
Bronteksten
(geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):
The
Deliverance of King Nriga
Tekst
1
De zoon van
Vyâsa zei: 'Op een dag [in hun jeugd], o Koning,
gingen de yadu-jongens Sâmba, Pradyumna, Câru,
Bhânu, Gada en anderen naar een park om te
spelen.
S'rî
Bâdarâyani said: O King, one day Sâmba,
Pradyumna, Câru, Bhânu, Gada and other young
boys of the Yadu dynasty went to a small forest to
play.
Tekst
2
Een lange tijd
gespeeld hebbend keken ze dorstig uit naar water en ontdekten
ze in een droge put een verbazingwekkend schepsel.
After
playing for a long time, they became thirsty. As they
searched for water, they looked inside a dry well and saw a
peculiar creature.
Tekst
3
Voor zich zagen
ze een kameleon zo groot als een berg en met een geest vol van
verbazing erover deden ze, bewogen door mededogen, moeite het
eruit te tillen.
The
boys were astonished to behold this creature, a lizard who
looked like a hill. They felt sorry for it and tried to lift
it out of the well.
Tekst
4
Leren riemen en
in elkaar gedraaid touw aan hem vastmakend waren de jongens
niet in staat het schepsel er uit te krijgen en dus deden ze er
opgewonden verslag van aan Krishna.
They
caught on to the trapped lizard with leather thongs and then
with woven ropes, but still they could not lift it out. So
they went to Lord Krishna and excitedly told Him about the
creature.
Tekst
5:
De Lotusogige
Opperheer, de Handhaver van het Universum, er op af zag het en
haalde het met Zijn linker hand met gemak naar
boven.
The
lotus-eyed Supreme Lord, maintainer of the universe, went to
the well and saw the lizard. Then with His left hand He
easily lifted it out.
Tekst
6:
Aangeraakt door
de hand van Uttamas'loka,
werd onmiddellijk de kameleongedaante opgegeven voor die van
een hemels wezen prachtig met een gelaatskleur als van
gesmolten goud met wonderschone sierselen, kleren en
bloemenslingers.
Touched
by the hand of the glorious Supreme Lord, the being at once
gave up its lizard form and assumed that of a resident of
heaven. His complexion was beautifully colored like molten
gold, and he was adorned with wonderful ornaments, clothes
and garlands.
Tekst
7:
Hoewel zich ter
dege bewust van de oorzaak hiervan vroeg Mukunda,
zo dat de mensen in het algemeen het konden weten: 'Wie bent U,
o fortuinlijke, uit uw excellente voorkomen opmakend durf Ik te
beweren dat u een hoog verheven halfgod bent!
Lord
Krishna understood the situation, but to inform people in
general He inquired as follows: "Who are you, O greatly
fortunate one? Seeing your excellent form, I think you must
surely be an exalted demigod.
Tekst
8:
Door welke
actie bent u in deze toestand, welke u zeker niet verdient
heeft, beland, o goede ziel; alstublieft vertel Ons, die het
graag willen weten, alles over uzelf - dat wil zeggen, als u
het de juiste tijd acht er hier over te spreken.'
"By
what past activity were you brought to this condition? It
seems you did not deserve such a fate, O good soul. We are
eager to know about you, so please inform us about yourself
- if, that is, you think this the proper time and place to
tell us."
Tekst
9:
S'rî
S'uka zei: 'De koning aldus in die hoedanigheid ondervraagd
door Krishna wiens gedaanten onbegrensd zijn, verboog met zijn
helm zo schitterend als de zon zich voor Mâdhava
en sprak tot Hem.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Thus questioned by Krishna, whose
forms are unlimited, the King, his helmet as dazzling as the
sun, bowed down to Lord Mâdhava and replied as
follows.
Tekst
10:
Nriga zei: 'Ik,
de heerser over mensen genaamd Nriga [zie
9.1:
11-12,
9.2:
17], ben
een zoon van [S'raddha naast de oudere broer]
Ikshvâku, o meester, misschien nam Uw oor er kennis van
dat ik wordt gerekend onder de mannen van
liefdadigheid.
King
Nriga said: I am a king known as Nriga, the son of
Ikshvâku. Perhaps, Lord, You have heard of me when
lists of charitable men were recited.
Tekst
11:
Wat ook zou er
aan U niet bekend zijn o Meester, Getuige van de Geest van Alle
Wezens, Wiens visie niet door de tijd verstoord is; niettemin
zal ik spreken zoals U dat opdraagt.
What
could possibly be unknown to You, O master? With vision
undisturbed by time, You witness the minds of all living
beings. Nevertheless, on Your order I will speak.
Tekst
12:
Zo veel
zandkorrels als er zijn op aarde, zoveel sterren als er zijn
aan de hemel of zoveel regendruppels als er zijn in een bui
regen, zoveel koeien heb ik weggegeven.
I
gave in charity as many cows as there are grains of sand on
the earth, stars in the heavens, or drops in a rain
shower.
Tekst
13:
Ik gaf koeien
compleet te melken, nog jong, goed van aard, goed van uiterlijk
en rijk met vele andere kwaliteiten; bruin en schoon, tezamen
met hun kalveren, opgesierd met goud op hun hoorns, zilver op
hun hoeven, fijne overslagen en bloemenslingers.
Young,
brown, milk-laden cows, who were well behaved, beautiful and
endowed with good qualities, who were all acquired honestly,
and who had gilded horns, silver-plated hooves and
decorations of fine ornamental cloths and garlands - such
were the cows, along with their calves, that I gave in
charity.
Tekst
14-15:
Ik, van vrome
werken en van aanbidding zijnde met vuuroffers, zorgde voor de
goede sier van en schonk in liefdadigheid aan de geheiligde,
jonge, uitzonderlijke brahmanen, de waarheid toegewijd, bekend
om hun verzaking en grote geleerdheid met de Veda's, en die met
hun hulpbehoevende families van goede kwaliteiten waren en
karakter: koeien, land, goud, huizen, paarden en olifanten;
huwbare meisjes met dienstmaagden, sesamzaad, zilver,
beddengoed en kleding; juwelen, meubels en wagens.
I
first honored the brâhmanas who were recipients of my
charity by decorating them with fine ornaments. Those most
exalted brâhmanas, whose families were in need, were
young and possessed of excellent character and qualities.
They were dedicated to truth, famous for their austerity,
vastly learned in the Vedic scriptures and saintly in their
behavior. I gave them cows, land, gold and houses, along
with horses, elephants and marriageable girls with
maidservants, as well as sesame, silver, fine beds,
clothing, jewels, furniture and chariots. In addition, I
performed Vedic sacrifices and executed various pious
welfare activities.
Tekst
16:
Ik het niet in
de gaten hebbend, schonk van een bepaalde eersteklas dvija
[een brahmaan die geen gaven meer aanneemt, zie
7.11]
aan een andere tweemaal geboren ziel een koe weg, welke
verloren gegaan zich had gevoegd bij mijn kudde.
Once
a cow belonging to a certain first-class brâhmana
wandered away and entered my herd. Unaware of this, I gave
that cow in charity to a different brâhmana.
Tekst
17
Zij terwijl ze
weggeleid werd, werd opgemerkt door haar baas die zei: 'Zij is
van mij!', terwijl hij die de gift had aangenomen zei: 'Deze
hier gaf Nriga aan mij!'
When
the cow's first owner saw her being led away, he said, "She
is mine!" The second brâhmana, who had accepted her as
a gift, replied, "No, she's mine! Nriga gave her to
me."
Tekst
18
De twee
geschoolden in tweestrijd terwille van hun eigen belang zeiden
me: 'U mijnheer, als de schenker was een dief!' waarop ik dit
aanhorend met stomheid geslagen was.
As
the two brâhmanas argued, each trying to fulfill his
own purpose, they came to me. One of them said, "You gave me
this cow," and the other said, "But you stole her from me."
Hearing this, I was bewildered.
Tekst
19-20
In verlegenheid
inderdaad met mijn religieuze plichtsbetrachting legde ik aan
de beide mannen van geleerdheid de smeekbede voor 'Alstublieft
schenk me deze ene koe, ik zal u er een honderdduizend van de
beste kwaliteit voor terug geven! Jullie beiden, weest
alstublieft van genade met uw dienaar die het zich niet bewust
was; red me van het gevaar te belanden in een vuile
hel!'
Finding
myself in a terrible dilemma concerning my duty in the
situation, I humbly entreated both the brâhmanas: "I
will give one hundred thousand of the best cows in exchange
for this one. Please give her back to me. Your good selves
should be merciful to me, your servant. I did not know what
I was doing. Please save me from this difficult situation,
or I'll surely fall into a filthy hell."
Tekst
21
'Ik heb
helemaal niet zo'n behoefte, o Koning!' liet zich aldus de
eigenaar uit en verdween.
'Nog niet die
talloze extra koeien wil ik', zei de ander en vertrok.
The
present owner of the cow said, "I don't want anything in
exchange for this cow, O King," and went away. The other
brâhmana declared, "I don't want even ten thousand
more cows [than you are offering]," and he too went
away.
Tekst
22
Naar aanleiding
van dit voorval werd ik door de boodschappers van
Yamarâja meegevoerd naar zijn verblijf en werd mij daar
door de Heer van de Dood en de Vergelding [als volgt],
o God der Goden, o Meester van het Universum [zie ook
5.26:
6,
6.1:
31 en
6.3]
de vraag voorgelegd:
O
Lord of lords, O master of the universe, the agents of
Yamarâja, taking advantage of the opportunity thus
created, later carried me to his abode. There Yamarâja
himself questioned me.
Tekst
23
'Wilt u eerst
uw slechte daden ondergaan, o Koning, of liever uw goede daden;
daar ik het einde niet kan zien van de glanzende wereld van wat
u religieus in liefdadigheid wegschonk.'
[Yamarâja
said:] My dear King, do you wish to experience the
results of your sins first, or those of your piety? Indeed,
I see no end to the dutiful charity you have performed, or
to your consequent enjoyment in the radiant heavenly
planets.
Tekst
24
Ik zei alzo:
'Ik zal eerst mijn slechte daden onder ogen zien, o Godheid',
en zo zei hij: 'Val dan!' en terwijl ik viel, o Meester, zag ik
mezelf als een kameleon!
I
replied, "First, my lord, let me suffer my sinful
reactions," and Yamarâja said, "Then fall!" "At once I
fell, and while falling I saw myself becoming a lizard, O
master.
Tekst
25
Als Uw dienaar
vrijgevig jegens de brahmanen, o Kes'ava,
heeft me zelfs de dag van vandaag niet de herinnering verlaten
aan de aanwezigheid van U die ik verloor en waar ik naar uitzie
[zie ook 5.8:
28].
O
Kes'ava, as Your servant I was devoted to the
brâhmanas and generous to them, and I always hankered
for Your audience. Therefore even till now I have never
forgotten [my past life].
Tekst
26
Hoe, o
Almachtige, kan U in eigen persoon voor mij zichtbaar zijn; U,
de Opperziel die bemediteerd door de meesters van de yoga
zichtbaar bent voor het oog van een zuiver hart - hoe, o
Adhoks'aja,
kan het mij, wiens intelligentie was verblind door ernstige
moeilijkheden, zijn toegestaan om te aanschouwen wat er is voor
hen wiens materiële leven alhier is
afgerond?
O
almighty one, how is it that my eyes see You here before me?
You are the Supreme Soul, whom the greatest masters of
mystic yoga can meditate upon within their pure hearts only
by employing the spiritual eye of the Vedas. Then how, O
transcendental Lord, are You directly visible to me, since
my intelligence has been blinded by the severe tribulations
of material life? Only one who has finished his material
entanglement in this world should be able to see You.
Tekst
27-28
O, God der
Goden, Meester van het Universum, Heer der Koeien, Allerhoogste
Persoonlijkheid; o Pad Uitgestippeld voor de Mens, Meester der
Zinnen, Genade van de Verzen, Onfeilbaar en Niet-afnemend,
alstUblieft sta het me toe te vertrekken, o Krishna, naar de
wereld der goden, o Meester; moge waar ik me dan ook bevind
mijn bewustzijn van de beschutting van Uw voeten zijn!
O
Devadeva, Jagannâtha, Govinda, Purushottama,
Nârâyana, Hrishîkes'a, Punyas'loka,
Acyuta, Avyaya! O Krishna, please permit me to depart for
the world of the demigods. Wherever I live, O master, may my
mind always take shelter of Your feet.
Tekst
29
Mijn
eerbetuigingen aan U, de Oorsprong van Alle Wezens, het
Absolute van de Waarheid en de Eigenaar van Onbegrensde
Vermogens; ik biedt het Spirituele Plezier van Zijn
Aantrekking, Krishna [*],
de zoon van Vasudeva, de Heer van alle vormen van yoga
[alle vormen van het zich verenigen in het bewustzijn],
mijn respect.'
I
offer my repeated obeisances unto You, Krishna, the son of
Vasudeva. You are the source of all beings, the Supreme
Absolute Truth, the possessor of unlimited potencies, the
master of all spiritual disciplines.
Tekst
30
Nadat hij aldus
had gesproken en hem omlopen had kreeg hij, Zijn voeten met
zijn kroon beroerend, toestemming te vertrekken en klom hij,
voor ogen van alle mensen, aan boord van een hoogst uitnemende
hemelwagen.
Having
spoken thus, Mahârâja Nriga circumambulated Lord
Krishna and touched his crown to the Lord's feet. Granted
permission to depart, King Nriga then boarded a wonderful
celestial airplane as all the people present looked
on.
Tekst
31
Krishna, de
Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, de God en de Ziel
van het Dharma de brahmanen toegewijd, richtte zich tot Zijn
persoonlijke metgezellen en was aldus van instructie voor de
edelen in het algemeen:
The
Supreme Personality of Godhead - Lord Krishna, the son of
Devakî - who is especially devoted to the
brâhmanas and who embodies the essence of religion,
then spoke to His personal associates and thus instructed
the royal class in general.
Tekst
32
'Als zelfs voor
iemand krachtiger dan het vuur slechts het kleine beetje bezit
dat genoten [gestolen of ontzegd ] van een brahmaan
inderdaad onverteerbaar is; wat dan te zeggen van koningen die
zich zelf inbeelden de beheersers te zijn?
[Lord
Krishna said:] How indigestible is the property of a
brâhmana, even when enjoyed just slightly and by one
more potent than fire! What then to speak of kings who try
to enjoy it, presuming themselves lords.
Tekst
33
De
hâlâhala [die werd gekarnd met
Mandâra] beschouw ik niet als vergif omdat daar een
antwoord op bestaat [S'iva namelijk, zie
8.7];
wat een brahmaan toebehoort [echter] noem ik werkelijk
vergif [als het eenmaal is ontvreemd] daar er voor dat
in de wereld geen tegengif bestaat.
I
do not consider hâlâhala to be real poison,
because it has an antidote. But a brâhmana's property,
when stolen, can truly be called poison, for it has no
antidote in this world.
Tekst
34
Vergif richt
degeen die het inneemt te gronde; vuur wordt uitgedoofd met
water, maar het vuur dat brandt met het brandhout van de
bezittingen van een brahmaan brandt iemands gemeenschap af tot
op de wortel.
Poison
kills only the person who ingests it, and an ordinary fire
may be extinguished with water. But the fire generated from
the kindling wood of a brâhmana's property burns the
thief's entire family down to the root.
Tekst
35
Dat wat een
brahmaan bezit zonder toestemming genoten vernietigt drie
personen [in de geslachtslijn zie **]
maar met geweld [zoals via de regering of
bedrijfsbelangen] genoten [is dat waar voor de eer van
de] tien voorgaande en tien volgende generaties.
If
a person enjoys a brâhmana's property without
receiving due permission, that property destroys three
generations of his family. But if he takes it by force or
gets the government or other outsiders to help him usurp it,
then ten generations of his ancestors and ten generations of
his descendants are all destroyed.
