regelbalk



 

Canto 10

Vande Krishna

  


 

Hoofdstuk 64: Over het Bestelen van een Brahmaan: Koning Nriga een Kameleon (c)

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Op een dag [in hun jeugd] o Koning, gingen de Yadu-jongens Sâmba, Pradyumna, Câru, Bhânu, Gada en anderen naar een park om te spelen. (2) Na daar een lange tijd gespeeld te hebben waren ze dorstig op zoek naar water en ontdekten ze een verbazingwekkend schepsel in een droge put. (3) Ze zagen er een kameleon die zo groot was als een berg en met een geest vol van verwondering probeerden ze, bewogen door mededogen, het uit de put te tillen. (4) Met leren riemen en in elkaar gedraaid touw aan hem vastgemaakt, slaagden de jongens er niet in het schepsel eruit te krijgen en dus deden ze er opgewonden verslag van aan Krishna. (5) De lotusogige Opperheer, de Handhaver van het Universum, ging een kijkje nemen, zag het en haalde het met Zijn linker hand met gemak naar boven. (6) Aangeraakt door de hand van Uttamas'loka, werd de kameleongedaante terstond opgegeven voor die van een prachtig hemels wezen met een gelaatskleur als van gesmolten goud en wonderschone sieraden, kleren en bloemenslingers. (7) Hoewel Hij zich terdege bewust was van wat tot deze situatie had geleid vroeg Mukunda, opdat [ook] de gewone man het kon weten: 'Wie bent u o fortuinlijke ziel? Gezien uw excellente voorkomen durf Ik te beweren dat u een hoog verheven halfgod bent! (8) Door welke actie bent u in deze toestand, die u zeker niet verdiend heeft, beland o goede ziel? Alstublieft vertel Ons, die het graag willen weten, alles over uzelf - tenminste, als u dit de juiste plek acht om er over te spreken.'

(9) S'rî S'uka zei: 'De koning die aldus ondervraagd werd door Krishna wiens gedaanten onbegrensd zijn, boog met zijn helm die zo schitterend was als de zon voor Mâdhava en richtte zich tot Hem. (10) Nriga zei: 'Ik, de heerser over mensen genaamd Nriga [zie 9.1: 11-12, 9.2: 17], ben een [klein-]zoon van Ikshvâku o Meester. Misschien kwam het U ter ore dat men mij rekent onder de mannen van liefdadigheid. (11) Wat zou U ook niet bekend zijn o Meester, o Getuige van de Geest van Alle Wezens wiens visie niet belemmerd wordt door de tijd? Niettemin zal ik spreken naar Uw wens. (12) Ik heb zoveel koeien weggeschonken als er zandkorrels op aarde zijn, als er sterren aan de hemel staan of als er regendruppels in een regenbui zitten. (13) Ik gaf melkkoeien weg die eerlijk verworven werden, nog jong, goed van karakter en goed van uiterlijk waren, bruin, schoon en rijk aan vele andere kwaliteiten, samen met hun kalveren en met gouden sieraden aan hun hoorns, zilver aan hun hoeven en met fijne stoffen en bloemenslingers versierd. (14-15) Ik, van vrome werken en van aanbidding met vuuroffers, was liefdadig en schonk sieraden weg aan jonge getalenteerde waarachtige brahmanen met behoeftige families, die bekend stonden om hun verzaking en grote kennis van de Veda's en die goede kwaliteiten en een goed karakter hadden. Ik gaf ze koeien, land, goud, huizen, paarden en olifanten, huwbare meisjes met dienstmaagden, sesamzaad, zilver, beddengoed en kleding, juwelen, meubels en wagens.  (16) Zonder me dat bewust te zijn schonk ik een koe die het eigendom was van een bepaalde eersteklas dvija [een brahmaan die geen gaven meer aanneemt, zie 7.11] weg aan een andere tweemaal geboren ziel. Afgedwaald had de koe zich bij mijn kudde gevoegd. (17) Terwijl ze weggeleid werd, werd die koe opgemerkt door haar baas die zei: 'Ze is van mij!' Maar hij die de gift had aangenomen zei daarop toen: 'Deze heeft Nriga aan mij gegeven!'

(18) De twee geschoolden in een strijd verwikkeld om hun eigenbelang zeiden tegen me: 'U mijnheer, bent als de schenker een dief geweest!' Toen ik dit hoorde was ik met stomheid geslagen.

(19-20) Aldus in verlegenheid wat betreft mijn religieuze plichtsbetrachting, smeekte ik de beide geleerde mannen: 'Alstublieft geef me deze ene koe en ik zal u er een honderdduizend van de beste kwaliteit voor teruggeven! Hebt beiden alstublieft genade met uw dienaar. Ik wist niet wat ik deed. Red me van het gevaar te belanden in een smerige hel!'

(21) 'Ik heb daar helemaal geen behoefte aan o Koning!' zei de eigenaar en verdween.

'
Ik ben niet geïnteresseerd in al die andere koeien', zei de ander en vertrok.

(22) Nadat zich dit had voorgedaan werd ik door de boodschappers van Yamarâja meegevoerd naar zijn verblijf en werd mij daar, o God der Goden, o Meester van het Universum, door de Heer van de Dood en Vergelding de volgende vraag gesteld: [zie ook 5.26: 6, 6.1: 31 en 6.3]. (23) 'Wilt u eerst de gevolgen ondergaan van uw slechte daden o Koning, of die van uw goede daden? Wat betreft uw grenzeloze religieuze liefdadigheid, zie ik een stralend mooie wereld.'

(24) Daarom zei ik: 'Laat me eerst de gevolgen van mijn slechte daden ondergaan o Godheid.' Hij zei daarop: 'Val dan!' en terwijl ik viel o Meester, zag ik mezelf als een kameleon! (25) Als Uw dienaar vrijgevig jegens de brahmanen en verlangend naar Uw gezelschap o Kes'ava, heeft de herinnering aan U me tot op de dag van vandaag niet verlaten [zie ook 5.8: 28]. (26) O Almachtige, hoe kan U in eigen persoon nu voor mij zichtbaar zijn, U, de Allerhoogste Ziel op wie de meesters van de yoga in hun zuivere harten mediteren middels het oog van de geschriften! Hoe o Adhoks'aja kan ik, wiens intelligentie werd verblind door ernstige moeilijkheden, U nu aanschouwen? Is dat niet weggelegd voor hen wiens materiële leven alhier ten einde kwam? (27-28) O, God der Goden, Meester van het Universum, Heer der Koeien, Allerhoogste Persoonlijkheid; o Pad Uitgestippeld voor de Mens, Meester der Zinnen, Genade van de Verzen, Onfeilbaar en Niet-afnemend, alstUblieft sta het me toe te vertrekken, o Krishna, naar de wereld der goden, o Meester; moge, waar ik me ook bevind, mijn bewustzijn van de beschutting van Uw voeten er zijn! (29) Mijn eerbetuigingen voor U, de Oorsprong van Alle Wezens, het Absolute van de Waarheid en de Eigenaar van Onbegrensde Vermogens. Ik bied U, Krishna [*], zoon van Vasudeva, Heer van al de vormen van yoga, mijn respect.'

(30) Nadat hij aldus had gesproken en om Hem heen had gelopen, kreeg hij, na het beroeren van Kishna's voeten met zijn kroon, toestemming om te vertrekken en klom hij, voor ogen van alle mensen, aan boord van een wonderschone hemelwagen. (31) Krishna, de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, de God en Ziel van het Dharma die de brahmanen is toegewijd, richtte zich tot Zijn persoonlijke metgezellen en was als volgt van instructie voor de edelen: (32) 'Als zelfs voor iemand die nog krachtiger is dan een vuur, het kleinste beetje bezit van een brahmaan dat hij zich toeëigent [dat hij wegsteelt of hem ontzegt], moeilijk te genieten is, hoeveel temeer moet dat dan niet gelden voor koningen die denken dat ze de Heer zelf zijn? (33) Het hâlâhala-vergif [dat werd gekarnd met Mandâra] beschouw Ik niet als echt vergif omdat er een remedie voor bestaat [S'iva namelijk, zie 8.7]. Dat wat een brahmaan toebehoort echter, noem Ik werkelijk vergif [als het eenmaal is ontvreemd], daar er voor zoiets in de wereld geen tegengif bestaat. (34) Vergif richt degene die het inneemt te gronde en vuur wordt uitgedoofd met water, maar het vuur dat brandt met het brandhout van de bezittingen van een brahmaan, brandt iemands gemeenschap af tot de grond. (35) Als men van het bezit van een brahmaan geniet zonder zijn toestemming, richt dat drie van je generaties te gronde [zie **], maar als men het met geweld via een externe macht geniet [zoals via de regering of bedrijfsbelangen] raakt dat tien voorgaande en tien volgende generaties [met een verlies aan eer, zie ook 9.8]. (36) Leden van de adelstand zien, verblind door  hun koninklijke weelde [zie ook B.G. 1: 44], niet hun eigen neergang in de hel op zich afkomen als ze kinderachtig het eigendom van een goedaardige brahmaan begeren. (37-38) Die koningen en andere leden van de koninklijke familie die, de zaak niet in de hand hebbend, zich het aandeel van een brahmaan toe-eigenden, zullen net zoveel jaren worden gekookt in de hel genaamd Kumbhîpâka [5.26: 13] als er stofdeeltjes werden aangeraakt door de tranen geplengd door de vrijgevige brahmanen die, terwille van hun beminden, moesten huilen over de middelen van bestaan die hen afhandig werden gemaakt. (39) Hij die een brahmaan berooft van zijn levensonderhoud, of dat nu door jezelf of door iemand anders werd verschaft, zal zestigduizend jaar lang geboren worden als een worm in de uitwerpselen. (40) Moge Ik nimmer de weelde verwerven die het eigendom van een brahmaan is. Zij die zoiets begeren is een kort leven beschoren en worden verslagen. Ze raken hun koninkrijk kwijt en veranderen in schrikwekkende slangen. (41) Beste volgelingen, koester geen vijandschap jegens een man van scholing, zelfs niet als hij een zonde begaan heeft. Zelfs als hij je fysiek keer op keer raakt en je vervloekt, behoor je hem altijd te eerbiedigen. (42) Precies zoals Ik Mij er steeds voor inspan om Me te verbuigen voor de geschoolden, behoren jullie ook allemaal van datzelfde respect te zijn. Hij die dat anders aanpakt, komt er voor in aanmerking door Mij te worden gestraft. (43) Het bezit dat van een brahmaan wordt afgepakt, leidt tot de ondergang van degene die dat deed, zelfs al gebeurde het onbewust. Net zoals het ook de persoon van Nriga overkwam met de koe van de brahmaan.'

(44) Nadat Hij de ingezetenen van Dvârakâ dat op het hart had gebonden, ging de Allerhoogste Heer Mukunda, de Louteraar Aller Werelden, Zijn paleis binnen.'

 

next                       

 
 

Derde herziene editie, geladen 24  juli, 2014.

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De zoon van Vyâsa zei: 'Op een dag [in hun jeugd] o Koning, gingen de Yadu-jongens Sâmba, Pradyumna, Câru, Bhânu, Gada en anderen naar een park om te spelen.

De zoon van Vyâsa zei: 'Op een dag [in hun jeugd], o Koning, gingen de yadu-jongens Sâmba, Pradyumna, Câru, Bhânu, Gada en anderen naar een park om te spelen. (Vedabase)

 

Tekst 2

Na daar een lange tijd gespeeld te hebben waren ze dorstig op zoek naar water en ontdekten ze een verbazingwekkend schepsel in een droge put.

Een lange tijd gespeeld hebbend keken ze dorstig uit naar water en ontdekten ze in een droge put een verbazingwekkend schepsel. (Vedabase)

 

Tekst 3

Ze zagen er een kameleon die zo groot was als een berg en met een geest vol van verwondering probeerden ze, bewogen door mededogen, het uit de put te tillen.

Voor zich zagen ze een kameleon zo groot als een berg en met een geest vol van verbazing erover deden ze, bewogen door mededogen, moeite het eruit te tillen. (Vedabase)

  

Tekst 4

Met leren riemen en in elkaar gedraaid touw aan hem vastgemaakt slaagden de jongens er niet in het schepsel eruit te krijgen en dus deden ze er opgewonden verslag van aan Krishna.

Leren riemen en in elkaar gedraaid touw aan hem vastmakend waren de jongens niet in staat het schepsel er uit te krijgen en dus deden ze er opgewonden verslag van aan Krishna. (Vedabase)

 

Tekst 5

De lotusogige Opperheer, de Handhaver van het Universum, ging een kijkje nemen, zag het en haalde het met Zijn linker hand met gemak naar boven.

De Lotusogige Opperheer, de Handhaver van het Universum, er op af zag het en haalde het met Zijn linker hand met gemak naar boven. (Vedabase)

 

Tekst 6

Aangeraakt door de hand van Uttamas'loka, werd de kameleongedaante terstond opgegeven voor die van een prachtig hemels wezen met een gelaatskleur als van gesmolten goud en wonderschone sieraden, kleren en bloemenslingers.

Aangeraakt door de hand van Uttamas'loka, werd onmiddellijk de kameleongedaante opgegeven voor die van een hemels wezen prachtig met een gelaatskleur als van gesmolten goud met wonderschone sierselen, kleren en bloemenslingers. (Vedabase)

 

Tekst 7

Hoewel Hij zich terdege bewust was van wat tot deze situatie had geleid vroeg Mukunda, opdat [ook] de gewone man het kon weten: 'Wie bent u o fortuinlijke ziel?  Gezien uw excellente voorkomen durf Ik te beweren dat u een hoog verheven halfgod bent!

Hoewel zich ter dege bewust van de oorzaak hiervan vroeg Mukunda, zo dat de mensen in het algemeen het konden weten: 'Wie bent U, o fortuinlijke, uit uw excellente voorkomen opmakend durf Ik te beweren dat u een hoog verheven halfgod bent! (Vedabase)

 

Tekst 8

Door welke actie bent u in deze toestand, die u zeker niet verdiend heeft, beland o goede ziel? Alstublieft vertel Ons, die het graag willen weten, alles over uzelf - tenminste, als u dit de juiste plek acht om er over te spreken.'

Door welke actie bent u in deze toestand, welke u zeker niet verdient heeft, beland, o goede ziel; alstublieft vertel Ons, die het graag willen weten, alles over uzelf - dat wil zeggen, als u het de juiste tijd acht er hier over te spreken.' (Vedabase)

 

Tekst 9

S'rî S'uka zei: 'De koning die aldus ondervraagd werd door Krishna wiens gedaanten onbegrensd zijn, boog met zijn helm die zo schitterend was als de zon voor Mâdhava en richtte zich tot Hem.

S'rî S'uka zei: 'De koning aldus in die hoedanigheid ondervraagd door Krishna wiens gedaanten onbegrensd zijn, verboog met zijn helm zo schitterend als de zon zich voor Mâdhava en sprak tot Hem. (Vedabase)

    

Tekst 10

Nriga zei: 'Ik, de heerser over mensen genaamd Nriga [zie 9.1: 11-12, 9.2: 17], ben een [klein-]zoon van Ikshvâku o Meester. Misschien kwam het U ter ore dat men mij rekent onder de mannen van liefdadigheid.

Nriga zei: 'Ik, de heerser over mensen genaamd Nriga [zie 9.1: 11-12, 9.2: 17], ben een zoon van [S'raddha naast de oudere broer] Ikshvâku, o meester, misschien nam Uw oor er kennis van dat ik wordt gerekend onder de mannen van liefdadigheid. (Vedabase)

 

Tekst 11

Wat zou U ook niet bekend zijn o Meester, o Getuige van de Geest van Alle Wezens wiens visie niet belemmerd wordt door de tijd? Niettemin zal ik spreken naar Uw wens.

Wat ook zou er aan U niet bekend zijn o Meester, Getuige van de Geest van Alle Wezens, Wiens visie niet door de tijd verstoord is; niettemin zal ik spreken zoals U dat opdraagt. (Vedabase)

  

Tekst 12

Ik heb zoveel koeien weggeschonken als er zandkorrels op aarde zijn, als er sterren aan de hemel staan of als er regendruppels in een regenbui zitten.

Zo veel zandkorrels als er zijn op aarde, zoveel sterren als er zijn aan de hemel of zoveel regendruppels als er zijn in een bui regen, zoveel koeien heb ik weggegeven. (Vedabase)

 

Tekst 13

Ik gaf melkkoeien weg die eerlijk verworven werden, nog jong, goed van karakter en goed van uiterlijk waren, bruin, schoon en rijk aan vele andere kwaliteiten, samen met hun kalveren en met gouden sieraden aan hun hoorns, zilver aan hun hoeven en met fijne stoffen en bloemenslingers versierd.

Ik gaf koeien compleet te melken, nog jong, goed van aard, goed van uiterlijk en rijk met vele andere kwaliteiten; bruin en schoon, tezamen met hun kalveren, opgesierd met goud op hun hoorns, zilver op hun hoeven, fijne overslagen en bloemenslingers. (Vedabase)

 

Tekst 14-15

Ik, van vrome werken en van aanbidding met vuuroffers, was liefdadig en schonk sieraden weg aan jonge getalenteerde waarachtige brahmanen met behoeftige families, die bekend stonden om hun verzaking en grote kennis van de Veda's en die goede kwaliteiten en een goed karakter hadden. Ik gaf ze koeien, land, goud, huizen, paarden en olifanten, huwbare meisjes met dienstmaagden, sesamzaad, zilver, beddengoed en kleding, juwelen, meubels en wagens.

Ik, van vrome werken en van aanbidding zijnde met vuuroffers, zorgde voor de goede sier van en schonk in liefdadigheid aan de geheiligde, jonge, uitzonderlijke brahmanen, de waarheid toegewijd, bekend om hun verzaking en grote geleerdheid met de Veda's, en die met hun hulpbehoevende families van goede kwaliteiten waren en karakter: koeien, land, goud, huizen, paarden en olifanten; huwbare meisjes met dienstmaagden, sesamzaad, zilver, beddengoed en kleding; juwelen, meubels en wagens. (Vedabase)

  

Tekst 16

Zonder me dat bewust te zijn schonk ik een koe die het eigendom was van een bepaalde eersteklas dvija [een brahmaan die geen gaven meer aanneemt, zie 7.11] weg aan een andere tweemaal geboren ziel. Afgedwaald had de koe zich bij mijn kudde gevoegd.

Ik het niet in de gaten hebbend, schonk van een bepaalde eersteklas dvija [een brahmaan die geen gaven meer aanneemt, zie 7.11] aan een andere tweemaal geboren ziel een koe weg, welke verloren gegaan zich had gevoegd bij mijn kudde. (Vedabase)

    

Tekst 17

Terwijl ze weggeleid werd, werd die koe opgemerkt door haar baas die zei: 'Ze is van mij!' Maar hij die de gift had aangenomen zei daarop toen: 'Deze heeft Nriga aan mij gegeven!'

Zij terwijl ze weggeleid werd, werd opgemerkt door haar baas die zei: 'Zij is van mij!', terwijl hij die de gift had aangenomen zei: 'Deze hier gaf Nriga aan mij!' (Vedabase)

 

Tekst 18

De twee geschoolden in een strijd verwikkeld om hun eigenbelang zeiden tegen me: 'U mijnheer, bent als de schenker een dief geweest!' Toen ik dit hoorde was ik met stomheid geslagen.

De twee geschoolden in tweestrijd terwille van hun eigen belang zeiden me: 'U mijnheer, als de schenker was een dief!' waarop ik dit aanhorend met stomheid geslagen was. (Vedabase)

 

Tekst 19-20

Aldus in verlegenheid wat betreft mijn religieuze plichtsbetrachting, smeekte ik de beide geleerde mannen: 'Alstublieft geef me deze ene koe en ik zal u er een honderdduizend van de beste kwaliteit voor teruggeven! Hebt beiden alstublieft genade met uw dienaar. Ik wist niet wat ik deed.  Red me van het gevaar te belanden in een smerige hel!'

In verlegenheid inderdaad met mijn religieuze plichtsbetrachting legde ik aan de beide mannen van geleerdheid de smeekbede voor 'Alstublieft schenk me deze ene koe, ik zal u er een honderdduizend van de beste kwaliteit voor terug geven! Jullie beiden, weest alstublieft van genade met uw dienaar die het zich niet bewust was; red me van het gevaar te belanden in een vuile hel!' (Vedabase)

  

Tekst 21

'Ik heb daar helemaal geen behoefte aan o Koning!' zei de eigenaar en verdween.

'
Ik ben niet geïnteresseerd in al die andere koeien', zei de ander en vertrok.

'Ik heb helemaal niet zo'n behoefte, o Koning!' liet zich aldus de eigenaar uit en verdween.

'Nog niet die talloze extra koeien wil ik', zei de ander en vertrok. (Vedabase)

  

Tekst 22

Nadat zich dit had voorgedaan werd ik door de boodschappers van Yamarâja meegevoerd naar zijn verblijf en werd mij daar, o God der Goden, o Meester van het Universum, door de Heer van de Dood en Vergelding de volgende vraag gesteld: [zie ook 5.26: 6, 6.1: 31 en 6.3]

Naar aanleiding van dit vooval werd ik door de boodschappers van Yamarâja meegevoerd naar zijn verblijf en werd mij daar door de Heer van de Dood en de Vergelding [als volgt], o God der Goden, o Meester van het Universum [zie ook 5.26: 6, 6.1: 31 en 6.3] de vraag voorgelegd: (Vedabase)

 

Tekst 23

'Wilt u eerst de gevolgen ondergaan van uw slechte daden o Koning, of die van uw goede daden? Wat betreft uw grenzeloze religieuze liefdadigheid, zie ik een stralend mooie wereld.'

'Wilt u eerst uw slechte daden ondergaan, o Koning, of liever uw goede daden; daar ik het einde niet kan zien van de glanzende wereld van wat u religieus in liefdadigheid wegschonk.' (Vedabase)

 

Tekst 24

Daarom zei ik: 'Laat me eerst de gevolgen van mijn slechte daden ondergaan o Godheid.' Hij zei daarop: 'Val dan!' en terwijl ik viel o Meester, zag ik mezelf als een kameleon!

Ik zei alzo: 'Ik zal eerst mijn slechte daden onder ogen zien, o Godheid', en zo zei hij: 'Val dan!' en terwijl ik viel, o Meester, zag ik mezelf als een kameleon! (Vedabase)

 

Tekst 25

Als Uw dienaar vrijgevig jegens de brahmanen en verlangend naar Uw gezelschap o Kes'ava, heeft de herinnering aan U me tot op de dag van vandaag niet verlaten [zie ook 5.8: 28].

Als Uw dienaar vrijgevig jegens de brahmanen, o Kes'ava, heeft me zelfs de dag van vandaag niet de herinnering verlaten aan de aanwezigheid van U die ik verloor en waar ik naar uitzie [zie ook 5.8: 28]. (Vedabase)

 

 Tekst 26

O Almachtige, hoe kan U in eigen persoon nu voor mij zichtbaar zijn, U, de Allerhoogste Ziel op wie de meesters van de yoga in hun zuivere harten mediteren middels het oog van de geschriften! Hoe o Adhoks'aja kan ik, wiens intelligentie werd verblind door ernstige moeilijkheden, U nu aanschouwen? Is dat niet weggelegd voor hen wiens materiële leven alhier ten einde kwam?

Hoe, o Almachtige, kan U in eigen persoon voor mij zichtbaar zijn; U, de Opperziel die bemediteerd door de meesters van de yoga zichtbaar bent voor het oog van een zuiver hart - hoe, o Adhoks'aja, kan het mij, wiens intelligentie was verblind door ernstige moeilijkheden, zijn toegestaan om te aanschouwen wat er is voor hen wiens materiële leven alhier is afgerond? (Vedabase)

 

Tekst 27-28

O, God der Goden, Meester van het Universum, Heer der Koeien, Allerhoogste Persoonlijkheid; o Pad Uitgestippeld voor de Mens, Meester der Zinnen, Genade van de Verzen, Onfeilbaar en Niet-afnemend, alstUblieft sta het me toe te vertrekken, o Krishna, naar de wereld der goden, o Meester; moge, waar ik me ook bevind, mijn bewustzijn van de beschutting van Uw voeten er zijn!

O, God der Goden, Meester van het Universum, Heer der Koeien, Allerhoogste Persoonlijkheid; o Pad Uitgestippeld voor de Mens, Meester der Zinnen, Genade van de Verzen, Onfeilbaar en Niet-afnemend, alstUblieft sta het me toe te vertrekken, o Krishna, naar de wereld der goden, o Meester; moge waar ik me dan ook bevind mijn bewustzijn van de beschutting van Uw voeten zijn! (Vedabase)

  

Tekst 29

Mijn eerbetuigingen voor U, de Oorsprong van Alle Wezens, het Absolute van de Waarheid en de Eigenaar van Onbegrensde Vermogens. Ik bied U, Krishna [*], zoon van Vasudeva, Heer van al de vormen van yoga, mijn respect.'

Mijn eerbetuigingen aan U, de Oorsprong van Alle Wezens, het Absolute van de Waarheid en de Eigenaar van Onbegrensde Vermogens; ik biedt het Spirituele Plezier van Zijn Aantrekking, Krishna [*], de zoon van Vasudeva, de Heer van alle vormen van yoga [alle vormen van het zich verenigen in het bewustzijn], mijn respect.' (Vedabase)

 

 Tekst 30

Nadat hij aldus had gesproken en om Hem heen had gelopen, kreeg hij, na het beroeren van Kishna's voeten met zijn kroon, toestemming om te vertrekken en klom hij, voor ogen van alle mensen, aan boord van een wonderschone hemelwagen.

Nadat hij aldus had gesproken en hem omlopen had kreeg hij, Zijn voeten met zijn kroon beroerend, toestemming te vertrekken en klom hij, voor ogen van alle mensen, aan boord van een hoogst uitnemende hemelwagen. (Vedabase)

  

Tekst 31

Krishna, de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, de God en Ziel van het Dharma die de brahmanen is toegewijd, richtte zich tot Zijn persoonlijke metgezellen en was als volgt van instructie voor de edelen:

Krishna, de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, de God en de Ziel van het Dharma de brahmanen toegewijd, richtte zich tot Zijn persoonlijke metgezellen en was aldus van instructie voor de edelen in het algemeen: (Vedabase)

 

Tekst 32

'Als zelfs voor iemand die nog krachtiger is dan een vuur, het kleinste beetje bezit van een brahmaan dat hij zich toeëigent [wegsteelt of hem ontzegt], moeilijk te genieten is, hoeveel temeer moet dat dan niet gelden voor koningen die denken dat ze de Heer zelf zijn?

'Als zelfs voor iemand krachtiger dan het vuur slechts het kleine beetje bezit dat genoten [gestolen of ontzegd ] van een brahmaan inderdaad onverteerbaar is; wat dan te zeggen van koningen die zich zelf inbeelden de beheersers te zijn? (Vedabase)

 

Tekst 33

Het hâlâhala-vergif [dat werd gekarnd met Mandâra] beschouw Ik niet als echt vergif omdat er een remedie voor bestaat [S'iva namelijk, zie 8.7]. Dat wat een brahmaan toebehoort echter, noem Ik werkelijk vergif [als het eenmaal is ontvreemd], daar er voor zoiets in de wereld geen tegengif bestaat.

De hâlâhala [die werd gekarnd met Mandâra] beschouw ik niet als vergif omdat daar een antwoord op bestaat [S'iva namelijk, zie 8.7]; wat een brahmaan toebehoort [echter] noem ik werkelijk vergif [als het eenmaal is ontvreemd] daar er voor dat in de wereld geen tegengif bestaat. (Vedabase)

 

Tekst 34

Vergif richt degene die het inneemt te gronde en vuur wordt uitgedoofd met water, maar het vuur dat brandt met het brandhout van de bezittingen van een brahmaan, brandt iemands gemeenschap af tot de grond.

Vergif richt degeen die het inneemt te gronde; vuur wordt uitgedoofd met water, maar het vuur dat brandt met het brandhout van de bezittingen van een brahmaan brandt iemands gemeenschap af tot op de wortel. (Vedabase)

 

Tekst 35

Als men van het bezit van een brahmaan geniet zonder zijn toestemming, richt dat drie van je generaties te gronde [zie **] maar als men het met geweld via een externe macht geniet [zoals via de regering of bedrijfsbelangen] raakt dat tien voorgaande en tien volgende generaties [met een verlies aan eer, zie ook 9.8].

Dat wat een brahmaan bezit zonder toestemming genoten vernietigt drie personen [in de geslachtslijn zie **] maar met geweld [zoals via de regering of bedrijfsbelangen] genoten [is dat waar voor de eer van de] tien voorgaande en tien volgende generaties [zie ook 9.8]. (Vedabase)

 

Tekst 36

Leden van de adelstand zien, verblind door  hun koninklijke weelde [zie ook B.G. 1: 44], niet hun eigen neergang in de hel op zich afkomen als ze kinderachtig het eigendom van een goedaardige brahmaan begeren.

Leden van de adelstand, verblind door koninklijke weelde [zie ook B.G. 1: 44] zien kinderachtig smachtend naar het eigendom van een welgezinde brahmaan niet hun eigen val in de hel aankomen. (Vedabase)

 

Tekst 37-38

Die koningen en andere leden van de koninklijke familie die, de zaak niet in de hand hebbend, zich het aandeel van een brahmaan toe-eigenden, zullen net zoveel jaren worden gekookt in de hel genaamd Kumbhîpâka [5.26: 13] als er stofdeeltjes  werden aangeraakt door de tranen geplengd door de vrijgevige brahmanen die, terwille van hun beminden, moeten huilen over de middelen van bestaan die hen afhandig werden gemaakt [5.26: 13].

Zoveel stofdeeltjes als worden aangeraakt door de tranen geplengd door vrijgevige brahmanen die terwille van hun gezelschap huilen over de middelen van bestaan die ontvreemd zijn, even zo vele jaren zullen de koningen en andere leden van de koninklijke familie die zich het aandeel van de brahmaan toe-eigenen, de controle missend, worden gekookt in de hel genaamd Kumbhîpâka [5.26: 13]. (Vedabase)

 

Tekst 39

Hij die een brahmaan berooft van zijn levensonderhoud, of dat nu door jezelf of door iemand anders werd verschaft, zal zestigduizend jaar lang geboren worden als een worm in de uitwerpselen.

Hij dan die wegsteelt wat een brahmaan toebehoort, of het nu door iemand zelf werd geschonken of door iemand anders, wordt zestigduizend jaar lang geboren als een worm in de uitwerpselen. (Vedabase)

 

Tekst 40

Moge Ik nimmer de weelde verwerven die het eigendom van een brahmaan is. Zij die zoiets begeren is een kort leven beschoren en worden verslagen. Ze raken hun koninkrijk kwijt en veranderen in schrikwekkende slangen.

Laat de weelde van een brahmaan niet op mij afkomen; de begeerte daarnaar maakt dat mensen een kort leven is beschoren, bezorgt hen de nederlaag en berooft ze van het koninkrijk, ze veranderend in slangen die anderen moeilijkheden bezorgen. (Vedabase)

 

Tekst 41

Beste volgelingen, koester geen vijandschap jegens een man van scholing, zelfs niet als hij een zonde begaan heeft. Zelfs als hij je fysiek keer op keer raakt en je vervloekt, behoor je hem altijd te eerbiedigen.

Beste volgelingen, koester geen vijandschap jegens een man van scholing, zelfs niet als hij gezondigd heeft; zelfs je lichamelijk keer op keer treffend en je vervloekend, behoor je hem altijd je eerbetuigingen te brengen. (Vedabase)

 

Tekst 42

Precies zoals Ik Mij er steeds voor inspan om Me te verbuigen voor de geschoolden, behoren jullie ook allemaal van datzelfde respect te zijn. Hij die dat anders aanpakt, komt er voor in aanmerking door Mij te worden gestraft.

Zoals Ik Me altijd angstvallig verbuig voor de geschoolden, moeten jullie allen dat ook; hij die het anders doet komt er voor in aanmerking door Mij te worden gestraft. (Vedabase)

 

Tekst 43

Het bezit dat van een brahmaan wordt afgepakt, leidt tot de ondergang van degene die dat deed, zelfs al gebeurde het onbewust. Net zoals het ook de persoon van Nriga overkwam met de koe van de brahmaan.'

Het bezit inderdaad afgepakt van een brahmaan leidt tot de ondergang van hem die ontvreemdt, zelfs onbewust gedaan, zoals we zagen gebeuren met de persoon van Nriga met de koe van de brahmaan.' (Vedabase)

 

Tekst 44

Nadat Hij de ingezetenen van Dvârakâ dat op het hart had gebonden, ging de Allerhoogste Heer Mukunda, de Louteraar Aller Werelden, Zijn paleis binnen.'

De Allerhoogste Heer Mukunda, de Louteraar Aller Werelden, ging na aldus de ingezetenen van Dvârakâ te hebben onderricht, Zijn paleis binnen. (Vedabase)

 

*: In de Mahâbhârata (Udyoga-parva 71.4), wordt gezegd met betrekking tot Krishna: "Het woord 'krish' is het aspect van aantrekking van de Heer Zijn bestaan, en 'na' betekent 'geestelijk genoegen'. Als men het werkwoord 'krish' toevoegt aan 'na', wordt het krishna, wat dan de aanduiding van de Absolute Waarheid vormt."

**: Overeenkomstig S'rîla S'rîdhara Svâmî, heeft tri-pûrusha, het Sanskriet woord hier gebruikt, betrekking op iemand zelf, zijn zoons en zijn kleinzoons.

 

 

 

 

 


 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.
De afbeelding van Vishnu met een kameleon is een collage van Aanand Aadhar.
Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties