aan het werk en de grote slangen in deze wereld zijn in dezen onze eerste klas goeroes: van wat zij ons leren vinden wij de bevrediging [in het niet meer nemen dan noodzakelijk is] en de verzaking [van het nergens anders te zoeken]. (36) De bijen hebben me geleerd te onthechten van alle verlangens daar van het geld, dat met moeite wordt verkregen als de honing, men zelfs bereid is elkaar van het leven te beroven met het bestelen van de eigenaar. (37) Niet méér verlangend ben ikzelf tevreden met wat ik vrij van ondernemen kan verwerven, en lukt dat niet, dan lig ik hier maar wat, vele dagen het uithoudend als een python. (38) Soms eet ik weinig, soms eet ik veel voedsel, of het nu vers is of oud, prima smaakt of smakeloos is; soms wordt het me met alle respect gebracht en soms wordt het respectloos aangeboden; aldus dan weer 's nachts etend en dan weer overdag, eet ik wat er maar voor handen is. (39) Van linnen gemaakt, zijde of katoen, een hertenvel, met een lendendoek, of wat voor materiaal het ook moge zijn; met een gelukkige geest trek ik aan wat het lot me maar biedt. (40) Soms ga ik liggen op de grond, op gras, bladeren, op steen of op een hoop as maar soms ook, al naar gelang wat anderen me toewensen, kan ik me in een paleis neervleien op een eersteklas bed met kussens [zie ook B.G. 18: 61]. (41) Soms neem ik een fijn bad met smeersels van sandelhout voor mijn lichaam en kleed ik me netjes aan, gesierd met bloemenslingers en sieraden, en zit ik op een wagen, een olifant of op de rug van een paard; en soms zwerf ik geheel naakt rond als door een geest bezeten, o machtige. (42) Ik vervloek niet, noch steek ik de loftrompet over de mensen die verschillend van aard zijn; ik bidt voor het uiteindelijk voordeel van hen allen, dat in waarheid de Eenheid van de Grotere Ziel is. (43) Het idee van onderscheid moet, als een offergave, worden geofferd in het vuur van het bewustzijn, dat bewustzijn dan in het vuur van het denken dat de wortel van alle verwarring is, dat denken moet dan vervolgens worden geofferd in het vuur van het valse zelf en dit ego van materiële identificatie moet, dit principe volgend, worden geofferd in het geheel van de materiële energie. (44) Het valse van het materieel bestaan wordt, door een bedachtzaam persoon die in zijn zelfverwerkelijking de uiteindelijke waarheid realiseert, geofferd als een offergave en daarvan bevindt hij, vrij van begeerten, zich aldus in de trouw aan de essentie van zijn eigen levende zelf. (45) Dit relaas over mijzelf leg ik nu op deze manier aan u voor in de grootste vertrouwelijkheid; het kan zijn dat u, vanuit uw goede zelf als een man van overstijging met de Allerhoogste Heer, de gebruikelijke [schriftuurlijke] uitleg mist.'

(46) S'rî Nârada zei: 'Aldus vernemend van de heilige man wat waarlijk het dharma van de paramahamsa's is [zie ook 6.3: 20-21] excuseerde zeer behaagd de asura heer zich om, nadat hij hem het verschuldigde respect betoond had, weer naar huis terug te keren.

 

 

next                        

 
Tweede editie, geladen 4 augustus 2007.
 

 

 

Bronteksten:

Het gedrag van een volmaakt persoon

 

Tekst 1:

S'rî Nârada zei: 'Een persoon die door zelfrealisatie klaar is voor wat ik tevoren beschreef, behoort over de aarde rond te trekken en daarbij, niet meer dan zijn lijfsbehoud wensend, niet van enig iets afhankelijk zijn en in geen dorp langer te blijven dan een dag [zie ook het verhaal van Rishabha 5.5: 28].

S'rî Nârada Muni zei: Iemand die in staat is om zich toe te leggen op het ontwikkelen van geestelijke kennis moet alle materiële bindingen opgeven en het lichaam enkel bewoonbaar houden. Zo moet hij van de ene plaats naar de andere reizen en niet langer dan één nacht in hetzelfde dorp blijven. Op deze manier moet de sannyâsî, zonder voor zijn lichamelijke behoeftes van wie of wat dan ook afhankelijk te zijn, over de hele wereld reizen. (Vedabase)

 

Tekst 2:

De verzaker [sannyâsî] moet niet meer kleding dragen dan een schamele bedekking van zijn lendenen en, als het hem niet tegenzit, in zijn verzaking aan niets anders vasthouden dan aan zijn staf [danda] en dergelijke.

Iemand in de onthechte levensorde kan zelfs het dragen van kleding proberen te vermijden. Als hij al iets aanheeft, moet dit slechts een lendendoek zijn, en als het niet nodig is zou een sannyâsî zelfs geen danda moeten aanvaarden. Een sannyâsî moet niet meer met zich meedragen dan een danda en een kamandalu. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Zijn heil bij Nârâyana zoekend, levend van enkel aalmoezen en volledig tevreden zijnd in zichzelf, beweegt hij zich rond geheel op zichzelf, volledig onafhankelijk, ieder levend wezen het beste wensend in volmaakte vrede.

De sannyâsî, die volkomen voldoening vindt in het zelf, moet leven van aalmoezen die hij verzameld door van deur tot deur te gaan. Hij mag van geen enkele persoon of plaats afhankelijk zijn en hij moet zich altijd gedragen als een welwillende vriend van alle levende wezens en een vreedzame, zuivere toegewijde van Nârâyana zijn. Op deze wijze dient hij zich van de ene plaats naar de andere te begeven. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Zo een iemand moet dan dit universum van oorzaak en gevolg zien als bestaande binnenin het onvergankelijke Zelf in het voorbije en zichzelf zien als [een deel van] het Opperste Absolute dat overal de wereld van oorzaak en gevolg doordringt.

De sannyâsî moet altijd proberen om de aanwezigheid van de Allerhoogste in alles te zien, en hoe alles, met inbegrip van dit universum, op de Allerhoogste rust. (Vedabase)

  

Tekst 5:

Van het slapen, waken en het dromen ertussenin waar men zo mee bezig is [zie ook 6.16: 53-54] moet hij die het zelf werkelijk ziet begrijpen dat de staten van gebondenheid en bevrijd zijn in feite niets anders dan een spel van de verbeelding vormen.

Ongeacht of hij nu bewust is, onbewust of daartussenin, hij dient te proberen het zelf te begrijpen en volledig in het zelf gevestigd te zijn. Op deze manier moet hij gaan beseffen dat zowel de geconditioneerde als de bevrijde levensstaat gewoon illusie zijn en niet feitelijk. Vanuit dit hogere begrip dient hij in te zien hoe alleen de Absolute Waarheid in alles aanwezig is. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Met moet zich niet zozeer verheugen in het zekere - of het onzekere - van de dood van dit lichaam en zijn levensduur, maar zich meer de Hoogmogende Tijd voorhouden die heerst over het verschijnen en verdwijnen van de levende wezens.

Aangezien het zeker is dat het materiële lichaam vernietigd zal worden en het niet vaststaat hoelang men zal leven, dient men leven noch dood te prijzen. Men zou eerder oog moeten hebben voor de eeuwige tijd, waarin de levende wezens zich manifesteren en dan weer verdwijnen. (Vedabase)

 

Tekst 7:

Men moet niet zwelgen in fixaties op het onware noch daarin een loopbaan proberen op te bouwen; doelloos argumenteren moet worden opgegeven en ook moet men niet zijn toevlucht zoeken in partijen [politieke partijen].

Men dient lectuur die niets anders dan tijdverspilling is - met andere woorden, lectuur zonder geestelijke waarde n' af te wijzen. Men mag niet in zijn onderhoud voorzien door leraar van beroep te worden of zich bezighouden met discussies en het verzinnen van argumenten en tegenargumenten. Verder mag men ook geen toevlucht nemen tot welke zaak of groepering dan ook. (Vedabase)

   

Tekst 8:

Geen volgelingen voor het een of ander, noch voorzeker het lezen en schrijven van vele boeken, noch moet men voor zijn brood proberen lezingen te organiseren of het ooit proberen de zeggenschap uit te breiden [met het bouwen van tempels b.v.].

Een sannyâsî mag de mensen niet allerlei materiële voordelen voorspiegelen om zo veel leerlingen tot zich aan te trekken, en hij moet evenmin onnodig veel boeken lezen, of lezingen geven om in zijn levensonderhoud te voorzien. Bovendien mag hij nooit proberen om nodeloos zijn rijkdom te vergroten. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Hij die gevorderd is, van vrede en een gelijkgezinde geest, kan, hoewel als verzaker ze nimmer nodig hebbend, de symbolen van zijn geestelijke positie uitdragen [zijn âs'rama*] of ze evenzogoed eraan geven.

Een vredig, evenwichtig persoon die werkelijk een hoog niveau van geestelijk bewustzijn bereikt heeft, hoeft de symbolen van een sannyâsî, zoals de tridanda en de kamandalu, niet te aanvaarden. Naargelang de omstandigheden kan hij deze symbolen nu eens aannemen en dan weer afwijzen. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Hoewel hij uiterlijk misschien niet direct als een wereldverzaker is te herkennen, is zijn opzet toch duidelijk; zo iemand kan zich als heilige voor de samenleving voordoen als een opgewonden jochie of, als hij een groot redenaar was, zich voordoen als iemand die niet in staat is te spreken.

Hoewel een heilig persoon zich niet noodzakelijkerwijs kenbaar hoeft te maken aan het publiek, blijkt zijn bedoeling uit zijn gedrag. Aan het grote publiek moet hij zich voordoen als een ongedurig kind, en ook al is hij de grootste en meest diepzinnige redenaar, dan nog moet hij doen alsof hij dom is. (Vedabase)

 

Tekst 11:

De geschoolden halen in dit verband als een voorbeeld van deze verhulde identiteit een zeer oud historisch voorval aan van een gesprek tussen Prahlâda en een heilige man die leefde als een python.

Als historisch voorbeeld hiervan halen geleerde wijzen het eeuwenoude verhaal aan van een gesprek tussen Prahlâda Mahârâja en een grote heilige die zich voedde als een python. (Vedabase)

 

Tekst 12-13:

Hij was getuige van het zuiverste, hoogst ernstige, geestelijk vermogen van die man daar aan de oever van de Kâverî rivier op een helling van de berg Sahya, met hem op de grond liggend met zijn gehele lichaam overdekt met vuil en stof. Prahlâda, de lieveling van de Allerhoogste Heer, kwam hem tegen toen hij in het gezelschap van een stel van zijn koninklijke vrienden de wereld bereisde in een poging te begrijpen wat het was wat de mensen beheerste.

Op een keer maakte Prahlâda Mahârâja, de meest dierbare dienaar van de Allerhoogste Godspersoon, samen met enkele van zijn vertrouwelijke metgezellen een reis door het universum om de aard van heilige personen te bestuderen. Zo bereikte hij de oever van de Kâverî, waar zich de berg Sahya bevond. Daar trof hij een grote heilige aan die op de grond lag en bedekt was met vuil en stof, maar die geestelijk zeer gevorderd was. (Vedabase)

 

Tekst 14:

Uit wat hij deed, hoe hij eruit zag, naar wat hij zei en naar zijn leeftijd en bezigheid en andere identiteitskenmerken konden de mensen niet opmaken of die man nu wel of niet dezelfde persoon was die ze ooit zo goed gekend hadden.

Noch door zijn activiteiten, uiterlijk of woorden, noch door de kenmerken van zijn varnâs'rama-status konden de mensen erachter komen of deze heilige dezelfde persoon was die ze ooit hadden gekend. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Na hem zijn respect betoond te hebben en hem volgens de regels te hebben vereerd en zijn lotusvoeten met zijn hoofd te hebben beroerd, stelde de grote asura toegewijde van de Heer, benieuwd hem te leren kennen, de volgende vraag.

De grote toegewijde Prahlâda Mahârâja vereerde de heilige die de levenswijze van een python had aangenomen zoals het hoorde en boodt hem zijn eerbetuigingen aan. Na de heilige aldus eer bewezen te hebben en met zijn hoofd diens lotusvoeten te hebben aangeraakt, stelde Prahlâda, die hem beter wilde leren kennen, hem in alle nederigheid de volgende vragen. (Vedabase)
  
Tekst 16-17:

'Ik zie dat u er een nogal dik lijf op nahoudt als iemand die belust is op geld; mensen die zich altijd zorgen maken om een inkomen zijn zeker van de zinsbevrediging en zij die het zo breed hebben als genieters van deze wereld en zich met niets anders bezighouden, worden bijgevolg zo dik als inderdaad dit lichaam van u.

Toen hij zag dat de heilige tamelijk dik was, zei Prahlâda Mahârâja: Mijn beste heer, hoewel u geen moeite doet om aan de kost te komen, is uw lichaam behoorlijk gezet, net als dat van een materialist die eropuit is om te genieten. Ik weet dat iemand die erg rijk is en niets te doen heeft, buitengewoon dik wordt doordat hij eet en slaapt en niet werkt. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Het moge duidelijk zijn dat met u die hier neerligt zonder iets te doen, o man van de geest, ook geen geld kan hebben om uw zinnen te genieten; hoe kan, niet uit op het plezier, uw lichaam nu in deze staat verkeren, o geleerde, alstublieft zeg ons dat als ik zo onbeleefd mag zijn.

O brâhmana, die vervuld bent van transcendentale kennis, u hebt niets te doen en daarom ligt u hier op de grond. Het is ook duidelijk dat u geen geld hebt om aan zingenot te besteden. Hoe komt het dan dat uw lichaam zo dik is? Als u mijn vraag niet onbeschaamd vindt, wilt u dan alstublieft uitleggen hoe dit zo gekomen is? (Vedabase)

 

Tekst 19:

Ondanks het feit dat u zo geleerd bent, bedreven en intelligent, en in staat bent u goed uit te drukken en gelijkmoedig te blijven, gaat u, terwijl u ziet hoezeer de mensen druk zijn met baatzuchtige handelingen, er maar bij liggen!'

O Heer, u lijkt me in ieder opzicht geleerd, deskundig en intelligent. U verstaat de kunst van het spreken, van het zeggen van dingen die het hart goed doen. Maar hoewel u ziet dat de meeste mensen zich met baatzuchtig werk bezighouden, ligt u hier toch zonder ook maar iets te doen. (Vedabase)

 

Tekst 20:

S'rî Nârada zei: 'Op deze manier overspoeld door de woorden van de daitya koning glimlachte de grote muni naar hem en was hij, gecharmeerd door de nectar van zijn woorden, ertoe bereid antwoord te geven.

Nârada Muni vervolgde: De vragen van Prahlâda Mahârâja, de koning der Daitya's, waren als een regen van nectar en ze bekoorden de heilige, die de nieuwsgierigheid van Prahlâda Mahârâja bevredigde door glimlachend als volgt te antwoorden. (Vedabase)

  

Tekst 21:

De achtenswaardige brahmaan zei: 'O beste der Asura's geprezen door de âryan's, vanuit uw bovenzinnelijke visie bent u wel bekend met inderdaad al de zaken waartoe de mensen geneigd zijn en waarvan ze zich afkeren al naar gelang hun verschillende posities.

De heilige brâhmana zei: O Prahlâda Mahârâja, o beste der Asura's, die door ontwikkelde en beschaafde mensen erkend wordt, dankzij uw transcendentale inzicht bent u zich bewust van de verschillende levensfasen en kunt u tevens iemands karakter doorgronden, zodat u duidelijk weet wat het resultaat is van het aannemen of verwerpen van de dingen zoals ze zijn. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Hij die Nârâyana onze God en Nârâyana onze Heer altijd in zijn hart heeft, kan door enkel zijn toewijding de onwetendheid uitbannen zoals de zon de duisternis verdrijft.

Nârâyana, de Allerhoogste Godspersoon, die in het rijke bezit is van alle volheden, is heer en meester in het diepst van uw hart omdat u Zijn zuivere toegewijde bent. Hij verdrijft altijd alle duisternis die voortkomt uit onwetendheid, net zoals de zon de duisternis in dit universum verdrijft. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Niettemin zal ik al uw vragen proberen te beantwoorden o Koning, in overeenstemming met de Veda's, daar u daadwerkelijk, voor iemand die zijn zelf gezuiverd wenst, het waard bent te worden aangesproken.

O koning, hoewel u alles weet, heeft u me enige vragen gesteld die ik zal proberen te beantwoorden volgens hetgeen ik geleerd heb door naar geestelijke autoriteiten te luisteren. Ik kan in deze situatie niet het stilzwijgen bewaren omdat iemand die zich wil zuiveren er alle belang bij heeft om zich met iemand als u te onderhouden. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Vanwege materiële verlangens was ik onder de invloed van de wereld bezig mijn lustige verlangens bot te vieren en worstelde ik, voortgedreven van de ene handeling naar de andere en geboren in verschillende levensvormen, om mijn voortbestaan.

Door mijn onverzadigbare materiële verlangens werd ik meegevoerd door de golven van de wetten der materiële natuur, en als gevolg daarvan heb ik me overgegeven aan verschillende activiteiten, verwikkeld als ik was in de strijd om het bestaan in allerlei levensvormen. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Deze menselijke gedaante, meegevoerd op de golven van de oceaan der materie, bereikte, door zijn karma zich her en der begevend, de hemelpoort der bevrijding, de lagere vormen van leven en weerom een menselijk leven [zie ook B.G. 8: 16 en **].

In de loop van de evolutie, die het resultaat is van baatzuchtige activiteiten, voortkomend uit ongewenste materiële zinsbevrediging, heb ik deze menselijke levensvorm ontvangen, die me naar de hemelse planeten kan voeren, naar bevrijding, naar de lagere levensvormen of naar wedergeboorte onder de mensen. (Vedabase)

 

Tekst 26:

En in dat leven treft men de gemeenschap van man en vrouw aan terwille van het plezier. Maar ziende hoe, altijd bezig met vruchtdragende handelingen, men het tegendeel [van dat plezier] bereikt, ben ik er nu mee opgehouden teneinde te kunnen ontkomen aan die ellende.

In deze menselijke levensvorm verbinden een man en een vrouw zich met elkaar voor het zinnelijke plezier van seks, maar we hebben zelf gezien dat ze geen van beiden gelukkig zijn. Gezien deze averechtse resultaten houd ik mij niet meer bezig met materialistische activiteiten. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Gelukkig zijn is de natuurlijke staat van het levend wezen, en aldus, definitief een punt zettend achter alles hier met het gezien hebben hoezeer de eisen van de wereld zijn gekoppeld aan de zinsbevrediging, ben ik, me bezinnend op deze zaken, tot de stilte overgegaan.

De eigenlijke toestand van het levend wezen is er een van geestelijk geluk, wat pas werkelijk geluk is. Dit geluk kan men alleen bereiken als men alle materialistische activiteiten staakt. Materieel zingenot is alleen maar inbeelding. Na dit alles in overweging te hebben genomen, ben ik daarom opgehouden met alle materiële activiteiten en lig hier op de grond. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Het zich bevinden in deze wereld doet iemand, door de valse aantrekking van die materiële wereld zeer beangstigend verstrikt geraakt in materiële aangelegenheden die hem vreemd zijn, daadwerkelijk het belang van het levende wezen in zichzelf vergeten.

Doordat de geconditioneerde ziel in het lichaam zich met het lichaam identificeert, vergeet hij zijn ware eigenbelang. Aangezien het lichaam materieel is, voelt hij zich van nature aangetrokken tot de verscheidenheid van de materiële wereld en daardoor ondergaat hij de ellende van het materiële bestaan. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Precies als water dat overwoekert door gras over het hoofd wordt gezien door een dorstig iemand het onwetend elders zoekt, is dienovereenkomstig iemand in zijn materiële eigenbelang een luchtspiegeling [van materieel geluk] aan het najagen.

Zoals een hert uit onwetendheid het water in een met gras overdekte bron niet kan zien en elders naar water gaat zoeken, zo ziet het levend wezen dat bedekt is door een materieel lichaam het geluk in zichzelf niet, en gaat op zoek naar geluk in de materiële wereld. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Iemand die met zijn lichaam en alles in de zo machtige greep verkeert van de materie, zoekt het geluk dat eigen is aan het zelf door te trachten zijn ellende te verminderen en raakt, volledig geconditioneerd als hij is, keer op keer teleurgesteld in zijn plannen en ondernemingen.

Het levend wezen probeert geluk te vinden en zich te ontdoen van alles wat hem leed bezorgt, maar aangezien zijn verschillende lichamen volledig beheerst worden door de materiële natuur, mislukken uiteindelijk alle plannen die hij in die verschillende lichamen wil verwezenlijken keer op keer. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Door het drievoudige van de ellende geschapen door hemzelf, door anderen en door de natuur, is de sterveling, soms van enig succes in het zich verweren tegen de onvermijdelijke tegenslagen, maar desalniettemin komt hij er niet van af; wat is dan de waarde van zulk een geluk, waar lopen dat soort verlangens nu op uit?

Materialistische activiteiten gaan altijd gepaard met drie vormen van ellende - adhyâtmika, adhidaivika en adhibautika. Zelfs al bereikt men bij deze activiteiten enig succes, wat gaat men er daarom op vooruit als men nog steeds onderworpen blijft aan geboorte, dood, ouderdom, ziekte en de gevolgen van zijn baatzuchtig handelen? (Vedabase)

 

Tekst 32:

Denk maar eens aan de ellende van de rijken die zo druk zijn met hun bezit: als het slachtoffer van hun zintuigen hebben ze uit angst slapeloze nachten waarin ze het gevaar van alle kanten op zich af zien komen.

De brâhmana vervolgde: Ik zie heel duidelijk hoe de rijken, die het slachtoffer van hun zintuigen zijn, er zeer op gebrand zijn om hun rijkdom te vergroten en daarom aan slapeloosheid lijden omdat ze duizend en één angsten uitstaan, al hun bezittingen en rijkdom ten spijt. (Vedabase)

 

Tekst 33:

Voor de regering, voor dieven, voor vijanden, verwanten, dieren en vogels, voor bedelaars, voor de Tijd zelve, zowel als voor zichzelf, is hij die voor het geld leeft altijd bevreesd.

Mensen die materieel gezien als machtig en rijk beschouwd worden, zijn altijd vervuld van angst en zorgen vanwege de wetten van de regering, dieven en bandieten, vijanden, familieleden, dieren, vogels, mensen die om giften komen vragen, de onvermijdelijke tijd en zelfs zichzelf. Daarom leven ze onophoudelijk in angst. (Vedabase)

 

Tekst 34:

Wat een intelligente persoon op moet geven is de eigenlijke oorzaak die leidt tot alle jammerklachten, illusies, angst, woede, gehechtheid, armoede, zwoegen enzovoorts van het menselijk wezen: het verlangen naar status en geld [***].

Een intelligent mens moet de diepste oorzaak van verdriet, illusie, angst, woede, gehechtheid, armoede en nodeloze arbeid opgeven n' namelijk het verlangen naar onnodig aanzien en overbodige rijkdom. (Vedabase)

 

Tekst 35:

De bijen aan het werk en de grote slangen in deze wereld zijn in dezen onze eerste klas goeroes: van wat zij ons leren vinden wij de bevrediging [in het niet meer nemen dan noodzakelijk is] en de verzaking [van het nergens anders te zoeken].

De bij en de python zijn twee uitstekende geestelijke leraren die ons door hun eigen voorbeeld laten zien hoe we tevreden kunnen zijn met het weinige dat we verzamelen, en hoe we op één plek kunnen leven zonder ons te verplaatsen. (Vedabase)

 

Tekst 36:

De bijen hebben me geleerd te onthechten van alle verlangens daar van het geld, dat met moeite wordt verkregen als de honing, men zelfs bereid is elkaar van het leven te beroven met het bestelen van de eigenaar.

Van de bij heb ik geleerd om niet gehecht te zijn aan het vergaren van geld, want hoewel geld zo zoet is als honing kan iedereen de eigenaar ervan doden en het meenemen. (Vedabase)

 

Tekst 37:

Niet méér verlangend ben ikzelf tevreden met wat ik vrij van ondernemen kan verwerven, en lukt dat niet, dan lig ik hier maar wat, vele dagen het uithoudend als een python.

Ik doe geen moeite om iets te krijgen, maar ben tevreden met datgene wat vanzelf tot me komt. Als ik niets krijg, ben ik geduldig en onverstoord als een python en blijf zo vele dagen liggen. (Vedabase)

 

Tekst 38:

Soms eet ik weinig, soms eet ik veel voedsel, of het nu vers is of oud, prima smaakt of smakeloos is; soms wordt het me met alle respect gebracht en soms wordt het respectloos aangeboden; aldus dan weer 's nachts etend en dan weer overdag, eet ik wat er maar voor handen is.

Soms eet ik maar een heel klein beetje en dan weer erg veel. Soms is het voedsel erg smakelijk en dan weer smakeloos. Soms biedt men me met veel respect prasâda aan, en dan geeft men me weer achteloos wat te eten. Soms eet ik overdag en dan weer 's nachts. Zo eet ik dus wat zonder enige moeite verkrijgbaar is. (Vedabase)

 

Tekst 39:

Van linnen gemaakt, zijde of katoen, een hertenvel, met een lendendoek, of wat voor materiaal het ook moge zijn; met een gelukkige geest trek ik aan wat het lot me maar biedt.

Om mijn lichaam te bedekken gebruik ik alles wat tot mijn beschikking staat, of het nu linnen, zijde, katoen, boombast of hertevel is, zoals het lot het wil, en ik ben volkomen voldaan en vredig. (Vedabase)

 

Tekst 40:

Soms ga ik liggen op de grond, op gras, bladeren, op steen of op een hoop as maar soms ook, al naar gelang wat anderen me toewensen, kan ik me in een paleis neervleien op een eersteklas bed met kussens [zie ook B.G. 18: 61].

Soms lig ik op de kale grond, soms op bladeren, gras of steen, soms op een hoop as of soms, als anderen het zo willen, in een paleis in een gerieflijk bed met kussens. (Vedabase)

 

Tekst 41:

Soms neem ik een fijn bad met smeersels van sandelhout voor mijn lichaam en kleed ik me netjes aan, gesierd met bloemenslingers en sieraden, en zit ik op een wagen, een olifant of op de rug van een paard; en soms zwerf ik geheel naakt rond als door een geest bezeten, o machtige.

O heer, soms neem ik met grote zorg een bad, smeer mijn hele lichaam in met sandelhoutpulp, doe een bloemenkrans om en draag fraaie kleding en sieraden. Dan reis ik als een koning op de rug van een olifant, in een rijtuig of te paard. Maar soms reis ik ook naakt, als iemand die bezeten is door een geest. (Vedabase)

 

Tekst 42:

Ik vervloek niet, noch steek ik de loftrompet over de mensen die verschillend van aard zijn; ik bidt voor het uiteindelijk voordeel van hen allen, dat in waarheid de Eenheid van de Grotere Ziel is.

Verschillende mensen hebben een verschillende mentaliteit. Daarom is het niet mijn zaak om ze te prijzen of kwaad van ze te spreken. Ik verlang alleen hun welzijn, en hoop dat ze ermee in zullen stemmen om één te worden met de Superziel, de Allerhoogste Godspersoon, Krishna. (Vedabase)

 

Tekst 43:

Het idee van onderscheid moet, als een offergave, worden geofferd in het vuur van het bewustzijn, dat bewustzijn dan in het vuur van het denken dat de wortel van alle verwarring is, dat denken moet dan vervolgens worden geofferd in het vuur van het valse zelf en dit ego van materiële identificatie moet, dit principe volgend, worden geofferd in het geheel van de materiële energie.

Het verschil tussen goed en kwaad, dat een verzinsel van de geest is, dient in feite als één geheel te worden gezien en dan in de geest te worden geïntegreerd, die op zijn beurt geïntegreerd moet worden in het vals ego. Vervolgens moet het vals ego geïntegreerd worden in het geheel der materiële energie. Dat is de manier om het maken van vals onderscheid tegen te gaan. (Vedabase)

 

Tekst 44:

Het valse van het materieel bestaan wordt, door een bedachtzaam persoon die in zijn zelfverwerkelijking de uiteindelijke waarheid realiseert, geofferd als een offergave en daarvan bevindt hij, vrij van begeerten, zich aldus in de trouw aan de essentie van zijn eigen levende zelf.

Een geleerd en bedachtzaam iemand moet beseffen dat het materiële bestaan niets dan illusie is. Dit is alleen mogelijk door zelfrealisatie. Een zelfgerealiseerd persoon, die werkelijk de waarheid gezien heeft, moet zich uit alle materiële activiteiten terugtrekken en gevestigd zijn in zelfrealisatie. (Vedabase)

 

Tekst 45:

Dit relaas over mijzelf leg ik nu op deze manier aan u voor in de grootste vertrouwelijkheid; het kan zijn dat u, vanuit uw goede zelf als een man van overstijging met de Allerhoogste Heer, de gebruikelijke [schriftuurlijke] uitleg mist.'

O Prahlâda Mahârâja, u bent zonder twijfel een zelfgerealiseerde ziel en een toegewijde van de Allerhoogste Heer. U geeft niets om wat de mensen of de zogenaamde geschriften zeggen. Om deze reden heb ik u zonder te aarzelen de geschiedenis van mijn zelfrealisatie verteld. (Vedabase)

 

Tekst 46:

S'rî Nârada zei: 'Aldus vernemend van de heilige man wat waarlijk het dharma van de paramahamsa's is [zie ook 6.3: 20-21] excuseerde zeer behaagd de asura heer zich om, nadat hij hem het verschuldigde respect betoond had, weer naar huis terug te keren.

Nârada Muni vervolgde: Nadat Prahlâda Mahârâja, de koning der demonen, het onderricht van de heilige had aangehoord, begreep hij wat de plicht van een volmaakt persoon [paramahamsa] is. Daarom vereerde hij de heilige op gepaste wijze en keerde vervolgens met diens toestemming naar huis terug. (Vedabase)

 

*: De vier stadia van sannyâs zijn : kuthîcaka, bahûdaka, parivrâjakâcârya en paramahamsa [zie verder voetnoot 5.1].

**: Svâmî Prabhupâda commentarieert: "Het materiële leven wordt pavarga genoemd omdat we hier onderworpen zijn aan vijf verschillende toestanden van lijden, gerepresenteerd door de letters pa, pha, ba, bha en ma. Pa betekent paris'rama, zeer zwaar werk. Pha betekent phena, of schuim om de mond. Bijvoorbeeld, we zien soms een paard met schuim om de mond als het zware arbeid verricht. Ba betekent byarthatâ, teleurstelling. Ondanks veel hard werken, vinden we tenslotte teleurstelling. Bha betekent bhaya, of angst. In het materieel bestaan, bevindt men zich altijd in het laaiend vuur van de angst, omdat niemand weet wat hem te wachten staat. Tenslotte, betekent ma mrityu, of de dood. Als men probeert deze vijf zijnstoestanden -- pa, pha, ba, bha en ma -- van het leven tot nul terug te brengen bereikt men apavarga, of bevrijding van de straf van het materieel bestaan."

***: S'rîla Rûpa Gosvâmî schrijft in zijn 'Nectar van Instructie' (2):

atyâhârah prayâsas' ca
prajalpo niyamâgrahah
jana-sangas' ca laulyam ca
shadbhir bhaktir vinas'yati

"Iemands toegewijde dienst raakt bedorven als hij teveel verstrikt raakt in de volgende zes activiteiten: (1) meer eten dan noodzakelijk of meer geld inzamelen dan nodig is; (2) zich overmatig inspannen voor wereldse zaken die zeer moeilijk te verwerven zijn; (3) niet noodzakelijk praten over wereldse aangelegenheden; (4) het naleven van schriftuurlijke regels en bepalingen enkel ter wille van de horigheid eraan en niet voor het heil van de spirituele ontwikkeling, of het verwerpen van de regels en voorschriften van de geschriften en het op eigen houtje werken of met luimen; (5) omgang hebben met werelds-gezinde personen die niet in het Krishna-bewustzijn geïnteresseerd zijn; en (6) begeertig zijn naar werelds succes."

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties