Canto
8
Hoofdstuk 9: De Heer Verschijnt als een Mooie Vrouw om de Nectar uit te Delen
(1) S'rî S'uka zei: 'Toen zij, de Asura's, elkaar de nectar voor de neus wegkaapten en het elkaar toewerpend zodoende, zich gedragend als dieven, zeer vijandig werden, zagen ze [de Heer in de gedaante van] een zeer mooie vrouw [genaamd Mohinî-mûrti] op zich afkomen. (2) 'Wat een lijf, welk een luister en wat een jeugdige schoonheid heeft Ze!' zeiden ze, in hun harten erop belust met haar te slapen terwijl ze zich haastten haar aandacht te trekken. (3) 'Wie ben jij met je prachtige lotusblaadjes van ogen en vanwaar en waarom kwam je naar hier; en, o prachtige dijen die onze geesten op hol brengen, bij wie hoor je, zeg het ons alsjeblieft! (4) Noch wij, noch enige goddelijke persoon, demon, volmaakte ziel, schepsel van de hemel of eerbiedwaardige heeft jou ooit in handen gekregen en je gekend, om nog maar te zwijgen van dit of dat plaatselijke baasje in de menselijke samenleving. (5) De voorzienigheid zij geprezen, o schone wenkbrauwen, dat ze ons jou gestuurd heeft; is jouw genade er niet om dat aan te dragen wat de zinnen en geesten behaagt van allen die van vlees en bloed zijn? (6) O verpletterende schoonheid, zou jij dan misschien het geluk zijn voor ons waarmee we onze groeiende meningsverschillen uit de wereld kunnen helpen wat betreft deze zaak [van de nectar], waarin we als familieleden almaar vijandiger tegenover elkaar komen te staan, o slanke schone? (7) Draag er alsjeblieft zorg voor dat we met ons allen, als capabele en geschikte broeders en nazaten van Kas'yapa, kunnen rekenen op een rechtvaardige en onpartijdige verdeling [van de nectar].'
(8) Als een zelfbewuste vrouw hen gadeslaand met een bekoorlijke glimlach, sprak toen de illusie van de vrouwelijke schoonheid die de incarnatie van de Heer was, tot de erop aandringende Daitya's. (9) De Allerhoogste Heer zei: 'Hoe kunnen jullie, nazaten van Kas'yapa, er nu met z'n allen geloof aan hechten omgang te hebben met een blikvanger als Ik; dat op vrouwen gericht zijn is iets wat je bij de wijzen nooit zult aantreffen. (10) Zij zijn het er allen over eens dat apen en honden, o vijanden van de Sura's, en met name onafhankelijke vrouwen, er slechts kortstondige relaties op nahouden, ze zien steeds weer uit naar een nieuwe partner.'
(11) S'rî S'uka zei: 'Aldus zich met hen vermakend wekte Ze, al de Asura's aan het lachen brengend, vertrouwen, ondanks het feit dat Ze Zich zo serieus opstelde. En zo overhandigden ze Haar toen het vat vol nectar. (12) Vervolgens de pot met amrit in bezit nemend sprak de Heer met een gemaakte glimlach bij al Zijn schoonheid en woorden: 'Als jullie Me beloven te accepteren wat Ik ook moge doen, eerlijk of niet, dan zal Ik een ieder van jullie zijn deel van de nectar geven'. (13) Haar aangehoord hebbend stemden zij, de aanvoerders van de Asura's met hun hoofd vol van haar, in met de woorden die ze sprak en zeiden ze: 'Zo moet het dan maar!' (14-15) Ze begonnen toen te vasten, baadden zich, deden uitgietingen van ghee in het vuur, waren van liefdadigheid jegens de koeien, de brahmanen en wie ook meer, volbrachten plechtigheden naar brahmaans voorschrift, dosten zich uit naar hun smaak met het nieuwste en het fijnste en zaten in vol ornaat allen neer op kus'a zitplaatsen die ieder op het oosten gericht waren. (16-17) Met al de Sura's en Daitya's, die met hun gezichten aldus naar het oosten gewend neerzaten, allen uitgedost met bloemenslingers en lampen in een perk dat volhing met wierook, kwam toen daar, o heerser der mensen, het vat omhooghoudend, zij binnen, met haar jeugdige, rusteloze ogen, het geluid van haar tinkelende enkelbelletjes en haar goedgevulde borsten, langzaam voortschrijdend met een prachtige sari om haar volle heupen en haar dijen die leken op olifantenslurven. (18) Haar aanschouwend, de Opperheer die met gouden oorbellen, bekoorlijke oren, neus, wangen en gezicht zich voordeed als de vriendin van de Godin, waren ze allen erdoor betoverd hoe Ze hen glimlachend aankeek terwijl Haar sari lichtjes wuifde over haar borsten. (19) Maar het als een misrekening beschouwend van het geven van melk aan slangen om de nectar uit te reiken aan het stel kwaadaardige demonen, deelde de Onfeilbare er geen druppel van uit. (20) De beide partijen in twee rijen rangschikkend liet de Meester van het Universum hen ieder aan zijn hun kant ordentelijk plaatsnemen. (21) De Heer met de nectar die de Daitya's met mooie woorden aan het lijntje hield deed hen die aan de andere kant zaten van de nectar drinken die ze zou vrijwaren van ouderdom, dood en gebrekkigheid. (22) De Asura's, naar wat ze beloofd hadden, beheersten zich, o Koning, en hielden zich koest met het idee dat het verfoeilijk is om tegen een vrouw te vechten. (23) Bang dat ze de band van vriendschap met haar zouden breken voelden ze zich, bewogen door eer en het grootste respect, allen verplicht aan haar en zeiden ze niet het geringste dat haar zou kunnen mishagen. (24) Hij die de hemellichten verduistert [Râhu] doste zich uit als een van de goddelijken en ging tussen de godsbewusten zitten om van de nectar te drinken maar, bij zon en maan, werd hij snel ontdekt. (25) Op het moment dat hij zich aan de nectar laafde werd Râhu's hoofd er door de Heer met Zijn messcherpe cakra afgesneden, maar het onthoofde lichaam dat de nectar niet had bereikt, viel ter plekke dood neer. (26) Het hoofd dat aldus de onsterfelijkheid had bereikt werd door Heer Brahmâ herkend als een planeet en het is diezelfde Râhu die tijdens verduisteringen [of met maanfasen] de zon en maan vijandig verdringt [zie ook 5.24: 1-3, 6.6: 37 en 6.18: 12-14]. (27) Toen de goddelijken bijna met het drinken van de nectar klaar waren onthulde de Allerhoogste Heer Hari, Hij die alle werelden het beste toewenst, in de aanwezigheid van de Asura's en hun leiders, Zijn oorspronkelijke gedaante. (28) Hoewel de Sura's en Asura's al met al één waren wat betreft de plaats, de tijd, het doel, de oorzaak, de handelingen en de ambities, waren ze niet gelijk in het resultaat dat ze behaalden; de godvrezenden bereikten met gemak de nectar ermee omdat de zegening van het saffraan van de lotusvoeten de hunne was, maar dat gold niet voor de Daitya's [vergelijk B.G. 4: 11]. (29) Wat men ook doet terwille van zijn eigen leven en welzijn, al die menselijke activiteiten, ideeën en woorden in relatie tot het eigen lichaam en de eigen familie, zijn allen van voorbijgaande aard [asat, 'onwaar'], bestaan allen uit gescheidenheid, maar het zelfde wordt waarlijk iets feitelijks en permanents als het niet in gescheidenheid wordt gedaan - het ontwikkelt zich dan tot dat wat het water geven aan de wortels wordt genoemd dat iedereen ten goede komt [zie 8.5: 49].'
Tweede editie, geladen 16 september 2007.
![]()
Bronteksten:
De Heer incarneert als Mohinî-mûrti
S'rî S'uka zei: 'Toen zij, de Asura's, elkaar de nectar voor de neus wegkaapten en het elkaar toewerpend zodoende, zich gedragend als dieven, zeer vijandig werden, zagen ze [de Heer in de gedaante van] een zeer mooie vrouw [genaamd Mohinî-mûrti] op zich afkomen.S'ukadeva Gosvâmî zei: Daarna begonnen de demonen ruzie met elkaar te maken. Nu eens gooiden ze met de kruik met nectar en dan weer kaapten ze hem van elkaar af, en door al dat gesol met de nectar vergaten ze hun onderlinge vriendschapsrelaties. Ondertussen zagen ze dat er een bijzonder mooie jonge vrouw op hen toe kwam lopen. (Vedabase)
'Wat een lijf, welk een luister en wat een jeugdige schoonheid heeft Ze!' zeiden ze, in hun harten erop belust met haar te slapen terwijl ze zich haastten haar aandacht te trekken.
Bij het zien van de mooie vrouw zeiden de demonen: "Ach, wat een wonderbaarlijke schoonheid bezit deze vrouw, wat een schitterende glans heeft Haar lichaam en hoe heerlijk is de pracht van Haar jeugd!" Met deze woorden liepen ze vol wellustige verlangens vlug naar Haar toe, en stelden Haar allerlei vragen. (Vedabase)
'Wie ben jij met je prachtige lotusblaadjes van ogen en vanwaar en waarom kwam je naar hier; en, o prachtige dijen die onze geesten op hol brengen, bij wie hoor je, zeg het ons alsjeblieft!
O wondermooi meisje, Je hebt zulke prachtige ogen, als de kelkblaadjes van een lotus. Wie ben Je? Waar kom Je vandaan? Wat is de reden dat Je hiernaartoe gekomen bent en bij wie hoor Je? O meisje met Je bijzonder mooie dijen, alleen al door Je te zien raakt onze geest opgewonden. (Vedabase)
Noch wij, noch enige goddelijke persoon, demon, volmaakte ziel, schepsel van de hemel of eerbiedwaardige heeft jou ooit in handen gekregen en je gekend, om nog maar te zwijgen van dit of dat plaatselijke baasje in de menselijke samenleving.
Zelfs de halfgoden, demonen, Siddha's, Gandharva's, Cârana's en de verschillende leiders van het universum, de prajâpati's, hebben Je hiervoor nooit aangeraakt, om maar te zwijgen van de mensen. Denk dus maar niet dat we niet kunnen begrijpen wie Je bent. (Vedabase)
De voorzienigheid zij geprezen, o schone wenkbrauwen, dat ze ons jou gestuurd heeft; is jouw genade er niet om dat aan te dragen wat de zinnen en geesten behaagt van allen die van vlees en bloed zijn?
O mooi meisje met Je prachtige wenkbrauwen, de voorzienigheid heeft Je zeker door Zijn grondeloze genade hierheen gezonden om de zinnen en de geest van ons allemaal een plezier te doen. Is het niet? (Vedabase)
O verpletterende schoonheid, zou jij dan misschien het geluk zijn voor ons waarmee we onze groeiende meningsverschillen uit de wereld kunnen helpen wat betreft deze zaak [van de nectar], waarin we als familieleden almaar vijandiger tegenover elkaar komen te staan, o slanke schone?
We hebben op het moment allemaal ruzie met elkaar over dit ene punt - de kruik met nectar. Hoewel we uit dezelfde familie stammen, worden we steeds vijandiger tegenover elkaar. O vrouw met de slanke taille, Je bent zo mooi en Je hebt zoveel invloed, dat we Je willen vragen om ons een gunst te bewijzen en ons geschil bij te leggen. (Vedabase)
Draag er alsjeblieft zorg voor dat we met ons allen, als capabele en geschikte broeders en nazaten van Kas'yapa, kunnen rekenen op een rechtvaardige en onpartijdige verdeling [van de nectar].'
Wij allemaal - demonen zowel als halfgoden - zijn kinderen van dezelfde vader, Kas'yapa, en dus broers van elkaar. Maar op dit moment tonen we onze individuele moed en bekwaamheid alleen nog maar in ons geruzie. Daarom vragen we Je om ons geschil bij te leggen en de nectar eerlijk onder ons te verdelen. (Vedabase)
Als een zelfbewuste vrouw hen gadeslaand met een bekoorlijke glimlach, sprak toen de illusie van de vrouwelijke schoonheid die de incarnatie van de Heer was, tot de erop aandringende Daitya's.
Op dit verzoek van de demonen begon de Allerhoogste Godspersoon, die de gedaante van een mooie vrouw had aangenomen, te glimlachen. Bekoorlijke vrouwelijke bewegingen makend keek Ze hen aan en sprak als volgt. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Hoe kunnen jullie, nazaten van Kas'yapa, er nu met z'n allen geloof aan hechten omgang te hebben met een blikvanger als Ik; dat op vrouwen gericht zijn is iets wat je bij de wijzen nooit zult aantreffen.
De Allerhoogste Godspersoon, in de gedaante van Mohinî, zei tegen de demonen: O zoons van Kas'yapa Muni, Ik ben maar een prostituée. Hoe komt het dat jullie zoveel vertrouwen in Me hebben? Een man met kennis stelt nooit vertrouwen in een vrouw. (Vedabase)
Zij zijn het er allen over eens dat apen en honden, o vijanden van de Sura's, en met name onafhankelijke vrouwen, er slechts kortstondige relaties op nahouden, ze zien steeds weer uit naar een nieuwe partner.'
O demonen, zoals apen, jakhalzen en honden onstabiel zijn in hun seksuele relaties en elke dag een nieuwe partner willen, zo zoeken ook vrouwen die onafhankelijk leven dagelijks nieuwe vrienden. De vriendschap met zo'n vrouw is nooit duurzaam. Dat is de mening van grote geleerden. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Aldus zich met hen vermakend wekte Ze, al de Asura's aan het lachen brengend, vertrouwen, ondanks het feit dat Ze Zich zo serieus opstelde. En zo overhandigden ze Haar toen het vat vol nectar.
S'rî S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Na Mohinî-mûrti aangehoord te hebben, die hoewel Ze heel ernstig was gesproken had alsof Ze een grapje maakte, hadden de demonen allemaal het volste vertrouwen in Haar. Ze lachten en overhandigden Haar tenslotte de kruik met nectar. (Vedabase)
Vervolgens de pot met amrit in bezit nemend sprak de Heer met een gemaakte glimlach bij al Zijn schoonheid en woorden: 'Als jullie Me beloven te accepteren wat Ik ook moge doen, eerlijk of niet, dan zal Ik een ieder van jullie zijn deel van de nectar geven'.
De Allerhoogste Godspersoon, die de kruik met nectar inmiddels in bezit had genomen, sprak daarna met een vage glimlach de volgende aangename woorden. Ze zei: "Beste demonen, als jullie alles accepteren wat Ik doe, of het nu eerlijk is of niet, kan Ik de verantwoordelijkheid op Me nemen om de nectar onder jullie te verdelen." (Vedabase)
Haar aangehoord hebbend stemden zij, de aanvoerders van de Asura's met hun hoofd vol van haar, in met de woorden die ze sprak en zeiden ze: 'Zo moet het dan maar!'
De leiders van de demonen waren niet erg goed in het nemen van beslissingen. Ze hadden de zoete woorden van Mohinî-mûrti nog niet gehoord of ze stemden al toe. "Ja", was hun antwoord. "Wat Je gezegd hebt, is goed." De demonen besloten dus om Haar beslissing te accepteren. (Vedabase)
Ze begonnen toen te vasten, baadden zich, deden uitgietingen van ghee in het vuur, waren van liefdadigheid jegens de koeien, de brahmanen en wie ook meer, volbrachten plechtigheden naar brahmaans voorschrift, dosten zich uit naar hun smaak met het nieuwste en het fijnste en zaten in vol ornaat allen neer op kus'a zitplaatsen die ieder op het oosten gericht waren.
Vervolgens namen de halfgoden en de demonen een vasten in acht. Na gebaad te hebben, offerden ze geklaarde boter en allerlei andere gaven in het vuur en schonken giften aan de koeien, de brâhmana's en de leden van de andere maatschappelijke klassen, namelijk de kshatriya's, vais'ya's en s'ûdra's, die allemaal kregen wat ze toekwam. Daarna verrichten de halfgoden en de demonen onder leiding van de brâhmana's bepaalde rituelen. Tenslotte trokken ze nieuwe gewaden aan die ze zelf hadden uitgekozen, tooiden zich met sieraden en gingen met hun gezicht naar het oosten op matjes van kus'a-gras zitten. (Vedabase)
Met al de Sura's en Daitya's, die met hun gezichten aldus naar het oosten gewend neerzaten, allen uitgedost met bloemenslingers en lampen in een perk dat volhing met wierook, kwam toen daar, o heerser der mensen, het vat omhooghoudend, zij binnen, met haar jeugdige, rusteloze ogen, het geluid van haar tinkelende enkelbelletjes en haar goedgevulde borsten, langzaam voortschrijdend met een prachtige sari om haar volle heupen en haar dijen die leken op olifantenslurven.
O Koning, toen de halfgoden en de demonen met hun gezicht naar het oosten in het offerperk zaten, dat van boven tot onder versierd was met bloemenslingers en lampen en doordrongen was van de geur van wierook, betrad ook de vrouw het offerperk, gekleed in een schitterende sari, met rinkelende enkelbelletjes en een heel langzame tred omdat Ze zulke brede, lage heupen had. Haar ogen waren rusteloos van jeugdige trots. Ze had borsten als waterkruiken, Haar dijen leken op olifantenslurven en Ze hield een waterkruik in Haar hand. (Vedabase)
Haar aanschouwend, de Opperheer die met gouden oorbellen, bekoorlijke oren, neus, wangen en gezicht zich voordeed als de vriendin van de Godin, waren ze allen erdoor betoverd hoe Ze hen glimlachend aankeek terwijl Haar sari lichtjes wuifde over haar borsten.
Haar bekoorlijke neus en wangen en Haar oren met hun gouden oorringen maakten Haar gezicht heel mooi. Bij elke beweging die Ze maakte, verschoof de sari op Haar borsten een beetje. Toen de halfgoden en demonen de prachtige vormen van Mohinî-mûrti zagen, die hen met een vage glimlach aanblikte, raakten ze allemaal volledig door Haar betoverd. (Vedabase)
Maar het als een misrekening beschouwend van het geven van melk aan slangen om de nectar uit te reiken aan het stel kwaadaardige demonen, deelde de Onfeilbare er geen druppel van uit.
Demonen zijn van nature zo vals als een slang. Daarom was het ook niet doenlijk om ze elk hun deel van de nectar te geven, aangezien dat even gevaarlijk zou zijn als het voeren van melk aan een slang. Om deze reden liet de Allerhoogste Godspersoon, die nooit ten val komt, de demonen niet in de nectar delen. (Vedabase)
De beide partijen in twee rijen rangschikkend liet de Meester van het Universum hen ieder aan zijn hun kant ordentelijk plaatsnemen.
De Allerhoogste Godspersoon als Mohinî-mûrti, de heer en meester van het universum, maakte twee van elkaar gescheiden rijen zitplaatsen en liet de halfgoden en demonen al naargelang hun positie plaatsnemen. (Vedabase)
De Heer met de nectar die de Daitya's met mooie woorden aan het lijntje hield, liet degenen die tegenover hen zaten toen van de nectar drinken die ze zou vrijwaren van ouderdom, dood en gebrekkigheid.
De kruik met nectar oppakkend, liep Ze eerst naar de demonen, stelde hen tevreden met zoete woordjes en beroofde ze zo van hun deel van de nectar. Vervolgens gaf Ze de nectar aan de halfgoden te drinken, die een eind verderop zaten, om ze op die manier te vrijwaren voor invaliditeit, ouderdom en dood. (Vedabase)
De Asura's, naar wat ze beloofd hadden, beheersten zich, o Koning, en hielden zich koest met het idee dat het verfoeilijk is om tegen een vrouw te vechten.
O Koning, daar de demonen beloofd hadden om alles te accepteren wat de vrouw deed, of het nu rechtvaardig was of niet, protesteerden ze niet. Ze wilden namelijk hun belofte houden en daarmee tonen hoe evenwichtig ze waren, en bovendien wilden ze geen ruzie maken met een vrouw. Daarom deden ze er het zwijgen toe. (Vedabase)
Bang dat ze de band van vriendschap met haar zouden breken voelden ze zich, bewogen door eer en het grootste respect, allen verplicht aan haar en zeiden ze niet het geringste dat haar zou kunnen mishagen.
Er was bij de demonen liefde voor Mohinî-mûrti gegroeid en een soort van vertrouwen in Haar, en ze waren bang om hun relatie met Haar te verstoren. Daarom waren ze vol achting en eerbied voor Haar woorden en zeiden ze niets wat de vriendschappelijke relatie met Haar zou kunnen verbreken. (Vedabase)
Hij die de hemellichten verduistert [Râhu] doste zich uit als een van de goddelijken en ging tussen de godsbewusten zitten om van de nectar te drinken maar, bij zon en maan, werd hij snel ontdekt.
Râhu, de demon die de eclipsen van de zon en maan veroorzaakt, hulde zich in het gewaad van een halfgod en mengde zich tussen de halfgoden. Zo wist hij van de nectar te drinken zonder dat iemand hem ontdekte, zelfs de Allerhoogste Godspersoon niet. De zon en de maan echter, die in voortdurende vijandschap met Râhu leefden, hadden de situatie door. Daardoor werd Râhu ontdekt. (Vedabase)
Op het moment dat hij zich aan de nectar laafde werd Râhu's hoofd er door de Heer met Zijn messcherpe cakra afgesneden, maar het onthoofde lichaam dat de nectar niet had bereikt, viel ter plekke dood neer.
Hari, de Allerhoogste Godspersoon, nam Zijn werpschijf, die zo scherp was als een scheermes, en scheidde dadelijk Râhu's hoofd van zijn romp. Nu Râhu's hoofd gescheiden was van zijn lichaam, kon zijn lichaam niet blijven leven, want het was niet in aanraking geweest met de nectar. (Vedabase)
Het hoofd dat aldus de onsterfelijkheid had bereikt werd door Heer Brahmâ herkend als een planeet en het is diezelfde Râhu die tijdens verduisteringen [of met maanfasen] de zon en maan vijandig verdringt [zie ook 5.24: 1-3, 6.6: 37 en 6.18: 12-14].
Râhu's hoofd was echter wel met de nectar in contact geweest en werd daardoor onsterfelijk. Heer Brahmâ besloot er een planeet van te maken. Aangezien Râhu de eeuwige vijand van de zon en de maan is, probeert hij ze altijd 's nachts bij volle maan en bij nieuwe maan aan te vallen. (Vedabase)
Toen de goddelijken bijna met het drinken van de nectar klaar waren onthulde de Allerhoogste Heer Hari, Hij die alle werelden het beste toewenst, in de aanwezigheid van de Asura's en hun leiders, Zijn oorspronkelijke gedaante.
De Allerhoogste Godspersoon is de beste vriend en weldoener van de drie werelden. Toen de halfgoden de nectar bijna opgedronken hadden, onthulde de Heer daarom in het bijzijn van alle demonen Zijn oorspronkelijke gedaante. (Vedabase)
Hoewel de Sura's en Asura's al met al één waren wat betreft de plaats, de tijd, het doel, de oorzaak, de handelingen en de ambities, waren ze niet gelijk in het resultaat dat ze behaalden; de godvrezenden bereikten met gemak de nectar ermee omdat de zegening van het saffraan van de lotusvoeten de hunne was, maar dat gold niet voor de Daitya's [vergelijk B.G. 4: 11].
De plaats, de tijd, de oorzaak, het doel, de activiteit en het streven waren voor de halfgoden en de demonen allemaal hetzelfde, maar toch bereikten ze een totaal verschillende resultaat. Omdat de halfgoden altijd de bescherming van het stof van de lotusvoeten van de Heer genieten, konden ze heel rustig van de nectar drinken en er baat bij vinden, maar de demonen, die niet hun toevlucht bij de lotusvoeten van de Heer hadden genomen, konden het gewenste resultaat niet bereiken. (Vedabase)
Wat men ook doet terwille van zijn eigen leven en welzijn, al die menselijke activiteiten, ideeën en woorden in relatie tot het eigen lichaam en de eigen familie, zijn allen van voorbijgaande aard [asat, 'onwaar'], bestaan allen uit gescheidenheid, maar het zelfde wordt waarlijk iets feitelijks en permanents als het niet in gescheidenheid wordt gedaan - het ontwikkelt zich dan tot dat wat het water geven aan de wortels wordt genoemd dat iedereen ten goede komt [zie 8.5: 49].'
Alles wat de mensen doen om hun kapitaal en hun leven te beschermen door middel van hun woorden, gedachten en daden, doen ze voor hun persoonlijke zinsbevrediging, of voor de zinsbevrediging van datgene wat op de een of andere manier met hun lichaam verbonden is. Al deze activiteiten zijn gedoemd te mislukken omdat ze niets met toegewijde dienst te maken hebben. Maar als ze dezelfde activiteiten verrichten om er de Heer mee tevreden te stellen, zal iedereen er het heilzame resultaat van ontvangen, net zoals het water dat op de wortels van een boom gegoten wordt zich door de hele boom verspreidt. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
De beide schilderijen op deze pagina zijn van
Syamarani dâsî.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd