De
Allerhoogste Heer zei: 'Als men inziet dat de wereld, deze
combinatie van materie en persoon, is gebaseerd op
één en dezelfde werkelijkheid, moet men ervan
afzien de aard en handelwijze van iemand anders te prijzen of
te kritiseren.
De
Allerhoogste Heer zei: 'Met het zien van de wereld met haar
materiële natuur en genieter als zijnde gebaseerd op
één ziel, moet men niet de loftrompet steken
over, noch kritiek hebben op iemands aard en handelingen.
(Vedabase)
Tekst
2
Hij die de aard
en handelingen van iemand anders prijst of kritiseert verliest
snel de greep op dat wat voor hemzelf van belang is omdat hij
verstrikt raakt in een zelfgeschapen
werkelijkheid.
Hij
die de aard en het optreden van iemand anders prijst of
kritiseert verliest, gevangen rakend in het
niet-essentiële, snel zijn eigen belang uit het oog.
(Vedabase)
Tekst
3
Iemand die zich
bewust is van de objectieve verscheidenheid is [zich net zo
min bewust van de ene werkelijkheid] als een ziel van wie
de zinnen overweldigd door de slaap in het fysieke omhulsel het
illusoire ervaren van een droom of het doodse van een toestand
van bewusteloosheid.
Als
het heldere van degene die zich ophoudt in het
materiële omhulsel overmand wordt door slaap is er daar
de ervaring van het illusoire [van dromen] of het
aan de dood gelijke van het hebben verloren van het
bewustzijn; op dezelfde manier [niet zo helder]
beziet een persoon de objectieve verscheidenheid.
(Vedabase)
Tekst
4
Hoe kan men nu
goed van kwaad onderscheiden met deze tot de verbeelding
behorende materiële dualiteit? Als we die overwegen in de
geest en uitdrukken in woorden schieten we tekort in waarheid
[*].
Wat
zou het goede of slechte zijn van deze tot de verbeelding
behorende dualiteit, die, overwogen in de geest en
uitgedrukt in zovele woorden, inderdaad in waarheid tekort
schiet. (Vedabase)
Tekst
5
Schaduwen,
echo's en drogbeelden, hoewel enkel maar projecties, geven
aanleiding tot motieven [in de mens]; op dezelfde
manier geeft het lichaam en al het materiële begrip dat
erbij hoort aanleiding tot angst tot op de dag dat men
sterft.
Schaduwen,
echo's en drogbeelden, hoewel enkel maar projecties, hoewel
enkel maar projecties, vormen motieven; op dezelfde manier
geeft het lichaam en al de materiële begrippen erbij
behorend aanleiding tot angst tot op de dag dat men sterft.
(Vedabase)
Tekst
6-7
De Opperziel
die alleen het universum schept en wordt geschapen in de vorm
van de Heer, beschermt en wordt beschermd als het Zelf van de
Ganse Schepping en trekt zich terug en wordt teruggetrokken als
de Beheerser. Zo kan men dan niet van een levensvorm spreken
die los van Hem zijn bestaan zou hebben, en zodoende bestaat er
voor de drievoudige manifestatie [van de wereld] die
als onlosmakelijk deel van het Allerhoogste Zelf bestaat uit de
geaardheden, geen [andere of van Hem onafhankelijk
bestaande] basis. Weet dat het drievoudige [van het
zien, het geziene en de ziener naar gelang respectievelijk de
rajas, de tamas en de sattva] een
voortbrengsel is van de begoochelende materiële energie
[die onder de invloed staat van Hem in de vorm van de Tijd,
zie ook B.G. 14:
19].
De
Opperziel alleen schept het universum en is geschapen als de
Heer ervan, beschermt en wordt beschermd als het Zelf van de
Ganse Schepping en trekt zich terug en wordt terug getrokken
als de Beheerser; dienovereenkomstig kan men zich van geen
levensvorm verzekeren die los van Hem zijn bestaan heeft, en
aldus kent deze drievoudige verschijning, die gevestigd
binnen het Allerhoogste Zelf bestaand uit de geaardheden,
geen [andere of onafhankelijke] basis; weet dat het
drievoudige [van het zien, het geziene en de ziener naar
respectievelijk de rajas, de tamas en de sattva] een
constructie is van de illusiewekkende energie [onder de
invloed van Hem in de vorm van de Tijd, zie ook B.G. 14:
19]. (Vedabase)
Tekst
8
Iemand die
verankerd in de kennis zoals vastgelegd en gerealiseerd door
Mij hier weet van heeft, verwijt of prijst niet [denkend
aan een andere oorzaak], hij beweegt zich zo vrij door de
wereld als de zon doet [zie B.G. 2:
57,
13:
13,
13:
32,
14:
22-25].
Degene
die, verankerd in de kennis vastgelegd en gerealiseerd door
Mij, dit weet, verwijt of prijst niet [in het omzien
naar een andere oorzaak], hij trekt door de wereld zoals
de zon dat doet [zie B.G. 2: 57, 13: 13, 13: 32, 14:
22-25]. (Vedabase)
Tekst
9
As men door
persoonlijke ervaring, logische afleiding, schriftuurlijke
waarheid en door zelfverwerkelijking er weet van heeft dat het
niet-essentiële een begin en een einde kent, behoort men
zich vrij van gehechtheid in deze wereld rond te te bewegen
[zie ook B.G. 2:
16].'
Door
directe ervaring, logische afleiding, schriftuurlijke
waarheid en door je zelfverwerkelijking er weet van hebben
dat het niet-essentiële een begin en een einde kent,
behoort men vrij van gehechtheid zich alhier rond te bewegen
[zie ook B.G. 2: 16].' (Vedabase)
Tekst
10
S'rî
Uddhava zei: 'O Heer wie is het nu precies die de ervaring
ondergaat van het [veranderlijke] materiële
bestaan? Die ervaring is niet echt eigen aan de
[onveranderlijke] ziel, de ziener die zelfbewust is,
noch is ze van het lichaam, het geziene dat [als datgene
wat zelf verandert] op zich geen ervarend zelf
heeft.
S'rî
Uddhava zei: 'O Heer aan wie is dan wel de ervaring van het
materiële bestaan? Ze behoort niet echt tot de ziel, de
ziener die zelfbewust is, noch is ze van het lichaam, het
geziene dat op zich geen ervarend zelf heeft.
(Vedabase)
Tekst
11
De
onuitputtelijke ziel, vrij van de geaardheden, is net als een
vuur zuiver, zelfverlicht en onbedekt, terwijl het
materiële lichaam is als brandhout dat van niets weet. Wie
van de twee is nu de ervaring eigen van een materieel leven in
deze wereld?'
De
ziel onuitputtelijk, vrij van de geaardheden, is zuiver en
staat in zijn eigen licht niet overdekt zoals een vuur,
terwijl het materiële lichaam is als brandhout, zonder
begrip; tot wie van hen behoort de ervaring van een
materieel leven alhier?' (Vedabase)
Tekst
12
De Opperheer
zei: 'Zolang de ziel zich aangetrokken voelt tot het lichaam,
de zinnen en de levenskracht, zal het materiële bestaan
dat voor een bepaalde tijd zijn vruchten afwerpt desondanks
betekenisloos zijn vanwege een gebrek aan
onderscheidingsvermogen.
De
Opperheer zei: 'Zolang als de ziel zich aangetrokken voelt
tot het lichaam, de zinnen en de levenskracht, zal het
materiële bestaan - vruchtdragend als het is voor een
zekere tijd - echter betekenisloos zijn, vanwege het
ontbreken van onderscheidingsvermogen.
(Vedabase)
Tekst
13
Ook al is de
materiële substantie er niet werkelijk [d.w.z. niet
permanent], de materiële omstandigheid houdt [wat
betreft de elementen waaruit ze is ogebouwd] niet op te
bestaan en men moet, met het als in een droom overwegen van de
zinsobjecten, daarvan de nadelen onder ogen zien [vergelijk
3.27:
4,
4.29:
35 &
73,
11.22:
56 en B.G.
2:
14].
Ook
al is de materiële substantie niet-existent [niet
permanent], houdt de materiële omstandigheid
[in haar elementen] niet op te bestaan en moet men,
met het als in een droom overwegen van de zinsobjecten, de
nadelen onder ogen zien [vergelijk 3.27: 4, 4.29: 35
& 73, 11.22: 56 en B.G. 2: 14].
(Vedabase)
Tekst
14
Dat
[dromen] wat voor degene die niet wakker is in zijn
slaap vele onwenselijke ervaringen biedt, zal echter degene die
ontwaakt is geenszins in de war brengen.
Dat
[dromen] wat voor degene die niet wakker is in zijn
slaap vele onwenselijke ervaringen biedt, geeft voor degene
die ontwaakte zeker geen aanleiding tot verwarring.
(Vedabase)
Tekst
15
Geweeklaag,
uitgelatenheid, angst, vrees, begeerte, verwarring en gesmacht
en dergelijke, ziet men met het tot stand komen en afsterven
van iemands identificatie met het lichaam
[ahankâra]
en is niet afhankelijk van de ziel [die geen geboorte neemt
of sterft, zie 11.22:
12,
11.23:
50-56,
11.25:
30].
Het
weeklagen, het opgetogen zijn, de angst, vrees, begeerte,
verwarring en het smachten en dergelijke, doen zich voor met
het tot leven komen en afsterven van iemands identificatie
met het lichaam [ahankâra] en niet met de ziel
[die geen geboorte neemt of sterft, zie 11.22: 12,
11.23: 50-56, 11.25: 30]. (Vedabase)
Tekst
16
Voor het valse
gemotiveerd zich ophoudend in het zelf van het materiële
lichaam, de zinnen, de levensadem en de geest, neemt het
levende wezen zijn vorm aan naar gelang de guna's en het
karma. Hem worden dan, afhankelijk van zijn relatie met de
leidraad van de grotere natuur, verschillende namen toegedacht
als hij onder het gestrenge regime van de Tijd zich rondbeweegt
in de materiële oceaan.
Hoogmoedig
zich ophoudend in het zelf van het materiële lichaam,
de zinnen, de levensadem en de geest, neemt het levende
wezen zijn vorm aan naar gelang de guna's en het karma en
wordt hij, zich verhoudend tot de leidraad van de grotere
natuur, verschillend omschreven met zijn rondgang in de
materiële oceaan onder het gestrenge regime van de
Tijd. (Vedabase)
Tekst
17
Dit zonder een
vaste basis in de vele vormen vertegenwoordigd zijn van de
geest, de spraak, de levenskracht, het grofstoffelijk lichaam
en de baatzuchtige arbeid, zal, met het zwaard van
bovenzinnelijke kennis dat werd aangescherpt in de aanbidding,
worden afgekapt door een nuchtere wijze die zich zonder
verlangens over de aarde rondbeweegt.
Dit
zonder een [andere] basis in vele vormen, naar de
geest, de spraak, de levenskracht, het grofstoffelijk
lichaam en de baatzuchtige arbeid vertegenwoordigd zijn,
zal, met het zwaard van bovenzinnelijke kennis dat werd
gewet in aanbidding, worden afgekapt door een nuchtere wijze
die vrij van verlangens over de aarde rondtrekt.
(Vedabase)
Tekst
18
Spirituele
kennis [impliceert] het onderscheiden [van geest en
stof en wordt gevoed door] de Schrift en boetedoening,
persoonlijke ervaring, historische verslagen en logische
afleidingen. [Zij is gebaseerd op] dat wat er
gelijkelijk is aan het begin en het einde van dit
[scheppingsgebeuren] en hetzelfde blijft daar tussenin,
te weten de Tijd en de Uiteindelijke Oorzaak [van
brahman,
de Absolute Waarheid, zie ook B.G. 10:
30,
33,
11:
32 en
kâla].
Spirituele
kennis [voert met zich mee] het onderscheiden
[van geest en stof], de Schrift en de boetedoening;
de directe ervaring, de historische verslagen en de daaruit
volgende logica; en dat wat er inderdaad alleen is van het
begin tot het einde van dit [scheppingsgebeuren] en
wat het zelfde is in het midden als de Tijd en de
Uiteindelijke Oorzaak [van brahman, de Absolute
Waarheid, zie ook B.G. 10: 30, 33, 11: 32 en
kâla]. (Vedabase)
Tekst
19
Net zoals goud
de constante factor vormt die aanwezig is voordat het wordt
verwerkt, als het wordt verwerkt en in het eindproduct na het
verwerken, ben Ik aanwezig vermomd in de verschillende
geaardheden [van de verwerking] van deze
schepping.
Net
als goud, dat voordat het werd gewrocht, halverwege werd
gebruikt, en daarna bestaand, enkel maar dat is voor alles
wat van goud is, heb Ik op dezelfde manier Mijn bestaan in
de verschillende aanduidingen van dit [geschapene].
(Vedabase)
Tekst
20
Mijn beste,
deze geest van gecondenseerde kennis in zijn drie condities
[van waken, slapen en onbewuste slaap], vormt met zijn
manifestatie in de vorm van de geaardheden als het veroorzaken
[van rajas], het veroorzaakte [van
tamas] en de veroorzaker [van sattva,
vergelijk 11.22:
30], de
vierde factor [het 'goud'] die als een onafhankelijke
grootheid staat voor de enkelvoudige waarheid van ieder van
hen.
Deze
geest van gecondenseerde kennis in zijn drie condities
[van waken, slapen en onbewuste slaap], is Mijn
beste, zich manifesterend met de geaardheden als het
veroorzaken [van rajas], het veroorzaakte [van
tamas] en de veroorzaker [van sattva, vergelijk
11.22: 30], de vierde factor die afzonderlijk bestaand
de enkelvoudige waarheid is voor ieder van hen.
(Vedabase)
Tekst
21
Dat wat er
voorheen niet was noch er nadien is, en er halverwege ook niet
is [als iets onafhankelijks] vormt enkel maar een
aanduiding; wat er ook maar geschapen werd en wordt gekend aan
de hand van iets anders, is feitelijk alleen maar dat andere
iets; dat is hoe Ik het zie.
Dat
wat er voorheen niet was noch er nadien is, was er
halverwege ook niet anders dan als een aanduiding; wat er
ook geschapen is en door iets anders kenbaar gemaakt werd,
is feitelijk enkel dat andere iets; dat is hoe Ik erover
denk. (Vedabase)
Tekst
22
De geestelijke
werkelijkheid van God zoals die bestaat in zijn eigen licht
openbaart de Absolute Waarheid als de verscheidenheid aan
zinnen, hun voorwerpen, de geest en de transformaties. Om die
reden treedt deze schepping, die door de geaardheid
rajas onderhevig is aan verandering, naar voren als
zelf-verlicht, ook al is hij er niet werkelijk [zie ook
siddhânta].
De
geestelijke werkelijkheid van God zoals die is gevestigd in
zijn eigen licht openbaart de Absolute Waarheid als de
verscheidenheid aan zinnen, hun voorwerpen, de geest en de
transformaties, en om die reden straalt deze schepping naar
voren, die door de geaardheid rajas onderhevig is aan
verandering, hoewel die er niet werkelijk is [zie ook
siddhânta]. (Vedabase)
Tekst
23
Als men op deze
manier door de logica van het onderscheid duidelijkheid heeft
verkregen over het Absolute van de Spirituele Waarheid, moet
men zich ter zake kundig uitspreken tegen en kappen met de
twijfel omtrent het Zelf en in de tevredenheid van zijn eigen
geestelijke geluk afzien van alle lustmatige
[ongereguleerde] zaken [zie B.G.
3:
34].
Op
deze manier door de logica van het onderscheid duidelijk
over het Absolute van de Spirituele Waarheid behoort men,
bedreven door te weerleggen wat de plank misslaat, de
twijfel omtrent het zelf onderuit te halen en men bevredigd
in zijn eigen geestelijke geluk af te zien van alle
lustmatige [ongereguleerde] zaken [zie B.G. 3:
34]. (Vedabase)
Tekst
24
Het lichaam uit
de aarde gevormd is niet het ware zelf, noch zijn dat de
zinnen, hun goden of de levensadem, de buitenlucht, het water,
het vuur of een geest die enkel maar uit is op voedsel; noch
zijn dat de intelligentie, het materiële bewustzijn, het
ik dat zichzelf de doener acht, de ether, de aarde,
materiële zaken of de inperking.
Het
lichaam uit de aarde gevormd is niet het ware zelf, noch
zijn dat de zinnen, hun goden of de levensadem; de
buitenlucht, het water, het vuur of de geest enkel maar uit
op voedsel; noch zijn dat de intelligentie, het
materiële bewustzijn, het ik dat zichzelf de doener
acht, de ether, de aarde, materiële zaken of de
oorspronkelijke staat van evenwicht.
(Vedabase)
Tekst
25
Wat is de
verdienste van hem die naar behoren Mijn identiteit heeft
vastgesteld en in zijn concentratie zijn zinnen - die door de
geaardheden worden bestuurd - volmaakt heeft weten te richten?
En omgekeerd wat zou men hem verwijten die door zijn zinnen
wordt afgeleid? Wat kan het de zon nou schelen als er wolken
voor langstrekken of als het opklaart?
Wat
nu is de verdienste van hem die volkomen is in het
concentreren van zijn zinnen - die in de grond tot de guna's
behoren - en die zich ten juiste heeft verzekerd van Mijn
persoonlijke identiteit; en wat voor verwijt zou er
anderzijds zijn voor een geest die afgeleid is? Wat zeg je
van de zon waarvoor zich de wolken schoven of ze
uiteendreven? (Vedabase)
Tekst
26
Zo goed als de
hemel zelf niet anders wordt van de komende en gaande
kwaliteiten van de lucht, het vuur, het water en de aarde of
van de kwaliteiten der seizoenen [de hitte en de kou],
staat ook de Onvergankelijke Allerhoogste boven de invloed van
de natuurlijke geaardheden van sattva, rajas en
tamas, die ervoor zorgen dat hij die zijn lichaam voor het
ware zelf aanziet in de materie gevangen zit [zie ook
1.3:
36,
3.27:
1, B.G.
7:
13].
Net
zoals de hemel niet in verlegenheid is door de komende en
gaande kwaliteiten van de seizoenen of de kwaliteiten van de
lucht, het vuur, het water en de aarde, staat evenzo de
Aldoordringende boven de beïnvloedingen door de
geaardheden van sattva, rajas en tamas, de noties van het
ego of de oorzaken van het doorlopen van opeenvolgende
staten [zie ook 1.3: 36, 3.27: 1, B.G. 7: 13].
(Vedabase)
Tekst
27
Desondanks
moet, totdat door hecht verankerd te zijn in Mijn bhakti-yoga
de onzuiverheid van de geest der hartstocht is uitgebannen, de
gehechtheid worden geschuwd die samenhangt met de kwaliteiten
die eigen zijn aan de begoochelende materiële energie
[zie B.G. 7:
1,
14
en **].
Niettemin
moet onderwijl de gehechtheid in de kwaliteiten die
ontsprongen aan de begoochelende energie worden geschuwd,
totdat door Mijn bhakti-yoga ferm [op een andere manier
gehecht zijnde, zie B.G. 7: 1], het vuil van de geest
der hartstocht is verdreven [zie B.G. 14 en **].
(Vedabase)
Tekst
28
Op dezelfde
manier als een ziekte die niet goed behandeld werd regelmatig
zich doet gelden en de mens ellende bezorgt, zal de geest die
niet gezuiverd is van zijn karmische besmetting een onervaren
yogi kwellen die er nog allerlei gehechtheden op nahoudt.
Op
dezelfde manier als een ziekte, onvolkomen behandeld, zich
met regelmaat opwerpend de mens ellende bezorgt, zal de
geest die niet gezuiverd is van zijn karmische besmetting de
onvolgroeide yogî kwellen die [nog steeds] van
allerhande gehechtheden is. (Vedabase)
Tekst
29
Onvolkomen
yogi's die zich laten leiden door beperkingen in de vorm van de
menselijke wezens [familieleden, volgelingen etc., zie o.a.
S'rî
S'rî
S'ikshâshthaka-4]
die door de dertig goden op hen af worden gestuurd [zie
tridas'a]
zullen, vanwege hun vasthoudendheid in hun voorgaande leven hun
yogapraktijk [in een nieuw leven] weer oppakken, maar
nimmer weer in de ban raken van baatzuchtige arbeid [zie
ook 11.18:
14, B.G.
6:
41-42].
Die
onvolgroeide yogî's die zich laten leiden door
beperkingen in de vorm van menselijke wezens
[familieleden, volgelingen etc., zie o.a.
s'iks'âshthaka-4] hen gestuurd door de dertig
goden [zie tridas'a] zullen, bij machte van hun
vasthoudendheid in hun voorgaande leven nog een keer
overgaan tot de yogapraktijk, maar nimmer weer in de ban
raken van baatzuchtige arbeid [zie ook 11.18: 14, B.G.
6: 41-42].
(Vedabase)
Tekst
30
Het normale
levende wezen dat de gevolgen moet ondervinden van zijn
baatzuchtige arbeid bevindt zich bewogen door deze of gene
impuls in die staat tot op het moment dat hij sterft. Maar hij
die intelligent is is, ondanks dat hij zich bevindt in de
materiële positie, niet zo [wankelmoedig] omdat
hij met de ervaring van het geluk dat hij vond zijn
materiële verlangens heeft opgegeven.
Het
normale levende wezen, door baatzuchtige arbeid in beroering
verkerend, verkeert voortgedreven door deze of gene kracht
in die staat tot op het punt van de dood, terwijl hij die
intelligent is, hoewel zich bevindend in de materiële
positie, niet zo [wankelmoedig] is, met het
opgegeven hebben van materieel verlangen bij de ervaring van
zijn eigen geluk.
(Vedabase)
Tekst
31
Hij wiens
bewustzijn is verankerd in het ware zelf staat er geen moment
bij stil of hij nu staat, zit, loopt of neerligt, urineert,
voedsel tot zich neemt of wat hij nog meer doet dat voortkomt
uit zijn geconditioneerde aard.
Hij
wiens bewustzijn is verankerd in het ware zelf staat er niet
bij stil of hij nu staat, zit, loopt of neerligt; urineert,
voedsel tot zich neemt of wat nog meer doet dat voortkomt
uit zijn geconditioneerde aard.
(Vedabase)
Tekst
32
Een intelligent
iemand houdt niets anders voor essentieel. Telkens als hij de
niet werkelijk [onafhankelijk] bestaande dingen van de
zintuigen ziet, weerlegt hij vanuit zijn logica het
afzonderlijke bestaan ervan, zodat ze zijn als de dingen van
een droom die hun waarde verliezen als men wakker
wordt.
Hij
die van verstand is houdt niets anders voor essentieel;
wanneer hij ook maar de niet werkelijk
[onafhankelijk] bestaande dingen van de zintuigen
ziet, weerlegt hij dat afzonderlijke door logisch redeneren,
zodat ze zijn als in een droom die verdwijnt nadat men
ontwaakte. (Vedabase)
Tekst
33
De
materiële onwetendheid die onder invloed van de
materiële geaardheden vele vormen aanneemt ziet de
geconditioneerde ziel aan voor een onlosmakelijk deel van
zichzelf, maar met die onwetendheid is het afgelopen als men
enkel maar Zijn visie ontwikkelt, Mijn beste. De ziel
daarentegen is niet iets wat men aanneemt of achter zich kan
laten.
De
veelvormigheid der onwetendheid, met de activiteit der
geaardheden voor identiek gehouden aan de ziel die er altijd
al was, Mijn beste, vindt weer zijn einde door enkel de
overweging; de ziel daarentegen wordt nimmer aangenomen of
achtergelaten. (Vedabase)
Tekst
34
Als de zon
opkomt wordt de duisternis voor het menselijk oog verdreven,
maar dat opkomen schept nog niet de dingen die er dan te zien
zijn. Zo ook maakt een doortastend en gedegen onderzoek van het
ware van Mij een einde aan de duisternis van iemand's
intelligentie [maar is dat nog niet de oorsprong van zijn
ziel].
Zoals
zich dat daadwerkelijk voordoet met de zon die opkomt, wordt
de duisternis van het menselijk oog weggenomen - maar dat
[opkomen] vormt nog niet dat wat bestaat; zo ook
vernietigt schrander onderzoek van het ware van Mij de
duisternis in de intelligentie van een persoon [maar
schept niet de ziel]. (Vedabase)
Tekst
35
Deze
zelfverlichte, ongeboren, onmetelijke Grootheid van Verstaan
die zich van alles bewust is, is de Ene Zonder Zijns Gelijke in
wie de woorden hun afronding vinden, en door wiens drijvende
kracht de spraak en de adem zich bewegen.
Deze
zelfverlichte, ongeboren, onmetelijke Grootheid van Verstaan
die zich van alles bewust is, is de Ene Zonder Zijns Gelijke
waar woorden hun besluit vinden, en door Wie voortgedreven
de spraak en de ademtochten zich
bewegen.
(Vedabase)
Tekst
36
Ieder idee van
dualiteit in het zelf is voor de unieke ziel slechts een
hersenschim; voor zo'n idee bestaat er geen andere basis
[om tot rust te komen] dan de eigen ziel [vergelijk
7.13:
7].
Welk
idee van dualiteit dat het zelf er ook op na mag houden is
wat de unieke ziel betreft enkel maar een hersenschim, daar
het voorwaar geen basis kent buiten dat eigenlijke zelf om
[vergelijk 7.13: 7]. (Vedabase)
Tekst
37
De
dualistische, fantasierijke interpretatie [in termen van
goed en kwaad, zie ook 11.21:
16] door
de zogenaamde geleerden van deze, in namen en vormen
waarneembare, dualiteit welke onmiskenbaar bestaat uit de vijf
elementen, is tevergeefs [zie ook 5.6:
11].
De
dualistische, fantasierijke interpretatie [in termen van
goed en kwaad, zie ook 11.21: 16] door de zogenaamde
geleerden van deze, in namen en vormen waarneembare,
dualiteit welke onmiskenbaar bestaat uit de vijf elementen,
is geheel en al ijdel [zie ook 5.6:
11].
(Vedabase)
Tekst
38
Het lichaam van
een yogi die met een gebrek aan ervaring overgaat tot de
yogapraktijk, kan ten prooi vallen aan zich opwerpende
stoornissen. In dat geval is het volgende de voorgeschreven
gedragswijze:
Het
lichaam van de yogî die onervaren tracht over te gaan
tot de yogapraktijk, kan ten prooi vallen aan de
verstoringen die zich voordoen; in dat verband is het
volgende de voorgeschreven gedragswijze:
(Vedabase)
Tekst
39
Sommige
stoornissen kunnen worden overwonnen door meditatiehoudingen
[âsana's]
in combinatie met concentratie [dhârana],
boetedoening [tapas
***],
mantra's
en geneeskrachtige kruiden.
Sommige
verstoringen kunnen worden overwonnen door
meditatiehoudingen [âsana's] in combinatie met
concentratie [dhârana], boetedoening
[tapas ***], mantra's en geneeskrachtige kruiden.
(Vedabase)
Tekst
40
Sommige
nadelige zaken kan men stap voor stap te boven komen door
voortdurend aan Mij te denken [Vishnu-smarana]
middels het hooghouden van Mijn namen en dergelijke
[japa,
sankîrtana]
en door te treden in het voetspoor van de meesters van de yoga
[zie ook B.G. 6:
25].
Sommige
van de ongunstige omstandigheden kan men stap voor stap te
boven komen door voortdurend aan Mij te denken
[Vishnu-smarana] middels het hooghouden van Mijn
namen en dergelijke [japa, sankîrtana] en door
te treden in het voetspoor van de meesters van de yoga
[zie ook B.G. 6: 25]. (Vedabase)
Tekst
41
Enkelen
[onder de yogi's] maken hun zelfbeheerste lichaam
geschikt door zich met behulp van verschillende methoden op het
jeugdige vast te leggen en proberen aldus perfect te zijn
in hun materiële beheersing [siddhi's].
Enkelen
[enkele yogî's] die met verschillende methoden
verankerd in het jeugdige dit zelfbeheerste materiële
lichaam geschikt maken gaan aldus te werk terwille van
mystieke volmaaktheden [siddhi's].
(Vedabase)
Tekst
42
Door hen die in
een goede conditie verkeren wordt dat niet hooggehouden, er
zeker van dat dat ondernemen nogal zinloos is, omdat het
lichaam, net als de vrucht van een boom, toch zal sterven
[zie ook 11.15:
33].
Door
hen die onderlegd zijn wordt dat niet hoog gehouden, er
zeker van dat dat ondernemen nogal zinloos is, omdat het
lichaam, als de vrucht van een boom, vergankelijk is
[zie ook 11.15: 33].
(Vedabase)
Tekst
43
Iemand met een
toegewijde geest hecht er geen waarde aan om regelmatig de yoga
te beoefenen met het oog op het realiseren van een gezond
lichaam, hij die Mij is toegewijd geeft de yoga [voor dat
doel] op [*4].
De
verstandige persoon die inziet hoe iemand die regelmatig de
yoga beoefenend de geschiktheid verwerft, hecht, in
toewijding tot Mij het in de yoga opgevend [met welk
nevenmotief ook], daar geen [overwegend] geloof
aan [*4]. (Vedabase)
Tekst
44
De yogi die dit
proces van de yoga volgt laat zich, bevrijd van verlangens met
het zich op Mij beroepen, niet ontmoedigen door tegenslagen en
ervaart [zo] zijn zielsgeluk.'
De
yogî die dit proces van de yoga volgt wordt, vrij van
hunkering met het zich op Mij beroepen, niet tegengehouden
door obstakels en ervaart zijn eigen [ziels-]geluk.
(Vedabase)
*:
In tegenstelling tot populaire inzichten dat het medium de
booschap zou zijn, wordt hier duidelijk gesteld dat het medium
dus niet de boodschap is. De woorden en de ideeën, en ook
de z.g. vaste vorm der dingen, zijn allen vals in verhouding
tot de oorspronkelijke waarheid, het bericht, de essentie. Dat
wat uitgedrukt wordt is de essentie, niet de uitdrukking zelve.
Zo is het ene levende wezen van de persoon en de levende
materiële natuur met haar Tijd als het mannelijk aspect de
essentie, en zijn alle ideeën, gefixeerde dingen ervan en
woorden erover in feite vals. Aldus hebben we de paradox van de
in zichzelf valse uitdrukking in dingen, woorden en
ideeën, deze zin voor u als lezer b.v., van wat op zich
waar is als de heelheid van het leven. Zo zijn er dan beelden
van Krishna die worden vereerd met de waarschuwing ze beslist
niet als materieel te mogen zien. Aldus zijn kritiek en lof,
goed en kwaad, noties die de plank misslaan van wat objectief
de waardevrije werkelijkheid is van brahman, de Absolute
Waarheid van de werkelijkheid die vanbinnen zowel als van
buiten vrij is van illusie. Of zoals men dat heden ten dage
zegt: wetenschap is waardevrij.
**:
De strekking van dit vers is dat, ookal is de materiële
natuur, als Zijn gigantische virâth-rûpa
gedaante, niet verschillend van de Opperheer (zoals uitvoerig
beschreven in dit en andere hoofdstukken), degene die het
materiële verlangen nog moet overwinnen niet kunstmatig
zijn heil moet zoeken in materiële zaken, met de
verklaring dat ze toch niet van de Heer zouden verschillen
[zie p.p. 11.28:
27].
***:
Met betrekking tot boete zij de beginner eraan herinnerd dat
vrijwillige boete, vrijwillig lijden en afzien, beter is dan
opgelegde boete in de vorm van een ziekte, vervolging door de
wet, nood lijden en calamiteiten e.d. Zoals het is met de Joden
in Exodus die er klaar voor waren om Egypte te verlaten moet
men klaar staan voor de komst van de Heer [zie ook
11.17:
42 en
B.G. 2:
40,
12:
16].
*4:
Men zij er hier aan herinnerd dat types als Râvana
en Hiranyakas'ipu
eveneens aan yoga deden en de geschiktheid verwierven; het
verwerven van perfecties op die manier kan evenzogoed een
demonisch iets zijn en vormt dus geen geloofsartikel zoals dat
hier wordt gesteld. Het gaat meer om het motief dat de yogi de
Heer bereikt. Beheersing, gezondheid en orde is een schone zaak
om te realiseren, maar zonder de Heer is het evenzogoed een
zaak van de duivel.