regelbalk


 

 

Canto 11

Govindam Âdi Purusham

 

 

Hoofdstuk 7: Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat je Me zei, o hoogst fortuinlijke [Uddhava], weerspiegelt Mijn plan [de dynastie terug te trekken], en om die reden zien Brahmâ, Bhava en de leiders der werelden uit naar Mijn terugkeer naar Mijn verblijf. (2) Voorzeker heb Ik hier [in Mijn aards verblijf] geheel de taak volbracht voor het heil van de godsbewusten. Terwille van hen incarneerde Ik met Mijn deelaspect [Balarâma] zoals daarvoor door Brahmâ werd gebeden. (3) Deze familie die door de vloek haar einde zal vinden zal worden vernietigd in een onderlinge twist en voorwaar zal op de zevende dag [na heden] deze stad verzwolgen worden door de oceaan. (4) Als Ik, o man van deugd, deze wereld heb verlaten, zal ze ten prooi vallen aan Kali en zeer spoedig verstoken zijn van alle vroomheid [zie ook 1.16 & 17]. (5) Wees ervan overtuigd dat je niet in deze wereld moet blijven als ze door Mij is verlaten, want in Kali's tijd zullen de mensen op aarde verstrikt zijn in zonde, o Mijn beste. (6) Je moet in feite met het afzien van alle emotionele banden, met je geest geheel op Mij gevestigd, je in deze wereld rondbewegen met een gelijkgezinde geest [zie B.G. 6: 9, 6: 29, 14: 22-25]. (7) Deze tijdelijke wereld zoals je die voor de geest haalt, bespreekt, ziet, hoort en zomeer, moet je herkennen als een begoochelend schimmenspel waar je verbeelding mee op de loop gaat [zie ook 10.40: 25]. (8) Een persoon die niet [spiritueel] verbonden is, is in de war met al de meningen over wat juist en verkeerd zou zijn, wat zou werken, niet werken en in strijd zou verkeren en is aldus innerlijk verdeeld wat betreft goed en kwaad [B.G. 4: 16]. (9) Bezie daarom met je zinnen beheerst en je geest verbonden, deze wereld als een uitgebreidheid die zich bevindt in het Zelf en dat Zelf als rustend in Mij, de Heer Erboven. (10) Met kennis en wijsheid geheel toegerust is men, in het zelf tevreden en alomvattend met de Ziel die voor een ieder die belichaamd is het voorwerp van de liefde vormt, nimmer ontmoedigd door tegenslagen. (11) Ontstegen aan de twee van het slecht achten - en afzien van - wat verboden is en het goed achten - en het zich gedragen naar - wat iedereen doet, danst men niet naar de pijpen alsof men nog een onvolwassen kind zou zijn. (12) Als men voor zijn medeschepselen een weldoener is die hecht verankerd is in de vrede en men wijselijk het universum kent als zijnde doortrokken van Mijn wezen, zal men nooit en te nimmer degene zijn die telkens weer het onderspit delft.'

(13) S'rî S'uka zei: 'O Koning, met het ontvangen hebben van die instructie van de Opperheer boog de verheven en fortuinlijke Uddhava, ernaar verlangend het hoogste principe te leren kennen, zich neer voor de Onfeilbare om Hem de eer te bewijzen. (14) S'rî Uddhava zei: 'O Heer der Yoga die ons verenigt, o Ziel die ons verbindt, o Bron van het Mystieke, strekkend tot mijn voordeel sprak U over de verzaking zoals die gekend wordt in sannyâsa. (15) Deze verzaking o Heer, is moeilijk te volbrengen als men leeft voor de lol en het behagen van de zinnen, met name als men U niet toegewijd is, zo denk ik [vergelijk B.G. 6: 33-34]. (16) Ik ben met mijn bewustzijn verstrengeld met het lijf en haar relaties zoals dat beschikt is door Uw mâyâ en ben aldus dwaas van het idee van 'ik' en 'mijn'. Onderricht mij daarom, zodat Uw geliefde dienaar met gemak tewerk kan gaan overeenkomstig het proces zoals dat door U wordt onderwezen. (17) Wie anders is er behalve U die van de Waarheid bent en Zich voor mij persoonlijk onthult? Welke andere spreker dan mijn Heer, de Allerhoogste Ziel, komt er in aanmerking? Zelfs niet onder degenen die ontwaakten zie ik zo'n spreker. In hun bewustzijn zijn allen, tot aan degenen geleid door Brahmâ, belichaamde zielen die, als ze de zichtbare wereld voor wezenlijk houden, verbijsterd zijn door Uw mâyâ. (18) Daarom benader ik, die aan verzaking doend met mijn geest zo gekweld ben en vol van leed, U voor mijn toevlucht Nârâyana, o Vriend van de Mens, o U volmaakte, onbegrensde en alwetende Beheerser die altijd weer nieuw bent in Uw verblijf Vaikunthha.'

(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Over het algemeen maken mensen die goed bekend met de stand van zaken in deze wereld zich met behulp van hun eigen intelligentie vrij van de ongunstige geneigdheid [van een begeertige geest]. (20) In zekere zin vormt de intelligentie de goeroe van een persoon omdat hij met behulp van het intelligente zelf, ofwel zijn ziel, steeds zijn voordeel kan doen bij zijn redeneren en zijn rechtstreeks waarnemen. (21) En zo kunnen zij die wijs zijn door hun ervaring, met het redeneren met de [bhakti-]yoga in hun menselijk bestaan, Mij helder voor zich zien in Mijn volle glorie met al Mijn energieën [zie ook Kapila]. (22) Er zijn vele typen lichamen geschapen met één, twee, drie, vier en meer benen of er geen een; van hen is de menselijke gedaante Mij het liefst [zie ook 3.29: 30, 6.4: 9]. (23) Zich ophoudend in een dergelijk lichaam is men met zijn talenten van waarnemen, via direct en indirect vastgestelde levenstekenen en met logische gevolgtrekkingen rechtstreeks op zoek naar Mij, de Allerhoogste Beheerser voorbij de greep der zinswaarneming [zie ook 2.2: 35, 2.9: 36]. (24) Dit aangaande is er een oude geschiedenis aan te halen betreffende een gesprek tussen een avadhûta en de o zo machtige koning Yadu.

(25) Yadu, zeer goed thuis in het dharma, zag eens een jonge brahmaanse bedelmonnik zonder enige angst voor wat dan ook rondtrekken, en nam toen de kans waar hem vragen te stellen [zie ook 7.13]. (26) S'rî Yadu zei: 'Hoe verwierf u deze buitengewone intelligentie o brahmaan? Hoe kan u, bij uw volle verstand zich met geen enkele arbeid bezighoudend, door de wereld reizen met het vertrouwen van een kind? (27) Normaal gesproken zijn mensen die religieus zijn, uit zijn op een inkomen, van zinsbevrediging zijn en op kennis jagen, bezig terwille van de weelde, een goede naam en een lang leven. (28) Een capabele, geschoolde, ervaren, knappe en welbespraakte persoon als U echter, bent niet iemand van daden. U verlangt helemaal niets, als was u een stompzinnige, gek geworden spookverschijning. (29) Een ieder brandt in 't duistere bos van de lust en begeerte, maar u, die om vrij van het vuur te zijn in de Ganges staat als een olifant, brandt in het geheel niet. (30) Alstublieft o brahmaan verraad ons, die u erom vragen, wat de oorzaak is van het innerlijk geluk dat u geheel op uzelf verkerend geniet terwijl u verstoken bent van ieder materieel genoegen.'

(31) De Allerhoogste Heer zei: 'Aldus verzocht en geëerd door de hoogst fortuinlijke en intelligente Yadu die uit respect voor het brahmaanse nederig zijn hoofd voorover boog, sprak de tweemaal geborene. (32) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Mij verstandelijk beroepend op vele geestelijk leraren o Koning, trek ik, nu ik aan intelligentie heb gewonnen met hen, bevrijd rond door deze wereld. Alstublieft luister naar hun beschrijving. (33-35) De aarde, de lucht, de ether, het water, het vuur, de maan; de zon, de duif, de python, de zee, de mot, de honingbij; de olifant, de honingdief, het hert, de vis, de hoer [Pingalâ], de visarend; het kind, het meisje, de pijlenmaker, het serpent, de spin en de wesp. Dit zijn mijn vierentwintig geestelijk leraren o Koning. Met het bestuderen van wat zij deden heb ik in dit leven alles geleerd omtrent het Zelf. (36) Alstublieft luister, o tijger onder de mensen, naar mijn uiteenzetting o zoon van Nâhusha [of Yayâti], van wat ik zoal van ieder van hen afzonderlijk leerde.

(37) Van de aarde leerde ik de regel dat hij die in kennis verkeert niet van het pad moet afwijken en standvastig moet blijven, hoezeer hij ook wordt geplaagd door de andere levende wezens die zich in feite eenvoudig schikken naar wat door het lot is bepaald. (38) Van de berg [die deel uitmaakt van de aarde] leert men altijd voor anderen klaar te staan, dat men alle handelingen voor het heil van anderen moet verrichten. Naar het voorbeeld van de boom [zie S'rî S'rî S'ikshâshthaka-3] anderen toegewijd te zijn is voor een vroom iemand de enige reden van bestaan [zie ook 10.22: 31-35 en B.G. 17: 20-22].

(39) Een wijze moet met het enkele bewegen van zijn levensadem tevreden zijn en niet zo zeer zijn bevrediging zoeken in zaken die de zinnen een genoegen zijn. Zodoende zal zijn geestelijk weten niet verloren gaan en zal zijn geest en spreken niet zijn afgeleid. (40) Naar het voorbeeld van de wind dient een yogi, in relatie tot de zinsobjecten met hun verschillende gunstige en nadelige kwaliteiten, als bovenzinnelijke ziel niet verstrikt te raken. (41) Een yogi mag dan in deze wereld leven in aardse lichamen en hun karakteristieke kwaliteiten met zich meedragen, maar hij verstrikt zich, goed bewust van zichzelf, niet in dergelijke kwaliteiten, precies zoals de lucht dat niet doet met de verschillende geuren.

(42) Overeenkomstig de ether die zich bevindt in de bewegende en niet-bewegende levende wezens behoort een wijze die onthecht - overeenkomstig de Superziel aanwezig in alle dingen - inziet dat hijzelf puur geest is, te mediteren op de uitgebreidheid als zijnde onverdeeld en alles doordringend [zie ook B.G. 2: 24, 3: 15, 6: 29-30, 9: 6, 11: 17, 12: 3-4 en 13: 14]. (43) Op dezelfde wijze als het bereik van de ether niet in beroering is van de winden die de wolken vooruitblazen, is de persoon [in zijn ware zelf] niet bewogen door de lichamen bestaande uit het vuur, het water en de aarde, die overeenkomstig de geaardheden der natuur bewogen worden door de Tijd.

(44) Een wijze, die van nature een zuiver, zachtgeaard, lief en vriendelijk bedevaartsoord is voor de mensen, heiligt, zoals water doet, zij die samenkomen [de vrienden], door zich te laten zien en zich respectvol te laten aanraken en vereren [zie ook sâkhya].

(45) Briljant, gloeiend en onverzettelijk in zijn verzaking is hij die eet voorzover dat nodig is verbonden in de ziel. Zelfs als hij die van verzaking is alles eet [en dus wel de noodzaak voorbijstreeft] raakt hij er niet door besmet zoals een vuur ook niet besmet raakt. (46) Somtijds [als een vuur aldus] verborgen en soms manifest verslindt hij, aanbiddelijk zijnde voor hen die het hoogste verlangen, de offers die men van alle kanten brengt en verbrandt hij het ongeluk uit het verleden en het ongeluk dat nog te gebeuren staat [zie ook 10.81: 4 en B.G. 3: 14]. (47) Vanuit Zijn eigen vermogen de identiteit aannemend van een ieder gaat de Almachtige net als vuur dat zich voordoet in brandhout de verschillende soorten van hogere en lagere levensvormen binnen [de 'ware' en 'onware', god of dier].

(48) Afgedwongen door de bewegingen van de Tijd die zelf niet kan worden waargenomen, verandert de staat van het lichaam met de levensfasen van geboorte tot de dood. Maar dat raakt de ziel niet, net zo min als de maan anders is door zijn fasen [B.G. 2: 13, 2: 20]. (49) Zoals men de ziel(en) zelf niet ziet met de lichamen die voortdurend worden geboren en weer sterven als met de vlammen van een vuur, is ook de Tijd zelf niet te zien ondanks zijn voortsnellende, dwingende stroom [*].

(50) Een yogi verzaakt met het aanvaarden van de zinsobjecten ze op de juiste tijd [naar gelang de cakra-orde]. Hij raakt niet verstrikt met hen net zoals de zon niet gevangen wordt als die met zijn stralen de wateren binnendringt. (51) Als de zon uiteen lijkt te zijn gevallen in zijn reflecties, ziet men zijn oorspronkelijke vorm nog niet als verschillend. Zo ook wordt de ziel, die voor de tragen van begrip in reflecties [van verschillende zelven] uiteen lijkt te zijn gevallen, niet als verschillend gezien.

(52) Men zou zich nooit moeten verliezen in buitengewone genegenheid of een nauwe omgang met wie dan ook, omdat men daarin zwelgend groot leed zal ondervinden. Men leeft dan bij de dag alsof men een duif is [zie ook 7.2: 50-56]. (53) Een zekere duif bouwde eens in het bos zijn nest in een boom en hield zich daar een aantal jaren op met een vrouwelijke metgezel. (54) Als gehechte partners in het huishouden waren zij met hun harten vol van genegenheid als door touwen aan elkaar gebonden, blik aan blik, lijf aan lijf en geest aan geest. (55) Op elkaar vertrouwend als een paartje waren ze druk in de bomen bezig met uitrusten, zitten, lopen, staan, communiceren, spelen, eten enzovoorts. (56) Wat zij ook wenste, o Koning, was wat hij, die het haar naar de zin wou maken, deed. Zonder zich in te tomen beantwoordde hij aan haar verlangens, zelfs als dat moeilijk was. (57) De kuise wijfjesduif raakte voor het eerst zwanger en bracht, toen de tijd rijp was, in het nest haar eitjes ter wereld in de aanwezigheid van haar echtgenoot. (58) Uit hen kwamen na de nodige tijd de kleintjes tevoorschijn, met de tere leden en veertjes zoals geschapen door het ondoorgrondelijke vermogen van de Heer. (59) Het paartje zorgde dolblij toen voor hun nageslacht, waarbij ze vol liefde verrukt luisterden naar de onbeholpen geluidjes van hun piepende kindjes. (60) De aanblik van het geluk van de kleintjes met hun pluizige vleugeltjes, hun vertederende gepiep en hun pogingen op te springen om te vliegen, vervulde de ouders van vreugde. (61) Met hun harten saamgebonden door genegenheid voedden ze volledig in de ban van het begoochelend vermogen van Heer Vishnu hun kinderen, hun nageslacht. (62) Op een dag gingen de twee hoofden der familie eropuit om voedsel voor de kinderen te halen, en dwaalden ze ver weg vol zorg speurend in het hele bos. (63) Een zekere jager die toevallig door het bos trok zag hoe de jongen zich rondbewogen in de buurt van hun nest en ving ze toen met een net dat hij had uitgespreid. (64) De mannetjes- en de vrouwtjesduif die altijd ijverig bezig waren met de zorg voor hun kindjes keerden toen terug naar hun nest om het voedsel te brengen. (65) Toen de vrouwtjesduif zag dat de kleintjes uit haar geboren, haar kindertjes, gevangen waren in het net, vloog ze in grote paniek schreeuwend op hen af die ook aan het schreeuwen waren. (66) Gebonden door haar liefde was ze vastbesloten naar haar kinderen om te zien en vergat ze, verdwaasd door de mâyâ van de Ongeborene, zichzelf en raakte ze ook gevangen in het net. (67) De ongelukkige mannetjesduif betreurde heel ellendig dat zijn kinderen waren gevangen die hem meer dierbaar waren dan zijn eigen leven en zijn wijfje dat zo veel op hem leek: (68) 'Kijk hoe helaas ik, die zo dom en van geringe verdienste ben, tenonderga. Ik mislukte erin te beantwoorden aan het drievoudig levensdoel [de purushârtha's] en heb aldus mijn gezin te gronde gericht! (69) Zij die geschikt als ze was mij trouw aanvaardde als haar echtgenoot, heeft, nu vroom vertrokken naar de hemel met haar zoons, me achtergelaten in een leeg huis. (70) Wat is nu nog de zin van mijn bestaan met mijn wijfje en mijn kinderen dood en ikzelf er miserabel en ellendig aan toe met een eenzaam leven in het lege nest?' (71) Toen hij ze vol leed gevangen zag in 't net in de greep van de dood, ging zijn verstand op nul en belandde ook hij in het net. (72) De meedogenloze jager die zijn doel bereikt had pakte het gezinshoofd, de duivenkindjes, en het duivenwijfje op en ging toen naar huis.

(73) Een gezinshoofd die [door minachting voor de burgerdeugden] in onvrede met de ziel behagen schept in de materiële tegenstellingen, krijgt het zwaar te verduren met zijn verwanten, net als deze vogel die er [zonder religiositeit, zinsbeheersing en economische regelingen] zo ellendig aan toe was met het behoud van zijn gezin. (74) De persoon die met het bereikt hebben van de menselijke positie, terwijl de poort der bevrijding wagenwijd openstaat, in familiezaken zo gehecht is als deze vogel, mag men, ookal is ie nog zo opgeklommen, als gevallen worden beschouwd [zie ook 3.30, 3.32: 1-3, 4.28: 17, 5.26: 35, 7.14, 7.15: 38-39, 7.15: 67, 8.16: 9 en 10.69: 40].'

 

next                      

 
 

Tweede editie, geladen 24 maart 2009  

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

 

Tekst 1

De Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat je Me zei, o hoogst fortuinlijke [Uddhava], weerspiegelt Mijn plan [de dynastie terug te trekken], en om die reden zien Brahmâ, Bhava en de leiders der werelden uit naar Mijn terugkeer naar Mijn verblijf.

De Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat je Me zei, o hoogst fortuinlijke, weerspiegelt zeker zo Mijn plan; daar Brahmâ, Bhava en de leiders van de werelden, Mij verlangen in Mijn verblijf. (Vedabase)

 

Tekst 2

Voorzeker heb Ik hier [in Mijn aards verblijf] geheel de taak volbracht voor het heil van de godsbewusten. Terwille van hen incarneerde Ik met Mijn deelaspect [Balarâma] zoals daarvoor door Brahmâ werd gebeden.

Voorzeker heb Ik hier geheel beantwoord aan de bedoeling van de goddelijken, voor wie Ik met Mijn deelaspect [Balarâma] incarneerde zoals daarvoor door Brahmâ werd gebeden. (Vedabase)

 

Tekst 3

Deze familie die door de vloek haar einde zal vinden zal worden vernietigd in een onderlinge twist en voorwaar zal op de zevende dag [na heden] deze stad verzwolgen worden door de oceaan.

Deze familie teneinde door de vloek zal worden vernietigd in een onderlinge twist en voorwaar zal op de zevende dag deze stad verdrinken in de oceaan. (Vedabase)

 

Tekst 4

Als Ik, o man van deugd, deze wereld heb verlaten, zal ze ten prooi vallen aan Kali en zeer spoedig verstoken zijn van alle vroomheid [zie ook 1.16 & 17].

Als, o man van deugd, deze wereld, niet te betwijfelen door Mij verlaten is, zal ze, in zich ten prooi gevallen aan Kali, zeer spoedig verstoken zijn van haar vroomheid [zie ook 1.16 & 17]. (Vedabase)

 

Tekst 5

Wees ervan overtuigd dat je niet in deze wereld moet blijven als ze door Mij is verlaten, want in Kali's tijd zullen de mensen op aarde verstrikt zijn in zonde, o Mijn beste.

Je moet niet blijven, wees er zeker van, in deze wereld door Mij verlaten, daar in Kali's tijd de mensen op aarde, verstrikt zullen zijn in zonde, o Mijn beste. (Vedabase)

 

Tekst6

Je moet in feite met het afzien van alle emotionele banden, met je geest geheel op Mij gevestigd, je in deze wereld rondbewegen met een gelijkgezinde geest [zie B.G. 6: 9, 6: 29, 14: 22-25].

Je moet in feite alle zwak verzakend voor degenen je het meest nabij, met je geest geheel op Mij gevestigd, gelijkgezind rondgaan in de wereld [zie B.G. 6: 9, 6: 29, 14: 22-25]. (Vedabase)

 

 Tekst 7

Deze tijdelijke wereld zoals je die voor de geest haalt, bespreekt, ziet, hoort en zomeer, moet je herkennen als een begoochelend schimmenspel waar je verbeelding mee op de loop gaat [zie ook 10.40: 25].

Dat wat door het oor, het oog, de spraak en meer, aanvaard wordt als de wereld, moet je zien als tijdgebonden, illusie-energie geheel verbeeld [zie ook 10.40: 25]. (Vedabase)

 

Tekst 8

Een persoon die niet [spiritueel] verbonden is, is in de war met al de meningen over wat juist en verkeerd zou zijn, wat zou werken, niet werken en in strijd zou verkeren en is aldus innerlijk verdeeld wat betreft goed en kwaad [B.G. 4: 16].

Een persoon niet verbonden is verward in vele meningen met wat juist is en verkeerd; dat werkt, dat niet, en dat gaat er weer tegenin en heeft aldus een geest tweevoudig van het goed en kwaad [B.G. 4: 16]. (Vedabase)

 

Tekst 9

Bezie daarom met je zinnen beheerst en je geest verbonden, deze wereld als een uitgebreidheid die zich bevindt in het Zelf en dat Zelf als rustend in Mij, de Heer Erboven.

Bezie dus met je zinnen in je greep en je geest verbonden, deze wereld als gespreid binnenin het Zelf en dat Zelf rustend in Mij, de Heer Erboven. (Vedabase)

 

Tekst 10

Met kennis en wijsheid geheel toegerust is men, in het zelf tevreden en alomvattend met de Ziel die voor een ieder die belichaamd is het voorwerp van de liefde vormt, nimmer ontmoedigd door tegenslagen.

Met kennis, wijsheid, geheel toegerust, is men, in het zelf tevreden alomvattend met de Ziel die voor een ieder met een lijf het voorwerp van de liefde is, nimmer gehinderd door een tegenslag. (Vedabase)

 

 Tekst 11

Ontstegen aan de twee van het slecht achten - en afzien van - wat verboden is en het goed achten - en het zich gedragen naar - wat iedereen doet, danst men niet naar de pijpen alsof men nog een onvolwassen kind zou zijn.

Ontstegen aan de twee, van het slecht achten wat is verboden en het als goed betitelen wat geen achter hield, handelt men niet zoals men het verwacht alsof men een jong kind is [en dat is niet ongepast]. (Vedabase)

  

 Tekst 12  

Als men voor zijn medeschepselen een weldoener is die hecht verankerd is in de vrede en men wijselijk het universum kent als zijnde doortrokken van Mijn wezen, zal men nooit en te nimmer degene zijn die telkens weer het onderspit delft.'

Voor de schepselen een weldoener hecht verankerd in de vrede, wijs het universum kennend als door Mij doorvaard, zal men waarlijk nimmer zijn degene die telkens weer opnieuw vernietigd is.' (Vedabase)

 

Tekst 13

S'rî S'uka zei: 'O Koning, met het ontvangen hebben van die instructie van de Opperheer boog de verheven en fortuinlijke Uddhava, ernaar verlangend het hoogste principe te leren kennen, zich neer voor de Onfeilbare om Hem de eer te bewijzen.

S'rî S'uka zei: 'O Koning, door de Opperheer aldus geïnstrueerd boog Uddhava, de verhevene fortuinlijk begerig het hoogste principe zo te kennen, neer voor de Onfeilbare om zijn eerbetoon te brengen. (Vedabase)

  

 Tekst 14

S'rî Uddhava zei: 'O Heer der Yoga die ons verenigt, o Ziel die ons verbindt, o Bron van het Mystieke, strekkend tot mijn voordeel sprak U over de verzaking zoals die gekend wordt in sannyâsa.

S'rî Uddhava zei: 'O Heer der Yoga die de eenheid ons vergunt, O Ziel die Ons Verbindt, o Bron van het Mystieke, tot mijn voordeel sprak U van verzaking zoals gekend door sannyâs. (Vedabase)

 

 Tekst 15  

Deze verzaking o Heer, is moeilijk te volbrengen als men leeft voor de lol en het behagen van de zinnen, met name als men U niet toegewijd is, zo denk ik [vergelijk B.G. 6: 33-34].

Deze verzaking Heer, is moeilijk te volbrengen, door hen die leven voor de lol en zinsbevrediging, met name als men U niet toegewijd is, zo denk ik [vergelijk B.G. 6.33-34]. (Vedabase)

 

Tekst 16

Ik ben met mijn bewustzijn verstrengeld met het lijf en haar relaties zoals dat beschikt is door Uw mâyâ en ben aldus dwaas van het idee van 'ik' en 'mijn'. Onderricht mij daarom, zodat Uw geliefde dienaar met gemak tewerk kan gaan overeenkomstig het proces zoals dat door U wordt onderwezen.

Ik, met mijn bewustzijn, ben verstrengeld met het lijf en haar relaties zoals beschikt is door Uw mâyâ en dus verzot van 'Ik' en 'Mijn'; daarom onderricht mij, zodat Uw geliefde dienaar met gemak te werk gaat naar het proces zoals door U is onderwezen. (Vedabase)

 

Tekst 17  

Wie anders is er behalve U die van de Waarheid bent en Zich voor mij persoonlijk onthult? Welke andere spreker dan mijn Heer, de Allerhoogste Ziel, komt er in aanmerking? Zelfs niet onder degenen die ontwaakten zie ik zo'n spreker. In hun bewustzijn zijn allen, tot aan degenen geleid door Brahmâ, belichaamde zielen die, als ze de zichtbare wereld voor wezenlijk houden, verbijsterd zijn door Uw mâyâ.

Wie anders is er behalve U die van de Waarheid Zich onthult voor mij persoonlijk; welke andere spreker dan mijn Heer, de Allerhoogste Ziel, komt er in aanmerking; zelfs niet onder degenen die ontwaakten zie ik er een; in hun bewustzijn zijn zij die met Brahmâ aan het hoofd, als zielen belichaamd het uitwendige als wezenlijk ziend, allen verbijsterd door Uw mâyâ. (Vedabase)

 

 Tekst 18

Daarom benader ik, die aan verzaking doend met mijn geest zo gekweld ben en vol van leed, U voor mijn toevlucht Nârâyana, o Vriend van de Mens, o U volmaakte, onbegrensde en alwetende Beheerser die altijd weer nieuw bent in Uw verblijf Vaikunthha.'

Daarom wil ik, met mijn geest, oh, op verzaking zo gekweld vol van het leed, U voor mijn toevlucht naderen Nârâyana, Vriend der Mens; U de volmaakte, onbegrensde, alwetende Beheerser altijd weer nieuw in Zijn verblijf Vaikunthha.' (Vedabase)

 

Tekst 19

De Allerhoogste Heer zei: 'Over het algemeen maken mensen die goed bekend met de stand van zaken in deze wereld zich met behulp van hun eigen intelligentie vrij van de ongunstige geneigdheid [van een begeertige geest].

De Allerhoogste Heer zei: 'Over het algemeen maken mensen goed bekend met de stand van zaken in deze wereld zich vrij, met behulp van hun eigen intelligentie, van de ongunstige geneigdheid [van een begeertige geest]. (Vedabase)

 

Tekst 20

In zekere zin vormt de intelligentie de goeroe van een persoon omdat hij met behulp van het intelligente zelf, ofwel zijn ziel, steeds zijn voordeel kan doen bij zijn redeneren en zijn rechtstreeks waarnemen.

In zekere zin, is de ziel van een persoon voorwaar zijn eigen goeroe, daar men bij de rechtstreekse waarneming en de logica [van de ziel] in staat is het ware voordeel te behalen. (Vedabase)

 

Tekst 21

En zo kunnen zij die wijs zijn door hun ervaring, met het redeneren met de [bhakti-]yoga in hun menselijk bestaan, Mij helder voor zich zien in Mijn volle glorie met al Mijn energieën [zie ook Kapila].

Aldus kunnen diegenen die wijs zijn door ervaring, in het redeneren met de [bhakti-]yoga in hun menselijk bestaan, Mij duidelijk rechtstreeks zichtbaar zien, vol toegerust met al Mijn energieën [zie ook Kapila]. (Vedabase)

 

 Tekst 22

Er zijn vele typen lichamen geschapen met één, twee, drie, vier en meer benen of er geen een; van hen is de menselijke gedaante Mij het liefst [zie ook 3.29: 30, 6.4: 9].

Er zijn vele typen lichamen geschapen met één, twee, drie, vier en meer benen of er geen een; van hen is de menselijke gedaante Mij het liefst [zie ook 3.29: 30, 6.4: 9]. (Vedabase)

 

 Tekst 23

Zich ophoudend in een dergelijk lichaam is men met zijn talenten van waarnemen, via direct en indirect vastgestelde levenstekenen en met logische gevolgtrekkingen rechtstreeks op zoek naar Mij, de Allerhoogste Beheerser voorbij de greep der zinswaarneming [zie ook 2.2: 35, 2.9: 36].

Zich daarin bevindend is men met zijn talenten van waarnemen, via direct en indirect vastgestelde levenstekenen, met logische afgeleiden rechtstreeks op zoek naar Mij, de Allerhoogste Beheerser voorbij de greep der zinswaarneming [zie ook 2.2: 35, 2.9: 36]. (Vedabase)

 

 Tekst 24

Dit aangaande is er een oude geschiedenis aan te halen betreffende een gesprek tussen een avadhûta en de o zo machtige koning Yadu.

Aangaande dit wordt aangehaald een oude geschiedenis van een gesprek tussen een avadhûta en de o zo machtige koning Yadu. (Vedabase)

 

 Tekst 25

Yadu, zeer goed thuis in het dharma, zag eens een jonge brahmaanse bedelmonnik zonder enige angst voor wat dan ook rondtrekken, en nam toen de kans waar hem vragen te stellen [zie ook 7.13].

Yadu, zeer goed thuis in 't dharma, die ooit een jonge brahmaanse bedelmonnik onbevreesd voor wat dan ook zag rondtrekken, stelde hem vragen [zie ook 7.13]. (Vedabase)

 

 Tekst 26

S'rî Yadu zei: 'Hoe verwierf u deze buitengewone intelligentie o brahmaan? Hoe kan u, bij uw volle verstand zich met geen enkele arbeid bezighoudend, door de wereld reizen met het vertrouwen van een kind?

S'rî Yadu zei: 'Vanwaar kreeg u deze buitengewone intelligentie o brahmaan, zoals u, bij uw volle verstand zich met geen enkele arbeid bezig houdend, door de wereld reist net als een kind? (Vedabase)

  

 Tekst 27

Normaal gesproken zijn mensen die religieus zijn, uit zijn op een inkomen, van zinsbevrediging zijn en op kennis jagen, bezig terwille van de weelde, een goede naam en een lang leven.

Voorzeker zijn mensen van de religiositeit, uit op een inkomen, van zinsbevrediging en met het najagen van kennis, normaal gesproken bezig terwille van de weelde, een goede naam en een lang leven. (Vedabase)

 

 Tekst 28

Een capabele, geschoolde, ervaren, knappe en welbespraakte persoon als U echter, bent niet iemand van daden. U verlangt helemaal niets, als was u een stompzinnige, gek geworden spookverschijning.

U echter, capabel, geschoold, ervaren, knap en welbespraakt als u bent, bent niet iemand van daden; u verlangt helemaal niets, als was u een stompzinnige, gek geworden, spookverschijning. (Vedabase)

 

 Tekst 29

Een ieder brandt in 't duistere bos van de lust en begeerte, maar u, die om vrij van het vuur te zijn in de Ganges staat als een olifant, brandt in het geheel niet.

Een ieder brandt in 't woud in vuur en vlam van lust en hebzucht, maar u, om vrij van het vuur te zijn in de Ganges staand als een olifant, brandt in het geheel niet. (Vedabase)

 

 Tekst 30

Alstublieft o brahmaan verraad ons, die u erom vragen, wat de oorzaak is van het innerlijk geluk dat u geheel op uzelf verkerend geniet terwijl u verstoken bent van ieder materieel genoegen.'

Alstublieft o brahmaan zeg ons, die het u verzoeken, wat de oorzaak is van het innerlijk geluk van u die geheel op uzelf verkerend verstoken bent van ieder materieel genoegen.' (Vedabase)

 

 Tekst 31

De Allerhoogste Heer zei: 'Aldus verzocht en geëerd door de hoogst fortuinlijke en intelligente Yadu die uit respect voor het brahmaanse nederig zijn hoofd voorover boog, sprak de tweemaal geborene.

De Allerhoogste Heer zei: 'Op deze manier verzocht en geëerd door de hoogst fortuinlijke en intelligente Yadu die uit respect voor het brahmaanse uit nederigheid zijn hoofd voorover boog, sprak de tweemaal geborene. (Vedabase)

 

 Tekst 32

De achtenswaardige brahmaan zei: 'Mij verstandelijk beroepend op vele geestelijk leraren o Koning, trek ik, nu ik aan intelligentie heb gewonnen met hen, bevrijd rond door deze wereld. Alstublieft luister naar hun beschrijving.

De achtenswaardige brahmaan zei: 'Met het verstandelijk mij beroepend op vele geestelijk leraren, o koning, trek ik nu, met het aan intelligentie hebben gewonnen met hen, bevrijd rond in deze wereld; alstublieft verneemt over hen. (Vedabase)

 

 Tekst 33-35

De aarde, de lucht, de ether, het water, het vuur, de maan; de zon, de duif, de python, de zee, de mot, de honingbij; de olifant, de honingdief, het hert, de vis, de hoer [Pingalâ], de visarend; het kind, het meisje, de pijlenmaker, het serpent, de spin en de wesp. Dit zijn mijn vierentwintig geestelijk leraren o Koning. Met het bestuderen van wat zij deden heb ik in dit leven alles geleerd omtrent het Zelf.

De aarde, de lucht, de ether, het water, het vuur, de maan; de zon, de duif, de python, de zee, de mot, de honingbij; de olifant, de honingdief, het hert, de vis, de hoer [Pingalâ], de visarend; het kind, het meisje, de pijlenmaker, het serpent, de spin en de wesp: dezen zijn mijn vierentwintig geestelijk leraren o Koning; mijn heil zoekend bij de lessen getrokken uit hun handelen heb ik in dit leven alles geleerd omtrent het Zelf. (Vedabase)

 

 Tekst 36

Alstublieft luister, o tijger onder de mensen, naar mijn uiteenzetting o zoon van Nâhusha [of Yayâti], van wat ik zoal van ieder van hen afzonderlijk leerde.

Alstublieft luister, o tijger onder de mensen, als ik u uiteenzet, o zoon van Nâhusha [of Yayâti], hoe en wat ik zoal leerde van ieder van hen. (Vedabase)

 

 Tekst 37

Van de aarde leerde ik de regel dat hij die in kennis verkeert niet van het pad moet afwijken en standvastig moet blijven, hoezeer hij ook wordt geplaagd door de andere levende wezens die zich in feite eenvoudig schikken naar wat door het lot is bepaald.

Van de aarde leerde ik de regel dat hij die in kennis verkeert niet moet wijken van het pad en standvastig blijven moet, hoezeer hij ook wordt geplaagd door andere levende wezens die in feite simpelweg volgen naar wat door het lot zo is beschikt. (Vedabase)

 

 Tekst 38

Van de berg [die deel uitmaakt van de aarde] leert men altijd voor anderen klaar te staan, dat men alle handelingen voor het heil van anderen moet verrichten. Naar het voorbeeld van de boom [zie S'rî S'rî S'ikshâshthaka-3] anderen toegewijd te zijn is voor een vroom iemand de enige reden van bestaan [zie ook 10.22: 31-35 en B.G. 17: 20-22].

Van de berg [van aarde] moet men, als een leerling van de boom [zie s'ikshâstaka-3] die anderen is toegewijd [zie ook 10.22: 31-35], een vroom persoon zijn die, met het doen van alle moeite voor de anderen, leeft om de enkele reden van dat hogere doel [zie ook B.G. 17: 20-22]. (Vedabase)

 

 Tekst 39

Een wijze moet met het enkele bewegen van zijn levensadem tevreden zijn en niet zo zeer zijn bevrediging zoeken in zaken die de zinnen een genoegen zijn. Zodoende zal zijn geestelijk weten niet verloren gaan en zal zijn geest en spreken niet zijn afgeleid.

Een wijze moet met het enkele bewegen van zijn levensadem tevreden zijn en niet zo zeer met zaken die de zinnen een genoegen zijn, zodat zijn geestelijk weten niet vernietigd en zijn geest en spreken niet zijn afgeleid. (Vedabase)

 

 Tekst 40

Naar het voorbeeld van de wind dient een yogi, in relatie tot de zinsobjecten met hun verschillende gunstige en nadelige kwaliteiten, als bovenzinnelijke ziel niet verstrikt te raken.

Gelijk de wind behoort een yogî, als een ziel van transcendentie, niet verstrikt te raken waar dan ook in contact komend met allerlei soorten van kwaliteiten goed en kwaad. (Vedabase)

 

  Tekst 41

Een yogi mag dan in deze wereld leven in aardse lichamen en hun karakteristieke kwaliteiten met zich meedragen, maar hij verstrikt zich, goed bewust van zichzelf, niet in dergelijke kwaliteiten, precies zoals de lucht dat niet doet met de verschillende geuren.

Een yogî die in deze wereld aardse lichamen is binnengegaan en hun karakteristieke kwaliteiten op zich nam, verstrikt, goed bewust van zichzelf, zich niet in dergelijke kwaliteiten precies zoals de lucht dat niet doet met de verschillende geuren. (Vedabase)

 

 Tekst 42

Overeenkomstig de ether die zich bevindt in de bewegende en niet-bewegende levende wezens behoort een wijze die onthecht - overeenkomstig de Superziel aanwezig in alle dingen - inziet dat hijzelf puur geest is, te mediteren op de uitgebreidheid als zijnde onverdeeld en alles doordringend [zie ook B.G. 2: 24, 3: 15, 6: 29-30, 9: 6, 11: 17, 12: 3-4 en 13: 14].

Overeenkomstig de ether aanwezig in de bewegenden en niet-bewegenden behoort een wijze, onthecht en naar de Superziel van de verschillende contacten inziend dat hijzelf puur geest is, te mediteren op het uitgebreide als zijnde onverdeeld en alles doordringend [zie ook B.G. 2: 24, 3: 15, 6: 29-30, 9: 6, 11: 17, 12: 3-4 en 13: 14]. (Vedabase)

 

 Tekst 43

Op dezelfde wijze als het bereik van de ether niet in beroering is van de winden die de wolken vooruitblazen, is de persoon [in zijn ware zelf] niet bewogen door de lichamen bestaande uit het vuur, het water en de aarde, die overeenkomstig de geaardheden der natuur bewogen worden door de Tijd.

Op dezelfde wijze als het bereik van de ether niet geraakt wordt door de winden die de wolken blazen, is de persoon [in zijn ware zelf] niet aangetast door de lichamen bestaande uit het vuur, het water en de aarde, die door de geaardheden der natuur in gang gezet zijn door de Tijd. (Vedabase)

 

 Tekst 44

Een wijze, die van nature een zuiver, zachtgeaard, lief en vriendelijk bedevaartsoord is voor de mensen, heiligt, zoals water doet, zij die samenkomen [de vrienden], door zich te laten zien en zich respectvol te laten aanraken en vereren [zie ook sâkhya].

Een wijze, van nature een zuiver, zachtgeaard, lief vriendelijk bedevaartsoord voor mensen, heiligt, zoals het water doet, hij die samenkomt [de vriend], door te zijn gezien, respectvol aangeraakt en geprezen [zie ook sâkhya]. (Vedabase)

 

 Tekst 45

Briljant, gloeiend en onverzettelijk in zijn verzaking is hij die eet voorzover dat nodig is verbonden in de ziel. Zelfs als hij die van verzaking is alles eet [en dus wel de noodzaak voorbijstreeft] raakt hij er niet door besmet zoals een vuur ook niet besmet raakt.

Briljant, gloeiend en onverstoorbaar in zijn verzaking, etend naar de noodzaak, raakt hij die verbonden is in de ziel, zelfs als hij alles eet [dus ook de noodzaak dan voorbijstreeft], niet besmet net als een vuur. (Vedabase)

 

 Tekst 46

Somtijds [als een vuur aldus] verborgen en soms manifest verslindt hij, aanbiddelijk zijnde voor hen die het hoogste verlangen, de offers die men van alle kanten brengt en verbrandt hij het ongeluk uit het verleden en het ongeluk dat nog te gebeuren staat [zie ook 10.81: 4 en B.G. 3: 14].

Somtijds [als een vuur aldus] verborgen, soms manifest verslindt hij, aanbiddelijk voor hen die het hoogste verlangen, de offers gebracht van alle kanten, met het verbranden van het voorgaand en toekomstig ongeluk [zie ook 10.81: 4 en B.G. 3: 13]. (Vedabase)

 

 Tekst 47

Vanuit Zijn eigen vermogen de identiteit aannemend van een ieder gaat de Almachtige net als vuur dat zich voordoet in brandhout de verschillende soorten van hogere en lagere levensvormen binnen [de 'ware' en 'onware', god of dier].

De Almachtige die als waar of onwaar [als god of beest] dit alles is binnengegaan geschapen uit Zijn eigen energie, verschijnt als vuur in brandhout met het aannemen van de identiteit van een ieder. (Vedabase)

 

 Tekst 48

Afgedwongen door de bewegingen van de Tijd die zelf niet kan worden waargenomen, verandert de staat van het lichaam met de levensfasen van geboorte tot de dood. Maar dat raakt de ziel niet, net zo min als de maan anders is door zijn fasen [B.G. 2: 13, 2: 20].

Door de Tijd die in de grond niet waar te nemen is, zijn er, zoals met de maan, beginnend bij de geboorte en eindigend met de crematie, de staten van het lichaam in zijn verschillende fasen; maar geen van dezen zijn van de ziel [B.G. 2: 13, 2: 20]. (Vedabase)

 

 Tekst 49

Zoals men de ziel(en) zelf niet ziet met de lichamen die voortdurend worden geboren en weer sterven als met de vlammen van een vuur, is ook de Tijd zelf niet te zien ondanks zijn voortsnellende, dwingende stroom [*].

De tijd dringend, voortsnellend als een stroom, met zijn voortdurend ontstaan en weer vergaan van schepselen die als de vlammen zijn met een vuur, is, vanuit de ziel bekeken, niet te zien echter [*]. (Vedabase)

 

  Tekst 50

Een yogi verzaakt met het aanvaarden van de zinsobjecten ze op de juiste tijd [naar gelang de cakra-orde]. Hij raakt niet verstrikt met hen net zoals de zon niet gevangen wordt als die met zijn stralen de wateren binnendringt.

Een yogî met het aanvaarden van de objecten voor zijn zinnen verzaakt ze op de juiste tijd [naar de cakra]; hij raakt niet verstrikt in hen net zoals de zon niet als die met zijn stralen de wateren binnendringt [ze verdampend en weer retournerend met de regen]. (Vedabase)

 

  Tekst 51

Als de zon uiteen lijkt te zijn gevallen in zijn reflecties, ziet men zijn oorspronkelijke vorm nog niet als verschillend. net zo is ook de ziel, die voor de tragen van begrip schijnt te zijn opgegaan in reflecties [van aparte zelven], van die positie.

De zon, die gereflecteerd uiteengevallen schijnt te zijn, wordt in zijn oorspronkelijke vorm niet beschouwd in die termen van verscheidenheid; net zo is ook de ziel, die voor de tragen van begrip schijnt te zijn opgegaan in reflecties [van aparte zelven], van die positie. (Vedabase)

 

  Tekst 52

Men zou zich nooit moeten verliezen in buitengewone genegenheid of een nauwe omgang met wie dan ook, omdat men daarin zwelgend groot leed zal ondervinden. Men leeft dan bij de dag alsof men een duif is [zie ook 7.2: 50-56].

Geen buitengewone affectie of nauwe omgang met wie ook zou er ooit moeten zijn, daar daarin zwelgend men groot leed zal ondervinden, levend bij de dag zoals een duif [zie ook 7.2: 50-56]. (Vedabase)

 

  Tekst 53

Een zekere duif bouwde eens in het bos zijn nest in een boom en hield zich daar een aantal jaren op met een vrouwelijke metgezel.

Een zekere duif die in het bos zijn nest in een boom had gebouwd hield zich daar een aantal jaren op met een vrouwtjesduif als metgezel. (Vedabase)

 

  Tekst 54

Als gehechte partners in het huishouden waren zij met hun harten vol van genegenheid als door touwen aan elkaar gebonden, blik aan blik, lijf aan lijf en geest aan geest.

Als gehechte huishouders waren zij met hun harten van genegenheid als door touwen aan elkaar gebonden, blik aan blik, lijf aan lijf en geest aan geest. (Vedabase)

 

  Tekst 55

Op elkaar vertrouwend als een paartje waren ze druk in de bomen bezig met uitrusten, zitten, lopen, staan, communiceren, spelen, eten enzovoorts.

Er samen op vertrouwend als een paartje waren ze bezig met uitrusten, zitten, lopen, staan, communiceren, spelen en eten enzovoorts, temidden van de bomen in het bos. (Vedabase)

 

  Tekst 56

Wat zij ook wenste, o Koning, was wat hij, die het haar naar de zin wou maken, deed. Zonder zich in te tomen beantwoordde hij aan haar verlangens, zelfs als dat moeilijk was.

Wat zij maar wenste, o Koning, is wat hij, proberend het haar naar de zin te maken, deed, zonder zinsbeheersing, genadig verschaffend, zelfs als dat dan moeilijk was. (Vedabase)

 

  Tekst 57

De kuise wijfjesduif raakte voor het eerst zwanger en bracht, toen de tijd rijp was, in het nest haar eitjes ter wereld in de aanwezigheid van haar echtgenoot.

De kuise wijfjesduif met het dragen van haar eerste zwangerschap bracht, toen de tijd daar was, in het nest de eitjes ter wereld in de aanwezigheid van haar echtgenoot. (Vedabase)

 

  Tekst 58

Uit hen kwamen na de nodige tijd de kleintjes tevoorschijn, met de tere leden en veertjes zoals geschapen door het ondoorgrondelijke vermogen van de Heer.

Uit hen werden na de nodige tijd, met tere leden, tere veertjes, de kleintjes voortgebracht door de 0ndoorgrondelijke vermogens van de Heer. (Vedabase)

 

  Tekst 59

Het paartje zorgde dolblij toen voor hun nageslacht, waarbij ze vol liefde verrukt luisterden naar de onbeholpen geluidjes van hun piepende kindjes.

Het paartje zeer verheugd voedde toen hun nageslacht, vol liefde in verrukking luisterend naar de onbeholpen geluidjes van hun piepende kindjes. (Vedabase)

 

  Tekst 60

De aanblik van het geluk van de kleintjes met hun pluizige vleugeltjes, hun vertederende gepiep en hun pogingen op te springen om te vliegen, vervulde de ouders van vreugde.

Met de pluizige vleugeltjes van de kleintjes, hun vertederende gepiep en hun pogingen op te springen om te vliegen, werden de ouders helemaal blij als ze zo gelukkig waren. (Vedabase)

 

  Tekst 61

Met hun harten saamgebonden door genegenheid voedden ze volledig in de ban van het begoochelend vermogen van Heer Vishnu hun kinderen, hun nageslacht.

Met hun harten saamgebonden door genegenheid voedden ze, volledig in de ban van het begoochelend vermogen van Heer Vishnu, hun kinderen, hun nageslacht. (Vedabase)

 

  Tekst 62

Op een dag gingen de twee hoofden der familie eropuit om voedsel voor de kinderen te halen, en dwaalden ze ver weg vol zorg speurend in het hele bos.

Op een dag gingen de twee hoofden der familie er op uit voor voedsel voor de kinderen, ver weg afdwalend, vol zorg speurend in het hele bos. (Vedabase)

 

  Tekst 63

Een zekere jager die toevallig door het bos trok zag hoe de jongen zich rondbewogen in de buurt van hun nest en ving ze toen met een net dat hij had uitgespreid.

Een zekere jager die toevallig door het bos trok, en ze [de jongen] zag, ving ze met een net gespreid zoals ze zich rondbewogen in de buurt van hun nest. (Vedabase)

 

  Tekst 64

De mannetjes- en de vrouwtjesduif die altijd ijverig bezig waren met de zorg voor hun kindjes keerden toen terug naar hun nest om het voedsel te brengen.

De mannetjes- en de vrouwtjesduif er op uit, altijd ijverig bezig in de zorg voor hun kindjes voedsel aanslepend, kwamen dichterbij hun nest. (Vedabase)

 

  Tekst 65

Toen de vrouwtjesduif zag dat de kleintjes uit haar geboren, haar kindertjes, gevangen waren in het net, vloog ze in grote paniek schreeuwend op hen af die ook aan het schreeuwen waren.

De vrouwtjesduif met het zien van de kleintjes uit haar geboren, haar kindertjes, gevangen in het net, haastte zich erheen in grote paniek naar hen roepend die ook aan het schreeuwen waren. (Vedabase)

 

  Tekst 66

Gebonden door haar liefde was ze vastbesloten naar haar kinderen om te zien en vergat ze, verdwaasd door de mâyâ van de Ongeborene, zichzelf en raakte ze ook gevangen in het net.

Zij, steeds gebonden door de liefde raakte, met het omzien naar de kinderen, verdwaasd door de mâyâ van de Ongeborene zichzelf vergetend, ook in het net gevangen. (Vedabase)

 

  Tekst 67

De ongelukkige mannetjesduif betreurde heel ellendig dat zijn kinderen waren gevangen die hem meer dierbaar waren dan zijn eigen leven en zijn wijfje dat zo veel op hem leek:

De ongelukkige mannetjesduif betreurde heel ellendig de gevangenneming van zijn kinderen die hem meer dierbaar waren dan hemzelf en zijn wijfje dat zo veel op hem leek: (Vedabase)

 

  Tekst 68

'Kijk hoe helaas ik, die zo dom en van geringe verdienste ben, tenonderga. Ik mislukte erin te beantwoorden aan het drievoudig levensdoel [de purushârtha's] en heb aldus mijn gezin te gronde gericht!

'Helaas, zie toch de vernietiging van mij zo zwak van geest zonder verdienste, die [nu] onvervuld het drievoudig doel is misgelopen [de purushârtha's] van de familie die hij te gronde richtte! (Vedabase)

 

  Tekst 69

Zij die geschikt als ze was mij trouw aanvaardde als haar echtgenoot, heeft, nu vroom vertrokken naar de hemel met haar zoons, me achtergelaten in een leeg huis.

Zij die mij geschikt en trouw aanvaardde als haar echtgenoot, heeft, vroom naar de hemel gaand tezamen met haar zoons, me achtergelaten met een leeg huis. (Vedabase)

 

  Tekst 70

Wat is nu nog de zin van mijn bestaan met mijn wijfje en mijn kinderen dood en ikzelf er miserabel en ellendig aan toe met een eenzaam leven in het lege nest?'

Met mij ellendig in het lege nest met mijn wijfje en mijn kinderen dood, voor welk doel zou ik dan nog leven, miserabel lijdend een leven in gescheidenheid?' (Vedabase)

 

  Tekst 71

Toen hij ze vol leed gevangen zag in 't net in de greep van de dood, ging zijn verstand op nul en belandde ook hij in het net.

Met hem vol leed ze inderdaad gevangen ziend in 't net in de greep van de dood, belandde, zelfs hij, ontsteld met zijn verstand op nul, eveneens in het net. (Vedabase)

 

  Tekst 72

De meedogenloze jager die zijn doel bereikt had pakte het gezinshoofd, de duivenkindjes, en het duivenwijfje op en ging toen naar huis.

De meedogenloze jager die zijn doel bereikt had nam de huishouder-duif, de duivenkindjes, en het duivenwijfje op, en begaf zich toen naar huis. (Vedabase)

 

  Tekst 73

Een gezinshoofd die [door minachting voor de burgerdeugden] in onvrede met de ziel behagen schept in de materiële tegenstellingen, krijgt het zwaar te verduren met zijn verwanten, net als deze vogel die er [zonder religiositeit, zinsbeheersing en economische regelingen] zo ellendig aan toe was met het behoud van zijn gezin.

Een gezinshoofd niet in vrede met de ziel genoegen belevend in materiële tweeledigheid, heeft aldus, zoals deze vogel ellendig in het behouden van zijn gezin, met zijn verwanten zwaar te lijden. (Vedabase)

 

  Tekst 74

De persoon die met het bereikt hebben van de menselijke positie, terwijl de poort der bevrijding wagenwijd openstaat, in familiezaken zo gehecht is als deze vogel, mag men, ookal is ie nog zo opgeklommen, als gevallen worden beschouwd [zie ook 3.30, 3.32: 1-3, 4.28: 17, 5.26: 35, 7.14, 7.15: 38-39, 7.15: 67, 8.16: 9 en 10.69: 40].'

Iemand die met het bereikt hebben van de menselijke positie, met de poort der bevrijding wagenwijd open, in familiezaken zo gehecht is als deze vogel; beschouw hem zo hoog geklommen als zijnde gevallen [zie ook 3.30, 3.32: 1-3, 4.28: 17 , 5.26: 35, 7.14, 7.15: 38-39,7.15: 67, 8.16: 9 en 10.69: 40]. (Vedabase)

 

*: Deze analytische methode, van het in dit geval terugkeren naar het onderwerp van het vuur na het reeds geïntroduceerd hebben van het volgende onderwerp van de maan, wordt simhâvalokana genoemd, of 'de blik van de leeuw', waarmee men tegelijkertijd voortgaat en achteruit kijkt om te zien of er iets over het hoofd werd gezien.

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De afbeelding is getiteld: 'Buddha as a mendicant" en werd geschilderd door
Abanindra Nâth Tagore.
Bron: 'Myths of the Hindus and Buddhists', Ballantine Press, Oct. 1913.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties