regelbalk



 

Canto 9

Nrisimha Pranâma

 

 

Hoofdstuk 6: De Val van Saubhari Muni

(1) S'rî S'uka zei: 'De drie zoons van Ambarîsha [zie voorgaande hoofdstukken] waren Virûpa, Ketumân en S'ambhu. Van Virûpa was er Prishadas'va en van hem was er een zoon genaamd Rathîtara. (2) Rathîtara had geen zoons en daarom werd [de wijze] Angirâ verzocht kinderen bij zijn [Rathîtara's] vrouw te verwekken. Dat leidde tot de geboorte van ['kshetra jâta'-] zonen met brahmaanse kwaliteiten. (3) Geboren uit zijn echtgenote maakten deze zoons deel uit van de familie. Zij gingen de geschiedenis in als de dynastie van Angirâ en waren onder de zoons van Rathîtara het meest prominent omdat ze, geboren onder die omstandigheid, golden als dubbel-geboren [brahmanen van gemengde kaste]. (4) Toen Manu eens moest niezen werd uit zijn neus de zoon Ikshvâku geboren [zie ook 8.13]. Van de honderd zonen die hij verwekte waren Vikukshi, Nimi en Dandakâ de meest vooraanstaande. (5) Vijfentwintig van hen werden koningen in het westen van Âryâvarta [in het Himalaya- en Vindhyagebergte], o Koning en vijfentwintig anderen werden dat in het oosten. De drie [oudste zoons] heersten over het middengebied, terwijl de overige zoons heersten over andere plaatsen.  (6) Hij, koning Ikshvâku, gaf zijn zoon eens tijdens een ashthakâ-s'râddha [offers aan de voorvaderen gebracht in januari, februari en maart] de opdracht: 'Breng me zuiver vlees [verkregen door de jacht], o Vikukshi. Ga er nu meteen op uit, zonder te dralen.'

(7) Aldus ging hij naar het bos toe om dieren te doden die geschikt waren voor de offerandes, maar toen hij vermoeid en hongerig was at de held vergeetachtig [zonder zich te realiseren dat het vlees bestemd was voor het offer] een konijn [zie voetnoot *]. (8) Wat er was overgebleven bood hij zijn vader aan die op zijn beurt hun goeroe [Vasishthha] vroeg het te zuiveren. Die gaf ten antwoord: 'Dit alles is bezoedeld en niet voor gebruik geschikt.'

(9) Door de geestelijk leraar aldus op de hoogte gesteld, begreep de heerser wat zijn zoon had gedaan. Er kwaad over dat hij de vidhi had geschonden stuurde hij toen zijn zoon het land uit. (10) De koning had een gesprek met de geleerde. In overeenstemming met wat die hem zei gaf hij toen, levend als een yogi, zijn voertuig van de tijd [zijn lichaam] op en bereikte aldus de allerhoogste positie. (11) Nadat zijn vader zich had teruggetrokken keerde Vikukshi terug om over deze planeet aarde te heersen. Hij aanbad de Heer met verschillende yajña's en raakte bekend onder de naam Sas'âda ['de konijneneter']. (12) Purañjaya ['de veroveraar van de hoofdstad'] was zijn zoon. Hij stond ook wel bekend als Indravâha ['gedragen door Indra'] en Kakutstha ['hij die op de bult van een stier zit']. Verneem nu over wat hij heeft gedaan om deze namen te krijgen. (13) Er had zich een allesvernietigende oorlog voorgedaan, een strijd tussen de goden en de demonen, waarin zijn superieure ondersteuning als held werd aanvaard door de goddelijken die waren verslagen door de Daitya's. (14) In opdracht van de God der Goden Heer Vishnu, de Superziel en Meester van de Ganse Schepping, werd Indra in de gedaante van een grote stier ingeschakeld in zijn [Purañjaya's] dienst. (15-16) Hij die goed uitgerust met een eersteklas boog de scherpste pijlen ter hand nam, werd geprezen [door de halfgoden], beklom hem en nam plaats op de bult, klaar om te vechten. Begunstigd door de macht van Vishnu, de Oorspronkelijke Persoon en Superziel, belegerde hij omringd door de dienaren van de hemel de westelijke kant van de Daitya hoofdstad. (17) Er vond een veldslag plaats tussen hem en de demonen die zo gewelddadig was dat het de haren te berge deed rijzen. Al de Daitya's die met hem de strijd aanbonden zond hij met zijn pijlen naar Yamarâja. (18) Geconfronteerd met zijn regen van pijlen die zo vernietigend was als het vuur aan het einde der tijden, sloegen de Daitya's die werden afgeslacht en uiteen gedreven op de vlucht om terug te keren naar hun woonplaatsen. (19) Over hen zegevierend droeg hij, de wijze koning, al hun weelde en vrouwen over aan de drager van de bliksemschicht [Indra]. Dat verleende hem zijn namen.

(20) Van Purañjaya werd een zoon geboren genaamd Anenâ, zijn zoon was Prithu en de zoon die hij had heette Vis'vagandhi die op zijn beurt weer een zoon had genaamd Candra wiens zoon Yuvanâs'va werd genoemd. (21) S'râvasta was zijn zoon en hij bouwde een stad genaamd S'râvastî. Door S'râvasta werd toen Brihadas'va verwekt en van hem was er Kuvalayâs'va. (22) Hij was van een grote macht. Tezamen met de eenentwintigduizend zonen die hem omringden, doodde hij om de wijze Utanka te behagen een demon genaamd Dhundhu. (23-24) Hij stond aldus bekend als Dhundhumâra ['de doder van Dhundhu']. Op drie na waren al de zoons verbrand door het vuur uit de mond van Dhundhu. De enigen die in leven bleven waren Dridhâs'va, Kapilâs'va en Bhadrâs'va, o zoon van Bharata. Dridhâs'va's zoon was Haryas'va en de beroemde Nikumbha was zijn zoon. (25) Nikumbha's zoon was Bahulâs'va en Kris'âs'va was zijn zoon. Senajit volgde hem op en die was de vader van Yuvanâs'va. Yuvanâs'va had geen zoons en trok zich [samen met zijn echtgenotes] terug in het woud. (26) Samenlevend met zijn honderd vrouwen was hij terneergeslagen zodat de wijzen vol van genade voor hem met de grootste zorg een [vruchtbaarheids-]ceremonie begonnen die bekend staat als de Indra-yajña. (27) Op een nacht ging hij zeer dorstig het offerperk binnen en dronk hij, toen hij zag dat al de brahmanen lagen te slapen, zelf van het ingezegende water [in plaats van het voor zijn vrouwen te bewaren]. (28) Toen ze allen [de volgende ochtend] wakker waren en vervolgens de waterpot leeg aantroffen, o prabhu, vroegen ze wie er verantwoordelijk was voor het drinken van het water dat bestemd was voor het krijgen van een kind. (29) Toen ze begrepen dat het bij goddelijke beschikking was opgedronken door de koning, baden ze allen tot de Allerhoogste Heer met de woorden: 'Helaas, het is de macht van God die de dienst uitmaakt!'  (30) En zo, wonder boven wonder, opende zich, toen de tijd er rijp voor was, de onderbuik van koning Yuvanâs'va aan de rechterzijde en kwam er een zoon ter wereld [met alle goede kenmerken van] een koning. (31) Wie moest het kind nou de borst geven? Dorstig huilde het er zo hard om dat koning Indra zei: 'Huil niet mijn kind, drink maar van mij' en bood het toen zijn wijsvinger om op te zuigen. (32) Dankzij de genade van de godsgeleerden stierf de vader niet als gevolg van de baby die hij ter wereld bracht. Yuvanâs'va bereikte later de volmaaktheid van het leven door zijn tapas te doen op diezelfde plek. (33-34) Mijn beste koning, Indra gaf het kind de naam Trasaddasyu ['de vrees van het boeventuig']. Schurken als Râvana en dergelijken, waren bang voor hem. Yuvanâs'va's zoon Mândhâtâ was bij de macht van de Onfeilbare er aldus toe in staat over het oppervlak van de aarde met haar zeven continenten te heersen als haar ongeëvenaarde meester. (35-36) Ook hij aanbad in het volle bewustzijn van de [Super]ziel Yajña, de Heer der Offers, de God en Superziel verheven boven het zinnelijk vlak. Dit gebeurde in offerplechtigheden die werden bijgewoond door alle godvruchtige mensen die hij beloonde met grote donaties. Alle benodigdheden, de mantra's en de regulerende beginselen, de aanbidding en de aanbidder en de priesters met al het dharma van tewerk gaan overeenkomstig de plaats en tijd, droegen er allemaal toe bij dat het belang van het ware zelf recht werd gedaan. (37) Men heeft het over al de besproken gebieden die zich uitstrekken vanwaar de zon opkomt boven de horizon tot overal waar hij weer ondergaat, als het veld van handelen van Yuvanâs'va's zoon, Mândhâtâ.

(38) De heerser [Mândhâtâ] verwekte in de dochter Bindumatî van een koning genaamd S'as'abindu [de zoons] Purukutsa, Ambarîsha en Mucukunda die een grote yogi was. Hun vijftig zussen aanvaardden de wijze Saubhari als hun echtgenoot. (39-40) Hij [Saubhari] bezig met een ongebruikelijke vorm van verzaking diep onder water in de Yamunâ rivier, zag in zijn boetedoening hoe een grote vis genoot van seksuele zaken. Aldus seksueel ontwaakt verzocht de geleerde de koning [Mândhâtâ] toen om een enkele dochter. De koning zei: 'U kan met een dochter van mij trouwen, o brahmaan, als het dat is waar zij voor kiest.'

(41-42) Hij dacht bij zichzelf: 'Vrouwen houden niet zo van mij, ik ben te oud, ik ben niet aantrekkelijk voor ze. Ik ben gerimpeld, heb grijs haar en een hoofdtremor. Ze zullen me afwijzen! Laat ik het zo aanpakken dat mijn lichaam begeerlijk is voor de schonen van de hemel, om nog maar te zwijgen van de dochters van wereldse koningen!' Zo luidde toen het besluit van de mysticus. (43) De wijze aangekondigd door een boodschapper werd toen toegelaten tot de van alle gemakken voorziene vertrekken van de prinsessen. Daar werd hij door al de vijftig prinsessen aanvaard als hun ene echtgenoot. (44) Ze raakten onderling in een hevige strijd verwikkeld toen ze aangetrokken tot hem hun vriendschap op het spel zetten door dingen te beweren als: 'Deze man past goed bij mij, niet bij jou!' (45-46) Hij die als gevolg van zijn ascese op de hoogte was van menige mantra, genoot met zijn vrouwen van een ongekende weelde met alles wat men zich maar wensen kon: allerhande fijn gestoffeerde leefruimten en boudoirs, parken, het helderste water in vijvers temidden van geurige tuinen, kostbaar beddengoed en meubilair, kleding en ornamenten. Er waren plaatsen om te baden, smakelijke gerechten, er was sandelhoutpulp en een uitdossing met bloemenslingers en sieraden van alle mannen en vrouwen die in een voortdurende staat van verrukking verkeerden onder de begeleidende zang van vogels, hommels en artiesten. (47) De heerser der zeven continenten [Mândhâtâ] stond versteld bij de aanblik van Saubhari's huishouding zodat hij zich niet langer op de borst kon kloppen als de keizer van de wereld die is gezegend met alle weelde. (48) Saubhari, die altijd druk in de weer was met het geluk en de talrijke materiële besognes van zijn huishouden, kon echter geen voldoening beleven aan zijn plezier, net zoals een vuur dat niet kan dat men voedt met vet. (49) Op een dag toen hij zich zat af te vragen hoe zijn afdwalen van het ware zelf plaats had kunnen vinden, zag de expert in de vele mantra's in dat het veroorzaakt was door een stel parende vissen: (50) 'Helaas, kijk nu toch hoe ik, die zo'n grote asceet was, ten val kwam. Ik die me er zo lang mee heb bezig gehouden trouw en strikt de geloften na te leven werd afgeleid van het spirituele leven dat ik zolang heb beoefend. Enkel en alleen door hetgeen waterdieren onder water uitspoken! (51) Hij die bevrijd wil raken moet het opgeven omgang te hebben met hen die er een vrije seksuele moraal op nahouden. Hij moet het in ieder opzicht vermijden zijn uitwendige zinnen de vrije teugel te laten. Hij moet alleen leven op een afgezonderde plek en zijn geest vestigen op de lotusvoeten van de Onbegrensde Heer. En als hij dan [intieme] omgang zoekt, dient hij om te gaan met gelijkgestemde, onthechte zielen. (52) Als een verzaker had ik, geheel alleen onder water, omgang met vissen (!) en kreeg ik vijftig vrouwen, om nog maar te zwijgen van de vijfduizend [klein]kinderen die ik verwekte. Ik zie geen einde aan al mijn verplichtingen hier en in het hiernamaals die mijn geest in beslag nemen, want onder de invloed van de geaardheden der natuur verloor ik, uit zijnde op mijn eigenbelang, mijn intelligentie in het materieel genoegen.'

(53) Aldus [spijtig] thuis levend verstreek de tijd en kwam hij, onthecht, tot de wereldverzakende levensorde. Hij ging naar het woud en werd daarin gevolgd door al zijn vrouwen aangezien hij hun voorwerp van aanbidding was. (54) Aldaar in zijn boetedoening van de strengste verzaking zijnd die bevorderlijk is voor de zelfverwerkelijking, hield hij, nu bekend met de vuren van het persoonlijke zelf, zich bezig met het Allerhoogste Zelf. (55) O Mahârâja, de vrouwen die zagen hoe hun echtgenoot spiritueel vorderde, slaagden er onder die invloed in hem na te volgen, precies zoals vlammen dat doen met een vuur dat uitdooft [vergelijk B.G. 9: 32].'
 

 

next                  

 

 

Derde herziene editie, geladen 9 december 2012.
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'De drie zoons van Ambarîsha [zie voorgaande hoofdstukken] waren Virûpa, Ketumân en S'ambhu. Van Virûpa was er Prishadas'va en van hem was er een zoon genaamd Rathîtara.
S'rî S'uka zei: 'De drie zoons van Ambarîsha [zie voorgaande hoofdstukken] waren Virûpa, Ketumân en S'ambhu; van Virûpa was er Prishadas'va en van hem was er een zoon genaamd Rathîtara. (Vedabase)

 

Tekst 2

Rathîtara had geen zoons en daarom werd [de wijze] Angirâ verzocht kinderen bij zijn [Rathîtara's] vrouw te verwekken. Dat leidde tot de geboorte van ['kshetra jâta'-] zonen met brahmaanse kwaliteiten.

Rathîtara had geen zoons en alzo werd [de wijze] Angirâ verzocht kinderen bij zijn vrouw te verwekken, hetgeen leidde tot de geboorte van ['ksetra jâta'-] zonen met brahmaanse kwaliteiten. (Vedabase)

 

Tekst 3

Geboren uit zijn echtgenote maakten deze zoons deel uit van de familie. Zij gingen de geschiedenis in als de dynastie van Angirâ en waren onder de zoons van Rathîtara het meest prominent omdat ze, geboren onder die omstandigheid, golden als dubbel-geboren [brahmanen van gemengde kaste].

Zij weer waren allen zoons van Rathîtara, het gezinshoofd, daar zij, geboren uit zijn echtgenote, inderdaad deel uitmaakten van de familie, maar ze werden herinnerd als de dynastie van Angirâ en dubbel-geboren [van gemengde kaste] genoemd aangezien ze werden geboren van dat veld [of: ksetra]. (Vedabase)

Tekst 4

Toen Manu eens moest niezen werd uit zijn neus de zoon Ikshvâku geboren [zie ook 8.13]. Van de honderd zonen die hij verwekte waren Vikukshi, Nimi en Dandakâ de meest vooraanstaande.

Toen Manu eens moest niezen werd uit zijn neusgaten de zoon Ikshvâku geboren [zie ook 8.13] en van zijn honderd zonen waren Vikukshi, Nimi en Dandakâ de meest vooraanstaande. (Vedabase)

 

Tekst 5

Vijfentwintig van hen werden koningen in het westen van Âryâvarta [in het Himalaya- en Vindhyagebergte] o Koning en vijfentwintig anderen werden dat in het oosten. De drie  [oudste zoons] heersten over het middengebied, terwijl de overige zoons heersten over andere plaatsen.

Vijfentwintig van hen werden koningen in Âryâvarita in het oosten [in het Himalaya en Vindhya gebergte], o Koning, zoals ook [vijfentwintig anderen dat werden] in het westen [van dat gebied], drie heersten over het middengebied, terwijl de anderen heersten over andere plaatsen. (Vedabase)

  

Tekst 6

Hij, koning Ikshvâku, gaf zijn zoon eens tijdens een ashthakâ-s'râddha [offers aan de voorvaderen gebracht in januari, februari en maart] de opdracht: 'Breng me zuiver vlees [verkregen door de jacht], o Vikukshi. Ga er nu meteen op uit, zonder te dralen.'

Hij, koning Ikshvâku, gaf zijn zoon eens tijdens een ashtakâ-s'râddha [offers aan de voorvaderen gebracht in Januari, Februari en Maart] de opdracht: 'Breng me zuiver vlees [van de jacht], o Vikukshi, en ga er nu meteen op uit, zonder te dralen'. (Vedabase)

 

Tekst 7

Aldus ging hij naar het bos toe om dieren te doden die geschikt waren voor de offerandes, maar toen hij vermoeid en hongerig was at de held vergeetachtig [zonder zich te realiseren dat het vlees bestemd was voor het offer] een konijn [zie voetnoot *]

Aldus ging hij daartoe naar het bos om dieren te doden die geschikt waren voor de offerandes, maar toen hij vermoeid en hongerig was at de held vergeetachtig [zonder zich te realiseren dat het vlees bestemd was voor het offer] een konijn [zie voetnoot *] (Vedabase)

 

Tekst 8

Wat er was overgebleven bood hij zijn vader aan die op zijn beurt hun goeroe [Vasishthha] vroeg het te zuiveren. Die gaf ten antwoord: 'Dit alles is bezoedeld en niet voor gebruik geschikt.'

Wat er over was bood hij zijn vader aan die op zijn beurt hun goeroe [Vasishthha] vroeg het te zuiveren en die gaf ten antwoord: 'Dit alles is bezoedeld en voor gebruik ongeschikt.' (Vedabase)

 

Tekst 9

Door de geestelijk leraar aldus op de hoogte gesteld, begreep de heerser wat zijn zoon had gedaan. Er kwaad over dat hij de vidhi had geschonden stuurde hij toen zijn zoon het land uit.

Door de geestelijk leraar verwittigd wist de heerser wat zijn zoon had gedaan en zodoende verdreef hij, er kwaad over dat hij de vidhi had geschonden, zijn zoon uit het land. (Vedabase)

 

Tekst 10

De koning had een gesprek met de geleerde. In overeenstemming met wat die hem zei gaf hij toen, levend als een yogi, zijn voertuig van de tijd [zijn lichaam] op en bereikte aldus de allerhoogste positie.

Hij, er feitelijk met de geleerde als zijn leermeester in discussies toe aangezet, gaf daarmee in overeenstemming, als een yogî zijn voertuig van de tijd op en bereikte zo de allerhoogste positie. (Vedabase)

 

Tekst 11

Nadat zijn vader zich had teruggetrokken keerde Vikukshi terug om over deze planeet aarde te heersen. Hij aanbad de Heer met verschillende yajña's en raakte bekend onder de naam Sas'âda ['de konijneneter'].

Op de troonsafstand van zijn vader keerde Vikukshi terug om te heersen over deze planeet de aarde, met verschillende yajña's de Heer aanbiddend, en stond alzo bekend als S'as'âda ['de konijnen-eter']. (Vedabase)

 

Tekst 12

Purañjaya ['de veroveraar van de hoofdstad'] was zijn zoon. Hij stond ook wel bekend als Indravâha ['gedragen door Indra'] en Kakutstha ['hij die op de bult van een stier zit']. Verneem nu over wat hij heeft gedaan om deze namen te krijgen.

Purañjaya ['de veroveraar van de hoofdstad'] was zijn zoon. Hij stond ook wel bekend als Indravâha ['gedragen door Indra'] en Kakutstha ['hij die op de bult van een stier zit']. Verneem nu over wat hij deed om deze namen te krijgen. (Vedabase)

 

Tekst 13

Er had zich een allesvernietigende oorlog voorgedaan, een strijd tussen de goden en de demonen, waarin zijn superieure  ondersteuning als held werd aanvaard door de goddelijken die waren verslagen door de Daitya's.

Er had zich een alles vernietigende oorlog voorgedaan, een strijd tussen de goddelijken en de dânava's, waarin hij, van de grootste hulp, zich voor de godvrezenden opwierp als een held in het overwinnen van het demonische. (Vedabase)


Tekst 14

In opdracht van de God der Goden Heer Vishnu, de Superziel en Meester van de Ganse Schepping, werd Indra in de gedaante van een grote stier ingeschakeld in zijn [Purañjaya's] dienst.

Bij monde van de God der Goden Heer Vishnu, de Superziel en Meester van de Ganse Schepping, raakte Indra betrokken in zijn dienst als zijn draagdier, als een grote stier. (Vedabase)

  

Tekst 15-16

Hij die goed uitgerust met een eersteklas boog de scherpste pijlen ter hand nam, werd geprezen [door de halfgoden], beklom hem en nam plaats op de bult, klaar om te vechten. Begunstigd door de macht van Vishnu, de Oorspronkelijke Persoon en Superziel, belegerde hij omringd door de dienaren van de hemel de westelijke kant van de Daitya hoofdstad.

Hij, met alle lof en goed toegerust, besteeg hem met een eerste klas boog de scherpste pijlen ter hand nemend en nam op de bult plaats, klaar om te vechten. Begunstigd door de macht van Vishnu, de Oorspronkelijke Persoon en Superziel, nam hij, omringd door de dienaren van de hemel, in de westelijke richting de daitya hoofdstad in. (Vedabase)

  

Tekst 17

Er vond een veldslag plaats tussen hem en de demonen die zo gewelddadig was dat het de haren te berge deed rijzen. Al de Daitya's die met hem de strijd aanbonden zond hij met zijn pijlen naar Yamarâja.

Tussen hen en hem vond een veldslag plaats die zo gewelddadig was dat het de haren te berge deed rijzen te horen hoe hij in de strijd naar voren trad en de daitya's met zijn pijlen naar Yamarâja stuurde. (Vedabase)
 
Tekst 18

Geconfronteerd met zijn regen van pijlen die zo vernietigend was als het vuur aan het einde der tijden, sloegen de Daitya's die werden afgeslacht en uiteen gedreven op de vlucht om terug te keren naar hun woonplaatsen.

Geconfronteerd met zijn regen van pijlen zo vernietigend als het vuur aan het einde der tijden, gaven de daitya's allen tezamen hun aanval op en gingen zij die nog niet waren gedood er vandoor naar hun eigen plaatsen. (19) Over hen zegevierend droeg hij, de geheiligde koning, al hun weelde en vrouwen over aan de drager van de bliksemschicht [Indra] en werden hem aldus de namen verleend. (Vedabase)

 

Tekst 19

Over hen zegevierend droeg hij, de wijze koning, al hun weelde en vrouwen over aan de drager van de bliksemschicht [Indra]. Dat verleende hem zijn namen.

Geconfronteerd met zijn regen van pijlen zo vernietigend als het vuur aan het einde der tijden, gaven de daitya's allen tezamen hun aanval op en gingen zij die nog niet waren gedood er vandoor naar hun eigen plaatsen. (Vedabase)

 

 Tekst 20

Van Purañjaya werd een zoon geboren genaamd Anenâ, zijn zoon was Prithu en de zoon die hij had heette Vis'vagandhi die op zijn beurt weer een zoon had genaamd Candra wiens zoon Yuvanâs'va werd genoemd. 

Over hen zegevierend droeg hij, de geheiligde koning, al hun weelde en vrouwen over aan de drager van de bliksemschicht [Indra] en werden hem aldus de namen verleend. (Vedabase)

 

Tekst 21

S'râvasta was zijn zoon en hij bouwde een stad genaamd S'râvastî. Door S'râvasta werd toen Brihadas'va verwekt en van hem was er Kuvalayâs'va.

Van Purañjaya werd een zoon geboren genaamd Anenâ, zijn zoon was Prithu en de zoon die hij had heette Vis'vagandhi die op zijn beurt weer een zoon had genaamd Candra wiens zoon Yuvanâs'va werd genoemd. (Vedabase)

 

Tekst 22

Hij was van een grote macht. Tezamen met de eenentwintigduizend zonen die hem omringden, doodde hij om de wijze Utanka te behagen een demon genaamd Dhundhu. 

S'râvasta was zijn zoon en hij bouwde een stad genaamd S'râvastî; door S'râvasta werd toen Brihadas'va verwekt en van hem was er Kuvalayâs'va. (Vedabase)

 

Tekst 23-24

Hij stond aldus bekend als Dhundhumâra ['de doder van Dhundhu']. Op drie na waren al de zoons verbrand door het vuur uit de mond van Dhundhu. De enigen die in leven bleven waren Dridhâs'va, Kapilâs'va en Bhadrâs'va, o zoon van Bharata. Dridhâs'va's zoon was Haryas'va en de beroemde Nikumbha was zijn zoon.

Hij was het die van een grote macht, tezamen met de eenentwintigduizend zonen die hem omringden, voor het genoegen van de wijze Utanka een demon ter dood bracht genaamd Dhundhu. (Vedabase)

 

Tekst 25

Nikumbha's zoon was Bahulâs'va en Kris'âs'va was zijn zoon. Senajit volgde hem op en die was de vader van Yuvanâs'va. Yuvanâs'va had geen zoons en trok zich [samen met zijn echtgenotes] terug in het woud.

Hij stond aldus bekend als Dhundhumâra [de doder van Dhundhu]. Op drie na waren alle zoons verbrand door het vuur uit de mond van Dhundhu. De enigen die in leven bleven waren Dridhâs'va, Kapilâs'va en Bhadrâs'va, o zoon van Bharata. Dridhâs'va's zoon was Haryas'va en de beroemde Nikumbha was zijn zoon. (Vedabase)

   

Tekst 26

Samenlevend met zijn honderd vrouwen was hij terneergeslagen zodat de wijzen vol van genade voor hem met de grootste zorg een [vruchtbaarheids-]ceremonie begonnen die bekend staat als de Indra-yajña.

Nikumbha's zoon was Bahulâs'va en Kris'âs'va was de zijne. Na hem was er Senajit van wie Yuvanâs'va ter wereld kwam. Yuvanâs'va had geen zoons en trok zich terug in het woud. (Vedabase)

 

Tekst 27

Op een nacht ging hij zeer dorstig het offerperk binnen en dronk hij, toen hij zag dat al de brahmanen lagen te slapen, zelf van het ingezegende water [in plaats van het voor zijn vrouwen te bewaren]. 

Aldaar tezamen met zijn honderd vrouwen was hij terneergeslagen zodat de wijzen allergenadigst met hem met de grootste zorg een begin maakten met een [vruchtbaarheids-] ceremonie die bekend staat als de Indra-yajña. (Vedabase)

 

Tekst 28

Toen ze allen [de volgende ochtend] wakker waren en vervolgens de waterpot leeg aantroffen, o prabhu, vroegen ze wie er verantwoordelijk was voor het drinken van het water dat bestemd was voor het krijgen van een kind.

Hij op een nacht zeer dorstig ging het offerperk binnen en dronk, toen hij zag dat al de geleerden lagen te slapen, zelf van het ingezegende water [in plaats van het voor zijn vrouwen te bewaren]. (Vedabase)

 

Tekst 29

Toen ze begrepen dat het bij goddelijke beschikking was opgedronken door de koning, baden ze allen tot de Allerhoogste Heer met de woorden: 'Helaas, het is de macht van God die de dienst uitmaakt!' 

Toen de rest wakker was en vervolgens de waterpot leeg aantroffen, o prabhu, vroegen ze wie er verantwoordelijk was voor het drinken van het water dat bestemd was voor het krijgen van een kind. (29) Toen ze begrepen dat bij goddelijke beschikking het was opgedronken door de koning brachten ze allen hun eerbetuigingen aan de Allerhoogste Beheerser zeggend: 'Helaas, het is de macht van God die de dienst uitmaakt!' (Vedabase)

 

Tekst 30

En zo, wonder boven wonder, opende zich, toen de tijd er rijp voor was, de onderbuik van koning Yuvanâs'va aan de rechterzijde en kwam er een zoon ter wereld [met alle goede kenmerken van] een koning.

Zo werd, wonder boven wonder, daarop toen de tijd er rijp voor was, de onderbuik van koning Yuvanâs'va aan de rechterzijde opengebroken door een zoon die ter wereld kwam met alle goede kenmerken van een koning. (Vedabase)

 

Tekst 31

Wie moest het kind nou de borst geven? Dorstig huilde het er zo hard om dat koning Indra zei: 'Huil niet mijn kind, drink maar van mij' en bood het toen zijn wijsvinger om op te zuigen. 

Wie moest nou het kind de borst geven? Het huilde er dorstig zo hard om dat koning Indra zei: 'Huil niet mijn kind, drink maar van mij' en bood het toen zijn wijsvinger om op te zuigen. (Vedabase)

 

Tekst 32

Dankzij de genade van de godsgeleerden stierf de vader niet als gevolg van de baby die hij ter wereld bracht. Yuvanâs'va bereikte later de volmaaktheid van het leven door zijn tapas te doen op diezelfde plek.

De vader stierf dankzij de genade van de godgeleerden niet als gevolg van de baby. Yuvanâs'va bereikte daarna de volmaaktheid zijn tapas doend op die zelfde plek. (Vedabase)

 

Tekst 33-34

Mijn beste koning, Indra gaf het kind de naam Trasaddasyu ['de vrees van het boeventuig']. Schurken als Râvana en dergelijken, waren bang voor hem. Yuvanâs'va's zoon Mândhâtâ was bij de macht van de Onfeilbare er aldus toe in staat over het oppervlak van de aarde met haar zeven continenten te heersen als haar ongeëvenaarde meester.

Mijn beste koning, Indra gaf het kind de naam Trasaddasyu ['de vrees van het boeventuig'], en voor hem waren inderdaad schurken als Râvana en dergelijken, hoogst bevreesd. Aldus heerste Yuvanâs'va's zoon Mândhâtâ bij de macht van de Onfeilbare over het oppervlak van de aarde en haar zeven continenten als haar ongeëvenaarde meester. (Vedabase)

 

Tekst 35-36

Ook hij aanbad in het volle bewustzijn van de [Super]ziel Yajña, de Heer der Offers, de God en Superziel verheven boven het zinnelijk vlak. Dit gebeurde in offerplechtigheden die werden bijgewoond door alle godvruchtige mensen die hij beloonde met grote donaties. Alle benodigdheden, de mantra's en de regulerende beginselen, de aanbidding en de aanbidder en de priesters met al het dharma van tewerk gaan overeenkomstig de plaats en tijd, droegen er allemaal toe bij dat het belang van het ware zelf recht werd gedaan.
Ook hij aanbad in het volle bewustzijn van het ware zelf Yajña, de Heer der Offers, de God en Superziel boven de zinnelijkheid van iedereen, in groots opgezette erediensten die werden bijgewoond door al de godvruchtigen en waarbij hij grote sommen geld wegschonk. Alle benodigdheden, de mantra's, de regulerende beginselen, de aanbidding en de aanbidder, de priesters en de religie en het te werk gaan naar plaats en tijd, droegen allen bij elkaar bij als zaken die het belang van het ware zelf ten goede komen. (Vedabase)

 

Tekst 37

Men heeft het over al de besproken gebieden die zich uitstrekken vanwaar de zon opkomt boven de horizon tot overal waar hij weer ondergaat, als het veld van handelen van Yuvanâs'va's zoon, Mândhâtâ.

Vanwaar de zon rijst boven de horizon tot overal waar hij toen en nu nog steeds langskomt en van al het voornoemde, spreekt men als het veld van handelen van de zoon van Yuvanâs'va, Mândhâtâ. (Vedabase)

 

Tekst 38

De heerser [Mândhâtâ] verwekte in de dochter Bindumatî van een koning genaamd S'as'abindu [de zoons] Purukutsa, Ambarîsha en Mucukunda die een grote yogi was. Hun vijftig zussen aanvaardden de wijze Saubhari als hun echtgenoot.

In de dochter Bindumatî van een koning genaamd S'as'abindu verwekte de heerser [Mândhâtâ] Pûrukutsa, Ambarîsha en Mucukunda die een grote yogî was. Hun vijftig zussen aanvaardden de wijze Saubhari als hun echtgenoot. (Vedabase)

 

Tekst 39-40

Hij [Saubhari] bezig met een ongebruikelijke vorm van verzaking diep onder water in de Yamunâ rivier, zag in zijn boetedoening hoe een grote vis genoot van seksuele zaken. Aldus seksueel ontwaakt verzocht de geleerde de koning [Mândhâtâ] toen om een enkele dochter. De koning zei: 'U kan met een dochter van mij trouwen, o brahmaan, als het dat is waar zij voor kiest.'

Hij [Saubhari] bezig met een ongebruikelijke vorm van verzaking zag, diep onder water in de Yamunâ rivier, in zijn boetedoening hoe een grote vis zich vermaakte met sexuele zaken. Sexueel ontwaakt verzocht de geleerde de koning [Mândhâtâ] toen om een enkele dochter. De koning zei: 'U mag een dochter van mij nemen, o brahmaan, als het de keuze naar haar zin is'. (Vedabase)

 

Tekst 41-42

Hij dacht bij zichzelf: 'Vrouwen houden niet zo van mij, ik ben te oud, ik ben niet aantrekkelijk voor ze. Ik ben gerimpeld, heb grijs haar en een hoofdtremor. Ze zullen me afwijzen! Laat ik het zo aanpakken dat mijn lichaam begeerlijk is voor de schonen van de hemel, om nog maar te zwijgen van de dochters van wereldse koningen!' Zo luidde toen het besluit van de mysticus.

Hij dacht bij zichzelf: 'Vrouwen houden niet zo van mij, ik ben te oud, ik ben niet aantrekkelijk voor ze, gerimpeld, met grijs haar en een hoofdtremor; ze zullen me afwijzen! Laat me het zo maken dat mijn lichaam begeerlijk is voor de schonen van de hemel, om nog maar te zwijgen van de dochters van wereldse koningen!'. Zo luidde toen het besluit van de mysticus. (Vedabase)

 

Tekst 43

De wijze aangekondigd door een boodschapper werd toen toegelaten tot de van alle gemakken voorziene vertrekken van de prinsessen. Daar werd hij door al de vijftig prinsessen aanvaard als hun ene echtgenoot.

Bij monde van een boodschapper werd de wijze toen toegang verleend tot de in ieder opzicht weelderige vertrekken van de prinsessen en werd hij, al was hij maar een enkele man, door al de vijftig prinsessen aanvaard als hun echtgenoot. (Vedabase)

 

Tekst 44

Ze raakten onderling in een hevige strijd verwikkeld toen ze aangetrokken tot hem hun vriendschap op het spel zetten door dingen te beweren als: 'Deze man past goed bij mij, niet bij jou!'

Er ontstond toen een hevig gekibbel onder hen toen ze aangetrokken tot hem hun onderlinge verstandhouding op het spel zetten door dingen te beweren als: 'Hij is de man die bij mij past, niet bij jou!' (Vedabase)

 

Tekst 45-46

Hij die als gevolg van zijn ascese op de hoogte was van menige mantra, genoot met zijn vrouwen van een ongekende weelde met alles wat men zich maar wensen kon: allerhande fijn gestoffeerde leefruimten en boudoirs, parken, het helderste water in vijvers temidden van geurige tuinen, kostbaar beddengoed en meubilair, kleding en ornamenten. Er waren plaatsen om te baden, smakelijke gerechten, er was sandelhoutpulp en een uitdossing met bloemenslingers en sieraden van alle mannen en vrouwen die in een voortdurende staat van verrukking verkeerden onder de begeleidende zang van vogels, hommels en artiesten.

Hij, op de hoogte van menige mantra, genoot als gevolg van zijn verzakingen met zijn vrouwen van een ongekende weelde met alles wat men zich maar kon wensen: allerhande fijn gestoffeerde leefruimten en boudoirs, parken, het helderste water in vijvers temidden van geurige tuinen, kostbaar beddegoed en meubilair, kleding en sierselen; er waren plaatsen om te baden, smakelijke gerechten, er was sandelhout pulp en een uitdossing met bloemenslingers en sieraden van alle mannen en vrouwen die in een voortdurende verrukking verkeerden onder het gezang van vogels, hommels en artiesten.  (Vedabase)

 

Tekst 47

De heerser der zeven continenten [Mândhâtâ] stond versteld bij de aanblik van Saubhari's huishouding zodat hij zich niet langer op de borst kon kloppen als de keizer van de wereld die is gezegend met alle weelde.

De enkele aanblik van zijn gezinsleven deed de heerser der zeven continenten [Mândhâtâ] versteld staan zodat hij niet langer nog eer kon ontlenen aan zijn eigen positie als de keizer van de wereld gezegend met alle weelde.(Vedabase)

 

Tekst 48

Saubhari, die altijd druk in de weer was met het geluk en de talrijke materiële besognes van zijn huishouden, kon echter geen voldoening beleven aan zijn plezier, net zoals een vuur dat niet kan dat men voedt met vet.

Zo altijd druk met het geluk en de verscheidenheid aan materiële aangelegenheden van zijn huishouden was hij in zijn genietingen, net als een vuur gevoed door vet, nimmer voldaan. (Vedabase)

 

Tekst 49

Op een dag toen hij zich zat af te vragen hoe zijn afdwalen van het ware zelf plaats had kunnen vinden, zag de expert in de vele mantra's in dat het veroorzaakt was door een stel parende vissen:

Op een dag moest hij, neergezeten zich afvragend hoe het verval weg van het ware zelf had kunnen plaats vinden, constateren dat het veroorzaakt was door een stel parende vissen: (Vedabase)

 

Tekst 50

'Helaas, kijk nu toch hoe ik, die zo'n grote asceet was, ten val kwam. Ik die me er zo lang mee heb bezig gehouden trouw en strikt de geloften na te leven werd afgeleid van het spirituele leven dat ik zolang heb beoefend. Enkel en alleen door hetgeen waterdieren onder water uitspoken!

'Helaas, kijk nu toch hoe ik, die zo'n grote asceet was, zo trouw en strikt naar de geloften, van het ascetisch leven waar ik me zo lang mee heb bezig gehouden ten val ben gekomen; enkel om wat waterdieren onder water uitspoken!  (Vedabase)

Tekst 51

Hij die bevrijd wil raken moet het opgeven omgang te hebben met hen die er een vrije seksuele moraal op nahouden. Hij moet het in ieder opzicht vermijden zijn uitwendige zinnen de vrije teugel te laten. Hij moet alleen leven op een afgezonderde plek en zijn geest vestigen op de lotusvoeten van de Onbegrensde Heer. En als hij dan [intieme] omgang zoekt, dient hij om te gaan met gelijkgestemde, onthechte zielen.

Hij die de bevrijding verlangt heeft de omgang op te geven met mensen die verslingerd zijn aan zinnelijke zaken; hij moet het in ieder opzicht vermijden zijn uitwendige zinnen aan het werk te zetten, hij behoort zich in eenzaamheid op te houden in afgezonderde plaatsen en zijn hart te vestigen op de Onbegrensde Heer en, àls hij dan gezelschap zoekt, omgaan met gelijkgestemde lieden als de heiligen. (Vedabase)

 

Tekst 52

Als een verzaker had ik, geheel alleen onder water, omgang met vissen (!) en kreeg ik vijftig vrouwen, om nog maar te zwijgen van de vijfduizend [klein]kinderen die ik verwekte. Ik zie geen einde aan al mijn verplichtingen hier en in het hiernamaals die mijn geest in beslag nemen, want onder de invloed van de geaardheden der natuur verloor ik, uit zijnde op mijn eigenbelang, mijn intelligentie in het materieel genoegen.'

Op mezelf als een verzaker had ik, onder water, omgang met vissen (!) en kreeg ik vijftig vrouwen, om nog maar te zwijgen van de vijfduizend zoons die ik verwekte; er komt zo geen eind aan mijn verplichtingen hier en hierna die mijn geest maar bezig houden. Onder de invloed van de geaardheden der materie ben ik, uit op mijn eigenbelang, verloren in de grote aantrekking van materiële dingen.' (Vedabase)


Tekst 53

Aldus [spijtig] thuis levend verstreek de tijd en kwam hij, onthecht, tot de wereldverzakende levensorde. Hij ging naar het woud en werd daarin gevolgd door al zijn vrouwen aangezien hij hun voorwerp van aanbidding was. 

Op deze manier thuis levend verstreek de tijd en kwam hij, onthecht, tot de wereldverzakende levensorde; hij ging naar het woud en werd daarin gevolgd door al zijn vrouwen aangezien hij hun voorwerp van aanbidding was. (Vedabase)

 

Tekst 54

Aldaar in zijn boetedoening van de strengste verzaking zijnd die bevorderlijk is voor de zelfverwerkelijking, hield hij, nu bekend met de vuren van het persoonlijke zelf, zich bezig met het Allerhoogste Zelf.

Aldaar in zijn boetedoening van de strengste verzaking bevorderlijk voor de zelfverwerkelijking, hield hij zich, voorzeker bekend met de vuren van het persoonlijke zelf, bezig met de Allerhoogste Ziel.(Vedabase)

 

Tekst 55

O Mahârâja, de vrouwen die zagen hoe hun echtgenoot spiritueel vorderde, slaagden er onder die invloed in hem na te volgen, precies zoals vlammen dat doen met een vuur dat uitdooft  [vergelijk B.G. 9: 32].'  

 (55) O mahârâja, de vrouwen die zagen hoe hun echtgenoot spiritueel vorderde, slaagden er onder die invloed in hem na te volgen precies zoals vlammen dat kunnen met een vuur dat uitdooft [vergelijk B.G. 9.32]. (Vedabase)

  

*: In dezen is er een citaat uit de Brahma-vaivarta Purâna zo stelde S'rî Caitanya Mahâprabhu:

as'vamedham gavâlambham
sannyâsam pala-paitrikam
devarena sutotpattim
kalau pañca vivarjayet

"In dit Kali-tijdperk zijn vijf handelingen verboden: het offeren van een paard in een plechtigheid, het offeren van een koe in een plechtigheid, het aanvaarden van de levensorde van sannyâsa, het brengen van vleesoffers voor de voorvaderen, en het door een man verwekken van kinderen bij de echtgenote van zijn broer."

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
Het schilderij op deze pagina is getiteld: 'Gravure représentant un sâdhu',
door Frans Balthazar Solvyns, (1760-1824). Bron:
Gallica.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties