regelbalk

   

Vande Krishna

  

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 64

 

Over het Bestelen van een Brahmaan: Koning Nriga een Kameleon

(1) De zoon van Vyâsa zei: 'Op een dag [in hun jeugd], o Koning, gingen de yadu-jongens Sâmba, Pradyumna, Câru, Bhânu, Gada en anderen naar een park om te spelen. (2) Een lange tijd gespeeld hebbend keken ze dorstig uit naar water en ontdekten ze in een droge put een verbazingwekkend schepsel. (3) Voor zich zagen ze een kameleon zo groot als een berg en met een geest vol van verbazing erover deden ze, bewogen door mededogen, moeite het eruit te tillen. (4) Leren riemen en in elkaar gedraaid touw aan hem vastmakend waren de jongens niet in staat het schepsel er uit te krijgen en dus deden ze er opgewonden verslag van aan Krishna. (5) De Lotusogige Opperheer, de Handhaver van het Universum, er op af zag het en haalde het met Zijn linker hand met gemak naar boven. (6) Aangeraakt door de hand van Uttamas'loka, werd onmiddellijk de kameleongedaante opgegeven voor die van een hemels wezen prachtig met een gelaatskleur als van gesmolten goud met wonderschone sierselen, kleren en bloemenslingers. (7) Hoewel zich ter dege bewust van de oorzaak hiervan vroeg Mukunda, zo dat de mensen in het algemeen het konden weten: 'Wie bent U, o fortuinlijke, uit uw excellente voorkomen opmakend durf Ik te beweren dat u een hoog verheven halfgod bent! (8) Door welke actie bent u in deze toestand, welke u zeker niet verdient heeft, beland, o goede ziel; alstublieft vertel Ons, die het graag willen weten, alles over uzelf - dat wil zeggen, als u het de juiste tijd acht er hier over te spreken.'

(9) S'rî S'uka zei: 'De koning aldus in die hoedanigheid ondervraagd door Krishna wiens gedaanten onbegrensd zijn, verboog met zijn helm zo schitterend als de zon zich voor Mâdhava en sprak tot Hem. (10) Nriga zei: 'Ik, de heerser over mensen genaamd Nriga [zie 9.1: 11-12, 9.2: 17], ben een zoon van [S'raddha naast de oudere broer] Ikshvâku, o meester, misschien nam Uw oor er kennis van dat ik wordt gerekend onder de mannen van liefdadigheid. (11) Wat ook zou er aan U niet bekend zijn o Meester, Getuige van de Geest van Alle Wezens, Wiens visie niet door de tijd verstoord is; niettemin zal ik spreken zoals U dat opdraagt. (12) Zo veel zandkorrels als er zijn op aarde, zoveel sterren als er zijn aan de hemel of zoveel regendruppels als er zijn in een bui regen, zoveel koeien heb ik weggegeven. (13) Ik gaf koeien compleet te melken, nog jong, goed van aard, goed van uiterlijk en rijk met vele andere kwaliteiten; bruin en schoon, tezamen met hun kalveren, opgesierd met goud op hun hoorns, zilver op hun hoeven, fijne overslagen en bloemenslingers. (14-15) Ik, van vrome werken en van aanbidding zijnde met vuuroffers, zorgde voor de goede sier van en schonk in liefdadigheid aan de geheiligde, jonge, uitzonderlijke brahmanen, de waarheid toegewijd, bekend om hun verzaking en grote geleerdheid met de Veda's, en die met hun hulpbehoevende families van goede kwaliteiten waren en karakter: koeien, land, goud, huizen, paarden en olifanten; huwbare meisjes met dienstmaagden, sesamzaad, zilver, beddengoed en kleding; juwelen, meubels en wagens. (16) Ik het niet in de gaten hebbend, schonk van een bepaalde eersteklas dvija [een brahmaan die geen gaven meer aanneemt, zie 7.11] aan een andere tweemaal geboren ziel een koe weg, welke verloren gegaan zich had gevoegd bij mijn kudde. (17) Zij terwijl ze weggeleid werd, werd opgemerkt door haar baas die zei: 'Zij is van mij!', terwijl hij die de gift had aangenomen zei: 'Deze hier gaf Nriga aan mij!'

(18) De twee geschoolden in tweestrijd terwille van hun eigen belang zeiden me: 'U mijnheer, als de schenker was een dief!' waarop ik dit aanhorend met stomheid geslagen was.

(19-20) In verlegenheid inderdaad met mijn religieuze plichtsbetrachting legde ik aan de beide mannen van geleerdheid de smeekbede voor 'Alstublieft schenk me deze ene koe, ik zal u er een honderdduizend van de beste kwaliteit voor terug geven! Jullie beiden, weest alstublieft van genade met uw dienaar die het zich niet bewust was; red me van het gevaar te belanden in een vuile hel!'

(21) 'Ik heb helemaal niet zo'n behoefte, o Koning!' liet zich aldus de eigenaar uit en verdween.

'Nog niet die talloze extra koeien wil ik', zei de ander en vertrok.

(22) Naar aanleiding van dit voorval werd ik door de boodschappers van Yamarâja meegevoerd naar zijn verblijf en werd mij daar door de Heer van de Dood en de Vergelding [als volgt], o God der Goden, o Meester van het Universum [zie ook 5.26: 6, 6.1: 31 en 6.3] de vraag voorgelegd: (23) 'Wilt u eerst uw slechte daden ondergaan, o Koning, of liever uw goede daden; daar ik het einde niet kan zien van de glanzende wereld van wat u religieus in liefdadigheid wegschonk.'

(24) Ik zei alzo: 'Ik zal eerst mijn slechte daden onder ogen zien, o Godheid', en zo zei hij: 'Val dan!' en terwijl ik viel, o Meester, zag ik mezelf als een kameleon! (25) Als Uw dienaar vrijgevig jegens de brahmanen, o Kes'ava, heeft me zelfs de dag van vandaag niet de herinnering verlaten aan de aanwezigheid van U die ik verloor en waar ik naar uitzie [zie ook 5.8: 28]. (26) Hoe, o Almachtige, kan U in eigen persoon voor mij zichtbaar zijn; U, de Opperziel die bemediteerd door de meesters van de yoga zichtbaar bent voor het oog van een zuiver hart - hoe, o Adhoks'aja, kan het mij, wiens intelligentie was verblind door ernstige moeilijkheden, zijn toegestaan om te aanschouwen wat er is voor hen wiens materiële leven alhier is afgerond? (27-28) O, God der Goden, Meester van het Universum, Heer der Koeien, Allerhoogste Persoonlijkheid; o Pad Uitgestippeld voor de Mens, Meester der Zinnen, Genade van de Verzen, Onfeilbaar en Niet-afnemend, alstUblieft sta het me toe te vertrekken, o Krishna, naar de wereld der goden, o Meester; moge waar ik me dan ook bevind mijn bewustzijn van de beschutting van Uw voeten zijn! (29) Mijn eerbetuigingen aan U, de Oorsprong van Alle Wezens, het Absolute van de Waarheid en de Eigenaar van Onbegrensde Vermogens; ik biedt het Spirituele Plezier van Zijn Aantrekking, Krishna [*], de zoon van Vasudeva, de Heer van alle vormen van yoga [alle vormen van het zich verenigen in het bewustzijn], mijn respect.'

(30) Nadat hij aldus had gesproken en hem omlopen had kreeg hij, Zijn voeten met zijn kroon beroerend, toestemming te vertrekken en klom hij, voor ogen van alle mensen, aan boord van een hoogst uitnemende hemelwagen. (31) Krishna, de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, de God en de Ziel van het Dharma de brahmanen toegewijd, richtte zich tot Zijn persoonlijke metgezellen en was aldus van instructie voor de edelen in het algemeen: (32) 'Als zelfs voor iemand krachtiger dan het vuur slechts het kleine beetje bezit dat genoten [gestolen of ontzegd ] van een brahmaan inderdaad onverteerbaar is; wat dan te zeggen van koningen die zich zelf inbeelden de beheersers te zijn? (33) De hâlâhala [die werd gekarnd met Mandâra] beschouw ik niet als vergif omdat daar een antwoord op bestaat [S'iva namelijk, zie 8.7]; wat een brahmaan toebehoort [echter] noem ik werkelijk vergif [als het eenmaal is ontvreemd] daar er voor dat in de wereld geen tegengif bestaat. (34) Vergif richt degeen die het inneemt te gronde; vuur wordt uitgedoofd met water, maar het vuur dat brandt met het brandhout van de bezittingen van een brahmaan brandt iemands gemeenschap af tot op de wortel. (35) Dat wat een brahmaan bezit zonder toestemming genoten vernietigt drie personen [in de geslachtslijn zie **] maar met geweld [zoals via de regering of bedrijfsbelangen] genoten [is dat waar voor de eer van de] tien voorgaande en tien volgende generaties [zie ook 9.8]. (36) Leden van de adelstand, verblind door koninklijke weelde [zie ook B.G. 1: 44] zien kinderachtig smachtend naar het eigendom van een welgezinde brahmaan niet hun eigen val in de hel aankomen. (37-38) Zoveel stofdeeltjes als worden aangeraakt door de tranen geplengd door vrijgevige brahmanen die terwille van hun gezelschap huilen over de middelen van bestaan die ontvreemd zijn, evenzovele jaren zullen de koningen en andere leden van de koninklijke familie die zich het aandeel van de brahmaan toe-eigenen, de controle missend, worden gekookt in de hel genaamd Kumbhîpâka [5.26: 13]. (39) Hij dan die wegsteelt wat een brahmaan toebehoort, of het nu door iemand zelf werd geschonken of door iemand anders, wordt zestigduizend jaar lang geboren als een worm in de uitwerpselen. (40) Laat de weelde van een brahmaan niet op mij afkomen; de begeerte daarnaar maakt dat mensen een kort leven is beschoren, bezorgt hen de nederlaag en berooft ze van het koninkrijk, ze veranderend in slangen die anderen moeilijkheden bezorgen. (41) Beste volgelingen, koester geen vijandschap jegens een man van scholing, zelfs niet als hij gezondigd heeft; zelfs je lichamelijk keer op keer treffend en je vervloekend, behoor je hem altijd je eerbetuigingen te brengen. (42) Zoals Ik Me altijd angstvallig verbuig voor de geschoolden, moeten jullie allen dat ook; hij die het anders doet komt er voor in aanmerking door Mij te worden gestraft. (43) Het bezit inderdaad afgepakt van een brahmaan leidt tot de ondergang van hem die ontvreemdt, zelfs onbewust gedaan, zoals we zagen gebeuren met de persoon van Nriga met de koe van de brahmaan.'

(44) De Allerhoogste Heer Mukunda, de Louteraar Aller Werelden, ging na aldus de ingezetenen van Dvârakâ te hebben onderricht, Zijn paleis binnen.

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande tekst in het Nederlands beschikbaar):

The Deliverance of King Nriga

 

Tekst 1

De zoon van Vyâsa zei: 'Op een dag [in hun jeugd], o Koning, gingen de yadu-jongens Sâmba, Pradyumna, Câru, Bhânu, Gada en anderen naar een park om te spelen.

S'rî Bâdarâyani said: O King, one day Sâmba, Pradyumna, Câru, Bhânu, Gada and other young boys of the Yadu dynasty went to a small forest to play.

 

Tekst 2

Een lange tijd gespeeld hebbend keken ze dorstig uit naar water en ontdekten ze in een droge put een verbazingwekkend schepsel.

After playing for a long time, they became thirsty. As they searched for water, they looked inside a dry well and saw a peculiar creature.

 

Tekst 3

Voor zich zagen ze een kameleon zo groot als een berg en met een geest vol van verbazing erover deden ze, bewogen door mededogen, moeite het eruit te tillen.

The boys were astonished to behold this creature, a lizard who looked like a hill. They felt sorry for it and tried to lift it out of the well.

  

Tekst 4

Leren riemen en in elkaar gedraaid touw aan hem vastmakend waren de jongens niet in staat het schepsel er uit te krijgen en dus deden ze er opgewonden verslag van aan Krishna.

They caught on to the trapped lizard with leather thongs and then with woven ropes, but still they could not lift it out. So they went to Lord Krishna and excitedly told Him about the creature.

 

Tekst 5:

De Lotusogige Opperheer, de Handhaver van het Universum, er op af zag het en haalde het met Zijn linker hand met gemak naar boven.

The lotus-eyed Supreme Lord, maintainer of the universe, went to the well and saw the lizard. Then with His left hand He easily lifted it out.

 

Tekst 6:

Aangeraakt door de hand van Uttamas'loka, werd onmiddellijk de kameleongedaante opgegeven voor die van een hemels wezen prachtig met een gelaatskleur als van gesmolten goud met wonderschone sierselen, kleren en bloemenslingers.

Touched by the hand of the glorious Supreme Lord, the being at once gave up its lizard form and assumed that of a resident of heaven. His complexion was beautifully colored like molten gold, and he was adorned with wonderful ornaments, clothes and garlands.

 

Tekst 7:

Hoewel zich ter dege bewust van de oorzaak hiervan vroeg Mukunda, zo dat de mensen in het algemeen het konden weten: 'Wie bent U, o fortuinlijke, uit uw excellente voorkomen opmakend durf Ik te beweren dat u een hoog verheven halfgod bent!

Lord Krishna understood the situation, but to inform people in general He inquired as follows: "Who are you, O greatly fortunate one? Seeing your excellent form, I think you must surely be an exalted demigod.

 

Tekst 8:

Door welke actie bent u in deze toestand, welke u zeker niet verdient heeft, beland, o goede ziel; alstublieft vertel Ons, die het graag willen weten, alles over uzelf - dat wil zeggen, als u het de juiste tijd acht er hier over te spreken.'

"By what past activity were you brought to this condition? It seems you did not deserve such a fate, O good soul. We are eager to know about you, so please inform us about yourself - if, that is, you think this the proper time and place to tell us."

 

Tekst 9:

S'rî S'uka zei: 'De koning aldus in die hoedanigheid ondervraagd door Krishna wiens gedaanten onbegrensd zijn, verboog met zijn helm zo schitterend als de zon zich voor Mâdhava en sprak tot Hem.

S'ukadeva Gosvâmî said: Thus questioned by Krishna, whose forms are unlimited, the King, his helmet as dazzling as the sun, bowed down to Lord Mâdhava and replied as follows.

    

Tekst 10:

Nriga zei: 'Ik, de heerser over mensen genaamd Nriga [zie 9.1: 11-12, 9.2: 17], ben een zoon van [S'raddha naast de oudere broer] Ikshvâku, o meester, misschien nam Uw oor er kennis van dat ik wordt gerekend onder de mannen van liefdadigheid.

King Nriga said: I am a king known as Nriga, the son of Ikshvâku. Perhaps, Lord, You have heard of me when lists of charitable men were recited.

 

Tekst 11:

Wat ook zou er aan U niet bekend zijn o Meester, Getuige van de Geest van Alle Wezens, Wiens visie niet door de tijd verstoord is; niettemin zal ik spreken zoals U dat opdraagt.

What could possibly be unknown to You, O master? With vision undisturbed by time, You witness the minds of all living beings. Nevertheless, on Your order I will speak.

  

Tekst 12:

Zo veel zandkorrels als er zijn op aarde, zoveel sterren als er zijn aan de hemel of zoveel regendruppels als er zijn in een bui regen, zoveel koeien heb ik weggegeven.

I gave in charity as many cows as there are grains of sand on the earth, stars in the heavens, or drops in a rain shower.

 

Tekst 13:

Ik gaf koeien compleet te melken, nog jong, goed van aard, goed van uiterlijk en rijk met vele andere kwaliteiten; bruin en schoon, tezamen met hun kalveren, opgesierd met goud op hun hoorns, zilver op hun hoeven, fijne overslagen en bloemenslingers.

Young, brown, milk-laden cows, who were well behaved, beautiful and endowed with good qualities, who were all acquired honestly, and who had gilded horns, silver-plated hooves and decorations of fine ornamental cloths and garlands - such were the cows, along with their calves, that I gave in charity.

 

Tekst 14-15:

Ik, van vrome werken en van aanbidding zijnde met vuuroffers, zorgde voor de goede sier van en schonk in liefdadigheid aan de geheiligde, jonge, uitzonderlijke brahmanen, de waarheid toegewijd, bekend om hun verzaking en grote geleerdheid met de Veda's, en die met hun hulpbehoevende families van goede kwaliteiten waren en karakter: koeien, land, goud, huizen, paarden en olifanten; huwbare meisjes met dienstmaagden, sesamzaad, zilver, beddengoed en kleding; juwelen, meubels en wagens.

I first honored the brâhmanas who were recipients of my charity by decorating them with fine ornaments. Those most exalted brâhmanas, whose families were in need, were young and possessed of excellent character and qualities. They were dedicated to truth, famous for their austerity, vastly learned in the Vedic scriptures and saintly in their behavior. I gave them cows, land, gold and houses, along with horses, elephants and marriageable girls with maidservants, as well as sesame, silver, fine beds, clothing, jewels, furniture and chariots. In addition, I performed Vedic sacrifices and executed various pious welfare activities.

  

Tekst 16:

Ik het niet in de gaten hebbend, schonk van een bepaalde eersteklas dvija [een brahmaan die geen gaven meer aanneemt, zie 7.11] aan een andere tweemaal geboren ziel een koe weg, welke verloren gegaan zich had gevoegd bij mijn kudde.

Once a cow belonging to a certain first-class brâhmana wandered away and entered my herd. Unaware of this, I gave that cow in charity to a different brâhmana.

    

Tekst 17

Zij terwijl ze weggeleid werd, werd opgemerkt door haar baas die zei: 'Zij is van mij!', terwijl hij die de gift had aangenomen zei: 'Deze hier gaf Nriga aan mij!'

When the cow's first owner saw her being led away, he said, "She is mine!" The second brâhmana, who had accepted her as a gift, replied, "No, she's mine! Nriga gave her to me."

 

Tekst 18

De twee geschoolden in tweestrijd terwille van hun eigen belang zeiden me: 'U mijnheer, als de schenker was een dief!' waarop ik dit aanhorend met stomheid geslagen was.

As the two brâhmanas argued, each trying to fulfill his own purpose, they came to me. One of them said, "You gave me this cow," and the other said, "But you stole her from me." Hearing this, I was bewildered.

 

Tekst 19-20

In verlegenheid inderdaad met mijn religieuze plichtsbetrachting legde ik aan de beide mannen van geleerdheid de smeekbede voor 'Alstublieft schenk me deze ene koe, ik zal u er een honderdduizend van de beste kwaliteit voor terug geven! Jullie beiden, weest alstublieft van genade met uw dienaar die het zich niet bewust was; red me van het gevaar te belanden in een vuile hel!'

Finding myself in a terrible dilemma concerning my duty in the situation, I humbly entreated both the brâhmanas: "I will give one hundred thousand of the best cows in exchange for this one. Please give her back to me. Your good selves should be merciful to me, your servant. I did not know what I was doing. Please save me from this difficult situation, or I'll surely fall into a filthy hell."

  

Tekst 21

'Ik heb helemaal niet zo'n behoefte, o Koning!' liet zich aldus de eigenaar uit en verdween.

'Nog niet die talloze extra koeien wil ik', zei de ander en vertrok.

The present owner of the cow said, "I don't want anything in exchange for this cow, O King," and went away. The other brâhmana declared, "I don't want even ten thousand more cows [than you are offering]," and he too went away.

  

Tekst 22

Naar aanleiding van dit voorval werd ik door de boodschappers van Yamarâja meegevoerd naar zijn verblijf en werd mij daar door de Heer van de Dood en de Vergelding [als volgt], o God der Goden, o Meester van het Universum [zie ook 5.26: 6, 6.1: 31 en 6.3] de vraag voorgelegd:

O Lord of lords, O master of the universe, the agents of Yamarâja, taking advantage of the opportunity thus created, later carried me to his abode. There Yamarâja himself questioned me.

 

Tekst 23

'Wilt u eerst uw slechte daden ondergaan, o Koning, of liever uw goede daden; daar ik het einde niet kan zien van de glanzende wereld van wat u religieus in liefdadigheid wegschonk.'

[Yamarâja said:] My dear King, do you wish to experience the results of your sins first, or those of your piety? Indeed, I see no end to the dutiful charity you have performed, or to your consequent enjoyment in the radiant heavenly planets.

 

Tekst 24

Ik zei alzo: 'Ik zal eerst mijn slechte daden onder ogen zien, o Godheid', en zo zei hij: 'Val dan!' en terwijl ik viel, o Meester, zag ik mezelf als een kameleon!

I replied, "First, my lord, let me suffer my sinful reactions," and Yamarâja said, "Then fall!" "At once I fell, and while falling I saw myself becoming a lizard, O master.

 

Tekst 25

Als Uw dienaar vrijgevig jegens de brahmanen, o Kes'ava, heeft me zelfs de dag van vandaag niet de herinnering verlaten aan de aanwezigheid van U die ik verloor en waar ik naar uitzie [zie ook 5.8: 28].

O Kes'ava, as Your servant I was devoted to the brâhmanas and generous to them, and I always hankered for Your audience. Therefore even till now I have never forgotten [my past life].

 

 Tekst 26

Hoe, o Almachtige, kan U in eigen persoon voor mij zichtbaar zijn; U, de Opperziel die bemediteerd door de meesters van de yoga zichtbaar bent voor het oog van een zuiver hart - hoe, o Adhoks'aja, kan het mij, wiens intelligentie was verblind door ernstige moeilijkheden, zijn toegestaan om te aanschouwen wat er is voor hen wiens materiële leven alhier is afgerond?

O almighty one, how is it that my eyes see You here before me? You are the Supreme Soul, whom the greatest masters of mystic yoga can meditate upon within their pure hearts only by employing the spiritual eye of the Vedas. Then how, O transcendental Lord, are You directly visible to me, since my intelligence has been blinded by the severe tribulations of material life? Only one who has finished his material entanglement in this world should be able to see You.

 

Tekst 27-28

O, God der Goden, Meester van het Universum, Heer der Koeien, Allerhoogste Persoonlijkheid; o Pad Uitgestippeld voor de Mens, Meester der Zinnen, Genade van de Verzen, Onfeilbaar en Niet-afnemend, alstUblieft sta het me toe te vertrekken, o Krishna, naar de wereld der goden, o Meester; moge waar ik me dan ook bevind mijn bewustzijn van de beschutting van Uw voeten zijn!

O Devadeva, Jagannâtha, Govinda, Purushottama, Nârâyana, Hrishîkes'a, Punyas'loka, Acyuta, Avyaya! O Krishna, please permit me to depart for the world of the demigods. Wherever I live, O master, may my mind always take shelter of Your feet.

  

Tekst 29

Mijn eerbetuigingen aan U, de Oorsprong van Alle Wezens, het Absolute van de Waarheid en de Eigenaar van Onbegrensde Vermogens; ik biedt het Spirituele Plezier van Zijn Aantrekking, Krishna [*], de zoon van Vasudeva, de Heer van alle vormen van yoga [alle vormen van het zich verenigen in het bewustzijn], mijn respect.'

I offer my repeated obeisances unto You, Krishna, the son of Vasudeva. You are the source of all beings, the Supreme Absolute Truth, the possessor of unlimited potencies, the master of all spiritual disciplines.

 

 Tekst 30

Nadat hij aldus had gesproken en hem omlopen had kreeg hij, Zijn voeten met zijn kroon beroerend, toestemming te vertrekken en klom hij, voor ogen van alle mensen, aan boord van een hoogst uitnemende hemelwagen.

Having spoken thus, Mahârâja Nriga circumambulated Lord Krishna and touched his crown to the Lord's feet. Granted permission to depart, King Nriga then boarded a wonderful celestial airplane as all the people present looked on.

  

Tekst 31

Krishna, de Allerhoogste Heer, de zoon van Devakî, de God en de Ziel van het Dharma de brahmanen toegewijd, richtte zich tot Zijn persoonlijke metgezellen en was aldus van instructie voor de edelen in het algemeen:

The Supreme Personality of Godhead - Lord Krishna, the son of Devakî - who is especially devoted to the brâhmanas and who embodies the essence of religion, then spoke to His personal associates and thus instructed the royal class in general.

 

Tekst 32

'Als zelfs voor iemand krachtiger dan het vuur slechts het kleine beetje bezit dat genoten [gestolen of ontzegd ] van een brahmaan inderdaad onverteerbaar is; wat dan te zeggen van koningen die zich zelf inbeelden de beheersers te zijn?

[Lord Krishna said:] How indigestible is the property of a brâhmana, even when enjoyed just slightly and by one more potent than fire! What then to speak of kings who try to enjoy it, presuming themselves lords.

 

Tekst 33

De hâlâhala [die werd gekarnd met Mandâra] beschouw ik niet als vergif omdat daar een antwoord op bestaat [S'iva namelijk, zie 8.7]; wat een brahmaan toebehoort [echter] noem ik werkelijk vergif [als het eenmaal is ontvreemd] daar er voor dat in de wereld geen tegengif bestaat.

I do not consider hâlâhala to be real poison, because it has an antidote. But a brâhmana's property, when stolen, can truly be called poison, for it has no antidote in this world.

 

Tekst 34

Vergif richt degeen die het inneemt te gronde; vuur wordt uitgedoofd met water, maar het vuur dat brandt met het brandhout van de bezittingen van een brahmaan brandt iemands gemeenschap af tot op de wortel.

Poison kills only the person who ingests it, and an ordinary fire may be extinguished with water. But the fire generated from the kindling wood of a brâhmana's property burns the thief's entire family down to the root.

 

Tekst 35

Dat wat een brahmaan bezit zonder toestemming genoten vernietigt drie personen [in de geslachtslijn zie **] maar met geweld [zoals via de regering of bedrijfsbelangen] genoten [is dat waar voor de eer van de] tien voorgaande en tien volgende generaties.

If a person enjoys a brâhmana's property without receiving due permission, that property destroys three generations of his family. But if he takes it by force or gets the government or other outsiders to help him usurp it, then ten generations of his ancestors and ten generations of his descendants are all destroyed.

 

Tekst 36

Leden van de adelstand, verblind door koninklijke weelde [zie ook B.G. 1: 44] zien kinderachtig smachtend naar het eigendom van een welgezinde brahmaan niet hun eigen val in de hel aankomen [zie ook 9.8].

Members of the royal order, blinded by royal opulence, fail to foresee their own downfall. Childishly hankering to enjoy a brâhmana's property, they are actually hankering to go to hell.

 

Tekst 37-38

Zoveel stofdeeltjes als worden aangeraakt door de tranen geplengd door vrijgevige brahmanen die terwille van hun gezelschap huilen over de middelen van bestaan die ontvreemd zijn, evenzovele jaren zullen de koningen en andere leden van de koninklijke familie die zich het aandeel van de brahmaan toe-eigenen, de controle missend, worden gekookt in de hel genaamd Kumbhîpâka [5.26: 13].

For as many years as there are particles of dust touched by the tears of generous brâhmanas who have dependent families and whose property is stolen, uncontrolled kings who usurp a brâhmana's property are cooked, along with their royal families, in the hell known as Kumbhîpâka.

 

Tekst 39

Hij dan die wegsteelt wat een brahmaan toebehoort, of het nu door iemand zelf werd geschonken of door iemand anders, wordt zestigduizend jaar lang geboren als een worm in de uitwerpselen.

Whether it be his own gift or someone else's, a person who steals a brâhmana's property will take birth as a worm in feces for sixty thousand years.

 

Tekst 40

Laat de weelde van een brahmaan niet op mij afkomen; de begeerte daarnaar maakt dat mensen een kort leven is beschoren, bezorgt hen de nederlaag en berooft ze van het koninkrijk, ze veranderend in slangen die anderen moeilijkheden bezorgen.

I do not desire brâhmanas' wealth. Those who lust after it become short- lived and are defeated. They lose their kingdoms and become snakes, who trouble others.

 

Tekst 41

Beste volgelingen, koester geen vijandschap jegens een man van scholing, zelfs niet als hij gezondigd heeft; zelfs je lichamelijk keer op keer treffend en je vervloekend, behoor je hem altijd je eerbetuigingen te brengen.

My dear followers, never treat a learned brâhmana harshly, even if he has sinned. Even if he attacks you physically or repeatedly curses you, always continue to offer him obeisances.

 

Tekst 42

Zoals Ik Me altijd angstvallig verbuig voor de geschoolden, moeten jullie allen dat ook; hij die het anders doet komt er voor in aanmerking door Mij te worden gestraft.

Just us I always carefully bow down to brâhmanas, so all of you should likewise bow down to them. I will punish anyone who acts otherwise.

 

Tekst 43

Het bezit inderdaad afgepakt van een brahmaan leidt tot de ondergang van hem die ontvreemdt, zelfs onbewust gedaan, zoals we zagen gebeuren met de persoon van Nriga met de koe van de brahmaan.'

When a brâhmana's property is stolen, even unknowingly, it certainly causes the person who takes it to fall down, just as the brâhmana's cow did to Nriga.

 

Tekst 44

De Allerhoogste Heer Mukunda, de Louteraar Aller Werelden, ging na aldus de ingezetenen van Dvârakâ te hebben onderricht, Zijn paleis binnen.

Having thus instructed the residents of Dvârakâ, Lord Mukunda, purifier of all the worlds, entered His palace.

 

* In de Mahâbhârata (Udyoga-parva 71.4), wordt gezegd met betrekking tot Krishna: "Het woord 'krish' is het aspect van aantrekking van de Heer Zijn bestaan, en 'na' betekent 'geestelijk genoegen'. Als men het werkwoord 'krish' toevoegt aan 'na', wordt het krishna, wat dan de aanduiding van de Absolute Waarheid vormt."

** Overeenkomstig S'rîla S'rîdhara Svâmî, heeft tri-pûrusha, het Sanskriet woord hier gebruikt, betrekking op iemand zelf, zijn zoons en zijn kleinzoons.  

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties