regelbalk

 

Mahâmantra 2

 

 

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 81

 

De Brahmaan Geëerd: Heer Krishna de Godheid der Brahmanen

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Hij, Bhagavân Krishna, het Ware Doel van de Toegewijden, de Heer Volmaakt Bekend met de Geesten van Alle Levende Wezens, op deze manier zich onderhoudend met de beste der brahmanen, sprak toen, in Zijn toewijding voor de brahmanen met een liefdevolle blik kijkend, glimlachend en lachend naar Zijn beminde vriend, tot de brahmaan. (3) De Allerhoogste Heer zei: 'Wat voor een gift heb je voor Mij van huis meegebracht, o brahmaan; zelfs het geringste geofferd door toegewijden in zuivere liefde verandert in iets enorms voor Mij, terwijl zelfs niet het grootste gepresenteerd door niet-toegewijden in staat is Mijn bevrediging te dienen. (4) Wie Mij ook een blad, een bloem, een vrucht en water met toewijding aanbiedt, dat offer vanuit het hart door een ziel van goede gewoonten gebracht aanvaardt Ik [het zelfde als in B.G. 9.26].'

(5) De tweemaal geborene echter, aldus aangesproken, was, zijn hoofd voorover buigend, te zeer in verlegenheid met Hem, de Echtgenoot van de Godin van het Geluk, en bood niet de paar handjes rijstkorrels aan, o Koning. (6-7) Als de rechtstreekse Getuige in het hart van alle levende wezens volledig op de hoogte van de reden waarom hij was gekomen dacht Hij: 'Hij, Mij in het verleden aanbiddend, begeerde nimmer de weelde; echter, aangezien hij, Mijn vriend, voor het veilig stellen van de tevredenheid van zijn kuis haar echtgenoot toegewijde vrouw, nu naar Mij toe is gekomen, zal Ik Hem de rijkdom schenken die [zelfs] buiten het bereik van de onsterfelijken ligt [zie ook B.G. 9.22 ].' (8) Met dit in gedachten griste Hij Zelf van de kleding van de tweemaal geborene de in een lap gewikkelde rijstkorrrels weg, en zei: 'Wat is dit? (9) Heb je dit voor Mijn genoegen meegebracht Mijn beste vriend? Deze rijstkorrels verzadigen Mij en het hele universum [dat Ik ben]!'

(10) Aldus Zich uitlatend nam Hij een handjevol om te eten en toen nog een handje, waarop S'rî [Rukminî devî] Hem, de Allerhoogste, toegewijd, Zijn hand beetgreep [daar de korrels moeilijk te verteren waren]. (11) 'Dat, o Ziel van het Universum, is toereikend voor een persoon uit op Jouw voldoening om te gedijen met alle weelde in deze wereld of anders een volgende.'

(12) De brahmaan de volgende nacht, verblijvend in Acyuta's paleis etend en drinkend naar zijn genoegen, voelde zich alsof hij in de hemel was beland. (13) De dag erna vertrok hij, geëerd door Hem, de In Zichzelf Voldane Handhaver van het Universum, naar zijn eigen woonplaats, mijn beste, helemaal verguld zijn reis makend. (14) Hoewel hij, in verlegenheid uit zichzelf er niet om gebedeld hebbend, geen rijkdommen had ontvangen van Krishna, liep hij op weg naar huis over van vreugde over de audiëntie die de Grote hem vergund had. (15) 'Ah, om de mate van toewijding voor de brahmanen vàn de Godheid der brahmanen te hebben mogen ervaren; Hij die Lakshmî in Zijn borst draagt omhelsde de armste sloeber! (16) Wie ben ik nou? Iemand arm en zondig! En wie is Krishna? De tempel van S'rî! En ik, deze brahmanenvriend, werd zomaar in Zijn armen gesloten! (17) Als broeders gezeten op het bed gebruikt door Zijn lief, kreeg ik, vermoeid als ik was, door Zijn koningin de koelte toegewuifd met een waaier van haar in haar hand. (18) Welgemeend gediend en met de voeten gemasseerd en dergelijke werd ik als een halfgod aanbeden door de God der Goden, de Godheid der Geschoolden! (19) Het aanbidden van Zijn voeten is de grondoorzaak van alle volmaaktheden en volheden die een persoon vermag te verkrijgen in de hemel, in het emanciperen, in de lagere regionen en op aarde. (20) Als deze armoezaaier rijkdom verwerft zal hij, genietend in overvloed, zich Mij niet herinneren', zo moet Hij gedacht hebben, vol mededogen me niet de geringste weelde toebedenkend.'

(21-23) Aldus in beslag genomen door deze gedachten in de buurt van zijn thuis aangeland, werd hij geconfronteerd met hoog oprijzende paleizen, wedijverend met de zon, het vuur en de maan, aan alle kanten omringd door wonderschone hoven en tuinen vol van hordes tjilpende vogels, waterbekkens vol met lelies en 's nachts en overdag bloeiende lotussen wit en helemaal open, en rijkelijk uitgedoste en met sieraden behangen mannen en vrouwen met ogen als die van reeën. 'Wat is dit nu, van wie is deze plaats, hoe kon dit hier ontstaan?' (24) Op die manier zijn denken pijnigend werd hij welkom geheten door de mannen en vrouwen met verschijningen stralend als de halfgoden, die allergunstigst luid zongen met instrumentale muziek. (25) Horend dat haar echtgenoot was gearriveerd, kwam zijn opgewonden echtgenote buitenmate opgetogen, snel het huis uit als was het de Godin van het geluk die zich manifesteerde vanuit haar hemelverblijf. (26) Toen ze de echtgenoot zag die ze zo toegewijd was, boog ze, met haar ogen vol tranen met de aandrang der liefde gesloten, plechtig haar hoofd voorover, hem van binnen in haar hart omhelzend. (27) Met de aanblik van zijn vrouw verschijnend zo luisterrijk als een godin in een vimâna, stralend temidden van dienstmaagden met gouden hangers om hun halzen, stond hij versteld. (28) Er zelf blij mee haar aan zijn zijde te hebben zag hij, naar binnen gegaan, hoe zijn huis met de honderden met edelstenen ingelegde zuilen eruit zag als het paleis van de grote Indra. (29-32) Er waren daar ivoren bedden versierd met goud [met beddengoed] wit als schuim en sofa's met gouden poten, yakstaart-waaiers, gouden zetels met zachte kussens en baldakijnen waarvan strengen parels neerhingen. Toen hij de stralend heldere muren van kwarts ingelegd met kostbare smaragden zag als ook de lampen met edelstenen en de vrouwen behangen met juwelen, deed dat de brahmaan aldaar, vrij van zorgen met al de bloeiende weelde, bij zichzelf te rade gaan over al die onverwachte voorspoed: (33) 'Het moet wel zo zijn dat de oorzaak van de voorspoed van mij hier, ik die armoedig altijd zo onfortuinlijk was, niets anders kan zijn inderdaad dan de blik van Hem, de Beste der Yadu's, Hij van de Grootste Volkomenheid. (34) Uiteindelijk is het zo dat Hij, mijn Vriend, de meest verhevene onder de Das'arha's en de genieter van Alle Weelde, met mij bij Zich niets zeggend op mijn bedoeling te bedelen, zo gul als een wolk heeft gegeven toen Hij dat opmerkte. (35) In tegenstelling tot het kleine dat Hij maakt van het grote dat Hij Zelf geeft wordt het onbeduidende gegeven door een welgezinde vriend door Hem omgetoverd in iets groots; dat is hoe de Allerhoogste Ziel met genoegen de handvol rijstkorrels aanvaardde door mij meegebracht. (36) Laat er enkel leven na leven herhaaldelijk mijn liefde [sauhrida], vriendschap [sakhya], welgezindheid [maitrî] en dienstbaarheid [dâsya] met Hem zijn, het Goddelijk, Mededogende Reservoir van Bovenzinnelijke Eigenschappen, en moge ik stevig verankerd raken in gehechtheid aan de waardevolle omgang met Zijn toegewijden. (37) De Opperheer verleent Zijn toegewijde niet de wonderbaarlijke volheden - een koninkrijk en materiële voordelen - als hij, niet wedergeboren zijnde [zie 10.80: 32], tekort schiet in zijn begrip, omdat Hij in Zijn wijsheid ziet hoe de verrukking [de arrogantie, de verbeelding ofwel de mada] leidt tot de neergang der welgestelden.'

(38) Op deze manier hecht verankerd in intelligentie Janârdana hoogst toegewijd, genoot hij samen met zijn vrouw vrij van wellust, met het in gedachten houden van het verzaken van de zinsobjecten. (39) Van Hem, de God der Goden, Hari, de Heer en Meester van het Offer, zijn de brahmanen waarlijk de meesters; er is geen grotere goddelijkheid van aanbidding te vinden dan zij [zie ook 7.11: 14, 7.14: 17-18, 10.24: 25, 10.45: 32]. (40) Met het aldus herkennen van de Onoverwinnelijke overwonnen als Hij is door Zijn eigen dienaren [zie ook 9.4: 63 en 10.9: 19] werd hij, de geschoolde vriend van de Opperheer, door de werking van zijn mediteren op Hem, verlost uit zijn gebondenheid aan het [materiële] zelf en bereikte hij spoedig Zijn hemelverblijf, de eindbestemming der waarachtigen. (41) Hij die verneemt van deze sympathie voor de brahmanen van de Godheid van de brahmanen, zal liefde opvatten voor de Allerhoogste Heer en bevrijd raken van de gebondenheid van het baatzuchtig handelen [zie ook 7.11: 35].

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

The Lord Blesses Sudâmâ Brâhmana

 

Tekst 1-2:

S'rî S'uka zei: 'Hij, Bhagavân Krishna, het Ware Doel van de Toegewijden, de Heer Volmaakt Bekend met de Geesten van Alle Levende Wezens, op deze manier zich onderhoudend met de beste der brahmanen, sprak toen, in Zijn toewijding voor de brahmanen met een liefdevolle blik kijkend, glimlachend en lachend naar Zijn beminde vriend, tot de brahmaan.

[S'ukadeva Gosvâmî said:] Lord Hari, Krishna, perfectly knows the hearts of all living beings, and He is especially devoted to the brâhmanas. While the Supreme Lord, the goal of all saintly persons, conversed in this way with the best of the twice-born, He laughed and spoke the following words to that dear friend of His, the brâhmana Sudâmâ, all the while smiling and looking upon him with affection.

  

Tekst 3:

De Allerhoogste Heer zei: 'Wat voor een gift heb je voor Mij van huis meegebracht, o brahmaan; zelfs het geringste geofferd door toegewijden in zuivere liefde verandert in iets enorms voor Mij, terwijl zelfs niet het grootste gepresenteerd door niet-toegewijden in staat is Mijn bevrediging te dienen.

The Supreme Lord said: O brâhmana, what gift have you brought Me from home? I regard as great even the smallest gift offered by My devotees in pure love, but even great offerings presented by nondevotees do not please Me.

 

Tekst 4:

Wie Mij ook een blad, een bloem, een vrucht en water met toewijding aanbiedt, dat offer vanuit het hart door een ziel van goede gewoonten gebracht aanvaardt Ik [het zelfde als in B.G. 9.26].'

If one offers Me with love and devotion a leaf, a flower, a fruit or water, I will accept it.

 

Tekst 5:

De tweemaal geborene echter, aldus aangesproken, was, zijn hoofd voorover buigend, te zeer in verlegenheid met Hem, de Echtgenoot van de Godin van het Geluk, en bood niet de paar handjes rijstkorrels aan, o Koning.

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] Even after being addressed in this way, O King, the brâhmana felt too embarrassed to offer his palmfuls of flat rice to the husband of the goddess of fortune. He simply kept his head bowed in shame.

 

Tekst 6-7:

Als de rechtstreekse Getuige in het hart van alle levende wezens volledig op de hoogte van de reden waarom hij was gekomen dacht Hij: 'Hij, Mij in het verleden aanbiddend, begeerde nimmer de weelde; echter, aangezien hij, Mijn vriend, voor het veilig stellen van de tevredenheid van zijn kuis haar echtgenoot toegewijde vrouw, nu naar Mij toe is gekomen, zal Ik Hem de rijkdom schenken die [zelfs] buiten het bereik van de onsterfelijken ligt [zie ook B.G. 9.22 ].'

Being the direct witness in the hearts of all living beings, Lord Krishna fully understood why Sudâmâ had come to see Him. Thus He thought, "In the past My friend has never worshiped Me out of a desire for material opulence, but now he comes to Me to satisfy his chaste and devoted wife. I will give him riches that even the immortal demigods cannot obtain."

     

 Tekst 8:

Met dit in gedachten griste Hij Zelf van de kleding van de tweemaal geborene de in een lap gewikkelde rijstkorrrels weg, en zei: 'Wat is dit?

Thinking like this, the Lord snatched from the brâhmana's garment the grains of flat rice tied up in an old piece of cloth and exclaimed, "What is this?

 

Tekst 9:

Heb je dit voor Mijn genoegen meegebracht Mijn beste vriend? Deze rijstkorrels verzadigen Mij en het hele universum [dat Ik ben]!'

"My friend, have You brought this for Me? It gives Me extreme pleasure. Indeed, these few grains of flat rice will satisfy not only Me but also the entire universe."

  

Tekst 10

Aldus Zich uitlatend nam Hij een handjevol om te eten en toen nog een handje, waarop S'rî [Rukminî devî] Hem, de Allerhoogste, toegewijd, Zijn hand beetgreep [daar de korrels moeilijk te verteren waren].

After saying this, the Supreme Lord ate one palmful and was about to eat a second when the devoted goddess Rukminî took hold of His hand.

 

Tekst 11

'Dat, o Ziel van het Universum, is toereikend voor een persoon uit op Jouw voldoening om te gedijen met alle weelde in deze wereld of anders een volgende.'

[Queen Rukminî said:] This is more than enough, O Soul of the universe, to secure him an abundance of all kinds of wealth in this world and the next. After all, one's prosperity depends simply on Your satisfaction.

 

Tekst 12

De brahmaan de volgende nacht, verblijvend in Acyuta's paleis etend en drinkend naar zijn genoegen, voelde zich alsof hij in de hemel was beland.

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] The brâhmana spent that night in Lord Acyuta's palace after eating and drinking to his full satisfaction. He felt as if he had gone to the spiritual world.

 

Tekst 13

De dag erna vertrok hij, geëerd door Hem, de In Zichzelf Voldane Handhaver van het Universum, naar zijn eigen woonplaats, mijn beste, helemaal verguld zijn reis makend.

The next day, Sudâmâ set off for home while being honored by Lord Krishna, the self-satisfied maintainer of the universe. The brâhmana felt greatly delighted, my dear King, as he walked along the road.

 

Tekst 14

Hoewel hij, in verlegenheid uit zichzelf er niet om gebedeld hebbend, geen rijkdommen had ontvangen van Krishna, liep hij op weg naar huis over van vreugde over de audiëntie die de Grote hem vergund had.

Although he had apparently received no wealth from Lord Krishna, Sudâmâ was too shy to beg for it on his own. He simply returned home, feeling perfectly satisfied to have had the Supreme Lord's audience.

    

 Tekst 15

'Ah, om de mate van toewijding voor de brahmanen vàn de Godheid der brahmanen te hebben mogen ervaren; Hij die Lakshmî in Zijn borst draagt omhelsde de armste sloeber!

[Sudâmâ thought:] Lord Krishna is known to be devoted to the brâhmanas, and now I have personally seen this devotion. Indeed, He who carries the goddess of fortune on His chest has embraced the poorest beggar.

 

Tekst 16

Wie ben ik nou? Iemand arm en zondig! En wie is Krishna? De tempel van S'rî! En ik, deze brahmanenvriend, werd zomaar in Zijn armen gesloten!

Who am I? A sinful, poor friend of a brâhmana. And who is Krishna? The Supreme Personality of Godhead, full in six opulences. Nonetheless, He has embraced me with His two arms.

 

Tekst 17

Als broeders gezeten op het bed gebruikt door Zijn lief, kreeg ik, vermoeid als ik was, door Zijn koningin de koelte toegewuifd met een waaier van haar in haar hand.

He treated me just like one of His brothers, making me sit on the bed of His beloved consort. And because I was fatigued, His queen personally fanned me with a yak-tail câmara.

 

Tekst 18

Welgemeend gediend en met de voeten gemasseerd en dergelijke werd ik als een halfgod aanbeden door de God der Goden, de Godheid der Geschoolden!

Although He is the Lord of all demigods and the object of worship for all brâhmanas, He worshiped me as if I were a demigod myself, massaging my feet and rendering other humble services.

 

Tekst 19

Het aanbidden van Zijn voeten is de grondoorzaak van alle volmaaktheden en volheden die een persoon vermag te verkrijgen in de hemel, in het emanciperen, in de lagere regionen en op aarde.

Devotional service to His lotus feet is the root cause of all the perfections a person can find in heaven, in liberation, in the subterranean regions and on earth.

   

Tekst 20

Als deze armoezaaier rijkdom verwerft zal hij, genietend in overvloed, zich Mij niet herinneren', zo moet Hij gedacht hebben, vol mededogen me niet de geringste weelde toebedenkend.'

Thinking "If this poor wretch suddenly becomes rich, he will forget Me in his intoxicating happiness," the compassionate Lord did not grant me even a little wealth.

 

 Tekst 21-23

Aldus in beslag genomen door deze gedachten in de buurt van zijn thuis aangeland, werd hij geconfronteerd met hoog oprijzende paleizen, wedijverend met de zon, het vuur en de maan, aan alle kanten omringd door wonderschone hoven en tuinen vol van hordes tjilpende vogels, waterbekkens vol met lelies en 's nachts en overdag bloeiende lotussen wit en helemaal open, en rijkelijk uitgedoste en met sieraden behangen mannen en vrouwen met ogen als die van reeën. 'Wat is dit nu, van wie is deze plaats, hoe kon dit hier ontstaan?'

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] Thinking thus to himself, Sudâmâ finally came to the place where his home stood. But that place was now crowded on all sides with towering, celestial palaces rivaling the combined brilliance of the sun, fire and the moon. There were splendorous courtyards and gardens, each filled with flocks of cooing birds and beautified by ponds in which kumuda, ambhoja, kahlâra and utpala lotuses grew. Finely attired men and doe-eyed women stood in attendance. Sudâmâ wondered, "What is all this? Whose property is it? How has this all come about?"

 

 Tekst 24

Op die manier zijn denken pijnigend werd hij welkom geheten door de mannen en vrouwen met verschijningen stralend als de halfgoden, die allergunstigst luid zongen met instrumentale muziek.

As he continued to ponder in this way, the beautiful men-and maidservants, as effulgent as demigods, came forward to greet their greatly fortunate master with loud song and instrumental music.

 

 Tekst 25

Horend dat haar echtgenoot was gearriveerd, kwam zijn opgewonden echtgenote buitenmate opgetogen, snel het huis uit als was het de Godin van het geluk die zich manifesteerde vanuit haar hemelverblijf.

When she heard that her husband had arrived, the brâhmana 's wife quickly came out of the house in a jubilant flurry. She resembled the goddess of fortune herself emerging from her divine abode.

 

 Tekst 26

Toen ze de echtgenoot zag die ze zo toegewijd was, boog ze, met haar ogen vol tranen met de aandrang der liefde gesloten, plechtig haar hoofd voorover, hem van binnen in haar hart omhelzend.

When the chaste lady saw her husband, her eyes filled with tears of love and eagerness. As she held her eyes closed, she solemnly bowed down to him, and in her heart she embraced him.

 

 Tekst 27

Met de aanblik van zijn vrouw verschijnend zo luisterrijk als een godin in een vimâna, stralend temidden van dienstmaagden met gouden hangers om hun halzen, stond hij versteld.

Sudâmâ was amazed to see his wife. Shining forth in the midst of maidservants adorned with jeweled lockets, she looked as effulgent as a demigoddess in her celestial airplane.

 

 Tekst 28

Er zelf blij mee haar aan zijn zijde te hebben zag hij, naar binnen gegaan, hoe zijn huis met de honderden met edelstenen ingelegde zuilen eruit zag als het paleis van de grote Indra.

With pleasure he took his wife with him and entered his house, where there were hundreds of gem-studded pillars, just as in the palace of Lord Mahendra.

  

 Tekst 29-32

Er waren daar ivoren bedden versierd met goud [met beddengoed] wit als schuim en sofa's met gouden poten, yakstaart-waaiers, gouden zetels met zachte kussens en baldakijnen waarvan strengen parels neerhingen. Toen hij de stralend heldere muren van kwarts ingelegd met kostbare smaragden zag als ook de lampen met edelstenen en de vrouwen behangen met juwelen, deed dat de brahmaan aldaar, vrij van zorgen met al de bloeiende weelde, bij zichzelf te rade gaan over al die onverwachte voorspoed:

In Sudâmâ's home were beds as soft and white as the foam of milk, with bedsteads made of ivory and ornamented with gold. There were also couches with golden legs, as well as royal câmara fans, golden thrones, soft cushions and gleaming canopies hung with strings of pearls. Upon the walls of sparkling crystal glass, inlaid with precious emeralds, shone jeweled lamps, and the women in the palace were all adorned with precious gems. As he viewed this luxurious opulence of all varieties, the brâhmana calmly reasoned to himself about his unexpected prosperity.

  

 Tekst 33

'Het moet wel zo zijn dat de oorzaak van de voorspoed van mij hier, ik die armoedig altijd zo onfortuinlijk was, niets anders kan zijn inderdaad dan de blik van Hem, de Beste der Yadu's, Hij van de Grootste Volkomenheid.

[Sudâmâ thought:] I have always been poor. Certainly the only possible way that such an unfortunate person as myself could become suddenly rich is that Lord Krishna, the supremely opulent chief of the Yadu dynasty, has glanced upon Me.

 

 Tekst 34

Uiteindelijk is het zo dat Hij, mijn Vriend, de meest verhevene onder de Das'arha's en de genieter van Alle Weelde, met mij bij Zich niets zeggend op mijn bedoeling te bedelen, zo gul als een wolk heeft gegeven toen Hij dat opmerkte.

After all, my friend Krishna, the most exalted of the Dâs'ârhas and the enjoyer of unlimited wealth, noticed that I secretly intended to beg from Him. Thus even though He said nothing about it when I stood before Him, He actually bestowed upon me the most abundant riches. In this way He acted just like a merciful rain cloud.

 

 Tekst 35

In tegenstelling tot het kleine dat Hij maakt van het grote dat Hij Zelf geeft wordt het onbeduidende gegeven door een welgezinde vriend door Hem omgetoverd in iets groots; dat is hoe de Allerhoogste Ziel met genoegen de handvol rijstkorrels aanvaardde door mij meegebracht.

The Lord considers even His greatest benedictions to be insignificant, while He magnifies even a small service rendered to Him by His well-wishing devotee. Thus with pleasure the Supreme Soul accepted a single palmful of the flat rice I brought Him.

 

 Tekst 36

Laat er enkel leven na leven herhaaldelijk mijn liefde [sauhrida], vriendschap [sakhya], welgezindheid [maitrî] en dienstbaarheid [dâsya] met Hem zijn, het Goddelijk, Mededogende Reservoir van Bovenzinnelijke Eigenschappen, en moge ik stevig verankerd raken in gehechtheid aan de waardevolle omgang met Zijn toegewijden.

The Lord is the supremely compassionate reservoir of all transcendental qualities. Life after life may I serve Him with love, friendship and sympathy, and may I cultivate such firm attachment for Him by the precious association of His devotees.

 

 Tekst 37

De Opperheer verleent Zijn toegewijde niet de wonderbaarlijke volheden - een koninkrijk en materiële voordelen - als hij, niet wedergeboren zijnde [zie 10.80: 32], tekort schiet in zijn begrip, omdat Hij in Zijn wijsheid ziet hoe de verrukking [de arrogantie, de verbeelding ofwel de mada] leidt tot de neergang der welgestelden.'

To a devotee who lacks spiritual insight, the Supreme Lord will not grant the wonderful opulences of this world - kingly power and material assets. Indeed, in His infinite wisdom the unborn Lord well knows how the intoxication of pride can cause the downfall of the wealthy.

 

 Tekst 38

Op deze manier hecht verankerd in intelligentie Janârdana hoogst toegewijd, genoot hij samen met zijn vrouw vrij van wellust, met het in gedachten houden van het verzaken van de zinsobjecten.

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] Thus firmly fixing his determination by means of his spiritual intelligence, Sudâmâ remained absolutely devoted to Lord Krishna, the shelter of all living beings. Free from avarice, he enjoyed, together with his wife, the sense pleasures that had been bestowed upon him, always with the idea of eventually renouncing all sense gratification.

 

 Tekst 39

Van Hem, de God der Goden, Hari, de Heer en Meester van het Offer, zijn de brahmanen waarlijk de meesters; er is geen grotere goddelijkheid van aanbidding te vinden dan zij [zie ook 7.11: 14, 7.14: 17-18, 10.24: 25, 10.45: 32].

Lord Hari is the God of all gods, the master of all sacrifices, and the supreme ruler. But He accepts the saintly brâhmanas as His masters, and so there exists no deity higher than them.

 

 Tekst 40

Met het aldus herkennen van de Onoverwinnelijke overwonnen als Hij is door Zijn eigen dienaren [zie ook 9.4: 63 en 10.9: 19] werd hij, de geschoolde vriend van de Opperheer, door de werking van zijn mediteren op Hem, verlost uit zijn gebondenheid aan het [materiële] zelf en bereikte hij spoedig Zijn hemelverblijf, de eindbestemming der waarachtigen.

Thus seeing how the unconquerable Supreme Lord is nonetheless conquered by His own servants, the Lord's dear brâhmana friend felt the remaining knots of material attachment within his heart being cut by the force of his constant meditation on the Lord. In a short time he attained Lord Krishna's supreme abode, the destination of great saints.

 

 Tekst 41

Hij die verneemt van deze sympathie voor de brahmanen van de Godheid van de brahmanen, zal liefde opvatten voor de Allerhoogste Heer en bevrijd raken van de gebondenheid van het baatzuchtig handelen [zie ook 7.11: 35].

The Lord always shows brâhmanas special favor. Anyone who hears this account of the Supreme Lord's kindness to brâhmanas will come to develop love for the Lord and thus become freed from the bondage of material work.

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties