De
Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat je Me zei, o hoogst
fortuinlijke [Uddhava], weerspiegelt Mijn plan [de
dynastie terug te trekken], en om die reden zien
Brahmâ, Bhava en de leiders der werelden uit naar Mijn
terugkeer naar Mijn verblijf.
De
Allerhoogste Heer zei: 'Dat wat je Me zei, o hoogst
fortuinlijke, weerspiegelt zeker zo Mijn plan; daar
Brahmâ, Bhava en de leiders van de werelden, Mij
verlangen in Mijn verblijf. (Vedabase)
Tekst
2
Voorzeker heb
Ik hier [in Mijn aards verblijf] geheel de taak
volbracht voor het heil van de godsbewusten. Terwille van hen
incarneerde Ik met Mijn deelaspect [Balarâma]
zoals daarvoor door Brahmâ werd gebeden.
Voorzeker
heb Ik hier geheel beantwoord aan de bedoeling van de
goddelijken, voor wie Ik met Mijn deelaspect
[Balarâma] incarneerde zoals daarvoor door
Brahmâ werd gebeden. (Vedabase)
Tekst
3
Deze familie
die door de vloek haar einde zal vinden zal worden vernietigd
in een onderlinge twist en voorwaar zal op de zevende dag
[na heden] deze stad verzwolgen worden door de
oceaan.
Deze
familie teneinde door de vloek zal worden vernietigd in een
onderlinge twist en voorwaar zal op de zevende dag deze stad
verdrinken in de oceaan. (Vedabase)
Tekst
4
Als Ik, o man
van deugd, deze wereld heb verlaten, zal ze ten prooi vallen
aan Kali en zeer spoedig verstoken zijn van alle vroomheid
[zie ook 1.16
& 17].
Als,
o man van deugd, deze wereld, niet te betwijfelen door Mij
verlaten is, zal ze, in zich ten prooi gevallen aan Kali,
zeer spoedig verstoken zijn van haar vroomheid [zie ook
1.16 & 17]. (Vedabase)
Tekst
5
Wees ervan
overtuigd dat je niet in deze wereld moet blijven als ze door
Mij is verlaten, want in Kali's tijd zullen de mensen op aarde
verstrikt zijn in zonde, o Mijn beste.
Je
moet niet blijven, wees er zeker van, in deze wereld door
Mij verlaten, daar in Kali's tijd de mensen op aarde,
verstrikt zullen zijn in zonde, o Mijn beste.
(Vedabase)
Tekst6
Je moet in
feite met het afzien van alle emotionele banden, met je geest
geheel op Mij gevestigd, je in deze wereld rondbewegen met een
gelijkgezinde geest [zie B.G. 6:
9,
6:
29,
14:
22-25].
Je
moet in feite alle zwak verzakend voor degenen je het meest
nabij, met je geest geheel op Mij gevestigd, gelijkgezind
rondgaan in de wereld [zie B.G. 6: 9, 6: 29, 14:
22-25]. (Vedabase)
Tekst
7
Deze tijdelijke
wereld zoals je die voor de geest haalt, bespreekt, ziet, hoort
en zomeer, moet je herkennen als een begoochelend schimmenspel
waar je verbeelding mee op de loop gaat [zie ook
10.40:
25].
Dat
wat door het oor, het oog, de spraak en meer, aanvaard wordt
als de wereld, moet je zien als tijdgebonden,
illusie-energie geheel verbeeld [zie ook 10.40: 25].
(Vedabase)
Tekst
8
Een persoon die
niet [spiritueel] verbonden is, is in de war met al de
meningen over wat juist en verkeerd zou zijn, wat zou werken,
niet werken en in strijd zou verkeren en is aldus innerlijk
verdeeld wat betreft goed en kwaad [B.G.
4:
16].
Een
persoon niet verbonden is verward in vele meningen met wat
juist is en verkeerd; dat werkt, dat niet, en dat gaat er
weer tegenin en heeft aldus een geest tweevoudig van het
goed en kwaad [B.G. 4: 16].
(Vedabase)
Tekst
9
Bezie daarom
met je zinnen beheerst en je geest verbonden, deze wereld als
een uitgebreidheid die zich bevindt in het Zelf en dat Zelf als
rustend in Mij, de Heer Erboven.
Bezie
dus met je zinnen in je greep en je geest verbonden, deze
wereld als gespreid binnenin het Zelf en dat Zelf rustend in
Mij, de Heer Erboven. (Vedabase)
Tekst
10
Met kennis en
wijsheid geheel toegerust is men, in het zelf tevreden en
alomvattend met de Ziel die voor een ieder die belichaamd is
het voorwerp van de liefde vormt, nimmer ontmoedigd door
tegenslagen.
Met
kennis, wijsheid, geheel toegerust, is men, in het zelf
tevreden alomvattend met de Ziel die voor een ieder met een
lijf het voorwerp van de liefde is, nimmer gehinderd door
een tegenslag. (Vedabase)
Tekst
11
Ontstegen aan
de twee van het slecht achten - en afzien van - wat verboden is
en het goed achten - en het zich gedragen naar - wat iedereen
doet, danst men niet naar de pijpen alsof men nog een
onvolwassen kind zou zijn.
Ontstegen
aan de twee, van het slecht achten wat is verboden en het
als goed betitelen wat geen achter hield, handelt men niet
zoals men het verwacht alsof men een jong kind is [en
dat is niet ongepast]. (Vedabase)
Tekst
12
Als men voor
zijn medeschepselen een weldoener is die hecht verankerd is in
de vrede en men wijselijk het universum kent als zijnde
doortrokken van Mijn wezen, zal men nooit en te nimmer degene
zijn die telkens weer het onderspit delft.'
Voor
de schepselen een weldoener hecht verankerd in de vrede,
wijs het universum kennend als door Mij doorvaard, zal men
waarlijk nimmer zijn degene die telkens weer opnieuw
vernietigd is.'
(Vedabase)
Tekst
13
S'rî
S'uka zei: 'O Koning, met het ontvangen hebben van die
instructie van de Opperheer boog de verheven en fortuinlijke
Uddhava, ernaar verlangend het hoogste principe te leren
kennen, zich neer voor de Onfeilbare om Hem de eer te
bewijzen.
S'rî
S'uka zei: 'O Koning, door de Opperheer aldus
geïnstrueerd boog Uddhava, de verhevene fortuinlijk
begerig het hoogste principe zo te kennen, neer voor de
Onfeilbare om zijn eerbetoon te
brengen.
(Vedabase)
Tekst
14
S'rî
Uddhava zei: 'O Heer der Yoga die ons verenigt, o Ziel die ons
verbindt, o Bron van het Mystieke, strekkend tot mijn voordeel
sprak U over de verzaking zoals die gekend wordt in
sannyâsa.
S'rî
Uddhava zei: 'O Heer der Yoga die de eenheid ons vergunt, O
Ziel die Ons Verbindt, o Bron van het Mystieke, tot mijn
voordeel sprak U van verzaking zoals gekend door
sannyâs. (Vedabase)
Tekst
15
Deze verzaking
o Heer, is moeilijk te volbrengen als men leeft voor de lol en
het behagen van de zinnen, met name als men U niet toegewijd
is, zo denk ik [vergelijk B.G. 6:
33-34].
Deze
verzaking Heer, is moeilijk te volbrengen, door hen die
leven voor de lol en zinsbevrediging, met name als men U
niet toegewijd is, zo denk ik [vergelijk B.G.
6.33-34]. (Vedabase)
Tekst
16
Ik ben met mijn
bewustzijn verstrengeld met het lijf en haar relaties zoals dat
beschikt is door Uw mâyâ en ben aldus dwaas
van het idee van 'ik' en 'mijn'. Onderricht mij daarom, zodat
Uw geliefde dienaar met gemak tewerk kan gaan overeenkomstig
het proces zoals dat door U wordt onderwezen.
Ik,
met mijn bewustzijn, ben verstrengeld met het lijf en haar
relaties zoals beschikt is door Uw mâyâ en dus
verzot van 'Ik' en 'Mijn'; daarom onderricht mij, zodat Uw
geliefde dienaar met gemak te werk gaat naar het proces
zoals door U is onderwezen. (Vedabase)
Tekst
17
Wie anders is
er behalve U die van de Waarheid bent en Zich voor mij
persoonlijk onthult? Welke andere spreker dan mijn Heer, de
Allerhoogste Ziel, komt er in aanmerking? Zelfs niet onder
degenen die ontwaakten zie ik zo'n spreker. In hun bewustzijn
zijn allen, tot aan degenen geleid door Brahmâ,
belichaamde zielen die, als ze de zichtbare wereld voor
wezenlijk houden, verbijsterd zijn door Uw
mâyâ.
Wie
anders is er behalve U die van de Waarheid Zich onthult voor
mij persoonlijk; welke andere spreker dan mijn Heer, de
Allerhoogste Ziel, komt er in aanmerking; zelfs niet onder
degenen die ontwaakten zie ik er een; in hun bewustzijn zijn
zij die met Brahmâ aan het hoofd, als zielen
belichaamd het uitwendige als wezenlijk ziend, allen
verbijsterd door Uw
mâyâ.
(Vedabase)
Tekst
18
Daarom benader
ik, die aan verzaking doend met mijn geest zo gekweld ben en
vol van leed, U voor mijn toevlucht Nârâyana, o
Vriend van de Mens, o U volmaakte, onbegrensde en alwetende
Beheerser die altijd weer nieuw bent in Uw verblijf
Vaikunthha.'
Daarom
wil ik, met mijn geest, oh, op verzaking zo gekweld vol van
het leed, U voor mijn toevlucht naderen
Nârâyana, Vriend der Mens; U de volmaakte,
onbegrensde, alwetende Beheerser altijd weer nieuw in Zijn
verblijf Vaikunthha.'
(Vedabase)
Tekst
19
De Allerhoogste
Heer zei: 'Over het algemeen maken mensen die goed bekend met
de stand van zaken in deze wereld zich met behulp van hun eigen
intelligentie vrij van de ongunstige geneigdheid [van een
begeertige geest].
De
Allerhoogste Heer zei: 'Over het algemeen maken mensen goed
bekend met de stand van zaken in deze wereld zich vrij, met
behulp van hun eigen intelligentie, van de ongunstige
geneigdheid [van een begeertige geest].
(Vedabase)
Tekst
20
In zekere zin
vormt de intelligentie de goeroe van een persoon omdat hij met
behulp van het intelligente zelf, ofwel zijn ziel, steeds zijn
voordeel kan doen bij zijn redeneren en zijn rechtstreeks
waarnemen.
In
zekere zin, is de ziel van een persoon voorwaar zijn eigen
goeroe, daar men bij de rechtstreekse waarneming en de
logica [van de ziel] in staat is het ware voordeel
te behalen. (Vedabase)
Tekst
21
En zo kunnen
zij die wijs zijn door hun ervaring, met het redeneren met de
[bhakti-]yoga in hun menselijk bestaan, Mij helder voor
zich zien in Mijn volle glorie met al Mijn energieën
[zie ook Kapila].
Aldus
kunnen diegenen die wijs zijn door ervaring, in het
redeneren met de [bhakti-]yoga in hun menselijk
bestaan, Mij duidelijk rechtstreeks zichtbaar zien, vol
toegerust met al Mijn energieën [zie ook
Kapila]. (Vedabase)
Tekst
22
Er zijn vele
typen lichamen geschapen met één, twee, drie,
vier en meer benen of er geen een; van hen is de menselijke
gedaante Mij het liefst [zie ook 3.29:
30,
6.4:
9].
Er
zijn vele typen lichamen geschapen met één,
twee, drie, vier en meer benen of er geen een; van hen is de
menselijke gedaante Mij het liefst [zie ook 3.29: 30,
6.4: 9]. (Vedabase)
Tekst
23
Zich ophoudend
in een dergelijk lichaam is men met zijn talenten van
waarnemen, via direct en indirect vastgestelde levenstekenen en
met logische gevolgtrekkingen rechtstreeks op zoek naar Mij, de
Allerhoogste Beheerser voorbij de greep der zinswaarneming
[zie ook 2.2:
35,
2.9:
36].
Zich
daarin bevindend is men met zijn talenten van waarnemen, via
direct en indirect vastgestelde levenstekenen, met logische
afgeleiden rechtstreeks op zoek naar Mij, de Allerhoogste
Beheerser voorbij de greep der zinswaarneming [zie ook
2.2: 35, 2.9: 36]. (Vedabase)
Tekst
24
Dit aangaande
is er een oude geschiedenis aan te halen betreffende een
gesprek tussen een avadhûta
en de o zo machtige koning Yadu.
Aangaande
dit wordt aangehaald een oude geschiedenis van een gesprek
tussen een avadhûta en de o zo machtige koning Yadu.
(Vedabase)
Tekst
25
Yadu, zeer goed
thuis in het dharma, zag eens een jonge brahmaanse bedelmonnik
zonder enige angst voor wat dan ook rondtrekken, en nam toen de
kans waar hem vragen te stellen [zie ook
7.13].
Yadu,
zeer goed thuis in 't dharma, die ooit een jonge brahmaanse
bedelmonnik onbevreesd voor wat dan ook zag rondtrekken,
stelde hem vragen [zie ook 7.13].
(Vedabase)
Tekst
26
S'rî Yadu
zei: 'Hoe verwierf u deze buitengewone intelligentie o
brahmaan? Hoe kan u, bij uw volle verstand zich met geen enkele
arbeid bezighoudend, door de wereld reizen met het vertrouwen
van een kind?
S'rî
Yadu zei: 'Vanwaar kreeg u deze buitengewone intelligentie o
brahmaan, zoals u, bij uw volle verstand zich met geen
enkele arbeid bezig houdend, door de wereld reist net als
een kind? (Vedabase)
Tekst
27
Normaal
gesproken zijn mensen die religieus zijn, uit zijn op een
inkomen, van zinsbevrediging zijn en op kennis jagen, bezig
terwille van de weelde, een goede naam en een lang
leven.
Voorzeker
zijn mensen van de religiositeit, uit op een inkomen, van
zinsbevrediging en met het najagen van kennis, normaal
gesproken bezig terwille van de weelde, een goede naam en
een lang leven. (Vedabase)
Tekst
28
Een capabele,
geschoolde, ervaren, knappe en welbespraakte persoon als U
echter, bent niet iemand van daden. U verlangt helemaal niets,
als was u een stompzinnige, gek geworden
spookverschijning.
U
echter, capabel, geschoold, ervaren, knap en welbespraakt
als u bent, bent niet iemand van daden; u verlangt helemaal
niets, als was u een stompzinnige, gek geworden,
spookverschijning. (Vedabase)
Tekst
29
Een ieder
brandt in 't duistere bos van de lust en begeerte, maar u, die
om vrij van het vuur te zijn in de Ganges staat als een
olifant, brandt in het geheel niet.
Een
ieder brandt in 't woud in vuur en vlam van lust en
hebzucht, maar u, om vrij van het vuur te zijn in de Ganges
staand als een olifant, brandt in het geheel niet.
(Vedabase)
Tekst
30
Alstublieft o
brahmaan verraad ons, die u erom vragen, wat de oorzaak is van
het innerlijk geluk dat u geheel op uzelf verkerend geniet
terwijl u verstoken bent van ieder materieel genoegen.'
Alstublieft
o brahmaan zeg ons, die het u verzoeken, wat de oorzaak is
van het innerlijk geluk van u die geheel op uzelf verkerend
verstoken bent van ieder materieel
genoegen.'
(Vedabase)
Tekst
31
De Allerhoogste
Heer zei: 'Aldus verzocht en geëerd door de hoogst
fortuinlijke en intelligente Yadu die uit respect voor het
brahmaanse nederig zijn hoofd voorover boog, sprak de tweemaal
geborene.
De
Allerhoogste Heer zei: 'Op deze manier verzocht en
geëerd door de hoogst fortuinlijke en intelligente Yadu
die uit respect voor het brahmaanse uit nederigheid zijn
hoofd voorover boog, sprak de tweemaal geborene.
(Vedabase)
Tekst
32
De
achtenswaardige brahmaan zei: 'Mij verstandelijk beroepend op
vele geestelijk leraren o Koning, trek ik, nu ik aan
intelligentie heb gewonnen met hen, bevrijd rond door deze
wereld. Alstublieft luister naar hun beschrijving.
De
achtenswaardige brahmaan zei: 'Met het verstandelijk mij
beroepend op vele geestelijk leraren, o koning, trek ik nu,
met het aan intelligentie hebben gewonnen met hen, bevrijd
rond in deze wereld; alstublieft verneemt over
hen.
(Vedabase)
Tekst
33-35
De aarde, de
lucht, de ether, het water, het vuur, de maan; de zon, de duif,
de python, de zee, de mot, de honingbij; de olifant, de
honingdief, het hert, de vis, de hoer [Pingalâ],
de visarend; het kind, het meisje, de pijlenmaker, het serpent,
de spin en de wesp. Dit zijn mijn vierentwintig geestelijk
leraren o Koning. Met het bestuderen van wat zij deden heb ik
in dit leven alles geleerd omtrent het Zelf.
De
aarde, de lucht, de ether, het water, het vuur, de maan; de
zon, de duif, de python, de zee, de mot, de honingbij; de
olifant, de honingdief, het hert, de vis, de hoer
[Pingalâ], de visarend; het kind, het meisje,
de pijlenmaker, het serpent, de spin en de wesp: dezen zijn
mijn vierentwintig geestelijk leraren o Koning; mijn heil
zoekend bij de lessen getrokken uit hun handelen heb ik in
dit leven alles geleerd omtrent het Zelf.
(Vedabase)
Tekst
36
Alstublieft
luister, o tijger onder de mensen, naar mijn uiteenzetting o
zoon van Nâhusha [of Yayâti], van wat ik
zoal van ieder van hen afzonderlijk leerde.
Alstublieft
luister, o tijger onder de mensen, als ik u uiteenzet, o
zoon van Nâhusha [of Yayâti], hoe en wat
ik zoal leerde van ieder van hen.
(Vedabase)
Tekst
37
Van de aarde
leerde ik de regel dat hij die in kennis verkeert niet van het
pad moet afwijken en standvastig moet blijven, hoezeer hij ook
wordt geplaagd door de andere levende wezens die zich in feite
eenvoudig schikken naar wat door het lot is
bepaald.
Van
de aarde leerde ik de regel dat hij die in kennis verkeert
niet moet wijken van het pad en standvastig blijven moet,
hoezeer hij ook wordt geplaagd door andere levende wezens
die in feite simpelweg volgen naar wat door het lot zo is
beschikt. (Vedabase)
Tekst
38
Van de berg
[die deel uitmaakt van de aarde] leert men altijd voor
anderen klaar te staan, dat men alle handelingen voor het heil
van anderen moet verrichten. Naar het voorbeeld van de boom
[zie S'rî
S'rî
S'ikshâshthaka-3]
anderen toegewijd te zijn is voor een vroom iemand de enige
reden van bestaan [zie ook 10.22:
31-35 en B.G.
17:
20-22].
Van
de berg [van aarde] moet men, als een leerling van
de boom [zie s'ikshâstaka-3] die anderen is
toegewijd [zie ook 10.22: 31-35], een vroom persoon
zijn die, met het doen van alle moeite voor de anderen,
leeft om de enkele reden van dat hogere doel [zie ook
B.G. 17: 20-22]. (Vedabase)
Tekst
39
Een wijze moet
met het enkele bewegen van zijn levensadem tevreden zijn en
niet zo zeer zijn bevrediging zoeken in zaken die de zinnen een
genoegen zijn. Zodoende zal zijn geestelijk weten niet verloren
gaan en zal zijn geest en spreken niet zijn
afgeleid.
Een
wijze moet met het enkele bewegen van zijn levensadem
tevreden zijn en niet zo zeer met zaken die de zinnen een
genoegen zijn, zodat zijn geestelijk weten niet vernietigd
en zijn geest en spreken niet zijn afgeleid.
(Vedabase)
Tekst
40
Naar het
voorbeeld van de wind dient een yogi, in relatie tot de
zinsobjecten met hun verschillende gunstige en nadelige
kwaliteiten, als bovenzinnelijke ziel niet verstrikt te
raken.
Gelijk
de wind behoort een yogî, als een ziel van
transcendentie, niet verstrikt te raken waar dan ook in
contact komend met allerlei soorten van kwaliteiten goed en
kwaad. (Vedabase)
Tekst
41
Een yogi mag
dan in deze wereld leven in aardse lichamen en hun
karakteristieke kwaliteiten met zich meedragen, maar hij
verstrikt zich, goed bewust van zichzelf, niet in dergelijke
kwaliteiten, precies zoals de lucht dat niet doet met de
verschillende geuren.
Een
yogî die in deze wereld aardse lichamen is
binnengegaan en hun karakteristieke kwaliteiten op zich nam,
verstrikt, goed bewust van zichzelf, zich niet in dergelijke
kwaliteiten precies zoals de lucht dat niet doet met de
verschillende geuren. (Vedabase)
Tekst
42
Overeenkomstig
de ether die zich bevindt in de bewegende en niet-bewegende
levende wezens behoort een wijze die onthecht - overeenkomstig
de Superziel aanwezig in alle dingen - inziet dat hijzelf puur
geest is, te mediteren op de uitgebreidheid als zijnde
onverdeeld en alles doordringend [zie ook B.G.
2:
24,
3:
15,
6:
29-30,
9:
6,
11:
17,
12:
3-4 en
13:
14].
Overeenkomstig
de ether aanwezig in de bewegenden en niet-bewegenden
behoort een wijze, onthecht en naar de Superziel van de
verschillende contacten inziend dat hijzelf puur geest is,
te mediteren op het uitgebreide als zijnde onverdeeld en
alles doordringend [zie ook B.G. 2: 24, 3: 15, 6: 29-30,
9: 6, 11: 17, 12: 3-4 en 13:
14].
(Vedabase)
Tekst
43
Op dezelfde
wijze als het bereik van de ether niet in beroering is van de
winden die de wolken vooruitblazen, is de persoon [in zijn
ware zelf] niet bewogen door de lichamen bestaande uit het
vuur, het water en de aarde, die overeenkomstig de geaardheden
der natuur bewogen worden door de Tijd.
Op
dezelfde wijze als het bereik van de ether niet geraakt
wordt door de winden die de wolken blazen, is de persoon
[in zijn ware zelf] niet aangetast door de lichamen
bestaande uit het vuur, het water en de aarde, die door de
geaardheden der natuur in gang gezet zijn door de Tijd.
(Vedabase)
Tekst
44
Een wijze, die
van nature een zuiver, zachtgeaard, lief en vriendelijk
bedevaartsoord is voor de mensen, heiligt, zoals water doet,
zij die samenkomen [de vrienden], door zich te laten
zien en zich respectvol te laten aanraken en vereren [zie
ook sâkhya].
Een
wijze, van nature een zuiver, zachtgeaard, lief vriendelijk
bedevaartsoord voor mensen, heiligt, zoals het water doet,
hij die samenkomt [de vriend], door te zijn gezien,
respectvol aangeraakt en geprezen [zie ook
sâkhya]. (Vedabase)
Tekst
45
Briljant,
gloeiend en onverzettelijk in zijn verzaking is hij die eet
voorzover dat nodig is verbonden in de ziel. Zelfs als hij die
van verzaking is alles eet [en dus wel de noodzaak
voorbijstreeft] raakt hij er niet door besmet zoals een
vuur ook niet besmet raakt.
Briljant,
gloeiend en onverstoorbaar in zijn verzaking, etend naar de
noodzaak, raakt hij die verbonden is in de ziel, zelfs als
hij alles eet [dus ook de noodzaak dan
voorbijstreeft], niet besmet net als een vuur.
(Vedabase)
Tekst
46
Somtijds
[als een vuur aldus] verborgen en soms manifest
verslindt hij, aanbiddelijk zijnde voor hen die het hoogste
verlangen, de offers die men van alle kanten brengt en
verbrandt hij het ongeluk uit het verleden en het ongeluk dat
nog te gebeuren staat [zie ook 10.81:
4 en B.G.
3:
14].
Somtijds
[als een vuur aldus] verborgen, soms manifest
verslindt hij, aanbiddelijk voor hen die het hoogste
verlangen, de offers gebracht van alle kanten, met het
verbranden van het voorgaand en toekomstig ongeluk [zie
ook 10.81: 4 en B.G. 3: 13].
(Vedabase)
Tekst
47
Vanuit Zijn
eigen vermogen de identiteit aannemend van een ieder gaat de
Almachtige net als vuur dat zich voordoet in brandhout de
verschillende soorten van hogere en lagere levensvormen binnen
[de 'ware' en 'onware', god of dier].
De
Almachtige die als waar of onwaar [als god of beest]
dit alles is binnengegaan geschapen uit Zijn eigen energie,
verschijnt als vuur in brandhout met het aannemen van de
identiteit van een ieder.
(Vedabase)
Tekst
48
Afgedwongen
door de bewegingen van de Tijd die zelf niet kan worden
waargenomen, verandert de staat van het lichaam met de
levensfasen van geboorte tot de dood. Maar dat raakt de ziel
niet, net zo min als de maan anders is door zijn fasen
[B.G. 2:
13,
2:
20].
Door
de Tijd die in de grond niet waar te nemen is, zijn er,
zoals met de maan, beginnend bij de geboorte en eindigend
met de crematie, de staten van het lichaam in zijn
verschillende fasen; maar geen van dezen zijn van de ziel
[B.G. 2: 13, 2: 20]. (Vedabase)
Tekst
49
Zoals men de
ziel(en) zelf niet ziet met de lichamen die voortdurend worden
geboren en weer sterven als met de vlammen van een vuur, is ook
de Tijd zelf niet te zien ondanks zijn voortsnellende,
dwingende stroom [*].
De
tijd dringend, voortsnellend als een stroom, met zijn
voortdurend ontstaan en weer vergaan van schepselen die als
de vlammen zijn met een vuur, is, vanuit de ziel bekeken,
niet te zien echter
[*].
(Vedabase)
Tekst
50
Een yogi
verzaakt met het aanvaarden van de zinsobjecten ze op de juiste
tijd [naar gelang de cakra-orde].
Hij raakt niet verstrikt met hen net zoals de zon niet gevangen
wordt als die met zijn stralen de wateren
binnendringt.
Een
yogî met het aanvaarden van de objecten voor zijn
zinnen verzaakt ze op de juiste tijd [naar de
cakra]; hij raakt niet verstrikt in hen net zoals de zon
niet als die met zijn stralen de wateren binnendringt
[ze verdampend en weer retournerend met de
regen].
(Vedabase)
Tekst
51
Als de zon
uiteen lijkt te zijn gevallen in zijn reflecties, ziet men zijn
oorspronkelijke vorm nog niet als verschillend. net zo is ook
de ziel, die voor de tragen van begrip schijnt te zijn opgegaan
in reflecties [van aparte zelven], van die
positie.
De
zon, die gereflecteerd uiteengevallen schijnt te zijn, wordt
in zijn oorspronkelijke vorm niet beschouwd in die termen
van verscheidenheid; net zo is ook de ziel, die voor de
tragen van begrip schijnt te zijn opgegaan in reflecties
[van aparte zelven], van die positie.
(Vedabase)
Tekst
52
Men zou zich
nooit moeten verliezen in buitengewone genegenheid of een nauwe
omgang met wie dan ook, omdat men daarin zwelgend groot leed
zal ondervinden. Men leeft dan bij de dag alsof men een duif is
[zie ook 7.2:
50-56].
Geen
buitengewone affectie of nauwe omgang met wie ook zou er
ooit moeten zijn, daar daarin zwelgend men groot leed zal
ondervinden, levend bij de dag zoals een duif [zie ook
7.2: 50-56]. (Vedabase)
Tekst
53
Een zekere duif
bouwde eens in het bos zijn nest in een boom en hield zich daar
een aantal jaren op met een vrouwelijke
metgezel.
Een
zekere duif die in het bos zijn nest in een boom had gebouwd
hield zich daar een aantal jaren op met een vrouwtjesduif
als metgezel. (Vedabase)
Tekst
54
Als gehechte
partners in het huishouden waren zij met hun harten vol van
genegenheid als door touwen aan elkaar gebonden, blik aan blik,
lijf aan lijf en geest aan geest.
Als
gehechte huishouders waren zij met hun harten van
genegenheid als door touwen aan elkaar gebonden, blik aan
blik, lijf aan lijf en geest aan geest.
(Vedabase)
Tekst
55
Op elkaar
vertrouwend als een paartje waren ze druk in de bomen bezig met
uitrusten, zitten, lopen, staan, communiceren, spelen, eten
enzovoorts.
Er
samen op vertrouwend als een paartje waren ze bezig met
uitrusten, zitten, lopen, staan, communiceren, spelen en
eten enzovoorts, temidden van de bomen in het bos.
(Vedabase)
Tekst
56
Wat zij ook
wenste, o Koning, was wat hij, die het haar naar de zin wou
maken, deed. Zonder zich in te tomen beantwoordde hij aan haar
verlangens, zelfs als dat moeilijk was.
Wat
zij maar wenste, o Koning, is wat hij, proberend het haar
naar de zin te maken, deed, zonder zinsbeheersing, genadig
verschaffend, zelfs als dat dan moeilijk was.
(Vedabase)
Tekst
57
De kuise
wijfjesduif raakte voor het eerst zwanger en bracht, toen de
tijd rijp was, in het nest haar eitjes ter wereld in de
aanwezigheid van haar echtgenoot.
De
kuise wijfjesduif met het dragen van haar eerste
zwangerschap bracht, toen de tijd daar was, in het nest de
eitjes ter wereld in de aanwezigheid van haar echtgenoot.
(Vedabase)
Tekst
58
Uit hen kwamen
na de nodige tijd de kleintjes tevoorschijn, met de tere leden
en veertjes zoals geschapen door het ondoorgrondelijke vermogen
van de Heer.
Uit
hen werden na de nodige tijd, met tere leden, tere veertjes,
de kleintjes voortgebracht door de 0ndoorgrondelijke
vermogens van de Heer. (Vedabase)
Tekst
59
Het paartje
zorgde dolblij toen voor hun nageslacht, waarbij ze vol liefde
verrukt luisterden naar de onbeholpen geluidjes van hun
piepende kindjes.
Het
paartje zeer verheugd voedde toen hun nageslacht, vol liefde
in verrukking luisterend naar de onbeholpen geluidjes van
hun piepende kindjes. (Vedabase)
Tekst
60
De aanblik van
het geluk van de kleintjes met hun pluizige vleugeltjes, hun
vertederende gepiep en hun pogingen op te springen om te
vliegen, vervulde de ouders van vreugde.
Met
de pluizige vleugeltjes van de kleintjes, hun vertederende
gepiep en hun pogingen op te springen om te vliegen, werden
de ouders helemaal blij als ze zo gelukkig waren.
(Vedabase)
Tekst
61
Met hun harten
saamgebonden door genegenheid voedden ze volledig in de ban van
het begoochelend vermogen van Heer Vishnu hun kinderen, hun
nageslacht.
Met
hun harten saamgebonden door genegenheid voedden ze,
volledig in de ban van het begoochelend vermogen van Heer
Vishnu, hun kinderen, hun
nageslacht.
(Vedabase)
Tekst
62
Op een dag
gingen de twee hoofden der familie eropuit om voedsel voor de
kinderen te halen, en dwaalden ze ver weg vol zorg speurend in
het hele bos.
Op
een dag gingen de twee hoofden der familie er op uit voor
voedsel voor de kinderen, ver weg afdwalend, vol zorg
speurend in het hele bos. (Vedabase)
Tekst
63
Een zekere
jager die toevallig door het bos trok zag hoe de jongen zich
rondbewogen in de buurt van hun nest en ving ze toen met een
net dat hij had uitgespreid.
Een
zekere jager die toevallig door het bos trok, en ze [de
jongen] zag, ving ze met een net gespreid zoals ze zich
rondbewogen in de buurt van hun
nest.
(Vedabase)
Tekst
64
De mannetjes-
en de vrouwtjesduif die altijd ijverig bezig waren met de zorg
voor hun kindjes keerden toen terug naar hun nest om het
voedsel te brengen.
De
mannetjes- en de vrouwtjesduif er op uit, altijd ijverig
bezig in de zorg voor hun kindjes voedsel aanslepend, kwamen
dichterbij hun nest. (Vedabase)
Tekst
65
Toen de
vrouwtjesduif zag dat de kleintjes uit haar geboren, haar
kindertjes, gevangen waren in het net, vloog ze in grote paniek
schreeuwend op hen af die ook aan het schreeuwen waren.
De
vrouwtjesduif met het zien van de kleintjes uit haar
geboren, haar kindertjes, gevangen in het net, haastte zich
erheen in grote paniek naar hen roepend die ook aan het
schreeuwen waren.
(Vedabase)
Tekst
66
Gebonden door
haar liefde was ze vastbesloten naar haar kinderen om te zien
en vergat ze, verdwaasd door de mâyâ van de
Ongeborene, zichzelf en raakte ze ook gevangen in het
net.
Zij,
steeds gebonden door de liefde raakte, met het omzien naar
de kinderen, verdwaasd door de mâyâ van de
Ongeborene zichzelf vergetend, ook in het net gevangen.
(Vedabase)
Tekst
67
De ongelukkige
mannetjesduif betreurde heel ellendig dat zijn kinderen waren
gevangen die hem meer dierbaar waren dan zijn eigen leven en
zijn wijfje dat zo veel op hem leek:
De
ongelukkige mannetjesduif betreurde heel ellendig de
gevangenneming van zijn kinderen die hem meer dierbaar waren
dan hemzelf en zijn wijfje dat zo veel op hem leek:
(Vedabase)
Tekst
68
'Kijk hoe
helaas ik, die zo dom en van geringe verdienste ben,
tenonderga. Ik mislukte erin te beantwoorden aan het drievoudig
levensdoel [de purushârtha's]
en heb aldus mijn gezin te gronde gericht!
'Helaas,
zie toch de vernietiging van mij zo zwak van geest zonder
verdienste, die [nu] onvervuld het drievoudig doel
is misgelopen [de purushârtha's] van de
familie die hij te gronde richtte!
(Vedabase)
Tekst
69
Zij die
geschikt als ze was mij trouw aanvaardde als haar echtgenoot,
heeft, nu vroom vertrokken naar de hemel met haar zoons, me
achtergelaten in een leeg huis.
Zij
die mij geschikt en trouw aanvaardde als haar echtgenoot,
heeft, vroom naar de hemel gaand tezamen met haar zoons, me
achtergelaten met een leeg huis.
(Vedabase)
Tekst
70
Wat is nu nog
de zin van mijn bestaan met mijn wijfje en mijn kinderen dood
en ikzelf er miserabel en ellendig aan toe met een eenzaam
leven in het lege nest?'
Met
mij ellendig in het lege nest met mijn wijfje en mijn
kinderen dood, voor welk doel zou ik dan nog leven,
miserabel lijdend een leven in gescheidenheid?'
(Vedabase)
Tekst
71
Toen hij ze vol
leed gevangen zag in 't net in de greep van de dood, ging zijn
verstand op nul en belandde ook hij in het net.
Met
hem vol leed ze inderdaad gevangen ziend in 't net in de
greep van de dood, belandde, zelfs hij, ontsteld met zijn
verstand op nul, eveneens in het
net.
(Vedabase)
Tekst
72
De meedogenloze
jager die zijn doel bereikt had pakte het gezinshoofd, de
duivenkindjes, en het duivenwijfje op en ging toen naar
huis.
De
meedogenloze jager die zijn doel bereikt had nam de
huishouder-duif, de duivenkindjes, en het duivenwijfje op,
en begaf zich toen naar huis.
(Vedabase)
Tekst
73
Een gezinshoofd
die [door minachting voor de burgerdeugden] in onvrede
met de ziel behagen schept in de materiële
tegenstellingen, krijgt het zwaar te verduren met zijn
verwanten, net als deze vogel die er [zonder religiositeit,
zinsbeheersing en economische regelingen] zo ellendig aan
toe was met het behoud van zijn gezin.
Een
gezinshoofd niet in vrede met de ziel genoegen belevend in
materiële tweeledigheid, heeft aldus, zoals deze vogel
ellendig in het behouden van zijn gezin, met zijn verwanten
zwaar te lijden.
(Vedabase)
Tekst
74
De persoon die
met het bereikt hebben van de menselijke positie, terwijl de
poort der bevrijding wagenwijd openstaat, in familiezaken zo
gehecht is als deze vogel, mag men, ookal is ie nog zo
opgeklommen, als gevallen worden beschouwd [zie ook
3.30,
3.32:
1-3,
4.28:
17,
5.26:
35,
7.14,
7.15:
38-39,
7.15:
67,
8.16:
9 en
10.69:
40].'
Iemand
die met het bereikt hebben van de menselijke positie, met de
poort der bevrijding wagenwijd open, in familiezaken zo
gehecht is als deze vogel; beschouw hem zo hoog geklommen
als zijnde gevallen [zie ook 3.30, 3.32: 1-3, 4.28:
17 , 5.26: 35, 7.14, 7.15: 38-39,7.15: 67, 8.16: 9 en
10.69: 40]. (Vedabase)
*:
Deze analytische methode, van het in dit geval terugkeren naar
het onderwerp van het vuur na het reeds geïntroduceerd
hebben van het volgende onderwerp van de maan, wordt
simhâvalokana genoemd, of 'de blik van de leeuw',
waarmee men tegelijkertijd voortgaat en achteruit kijkt om te
zien of er iets over het hoofd werd gezien.