regelbalk



 

Canto 10

S'uddha Bhakata

 

 

Hoofdstuk 40: Akrûra's Gebeden

(1) S'rî Akrûra zei: 'In buig me voor U neer, o Heer Nârâyana, Oorzaak Aller Oorzaken, o Oorspronkelijke Onuitputtelijke Persoon, o U uit wiens navel de lotus ontsproot op het hart waarvan Heer Brahmâ verscheen die deze wereld voortbracht. (2) Aarde, water, vuur, lucht, de ether en zijn oorzaak [het valse ego]; het geheel van de materie [zie voetnoot 10.13: ***] en haar oorsprong [de Purusha]; het denken, de zinnen, de voorwerpen van al de zintuigen en de halfgoden [die erbij horen], vormen tezamen de [secundaire] oorzaken van het universum die zijn voortgekomen uit Uw [bovenzinnelijke] lichaam. (3) Dezen, die onder het [uiterlijk] bestuur van het rijk der materie vallen, hebben vanwege die levenloosheid geen weet van de ware identiteit van het Allerhoogste Zelf, Uw Ziel. Ook de ongeborene [Brahmâ] kan gebonden aan de geaardheden van de materiële natuur, Uw gedaante transcendentaal aan deze geaardheden niet kennen [zie ook 10.13: 40-56]. (4) Het is ter ere van U dat de yogi's hun offers brengen, U de Allerhoogste Persoonlijkheid en de Meester binnenin een ieder, binnenin de elementen en binnenin de heersende goden en de heiligen. (5) Sommige brahmanen aanbidden U met respect voor de drie heilige vuren [agni-traya] uitvoerig, met behulp van de mantra's van de drie Veda's, met diverse rituelen voor godheden met verschillende namen en gedaanten. (6) Sommigen die naar geestelijke kennis streven, bereiken de vrede door af te zien van alle baatzuchtige handelingen en aanbidden de belichaming van de kennis [de goeroe, de Heer] door offers te brengen op het gebied van de geestelijke kennis [zie b.v. B.G. 4: 28, 17: 11-13, 18: 70]. (7) Anderen, wiens intelligentie zich zuiverde dankzij de principes [de vidhi] die U behelst, aanbidden U, verzonken in U, als zijnde de ene vorm die vele gedaanten aanneemt. (8) Weer anderen aanbidden U, de Opperheer, in de gedaante van Heer Siva, door het pad te bewandelen beschreven door Heer S'iva dat op verschillende manieren wordt gepresenteerd door de vele leraren. (9) Hoewel ze als toegewijden van andere godheden hun aandacht anders besteden, zijn ze allen van eerbetoon voor U die als de Meester al de goden omvat [zie B.G. 9: 23]. (10) Net als de rivieren die, vol van de regen van alle kanten ontspringend in de bergen, de oceaan instromen o meester, leiden zo ook al deze wegen [van de halfgoden] uiteindelijk naar U [zie B.G. 2: 70, 9: 23-25, 10: 24 en 11: 28]. (11) Al de geconditioneerde levende wezens, van de niet bewegende tot Heer Brahmâ aan toe, zitten vast aan de kwaliteiten [guna's] van het goede [sattva], de hartstocht [rajas] en de onwetendheid [tamas] van Uw materiële natuur [zie B.G. 14]. (12) Ik breng U, de Ziel van Allen mijn eerbetuigingen die, met een onthechte visie, er bent als de getuige en het bewustzijn van iedereen, als Hij die, met deze stroom van de materiële geaardheden die werd gecreëerd door Uw lagere energie, vat heeft op de zielen die zich daarmee vereenzelvigen als goden, mensen en dieren. (13-14) Men denkt aan het vuur als Uw gezicht, aan de aarde als Uw voeten, de zon als Uw oog, de lucht als Uw navel en de windrichtingen als Uw gehoorzin. De hemel is Uw hoofd, de heersende halfgoden zijn Uw armen, de oceaan is Uw buik en de wind is Uw levensadem en fysieke kracht. De bomen en de planten zijn de haren op Uw lichaam, de wolken zijn de haren op Uw hoofd, de bergen zijn het gebeente en de nagels van Uw Allerhoogste wezen. Dag en nacht zijn het knipperen van Uw oog, de stamvader is Uw geslachtsdeel en de regen beschouwt men als Uw zaad [zie b.v. ook 2.6: 1-11]. (15) In U vonden, net zoals de waterdieren rondzwemmend in het water of de kleine insectjes in een udumbara-vijg,  al de werelden - samen met hun heersers en de vele zielen die hen bevolken -, hun oorsprong, in U hun Onuitputtelijke, Ene Persoonlijkheid die alle geest en zinnen omvat.

(16) Voor het heil van Uw spel en vermaak in deze wereld spreidt U verschillende gedaanten ten toon waarmee de mensen, om zich te zuiveren van hun ongeluk, vol van vreugde Uw heerlijkheden bezingen. (17-18) Mijn respect voor U, de Oorspronkelijke Oorzaak, die in de gedaante van Matsya [de vis, zie 8.24] Zich rondbewoog in de oceaan der vernietiging en voor Hayagrîva [met het paardenhoofd, zie 5.18: 6]. Mijn eerbetuigingen voor U, de doder van Madhu en Kaithaba, voor de enorme meester-schildpad [Kûrma, zie 8.7 & 8] die de berg Mandara ondersteunde en alle eer aan U in de gedaante van het everzwijn [Varâha, zie 3.13] die er genoegen in schiep de aarde uit de oceaan op te tillen. (19) Mijn eerbetuigingen voor de verbazingwekkende leeuw [Nrisimha, zie 7.8 & 9] die de angst verdrijft van al de rechtschapen zielen ter wereld, en voor U die als de dwerg [Vâmana, zie 8.18-21] de drie werelden in één stap bedwong. (20) Alle eer aan U, de Heer van de nazaten van Bhrigu [Paras'urâma, zie 9.15 & 16] die het woud van ingebeelde edellieden omhakte, en mijn eerbetuigingen voor U de beste van de Raghudynastie [Heer Râma, zie 9.10 & 11] die een einde maakte aan Râvana. (21) Ik bewijs U, o Heer van de Sâtvata's de eer, o U die Heer Vâsudeva bent [Hij qua bewustzijn], Heer Sankarshana [Hij qua ego], Heer Pradyumna [Hij qua intelligentie] en Heer Aniruddha [Hij qua geest, zie verder 4.24: 35 & 36]. (22) Mijn eerbetuigingen voor Heer Boeddha [Hij als de ontwaakte], de Zuivere die de demonische nakomelingen van Diti en Dânu verbijstert. Mijn respect voor U in de gedaante van Heer Kalki [de Heer nederdalend 'voor de verdorvenen'] de vernietiger van de vleeseters [de mleccha's] die zich voordoen als koningen [zie ook 2.7].

(23) O Allerhoogste Heer, de individuele zielen in deze wereld zijn verbijsterd door Uw begoochelende materiële energie [mâyâ] en worden er, door de valse begrippen van 'ik' en 'mijn' [asmitâ], toe gedreven rond te dolen op de wegen van het baatzuchtig handelen [karma]. (24) Wat betreft mijn eigen lichaam, kinderen, thuis, vrouw, weelde, volgelingen enzovoorts, ben ook ik verbijsterd, dwaas denkend dat zij het ware zouden zijn, o Machtige, terwijl ze meer weg hebben van droombeelden [die komen en gaan]. (25) Aldus in het duister tastend met een mentaliteit van genieten willen in een wereld vol tegenstellingen, lukt het mij, met het aanzien van ellende voor het tegengestelde [het geluk] en dat wat niet het ware zelf is voor het eeuwige, niet om U te kennen die mijn meest gekoesterde zelf en ziel bent. (26) Gelijk een dwaas die het water niet opmerkt dat overdekt is door planten of als iemand die een luchtspiegeling najaagt, heb ik me van U afgewend. (27) Met een betreurenswaardige intelligentie vanwege materiële verlangens en handelingen, kon ik de kracht niet vinden om mijn verstoorde geest te beheersen die door de, o zo machtige, gewillige zinnen van het ene naar het andere werd afgeleid [zie B.G. 13: 1-4 en 5.11: 10].



(28) In deze staat benader ik nu Uw voeten die voor iedere onzuivere persoon, zo denk ik, onmogelijk te bereiken zijn zonder Uw genade. Alleen maar door het ware van dienst te zijn [het ware van Uw toegewijden, natuur en cultuur, sat] kan een persoon Uw [Krishna-]bewustzijn ontwikkelen en een einde maken aan de kringloop van wedergeboorte in deze materiële wereld, o Heer met de lotusnavel. (29) Ik bied Mijn eerbetuigingen aan U aan, de belichaming van de Wijsheid en de Bron van Alle Vormen van Kennis, aan U, de Absolute Waarheid van onbegrensde vermogens die heerst over de krachten die een [geconditioneerde] persoon beheersen. (30) Mijn eerbetoon geldt U, de zoon van Vasudeva, in wie alle levende wezens zich ophouden. Ik betoon U mijn respect, o Heer der Zinnen, alstUblieft bescherm me in mijn overgave, o Meester.'
 

 

next                       

 
 

 Derde herziene editie, geladen 29 januari, 2014.

 

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî Akrûra zei: 'In buig me voor U neer, o Heer Nârâyana, Oorzaak Aller Oorzaken, o Oorspronkelijke Onuitputtelijke Persoon, o U uit wiens navel de lotus ontsproot op het hart waarvan Heer Brahmâ verscheen die deze wereld voortbracht.
S'rî Akrûra zei: 'In buig me voor U neer, o Oorzaak Aller Oorzaken, Heer Nârâyana, o Oorspronkelijke Onuitputtelijke Persoon uit wiens navel de lotus ontsproot op het hart waarvan Heer Brahmâ verscheen met wie deze wereld tot stand kwam. (Vedabase)

 

Tekst 2

Aarde, water, vuur, lucht, de ether en zijn oorzaak [het valse ego]; het geheel van de materie [zie voetnoot 10.13: ***] en haar oorsprong [de Purusha]; het denken, de zinnen, de voorwerpen van al de zintuigen en de halfgoden [die daarbij horen], vormen tezamen de [secundaire] oorzaken van het universum die zijn voortgekomen uit Uw [bovenzinnelijke] lichaam.

Aarde, water, vuur, lucht, de ether en haar gebied; het mystificerend geheel van de materie [zie voetnoot 10.13: ***] en haar plaats, de geest, de zinnen, de voorwerpen van al de zintuigen en de halfgoden zijn allen de [onderscheiden secundaire] oorzaken van het universum die zijn voortgekomen uit Uw [bovenzinnelijke] lichaam. (Vedabase)

 

Tekst 3

Dezen, die onder het [uiterlijk] bestuur van het rijk der materie vallen, hebben vanwege die levenloosheid geen weet van de ware identiteit van het Allerhoogste Zelf, Uw Ziel. Ook de ongeborene [Brahmâ] kan gebonden aan de geaardheden van de materiële natuur, Uw gedaante transcendentaal aan deze geaardheden niet kennen [zie ook 10.13: 40-56].

Zij, onder het bestuur van het rijk der materie, hebben vanwege de inertie ervan geen weet van de ware identiteit van het Allerhoogste Zelf, de Ziel van U inderdaad; de ongeborene [Brahmâ] gegrepen door de geaardheden van de materiële natuur kan niet anders dan ze, er aan vastzittend, volgen; hij kent niet Uw ware gedaante hoog verheven boven de geaardheden [zie ook 10.13: 40-56]. (Vedabase)

 

Tekst 4

Het is ter ere van U dat de yogi's hun offers brengen, U de Allerhoogste Persoonlijkheid en de Meester binnenin een ieder, binnenin de elementen en binnenin de heersende goden en de heiligen.

Het is zeker ter ere van U, de Allerhoogste Persoonlijkheid en de Beheerser met iemand voor zichzelf, met anderen, met het grotere van de natuur en met de heiligen, dat de yogî's hun offers brengen. (Vedabase)

 

Tekst 5

Sommige brahmanen aanbidden U met respect voor de drie heilige vuren [agni-traya] uitvoerig, met behulp van de mantra's van de drie Veda's, met diverse rituelen voor godheden met verschillende namen en gedaanten.

Sommige brahmanen aanbidden in respect voor de drie heilige vuren [agni-traya] inderdaad U uitvoerig middels de mantra's en de drie Veda's in de verschillende rituelen voor de halfgoden met hun verschillende namen en gedaanten. (Vedabase)

 

Tekst 6

Sommigen die naar geestelijke kennis streven, bereiken de vrede door af te zien van alle baatzuchtige handelingen en aanbidden de belichaming van de kennis [de goeroe, de Heer] door offers te brengen op het gebied van de geestelijke kennis [zie b.v. B.G. 4: 28, 17: 11-13, 18: 70].

Sommigen in navolging van de kennis bereiken in het afzien van alle baatzuchtige handelingen de vrede door het offer van het cultiveren van de kennis in eerbetoon voor de belichaming van de kennis [de goeroe, de Heer; zie e.g. B.G. 4: 28; 17: 11-13; 18: 70]. (Vedabase)

 

Tekst 7

Anderen, wiens intelligentie zich zuiverde dankzij de principes [de vidhi] die U behelst, aanbidden U, verzonken in U, als zijnde de ene vorm die vele gedaanten aanneemt.

En anderen, wiens intelligentie is gezuiverd met de principes [de vidhi] die U biedt, aanbidden U vol van gedachten over U inderdaad als zijnde de ene vorm die vele vormen heeft. (Vedabase)

 

Tekst 8

Weer anderen aanbidden U, de Opperheer, in de gedaante van Heer Siva, door het pad te bewandelen beschreven door Heer S'iva dat op verschillende manieren wordt gepresenteerd door de vele leraren.

Weer anderen aanbidden U, de Opperheer, ook door de verschillende presentaties van vele leraren met de gedaante van S'iva op het pad uitgestippeld door Heer S'iva. (Vedabase)


Tekst 9

Hoewel ze als toegewijden van andere godheden hun aandacht anders besteden, zijn ze allen van eerbetoon voor U die als de Meester al de goden omvat [zie B.G. 9: 23].

Allen waarlijk, hoewel ze als toegewijden van andere godheden hun aandacht elders hebben, zijn van eerbetoon voor U, die als de Beheerser al de goden omvat [zie B.G. 9: 23]. (Vedabase)

 

Tekst 10

Net als de rivieren die, vol van de regen van alle kanten ontspringend in de bergen, de oceaan instromen o meester, leiden zo ook al deze wegen [van de halfgoden] uiteindelijk naar U [zie B.G. 2: 70, 9: 23-25, 10: 24 en 11: 28].

Net als de rivieren die, ontspringend in de bergen vol van de regen, van alle kanten de oceaan in stromen, o Meester, komen zo ook al deze wegen [van de halfgoden] uit op U [zie B.G. 2: 70; 9: 23-25, 10: 24 en 11: 28]. (Vedabase)

 

Tekst 11

Al de geconditioneerde levende wezens, van de niet bewegende tot Heer Brahmâ aan toe, zitten vast aan de kwaliteiten [guna's] van het goede [sattva], de hartstocht [rajas] en de onwetendheid [tamas] van Uw materiële natuur [zie B.G. 14].

Al de geconditioneerde levende wezens van de onbeweeglijke tot aan Heer Brahmâ toe zijn hierbij verweven met de kwaliteiten [guna's] van het goede [sattva], de hartstocht [rajas] en het trage [tamas] van Uw materiële natuur [zie B.G. 14]. (Vedabase)

 

Tekst 12

Ik breng U, de Ziel van Allen mijn eerbetuigingen die, met een onthechte visie, er bent als de getuige en het bewustzijn van iedereen, als Hij die, met deze stroom van de materiële geaardheden die werd gecreëerd door Uw lagere energie, vat heeft op de zielen die zich daarmee vereenzelvigen als goden, mensen en dieren.

Mijn eerbetuigingen aan U, er los van staand in Uw visie, die als het bewustzijn en de Ziel van iedereen en als de Getuige voor de stroom der materiële geaardheden, zoals uitgemaakt door Uw lagere energie, Uw weg baant onder hen die zichzelf presenteren als goden, mensen en dieren. (Vedabase)

  

Tekst 13-14

Men denkt aan het vuur als Uw gezicht, aan de aarde als Uw voeten, de zon als Uw oog, de lucht als Uw navel en de windrichtingen als Uw gehoorzin. De hemel is Uw hoofd, de heersende halfgoden zijn Uw armen, de oceaan is Uw buik en de wind is Uw levensadem en fysieke kracht. De bomen en de planten zijn de haren op Uw lichaam, de wolken zijn de haren op Uw hoofd, de bergen zijn het gebeente en de nagels van Uw Allerhoogste wezen. Dag en nacht zijn het knipperen van Uw oog, de stamvader is Uw geslachtsdeel en de regen beschouwt men als Uw zaad [zie b.v. ook 2.6: 1-11].

Men denkt aan het vuur als Uw gezicht, aan de aarde als Uw voeten, de zon als Uw oog, de lucht als Uw navel en de windrichtingen als Uw gehoorzin; de hemel is Uw hoofd, de heersende halfgoden zijn Uw armen, de oceaan is Uw buik en de wind is Uw levensadem en fysieke kracht. De bomen en de planten zijn de haren op Uw lichaam, de wolken zijn de haren op Uw hoofd, de bergen zijn het gebeente en de nagels van het Allerhoogste van U, dag en nacht zijn het knipperen van Uw oog, de stamvader is Uw geslachtsdeel en de regen wordt beschouwd als Uw zaad. [zie b.v. ook 2.6: 1-11]. (Vedabase)

   

 Tekst 15

In U vonden, net zoals de waterdieren rondzwemmend in het water of de kleine insectjes in een udumbara-vijg,  al de werelden - samen met hun heersers en de vele zielen die hen bevolken -, hun oorsprong, in U hun Onuitputtelijke, Ene Persoonlijkheid die alle geest en zinnen omvat.

In U, hun Onuitputtelijke Ene Persoonlijkheid die alle geest en zinnen omsluit, vonden samen met hun heersers de werelden hun oorsprong, met inbegrip van de vele zielen die hen bevolken, net zoals de waterdieren rondzwemmend in het water inderdaad of de kleine insectjes in een udumbara-vijg. (Vedabase)

 

Tekst 16

Voor het heil van Uw spel en vermaak in deze wereld spreidt U verschillende gedaanten ten toon waarmee de mensen, om zich te zuiveren van hun ongeluk, vol van vreugde Uw heerlijkheden bezingen.

Voor het heil van Uw spel en vermaak in deze wereld spreidt U verschillende gedaanten ten toon waarmee de mensen, met het uitzuiveren van hun ongeluk, vol van vreugde Uw heerlijkheden bezingen. (Vedabase)

 

Tekst 17-18

Mijn respect voor U, de Oorspronkelijke Oorzaak, die in de gedaante van Matsya [de vis, zie 8.24] Zich rondbewoog in de oceaan der vernietiging en voor Hayagrîva [met het paardenhoofd, zie 5.18: 6]. Mijn eerbetuigingen voor U, de doder van Madhu en Kaithaba, voor de enorme meester-schildpad [Kûrma, zie 8.7 & 8] die de berg Mandara ondersteunde en alle eer aan U in de gedaante van het everzwijn [Varâha, zie 3.13] die er genoegen in schiep de aarde uit de oceaan op te tillen.

Mijn respect voor U, de Oorspronkelijke Oorzaak, die in de gedaante van Matsya [de vis, zie 8.24] Zich rondbewoog in de oceaan der vernietiging en voor Hayagrîva [met het paardenhoofd, zie 5.18: 6]; mijn eerbetuigingen voor U, de doder van Madhu en Kaithaba; voor de enorme meester-schildpad [Kûrma, zie 8.7 & 8] die de berg Mandara ondersteunde mijn eerbetoon en alle heil aan U in de gedaante van het everzwijn [Varâha, zie 3.13] die er genoegen in schiep de aarde uit de oceaan op te tillen. (Vedabase)

 

Tekst 19

Mijn eerbetuigingen voor de verbazingwekkende leeuw [Nrisimha, zie 7.8 & 9] die de angst verdrijft van al de rechtschapen zielen ter wereld, en voor U die als de dwerg [Vâmana, zie 8.18-21] de drie werelden in één stap bedwong.

Eer aan U, de verbazingwekkende leeuw [Nrisimha, zie 7.8 & 9], o verdrijver van de angst der geheiligden waar dan ook en de eer aan U die als de dwerg [Vâmana, zie 8.18-21] over de drie werelden heen stapte. (Vedabase)

  

Tekst 20

Alle eer aan U, de Heer van de nazaten van Bhrigu [Paras'urâma, zie 9.15 & 16] die het woud van ingebeelde edellieden omhakte, en mijn eerbetuigingen voor U de beste van de Raghudynastie [Heer Râma, zie 9.10 & 11] die een einde maakte aan Râvana.

Alle eer aan U, de Heer van de nazaten van Bhrigu [Paras'urâma, zie 9.15 & 16] die het woud van ingebeelde edellieden omhakte en mijn eerbetuigingen voor U de beste van de Raghu-dynastie [Heer Râma, zie 9.10 & 11] die een einde maakte aan Râvana. (Vedabase)

 

Tekst 21

Ik bewijs U o Heer van de Sâtvata's de eer, o U die Heer Vâsudeva bent [Hij qua bewustzijn], Heer Sankarshana [Hij qua ego], Heer Pradyumna [Hij qua intelligentie] en Heer Aniruddha [Hij qua geest, zie verder 4.24: 35 & 36].

Mijn eerbewijzen voor U Heer Vâsudeva, mijn eerbetuigingen voor de Heer van de Sâtvata's en voor Heer Sankarshana [Hij qua ego], Pradyumna [Hij qua intelligentie] en Aniruddha [Hij qua geest, zie verder 4.24: 35 &36]. (Vedabase)

 

Tekst 22

Mijn eerbetuigingen voor Heer Boeddha [Hij als de ontwaakte], de Zuivere die de demonische nakomelingen van Diti en Dânu verbijstert. Mijn respect voor U in de gedaante van Heer Kalki [de Heer nederdalend 'voor de verdorvenen'] de vernietiger van de vleeseters [de mleccha's] die zich voordoen als koningen [zie ook 2.7].

Mijn eerbetuigingen voor Heer Boeddha [Hij als de ontwaakte], de Zuivere, die de demonische nakomelingen van Diti en Dânu van het verstand berooft en mijn respect voor U in de gedaante van Heer Kalki [de Heer die zal komen 'voor de verdorvenen'] de vernietiger van de opstandige vleeseters [mleccha's] die zich voordoen als koningen [zie ook 2.7]. (Vedabase)

 

Tekst 23

O Allerhoogste Heer, de individuele zielen in deze wereld zijn verbijsterd door Uw begoochelende materiële energie [mâyâ] en worden er, door de valse begrippen van 'ik' en 'mijn' [asmitâ], toe gedreven rond te dolen op de wegen van het baatzuchtig handelen [karma].

O Allerhoogste Heer, de individuele zielen in deze wereld zijn verbijsterd door Uw begoochelende materiële energie [mâyâ] en zijn er door de valse begrippen van "ik" en "mijn" [asmitâ] toe gedreven rond te dolen op de wegen van het baatzuchtig handelen [karma]. (Vedabase)

 

Tekst 24

Wat betreft mijn eigen lichaam, kinderen, thuis, vrouw, weelde, volgelingen enzovoorts, ben ook ik verbijsterd, dwaas denkend dat zij het ware zouden zijn, o Machtige, terwijl ze meer weg hebben van droombeelden [die komen en gaan].

Ook ik ben, wat betreft mijn lichaam, kinderen, thuis, vrouw, weelde, volgelingen en zo voorts, verbijsterd, dwaas denkend dat zij, die meer weg hebben van een droom, het ware zouden zijn, o Machtige. (Vedabase)

 

Tekst 25

Aldus in het duister tastend met een mentaliteit van genieten willen in een wereld vol tegenstellingen, lukt het mij, met het aanzien van ellende voor het tegengestelde [het geluk] en dat wat niet het ware zelf is voor het eeuwige, niet om U te kennen die mijn meest gekoesterde zelf en ziel bent.

Behagen scheppend in het vergankelijke dat niet het ware zelf is en in [dingen die feitelijk] bronnen van ellende [zijn], heb ik inderdaad met een geest die het precies omgekeerd zag me verlustigd in de dualiteit en ben ik, gedompeld in onwetendheid, erin mislukt U te herkennen als de Ene die mij het meest dierbaar is. (Vedabase)


Tekst 26

Gelijk een dwaas die het water niet opmerkt dat overdekt is door planten of als iemand die een luchtspiegeling najaagt, heb ik me van U afgewend.

Als een zot die het water over het hoofd ziet dat overdekt is door de planten die erin groeien, inderdaad een luchtspiegeling najagend, heb ik me op dezelfde manier van U afgewend. (Vedabase)

 

Tekst 27

Met een betreurenswaardige intelligentie vanwege materiële verlangens en handelingen, kon ik de kracht niet vinden om mijn verstoorde geest te beheersen die door de, o zo machtige, gewillige zinnen van het ene naar het andere werd afgeleid [zie B.G. 13: 1-4 en 5.11: 10].

Ik, met een door begeerten en baatzuchtige arbeid betreurenswaardige intelligentie, kon de kracht niet vinden om mijn verstoorde geest te beheersen die door de, o zo machtige, gewillige zinnen werd meegesleept van dit naar dat [zie B.G. B.G. 13: 1-4, plaatje & 5.11: 10]. (Vedabase)

 

Tekst 28

In deze staat benader ik nu Uw voeten die voor iedere onzuivere persoon, zo denk ik, onmogelijk te bereiken zijn zonder Uw genade. Alleen maar door het ware van dienst te zijn [het ware van Uw toegewijden, natuur en cultuur, sat] kan een persoon Uw [Krishna-]bewustzijn ontwikkelen en een einde maken aan de kringloop van wedergeboorte in deze materiële wereld, o Heer met de lotusnavel.

Ik van dien aard nader Uw voeten, die tezamen met Uw genade, onmogelijk te bereiken zijn voor hen die niet zuiver zijn, o Heer, in gedachten houdend dat, als het zich van een persoon zo voordoet dat zijn ronddolen in de materiële wereld tot een einde komt, het [stabiele] bewustzijn zich zal ontwikkelen door eerbetoon voor het ware [de toegewijden, de omgang, de leraren, de geschriften en de natuurlijke tijd] van U, wiens navel als een lotus is. (Vedabase)


Tekst 29

Ik bied Mijn eerbetuigingen aan U aan, de belichaming van de Wijsheid en de Bron van Alle Vormen van Kennis, aan U, de Absolute Waarheid van onbegrensde vermogens die heerst over de krachten die een [geconditioneerde] persoon beheersen.

Mijn eerbetuigingen voor de belichaming van de Wijsheid, de Bron van Alle Vormen van Kennis, voor Hem, de Absolute Waarheid van onbegrensde vermogens heersend over de krachten die een persoon beheersen. (Vedabase)

 

Tekst 30

Mijn eerbetoon geldt U, de zoon van Vasudeva, in wie alle levende wezens zich ophouden. Ik betoon U mijn respect, o Heer der Zinnen, alstUblieft bescherm me in mijn overgave, o Meester.'

Mijn eerbetoon voor U, de zoon van Vasudeva, in wie alle levende wezens zich ophouden en mijn respect voor U, o Heer der Zinnen; alstUblieft bescherm me, o Meester, in mijn overgave. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
Het schilderij is Pahari (Himalaya) en getiteld: "Akrura is amazed by his visions of the Lord Vishnu being one
and the same as Krishna and Balarama " 18e eeuw. Ter beschikking gesteld door
Shri Nathji's Galleries.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties