regelbalk

 

Râdhâ-Krishna Bol

 

 
 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 28

 

Jñâna Yoga of de Aanduiding en het Werkelijke

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Met het zien van de wereld met haar materiële natuur en genieter als zijnde gebaseerd op één ziel, moet men niet de loftrompet steken over, noch kritiek hebben op iemands aard en handelingen. (2) Hij die de aard en handelingen van iemand anders prijst of kritiseert verliest, gevangen rakend in het niet-essentiële, snel zijn eigen belang uit het oog. (3) Als het heldere van degene die zich ophoudt in het materiële omhulsel overmand wordt door slaap is er daar de ervaring van het illusoire [van dromen] of het aan de dood gelijke van het hebben verloren van het bewustzijn; op dezelfde manier [niet zo helder] beziet een persoon de objectieve verscheidenheid. (4) Wat zou het goede of slechte zijn van deze tot de verbeelding behorende dualiteit, die, overwogen in de geest en uitgedrukt in zovele woorden, inderdaad in waarheid tekort schiet [*]. (5) Schaduwen, echo's en drogbeelden, hoewel enkel maar projecties, vormen motieven; op dezelfde manier geeft het lichaam en al de materiële begrippen erbij behorend aanleiding tot angst tot op de dag dat men sterft. (6-7) De Opperziel alleen schept het universum en is geschapen als de Heer ervan, beschermt en wordt beschermd als het Zelf van de Ganse Schepping en trekt zich terug en wordt terug getrokken als de Beheerser; dienovereenkomstig kan men zich van geen levensvorm verzekeren die los van Hem zijn bestaan heeft, en aldus kent deze drievoudige verschijning, die gevestigd binnen het Allerhoogste Zelf bestaand uit de geaardheden, geen [andere of onafhankelijke] basis; weet dat het drievoudige [van het zien, het geziene en de ziener naar respectievelijk de rajas, de tamas en de sattva] een constructie is van de illusiewekkende energie [onder de invloed van Hem in de vorm van de Tijd, zie ook B.G. 14: 19]. (8) Degene die, verankerd in de kennis vastgelegd en gerealiseerd door Mij, dit weet, verwijt of prijst niet [in het omzien naar een andere oorzaak], hij trekt door de wereld zoals de zon dat doet [zie B.G. 2: 57, 13: 13, 13: 32, 14: 22-25]. (9) Door directe ervaring, logische afleiding, schriftuurlijke waarheid en door je zelfverwerkelijking er weet van hebben dat het niet-essentiële een begin en een einde kent, behoort men vrij van gehechtheid zich alhier rond te bewegen [zie ook B.G. 2: 16].'

(10) S'rî Uddhava zei: 'O Heer aan wie is dan wel de ervaring van het materiële bestaan? Ze behoort niet echt tot de ziel, de ziener die zelfbewust is, noch is ze van het lichaam, het geziene dat op zich geen ervarend zelf heeft. (11) De ziel onuitputtelijk, vrij van de geaardheden, is zuiver en staat in zijn eigen licht niet overdekt zoals een vuur, terwijl het materiële lichaam is als brandhout, zonder begrip; tot wie van hen behoort de ervaring van een materieel leven alhier?'

(12) De Opperheer zei: 'Zolang als de ziel zich aangetrokken voelt tot het lichaam, de zinnen en de levenskracht, zal het materiële bestaan - vruchtdragend als het is voor een zekere tijd - echter betekenisloos zijn, vanwege het ontbreken van onderscheidingsvermogen. (13) Ook al is de materiële substantie niet-existent [niet permanent], houdt de materiële omstandigheid [in haar elementen] niet op te bestaan en moet men, met het als in een droom overwegen van de zinsobjecten, de nadelen onder ogen zien [vergelijk 3.27: 4, 4.29: 35 & 73, 11.22: 56 en B.G. 2: 14]. (14) Dat [dromen] wat voor degene die niet wakker is in zijn slaap vele onwenselijke ervaringen biedt, geeft voor degene die ontwaakte zeker geen aanleiding tot verwarring. (15) Het weeklagen, het opgetogen zijn, de angst, vrees, begeerte, verwarring en het smachten en dergelijke, doen zich voor met het tot leven komen en afsterven van iemands identificatie met het lichaam [ahankâra] en niet met de ziel [die geen geboorte neemt of sterft, zie 11.22: 12, 11.23: 50-56, 11.25: 30]. (16) Hoogmoedig zich ophoudend in het zelf van het materiële lichaam, de zinnen, de levensadem en de geest, neemt het levende wezen zijn vorm aan naar gelang de guna's en het karma en wordt hij, zich verhoudend tot de leidraad van de grotere natuur, verschillend omschreven met zijn rondgang in de materiële oceaan onder het gestrenge regime van de Tijd. (17) Dit zonder een [andere] basis in vele vormen, naar de geest, de spraak, de levenskracht, het grofstoffelijk lichaam en de baatzuchtige arbeid vertegenwoordigd zijn, zal, met het zwaard van bovenzinnelijke kennis dat werd gewet in aanbidding, worden afgekapt door een nuchtere wijze die vrij van verlangens over de aarde rondtrekt. (18) Spirituele kennis [voert met zich mee] het onderscheiden [van geest en stof], de Schrift en de boetedoening; de directe ervaring, de historische verslagen en de daaruit volgende logica; en dat wat er inderdaad alleen is van het begin tot het einde van dit [scheppingsgebeuren] en wat het zelfde is in het midden als de Tijd en de Uiteindelijke Oorzaak [van brahman, de Absolute Waarheid, zie ook B.G. 10: 30, 33, 11: 32 en kâla]. (19) Net als goud, dat voordat het werd gewrocht, halverwege werd gebruikt, en daarna bestaand, enkel maar dat is voor alles wat van goud is, heb Ik op dezelfde manier Mijn bestaan in de verschillende aanduidingen van dit [geschapene]. (20) Deze geest van gecondenseerde kennis in zijn drie condities [van waken, slapen en onbewuste slaap], is Mijn beste, zich manifesterend met de geaardheden als het veroorzaken [van rajas], het veroorzaakte [van tamas] en de veroorzaker [van sattva, vergelijk 11.22: 30], de vierde factor die afzonderlijk bestaand de enkelvoudige waarheid is voor ieder van hen. (21) Dat wat er voorheen niet was noch er nadien is, was er halverwege ook niet anders dan als een aanduiding; wat er ook geschapen is en door iets anders kenbaar gemaakt werd, is feitelijk enkel dat andere iets; dat is hoe Ik erover denk. (22) De geestelijke werkelijkheid van God zoals die is gevestigd in zijn eigen licht openbaart de Absolute Waarheid als de verscheidenheid aan zinnen, hun voorwerpen, de geest en de transformaties, en om die reden straalt deze schepping naar voren, die door de geaardheid rajas onderhevig is aan verandering, hoewel die er niet werkelijk is [zie ook siddhânta]. (23) Op deze manier door de logica van het onderscheid duidelijk over het Absolute van de Spirituele Waarheid behoort men, bedreven door te weerleggen wat de plank misslaat, de twijfel omtrent het zelf onderuit te halen en men bevredigd in zijn eigen geestelijke geluk af te zien van alle lustmatige [ongereguleerde] zaken [zie B.G. 3: 34]. (24) Het lichaam uit de aarde gevormd is niet het ware zelf, noch zijn dat de zinnen, hun goden of de levensadem; de buitenlucht, het water, het vuur of de geest enkel maar uit op voedsel; noch zijn dat de intelligentie, het materiële bewustzijn, het ik dat zichzelf de doener acht, de ether, de aarde, materiële zaken of de oorspronkelijke staat van evenwicht. (25) Wat nu is de verdienste van hem die volkomen is in het concentreren van zijn zinnen - die in de grond tot de guna's behoren - en die zich ten juiste heeft verzekerd van Mijn persoonlijke identiteit; en wat voor verwijt zou er anderzijds zijn voor een geest die afgeleid is? Wat zeg je van de zon waarvoor zich de wolken schoven of ze uiteendreven? (26) Net zoals de hemel niet in verlegenheid is door de komende en gaande kwaliteiten van de seizoenen of de kwaliteiten van de lucht, het vuur, het water en de aarde, staat evenzo de Aldoordringende boven de beïnvloedingen door de geaardheden van sattva, rajas en tamas, de noties van het ego of de oorzaken van het doorlopen van opeenvolgende staten [zie ook 1.3: 36, 3.27: 1, B.G. 7: 13]. (27) Niettemin moet onderwijl de gehechtheid in de kwaliteiten die ontsprongen aan de begoochelende energie worden geschuwd, totdat door Mijn bhakti-yoga ferm [op een andere manier gehecht zijnde, zie B.G. 7: 1], het vuil van de geest der hartstocht is verdreven [zie B.G. 14 en **]. (28) Op dezelfde manier als een ziekte, onvolkomen behandeld, zich met regelmaat opwerpend de mens ellende bezorgt, zal de geest die niet gezuiverd is van zijn karmische besmetting de onvolgroeide yogî kwellen die [nog steeds] van allerhande gehechtheden is. (29) Die onvolgroeide yogî's die zich laten leiden door beperkingen in de vorm van menselijke wezens [familieleden, volgelingen etc., zie o.a. s'iks'âshthaka-4] hen gestuurd door de dertig goden [zie tridas'a] zullen, bij machte van hun vasthoudendheid in hun voorgaande leven nog een keer overgaan tot de yogapraktijk, maar nimmer weer in de ban raken van baatzuchtige arbeid [zie ook 11.18: 14, B.G. 6: 41-42]. (30) Het normale levende wezen, door baatzuchtige arbeid in beroering verkerend, verkeert voortgedreven door deze of gene kracht in die staat tot op het punt van de dood, terwijl hij die intelligent is, hoewel zich bevindend in de materiële positie, niet zo [wankelmoedig] is, met het opgegeven hebben van materieel verlangen bij de ervaring van zijn eigen geluk. (31) Hij wiens bewustzijn is verankerd in het ware zelf staat er niet bij stil of hij nu staat, zit, loopt of neerligt; urineert, voedsel tot zich neemt of wat nog meer doet dat voortkomt uit zijn geconditioneerde aard. (32) Hij die van verstand is houdt niets anders voor essentieel; wanneer hij ook maar de niet werkelijk [onafhankelijk] bestaande dingen van de zintuigen ziet, weerlegt hij dat afzonderlijke door logisch redeneren, zodat ze zijn als in een droom die verdwijnt nadat men ontwaakte. (33) De veelvormigheid der onwetendheid, met de activiteit der geaardheden voor identiek gehouden aan de ziel die er altijd al was, Mijn beste, vindt weer zijn einde door enkel de overweging; de ziel daarentegen wordt nimmer aangenomen of achtergelaten. (34) Zoals zich dat daadwerkelijk voordoet met de zon die opkomt, wordt de duisternis van het menselijk oog weggenomen - maar dat [opkomen] vormt nog niet dat wat bestaat; zo ook vernietigt schrander onderzoek van het ware van Mij de duisternis in de intelligentie van een persoon [maar schept niet de ziel]. (35) Deze zelfverlichte, ongeboren, onmetelijke Grootheid van Verstaan die zich van alles bewust is, is de Ene Zonder Zijns Gelijke waar woorden hun besluit vinden, en door Wie voortgedreven de spraak en de ademtochten zich bewegen. (36) Welk idee van dualiteit dat het zelf er ook op na mag houden is wat de unieke ziel betreft enkel maar een hersenschim, daar het voorwaar geen basis kent buiten dat eigenlijke zelf om [vergelijk 7.13: 7]. (37) De dualistische, fantasierijke interpretatie [in termen van goed en kwaad, zie ook 11.21: 16] door de zogenaamde geleerden van deze, in namen en vormen waarneembare, dualiteit welke onmiskenbaar bestaat uit de vijf elementen, is geheel en al ijdel [zie ook 5.6: 11].

(38) Het lichaam van de yogî die onervaren tracht over te gaan tot de yogapraktijk, kan ten prooi vallen aan de verstoringen die zich voordoen; in dat verband is het volgende de voorgeschreven gedragswijze: (39) Sommige verstoringen kunnen worden overwonnen door meditatiehoudingen [âsana's] in combinatie met concentratie [dhârana], boetedoening [tapas ***], mantra's en geneeskrachtige kruiden. (40) Sommige van de ongunstige omstandigheden kan men stap voor stap te boven komen door voortdurend aan Mij te denken [Vishnu-smarana] middels het hooghouden van Mijn namen en dergelijke [japa, sankîrtana] en door te treden in het voetspoor van de meesters van de yoga [zie ook B.G. 6: 25]. (41) Enkelen [enkele yogî's] die met verschillende methoden verankerd in het jeugdige dit zelfbeheerste materiële lichaam geschikt maken gaan aldus te werk terwille van mystieke volmaaktheden [siddhi's]. (42) Door hen die onderlegd zijn wordt dat niet hoog gehouden, er zeker van dat dat ondernemen nogal zinloos is, omdat het lichaam, als de vrucht van een boom, vergankelijk is [zie ook 11.15: 33]. (43) De verstandige persoon die inziet hoe iemand die regelmatig de yoga beoefenend de geschiktheid verwerft, hecht, in toewijding tot Mij het in de yoga opgevend [met welk nevenmotief ook], daar geen [overwegend] geloof aan [*4]. (44) De yogî die dit proces van de yoga volgt wordt, vrij van hunkering met het zich op Mij beroepen, niet tegengehouden door obstakels en ervaart zijn eigen [ziels-]geluk.

 

 next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Jñâna Yoga

 

Tekst 1:

De Allerhoogste Heer zei: 'Met het zien van de wereld met haar materiële natuur en genieter als zijnde gebaseerd op één ziel, moet men niet de loftrompet steken over, noch kritiek hebben op iemands aard en handelingen.

The Supreme Personality of Godhead said - One should neither praise nor criticize the conditioned nature and activities of other persons. Rather, one should see this world as simply the combination of material nature and the enjoying souls, all based on the one Absolute Truth.

  

Tekst 2

Hij die de aard en handelingen van iemand anders prijst of kritiseert verliest, gevangen rakend in het niet-essentiële, snel zijn eigen belang uit het oog.

Whoever indulges in praising or criticizing the qualities and behavior of others will quickly become deviated from his own best interest by his entanglement in illusory dualities.

  

 Tekst 3

Als het heldere van degene die zich ophoudt in het materiële omhulsel overmand wordt door slaap is er daar de ervaring van het illusoire [van dromen] of het aan de dood gelijke van het hebben verloren van het bewustzijn; op dezelfde manier [niet zo helder] beziet een persoon de objectieve verscheidenheid.

Just as the embodied spirit soul loses external consciousness when his senses are overcome by the illusion of dreaming or the deathlike state of deep sleep, so a person experiencing material duality must encounter illusion and death.

 

 Tekst 4

Wat zou het goede of slechte zijn van deze tot de verbeelding behorende dualiteit, die, overwogen in de geest en uitgedrukt in zovele woorden, inderdaad in waarheid tekort schiet [*].

That which is expressed by material words or meditated upon by the material mind is not ultimate truth. What, therefore, is actually good or bad within this insubstantial world of duality, and how can the extent of such good and bad be measured?

 

Tekst 5

Schaduwen, echo's en drogbeelden, hoewel enkel maar projecties, vormen motieven; op dezelfde manier geeft het lichaam en al de materiële begrippen erbij behorend aanleiding tot angst tot op de dag dat men sterft.

Although shadows, echoes and mirages are only illusory reflections of real things, such reflections do cause a semblance of meaningful or comprehensible perception. In the same way, although the identification of the conditioned soul with the material body, mind and ego is illusory, this identification generates fear within him even up to the moment of death.

 

Tekst 6-7

De Opperziel alleen schept het universum en is geschapen als de Heer ervan, beschermt en wordt beschermd als het Zelf van de Ganse Schepping en trekt zich terug en wordt terug getrokken als de Beheerser; dienovereenkomstig kan men zich van geen levensvorm verzekeren die los van Hem zijn bestaan heeft, en aldus kent deze drievoudige verschijning, die gevestigd binnen het Allerhoogste Zelf bestaand uit de geaardheden, geen [andere of onafhankelijke] basis; weet dat het drievoudige [van het zien, het geziene en de ziener naar respectievelijk de rajas, de tamas en de sattva] een constructie is van de illusiewekkende energie [onder de invloed van Hem in de vorm van de Tijd, zie ook B.G. 14: 19].

The Supersoul alone is the ultimate controller and creator of this world, and thus He alone is also the created. Similarly, the Soul of all existence Himself both maintains and is maintained, withdraws and is withdrawn. No other entity can be properly ascertained as separate from Him, the Supreme Soul, who nonetheless is distinct from everything and everyone else. The appearance of the threefold material nature, which is perceived within Him, has no actual basis. Rather, you should understand that this material nature, composed of the three modes, is simply the product of His illusory potency.

 

Tekst 8

Degene die, verankerd in de kennis vastgelegd en gerealiseerd door Mij, dit weet, verwijt of prijst niet [in het omzien naar een andere oorzaak], hij trekt door de wereld zoals de zon dat doet [zie B.G. 2: 57, 13: 13, 13: 32, 14: 22-25].

One who has properly understood the process of becoming firmly fixed in theoretical and realized knowledge, as described herein by Me, does not indulge in material criticism or praise. Like the sun, he wanders freely throughout this world.

 

 Tekst 9

Door directe ervaring, logische afleiding, schriftuurlijke waarheid en door je zelfverwerkelijking er weet van hebben dat het niet-essentiële een begin en een einde kent, behoort men vrij van gehechtheid zich alhier rond te bewegen [zie ook B.G. 2: 16].'

By direct perception, logical deduction, scriptural testimony and personal realization, one should know that this world has a beginning and an end and so is not the ultimate reality. Thus one should live in this world without attachment.

 

Tekst 10

S'rî Uddhava zei: 'O Heer aan wie is dan wel de ervaring van het materiële bestaan? Ze behoort niet echt tot de ziel, de ziener die zelfbewust is, noch is ze van het lichaam, het geziene dat op zich geen ervarend zelf heeft.

S'rî Uddhava said - My dear Lord, it is not possible for this material existence to be the experience of either the soul, who is the seer, or of the body, which is the seen object. On the one hand, the spirit soul is innately endowed with perfect knowledge, and on the other hand, the material body is not a conscious, living entity. To whom, then, does this experience of material existence pertain?

 

 Tekst 11

De ziel onuitputtelijk, vrij van de geaardheden, is zuiver en staat in zijn eigen licht niet overdekt zoals een vuur, terwijl het materiële lichaam is als brandhout, zonder begrip; tot wie van hen behoort de ervaring van een materieel leven alhier?'

The spirit soul is inexhaustible, transcendental, pure, self-luminous and never covered by anything material. It is like fire. But the nonliving material body, like firewood, is dull and unaware. So in this world, who is it that actually undergoes the experience of material life?

 

Tekst 12

De Opperheer zei: 'Zolang als de ziel zich aangetrokken voelt tot het lichaam, de zinnen en de levenskracht, zal het materiële bestaan - vruchtdragend als het is voor een zekere tijd - echter betekenisloos zijn, vanwege het ontbreken van onderscheidingsvermogen.

The Supreme Personality of Godhead said - As long as the foolish spirit soul remains attracted to the material body, senses and vital force, his material existence continues to flourish, although it is ultimately meaningless.

 

Tekst 13

Ook al is de materiële substantie niet-existent [niet permanent], houdt de materiële omstandigheid [in haar elementen] niet op te bestaan en moet men, met het als in een droom overwegen van de zinsobjecten, de nadelen onder ogen zien [vergelijk 3.27: 4, 4.29: 35 & 73, 11.22: 56 en B.G. 2: 14].

Actually, the living entity is transcendental to material existence. But because of his mentality of lording it over material nature, his material existential condition does not cease, and, just as in a dream, he is affected by all sorts of disadvantages.

  

Tekst 14

Dat [dromen] wat voor degene die niet wakker is in zijn slaap vele onwenselijke ervaringen biedt, geeft voor degene die ontwaakte zeker geen aanleiding tot verwarring.

Although while dreaming a person experiences many undesirable things, upon awakening he is no longer confused by the dream experiences.

 

Tekst 15

Het weeklagen, het opgetogen zijn, de angst, vrees, begeerte, verwarring en het smachten en dergelijke, doen zich voor met het tot leven komen en afsterven van iemands identificatie met het lichaam [ahankâra] en niet met de ziel [die geen geboorte neemt of sterft, zie 11.22: 12, 11.23: 50-56, 11.25: 30].

Lamentation, elation, fear, anger, greed, confusion and hankering, as well as birth and death, are experiences of the false ego and not of the pure soul.

 

 Tekst 16

Hoogmoedig zich ophoudend in het zelf van het materiële lichaam, de zinnen, de levensadem en de geest, neemt het levende wezen zijn vorm aan naar gelang de guna's en het karma en wordt hij, zich verhoudend tot de leidraad van de grotere natuur, verschillend omschreven met zijn rondgang in de materiële oceaan onder het gestrenge regime van de Tijd.

The living entity who falsely identifies with his body, senses, life air and mind, and who dwells within these coverings, assumes the form of his own materially conditioned qualities and work. He is designated variously in relation to the total material energy, and thus, under the strict control of supreme time, he is forced to run here and there within material existence.

  

 Tekst 17

Dit zonder een [andere] basis in vele vormen, naar de geest, de spraak, de levenskracht, het grofstoffelijk lichaam en de baatzuchtige arbeid vertegenwoordigd zijn, zal, met het zwaard van bovenzinnelijke kennis dat werd gewet in aanbidding, worden afgekapt door een nuchtere wijze die vrij van verlangens over de aarde rondtrekt.

Although the false ego has no factual basis, it is perceived in many forms - as the functions of the mind, speech, life air and bodily faculties. But with the sword of transcendental knowledge, sharpened by worship of a bona fide spiritual master, a sober sage will cut off this false identification and live in this world free from all material attachment.

 

 Tekst 18

Spirituele kennis [voert met zich mee] het onderscheiden [van geest en stof], de Schrift en de boetedoening; de directe ervaring, de historische verslagen en de daaruit volgende logica; en dat wat er inderdaad alleen is van het begin tot het einde van dit [scheppingsgebeuren] en wat het zelfde is in het midden als de Tijd en de Uiteindelijke Oorzaak [van brahman, de Absolute Waarheid, zie ook B.G. 10: 30, 33, 11: 32 en kâla].

Real spiritual knowledge is based on the discrimination of spirit from matter, and it is cultivated by scriptural evidence, austerity, direct perception, reception of the Purânas' historical narrations, and logical inference. The Absolute Truth, which alone was present before the creation of the universe and which alone will remain after its destruction, is also the time factor and the ultimate cause. Even in the middle stage of this creation's existence, the Absolute Truth alone is the actual reality.

 

Tekst 19

Net als goud, dat voordat het werd gewrocht, halverwege werd gebruikt, en daarna bestaand, enkel maar dat is voor alles wat van goud is, heb Ik op dezelfde manier Mijn bestaan in de verschillende aanduidingen van dit [geschapene].

Gold alone is present before its manufacture into gold products, the gold alone remains after the products' destruction, and the gold alone is the essential reality while it is being utilized under various designations. Similarly, I alone exist before the creation of this universe, after its destruction and during its maintenance.

 

Tekst 20

Deze geest van gecondenseerde kennis in zijn drie condities [van waken, slapen en onbewuste slaap], is Mijn beste, zich manifesterend met de geaardheden als het veroorzaken [van rajas], het veroorzaakte [van tamas] en de veroorzaker [van sattva, vergelijk 11.22: 30], de vierde factor die afzonderlijk bestaand de enkelvoudige waarheid is voor ieder van hen.

The material mind manifests in three phases of consciousness - wakefulness, sleep and deep sleep - which are products of the three modes of nature. The mind further appears in three different roles - the perceiver, the perceived and the regulator of perception. Thus the mind is manifested variously throughout these threefold designations. But it is the fourth factor, existing separately from all this, that alone constitutes the Absolute Truth.

 

 Tekst 21

Dat wat er voorheen niet was noch er nadien is, was er halverwege ook niet anders dan als een aanduiding; wat er ook geschapen is en door iets anders kenbaar gemaakt werd, is feitelijk enkel dat andere iets; dat is hoe Ik erover denk.

That which did not exist in the past and will not exist in the future also has no existence of its own for the period of its duration, but is only a superficial designation. In My opinion, whatever is created and revealed by something else is ultimately only that other thing.

 

 Tekst 22

De geestelijke werkelijkheid van God zoals die is gevestigd in zijn eigen licht openbaart de Absolute Waarheid als de verscheidenheid aan zinnen, hun voorwerpen, de geest en de transformaties, en om die reden straalt deze schepping naar voren, die door de geaardheid rajas onderhevig is aan verandering, hoewel die er niet werkelijk is [zie ook siddhânta].

Although thus not existing in reality, this manifestation of transformations created from the mode of passion appears real because the self-manifested, self-luminous Absolute Truth exhibits Himself in the form of the material variety of the senses, the sense objects, the mind and the elements of physical nature.

  

Tekst 23

Op deze manier door de logica van het onderscheid duidelijk over het Absolute van de Spirituele Waarheid behoort men, bedreven door te weerleggen wat de plank misslaat, de twijfel omtrent het zelf onderuit te halen en men bevredigd in zijn eigen geestelijke geluk af te zien van alle lustmatige [ongereguleerde] zaken [zie B.G. 3: 34].

Thus clearly understanding by discriminating logic the unique position of the Absolute Truth, one should expertly refute one's misidentification with matter and cut to pieces all doubts about the identity of the self. Becoming satisfied in the soul's natural ecstasy, one should desist from all lusty engagements of the material senses.

 

Tekst 24

Het lichaam uit de aarde gevormd is niet het ware zelf, noch zijn dat de zinnen, hun goden of de levensadem; de buitenlucht, het water, het vuur of de geest enkel maar uit op voedsel; noch zijn dat de intelligentie, het materiële bewustzijn, het ik dat zichzelf de doener acht, de ether, de aarde, materiële zaken of de oorspronkelijke staat van evenwicht.

The material body made of earth is not the true self; nor are the senses, their presiding demigods or the air of life; nor is the external air, water or fire or one's mind. All these are simply matter. Similarly, neither one's intelligence, material consciousness nor ego, nor the elements of ether or earth, nor the objects of sense perception, nor even the primeval state of material equilibrium can be considered the actual identity of the soul.

 

Tekst 25

Wat nu is de verdienste van hem die volkomen is in het concentreren van zijn zinnen - die in de grond tot de guna's behoren - en die zich ten juiste heeft verzekerd van Mijn persoonlijke identiteit; en wat voor verwijt zou er anderzijds zijn voor een geest die afgeleid is? Wat zeg je van de zon waarvoor zich de wolken schoven of ze uiteendreven?

For one who has properly realized My personal identity as the Supreme Godhead, what credit is there if his senses - mere products of the material modes - are perfectly concentrated in meditation? And on the other hand, what blame is incurred if his senses happen to become agitated? Indeed, what does it mean to the sun if the clouds come and go?

  

Tekst 26

Net zoals de hemel niet in verlegenheid is door de komende en gaande kwaliteiten van de seizoenen of de kwaliteiten van de lucht, het vuur, het water en de aarde, staat evenzo de Aldoordringende boven de beïnvloedingen door de geaardheden van sattva, rajas en tamas, de noties van het ego of de oorzaken van het doorlopen van opeenvolgende staten [zie ook 1.3: 36, 3.27: 1, B.G. 7: 13].

The sky may display the various qualities of the air, fire, water and earth that pass through it, as well as such qualities as heat and cold, which continually come and go with the seasons. Yet the sky is never entangled with any of these qualities. Similarly, the Supreme Absolute Truth is never entangled with the contaminations of goodness, passion and ignorance, which cause the material transformations of the false ego.

 

Tekst 27

Niettemin moet onderwijl de gehechtheid in de kwaliteiten die ontsprongen aan de begoochelende energie worden geschuwd, totdat door Mijn bhakti-yoga ferm [op een andere manier gehecht zijnde, zie B.G. 7: 1], het vuil van de geest der hartstocht is verdreven [zie B.G. 14 en **].

Nevertheless, until by firmly practicing devotional service to Me one has completely eliminated from his mind all contamination of material passion, one must very carefully avoid associating with the material modes, which are produced by My illusory energy.

 

Tekst 28

Op dezelfde manier als een ziekte, onvolkomen behandeld, zich met regelmaat opwerpend de mens ellende bezorgt, zal de geest die niet gezuiverd is van zijn karmische besmetting de onvolgroeide yogî kwellen die [nog steeds] van allerhande gehechtheden is.

Just as an improperly treated disease recurs and gives repeated distress to the patient, the mind that is not completely purified of its perverted tendencies will remain attached to material things and repeatedly torment the imperfect yogî.

 

Tekst 29

Die onvolgroeide yogî's die zich laten leiden door beperkingen in de vorm van menselijke wezens [familieleden, volgelingen etc., zie o.a. s'iks'âshthaka-4] hen gestuurd door de dertig goden [zie tridas'a] zullen, bij machte van hun vasthoudendheid in hun voorgaande leven nog een keer overgaan tot de yogapraktijk, maar nimmer weer in de ban raken van baatzuchtige arbeid [zie ook 11.18: 14, B.G. 6: 41-42].

Sometimes the progress of imperfect transcendentalists is checked by attachment to family members, disciples or others, who are sent by envious demigods for that purpose. But on the strength of their accumulated advancement, such imperfect transcendentalists will resume their practice of yoga in the next life. They will never again be trapped in the network of fruitive work.

 

Tekst 30

Het normale levende wezen, door baatzuchtige arbeid in beroering verkerend, verkeert voortgedreven door deze of gene kracht in die staat tot op het punt van de dood, terwijl hij die intelligent is, hoewel zich bevindend in de materiële positie, niet zo [wankelmoedig] is, met het opgegeven hebben van materieel verlangen bij de ervaring van zijn eigen geluk.

An ordinary living entity performs material work and is transformed by the reaction to such work. Thus he is driven by various desires to continue working fruitively up to the very moment of his death. A wise person, however, having experienced his own constitutional bliss, gives up all material desires and does not engage in fruitive work.

 

Tekst 31

Hij wiens bewustzijn is verankerd in het ware zelf staat er niet bij stil of hij nu staat, zit, loopt of neerligt; urineert, voedsel tot zich neemt of wat nog meer doet dat voortkomt uit zijn geconditioneerde aard.

The wise man, whose consciousness is fixed in the self, does not even notice his own bodily activities. While standing, sitting, walking, lying down, urinating, eating or performing other bodily functions, he understands that the body is acting according to its own nature.

 

Tekst 32

Hij die van verstand is houdt niets anders voor essentieel; wanneer hij ook maar de niet werkelijk [onafhankelijk] bestaande dingen van de zintuigen ziet, weerlegt hij dat afzonderlijke door logisch redeneren, zodat ze zijn als in een droom die verdwijnt nadat men ontwaakte.

Although a self-realized soul may sometimes see an impure object or activity, he does not accept it as real. By logically understanding impure sense objects to be based on illusory material duality, the intelligent person sees them to be contrary to and distinct from reality, in the same way that a man awakening from sleep views his fading dream.

 

Tekst 33

De veelvormigheid der onwetendheid, met de activiteit der geaardheden voor identiek gehouden aan de ziel die er altijd al was, Mijn beste, vindt weer zijn einde door enkel de overweging; de ziel daarentegen wordt nimmer aangenomen of achtergelaten.

Material nescience, which expands into many varieties by the activities of the modes of nature, is wrongly accepted by the conditioned soul to be identical with the self. But through the cultivation of spiritual knowledge, My dear Uddhava, this same nescience fades away at the time of liberation. The eternal self, on the other hand, is never assumed and never abandoned.

  

Tekst 34

Zoals zich dat daadwerkelijk voordoet met de zon die opkomt, wordt de duisternis van het menselijk oog weggenomen - maar dat [opkomen] vormt nog niet dat wat bestaat; zo ook vernietigt schrander onderzoek van het ware van Mij de duisternis in de intelligentie van een persoon [maar schept niet de ziel].

When the sun rises it destroys the darkness covering men's eyes, but it does not create the objects they then see before them, which in fact were existing all along. Similarly, potent and factual realization of Me will destroy the darkness covering a person's true consciousness.

 

Tekst 35

Deze zelfverlichte, ongeboren, onmetelijke Grootheid van Verstaan die zich van alles bewust is, is de Ene Zonder Zijns Gelijke waar woorden hun besluit vinden, en door Wie voortgedreven de spraak en de ademtochten zich bewegen.

The Supreme Lord is self-luminous, unborn and immeasurable. He is pure transcendental consciousness and perceives everything. One without a second, He is realized only after ordinary words cease. By Him the power of speech and the life airs are set into motion.

 

Tekst 36

Welk idee van dualiteit dat het zelf er ook op na mag houden is wat de unieke ziel betreft enkel maar een hersenschim, daar het voorwaar geen basis kent buiten dat eigenlijke zelf om [vergelijk 7.13: 7].

Whatever apparent duality is perceived in the self is simply the confusion of the mind. Indeed, such supposed duality has no basis to rest upon apart from one's own soul.

 

Tekst 37

De dualistische, fantasierijke interpretatie [in termen van goed en kwaad, zie ook 11.21: 16] door de zogenaamde geleerden van deze, in namen en vormen waarneembare, dualiteit welke onmiskenbaar bestaat uit de vijf elementen, is geheel en al ijdel [zie ook 5.6: 11].

The duality of the five material elements is perceived only in terms of names and forms. Those who say this duality is real are pseudoscholars vainly proposing fanciful theories without basis in fact.

 

Tekst 38

Het lichaam van de yogî die onervaren tracht over te gaan tot de yogapraktijk, kan ten prooi vallen aan de verstoringen die zich voordoen; in dat verband is het volgende de voorgeschreven gedragswijze:

The physical body of the endeavoring yogî who is not yet mature in his practice may sometimes be overcome by various disturbances. Therefore the following process is recommended.

 

Tekst 39

Sommige verstoringen kunnen worden overwonnen door meditatiehoudingen [âsana's] in combinatie met concentratie [dhârana], boetedoening [tapas ***], mantra's en geneeskrachtige kruiden.

Some of these obstructions may be counteracted by yogic meditation or by sitting postures, practiced together with concentration on controlled breathing, and others may be counteracted by special austerities, mantras or medicinal herbs.

 

Tekst 40

Sommige van de ongunstige omstandigheden kan men stap voor stap te boven komen door voortdurend aan Mij te denken [Vishnu-smarana] middels het hooghouden van Mijn namen en dergelijke [japa, sankîrtana] en door te treden in het voetspoor van de meesters van de yoga [zie ook B.G. 6: 25].

These inauspicious disturbances can be gradually removed by constant remembrance of Me, by congregational hearing and chanting of My holy names, or by following in the footsteps of the great masters of yoga.

 

Tekst 41

Enkelen [enkele yogî's] die met verschillende methoden verankerd in het jeugdige dit zelfbeheerste materiële lichaam geschikt maken gaan aldus te werk terwille van mystieke volmaaktheden [siddhi's].

By various methods, some yogîs free the body from disease and old age and keep it perpetually youthful. Thus they engage in yoga for the purpose of achieving material mystic perfections.

 

Tekst 42

Door hen die onderlegd zijn wordt dat niet hoog gehouden, er zeker van dat dat ondernemen nogal zinloos is, omdat het lichaam, als de vrucht van een boom, vergankelijk is [zie ook 11.15: 33].

This mystic bodily perfection is not valued very highly by those expert in transcendental knowledge. Indeed, they consider endeavor for such perfection useless, since the soul, like a tree, is permanent, but the body, like a tree's fruit, is subject to destruction.

 

Tekst 43

De verstandige persoon die inziet hoe iemand die regelmatig de yoga beoefenend de geschiktheid verwerft, hecht, in toewijding tot Mij het in de yoga opgevend [met welk nevenmotief ook], daar geen [overwegend] geloof aan [*4].

Although the physical body may be improved by various processes of yoga, an intelligent person who has dedicated his life to Me does not place his faith in the prospect of perfecting his physical body through yoga, and in fact he gives up such procedures.

 

Tekst 44

De yogî die dit proces van de yoga volgt wordt, vrij van hunkering met het zich op Mij beroepen, niet tegengehouden door obstakels en ervaart zijn eigen [ziels-]geluk.

The yogî who has taken shelter of Me remains free from hankering because he experiences the happiness of the soul within. Thus while executing this process of yoga, he is never defeated by obstacles.

 

*: In tegenstelling tot populaire inzichten dat het medium de booschap zou zijn, wordt hier duidelijk gesteld dat het medium dus niet de boodschap is. De woorden en de ideeën, en ook de z.g. vaste vorm der dingen, zijn allen vals in verhouding tot de oorspronkelijke waarheid, het bericht, de essentie. Dat wat uitgedrukt wordt is de essentie, niet de uitdrukking zelve. Zo is het ene levende wezen van de persoon en de levende materiële natuur met haar Tijd als het mannelijk aspect de essentie, en zijn alle ideeën, gefixeerde dingen ervan en woorden erover in feite vals. Aldus hebben we de paradox van de in zichzelf valse uitdrukking in dingen, woorden en ideeën, deze zin voor u als lezer b.v., van wat op zich waar is als de heelheid van het leven. Zo zijn er dan beelden van Krishna die worden vereerd met de waarschuwing ze beslist niet als materieel te mogen zien. Aldus zijn kritiek en lof, goed en kwaad, noties die de plank misslaan van wat objectief de waardevrije werkelijkheid is van brahman, de Absolute Waarheid van de werkelijkheid die van binnen zowel als van buiten vrij is van illusie. Of zoals men dat heden ten dage zegt: wetenschap is waardevrij.

**: De strekking van dit vers is dat, ookal is de materiële natuur, als Zijn gigantische virât-rûpa gedaante, niet verschillend van de Opperheer (zoals uitvoerig beschreven in dit en andere hoofdstukken), degene die het materiële verlangen nog moet overwinnen niet kunstmatig zijn heil moet zoeken in materiële zaken, met de verklaring dat ze toch niet van de Heer zouden verschillen [zie p.p. 11.28: 27].

***: Met betrekking tot boete zij de beginner eraan herinnerd dat vrijwillige boete, vrijwillig lijden en afzien, beter is dan opgelegde boete in de vorm van een ziekte, vervolging door de wet, nood lijden en calamiteiten e.d. Zoals het is met de Joden in Exodus die er klaar voor waren om Egypte te verlaten moet men klaar staan voor de komst van de Heer [zie ook 11.17: 42 en B.G. 2: 40, 12: 16].

*4: Men zij er hier aan herinnerd dat types als Râvana en Hiranyakas'ipu eveneens aan yoga deden en de geschiktheid verwierven; het verwerven van perfecties op die manier kan even zo goed een demonisch iets zijn en vormt dus geen geloofsartikel zoals dat hier wordt gesteld. Het gaat meer om het motief dat de yogî de Heer bereikt. Beheersing en orde is een schone zaak om te realiseren, maar zonder de Heer is het evenzogoed een zaak van de duivel.

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties