regelbalk

 

Râdhikâshthakam

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 27

 

Over het Respecteren van de Vorm van God

(1) S'rî Uddhava zei: 'AlsJeblieft geef uitleg over de yoga van de dienst aan Jou als een beeltenis, o Meester; wie is van die aanbidding, voor welke vorm is men van aanbidding en op welke manier aanbidt men Je, o Meester van de Sâtvata's [zie ook mûrti en 11.3: 48-55]? (2) De wijzen Nârada, Bhagavân Vyâsa en mijn leermeester de zoon van Angirâ [Brihaspati] zeggen herhaaldelijk dat er niets is dat meer bevorderlijk is voor het welzijn. (3-4) Uit Jouw lotusmond kwam dat voort wat de grote ongeboren heer sprak voor zijn zoons met Bhrigu aan het hoofd, voor de godin [Pârvatî] en de grote heer S'iva [zie B.G. 3: 9-10]; dit [werken voor het doel van het offeren] inderdaad gewaardeerd door alle klassen en geestelijke orden van de samenleving, denk ik, is de meest gelukkige manier voor [zelfs, of, de omgang met] vrouwen en de werkende klasse, o Grootmoedige. (5) O Heer met de Lotusogen, alsJeblieft, o Beheerser van Alle Beheersers van het Universum, spreek tot Je bhakta zo vol van gehechtheid over de middelen om bevrijd te raken uit de gebondenheid aan het karma.'

(6) De Allerhoogste Heer zei: 'Er is geen einde aan de talloze beschrijvingen voor het handelen in yoga [zie b.v. B.G. 1-6]; dus, Uddhava, laat me het in het kort netjes stap voor stap uitleggen. (7) Men moet naar behoren van aanbidding zijn door te kiezen voor een van de drie soorten van processen van eerbetoon: naar de drie van de Veda, de verklarende literatuur [tantra's als de pañcarâtra] en naar een combinatie van hen. (8) Alsjeblieft luister met geloof op welke manier een persoon, die naar de voor hem relevante voorschriften [*] de status van een tweede geboorte verwierf, met toewijding van aanbidding moet zijn voor Mij. (9) Met de noodzakelijke hulpmiddelen moet hij, verbonden in de bhakti, vrij van nevenmotieven Mij, zijn aanbiddelijke goeroe, vereren in een beeltenis, een altaar, een vuur, de zon, het water of in het tweemaal geboren hart zelve [**]. (10) Naar de twee soorten van zuivering moet men eerst een bad nemen en zijn tanden poetsen en ten tweede een bad nemen in de mantra's met gebruikmaking van klei en dergelijke [zie tilaka, kavaca en 6.8: 3-10]. (11) Van ceremonieel respect op de drie overgangstijden van de dag, plichten nakomend zoals voorgeschreven door de Veda's [zie ook 11.14: 35], behoort hij die zich in zijn overtuiging volmaakt gefixeerd heeft met deze handelingen Mijn rituele aanbidding [puja] ten uitvoer te brengen die een einde maakt aan het karma.

(12) De vorm herinnert men zich op acht verschillende manieren: in steen, hout, metaal, een smeerbare substantie [zoals klei], geschilderd, in zand, in juwelen en als een beeltenis vastgehouden in de geest. (13) De individuele gedaante aldus van twee soorten - aan verandering en niet aan verandering onderhevig - hoeft, in geval van een permanente installatie in de tempel, o Uddhava, niet tevoorschijn worden gehaald (âvâdhana) of weer worden opgeborgen (udvâsa). (14) Tijdelijk geïnstalleerd is dat een mogelijkheid, maar met het toewijzen van een plaats [zoals in zand] doen deze twee zich voor; niet uit een smeerbare substantie bestaand [of van verf of hout] wordt het gewassen, maar in andere gevallen wordt het gereinigd zonder water. (15) Er is de aanbidding van de verschillende vormen van Mij met hulpmiddelen van de beste kwaliteit en er is de aanbidding van een toegewijde vrij van materiële verlangens die gebruik maakt van wat er maar zonder moeite voor handen is, zowel als voorzeker de aanbidding in het hart met behulp van wat men zich in de geest voorstelde.

(16-18) Gewoontegetrouw baden en opsieren wordt het meest op prijs gesteld met een beeltenis [in de tempel], Uddhava, voor een altaar is dat een oefening van respect in mantra's [tattva-vinyâsa] en voor het vuur worden offergaven [van sesam, granen e.d.] verzadigd van de ghee het beste geacht. Voor de zon is dat een respectvolle begroeting met een meditatie in âsana's [zie sûrya-namskar] en voor het water zijn offergaven van water en dergelijke het meest dierbaar. Als zelfs maar een beetje water door Mijn bhakta aangeboden met geloof [Mij] allerdierbaarst is [zie ook B.G. 9: 26], hoeveel te meer zou dat dan niet voor voedsel, bloemen, lampen, geuren en wierook gelden; maar het vele dat wordt geofferd door niet-toegewijden zal niet Mijn bevrediging teweeg brengen [zie ook B.G. 16]. (19) Schoon zijnd, de noodzakelijke hulpmiddelen bijeen gebracht hebbend, met de halmen [van het kus'agras] van de zitplaats die werd geregeld naar het oosten, en neerzittend met het gezicht naar het oosten of het noorden, of anders direct met de beeltenis voor zich, moet hij dan van eerbetoon zijn [vergelijk 1.19: 17, 4.24: 10, 8.9: 14-15]. (20) Met het zingen van mantra's en het toewijzen ervan aan zijn eigen lichaam en het lichaam van Mijn beeltenis moet hij met de hand schoonvegen [het altaar en de beeltenis] en op de goede manier de heilige dienschaal en het vat voor het sprenkelen van het water voorbereiden. (21) Met het water van het vat de plek van de beeltenis, de gebruiksartikelen en zijn eigen lichaam besprenkelend, moet hij vervolgens drie vaten met water klaarzetten en voorzien in de nodige goedgunstige zaken die beschikbaar zijn [zoals bloemen, granen, grashalmen, sesamzaad, etc., zie ***]. (22) De drie watervaten die er zijn met het water voor Zijn voeten [pâdya], Zijn handen [arghya], en Zijn mond [âcamana] moet de aanbidder dan zuiveren met de mantra's voor [respectievelijk] het hart [hridayâya namah], het hoofd [s'îrase svâhâ] en de pluk met haar [s'ikhâyai vashath] als ook met de gâyatrî. (23) Hij behoort te mediteren op de Oorspronkelijke Individualiteit van alle Expansies, de hoogste subtiele bovenzinnelijke gedaante van Mij die, binnen in dit lichaam volledig zuiver door de lucht en het vuur, zich bevindt op de lotus van het hart en wordt ervaren in het natrillen van de pranava [zie ook 2.2]. (24) Bij die vanuit zijn eigen realisatie begrepen, bemediteerde gedaante volmaakt van aanbidding binnen in het lichaam, dat van Zijn aanwezigheid doordrongen geladen raakte, behoort hij tot in het detail het eerbetoon uit te voeren door Hem uit te nodigen [nyâsa] met het beroeren van Zijn ledematen met mantra's zodat Hij Zijn plaats krijgt in de gerespecteerde beeltenis en alles erbij. (25-26) Men moet voor het bereiken van beide [het plezier en de bevrijding], naar zowel de Veda's als de tantra's, tezamen met de artikelen der aanbidding Mij de offers brengen van het pâdya, arghya en âcamana water, na zich voor zichzelf een voorstelling te hebben gemaakt van Mijn zitplaats met de negen s'akti's en het dharma enz. [*4] als zijnde een stralende lotus met acht kelkbladen met binnenin de werveling de saffranen meeldraden. (27) De een na de ander moet hij de Heer Zijn schijfwapen [de sudars'ana cakra], Zijn schelphoorn [de pâñcajanya], Zijn knots [de kaumodaki] en Zijn pijlen en boog achten [de s'arnga], Zijn [Balarâma voorwerpen van de] ploeg en het kaakbeen [hala en mushala], Zijn juweel [de kaustubha], Zijn bloemenslinger [de vaijayantî] en Zijn krul met witte haren op Zijn borst [de s'rîvatsa]. (28) Garuda, Nanda, Sunanda, Pracanda en Canda; Mahâbala en Bala en verder Kumuda en Kumudekshana [zijn de namen van Zijn draagvogel en acht metgezellen]. (29) Durgâ, Vinâyaka [Ganes'a], Vyâsa, Vishvaksena [zie 6.8: 29, 9.21: 25-26], de geestelijk leraren en de goddelijken behoren ieder vanaf hun eigen plaats met hun gezicht naar de beeltenis toe te worden aanbeden met het sprenkelen van water en andere rituelen [*5]. (30-31) Gebruik makend van met sandelhout, us'îra wortel, kamfer, kunkuma en aguru geparfumeerd water, behoort de aanbidder iedere dag [de beeltenis] te baden voor zover zijn middelen het toestaan; ook moet hij hymnen aanheffen, zoals die van het vedisch hoofdstuk bekend staande als svarna-gharma, de aanhef genaamd mahâpurusha, de purusha-sûkta [uit de Rig Veda] en gezangen uit de Sâma Veda zoals de râjana en dergelijke. (32) Met kleding, een heilige draad, sierselen, tilakatekens, bloemenslingers en geurige oliën behoort Mijn toegewijde Mij met liefde op te sieren zoals is voorgeschreven. (33) Pâdya en âcamana water, geuren en bloemen, ongebroken granen, wierook, lampen en dergelijke artikelen moeten Mij door de aanbidder met geloof worden aangeboden. (34) Naar gelang de draagkracht moet men voorzien in offergaven van voedsel als kandij, zoete rijst, rijstmeelcake met ghee [s'ashkulî], zoete cake [âpûpa], zoete rijstmeelballen met kokosnoot [modaka], hartigzoete tarwecake met ghee en melk [samyâva], yoghurt en groentesoepen. (35) Het masseren met zalf, reinigen van de tanden met gebruikmaking van een spiegel, het baden, voedsel om te kauwen en voedsel dat niet moet worden gekauwd, het dansen en het zingen moet er zijn op speciale dagen of anders iedere dag. (36) In een offerperk opgezet zoals staat voorgeschreven behoort men, met een gordel om, met een vuurplaats en een hoogte om op te offeren, met de hand een vuur aan te leggen en aan te steken dat gelijkmatig is opgebouwd. (37) Met het uitspreiden [van kus'agras, matten] en het dan besprenkelen en ceremonieel [anvadhânâ] volgens de regels plaatsen van hout in het vuur behoort hij, met het hebben voorzien in het âcamana water, de artikelen om te offeren besprenkelen, op Mij mediterend als Me bevindend in het vuur. (38-41) Met het mediteren op Hem, met Zijn schelphoorn, schijf, knots en lotus, Zijn vier armen en de rust die van Hem uitgaat, als zijnde schitterend met een kleur van gesmolten goud; met Zijn kledingstuk met de kleur van de meeldraden van een lotus, glanzende helm, armbanden, gordel, de sierselen aan Zijn armen, de s'rîvatsa op Zijn borst, de stralende kaustubha en een bloemenslinger; met het werpen van stukken hout gedrenkt in ghee in het vuur en het in de loop van het arghya-ritueel doen van de twee offers van het sprenkelen van de ghee [op twee manieren genaamd ârgâharas] en het doen van [twee verschillende] uitgietingen van ghee [genaamd âjyabhâgas], behoort de intelligente persoon in het vuur, met basismantra's en de [zestien regels van de] purusha-sûkta, de offergaven genaamd svisthi-krit te offeren voor Yamarâja en de andere halfgoden, met voor ieder op zijn beurt de gepaste mantra [zie ook 11.14: 36-42, 11.19: 20-24, 11.21: 15]. (42) Na aldus van aanbidding te zijn geweest en vervolgens eerbetuigingen gebracht te hebben aan Zijn metgezellen, behoort hij offers te brengen met het zingen van de mantra voor de godheid in kwestie, met in gedachten de Absolute Waarheid als zijnde het Oorspronkelijke Zelf van Nârâyana. (43) Met het aanbieden van het âcamana water en het aan Visvakshena geven van de resten van het voedsel, behoort men vervolgens toebereide betelnoot aan te bieden en reukwater voor de mond [zie ook 11.3: 48-53, 11.25: 28]. (44) Hij behoort zich bij tijden [zie kâla, 11.21: 9] te verliezen in de viering, zelf te luisteren en anderen te doen luisten naar Mijn verhalen, met het actief uitbeelden van de bovenzinnelijke handelingen in combinatie met hardop zingen en dansen [zie ook b.v. 11.5: 36-37, 11.14: 23-24]. (45) Met gebeden uit de purâna's, met uitgebreide of bescheidener gebeden uit andere oude geschriften en gebeden geschreven door anderen [zie bhajans], moet men languit voorover de eer betonen en zeggen 'O Heer, alstublieft schenk mij Uw genade' en zo ook bidden uit de directe ervaring [en putten uit andere algemene bronnen ]. (46) Met het plaatsen van het hoofd aan Mijn voeten met de handpalmen samengebracht [mag men een gebed doen als:] 'O Heer, alstUblieft, bescherm deze persoon van overgave, die in deze materiële oceaan beducht is voor de mond van de dood' [vergelijk B.G. 11: 19]. (47) Aldus biddend behoren de restanten door Mij vergund naar het hoofd te worden geheven en in het geval dat men met respect afscheid moet nemen van de beeltenis, moet dit gebed nog eens worden gebracht, zo dat het licht [van de beeltenis] wordt geplaatst in het licht [van het eigen hart *6].

(48) Wanneer men ook geloof ontwikkelt in Mij in de vorm van welke beeltenis of andere manifestatie dan ook, moet men daarin overeenkomstig van respect zijn aangezien Ik, de Oorspronkelijke Ziel van Allen, Mij bevindt zowel in alle levende wezens als in iemand zelf [zie ook B.G. 6: 31 en *7]. (49) Op deze manier zal door de processen van handelen in yoga een persoon, naar de Veda en andere specialistische teksten van aanbidding in zowel dit leven als het volgende leven, door Mij de verlangde vervolmaking verwerven. (50) Om Mijn beeltenis naar behoren te vestigen moet hij een stevige tempel bouwen, samen met het aanleggen van bloementuinen bestemd [om bloemen te verschaffen] voor de dagelijkse puja, de feestelijke bijeenkomsten en de jaarlijkse evenementen. (51) Hij die land, winkels, steden en dorpen doneert ten einde de continuïteit te verzekeren van de dagelijkse aanbidding en de jaarlijkse feestdagen, zal een weelde verwerven gelijk aan die van Mij. (52) De beeltenis installeren geeft heerschappij over de gehele aarde, het bouwen van een tempel geeft de zeggenschap over de drie werelden en het uitvoeren van de puja en andere soortgelijke diensten geeft iemand het bereik van Brahmâ; met alle drie zal men een status verwerven gelijk aan die van Mij. (53) Hij die vrij van nevenmotieven overgaat tot bhakti-yoga bereikt zijn doel door de bhakti-yoga; hij die aldus van aanbidding is krijgt enkel Mij [zie ook 5.5: 14, 11.12: 24 en B.G. 6: 44]. (54) Hij die van de godvruchtigen en de geschoolden het levensonderhoud wegsteelt dat hij zelf wegschonk of dat werd gegeven door anderen, is een worm in de ontlasting die honderdmiljoen jaar lang zijn geboorte moet nemen [vergelijk 10.64: 39]. (55) De dader [schuldig aan dat stelen] en zijn medeplichtige als ook degene die er toe aanzet en degene die zijn goedkeuring eraan hecht, delen allen in de karmische terugslag in het leven erna, waarin zij naar gelang hun betrokkenheid daarvan de resultaten zullen oogsten.

 

 

 next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie i9n het Nederlands beschikbaar):

Lord Krishna's Instructions on the Process of Deity Worship

 

Tekst 1

S'rî Uddhava zei: 'AlsJeblieft geef uitleg over de yoga van de dienst aan Jou als een beeltenis, o Meester; wie is van die aanbidding, voor welke vorm is men van aanbidding en op welke manier aanbidt men Je, o Meester van de Sâtvata's [zie ook mûrti en 11.3: 48-55]?

S'rî Uddhava said: My dear Lord, O master of the devotees, please explain to me the prescribed method of worshiping You in Your Deity form. What are the qualifications of those devotees who worship the Deity, on what basis is such worship established, and what is the specific method of worship?

  

Tekst 2

De wijzen Nârada, Bhagavân Vyâsa en mijn leermeester de zoon van Angirâ [Brihaspati] zeggen herhaaldelijk dat er niets is dat meer bevorderlijk is voor het welzijn.

All the great sages repeatedly declare that such worship brings the greatest benefit possible in human life. This is the opinion of Nârada Muni, the great Vyâsadeva and my own spiritual master, Brihaspati.

  

 Tekst 3-4

Uit Jouw lotusmond kwam dat voort wat de grote ongeboren heer sprak voor zijn zoons met Bhrigu aan het hoofd, voor de godin [Pârvatî] en de grote heer S'iva [zie B.G. 3: 9-10]; dit [werken voor het doel van het offeren] inderdaad gewaardeerd door alle klassen en geestelijke orden van de samenleving, denk ik, is de meest gelukkige manier voor [zelfs, of, de omgang met] vrouwen en de werkende klasse, o Grootmoedige.

O most magnanimous Lord, the instructions on this process of Deity worship first emanated from Your lotus mouth. Then they were spoken by the great Lord Brahmâ to his sons, headed by Bhrigu, and by Lord S'iva to his wife, Pârvatî. This process is accepted by and appropriate for all the occupational and spiritual orders of society. Therefore I consider worship of You in Your Deity form to be the most beneficial of all spiritual practices, even for women and s'ûdras.

 

 Tekst 5

O Heer met de Lotusogen, alsJeblieft, o Beheerser van Alle Beheersers van het Universum, spreek tot Je bhakta zo vol van gehechtheid over de middelen om bevrijd te raken uit de gebondenheid aan het karma.'

O lotus-eyed one, O Supreme Lord of all lords of the universe, please explain to Your devoted servant this means of liberation from the bondage of work.

 

Tekst 6

De Allerhoogste Heer zei: 'Er is geen einde aan de talloze beschrijvingen voor het handelen in yoga [zie b.v. B.G. 1-6]; dus, Uddhava, laat me het in het kort netjes stap voor stap uitleggen.

The Supreme Personality of Godhead said - My dear Uddhava, there is no end to the innumerable Vedic prescriptions for executing Deity worship; so I shall explain this topic to you briefly, one step at a time.

 

Tekst 7

Men moet naar behoren van aanbidding zijn door te kiezen voor een van de drie soorten van processen van eerbetoon: naar de drie van de Veda, de verklarende literatuur [tantra's als de pañcarâtra] en naar een combinatie van hen.

One should carefully worship Me by selecting one of the three methods by which I receive sacrifice - Vedic, tantric or mixed.

 

Tekst 8

Alsjeblieft luister met geloof op welke manier een persoon, die naar de voor hem relevante voorschriften [*] de status van een tweede geboorte verwierf, met toewijding van aanbidding moet zijn voor Mij.

Now please listen faithfully as I explain exactly how a person who has achieved twice-born status through the relevant Vedic prescriptions should worship Me with devotion.

 

Tekst 9

Met de noodzakelijke hulpmiddelen moet hij, verbonden in de bhakti, vrij van nevenmotieven Mij, zijn aanbiddelijke goeroe, vereren in een beeltenis, een altaar, een vuur, de zon, het water of in het tweemaal geboren hart zelve [**].

A twice-born person should worship Me, his worshipable Lord, without duplicity, offering appropriate paraphernalia in loving devotion to My Deity form or to a form of Me appearing upon the ground, in fire, in the sun, in water or within the worshiper's own heart.

 

Tekst 10

Naar de twee soorten van zuivering moet men eerst een bad nemen en zijn tanden poetsen en ten tweede een bad nemen in de mantra's met gebruikmaking van klei en dergelijke [zie tilaka, kavaca en 6.8: 3-10].

One should first purify his body by cleansing his teeth and bathing. Then one should perform a second cleansing by smearing the body with earth and chanting both Vedic and tantric mantras.

 

 Tekst 11

Van ceremonieel respect op de drie overgangstijden van de dag, plichten nakomend zoals voorgeschreven door de Veda's [zie ook 11.14: 35], behoort hij die zich in zijn overtuiging volmaakt gefixeerd heeft met deze handelingen Mijn rituele aanbidding [puja] ten uitvoer te brengen die een einde maakt aan het karma.

Fixing the mind on Me, one should worship Me by his various prescribed duties, such as chanting the Gâyatrî mantra at the three junctures of the day. Such performances are enjoined by the Vedas and purify the worshiper of reactions to fruitive activities.

 

Tekst 12

De vorm herinnert men zich op acht verschillende manieren: in steen, hout, metaal, een smeerbare substantie [zoals klei], geschilderd, in zand, in juwelen en als een beeltenis vastgehouden in de geest.

The Deity form of the Lord is said to appear in eight varieties - stone, wood, metal, earth, paint, sand, the mind or jewels.

 

Tekst 13

De individuele gedaante aldus van twee soorten - aan verandering en niet aan verandering onderhevig - hoeft, in geval van een permanente installatie in de tempel, o Uddhava, niet tevoorschijn worden gehaald (âvâdhana) of weer worden opgeborgen (udvâsa).

The Deity form of the Lord, who is the shelter of all living entities, can be established in two ways - temporarily or permanently. But a permanent Deity, having been called, can never be sent away, My dear Uddhava.

  

Tekst 14

Tijdelijk geïnstalleerd is dat een mogelijkheid, maar met het toewijzen van een plaats [zoals in zand] doen deze twee zich voor; niet uit een smeerbare substantie bestaand [of van verf of hout] wordt het gewassen, maar in andere gevallen wordt het gereinigd zonder water.

The Deity that is temporarily established can optionally be called forth and sent away, but these two rituals should always be performed when the Deity is traced upon the ground. Bathing should be done with water except if the Deity is made of clay, paint or wood, in which cases a thorough cleansing without water is enjoined.

 

Tekst 15

Er is de aanbidding van de verschillende vormen van Mij met hulpmiddelen van de beste kwaliteit en er is de aanbidding van een toegewijde vrij van materiële verlangens die gebruik maakt van wat er maar zonder moeite voor handen is, zowel als voorzeker de aanbidding in het hart met behulp van wat men zich in de geest voorstelde.

One should worship Me in My Deity forms by offering the most excellent paraphernalia. But a devotee completely freed from material desire may worship Me with whatever he is able to obtain, and may even worship Me within his heart with mental paraphernalia.

 

 Tekst 16-18

Gewoontegetrouw baden en opsieren wordt het meest op prijs gesteld met een beeltenis [in de tempel], Uddhava, voor een altaar is dat een oefening van respect in mantra's [tattva-vinyâsa] en voor het vuur worden offergaven [van sesam, granen e.d.] verzadigd van de ghee het beste geacht. Voor de zon is dat een respectvolle begroeting met een meditatie in âsana's [zie sûrya-namskar] en voor het water zijn offergaven van water en dergelijke het meest dierbaar. Als zelfs maar een beetje water door Mijn bhakta aangeboden met geloof [Mij] allerdierbaarst is [zie ook B.G. 9: 26], hoeveel te meer zou dat dan niet voor voedsel, bloemen, lampen, geuren en wierook gelden; maar het vele dat wordt geofferd door niet-toegewijden zal niet Mijn bevrediging teweeg brengen [zie ook B.G. 16].

In worshiping the temple Deity, my dear Uddhava, bathing and decoration are the most pleasing offerings. For the Deity traced on sacred ground, the process of tattva-vinyâsa is most dear. Oblations of sesame and barley soaked in ghee are the preferred offering to the sacrificial fire, whereas worship consisting of upasthâna and arghya is preferred for the sun. One should worship Me in the form of water by offering water itself. Actually, whatever is offered to Me with faith by My devotee - even if only a little water - is most dear to Me.Even very opulent presentations do not satisfy Me if they are offered by nondevotees. But I am pleased by any insignificant offering made by My loving devotees, and I am certainly most pleased when nice presentations of fragrant oil, incense, flowers and palatable foods are offered with love.

  

 Tekst 19

Schoon zijnd, de noodzakelijke hulpmiddelen bijeen gebracht hebbend, met de halmen [van het kus'agras] van de zitplaats die werd geregeld naar het oosten, en neerzittend met het gezicht naar het oosten of het noorden, of anders direct met de beeltenis voor zich, moet hij dan van eerbetoon zijn [vergelijk 1.19: 17, 4.24: 10, 8.9: 14-15].

After cleansing himself and collecting all the paraphernalia, the worshiper should arrange his own seat with blades of kus'a grass whose tips point eastward. He should then sit facing either east or north, or else, if the Deity is fixed in one place, he should sit directly facing the Deity.

 

Tekst 20

Met het zingen van mantra's en het toewijzen ervan aan zijn eigen lichaam en het lichaam van Mijn beeltenis moet hij met de hand schoonvegen [het altaar en de beeltenis] en op de goede manier de heilige dienschaal en het vat voor het sprenkelen van het water voorbereiden.

The devotee should sanctify the various parts of his body by touching them and chanting mantras. He should do the same for My Deity forms and then with his hands he should clean the Deity of old flowers and the remnants of previous offerings. He should properly prepare the sacred pot and the vessel containing water for sprinkling.

 

 Tekst 21

Met het water van het vat de plek van de beeltenis, de gebruiksartikelen en zijn eigen lichaam besprenkelend, moet hij vervolgens drie vaten met water klaarzetten en voorzien in de nodige goedgunstige zaken die beschikbaar zijn [zoals bloemen, granen, grashalmen, sesamzaad, etc., zie ***].

Then, with the water of that prokshanîya vessel he should sprinkle the area where the Deity is being worshiped, the offerings that are going to be presented, and his own body. Next he should decorate with various auspicious substances three vessels filled with water.

 

 Tekst 22

De drie watervaten die er zijn met het water voor Zijn voeten [pâdya], Zijn handen [arghya], en Zijn mond [âcamana] moet de aanbidder dan zuiveren met de mantra's voor [respectievelijk] het hart [hridayâya namah], het hoofd [s'îrase svâhâ] en de pluk met haar [s'ikhâyai vashath] als ook met de gâyatrî.

The worshiper should then purify those three vessels. He should sanctify the vessel holding water for washing the Lord's feet by chanting hridayâya namah, the vessel containing water for arghya by chanting s'irase svâhâ, and the vessel containing water for washing the Lord's mouth by chanting s'ikhâyai vashath. Also, the Gâyatrî mantra should be chanted for all three vessels.

  

Tekst 23

Hij behoort te mediteren op de Oorspronkelijke Individualiteit van alle Expansies, de hoogste subtiele bovenzinnelijke gedaante van Mij die, binnen in dit lichaam volledig zuiver door de lucht en het vuur, zich bevindt op de lotus van het hart en wordt ervaren in het natrillen van de pranava [zie ook 2.2].

The worshiper should meditate upon My subtle form - which is situated within the worshiper's own body, now purified by air and fire - as the source of all living entities. This form of the Lord is experienced by self-realized sages in the last part of the vibration of the sacred syllable om.

 

Tekst 24

Bij die vanuit zijn eigen realisatie begrepen, bemediteerde gedaante volmaakt van aanbidding binnen in het lichaam, dat van Zijn aanwezigheid doordrongen geladen raakte, behoort hij tot in het detail het eerbetoon uit te voeren door Hem uit te nodigen [nyâsa] met het beroeren van Zijn ledematen met mantra's zodat Hij Zijn plaats krijgt in de gerespecteerde beeltenis en alles erbij.

The devotee conceives of the Supersoul, whose presence surcharges the devotee's body, in the form corresponding to his realization. Thus the devotee worships the Lord to his full capacity and becomes fully absorbed in Him. By touching the various limbs of the Deity and chanting appropriate mantras, the devotee should invite the Supersoul to join the Deity's form, and then the devotee should worship Me.

 

Tekst 25-26

Men moet voor het bereiken van beide [het plezier en de bevrijding], naar zowel de Veda's als de tantra's, tezamen met de artikelen der aanbidding Mij de offers brengen van het pâdya, arghya en âcamana water, na zich voor zichzelf een voorstelling te hebben gemaakt van Mijn zitplaats met de negen s'akti's en het dharma enz. [*4] als zijnde een stralende lotus met acht kelkbladen met binnenin de werveling de saffranen meeldraden.

The worshiper should first imagine My seat as decorated with the personified deities of religion, knowledge, renunciation and opulence and with My nine spiritual energies. He should think of the Lord's sitting place as an eight-petaled lotus, effulgent on account of the saffron filaments within its whorl. Then, following the regulations of both the Vedas and the tantras, he should offer Me water for washing the feet, water for washing the mouth, arghya and other items of worship. By this process he achieves both material enjoyment and liberation.

  

Tekst 27

De een na de ander moet hij de Heer Zijn schijfwapen [de sudars'ana cakra], Zijn schelphoorn [de pâñcajanya], Zijn knots [de kaumodaki] en Zijn pijlen en boog achten [de s'arnga], Zijn [Balarâma voorwerpen van de] ploeg en het kaakbeen [hala en mushala], Zijn juweel [de kaustubha], Zijn bloemenslinger [de vaijayantî] en Zijn krul met witte haren op Zijn borst [de s'rîvatsa].

One should worship, in order, the Lord's Sudars'ana disc, His Pâñcajanya conchshell, His club, sword, bow, arrows and plow, His mushala weapon, His Kaustubha gem, His flower garland and the S'rîvatsa curl of hair on His chest.

 

Tekst 28

Garuda, Nanda, Sunanda, Pracanda en Canda; Mahâbala en Bala en verder Kumuda en Kumudekshana [zijn de namen van Zijn draagvogel en acht metgezellen].

One should worship the Lord's associates Nanda and Sunanda, Garuda, Pracanda and Canda, Mahâbala and Bala, and Kumuda and Kumudekshana.

 

Tekst 29

Durgâ, Vinâyaka [Ganes'a], Vyâsa, Vishvaksena [zie 6.8: 29, 9.21: 25-26], de geestelijk leraren en de goddelijken behoren ieder vanaf hun eigen plaats met hun gezicht naar de beeltenis toe te worden aanbeden met het sprenkelen van water en andere rituelen [*5].

With offerings such as prokshana one should worship Durgâ, Vinâyaka, Vyâsa, Vishvaksena, the spiritual masters and the various demigods. All these personalities should be in their proper places facing the Deity of the Lord.

 

Tekst 30-31

Gebruik makend van met sandelhout, us'îra wortel, kamfer, kunkuma en aguru geparfumeerd water, behoort de aanbidder iedere dag [de beeltenis] te baden voor zover zijn middelen het toestaan; ook moet hij hymnen aanheffen, zoals die van het vedisch hoofdstuk bekend staande als svarna-gharma, de aanhef genaamd mahâpurusha, de purusha-sûkta [uit de Rig Veda] en gezangen uit de Sâma Veda zoals de râjana en dergelijke.

The worshiper should bathe the Deity every day, as opulently as his assets permit, using waters scented with sandalwood, us'îra root, camphor, kunkuma and aguru. He should also chant various Vedic hymns, such as the anuvâka known as Svarna-gharma, the Mahâpurusha-vidyâ, the Purusha-sûkta and various songs of the Sâma Veda, such as the Râjana and the Rohinya.

 

Tekst 32

Met kleding, een heilige draad, sierselen, tilakatekens, bloemenslingers en geurige oliën behoort Mijn toegewijde Mij met liefde op te sieren zoals is voorgeschreven.

My devotee should then lovingly decorate Me with clothing, a brâhmana thread, various ornaments, marks of tilaka and garlands, and he should anoint My body with fragrant oils, all in the prescribed manner.

 

Tekst 33

Pâdya en âcamana water, geuren en bloemen, ongebroken granen, wierook, lampen en dergelijke artikelen moeten Mij door de aanbidder met geloof worden aangeboden.

The worshiper should faithfully present Me with water for washing My feet and mouth, fragrant oils, flowers and unbroken grains, along with incense, lamps and other offerings.

  

Tekst 34

Naar gelang de draagkracht moet men voorzien in offergaven van voedsel als kandij, zoete rijst, rijstmeelcake met ghee [s'ashkulî], zoete cake [âpûpa], zoete rijstmeelballen met kokosnoot [modaka], hartigzoete tarwecake met ghee en melk [samyâva], yoghurt en groentesoepen.

Within his means, the devotee should arrange to offer Me sugar candy, sweet rice, ghee, s'ashkulî [rice-flour cakes], âpûpa [various sweet cakes], modaka [steamed rice-flour dumplings filled with sweet coconut and sugar], samyâva [wheat cakes made with ghee and milk and covered with sugar and spices], yogurt, vegetable soups and other palatable foods.

 

Tekst 35

Het masseren met zalf, reinigen van de tanden met gebruikmaking van een spiegel, het baden, voedsel om te kauwen en voedsel dat niet moet worden gekauwd, het dansen en het zingen moet er zijn op speciale dagen of anders iedere dag.

On special occasions, and daily if possible, the Deity should be massaged with ointment, shown a mirror, offered a eucalyptus stick for brushing His teeth, bathed with the five kinds of nectar, offered all kinds of opulent foods, and entertained with singing and dancing.

 

Tekst 36

In een offerperk opgezet zoals staat voorgeschreven behoort men, met een gordel om, met een vuurplaats en een hoogte om op te offeren, met de hand een vuur aan te leggen en aan te steken dat gelijkmatig is opgebouwd.

In an arena constructed according to scriptural injunctions, the devotee should perform a fire sacrifice, utilizing the sacred belt, the sacrificial pit and the altar mound. When igniting the sacrificial fire, the devotee should bring it to a blaze with wood piled up by his own hands.

 

Tekst 37

Met het uitspreiden [van kus'agras, matten] en het dan besprenkelen en ceremonieel [anvadhânâ] volgens de regels plaatsen van hout in het vuur behoort hij, met het hebben voorzien in het âcamana water, de artikelen om te offeren besprenkelen, op Mij mediterend als Me bevindend in het vuur.

After spreading kus'a grass on the ground and sprinkling it with water, one should perform the anvâdhâna ritual according to the prescribed rules. Then one should arrange the items to be offered as oblations and should sanctify them with water from the sprinkling vessel. The worshiper should next meditate upon Me within the fire.

 

Tekst 38-41

Met het mediteren op Hem, met Zijn schelphoorn, schijf, knots en lotus, Zijn vier armen en de rust die van Hem uitgaat, als zijnde schitterend met een kleur van gesmolten goud; met Zijn kledingstuk met de kleur van de meeldraden van een lotus, glanzende helm, armbanden, gordel, de sierselen aan Zijn armen, de s'rîvatsa op Zijn borst, de stralende kaustubha en een bloemenslinger; met het werpen van stukken hout gedrenkt in ghee in het vuur en het in de loop van het arghya-ritueel doen van de twee offers van het sprenkelen van de ghee [op twee manieren genaamd ârgâharas] en het doen van [twee verschillende] uitgietingen van ghee [genaamd âjyabhâgas], behoort de intelligente persoon in het vuur, met basismantra's en de [zestien regels van de] purusha-sûkta, de offergaven genaamd svisthi-krit te offeren voor Yamarâja en de andere halfgoden, met voor ieder op zijn beurt de gepaste mantra [zie ook 11.14: 36-42, 11.19: 20-24, 11.21: 15].

The intelligent devotee should meditate upon that form of the Lord whose color is like molten gold, whose four arms are resplendent with the conchshell, disc, club and lotus flower, and who is always peaceful and dressed in a garment colored like the filaments within a lotus flower. His helmet, bracelets, belt and fine arm ornaments shine brilliantly. The symbol of S'rîvatsa is on His chest, along with the glowing Kaustubha gem and a garland of forest flowers. The devotee should then worship that Lord by taking pieces of firewood soaked in the sacrificial ghee and throwing them into the fire. He should perform the ritual of âghâra, presenting into the fire the various items of oblation drenched in ghee. He should then offer to sixteen demigods, beginning with Yamarâja, the oblation called svisthi-krit, reciting the basic mantras of each deity and the sixteen-line Purusha-sûkta hymn. Pouring one oblation after each line of the Purusha-sûkta, he should utter the particular mantra naming each deity.

 

Tekst 42

Na aldus van aanbidding te zijn geweest en vervolgens eerbetuigingen gebracht te hebben aan Zijn metgezellen, behoort hij offers te brengen met het zingen van de mantra voor de godheid in kwestie, met in gedachten de Absolute Waarheid als zijnde het Oorspronkelijke Zelf van Nârâyana.

Having thus worshiped the Lord in the sacrificial fire, the devotee should offer his obeisances to the Lord's personal associates by bowing down and should then present offerings to them. He should then chant quietly the mûla-mantra of the Deity of the Lord, remembering the Absolute Truth as the Supreme Personality, Nârâyana.

 

Tekst 43

Met het aanbieden van het âcamana water en het aan Visvakshena geven van de resten van het voedsel, behoort men vervolgens toebereide betelnoot aan te bieden en reukwater voor de mond [zie ook 11.3: 48-53, 11.25: 28].

Once again he should offer the Deity water for washing His mouth, and he should give the remnants of the Lord's food to Vishvaksena. Then he should present the Deity with fragrant perfume for the mouth and prepared betel nut.

 

Tekst 44

Hij behoort zich bij tijden [zie kâla, 11.21: 9] te verliezen in de viering, zelf te luisteren en anderen te doen luisten naar Mijn verhalen, met het actief uitbeelden van de bovenzinnelijke handelingen in combinatie met hardop zingen en dansen [zie ook b.v. 11.5: 36-37, 11.14: 23-24].

Singing along with others, chanting loudly and dancing, acting out My transcendental pastimes, and hearing and telling stories about Me, the devotee should for some time absorb himself in such festivity.

 

Tekst 45

Met gebeden uit de purâna's, met uitgebreide of bescheidener gebeden uit andere oude geschriften en gebeden geschreven door anderen [zie bhajans], moet men languit voorover de eer betonen en zeggen 'O Heer, alstublieft schenk mij Uw genade' en zo ook bidden uit de directe ervaring [en putten uit andere algemene bronnen ].

The devotee should offer homage to the Lord with all kinds of hymns and prayers, both from the Purânas and from other ancient scriptures, and also from ordinary traditions. Praying, 'O Lord, please be merciful to me! 'he should fall down flat like a rod to offer his obeisances.

 

Tekst 46

Met het plaatsen van het hoofd aan Mijn voeten met de handpalmen samengebracht [mag men een gebed doen als:] 'O Heer, alstUblieft, bescherm deze persoon van overgave, die in deze materiële oceaan beducht is voor de mond van de dood' [vergelijk B.G. 11: 19].

Placing his head at the feet of the Deity, he should then stand with folded hands before the Lord and pray, 'O my Lord, please protect me, who am surrendered unto You. I am most fearful of this ocean of material existence, standing as I am in the mouth of death.'

 

Tekst 47

Aldus biddend behoren de restanten door Mij vergund naar het hoofd te worden geheven en in het geval dat men met respect afscheid moet nemen van de beeltenis, moet dit gebed nog eens worden gebracht, zo dat het licht [van de beeltenis] wordt geplaatst in het licht [van het eigen hart *6].

Praying in this way, the devotee should respectfully place upon his head the remnants I offer to him. And if the particular Deity is meant to be sent away at the end of the worship, then this should be performed, the devotee once again placing the light of the Deity's presence inside the light of the lotus within his own heart.

 

Tekst 48

Wanneer men ook geloof ontwikkelt in Mij in de vorm van welke beeltenis of andere manifestatie dan ook, moet men daarin overeenkomstig van respect zijn aangezien Ik, de Oorspronkelijke Ziel van Allen, Mij bevindt zowel in alle levende wezens als in iemand zelf [zie ook B.G. 6: 31 en *7].

Whenever one develops faith in Me - in My form as the Deity or in other bona fide manifestations - one should worship Me in that form. I certainly exist both within all created beings and also separately in My original form, since I am the Supreme Soul of all.

 

Tekst 49

Op deze manier zal door de processen van handelen in yoga een persoon, naar de Veda en andere specialistische teksten van aanbidding in zowel dit leven als het volgende leven, door Mij de verlangde vervolmaking verwerven.

By worshiping Me through the various methods prescribed in the Vedas and tantras, one will gain from Me his desired perfection in both this life and the next.

 

Tekst 50

Om Mijn beeltenis naar behoren te vestigen moet hij een stevige tempel bouwen, samen met het aanleggen van bloementuinen bestemd [om bloemen te verschaffen] voor de dagelijkse puja, de feestelijke bijeenkomsten en de jaarlijkse evenementen.

The devotee should more fully establish My Deity by solidly constructing a temple, along with beautiful gardens. These gardens should be set aside to provide flowers for the regular daily worship, special Deity processions and holiday observances.

 

Tekst 51

Hij die land, winkels, steden en dorpen doneert ten einde de continuïteit te verzekeren van de dagelijkse aanbidding en de jaarlijkse feestdagen, zal een weelde verwerven gelijk aan die van Mij.

One who offers the Deity gifts of land, markets, cities and villages so that the regular daily worship and special festivals of the Deity may go on continually will achieve opulence equal to My own.

 

Tekst 52

De beeltenis installeren geeft heerschappij over de gehele aarde, het bouwen van een tempel geeft de zeggenschap over de drie werelden en het uitvoeren van de puja en andere soortgelijke diensten geeft iemand het bereik van Brahmâ; met alle drie zal men een status verwerven gelijk aan die van Mij.

By installing the Deity of the Lord one becomes king of the entire earth, by building a temple for the Lord one becomes ruler of the three worlds, by worshiping and serving the Deity one goes to the planet of Lord Brahmâ, and by performing all three of these activities one achieves a transcendental form like My own.

 

Tekst 53

Hij die vrij van nevenmotieven overgaat tot bhakti-yoga bereikt zijn doel door de bhakti-yoga; hij die aldus van aanbidding is krijgt enkel Mij [zie ook 5.5: 14, 11.12: 24 en B.G. 6: 44].

But one who simply engages in devotional service with no consideration of fruitive results attains Me. Thus whoever worships Me according to the process I have described will ultimately attain pure devotional service unto Me.

 

Tekst 54

Hij die van de godvruchtigen en de geschoolden het levensonderhoud wegsteelt dat hij zelf wegschonk of dat werd gegeven door anderen, is een worm in de ontlasting die honderdmiljoen jaar lang zijn geboorte moet nemen [vergelijk 10.64: 39].

Anyone who steals the property of the demigods or the brâhmanas, whether originally given to them by himself or someone else, must live as a worm in stool for one hundred million years.

 

Tekst 55

De dader [schuldig aan dat stelen] en zijn medeplichtige als ook degene die er toe aanzet en degene die zijn goedkeuring eraan hecht, delen allen in de karmische terugslag in het leven erna, waarin zij naar gelang hun betrokkenheid daarvan de resultaten zullen oogsten.

Not only the performer of the theft but also anyone who assists him, instigates the crime, or simply approves of it must also share the reaction in the next life. According to their degree of participation, they each must suffer a proportionate consequence.

 

*: De paramparâ zegt hiertoe dat leden van de drie hogere klassen van de samenleving allen de status van tweemaal geboren zijn bereiken door inwijding in de Gâyatrî mantra. Naar de traditie mogen brahmaanse jongens na de nodige voorbereiding worden geïnitieerd op hun achtste, kshatriya jongens als ze elf zijn en vais'ya jongens als ze twaalf zijn.  

** De materialistische toegewijde - bijna iedereen dus - is van toewijding met behulp van een beeld van God in de vorm van een tijdtabel, met het altaar in de vorm van zijn bureau op kantoor, met het vuur in het fornuis waarop hij regelmatig zijn maaltijden gekookt krijgt, met de zon met de datum die hij respecteert en met de klok die hij pragmatisch manipuleert, met het water met de dagelijkse douche die hij neemt en met de afwas die hij doet, en met het tweemaal geboren hart met de dagelijkse contemplaties naar de wijsheid die hij verwierf als een volwassene uit de persoonlijke ervaring en van zijn leraren. Aldus is iedereen, min of meer van toegewijde dienst naar de praktijken der devotie hier vermeld, zij het op een onbewust, materialistisch en nogal onpersoonlijk nivo (zie prâkrita).

***: 'S'rîla S'rîdhara Svâmî geeft citaten uit de vedische literatuur die stellen dat water bestemd voor het wassen van de voeten moet worden gecombineerd met gierstzaden, dûrvâ gras vermengd met water, vishnukrânta bloemen en andere zaken. Het water gebruikt voor arghya behoort met de acht volgende zaken samen te gaan - geurige olie, bloemen, ongebroken graankorrels, gepelde graankorrels, de tippen van kus'agras, sesamzaad, mosterdzaad en dûrvâ gras. Het water voor het sippen moet jasmijnbloemen bevatten, gemalen kruidnagel en kakkola bessen.' (p.p. 11.27: 21).

*4: De zetel van dharma stelt men zich hier voor als bestaande uit rechtschapenheid, wijsheid, onthechting en heerschappij als de poten, het tegengestelde ervan als de zijkanten en de drie guna's als de drie planken voor de bodem.

*5: Volgens S'rîla Jîva Gosvâmî zijn de persoonlijkheden hier vermeld eeuwig bevrijde zielen van de Heer die zich ophoudt in de geestelijke hemel, voorbij de materiële manifestatie. Niet zo zeer de Ganes'a die hier in de wereld, als de zoon van heer S'iva, beroemd is voor het schenken van financieel succes, en de godin Durgâ, de vrouw van heer S'iva, die beroemd is als het uitwendige, illusiewekkend vermogen van de Opperheer.' (p.p. 11.27: 29).

*6 Toegewijden accepteren bloemen, voedsel of vuur dat van de beeltenis komt naar gebruik met het eerst naar hun hoofd toebrengen ervan als een teken van respect.

*7 De paramparâ voegt hier aan toe: 'Door geregeld, trouw aanbidden begrijpt men geleidelijk aan dat de beeltenis volledig identiek is aan de Allerhoogste Heer Zelve. In dat stadium, rijst men, bij machte van de mûrti-verering, op tot het tweede-klas platform van de toegewijde dienst. In dit meer ontwikkelde stadium verlangt men er meer naar vriendschap te sluiten met andere toegewijden van de Heer, en geeft men, terwijl men stevig gevestigd raakt in de gemeenschap der vaishnava's, het materiële leven volledig op zodat men geleidelijk aan zijn volmaaktheid vindt in het Krishnabewustzijn' (p.p. 11.27: 48).

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties