regelbalk

 

Govindam Âdi Purusham

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 7

 

Krishna Spreekt over de Meesters van de Avadhûta en de Duif der Gehechtheid

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat je Me zei, o hoogst fortuinlijke, weerspiegelt zeker zo Mijn plan; daar Brahmâ, Bhava en de leiders van de werelden, Mij verlangen in Mijn verblijf. (2) Voorzeker heb Ik hier geheel beantwoord aan de bedoeling van de goddelijken, voor wie Ik met Mijn deelaspect [Balarâma] incarneerde zoals daarvoor door Brahmâ werd gebeden. (3) Deze familie ten einde door de vloek zal worden vernietigd in een onderlinge twist en voorwaar zal op de zevende dag deze stad verdrinken in de oceaan. (4) Als, o man van deugd, deze wereld, niet te betwijfelen door Mij verlaten is, zal ze, in zich ten prooi gevallen aan Kali, zeer spoedig verstoken zijn van haar vroomheid [zie ook 1.16 & 17]. (5) Je moet niet blijven, wees er zeker van, in deze wereld door Mij verlaten, daar in Kali's tijd de mensen op aarde, verstrikt zullen zijn in zonde, o Mijn beste. (6) Je moet in feite alle zwak verzakend voor degenen je het meest nabij, met je geest geheel op Mij gevestigd, gelijkgezind rondgaan in de wereld [zie B.G. 6: 9, 6: 29, 14: 22-25]. (7) Dat wat door het oor, het oog, de spraak en meer, aanvaard wordt als de wereld, moet je zien als tijdgebonden, illusie-energie geheel verbeeld [zie ook 10.40: 25]. (8) Een persoon niet verbonden is verward in vele meningen met wat juist is en verkeerd; dat werkt, dat niet, en dat gaat er weer tegenin en heeft aldus een geest tweevoudig van het goed en kwaad [B.G. 4: 16]. (9) Bezie dus met je zinnen in je greep en je geest verbonden, deze wereld als gespreid binnenin het Zelf en dat Zelf rustend in Mij, de Heer Erboven. (10) Met kennis, wijsheid, geheel toegerust, is men, in het zelf tevreden alomvattend met de Ziel die voor een ieder met een lijf het voorwerp van de liefde is, nimmer gehinderd door een tegenslag. (11) Ontstegen aan de twee, van het slecht achten wat is verboden en het als goed betitelen wat geen achter hield, handelt men niet zoals men het verwacht alsof men een jong kind is [en dat is niet ongepast]. (12) Voor de schepselen een weldoener hecht verankerd in de vrede, wijs het universum kennend als door Mij doorvaard, zal men waarlijk nimmer zijn degene die telkens weer opnieuw vernietigd is.'

(13) S'rî S'uka zei: 'O Koning, door de Opperheer aldus geïnstrueerd boog Uddhava, de verhevene fortuinlijk begerig het hoogste principe zo te kennen, neer voor de Onfeilbare om zijn eerbetoon te brengen. (14) S'rî Uddhava zei: 'O Heer der Yoga die de eenheid ons vergunt, O Ziel die Ons Verbindt, o Bron van het Mystieke, tot mijn voordeel sprak U van verzaking zoals gekend door sannyâs. (15) Deze verzaking Heer, is moeilijk te volbrengen, door hen die leven voor de lol en zinsbevrediging, met name als men U niet toegewijd is, zo denk ik [vergelijk B.G. 6.33-34]. (16) Ik, met mijn bewustzijn, ben verstrengeld met het lijf en haar relaties zoals beschikt is door Uw mâyâ en dus verzot van 'Ik' en 'Mijn'; daarom onderricht mij, zodat Uw geliefde dienaar met gemak te werk gaat naar het proces zoals door U is onderwezen. (17) Wie anders is er behalve U die van de Waarheid Zich onthult voor mij persoonlijk; welke andere spreker dan mijn Heer, de Allerhoogste Ziel, komt er in aanmerking; zelfs niet onder degenen die ontwaakten zie ik er een; in hun bewustzijn zijn zij die met Brahmâ aan het hoofd, als zielen belichaamd het uitwendige als wezenlijk ziend, allen verbijsterd door Uw mâyâ. (18) Daarom wil ik, met mijn geest, oh, op verzaking zo gekweld vol van het leed, U voor mijn toevlucht naderen Nârâyana, Vriend der Mens; U de volmaakte, onbegrensde, alwetende Beheerser altijd weer nieuw in Zijn verblijf Vaikunthha.'

(19) De Allerhoogste Heer zei: 'Over het algemeen maken mensen goed bekend met de stand van zaken in deze wereld zich vrij, met behulp van hun eigen intelligentie, van de ongunstige geneigdheid [van een begeertige geest]. (20) In zekere zin, is de ziel van een persoon voorwaar zijn eigen goeroe, daar men bij de rechtstreekse waarneming en de logica [van de ziel] in staat is het ware voordeel te behalen. (21) Aldus kunnen diegenen die wijs zijn door ervaring, in het redeneren met de [bhakti-]yoga in hun menselijk bestaan, Mij duidelijk rechtstreeks zichtbaar zien, vol toegerust met al Mijn energieën [zie ook Kapila]. (22) Er zijn vele typen lichamen geschapen met één, twee, drie, vier en meer benen of er geen een; van hen is de menselijke gedaante Mij het liefst [zie ook 3.29: 30, 6.4: 9]. (23) Zich daarin bevindend is men met zijn talenten van waarnemen, via direct en indirect vastgestelde levenstekenen, met logische afgeleiden rechtstreeks op zoek naar Mij, de Allerhoogste Beheerser voorbij de greep der zinswaarneming [zie ook 2.2: 35, 2.9: 36]. (24) Aangaande dit wordt aangehaald een oude geschiedenis van een gesprek tussen een avadhûta en de o zo machtige koning Yadu.

(25) Yadu, zeer goed thuis in 't dharma, die ooit een jonge brahmaanse bedelmonnik onbevreesd voor wat dan ook zag rondtrekken, stelde hem vragen [zie ook 7.13]. (26) S'rî Yadu zei: 'Vanwaar kreeg u deze buitengewone intelligentie o brahmaan, zoals u, bij uw volle verstand zich met geen enkele arbeid bezig houdend, door de wereld reist net als een kind? (27) Voorzeker zijn mensen van de religiositeit, uit op een inkomen, van zinsbevrediging en met het najagen van kennis, normaal gesproken bezig terwille van de weelde, een goede naam en een lang leven. (28) U echter, capabel, geschoold, ervaren, knap en welbespraakt als u bent, bent niet iemand van daden; u verlangt helemaal niets, als was u een stompzinnige, gek geworden, spookverschijning. (29) Een ieder brandt in 't woud in vuur en vlam van lust en hebzucht, maar u, om vrij van het vuur te zijn in de Ganges staand als een olifant, brandt in het geheel niet. (30) Alstublieft o brahmaan zeg ons, die het u verzoeken, wat de oorzaak is van het innerlijk geluk van u die geheel op uzelf verkerend verstoken bent van ieder materieel genoegen.'

(31) De Allerhoogste Heer zei: 'Op deze manier verzocht en geëerd door de hoogst fortuinlijke en intelligente Yadu die uit respect voor het brahmaanse uit nederigheid zijn hoofd voorover boog, sprak de tweemaal geborene. (32) De achtenswaardige brahmaan zei: 'Met het verstandelijk mij beroepend op vele geestelijk leraren, o koning, trek ik nu, met het aan intelligentie hebben gewonnen met hen, bevrijd rond in deze wereld; alstublieft verneemt over hen. (33-35) De aarde, de lucht, de ether, het water, het vuur, de maan; de zon, de duif, de python, de zee, de mot, de honingbij; de olifant, de honingdief, het hert, de vis, de hoer [Pingalâ], de visarend; het kind, het meisje, de pijlenmaker, het serpent, de spin en de wesp: dezen zijn mijn vierentwintig geestelijk leraren o Koning; mijn heil zoekend bij de lessen getrokken uit hun handelen heb ik in dit leven alles geleerd omtrent het Zelf. (36) Alstublieft luister, o tijger onder de mensen, als ik u uiteenzet, o zoon van Nâhusha [of Yayâti], hoe en wat ik zoal leerde van ieder van hen.

(37) Van de aarde leerde ik de regel dat hij die in kennis verkeert niet moet wijken van het pad en standvastig blijven moet, hoezeer hij ook wordt geplaagd door andere levende wezens die in feite simpelweg volgen naar wat door het lot zo is beschikt. (38) Van de berg [van aarde] moet men, als een leerling van de boom [zie s'ikshâstaka-3] die anderen is toegewijd [zie ook 10.22: 31-35], een vroom persoon zijn die, met het doen van alle moeite voor de anderen, leeft om de enkele reden van dat hogere doel [zie ook B.G. 17: 20-22].

(39) Een wijze moet met het enkele bewegen van zijn levensadem tevreden zijn en niet zo zeer met zaken die de zinnen een genoegen zijn, zodat zijn geestelijk weten niet vernietigd en zijn geest en spreken niet zijn afgeleid. (40) Gelijk de wind behoort een yogî, als een ziel van transcendentie, niet verstrikt te raken waar dan ook in contact komend met allerlei soorten van kwaliteiten goed en kwaad. (41) Een yogî die in deze wereld aardse lichamen is binnengegaan en hun karakteristieke kwaliteiten op zich nam, verstrikt, goed bewust van zichzelf, zich niet in dergelijke kwaliteiten precies zoals de lucht dat niet doet met de verschillende geuren.

(42) Overeenkomstig de ether aanwezig in de bewegenden en niet-bewegenden behoort een wijze, onthecht en naar de Superziel van de verschillende contacten inziend dat hijzelf puur geest is, te mediteren op het uitgebreide als zijnde onverdeeld en alles doordringend [zie ook B.G. 2: 24, 3: 15, 6: 29-30, 9: 6, 11: 17, 12: 3-4 en 13: 14]. (43) Op dezelfde wijze als het bereik van de ether niet geraakt wordt door de winden die de wolken blazen, is de persoon [in zijn ware zelf] niet aangetast door de lichamen bestaande uit het vuur, het water en de aarde, die door de geaardheden der natuur in gang gezet zijn door de Tijd.

(44) Een wijze, van nature een zuiver, zachtgeaard, lief vriendelijk bedevaartsoord voor mensen, heiligt, zoals het water doet, hij die samenkomt [de vriend], door te zijn gezien, respectvol aangeraakt en geprezen [zie ook sâkhya].

(45) Briljant, gloeiend en onverstoorbaar in zijn verzaking, etend naar de noodzaak, raakt hij die verbonden is in de ziel, zelfs als hij alles eet [dus ook de noodzaak dan voorbijstreeft], niet besmet net als een vuur. (46) Somtijds [als een vuur aldus] verborgen, soms manifest verslindt hij, aanbiddelijk voor hen die het hoogste verlangen, de offers gebracht van alle kanten, met het verbranden van het voorgaand en toekomstig ongeluk [zie ook 10.81: 4 en B.G. 3: 13]. (47) De Almachtige die als waar of onwaar [als god of beest] dit alles is binnengegaan geschapen uit Zijn eigen energie, verschijnt als vuur in brandhout met het aannemen van de identiteit van een ieder.

(48) Door de Tijd die in de grond niet waar te nemen is, zijn er, zoals met de maan, beginnend bij de geboorte en eindigend met de crematie, de staten van het lichaam in zijn verschillende fasen; maar geen van dezen zijn van de ziel [B.G. 2: 13, 2: 20]. (49) De tijd dringend, voortsnellend als een stroom, met zijn voortdurend ontstaan en weer vergaan van schepselen die als de vlammen zijn met een vuur, is, vanuit de ziel bekeken, niet te zien echter [*].

(50) Een yogî met het aanvaarden van de objecten voor zijn zinnen verzaakt ze op de juiste tijd [naar de cakra]; hij raakt niet verstrikt in hen net zoals de zon niet als die met zijn stralen de wateren binnendringt [ze verdampend en weer retournerend met de regen]. (51) De zon, die gereflecteerd uiteengevallen schijnt te zijn, wordt in zijn oorspronkelijke vorm niet beschouwd in die termen van verscheidenheid; net zo is ook de ziel, die voor de tragen van begrip schijnt te zijn opgegaan in reflecties [van aparte zelven], van die positie.

(52) Geen buitengewone affectie of nauwe omgang met wie ook zou er ooit moeten zijn, daar daarin zwelgend men groot leed zal ondervinden, levend bij de dag zoals een duif [zie ook 7.2: 50-56]. (53) Een zekere duif die in het bos zijn nest in een boom had gebouwd hield zich daar een aantal jaren op met een vrouwtjesduif als metgezel. (54) Als gehechte huishouders waren zij met hun harten van genegenheid als door touwen aan elkaar gebonden, blik aan blik, lijf aan lijf en geest aan geest. (55) Er samen op vertrouwend als een paartje waren ze bezig met uitrusten, zitten, lopen, staan, communiceren, spelen en eten enzovoorts, temidden van de bomen in het bos. (56) Wat zij maar wenste, o Koning, is wat hij, proberend het haar naar de zin te maken, deed, zonder zinsbeheersing, genadig verschaffend, zelfs als dat dan moeilijk was. (57) De kuise wijfjesduif met het dragen van haar eerste zwangerschap bracht, toen de tijd daar was, in het nest de eitjes ter wereld in de aanwezigheid van haar echtgenoot. (58) Uit hen werden na de nodige tijd, met tere leden, tere veertjes, de kleintjes voortgebracht door de 0ndoorgrondelijke vermogens van de Heer. (59) Het paartje zeer verheugd voedde toen hun nageslacht, vol liefde in verrukking luisterend naar de onbeholpen geluidjes van hun piepende kindjes. (60) Met de pluizige vleugeltjes van de kleintjes, hun vertederende gepiep en hun pogingen op te springen om te vliegen, werden de ouders helemaal blij als ze zo gelukkig waren. (61) Met hun harten saamgebonden door genegenheid voedden ze, volledig in de ban van het begoochelend vermogen van Heer Vishnu, hun kinderen, hun nageslacht. (62) Op een dag gingen de twee hoofden der familie er op uit voor voedsel voor de kinderen, ver weg afdwalend, vol zorg speurend in het hele bos. (63) Een zekere jager die toevallig door het bos trok, en ze [de jongen] zag, ving ze met een net gespreid zoals ze zich rondbewogen in de buurt van hun nest. (64) De mannetjes- en de vrouwtjesduif er op uit, altijd ijverig bezig in de zorg voor hun kindjes voedsel aanslepend, kwamen dichterbij hun nest. (65) De vrouwtjesduif met het zien van de kleintjes uit haar geboren, haar kindertjes, gevangen in het net, haastte zich erheen in grote paniek naar hen roepend die ook aan het schreeuwen waren. (66) Zij, steeds gebonden door de liefde raakte, met het omzien naar de kinderen, verdwaasd door de mâyâ van de Ongeborene zichzelf vergetend, ook in het net gevangen. (67) De ongelukkige mannetjesduif betreurde heel ellendig de gevangenneming van zijn kinderen die hem meer dierbaar waren dan hemzelf en zijn wijfje dat zo veel op hem leek: (68) 'Helaas, zie toch de vernietiging van mij zo zwak van geest zonder verdienste, die [nu] onvervuld het drievoudig doel is misgelopen [de purushârtha's] van de familie die hij te gronde richtte! (69) Zij die mij geschikt en trouw aanvaardde als haar echtgenoot, heeft, vroom naar de hemel gaand tezamen met haar zoons, me achter gelaten met een leeg huis. (70) Met mij ellendig in het lege nest met mijn wijfje en mijn kinderen dood, voor welk doel zou ik dan nog leven, miserabel lijdend een leven in gescheidenheid?' (71) Met hem vol leed ze inderdaad gevangen ziend in 't net in de greep van de dood, belandde, zelfs hij, ontsteld met zijn verstand op nul, eveneens in het net. (72) De meedogenloze jager die zijn doel bereikt had nam de huishouder-duif, de duivenkindjes, en het duivenwijfje op, en begaf zich toen naar huis.

(73) Een gezinshoofd niet in vrede met de ziel genoegen belevend in materiële tweeledigheid, heeft aldus, zoals deze vogel ellendig in het behouden van zijn gezin, met zijn verwanten zwaar te lijden. (74) Iemand die met het bereikt hebben van de menselijke positie, met de poort der bevrijding wagenwijd open, in familiezaken zo gehecht is als deze vogel; beschouw hem zo hoog geklommen als zijnde gevallen [zie ook 3.30, 3.32: 1-3, 4.28: 17 , 5.26: 35, 7.14, 7.15: 38-39,7.15: 67, 8.16: 9 en 10.69: 40].

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar)::

Lord Krishna Instructs Uddhava

 

Tekst 1:

De Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat je Me zei, o hoogst fortuinlijke, weerspiegelt zeker zo Mijn plan; daar Brahmâ, Bhava en de leiders van de werelden, Mij verlangen in Mijn verblijf.

The Supreme Personality of Godhead said - O greatly fortunate Uddhava, you have accurately revealed My desire to withdraw the Yadu dynasty from the earth and return to My own abode in Vaikunthha. Thus Lord Brahmâ, Lord S'iva and all other planetary rulers are now praying for Me to resume My residence in Vaikunthha.

 

Tekst 2:

Voorzeker heb Ik hier geheel beantwoord aan de bedoeling van de goddelijken, voor wie Ik met Mijn deelaspect [Balarâma] incarneerde zoals daarvoor door Brahmâ werd gebeden.

Answering the prayer of Lord Brahmâ, I descended within this world along with My plenary portion, Lord Baladeva, and performed various activities on behalf of the demigods. I have now completed My mission here.

 

Tekst 3:

Deze familie ten einde door de vloek zal worden vernietigd in een onderlinge twist en voorwaar zal op de zevende dag deze stad verdrinken in de oceaan.

Now due to the brâhmanas' curse the Yadu dynasty will certainly perish by fighting among themselves; and on the seventh day from today the ocean will rise up and inundate this city of Dvârakâ.

 

Tekst 4:

Als, o man van deugd, deze wereld, niet te betwijfelen door Mij verlaten is, zal ze, in zich ten prooi gevallen aan Kali, zeer spoedig verstoken zijn van haar vroomheid [zie ook 1.16 & 17].

O saintly Uddhava, in the near future I will abandon this earth. Then, being overwhelmed by the age of Kali, the earth will be bereft of all piety.

 

Tekst 5:

Je moet niet blijven, wees er zeker van, in deze wereld door Mij verlaten, daar in Kali's tijd de mensen op aarde, verstrikt zullen zijn in zonde, o Mijn beste.

My dear Uddhava, you should not remain here on the earth once I have abandoned this world. My dear devotee, you are sinless, but in Kali-yuga the people will be addicted to all types of sinful activities; therefore do not stay here.

 

Tekst6:

Je moet in feite alle zwak verzakend voor degenen je het meest nabij, met je geest geheel op Mij gevestigd, gelijkgezind rondgaan in de wereld [zie B.G. 6: 9, 6: 29, 14: 22-25].

Now you should completely give up all attachment to your personal friends and relatives and fix your mind on Me. Thus being always conscious of Me, you should observe all things with equal vision and wander throughout the earth.

 

 Tekst 7

Dat wat door het oor, het oog, de spraak en meer, aanvaard wordt als de wereld, moet je zien als tijdgebonden, illusie-energie geheel verbeeld [zie ook 10.40: 25].

My dear Uddhava, the material universe that you perceive through your mind, speech, eyes, ears and other senses is an illusory creation that one imagines to be real due to the influence of mâyâ. In fact, you should know that all of the objects of the material senses are temporary.

 

Tekst 8

Een persoon niet verbonden is verward in vele meningen met wat juist is en verkeerd; dat werkt, dat niet, en dat gaat er weer tegenin en heeft aldus een geest tweevoudig van het goed en kwaad [B.G. 4: 16].

One whose consciousness is bewildered by illusion perceives many differences in value and meaning among material objects. Thus one engages constantly on the platform of material good and evil and is bound by such conceptions. Absorbed in material duality, such a person contemplates the performance of compulsory duties, nonperformance of such duties and performance of forbidden activities.

 

Tekst 9

Bezie dus met je zinnen in je greep en je geest verbonden, deze wereld als gespreid binnenin het Zelf en dat Zelf rustend in Mij, de Heer Erboven.

Therefore, bringing all your senses under control and thus subduing the mind, you should see the entire world as situated within the self, who is expanded everywhere, and you should also see this individual self within Me, the Supreme Personality of Godhead.

 

Tekst 10

Met kennis, wijsheid, geheel toegerust, is men, in het zelf tevreden alomvattend met de Ziel die voor een ieder met een lijf het voorwerp van de liefde is, nimmer gehinderd door een tegenslag.

Being fully endowed with conclusive knowledge of the Vedas and having realized the ultimate purpose of such knowledge in practice, you will be able to perceive the pure self, and thus your mind will be satisfied. At that time you will become dear to all living beings, headed by the demigods, and you will never be hampered by any disturbance in life.

 

 Tekst 11

Ontstegen aan de twee, van het slecht achten wat is verboden en het als goed betitelen wat geen achter hield, handelt men niet zoals men het verwacht alsof men een jong kind is [en dat is niet ongepast].

One who has transcended material good and evil automatically acts in accordance with religious injunctions and avoids forbidden activities. The self-realized person does this spontaneously, like an innocent child, and not because he is thinking in terms of material good and evil.

  

 Tekst 12  

Voor de schepselen een weldoener hecht verankerd in de vrede, wijs het universum kennend als door Mij doorvaard, zal men waarlijk nimmer zijn degene die telkens weer opnieuw vernietigd is.'

One who is the kind well-wisher of all living beings, who is peaceful and firmly fixed in knowledge and realization, sees Me within all things. Such a person never again falls down into the cycle of birth and death.

 

Tekst 13

S'rî S'uka zei: 'O Koning, door de Opperheer aldus geïnstrueerd boog Uddhava, de verhevene fortuinlijk begerig het hoogste principe zo te kennen, neer voor de Onfeilbare om zijn eerbetoon te brengen.

S'rî S'ukadeva Gosvâmi said: O King, the Supreme Personality of Godhead, Lord Krishna, thus instructed His pure devotee Uddhava, who was eager to receive knowledge from the Lord. Uddhava then offered obeisances to the Lord and spoke as follows.

  

 Tekst 14

S'rî Uddhava zei: 'O Heer der Yoga die de eenheid ons vergunt, O Ziel die Ons Verbindt, o Bron van het Mystieke, tot mijn voordeel sprak U van verzaking zoals gekend door sannyâs.

S'rî Uddhava said - My dear Lord, You alone award the results of yoga practice, and You are so kind that by Your own influence You distribute the perfection of yoga to Your devotee. Thus You are the Supreme Soul who is realized through yoga, and it is You who are the origin of all mystic power. For my supreme benefit You have explained the procedure for giving up the material world through the process of sannyâsa, or renunciation.

 

 Tekst 15  

Deze verzaking Heer, is moeilijk te volbrengen, door hen die leven voor de lol en zinsbevrediging, met name als men U niet toegewijd is, zo denk ik [vergelijk B.G. 6.33-34].

My dear Lord, O Supreme Soul, for those whose minds are attached to sense gratification, and especially for those bereft of devotion unto You, such renunciation of material enjoyment is most difficult to perform. That is my opinion.

 

Tekst 16

Ik, met mijn bewustzijn, ben verstrengeld met het lijf en haar relaties zoals beschikt is door Uw mâyâ en dus verzot van 'Ik' en 'Mijn'; daarom onderricht mij, zodat Uw geliefde dienaar met gemak te werk gaat naar het proces zoals door U is onderwezen.

O my Lord, I myself am most foolish because my consciousness is merged in the material body and bodily relations, which are all manufactured by Your illusory energy. Thus I am thinking, 'I am this body, and all of these relatives are mine.' Therefore, my Lord, please instruct Your poor servant. Please tell me how I can very easily carry out Your instructions.

 

Tekst 17  

Wie anders is er behalve U die van de Waarheid Zich onthult voor mij persoonlijk; welke andere spreker dan mijn Heer, de Allerhoogste Ziel, komt er in aanmerking; zelfs niet onder degenen die ontwaakten zie ik er een; in hun bewustzijn zijn zij die met Brahmâ aan het hoofd, als zielen belichaamd het uitwendige als wezenlijk ziend, allen verbijsterd door Uw mâyâ.

My dear Lord, You are the Absolute Truth, the Supreme Personality of Godhead, and You reveal Yourself to Your devotees. Besides Your Lordship, I do not see anyone who can actually explain perfect knowledge to me. Such a perfect teacher is not to be found even among the demigods in heaven. Indeed, all of the demigods, headed by Lord Brahmâ, are bewildered by Your illusory potency. They are conditioned souls who accept their own material bodies and bodily expansions to be the highest truth.

 

 Tekst 18

Daarom wil ik, met mijn geest, oh, op verzaking zo gekweld vol van het leed, U voor mijn toevlucht naderen Nârâyana, Vriend der Mens; U de volmaakte, onbegrensde, alwetende Beheerser altijd weer nieuw in Zijn verblijf Vaikunthha.'

Therefore, O Lord, feeling weary of material life and tormented by its distresses, I now surrender unto You because You are the perfect master. You are the unlimited, all-knowing Supreme Personality of Godhead, whose spiritual abode in Vaikunthha is free from all disturbances. In fact, You are known as Nârâyana, the true friend of all living beings.

 

Tekst 19

De Allerhoogste Heer zei: 'Over het algemeen maken mensen goed bekend met de stand van zaken in deze wereld zich vrij, met behulp van hun eigen intelligentie, van de ongunstige geneigdheid [van een begeertige geest].

The Supreme Lord replied: Generally those human beings who can expertly analyze the actual situation of the material world are able to raise themselves beyond the inauspicious life of gross material gratification.

 

Tekst 20

In zekere zin, is de ziel van een persoon voorwaar zijn eigen goeroe, daar men bij de rechtstreekse waarneming en de logica [van de ziel] in staat is het ware voordeel te behalen.

An intelligent person, expert in perceiving the world around him and in applying sound logic, can achieve real benefit through his own intelligence. Thus sometimes one acts as one's own instructing spiritual master.

 

Tekst 21

Aldus kunnen diegenen die wijs zijn door ervaring, in het redeneren met de [bhakti-]yoga in hun menselijk bestaan, Mij duidelijk rechtstreeks zichtbaar zien, vol toegerust met al Mijn energieën [zie ook Kapila].

In the human form of life, those who are self-controlled and expert in the spiritual science of Sânkhya can directly see Me along with all of My potencies.

 

 Tekst 22

Er zijn vele typen lichamen geschapen met één, twee, drie, vier en meer benen of er geen een; van hen is de menselijke gedaante Mij het liefst [zie ook 3.29: 30, 6.4: 9].

In this world there are many kinds of created bodies - some with one leg, others with two, three, four or more legs, and still others with no legs - but of all these, the human form is actually dear to Me.

 

 Tekst 23

Zich daarin bevindend is men met zijn talenten van waarnemen, via direct en indirect vastgestelde levenstekenen, met logische afgeleiden rechtstreeks op zoek naar Mij, de Allerhoogste Beheerser voorbij de greep der zinswaarneming [zie ook 2.2: 35, 2.9: 36].

Although I, the Supreme Lord, can never be captured by ordinary sense perception, those situated in human life may use their intelligence and other faculties of perception to directly search for Me through both apparent and indirectly ascertained symptoms.

 

 Tekst 24

Aangaande dit wordt aangehaald een oude geschiedenis van een gesprek tussen een avadhûta en de o zo machtige koning Yadu.

In this regard, sages cite a historical narration concerning the conversation between the greatly powerful King Yadu and an avadhûta.

 

 Tekst 25

Yadu, zeer goed thuis in 't dharma, die ooit een jonge brahmaanse bedelmonnik onbevreesd voor wat dan ook zag rondtrekken, stelde hem vragen [zie ook 7.13].

Mahârâja Yadu once observed a certain brâhmana avadhûta, who appeared to be quite young and learned, wandering about fearlessly. Being himself most learned in spiritual science, the King took the opportunity and inquired from him as follows.

 

 Tekst 26

S'rî Yadu zei: 'Vanwaar kreeg u deze buitengewone intelligentie o brahmaan, zoals u, bij uw volle verstand zich met geen enkele arbeid bezig houdend, door de wereld reist net als een kind?

S'rî Yadu said: O brâhmana, I see that you are not engaged in any practical religious activity, and yet you have acquired a most expert understanding of all things and all people within this world. Kindly tell me, sir, how did you acquire this extraordinary intelligence, and why are you traveling freely throughout the world behaving as if you were a child?

  

 Tekst 27

Voorzeker zijn mensen van de religiositeit, uit op een inkomen, van zinsbevrediging en met het najagen van kennis, normaal gesproken bezig terwille van de weelde, een goede naam en een lang leven.

Generally human beings work hard to cultivate religiosity, economic development, sense gratification and also knowledge of the soul, and their usual motive is to increase the duration of their lives, acquire fame and enjoy material opulence.

 

 Tekst 28

U echter, capabel, geschoold, ervaren, knap en welbespraakt als u bent, bent niet iemand van daden; u verlangt helemaal niets, als was u een stompzinnige, gek geworden, spookverschijning.

You, however, although capable, learned, expert, handsome and most eloquent, are not engaged in doing anything, nor do you desire anything; rather, you appear stupefied and maddened as if you were a ghostly creature.

 

 Tekst 29

Een ieder brandt in 't woud in vuur en vlam van lust en hebzucht, maar u, om vrij van het vuur te zijn in de Ganges staand als een olifant, brandt in het geheel niet.

Although all people within the material world are burning in the great forest fire of lust and greed, you remain free and are not burned by that fire. You are just like an elephant who takes shelter from a forest fire by standing within the water of the Ganges River.

 

 Tekst 30

Alstublieft o brahmaan zeg ons, die het u verzoeken, wat de oorzaak is van het innerlijk geluk van u die geheel op uzelf verkerend verstoken bent van ieder materieel genoegen.'

O brâhmana, we see that you are devoid of any contact with material enjoyment and that you are traveling alone, without any companions or family members. Therefore, because we are sincerely inquiring from you, please tell us the cause of the great ecstasy that you are feeling within yourself.

 

 Tekst 31

De Allerhoogste Heer zei: 'Op deze manier verzocht en geëerd door de hoogst fortuinlijke en intelligente Yadu die uit respect voor het brahmaanse uit nederigheid zijn hoofd voorover boog, sprak de tweemaal geborene.

Lord Krishna continued - The intelligent King Yadu, always respectful to the brâhmanas, waited with bowed head as the brâhmana, pleased with the King's attitude, began to reply.

 

 Tekst 32

De achtenswaardige brahmaan zei: 'Met het verstandelijk mij beroepend op vele geestelijk leraren, o koning, trek ik nu, met het aan intelligentie hebben gewonnen met hen, bevrijd rond in deze wereld; alstublieft verneemt over hen.

The brâhmana said - My dear King, with my intelligence I have taken shelter of many spiritual masters. Having gained transcendental understanding from them, I now wander about the earth in a liberated condition. Please listen as I describe them to you.

 

 Tekst 33-35

De aarde, de lucht, de ether, het water, het vuur, de maan; de zon, de duif, de python, de zee, de mot, de honingbij; de olifant, de honingdief, het hert, de vis, de hoer [Pingalâ], de visarend; het kind, het meisje, de pijlenmaker, het serpent, de spin en de wesp: dezen zijn mijn vierentwintig geestelijk leraren o Koning; mijn heil zoekend bij de lessen getrokken uit hun handelen heb ik in dit leven alles geleerd omtrent het Zelf.

O King, I have taken shelter of twenty-four gurus, who are the following - the earth, air, sky, water, fire, moon, sun, pigeon and python; the sea, moth, honeybee, elephant and honey thief; the deer, the fish, the prostitute Pingalâ, the kurara bird and the child; and the young girl, arrow maker, serpent, spider and wasp. My dear King, by studying their activities I have learned the science of the self.

 

 Tekst 36

Alstublieft luister, o tijger onder de mensen, als ik u uiteenzet, o zoon van Nâhusha [of Yayâti], hoe en wat ik zoal leerde van ieder van hen.

Please listen, O son of Mahârâja Yayâti, O tiger among men, as I explain to you what I have learned from each of these gurus.

 

 Tekst 37

Van de aarde leerde ik de regel dat hij die in kennis verkeert niet moet wijken van het pad en standvastig blijven moet, hoezeer hij ook wordt geplaagd door andere levende wezens die in feite simpelweg volgen naar wat door het lot zo is beschikt.

A sober person, even when harassed by other living beings, should understand that his aggressors are acting helplessly under the control of God, and thus he should never be distracted from progress on his own path. This rule I have learned from the earth.

 

 Tekst 38

Van de berg [van aarde] moet men, als een leerling van de boom [zie s'ikshâstaka-3] die anderen is toegewijd [zie ook 10.22: 31-35], een vroom persoon zijn die, met het doen van alle moeite voor de anderen, leeft om de enkele reden van dat hogere doel [zie ook B.G. 17: 20-22].

A saintly person should learn from the mountain to devote all his efforts to the service of others and to make the welfare of others the sole reason for his existence. Similarly, as the disciple of the tree, he should learn to dedicate himself to others.

 

 Tekst 39

Een wijze moet met het enkele bewegen van zijn levensadem tevreden zijn en niet zo zeer met zaken die de zinnen een genoegen zijn, zodat zijn geestelijk weten niet vernietigd en zijn geest en spreken niet zijn afgeleid.

A learned sage should take his satisfaction in the simple maintenance of his existence and should not seek satisfaction through gratifying the material senses. In other words, one should care for the material body in such a way that one's higher knowledge is not destroyed and so that one's speech and mind are not deviated from self-realization.

 

 Tekst 40

Gelijk de wind behoort een yogî, als een ziel van transcendentie, niet verstrikt te raken waar dan ook in contact komend met allerlei soorten van kwaliteiten goed en kwaad.

Even a transcendentalist is surrounded by innumerable material objects, which possess good and bad qualities. However, one who has transcended material good and evil should not become entangled even when in contact with the material objects; rather, he should act like the wind.

 

  Tekst 41

Een yogî die in deze wereld aardse lichamen is binnengegaan en hun karakteristieke kwaliteiten op zich nam, verstrikt, goed bewust van zichzelf, zich niet in dergelijke kwaliteiten precies zoals de lucht dat niet doet met de verschillende geuren.

Although a self-realized soul may live in various material bodies while in this world, experiencing their various qualities and functions, he is never entangled, just as the wind which carries various aromas does not actually mix with them.

 

 Tekst 42

Overeenkomstig de ether aanwezig in de bewegenden en niet-bewegenden behoort een wijze, onthecht en naar de Superziel van de verschillende contacten inziend dat hijzelf puur geest is, te mediteren op het uitgebreide als zijnde onverdeeld en alles doordringend [zie ook B.G. 2: 24, 3: 15, 6: 29-30, 9: 6, 11: 17, 12: 3-4 en 13: 14].

A thoughtful sage, even while living within a material body, should understand himself to be pure spirit soul. Similarly, one should see that the spirit soul enters within all forms of life, both moving and nonmoving, and that the individual souls are thus all-pervading. The sage should further observe that the Supreme Personality of Godhead, as the Supersoul, is simultaneously present within all things. Both the individual soul and the Supersoul can be understood by comparing them to the nature of the sky - although the sky extends everywhere and everything rests within the sky, the sky does not mix with anything, nor can it be divided by anything.

 

 Tekst 43

Op dezelfde wijze als het bereik van de ether niet geraakt wordt door de winden die de wolken blazen, is de persoon [in zijn ware zelf] niet aangetast door de lichamen bestaande uit het vuur, het water en de aarde, die door de geaardheden der natuur in gang gezet zijn door de Tijd.

Although the mighty wind blows clouds and storms across the sky, the sky is never implicated or affected by these activities. Similarly, the spirit soul is not actually changed or affected by contact with the material nature. Although the living entity enters within a body made of earth, water and fire, and although he is impelled by the three modes of nature created by eternal time, his eternal spiritual nature is never actually affected.

 

 Tekst 44

Een wijze, van nature een zuiver, zachtgeaard, lief vriendelijk bedevaartsoord voor mensen, heiligt, zoals het water doet, hij die samenkomt [de vriend], door te zijn gezien, respectvol aangeraakt en geprezen [zie ook sâkhya].

O King, a saintly person is just like water because he is free from all contamination, gentle by nature, and by speaking creates a beautiful vibration like that of flowing water. Just by seeing, touching or hearing such a saintly person, the living entity is purified, just as one is cleansed by contact with pure water. Thus a saintly person, just like a holy place, purifies all those who contact him because he always chants the glories of the Lord.

 

 Tekst 45

Briljant, gloeiend en onverstoorbaar in zijn verzaking, etend naar de noodzaak, raakt hij die verbonden is in de ziel, zelfs als hij alles eet [dus ook de noodzaak dan voorbijstreeft], niet besmet net als een vuur.

Saintly persons become powerful by execution of austerities. Their consciousness is unshakable because they do not try to enjoy anything within the material world. Such naturally liberated sages accept foodstuffs that are offered to them by destiny, and if by chance they happen to eat contaminated food, they are not affected, just like fire, which burns up contaminated substances that are offered to it.

 

 Tekst 46

Somtijds [als een vuur aldus] verborgen, soms manifest verslindt hij, aanbiddelijk voor hen die het hoogste verlangen, de offers gebracht van alle kanten, met het verbranden van het voorgaand en toekomstig ongeluk [zie ook 10.81: 4 en B.G. 3: 13].

A saintly person, just like fire, sometimes appears in a concealed form and at other times reveals himself. For the welfare of the conditioned souls who desire real happiness, a saintly person may accept the worshipable position of spiritual master, and thus like fire he burns to ashes all the past and future sinful reactions of his worshipers by mercifully accepting their offerings.

 

 Tekst 47

De Almachtige die als waar of onwaar [als god of beest] dit alles is binnengegaan geschapen uit Zijn eigen energie, verschijnt als vuur in brandhout met het aannemen van de identiteit van een ieder.

Just as fire manifests differently in pieces of wood of different sizes and qualities, the omnipotent Supreme Soul, having entered the bodies of higher and lower life forms created by His own potency, appears to assume the identity of each.

 

 Tekst 48

Door de Tijd die in de grond niet waar te nemen is, zijn er, zoals met de maan, beginnend bij de geboorte en eindigend met de crematie, de staten van het lichaam in zijn verschillende fasen; maar geen van dezen zijn van de ziel [B.G. 2: 13, 2: 20].

The various phases of one's material life, beginning with birth and culminating in death, are all properties of the body and do not affect the soul, just as the apparent waxing and waning of the moon does not affect the moon itself. Such changes are enforced by the imperceptible movements of time.

 

 Tekst 49

De tijd dringend, voortsnellend als een stroom, met zijn voortdurend ontstaan en weer vergaan van schepselen die als de vlammen zijn met een vuur, is, vanuit de ziel bekeken, niet te zien echter [*].

The flames of a fire appear and disappear at every moment, and yet this creation and destruction is not noticed by the ordinary observer. Similarly, the mighty waves of time flow constantly, like the powerful currents of a river, and imperceptibly cause the birth, growth and death of innumerable material bodies. And yet the soul, who is thus constantly forced to change his position, cannot perceive the actions of time.

 

  Tekst 50

Een yogî met het aanvaarden van de objecten voor zijn zinnen verzaakt ze op de juiste tijd [naar de cakra]; hij raakt niet verstrikt in hen net zoals de zon niet als die met zijn stralen de wateren binnendringt [ze verdampend en weer retournerend met de regen].

Just as the sun evaporates large quantities of water by its potent rays and later returns the water to the earth in the form of rain, similarly, a saintly person accepts all types of material objects with his material senses, and at the appropriate time, when the proper person has approached him to request them, he returns such material objects. Thus, both in accepting and giving up the objects of the senses, he is not entangled.

 

  Tekst 51

De zon, die gereflecteerd uiteengevallen schijnt te zijn, wordt in zijn oorspronkelijke vorm niet beschouwd in die termen van verscheidenheid; net zo is ook de ziel, die voor de tragen van begrip schijnt te zijn opgegaan in reflecties [van aparte zelven], van die positie.

Even when reflected in various objects, the sun is never divided, nor does it merge into its reflection. Only those with dull brains would consider the sun in this way. Similarly, although the soul is reflected through different material bodies, the soul remains undivided and nonmaterial.

 

  Tekst 52

Geen buitengewone affectie of nauwe omgang met wie ook zou er ooit moeten zijn, daar daarin zwelgend men groot leed zal ondervinden, levend bij de dag zoals een duif [zie ook 7.2: 50-56].

One should never indulge in excessive affection or concern for anyone or anything; otherwise one will have to experience great suffering, just like the foolish pigeon.

 

  Tekst 53

Een zekere duif die in het bos zijn nest in een boom had gebouwd hield zich daar een aantal jaren op met een vrouwtjesduif als metgezel.

There once was a pigeon who lived in the forest along with his wife. He had built a nest within a tree and lived there for several years in her company.

 

  Tekst 54

Als gehechte huishouders waren zij met hun harten van genegenheid als door touwen aan elkaar gebonden, blik aan blik, lijf aan lijf en geest aan geest.

The two pigeons were very much devoted to their household duties. Their hearts being tied together by sentimental affection, they were each attracted by the other's glances, bodily features and states of mind. Thus, they completely bound each other in affection.

 

  Tekst 55

Er samen op vertrouwend als een paartje waren ze bezig met uitrusten, zitten, lopen, staan, communiceren, spelen en eten enzovoorts, temidden van de bomen in het bos.

Naively trusting in the future, they carried out their acts of resting, sitting, walking, standing, conversing, playing, eating and so forth as a loving couple among the trees of the forest.

 

  Tekst 56

Wat zij maar wenste, o Koning, is wat hij, proberend het haar naar de zin te maken, deed, zonder zinsbeheersing, genadig verschaffend, zelfs als dat dan moeilijk was.

Whenever she desired anything, O King, the she-pigeon would flatteringly cajole her husband, and he in turn would gratify her by faithfully doing whatever she wanted, even with great personal difficulty. Thus, he could not control his senses in her association.

 

  Tekst 57

De kuise wijfjesduif met het dragen van haar eerste zwangerschap bracht, toen de tijd daar was, in het nest de eitjes ter wereld in de aanwezigheid van haar echtgenoot.

Then the female pigeon experienced her first pregnancy. When the time arrived, the chaste lady delivered a number of eggs within the nest in the presence of her husband.

 

  Tekst 58

Uit hen werden na de nodige tijd, met tere leden, tere veertjes, de kleintjes voortgebracht door de 0ndoorgrondelijke vermogens van de Heer.

When the time was ripe, baby pigeons, with tender limbs and feathers created by the inconceivable potencies of the Lord, were born from those eggs.

 

  Tekst 59

Het paartje zeer verheugd voedde toen hun nageslacht, vol liefde in verrukking luisterend naar de onbeholpen geluidjes van hun piepende kindjes.

The two pigeons became most affectionate to their children and took great pleasure in listening to their awkward chirping, which sounded very sweet to the parents. Thus with love they began to raise the little birds who were born of them.

 

  Tekst 60

Met de pluizige vleugeltjes van de kleintjes, hun vertederende gepiep en hun pogingen op te springen om te vliegen, werden de ouders helemaal blij als ze zo gelukkig waren.

The parent birds became very joyful by observing the soft wings of their children, their chirping, their lovely innocent movements around the nest and their attempts to jump up and fly. Seeing their children happy, the parents were also happy.

 

  Tekst 61

Met hun harten saamgebonden door genegenheid voedden ze, volledig in de ban van het begoochelend vermogen van Heer Vishnu, hun kinderen, hun nageslacht.

Their hearts bound to each other by affection, the foolish birds, completely bewildered by the illusory energy of Lord Vishnu, continued to take care of the young offspring who had been born to them.

 

  Tekst 62

Op een dag gingen de twee hoofden der familie er op uit voor voedsel voor de kinderen, ver weg afdwalend, vol zorg speurend in het hele bos.

One day the two heads of the family went out to find food for the children. Being very anxious to feed their offspring properly, they wandered all over the forest for a long time.

 

  Tekst 63

Een zekere jager die toevallig door het bos trok, en ze [de jongen] zag, ving ze met een net gespreid zoals ze zich rondbewogen in de buurt van hun nest.

At that time a certain hunter who happened to be wandering through the forest saw the young pigeons moving about near their nest. Spreading out his net he captured them all.

 

  Tekst 64

De mannetjes- en de vrouwtjesduif er op uit, altijd ijverig bezig in de zorg voor hun kindjes voedsel aanslepend, kwamen dichterbij hun nest.

The pigeon and his wife were always anxious for the maintenance of their children, and they were wandering in the forest for that purpose. Having obtained proper food, they now returned to their nest.

 

  Tekst 65

De vrouwtjesduif met het zien van de kleintjes uit haar geboren, haar kindertjes, gevangen in het net, haastte zich erheen in grote paniek naar hen roepend die ook aan het schreeuwen waren.

When the lady pigeon caught sight of her own children trapped within the hunter's net, she was overwhelmed with anguish, and crying out, she rushed toward them as they cried out to her in return.

 

  Tekst 66

Zij, steeds gebonden door de liefde raakte, met het omzien naar de kinderen, verdwaasd door de mâyâ van de Ongeborene zichzelf vergetend, ook in het net gevangen.

The lady pigeon had always allowed herself to be bound by the ropes of intense material affection, and thus her mind was overwhelmed by anguish. Being in the grip of the illusory energy of the Lord, she completely forgot herself, and rushing forward to her helpless children, she was immediately bound in the hunter's net.

 

  Tekst 67

De ongelukkige mannetjesduif betreurde heel ellendig de gevangenneming van zijn kinderen die hem meer dierbaar waren dan hemzelf en zijn wijfje dat zo veel op hem leek:

Seeing his own children, who were more dear to him than life itself, fatally bound in the hunter's net along with his dearmost wife, whom he considered equal in every way to himself, the poor male pigeon began to lament wretchedly.

 

  Tekst 68

'Helaas, zie toch de vernietiging van mij zo zwak van geest zonder verdienste, die [nu] onvervuld het drievoudig doel is misgelopen [de purushârtha's] van de familie die hij te gronde richtte!

The male pigeon said - Alas, just see how I am now destroyed! I am obviously a great fool, for I did not properly execute pious activities. I could not satisfy myself, nor could I fulfill the purpose of life. My dear family, which was the basis of my religiosity, economic development and sense gratification, is now hopelessly ruined.

 

  Tekst 69

Zij die mij geschikt en trouw aanvaardde als haar echtgenoot, heeft, vroom naar de hemel gaand tezamen met haar zoons, me achter gelaten met een leeg huis.

My wife and I were an ideal match. She always faithfully obeyed me and in fact accepted me as her worshipable deity. But now, seeing her children lost and her home empty, she has left me behind and gone to heaven with our saintly children.

 

  Tekst 70

Met mij ellendig in het lege nest met mijn wijfje en mijn kinderen dood, voor welk doel zou ik dan nog leven, miserabel lijdend een leven in gescheidenheid?'

Now I am a wretched person living in an empty home. My wife is dead; my children are dead. Why should I possibly want to live? My heart is so pained by separation from my family that life itself has become simply suffering.

 

  Tekst 71

Met hem vol leed ze inderdaad gevangen ziend in 't net in de greep van de dood, belandde, zelfs hij, ontsteld met zijn verstand op nul, eveneens in het net.

As the father pigeon wretchedly stared at his poor children trapped in the net and on the verge of death, pathetically struggling to free themselves, his mind went blank, and thus he himself fell into the hunter's net.

 

  Tekst 72

De meedogenloze jager die zijn doel bereikt had nam de huishouder-duif, de duivenkindjes, en het duivenwijfje op, en begaf zich toen naar huis.

The cruel hunter, having fulfilled his desire by capturing the head pigeon, his wife and all of their children, set off for his own home.

 

  Tekst 73

Een gezinshoofd niet in vrede met de ziel genoegen belevend in materiële tweeledigheid, heeft aldus, zoals deze vogel ellendig in het behouden van zijn gezin, met zijn verwanten zwaar te lijden.

In this way, one who is too attached to family life becomes disturbed at heart. Like the pigeon, he tries to find pleasure in mundane sex attraction. Busily engaged in maintaining his own family, the miserly person is fated to suffer greatly, along with all his family members.

 

  Tekst 74

Iemand die met het bereikt hebben van de menselijke positie, met de poort der bevrijding wagenwijd open, in familiezaken zo gehecht is als deze vogel; beschouw hem zo hoog geklommen als zijnde gevallen [zie ook 3.30, 3.32: 1-3, 4.28: 17 , 5.26: 35, 7.14, 7.15: 38-39,7.15: 67, 8.16: 9 en 10.69: 40].

The doors of liberation are opened wide to one who has achieved human life. But if a human being simply devotes himself to family life like the foolish bird in this story, then he is to be considered as one who has climbed to a high place only to trip and fall down.

 

*: Deze analytische methode, van het in dit geval terugkeren naar het onderwerp van het vuur na het reeds geïntroduceerd hebben van het volgende onderwerp van de maan, wordt simhâvalokana genoemd, of 'de blik van de leeuw', waarmee men tegelijkertijd voortgaat en achteruit kijkt om te zien of er iets over het hoofd werd gezien.

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties