Canto
11
Hoofdstuk 14: De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu
(1) S'rî Uddhava zei: 'Krishna, zijn de vele processen voor de geestelijke vooruitgang waar de verdedigers van de Absolute Waarheid het over hebben, superieur als je ze combineert of is anders één van hen het belangrijkste? (2) Het werd door Jou duidelijk gemaakt o Meester, hoe de bhakti-yoga, waarmee de geest op Jou gefixeerd raakt, zonder dat men er verlangens bij koestert alleszins het lijden onder de [angstwekkende, tijdelijke] materiële staat wegneemt.'
(3) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze boodschap bestaande uit de Veda's die onder de invloed van de tijd verloren ging toen de eindvernietiging plaatsvond werd ten tijde van de schepping door Mij onder woorden gebracht voor Brahmâ. Ze omvat het dharma van het handelen naar Mijn wil [zie ook 3.9: 29-43]. (4) Brahmâ sprak haar uit voor zijn oudste zoon Manu. De zeven grote wijzen van het geestelijk weten aangevoerd door Bhrigu namen het op hun beurt aan van Manu [zie 8.1 & 8.13 en B.G. 4: 1-3]. (5-7) Van de voorvaderen die zij waren, waren er de nakomelingen: de goddelijke en de demonische karakters, de S'iva-volgelingen, de menselijke wezens, de vervolmaakten en de zangers van de hemel, de wetenschappers en de achtenswaardigen. Uit rajas, tamas en sattva [de guna's] ontsprongen de vele verschillende naturen van de uiteenlopende humanoïden [de Kimdeva's], de halfmensen [Kinnara's], de slangentypes [de Nâga's], de wildemannen [de Râkshasa's], en de aapachtigen [Kimpurusha's]. Uit de levende wezens die vanwege hun geneigdheden verdeeld zijn in evenzovele vormen en evenzovele leiders vloeide [als rivieren van een berg] de veelvoud aan rituelen en mantra's voort. (8) Aldus zijn als gevolg van de grote variëteit aan naturen de levensovertuigingen onder de menselijke wezens verdeeld. Daarin vormen sommige filosofieën geestelijke erfopvolgingen terwijl andere van een ketterse aard zijn [pâshanda]. (9) De mensen wiens intelligentie is verbijsterd door Mijn begoochelend vermogen, o beste van alle personen, laten zich op talloze manieren uit over wat overeenkomstig hun eigen karma en smaak beter zou zijn. (10) Sommigen spreken ten gunste van vrome activiteiten terwijl anderen het hebben over roem, zinsbevrediging, waarachtigheid, zelfbeheersing en vreedzaamheid. De één staat het eigenbelang voor, politieke invloed, verzaking, of consumptie, terwijl andere mensen pleiten voor opoffering, boetedoening, liefdadigheid, geloften en allerlei regelingen van wat wel en wat niet zou moeten [yama-niyama]. (11) Met een onvermijdelijk begin en einde aan de schamele doelen die men bereikt met zijn karma is er het vooruitzicht van de ellende die daaruit resulteert. Zich bevindend in onwetendheid is men miserabel vol van jammerklachten. (12) Iemand die zijn bewustzijn op Mij gevestigd heeft, o geschoolde, en die in alle opzichten vrij is van materiële verlangens, kent het geluk van Mijn geestelijk lichaam. Hoe kan een dergelijk geluk nu bereikt worden door hen die gehecht zijn aan zinsbevrediging [zie 4.31: 12]? (13) Hij die niet begeert, die in vrede verkeert met zijn zinnen onder controle, wiens bewustzijn gelijkmoedig is onder alle omstandigheden en die een geest heeft die met Mij volkomen tevreden is, is vervuld van geluk waar hij ook gaat of staat. (14) Iemand die zijn bewustzijn op Mij, Mij en niemand anders dan Mij, heeft vastgelegd verlangt niet de positie in te nemen van Brahmâ, noch de positie van Indra, noch wil hij een rijk op aarde of de heerschappij in de lagere werelden, noch begeert hij de volmaaktheden [de siddhi's] van de yoga of een tweede geboorte [zie b.v. 5.1: 6]. (15) Noch hij die geboren werd uit Mijn lichaam [Brahmâ], noch S'ankara [S'iva], noch Sankarshana [Balarâma], noch de godin van het geluk [S'rî], noch zelfs Mijn eigen Zelf is Mij zo dierbaar als jij dat bent [zie ook B.G 12: 20]. (16) De wijze die vredig is zonder persoonlijk verlangen, niet vijandig is jegens wie dan ook en van een gelijkgezinde blik is, volg Ik altijd op de voet zodat er zuivering is bij het stof van de lotusvoeten [zie ook 7.14: 17]. (17) Niet uit op zinsbevrediging en van een geest die steeds aan Mij gehecht is ervaren de grote zielen die innerlijk vrede hebben en zich inzetten voor alle individuele zielen wiens bewustzijn niet beheerst wordt door het lustmatige, Mijn geluk dat niet op een andere manier kan worden gekend dan door volledige onthechting. (18) Ook al wordt hij geplaagd door zinnelijke verlangens, dan nog is de toegewijde van Mij die niet zijn zinnen de baas werd - die als regel effectief en sterk zijn - dankzij zijn toewijding niet verslagen door die soort van invloed [zie ook 1.5: 17, 8.7: 44, 11.13: 12 en B.G. 9: 30, 2:62-64]. (19) Net zoals brandhout door de laaiende vlammen van een vuur verandert in as, worden op dezelfde manier met Mij als het voorwerp, in de toewijding de zonden volledig verbrand, o Uddhava. (20) Het yogasysteem noch de analytische filosofie, Uddhava, vrome handelingen noch vedische studie, boete noch verzaking ontwikkelen zo goed een greep op Mij als een sterk ontwikkelde toegewijde dienst. (21) Men verwerft Mijn genade door standvastige toewijding met geloof in de Ziel als het voorwerp van de liefde. Met Mij [die Superziel] als de enige zal de bhakti der waarachtigen zelfs zij die honden eten zuiveren van de last van hun geboorte. (22) Zeker is dat noch dharma begaan met waarachtigheid en genade, noch kennis gekoppeld aan verzaking het bewustzijn volledig zuivert als men het moet stellen zonder de toegewijde dienst aan Mij. (23) Hoe gaan nu zonder de bhakti je haren overeind staan, hoe kan nu zonder de liefdevolle dienst het hart vertederd raken en kunnen zonder devotie de tranen vloeien, kan de verrukking er zijn en het bewustzijn gezuiverd raken? (24) Door degene wiens spraak smoort, het hart vertedert, er keer op keer natte tranen zijn en soms weer lachen is, door hem van wie er onbeschaamd een luidkeels zingen is en er sprake is van dansen in de verbondenheid van Mijn yoga, raakt het universum gezuiverd [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka en 11.2: 40]. (25) Zoals goud dat gesmolten in het vuur zijn onzuiverheden prijsgeeft en terugkeert naar zijn oorspronkelijke staat wordt van de geestelijke ziel de smet van het karma verdreven als men in Mijn liefdevolle dienst van aanbidding is voor Mij. (26) Zo goed als het gezichtsvermogen zich herstelt als het oog eenmaal behandeld is met zalf, ziet de geestelijke ziel die schoongewassen werd door het luisteren naar en het bezingen van de vrome verhalen over Mij, op precies dezelfde manier weer de Ene Subtiele Essentie. (27) Van degene die mediteert op de zinsobjecten raakt het bewustzijn verstrikt in de zinservaring [zie B.G. 2: 62-63]; evenzo raakt de geest systematisch in Mij verzonken als men Mij in gedachten houdt. (28) Daarom zijn de materiële zorgen die men heeft als de drogbeelden die men heeft in een droom; in Mij verzonken geeft men ze op. Als men geheel in Mijn liefde opgaat raakt de geest gezuiverd. (29) Het opgevend intiem te zijn met vrouwen [seksuele omgang met hen te hebben, met anderen of anderszins], en zich verre houdend van het gezelschap van rokkenjagers, behoort men, zichzelf de baas wordend, op zijn gemak neer te zitten in afzondering en zich met grote zorg te concentreren op Mij [zie ook 11.8: 13-14 *]. (30) Geen andere gehechtheid bezorgt een man zo veel ellende en gebondenheid als de gehechtheid aan vrouwen en de omgang met hen die gehecht zijn aan vrouwen [zie ook 1.4: 25, 5.5: 2, 5.13: 16, 6.9: 9, 7.12: 9, 9.14: 36, 9.19: 17, 10.10: 8, 10.51: 51, 10.60: 44-45 & 48].'
(31) S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, hoe, van welke aard en in welke vorm moet de meditatie er zijn van degene die bevrijd wil raken? Wil Je alsJeblieft uitweiden over de meditatie?'
(32-33) De Allerhoogste Heer zei: 'Rechtop en comfortabel zittend op een zitplaats gelijkvloers, behoort men de handen in de schoot te leggen en de ogen te richten op het puntje van de neus. Het zuiveren van de manieren waarop men ademt - het inademen, vasthouden, uitademen en omgekeerd - moet men stap voor stap beoefenen terwijl men zijn zinnen in bedwang houdt [zie prânâyâma, en B.G. 4; 29]. (34) Met behulp van de levensadem [prâna] in de geest het geluid AUM oproepend, moet men dat geluid opwaarts stuwen, als de vezels in een lotusstengel, om het luid te laten vibreren [in de neus] als een bel zodat de geluiden der recitatie weer tot eenheid worden gebracht [anusvâra **]. (35) Het ademen dat aldus is verenigd met de Pranava [zie ook 9.14: 46] moet zorgvuldig tien keer herhaald worden, bij zonsopkomst, in de middag, en bij zonsondergang, zodat men na een maand zijn ademen onder controle heeft [***]. (36-42) Met de ogen half gesloten en rechtop zittend moet men, waakzaam vanbinnen terwille van de hoogste bevrijding, zich concentreren op de lotus in het hart die naar boven is gericht. In de werveling van haar acht kelkbladeren stelt men vervolgens de één na de ander zich de zon, de maan en het vuur voor. In het vuur moet men zich Mijn harmonieuze vorm voorstellen, zo bevorderlijk voor de meditatie, die zachtgeaard en vriendelijk is en is toegerust met vier fraaie armen. Bekoorlijk is de schoonheid van de nek en het voorhoofd, de zuivere glimlach alsmede de oren met stralende, haaienvormige oorhangers. Men moet mediteren op de goudkleurige kleding, de huid met de kleur van regenwolken, de krul op de borst die de schuilplaats vormt voor de godin, de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotus, en de rijkdom van de woudbloemenslinger. Men moet mediteren op alle prachtige en bekoorlijke delen van Mijn lichaam: de voeten met de glanzende belletjes, het rijk gloeiende Kaustubhajuweel, de stralende kroon en de polsbanden, de gordel en de armbanden, op het genadige glimlachen en op de allerfijnst besnaarde oogopslag. Dit moet men doen door de geest terug te trekken van de zinnen. Op deze manier moet men intelligent de wagenmenner [de ziel, de meester der intelligentie], sober en ernstig, [met liefde] leiden in de richting van Mijn volledigheid. (43) Als men met deze oefening al de lichaamsdelen overziet moet men vervolgens het bewustzijn terugtrekken en, zich concentrerend op één plek en nergens anders, opnieuw met liefde mediteren op de prachtige glimlach van het gezicht. (44) Aldus met het terugtrekken van de geest gevestigd geraakt in de ether, moet men ook deze concentratie weer opgeven en naar Mij opgestegen aan niets anders meer denken. (45) Zodoende volledig verzonken in het bewustzijn ziet de individuele ziel Mij in het zelf en al de zelven in Mij, net zoals de stralen van de zon zijn verenigd in de zon [zie ook B.G. 9; 29]. (46) Van de yogi die hoogst geconcentreerd de meditatie als vermeld beoefent zal snel heel de begoochelde staat van geest van hem die zich de eigenaar, de kenner en de doener noemt, zijn oplossing vinden [vergelijk: 2.2: 8-14].'
Tweede editie, geladen 13 mei 2009
Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:
S'rî Uddhava zei: 'Krishna, zijn de vele processen voor de geestelijke vooruitgang waar de verdedigers van de Absolute Waarheid het over hebben, superieur als je ze combineert of is anders één van hen het belangrijkste?S'rî Uddhava zei: 'Krishna, zijn de vele processen voor de geestelijke vooruitgang waar de verdedigers van de Absolute Waarheid het over hebben, nu zo verheven in hun samenhang of is anders één van hen het belangrijkste? (Vedabase)
Het werd door Jou duidelijk gemaakt o Meester, hoe de bhakti-yoga, waarmee de geest op Jou gefixeerd raakt, zonder dat men er verlangens bij koestert alleszins het lijden onder de [angstwekkende, tijdelijke] materiële staat wegneemt.'
Het is door Jou duidelijk gesteld o Meester, hoe de bhakti-yoga, waarmee de geest op Jou gefixeerd raakt, zonder verlangens in alle opzichten het lijden onder de [angstwekkende, tijdelijke] materiële staat wegneemt.' (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Deze boodschap bestaande uit de Veda's die onder de invloed van de tijd verloren ging toen de eindvernietiging plaatsvond werd ten tijde van de schepping door Mij onder woorden gebracht voor Brahmâ. Ze omvat het dharma van het handelen naar Mijn wil [zie ook 3.9: 29-43].
De Allerhoogste Heer zei: 'Deze boodschap bestaande uit de Veda's die verloren gaat bij de eindvernietiging werd ten tijde van de schepping door Mij uitgesproken voor Brahmâ; ze omvat het dharma van het handelen naar Mijn wil [zie ook 3.9: 29-43]. (Vedabase)
Brahmâ sprak haar uit voor zijn oudste zoon Manu. De zeven grote wijzen van het geestelijk weten aangevoerd door Bhrigu namen het op hun beurt aan van Manu [zie 8.1 & 8.13 en B.G. 4: 1-3].
Brahmâ sprak haar uit voor zijn oudste zoon Manu van wie ze werd aanvaard door de zeven grote wijzen van het geestelijk weten aangevoerd door Bhrigu [zie 8.1,5 & 13 en B.G. 4.1-3]. (Vedabase)
Van de voorvaderen die zij waren, waren er de nakomelingen: de goddelijke en de demonische karakters, de S'iva-volgelingen, de menselijke wezens, de vervolmaakten en de zangers van de hemel, de wetenschappers en de achtenswaardigen. Uit rajas, tamas en sattva [de guna's] ontsprongen de vele verschillende naturen van de uiteenlopende humanoïden [de Kimdeva's], de halfmensen [Kinnara's], de slangentypes [de Nâga's], de wildemannen [de Râkshasa's], en de aapachtigen [Kimpurusha's]. Uit de levende wezens die vanwege hun geneigdheden verdeeld zijn in evenzovele vormen en evenzovele leiders vloeide [als rivieren van een berg] de veelvoud aan rituelen en mantra's voort.
Van de voorvaderen die zij waren, waren er de nakomelingen: de goddelijke en de demonische karakters, de S'iva-volgelingen, de menselijke wezens, de vervolmaakten en de zangers van de hemel, de wetenschappers en de achtenswaardigen. Uit rajas, tamas en sattva [de guna's] ontsprongen de vele verschillende naturen van de uiteenlopende humanoïden [de kimdeva's], de halfmensen [kinnara's], de slangentypes [de nâga's], de wildemannen [de râkshasa's], en de aapachtigen [kimpurusha's]. Van de levende wezens door hun geneigdheden verdeeld in even zo vele vormen en even zovele leiders vloeide [als rivieren van een berg] de veelvoud aan rituelen en mantra's voort. (Vedabase)
Aldus zijn als gevolg van de grote variëteit aan naturen de levensovertuigingen onder de menselijke wezens verdeeld. Daarin vormen sommige filosofieën geestelijke erfopvolgingen terwijl andere van een ketterse aard zijn [pâshanda].
Aldus zijn als gevolg van de grote variëteit aan naturen de levensovertuigingen onder de menselijke wezens verdeeld, waarbij sommigen tradities uitmaken van geestelijke erfopvolging terwijl anderen van een ketterse aard zijn [pâshanda]. (Vedabase)
De mensen wiens intelligentie is verbijsterd door Mijn begoochelend vermogen, o beste van alle personen, laten zich op talloze manieren uit over wat overeenkomstig hun eigen karma en smaak beter zou zijn.
De mensen wiens intelligentie is verbijsterd door Mijn illusiewekkend vermogen, o beste van alle personen, laten zich op talloze manieren uit over wat naar hun eigen karma en smaak beter zou zijn. (Vedabase)
Sommigen spreken ten gunste van vrome activiteiten terwijl anderen het hebben over roem, zinsbevrediging, waarachtigheid, zelfbeheersing en vreedzaamheid. De één staat het eigenbelang voor, politieke invloed, verzaking, of consumptie, terwijl andere mensen pleiten voor opoffering, boetedoening, liefdadigheid, geloften en allerlei regelingen van wat wel en wat niet zou moeten [yama-niyama].
Sommigen spreken ten gunste van vrome activiteiten en anderen van roem, zinsbevrediging, waarachtigheid, zelfbeheersing en vreedzaamheid; anderen staan het eigenbelang voor, politieke invloed, verzaking of consumptie en sommige mensen verdedigen opoffering, boetedoening, liefdadigheid, geloften en allerlei regelingen van wat wel en wat niet zou moeten [yama-niyama]. (Vedabase)
Met een onvermijdelijk begin en einde aan de schamele doelen die men bereikt met zijn karma is er het vooruitzicht van de ellende die daaruit resulteert. Zich bevindend in onwetendheid is men miserabel vol van jammerklachten.
Met een onvermijdelijk begin en einde aan de povere bestemmingen bereikt met iemands karma bestaat er daar het vooruitzicht van de resulterende misère; zich bevindend in onwetendheid is men ellendig vol van geweeklaag [of stille wanhoop]. (Vedabase)
Iemand die zijn bewustzijn op Mij gevestigd heeft, o geschoolde, en die in alle opzichten vrij is van materiële verlangens, kent het geluk van Mijn geestelijk lichaam. Hoe kan een dergelijk geluk nu bereikt worden door hen die gehecht zijn aan zinsbevrediging [zie 4.31: 12]?
Hoe kan van iemand van wie het bewustzijn op Mij gevestigd is, o geschoolde, van iemand die in alle opzichten vrij is van materiële verlangens, een dergelijk geluk met het geestelijk lichaam van Mij er met hen zijn die gehecht zijn aan zinsbevrediging [zie 4.31: 12]? (Vedabase)
Hij die niet begeert, die in vrede verkeert met zijn zinnen onder controle, wiens bewustzijn gelijkmoedig is onder alle omstandigheden en die een geest heeft die met Mij volkomen tevreden is, is vervuld van geluk waar hij ook gaat of staat.
Hij die niet begeert, die in vrede verkeert met zijn zinnen onder controle, wiens bewustzijn gelijkmoedig is wanneer ook en die een geest heeft die met Mij volkomen tevreden is, is vervuld van geluk waar hij ook gaat of staat. (Vedabase)
Iemand die zijn bewustzijn op Mij, Mij en niemand anders dan Mij, heeft vastgelegd verlangt niet de positie in te nemen van Brahmâ, noch de positie van Indra, noch wil hij een rijk op aarde of de heerschappij in de lagere werelden, noch begeert hij de volmaaktheden [de siddhi's] van de yoga of een tweede geboorte [zie b.v. 5.1: 6].
Niet de positie van Brahmâ, noch de positie van Indra, noch een rijk op aarde of de heerschappij in de lagere werelden, noch de volmaaktheden [de siddhi's] van de yoga of het nogmaals geboren zijn, vormt het verlangen van hem die zijn bewustzijn in Mij heeft vastgelegd, Mij en niets anders [zie e.g. 5.1: 6]. (Vedabase)
Noch hij die geboren werd uit Mijn lichaam [Brahmâ], noch S'ankara [S'iva], noch Sankarshana [Balarâma], noch de godin van het geluk [S'rî], noch zelfs Mijn eigen Zelf is Mij zo dierbaar als jij dat bent [zie ook B.G 12: 20].
Noch hij die geboren werd uit Mijn lichaam [Brahmâ], noch S'ankara [S'iva], noch Sankarshana [Balarâma], noch de godin van het geluk [S'rî], noch voorzeker zelfs Mijn eigen Zelf is Mij lief in de mate waarin jij dat bent [zie ook B.G 12: 20]. (Vedabase)
De wijze die vredig is zonder persoonlijk verlangen, niet vijandig is jegens wie dan ook en van een gelijkgezinde blik is, volg Ik altijd op de voet zodat er zuivering is bij het stof van de lotusvoeten [zie ook 7.14: 17].
De wijze vredig zonder persoonlijk verlangen, niet vijandig naar wie dan ook toe en van een gelijke blik volg Ik altijd om alzo te zuiveren bij het stof van de lotusvoeten [zie ook 7.14: 17]. (Vedabase)
Niet uit op zinsbevrediging en van een geest die steeds aan Mij gehecht is ervaren de grote zielen die innerlijk vrede hebben en zich inzetten voor alle individuele zielen wiens bewustzijn niet beheerst wordt door het lustmatige, Mijn geluk dat niet op een andere manier kan worden gekend dan door volledige onthechting.
Niet uit op zinsbevrediging van een geest zijnde die steeds aan Mij gehecht is, ervaren zij, de groten van innerlijke vrede die zorg dragen voor alle individuele zielen die in hun bewustzijn niet onder de invloed staan van lusten, Mijn geluk dat niet kan worden gekend anders dan door volledige onthechting. (Vedabase)
Ook al wordt hij geplaagd door zinnelijke verlangens, dan nog is de toegewijde van Mij die niet zijn zinnen de baas werd - die als regel effectief en sterk zijn - dankzij zijn toewijding niet verslagen door die soort van invloed [zie ook 1.5: 17, 8.7: 44, 11.13: 12 en B.G. 9: 30, 2: 62-64].
Ook al wordt hij geplaagd door de zinsobjecten dan nog is de toegewijde van Mij die niet de zinnen overwon - die als regel effectief en sterk zijn - dankzij zijn toewijding niet verslagen door die invloedssfeer. [zie ook 1.5: 17, 8.7: 44, 11.13: 12 en B.G. 9: 30, 2: 62-64 ]. (Vedabase)
Net zoals brandhout door de laaiende vlammen van een vuur verandert in as, worden op dezelfde manier met Mij als het voorwerp, in de toewijding de zonden volledig verbrand, o Uddhava.
Net zoals brandhout door de laaiende vlammen van een vuur verandert in as, verbrandt op dezelfde manier met Mij als het voorwerp, de toewijding de zonden volledig, o Uddhava. (Vedabase)
Het yogasysteem noch de analytische filosofie, Uddhava, vrome handelingen noch vedische studie, boete noch verzaking ontwikkelen zo goed een greep op Mij als een sterk ontwikkelde toegewijde dienst.
Noch het yogasysteem noch de analytische filosofie, Uddhava, noch vrome activiteiten noch de vedische studie, boete noch verzaking brengen Mij zo onder controle als de sterk ontwikkelde toegewijde dienst aan Mij.(Vedabase)
Men verwerft Mijn genade door standvastige toewijding met geloof in de Ziel als het voorwerp van de liefde. Met Mij [die Superziel] als de enige zal de bhakti der waarachtigen zelfs zij die honden eten zuiveren van de last van hun geboorte.
Ik wordt verkregen door standvastige toewijding met geloof in de Ziel als het voorwerp van de liefde; met Mij [die Superziel] als de enige zal de bhakti der waarachtigen zelfs honden-eters zuiveren van de dingen van hun geboorte. (Vedabase)
Zeker is dat noch dharma begaan met waarachtigheid en genade, noch kennis gekoppeld aan verzaking het bewustzijn volledig zuivert als men het moet stellen zonder de toegewijde dienst aan Mij.
Voorzeker zuivert noch het dharma toegerust met waarachtigheid en genade, noch de kennis toegerust met verzaking het bewustzijn volledig, indien [men] verstoken [is] van toegewijde dienst aan Mij. (Vedabase)
Hoe gaan nu zonder de bhakti je haren overeind staan, hoe kan nu zonder de liefdevolle dienst het hart vertederd raken en kunnen zonder devotie de tranen vloeien, kan de verrukking er zijn en het bewustzijn gezuiverd raken?
Hoe gaan nu zonder de bhakti je haren overeind, zal zonder de liefdevolle dienst het hart vertederd raken, kunnen zonder devotie de tranen vloeien, kan de verrukking er zijn en het bewustzijn gezuiverd raken? (Vedabase)
Door degene wiens spraak smoort, het hart vertedert, er keer op keer natte tranen zijn en soms weer lachen is, door hem van wie er onbeschaamd een luidkeels zingen is en er sprake is van dansen in de verbondenheid van Mijn yoga, raakt het universum gezuiverd [zie ook S'rî S'rî S'ikshâshthaka en 11.2: 40].
Van degene van wie de spraak smoort, het hart vertedert, er keer op keer natte tranen zijn en soms weer lachen is, van wie er onbeschaamd luidkeels zingen is en dansen eveneens verbonden in Mijn yoga, raakt het universum gezuiverd [zie ook s'ikshashthaka en 11.2: 40]. (Vedabase)
Zoals goud dat gesmolten in het vuur zijn onzuiverheden prijsgeeft en terugkeert naar zijn oorspronkelijke staat wordt van de geestelijke ziel de smet van het karma verdreven als men in Mijn liefdevolle dienst van aanbidding is voor Mij.
Zoals goud uitgesmolten in het vuur de onzuiverheden prijsgevend terugkeert naar zijn eigenlijke vorm wordt ook van de geestelijke ziel de besmetting door het karma verdreven door Mijn liefdevolle dienst van aanbidding voor Mij. (Vedabase)
Zo goed als het gezichtsvermogen zich herstelt als het oog eenmaal behandeld is met zalf, ziet de geestelijke ziel die schoongewassen werd door het luisteren naar en het bezingen van de vrome verhalen over Mij, op precies dezelfde manier weer de Ene Subtiele Essentie.
Zo goed als het oog ziet als het eenmaal behandeld is met zalf, ziet de geestelijke ziel, schoongewassen door het luisteren naar en het bezingen van de vrome vertellingen over Mij, precies op dezelfde manier de Ene Subtiele Essentie. (Vedabase)
Van degene die mediteert op de zinsobjecten raakt het bewustzijn verstrikt in de zinservaring [zie B.G. 2: 62-63]; evenzo raakt de geest systematisch in Mij verzonken als men Mij in gedachten houdt.
Van degene die mediteert op de zinsobjecten raakt het bewustzijn verstrikt in de zinservaring [zie B.G. 2.62-63]; evenzo wordt in de trouwe heugenis aan Mij het denken in Mij systematisch opgelost. (Vedabase)
Daarom zijn de materiële zorgen die men heeft als de drogbeelden die men heeft in een droom; in Mij verzonken geeft men ze op. Als men geheel in Mijn liefde opgaat raakt de geest gezuiverd.
Derhalve zijn de materiële beslommeringen als drogbeelden een droom die men in Mij moet opgeven, daar volledig opgegaan in Mijn liefde de geest gezuiverd raakt. (Vedabase)
Het opgevend intiem te zijn met vrouwen [seksuele omgang met hen te hebben, met anderen of anderszins], en zich verre houdend van het gezelschap van rokkenjagers, behoort men, zichzelf de baas wordend, op zijn gemak neer te zitten in afzondering en zich met grote zorg te concentreren op Mij [zie ook 11.8: 13-14 *].
Het opgevend intiem te zijn met vrouwen [sex met hen te hebben, met anderen of anderszins], en zich verre houdend van het gezelschap van rokkenjagers, behoort men, zichzelf de baas wordend, op zijn gemak neer te zitten in afzondering en met grote zorg zich te concentreren op Mij [zie ook 11.8: 13-14 *]. (Vedabase)
Geen andere gehechtheid bezorgt een man zo veel ellende en gebondenheid als de gehechtheid aan vrouwen en de omgang met hen die gehecht zijn aan vrouwen [zie ook 1.4: 25, 5.5: 2, 5.13: 16, 6.9: 9, 7.12: 9, 9.14: 36, 9.19: 17, 10.10: 8, 10.51: 51, 10.60: 44-45 & 48].'
Geen andere gehechtheid bezorgt een man zo veel ellende en gebondenheid als de gehechtheid aan vrouwen en de omgang met hen die gehecht zijn aan vrouwen [zie ook 1.4: 25, 5.5: 2, 5.13: 16, 6.9: 9, 7.12: 9, 9.14: 36, 9.19:17, 10.10: 8, 10.51: 51, 10.60: 44,45,48 ].' (Vedabase)
S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, hoe, van welke aard en in welke vorm moet de meditatie er zijn van degene die bevrijd wil raken? Wil Je alsJeblieft uitweiden over de meditatie?'
S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, hoe, van welke aard en in welke vorm moet de meditatie er zijnvan degene die de bevrijding verlangt; Je zou het met Mij eens over de meditatie moeten hebben.' (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Rechtop en comfortabel zittend op een zitplaats gelijkvloers, behoort men de handen in de schoot te leggen en de ogen te richten op het puntje van de neus. Het zuiveren van de manieren waarop men ademt - het inademen, vasthouden, uitademen en omgekeerd - moet men stap voor stap beoefenen terwijl men zijn zinnen in bedwang houdt [zie prânâyâma, en B.G. 4: 29].
De Allerhoogste Heer zei: 'Zittend rechtop en recht comfortabel op een zitplaats gelijkvloers, behoort men de handen in de schoot te leggen en de ogen te richten op het puntje van de neus. Het zuiveren van de manieren van ademen van het inademen, vasthouden, uitademen en omgekeerd, moet men stap voor stap beoefenen met het beheersen van de zinnen [zie prânâyâma, en B.G. 4.29]. (Vedabase)
Met behulp van de levensadem [prâna] in de geest het geluid AUM oproepend, moet men dat geluid opwaarts stuwen, als de vezels in een lotusstengel, om het luid te laten vibreren [in de neus] als een bel zodat de geluiden der recitatie weer tot eenheid worden gebracht [anusvâra **].
Ononderbroken behoort in het hart het geluid AUM klinkend als een bel naar boven te worden gestuwd middels de prâna, zoals met de vezels die naar boven reiken in een lotussteel, en behoort men aldus daarin de tonen der recitatie [genaamd anusvâra **] weer bijeen te voegen. (Vedabase)
Het ademen dat aldus is verenigd met de Pranava [zie ook 9.14: 46] moet zorgvuldig tien keer herhaald worden, bij zonsopkomst, in de middag, en bij zonsondergang, zodat men na een maand zijn ademen onder controle heeft [***].
De prâna aldus verenigd met de pranava [zie ook 9.14: 46] moet inderdaad met zorg tien keer achtereen beoefend worden, bij zonsopkomst, in de middag, en bij zonsondergang, zodat men na een maand de levensadem overwonnen zal hebben [***]. (Vedabase)
Met de ogen half gesloten en rechtop zittend moet men, waakzaam vanbinnen terwille van de hoogste bevrijding, zich concentreren op de lotus in het hart die naar boven is gericht. In de werveling van haar acht kelkbladeren stelt men vervolgens de één na de ander zich de zon, de maan en het vuur voor. In het vuur moet men zich Mijn harmonieuze vorm voorstellen, zo bevorderlijk voor de meditatie, die zachtgeaard en vriendelijk is en is toegerust met vier fraaie armen. Bekoorlijk is de schoonheid van de nek en het voorhoofd, de zuivere glimlach alsmede de oren met stralende, haaienvormige oorhangers. Men moet mediteren op de goudkleurige kleding, de huid met de kleur van regenwolken, de krul op de borst die de schuilplaats vormt voor de godin, de schelphoorn, de werpschijf, de knots en de lotus, en de rijkdom van de woudbloemenslinger. Men moet mediteren op alle prachtige en bekoorlijke delen van Mijn lichaam: de voeten met de glanzende belletjes, het rijk gloeiende Kaustubhajuweel, de stralende kroon en de polsbanden, de gordel en de armbanden, op het genadige glimlachen en op de allerfijnst besnaarde oogopslag. Dit moet men doen door de geest terug te trekken van de zinnen. Op deze manier moet men intelligent de wagenmenner [de ziel, de meester der intelligentie], sober en ernstig, [met liefde] leiden in de richting van Mijn volledigheid.
Met de ogen half gesloten geconcentreerd op de lotus die rechtop aanwezig is in het hart, moet men met het gezicht geheven en alert binnen in de werveling van haar acht kelkbladeren de een na de ander zich de zon voorstellen, de maan en het vuur. In het vuur moet men zich Mijn harmonieuze vorm voorhouden, zo bevorderlijk voor de meditatie, zachtgeaard en vriendelijk toegerust met vier fraaie armen. Bekoorlijk de schoonheid van de nek en het voorhoofd, de zuivere glimlach even zo en de oren met stralende haaienvormige oorhangers. Goudkleurig de kleding, een teint van regenwolken, de krul op de borst, de toevlucht van de godin, en een schelphoorn, een werpschijf, een knots en een lotus, en de verfraaiing met een woudbloemenslinger. De voeten met glanzende belletjes, rijk gloeiend de kaustubha, een stralende kroon en polsbanden, een gordel en armbanden; op alle delen van het lichaam prachtig en bekoorlijk, op het glimlachen met de genade en op de blik hoogst fijn besnaard, moet men mediteren door de geest en de zinnen te zetten naar alle ledematen. Door de geest terug te trekken van de voorwerpen van de zintuigen, door de intelligentie, de wagenmenner, sober en ernstig, moet men met liefde zich laten leiden naar het volledige van Mij. (Vedabase)
Als men met deze oefening al de lichaamsdelen overziet moet men vervolgens het bewustzijn terugtrekken en, zich concentrerend op één plek en nergens anders, opnieuw met liefde mediteren op de prachtige glimlach van het gezicht.
Met het terugtrekken van het bewustzijn dat daarmee zich uitbreidde naar alle delen, moet men, zich concentrerend op één plek, en niet op de rest, opnieuw op de prachtige glimlach mediteren in liefde voor het gelaat. (Vedabase)
Aldus met het terugtrekken van de geest gevestigd geraakt in de ether, moet men ook deze concentratie weer opgeven en naar Mij opgestegen aan niets anders meer denken.
Daarin gevestigd zijnd de geest terugtrekkend in de ether, moet men zich op die manier concentrerend ook dat weer opgevend en naar Mij opgestegen, niet aan iets anders denken. (Vedabase)
Zodoende volledig verzonken in het bewustzijn ziet de individuele ziel Mij in het zelf en al de zelven in Mij, net zoals de stralen van de zon zijn verenigd in de zon [zie ook B.G. 9: 29].
Aldus volledig verzonken in het bewustzijn ziet de individuele ziel inderdaad Mij binnenin het zelf en al de zelven in Mij, gelijk de zonnestralen die zijn verenigd in de zon [zie ook B.G. 9.29]. (Vedabase)
Van de yogi die hoogst geconcentreerd de meditatie als vermeld beoefent zal snel heel de begoochelde staat van geest van hem die zich de eigenaar, de kenner en de doener noemt, zijn oplossing vinden [vergelijk: 2.2: 8-14].'
Van de yogî die hoogst geconcentreerd de meditatie als vermeld beoefend zal in zijn geheel snel de begoochelde staat van de geest van de eigenaar, de kenner en de doener te zijn oplossen [vergelijk: 2.2: 8-14].' (Vedabase)
* Om dit vers niet verkeerd te interpreteren met het Sanskriet woord sangam dat men de omgang met vrouwen zou moeten schuwen in plaats van het intiem zijn met ze te schuwen, werd door Svâmî Prabhupâda benadrukt, in tegenspraak met de Indiase traditie, dat vrouwen en mannen heel goed in de cultuur van het Krishna-bewustzijn omgang kunnen hebben als ze samenleven in een tempel of in een huishouden. Dit was een van de grote wapenfeiten van hervoming naar aanleiding van een traditionele tempelroutine die negatief was over het samenleven met vrouwen.
** Als men als een cultuur niet bij wijze van een geregelde praktijk van recitatie is met het Sanskriet en men dus geen enkele anusvâra, geen nagalm in de neus heeft ter integratie, luidt het advies voor dit Tijdperk van de Redetwist om de Mahâmantra te beoefenen om de met de moderne tijd ongedurige geest tot vrede te bewegen: hare Krishna, hare Krishna, Krishna Krishna, hare hare; hare Râma, hare Râma, Râma Râma, hare hare en dan AUM te zeggen en de Gâyatrî als men neerzit voor de meditatie. Een praktijk nageleefd door alle geïnitieerde toegewijden.
*** Gezien een sterk variërende daglengte over de gehele wereld is het gebruikelijk dit te doen op de vaste tijden van de regelmatige uren van een [meditatie-]klok bij voorkeur met de zon gelijk gezet op twaalf uur als de zon in het zuiden staat [zie ook cakra].
![]()
Voor
deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van
Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn
vertaling van het Bhâgavatam.
Zie
de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd