
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
The
Lord Blesses Sudâmâ Brâhmana
Tekst
1-2:
S'rî
S'uka zei: 'Hij, Bhagavân Krishna, het Ware Doel van de
Toegewijden, de Heer Volmaakt Bekend met de Geesten van Alle
Levende Wezens, op deze manier zich onderhoudend met de beste
der brahmanen, sprak toen, in Zijn toewijding voor de brahmanen
met een liefdevolle blik kijkend, glimlachend en lachend naar
Zijn beminde vriend, tot de brahmaan.
[S'ukadeva
Gosvâmî said:] Lord Hari, Krishna, perfectly
knows the hearts of all living beings, and He is especially
devoted to the brâhmanas. While the Supreme Lord, the
goal of all saintly persons, conversed in this way with the
best of the twice-born, He laughed and spoke the following
words to that dear friend of His, the brâhmana
Sudâmâ, all the while smiling and looking upon
him with affection.
Tekst
3:
De Allerhoogste
Heer zei: 'Wat voor een gift heb je voor Mij van huis
meegebracht, o brahmaan; zelfs het geringste geofferd door
toegewijden in zuivere liefde verandert in iets enorms voor
Mij, terwijl zelfs niet het grootste gepresenteerd door
niet-toegewijden in staat is Mijn bevrediging te
dienen.
The
Supreme Lord said: O brâhmana, what gift have you
brought Me from home? I regard as great even the smallest
gift offered by My devotees in pure love, but even great
offerings presented by nondevotees do not please Me.
Tekst
4:
Wie Mij ook een
blad, een bloem, een vrucht en water met toewijding aanbiedt,
dat offer vanuit het hart door een ziel van goede gewoonten
gebracht aanvaardt Ik [het zelfde als in
B.G.
9.26].'
If
one offers Me with love and devotion a leaf, a flower, a
fruit or water, I will accept it.
Tekst
5:
De tweemaal
geborene echter, aldus aangesproken, was, zijn hoofd voorover
buigend, te zeer in verlegenheid met Hem, de Echtgenoot van de
Godin van het Geluk, en bood niet de paar handjes rijstkorrels
aan, o Koning.
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] Even after being
addressed in this way, O King, the brâhmana felt too
embarrassed to offer his palmfuls of flat rice to the
husband of the goddess of fortune. He simply kept his head
bowed in shame.
Tekst
6-7:
Als de
rechtstreekse Getuige in het hart van alle levende wezens
volledig op de hoogte van de reden waarom hij was gekomen dacht
Hij: 'Hij, Mij in het verleden aanbiddend, begeerde nimmer de
weelde; echter, aangezien hij, Mijn vriend, voor het veilig
stellen van de tevredenheid van zijn kuis haar echtgenoot
toegewijde vrouw, nu naar Mij toe is gekomen, zal Ik Hem de
rijkdom schenken die [zelfs] buiten het bereik van de
onsterfelijken ligt [zie ook B.G.
9.22 ].'
Being
the direct witness in the hearts of all living beings, Lord
Krishna fully understood why Sudâmâ had come to
see Him. Thus He thought, "In the past My friend has never
worshiped Me out of a desire for material opulence, but now
he comes to Me to satisfy his chaste and devoted wife. I
will give him riches that even the immortal demigods cannot
obtain."
Tekst
8:
Met dit in
gedachten griste Hij Zelf van de kleding van de tweemaal
geborene de in een lap gewikkelde rijstkorrrels weg, en zei:
'Wat is dit?
Thinking
like this, the Lord snatched from the brâhmana's
garment the grains of flat rice tied up in an old piece of
cloth and exclaimed, "What is this?
Tekst
9:
Heb je dit voor
Mijn genoegen meegebracht Mijn beste vriend? Deze rijstkorrels
verzadigen Mij en het hele universum [dat Ik ben]!'
"My
friend, have You brought this for Me? It gives Me extreme
pleasure. Indeed, these few grains of flat rice will satisfy
not only Me but also the entire universe."
Tekst
10
Aldus Zich
uitlatend nam Hij een handjevol om te eten en toen nog een
handje, waarop S'rî [Rukminî devî]
Hem, de Allerhoogste, toegewijd, Zijn hand beetgreep
[daar
de korrels moeilijk te verteren
waren].
After
saying this, the Supreme Lord ate one palmful and was about
to eat a second when the devoted goddess Rukminî took
hold of His hand.
Tekst
11
'Dat, o Ziel
van het Universum, is toereikend voor een persoon uit op Jouw
voldoening om te gedijen met alle weelde in deze wereld of
anders een volgende.'
[Queen
Rukminî said:] This is more than enough, O Soul of
the universe, to secure him an abundance of all kinds of
wealth in this world and the next. After all, one's
prosperity depends simply on Your satisfaction.
Tekst
12
De brahmaan de
volgende nacht, verblijvend in Acyuta's paleis etend en
drinkend naar zijn genoegen, voelde zich alsof hij in de hemel
was beland.
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] The brâhmana spent
that night in Lord Acyuta's palace after eating and drinking
to his full satisfaction. He felt as if he had gone to the
spiritual world.
Tekst
13
De dag erna
vertrok hij, geëerd door Hem, de In Zichzelf Voldane
Handhaver van het Universum, naar zijn eigen woonplaats, mijn
beste, helemaal verguld zijn reis makend.
The
next day, Sudâmâ set off for home while being
honored by Lord Krishna, the self-satisfied maintainer of
the universe. The brâhmana felt greatly delighted, my
dear King, as he walked along the road.
Tekst
14
Hoewel hij, in
verlegenheid uit zichzelf er niet om gebedeld hebbend, geen
rijkdommen had ontvangen van Krishna, liep hij op weg naar huis
over van vreugde over de audiëntie die de Grote hem
vergund had.
Although
he had apparently received no wealth from Lord Krishna,
Sudâmâ was too shy to beg for it on his own. He
simply returned home, feeling perfectly satisfied to have
had the Supreme Lord's audience.
Tekst
15
'Ah, om de mate
van toewijding voor de brahmanen vàn de Godheid der
brahmanen te hebben mogen ervaren; Hij die Lakshmî in
Zijn borst draagt omhelsde de armste sloeber!
[Sudâmâ
thought:] Lord Krishna is known to be devoted to the
brâhmanas, and now I have personally seen this
devotion. Indeed, He who carries the goddess of fortune on
His chest has embraced the poorest beggar.
Tekst
16
Wie ben ik nou?
Iemand arm en zondig! En wie is Krishna? De tempel van
S'rî! En ik, deze brahmanenvriend, werd zomaar in Zijn
armen gesloten!
Who
am I? A sinful, poor friend of a brâhmana. And who is
Krishna? The Supreme Personality of Godhead, full in six
opulences. Nonetheless, He has embraced me with His two
arms.
Tekst
17
Als broeders
gezeten op het bed gebruikt door Zijn lief, kreeg ik, vermoeid
als ik was, door Zijn koningin de koelte toegewuifd met een
waaier van haar in haar hand.
He
treated me just like one of His brothers, making me sit on
the bed of His beloved consort. And because I was fatigued,
His queen personally fanned me with a yak-tail
câmara.
Tekst
18
Welgemeend
gediend en met de voeten gemasseerd en dergelijke werd ik als
een halfgod aanbeden door de God der Goden, de Godheid der
Geschoolden!
Although
He is the Lord of all demigods and the object of worship for
all brâhmanas, He worshiped me as if I were a demigod
myself, massaging my feet and rendering other humble
services.
Tekst
19
Het aanbidden
van Zijn voeten is de grondoorzaak van alle volmaaktheden en
volheden die een persoon vermag te verkrijgen in de hemel, in
het emanciperen, in de lagere regionen en op aarde.
Devotional
service to His lotus feet is the root cause of all the
perfections a person can find in heaven, in liberation, in
the subterranean regions and on earth.
Tekst
20
Als deze
armoezaaier rijkdom verwerft zal hij, genietend in overvloed,
zich Mij niet herinneren', zo moet Hij gedacht hebben, vol
mededogen me niet de geringste weelde
toebedenkend.'
Thinking
"If this poor wretch suddenly becomes rich, he will forget
Me in his intoxicating happiness," the compassionate Lord
did not grant me even a little wealth.
Tekst
21-23
Aldus in beslag
genomen door deze gedachten in de buurt van zijn thuis
aangeland, werd hij geconfronteerd met hoog oprijzende
paleizen, wedijverend met de zon, het vuur en de maan, aan alle
kanten omringd door wonderschone hoven en tuinen vol van hordes
tjilpende vogels, waterbekkens vol met lelies en 's nachts en
overdag bloeiende lotussen wit en helemaal open, en rijkelijk
uitgedoste en met sieraden behangen mannen en vrouwen met ogen
als die van reeën. 'Wat is dit nu, van wie is deze plaats,
hoe kon dit hier ontstaan?'
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] Thinking thus to
himself, Sudâmâ finally came to the place where
his home stood. But that place was now crowded on all sides
with towering, celestial palaces rivaling the combined
brilliance of the sun, fire and the moon. There were
splendorous courtyards and gardens, each filled with flocks
of cooing birds and beautified by ponds in which kumuda,
ambhoja, kahlâra and utpala lotuses grew. Finely
attired men and doe-eyed women stood in attendance.
Sudâmâ wondered, "What is all this? Whose
property is it? How has this all come about?"
Tekst
24
Op die manier
zijn denken pijnigend werd hij welkom geheten door de mannen en
vrouwen met verschijningen stralend als de halfgoden, die
allergunstigst luid zongen met instrumentale muziek.
As
he continued to ponder in this way, the beautiful men-and
maidservants, as effulgent as demigods, came forward to
greet their greatly fortunate master with loud song and
instrumental music.
Tekst
25
Horend dat haar
echtgenoot was gearriveerd, kwam zijn opgewonden echtgenote
buitenmate opgetogen, snel het huis uit als was het de Godin
van het geluk die zich manifesteerde vanuit haar
hemelverblijf.
When
she heard that her husband had arrived, the brâhmana
's wife quickly came out of the house in a jubilant flurry.
She resembled the goddess of fortune herself emerging from
her divine abode.
Tekst
26
Toen ze de
echtgenoot zag die ze zo toegewijd was, boog ze, met haar ogen
vol tranen met de aandrang der liefde gesloten, plechtig haar
hoofd voorover, hem van binnen in haar hart
omhelzend.
When
the chaste lady saw her husband, her eyes filled with tears
of love and eagerness. As she held her eyes closed, she
solemnly bowed down to him, and in her heart she embraced
him.
Tekst
27
Met de aanblik
van zijn vrouw verschijnend zo luisterrijk als een godin in een
vimâna, stralend temidden van dienstmaagden met gouden
hangers om hun halzen, stond hij versteld.
Sudâmâ
was amazed to see his wife. Shining forth in the midst of
maidservants adorned with jeweled lockets, she looked as
effulgent as a demigoddess in her celestial airplane.
Tekst
28
Er zelf blij
mee haar aan zijn zijde te hebben zag hij, naar binnen gegaan,
hoe zijn huis met de honderden met edelstenen ingelegde zuilen
eruit zag als het paleis van de grote Indra.
With
pleasure he took his wife with him and entered his house,
where there were hundreds of gem-studded pillars, just as in
the palace of Lord Mahendra.
Tekst
29-32
Er waren daar
ivoren bedden versierd met goud [met beddengoed] wit
als schuim en sofa's met gouden poten, yakstaart-waaiers,
gouden zetels met zachte kussens en baldakijnen waarvan
strengen parels neerhingen. Toen hij de stralend heldere muren
van kwarts ingelegd met kostbare smaragden zag als ook de
lampen met edelstenen en de vrouwen behangen met juwelen, deed
dat de brahmaan aldaar, vrij van zorgen met al de bloeiende
weelde, bij zichzelf te rade gaan over al die onverwachte
voorspoed:
In
Sudâmâ's home were beds as soft and white as the
foam of milk, with bedsteads made of ivory and ornamented
with gold. There were also couches with golden legs, as well
as royal câmara fans, golden thrones, soft cushions
and gleaming canopies hung with strings of pearls. Upon the
walls of sparkling crystal glass, inlaid with precious
emeralds, shone jeweled lamps, and the women in the palace
were all adorned with precious gems. As he viewed this
luxurious opulence of all varieties, the brâhmana
calmly reasoned to himself about his unexpected
prosperity.
Tekst
33
'Het moet wel
zo zijn dat de oorzaak van de voorspoed van mij hier, ik die
armoedig altijd zo onfortuinlijk was, niets anders kan zijn
inderdaad dan de blik van Hem, de Beste der Yadu's, Hij van de
Grootste Volkomenheid.
[Sudâmâ
thought:] I have always been poor. Certainly the only
possible way that such an unfortunate person as myself could
become suddenly rich is that Lord Krishna, the supremely
opulent chief of the Yadu dynasty, has glanced upon
Me.
Tekst
34
Uiteindelijk is
het zo dat Hij, mijn Vriend, de meest verhevene onder de
Das'arha's en de genieter van Alle Weelde, met mij bij Zich
niets zeggend op mijn bedoeling te bedelen, zo gul als een wolk
heeft gegeven toen Hij dat opmerkte.
After
all, my friend Krishna, the most exalted of the
Dâs'ârhas and the enjoyer of unlimited wealth,
noticed that I secretly intended to beg from Him. Thus even
though He said nothing about it when I stood before Him, He
actually bestowed upon me the most abundant riches. In this
way He acted just like a merciful rain cloud.
Tekst
35
In
tegenstelling tot het kleine dat Hij maakt van het grote dat
Hij Zelf geeft wordt het onbeduidende gegeven door een
welgezinde vriend door Hem omgetoverd in iets groots; dat is
hoe de Allerhoogste Ziel met genoegen de handvol rijstkorrels
aanvaardde door mij meegebracht.
The
Lord considers even His greatest benedictions to be
insignificant, while He magnifies even a small service
rendered to Him by His well-wishing devotee. Thus with
pleasure the Supreme Soul accepted a single palmful of the
flat rice I brought Him.
Tekst
36
Laat er enkel
leven na leven herhaaldelijk mijn liefde [sauhrida],
vriendschap [sakhya], welgezindheid
[maitrî] en dienstbaarheid [dâsya]
met Hem zijn, het Goddelijk, Mededogende Reservoir van
Bovenzinnelijke Eigenschappen, en moge ik stevig verankerd
raken in gehechtheid aan de waardevolle omgang met Zijn
toegewijden.
The
Lord is the supremely compassionate reservoir of all
transcendental qualities. Life after life may I serve Him
with love, friendship and sympathy, and may I cultivate such
firm attachment for Him by the precious association of His
devotees.
Tekst
37
De Opperheer
verleent Zijn toegewijde niet de wonderbaarlijke volheden - een
koninkrijk en materiële voordelen - als hij, niet
wedergeboren zijnde [zie 10.80:
32],
tekort schiet in zijn begrip, omdat Hij in Zijn wijsheid ziet
hoe de verrukking [de arrogantie, de verbeelding ofwel de
mada]
leidt tot de neergang der welgestelden.'
To
a devotee who lacks spiritual insight, the Supreme Lord will
not grant the wonderful opulences of this world - kingly
power and material assets. Indeed, in His infinite wisdom
the unborn Lord well knows how the intoxication of pride can
cause the downfall of the wealthy.
Tekst
38
Op deze manier
hecht verankerd in intelligentie Janârdana hoogst
toegewijd, genoot hij samen met zijn vrouw vrij van wellust,
met het in gedachten houden van het verzaken van de
zinsobjecten.
[S'ukadeva
Gosvâmî continued:] Thus firmly fixing his
determination by means of his spiritual intelligence,
Sudâmâ remained absolutely devoted to Lord
Krishna, the shelter of all living beings. Free from
avarice, he enjoyed, together with his wife, the sense
pleasures that had been bestowed upon him, always with the
idea of eventually renouncing all sense
gratification.
Tekst
39
Van Hem, de God
der Goden, Hari, de Heer en Meester van het Offer, zijn de
brahmanen waarlijk de meesters; er is geen grotere
goddelijkheid van aanbidding te vinden dan zij [zie ook
7.11:
14,
7.14:
17-18,
10.24:
25,
10.45:
32].
Lord
Hari is the God of all gods, the master of all sacrifices,
and the supreme ruler. But He accepts the saintly
brâhmanas as His masters, and so there exists no deity
higher than them.
Tekst
40
Met het aldus
herkennen van de Onoverwinnelijke overwonnen als Hij is door
Zijn eigen dienaren [zie ook 9.4:
63 en
10.9:
19] werd
hij, de geschoolde vriend van de Opperheer, door de werking van
zijn mediteren op Hem, verlost uit zijn gebondenheid aan het
[materiële] zelf en bereikte hij spoedig Zijn
hemelverblijf, de eindbestemming der
waarachtigen.
Thus
seeing how the unconquerable Supreme Lord is nonetheless
conquered by His own servants, the Lord's dear
brâhmana friend felt the remaining knots of material
attachment within his heart being cut by the force of his
constant meditation on the Lord. In a short time he attained
Lord Krishna's supreme abode, the destination of great
saints.
Tekst
41
Hij die
verneemt van deze sympathie voor de brahmanen van de Godheid
van de brahmanen, zal liefde opvatten voor de Allerhoogste Heer
en bevrijd raken van de gebondenheid van het baatzuchtig
handelen [zie ook 7.11:
35].
The
Lord always shows brâhmanas special favor. Anyone who
hears this account of the Supreme Lord's kindness to
brâhmanas will come to develop love for the Lord and
thus become freed from the bondage of material work.