Tekst
36
Leden van de
adelstand, verblind door koninklijke weelde [zie ook
B.G.
1: 44]
zien kinderachtig smachtend naar het eigendom van een
welgezinde brahmaan niet hun eigen val in de hel aankomen
[zie ook 9.8].
Members
of the royal order, blinded by royal opulence, fail to
foresee their own downfall. Childishly hankering to enjoy a
brâhmana's property, they are actually hankering to go
to hell.
Tekst
37-38
Zoveel
stofdeeltjes als worden aangeraakt door de tranen geplengd door
vrijgevige brahmanen die terwille van hun gezelschap huilen
over de middelen van bestaan die ontvreemd zijn, evenzovele
jaren zullen de koningen en andere leden van de koninklijke
familie die zich het aandeel van de brahmaan toe-eigenen, de
controle missend, worden gekookt in de hel genaamd
Kumbhîpâka [5.26:
13].
For
as many years as there are particles of dust touched by the
tears of generous brâhmanas who have dependent
families and whose property is stolen, uncontrolled kings
who usurp a brâhmana's property are cooked, along with
their royal families, in the hell known as
Kumbhîpâka.
Tekst
39
Hij dan die
wegsteelt wat een brahmaan toebehoort, of het nu door iemand
zelf werd geschonken of door iemand anders, wordt zestigduizend
jaar lang geboren als een worm in de uitwerpselen.
Whether
it be his own gift or someone else's, a person who steals a
brâhmana's property will take birth as a worm in feces
for sixty thousand years.
Tekst
40
Laat de weelde
van een brahmaan niet op mij afkomen; de begeerte daarnaar
maakt dat mensen een kort leven is beschoren, bezorgt hen de
nederlaag en berooft ze van het koninkrijk, ze veranderend in
slangen die anderen moeilijkheden bezorgen.
I
do not desire brâhmanas' wealth. Those who lust after
it become short- lived and are defeated. They lose their
kingdoms and become snakes, who trouble others.
Tekst
41
Beste
volgelingen, koester geen vijandschap jegens een man van
scholing, zelfs niet als hij gezondigd heeft; zelfs je
lichamelijk keer op keer treffend en je vervloekend, behoor je
hem altijd je eerbetuigingen te brengen.
My
dear followers, never treat a learned brâhmana
harshly, even if he has sinned. Even if he attacks you
physically or repeatedly curses you, always continue to
offer him obeisances.
Tekst
42
Zoals Ik Me
altijd angstvallig verbuig voor de geschoolden, moeten jullie
allen dat ook; hij die het anders doet komt er voor in
aanmerking door Mij te worden gestraft.
Just
us I always carefully bow down to brâhmanas, so all of
you should likewise bow down to them. I will punish anyone
who acts otherwise.
Tekst
43
Het bezit
inderdaad afgepakt van een brahmaan leidt tot de ondergang van
hem die ontvreemdt, zelfs onbewust gedaan, zoals we zagen
gebeuren met de persoon van Nriga met de koe van de
brahmaan.'
When
a brâhmana's property is stolen, even unknowingly, it
certainly causes the person who takes it to fall down, just
as the brâhmana's cow did to Nriga.
Tekst
44
De Allerhoogste
Heer Mukunda, de Louteraar Aller Werelden, ging na aldus de
ingezetenen van Dvârakâ te hebben onderricht, Zijn
paleis binnen.
Having
thus instructed the residents of Dvârakâ, Lord
Mukunda, purifier of all the worlds, entered His
palace.
*
In de Mahâbhârata (Udyoga-parva 71.4), wordt gezegd
met betrekking tot
Krishna:
"Het
woord 'krish' is het aspect van aantrekking van de Heer Zijn
bestaan, en 'na' betekent 'geestelijk genoegen'. Als men het
werkwoord 'krish' toevoegt aan 'na', wordt het krishna, wat dan
de aanduiding van de Absolute Waarheid vormt."
**
Overeenkomstig S'rîla S'rîdhara Svâmî,
heeft tri-pûrusha, het Sanskriet woord hier gebruikt,
betrekking op iemand zelf, zijn zoons en zijn kleinzoons.
