
Bronteksten
[geen voorgaande versie in het Nederlands
beschikbaar]:
Lord
Krishna Explains the Yoga System to S'rî
Uddhava
Tekst
1
S'rî
Uddhava zei: 'Krishna, zijn de vele processen voor de
geestelijke vooruitgang waar de verdedigers van de Absolute
Waarheid het over hebben, nu zo verheven in hun samenhang of is
anders één van hen het
belangrijkste?
S'rî
Uddhava said: My dear Krishna, the learned sages who explain
Vedic literature recommend various processes for perfecting
one's life. Considering these varieties of viewpoint, my
Lord, please tell me whether all these processes are equally
important, or whether one of them is supreme.
Tekst
2
Het is door Jou
duidelijk gesteld o Meester, hoe de bhakti-yoga, waarmee de
geest op Jou gefixeerd raakt, zonder verlangens in alle
opzichten het lijden onder de [angstwekkende,
tijdelijke] materiële staat wegneemt.'
My
dear Lord, You have clearly explained the process of
unalloyed devotional service, by which a devotee removes all
material association from his life, enabling him to fix his
mind on You.
Tekst
3
De Allerhoogste
Heer zei: 'Deze boodschap bestaande uit de Veda's die verloren
gaat bij de eindvernietiging werd ten tijde van de schepping
door Mij uitgesproken voor Brahmâ; ze omvat het dharma
van het handelen naar Mijn wil [zie ook
3.9:
29-43].
The
Supreme Personality of Godhead said: By the influence of
time, the transcendental sound of Vedic knowledge was lost
at the time of annihilation. Therefore, when the subsequent
creation took place, I spoke the Vedic knowledge to
Brahmâ because I Myself am the religious principles
enunciated in the Vedas.
Tekst
4
Brahmâ
sprak haar uit voor zijn oudste zoon Manu van wie ze werd
aanvaard door de zeven grote wijzen van het geestelijk weten
aangevoerd door Bhrigu [zie 8.1,5
& 13
en B.G. 4.1-3].
Lord
Brahmâ spoke this Vedic knowledge to his eldest son,
Manu, and the seven great sages headed by Bhrigu Muni then
accepted the same knowledge from Manu.
Tekst
5-7:
Van de
voorvaderen die zij waren, waren er de nakomelingen: de
goddelijke en de demonische karakters, de S'iva-volgelingen, de
menselijke wezens, de vervolmaakten en de zangers van de hemel,
de wetenschappers en de achtenswaardigen. Uit rajas, tamas en
sattva [de guna's]
ontsprongen de vele verschillende naturen van de uiteenlopende
humanoïden [de kimdeva's],
de halfmensen [kinnara's],
de slangentypes [de nâga's]
de wildemannen [de râkshasa's],
en de aapachtigen [kimpurusha's].
Van de levende wezens door hun geneigdheden verdeeld in
evenzovele vormen en evenzovele leiders vloeide [als
rivieren van een berg] de veelvoud aan rituelen en mantra's
voort.
From
the forefathers headed by Bhrigu Muni and other sons of
Brahmâ appeared many children and descendants, who
assumed different forms as demigods, demons, human beings,
Guhyakas, Siddhas, Gandharvas, Vidyâdharas,
Câranas, Kindevas, Kinnaras, Nâgas, Kimpurushas,
and so on. All of the many universal species, along with
their respective leaders, appeared with different natures
and desires generated from the three modes of material
nature. Therefore, because of the different characteristics
of the living entities within the universe, there are a
great many Vedic rituals, mantras and rewards.
Tekst
8
Aldus zijn als
gevolg van de grote variëteit aan naturen de
levensovertuigingen onder de menselijke wezens verdeeld,
waarbij sommigen tradities uitmaken van geestelijke
erfopvolging terwijl anderen van een ketterse aard zijn
[pâshanda].
Thus,
due to the great variety of desires and natures among human
beings, there are many different theistic philosophies of
life, which are handed down through tradition, custom and
disciplic succession. There are other teachers who directly
support atheistic viewpoints.
Tekst
9
De mensen wiens
intelligentie is verbijsterd door Mijn illusiewekkend vermogen,
o beste van alle personen, laten zich op talloze manieren uit
over wat naar hun eigen karma en smaak beter zou
zijn.
O
best among men, the intelligence of human beings is
bewildered by My illusory potency, and thus, according to
their own activities and whims, they speak in innumerable
ways about what is actually good for people.
Tekst
10
Sommigen
spreken ten gunste van vrome activiteiten en anderen van roem,
zinsbevrediging, waarachtigheid, zelfbeheersing en
vreedzaamheid; anderen staan het eigenbelang voor, politieke
invloed, verzaking, of consumptie en sommige mensen verdedigen
opoffering, boetedoening, liefdadigheid, geloften en allerlei
regelingen van wat wel en wat niet zou moeten
[yama-niyama].
Some
say that people will be happy by performing pious religious
activities. Others say that happiness is attained through
fame, sense gratification, truthfulness, self-control,
peace, self-interest, political influence, opulence,
renunciation, consumption, sacrifice, penance, charity,
vows, regulated duties or strict disciplinary regulation.
Each process has its proponents.
Tekst
11
Met een
onvermijdelijk begin en einde aan de povere bestemmingen
bereikt met iemands karma bestaat er daar het vooruitzicht van
de resulterende misère; zich bevindend in onwetendheid
is men ellendig vol van geweeklaag [of stille wanhoop].
All
the persons I have just mentioned obtain temporary fruits
from their material work. Indeed, the meager and miserable
situations they achieve bring future unhappiness and are
based on ignorance. Even while enjoying the fruits of their
work, such persons are filled with lamentation.
Tekst
12
Hoe kan van
iemand van wie het bewustzijn op Mij gevestigd is, o
geschoolde, van iemand die in alle opzichten vrij is van
materiële verlangens, een dergelijk geluk met het
geestelijk lichaam van Mij er met hen zijn die gehecht zijn aan
zinsbevrediging [zie 4.31:
12]?
O
learned Uddhava, those who fix their consciousness on Me,
giving up all material desires, share with Me a happiness
that cannot possibly be experienced by those engaged in
sense gratification.
Tekst
13
Hij die niet
begeert, die in vrede verkeert met zijn zinnen onder controle,
wiens bewustzijn gelijkmoedig is wanneer ook en die een geest
heeft die met Mij volkomen tevreden is, is vervuld van geluk
waar hij ook gaat of staat.
One
who does not desire anything within this world, who has
achieved peace by controlling his senses, whose
consciousness is equal in all conditions and whose mind is
completely satisfied in Me finds only happiness wherever he
goes.
Tekst
14
Niet de positie
van Brahmâ, noch de positie van Indra, noch een rijk op
aarde of de heerschappij in de lagere werelden, noch de
volmaaktheden [de siddhi's]
van de yoga of het nogmaals geboren zijn, vormt het verlangen
van hem die zijn bewustzijn in Mij heeft vastgelegd, Mij en
niets anders [zie e.g. 5.1:
6].
One
who has fixed his consciousness on Me desires neither the
position or abode of Lord Brahmâ or Lord Indra, nor an
empire on the earth, nor sovereignty in the lower planetary
systems, nor the eightfold perfection of yoga, nor
liberation from birth and death. Such a person desires Me
alone.
Tekst
15
Noch hij die
geboren werd uit Mijn lichaam [Brahmâ], noch
S'ankara [S'iva], noch Sankarshana
[Balarâma], noch de godin van het geluk
[S'rî], noch voorzeker zelfs Mijn eigen Zelf is
Mij lief in de mate waarin jij dat bent [zie
ook
B.G 12: 20].
My
dear Uddhava, neither Lord Brahmâ, Lord S'iva, Lord
Sankarshana, the goddess of fortune nor indeed My own self
are as dear to Me as you are.
Tekst
16
De wijze vredig
zonder persoonlijk verlangen, niet vijandig naar wie dan ook
toe en van een gelijke blik volg Ik altijd om alzo te zuiveren
bij het stof van de lotusvoeten [zie ook
7.14:
17].
With
the dust of My devotees' lotus feet I desire to purify the
material worlds, which are situated within Me. Thus, I
always follow the footsteps of My pure devotees, who are
free from all personal desire, rapt in thought of My
pastimes, peaceful, without any feelings of enmity, and of
equal disposition everywhere.
Tekst
17
Niet uit op
zinsbevrediging van een geest zijnde die steeds aan Mij gehecht
is, ervaren zij, de groten van innerlijke vrede die zorg dragen
voor alle individuele zielen die in hun bewustzijn niet onder
de invloed staan van lusten, Mijn geluk dat niet kan worden
gekend anders dan door volledige onthechting.
Those
who are without any desire for personal gratification, whose
minds are always attached to Me, who are peaceful, without
false ego and merciful to all living entities, and whose
consciousness is never affected by opportunities for sense
gratification - such persons enjoy in Me a happiness that
cannot be known or achieved by those lacking such detachment
from the material world.
Tekst
18
Ook al wordt
hij geplaagd door de zinsobjecten dan nog is de toegewijde van
Mij die niet de zinnen overwon - die als regel effectief en
sterk zijn - dankzij zijn toewijding niet verslagen door die
invloedssfeer. [zie ook 1.5:
17,
8.7:
44,
11.13:
12 en B.G.
9:
30,
2:
62-64 ].
My
dear Uddhava, if My devotee has not fully conquered his
senses, he may be harassed by material desires, but because
of his unflinching devotion for Me, he will not be defeated
by sense gratification.
Tekst
19
Net zoals
brandhout door de laaiende vlammen van een vuur verandert in
as, verbrandt op dezelfde manier met Mij als het voorwerp, de
toewijding de zonden volledig, o Uddhava.
My
dear Uddhava, just as a blazing fire turns firewood into
ashes, similarly, devotion unto Me completely burns to ashes
sins committed by My devotees.
Tekst
20
Noch het
yogasysteem noch de analytische filosofie, Uddhava, noch vrome
activiteiten noch de vedische studie, boete noch verzaking
brengen Mij zo onder controle als de sterk ontwikkelde
toegewijde dienst aan Mij.
My
dear Uddhava, the unalloyed devotional service rendered to
Me by My devotees brings Me under their control. I cannot be
thus controlled by those engaged in mystic yoga,
Sânkhya philosophy, pious work, Vedic study, austerity
or renunciation.
Tekst
21
Ik wordt
verkregen door standvastige toewijding met geloof in de Ziel
als het voorwerp van de liefde; met Mij [die Superziel]
als de enige zal de bhakti der waarachtigen zelfs honden-eters
zuiveren van de dingen van hun geboorte.
Only
by practicing unalloyed devotional service with full faith
in Me can one obtain Me, the Supreme Personality of Godhead.
I am naturally dear to My devotees, who take Me as the only
goal of their loving service. By engaging in such pure
devotional service, even the dog-eaters can purify
themselves from the contamination of their low birth.
Tekst
22
Voorzeker
zuivert noch het dharma toegerust met waarachtigheid en genade,
noch de kennis toegerust met verzaking het bewustzijn volledig,
indien [men] verstoken [is] van toegewijde
dienst aan Mij.
Neither
religious activities endowed with honesty and mercy nor
knowledge obtained with great penance can completely purify
one's consciousness if they are bereft of loving service to
Me.
Tekst
23
Hoe gaan nu
zonder de bhakti je haren overeind, zal zonder de liefdevolle
dienst het hart vertederd raken, kunnen zonder devotie de
tranen vloeien, kan de verrukking er zijn en het bewustzijn
gezuiverd raken?
If
one's hairs do not stand on end, how can the heart melt? And
if the heart does not melt, how can tears of love flow from
the eyes? If one does not cry in spiritual happiness, how
can one render loving service to the Lord? And without such
service, how can the consciousness be purified?
Tekst
24
Van degene van
wie de spraak smoort, het hart vertedert, er keer op keer natte
tranen zijn en soms weer lachen is, van wie er onbeschaamd
luidkeels zingen is en dansen eveneens verbonden in Mijn yoga,
raakt het universum gezuiverd [zie ook s'ikshashthaka
en 11.2:
40].
A
devotee whose speech is sometimes choked up, whose heart
melts, who cries continually and sometimes laughs, who feels
ashamed and cries out loudly and then dances - a devotee
thus fixed in loving service to Me purifies the entire
universe.
Tekst
25
Zoals goud
uitgesmolten in het vuur de onzuiverheden prijsgevend
terugkeert naar zijn eigenlijke vorm wordt ook van de
geestelijke ziel de besmetting door het karma verdreven door
Mijn liefdevolle dienst van aanbidding voor Mij.
Just
as gold, when smelted in fire, gives up its impurities and
returns to its pure brilliant state, similarly, the spirit
soul, absorbed in the fire of bhakti-yoga, is purified of
all contamination caused by previous fruitive activities and
returns to its original position of serving Me in the
spiritual world.
Tekst
26
Zo goed als het
oog ziet als het eenmaal behandeld is met zalf, ziet de
geestelijke ziel, schoongewassen door het luisteren naar en het
bezingen van de vrome vertellingen over Mij, precies op
dezelfde manier de Ene Subtiele Essentie.
When
a diseased eye is treated with medicinal ointment it
gradually recovers its power to see. Similarly, as a
conscious living entity cleanses himself of material
contamination by hearing and chanting the pious narrations
of My glories, he regains his ability to see Me, the
Absolute Truth, in My subtle spiritual form.
Tekst
27
Van degene die
mediteert op de zinsobjecten raakt het bewustzijn verstrikt in
de zinservaring [zie B.G. 2.62-63];
evenzo wordt in de trouwe heugenis aan Mij het denken in Mij
systematisch opgelost.
The
mind of one meditating upon the objects of sense
gratification is certainly entangled in such objects, but if
one constantly remembers Me, then the mind is absorbed in
Me.
Tekst
28
Derhalve zijn
de materiële beslommeringen als drogbeelden een droom die
men in Mij moet opgeven, daar volledig opgegaan in Mijn liefde
de geest gezuiverd raakt
Therefore,
one should reject all material processes of elevation, which
are like the mental creations of a dream, and should
completely absorb one's mind in Me. By constantly thinking
of Me, one becomes purified.
Tekst
29
Het opgevend
intiem te zijn met vrouwen [sex met hen te hebben, met
anderen of anderszins], en zich verre houdend van het
gezelschap van rokkenjagers, behoort men, zichzelf de baas
wordend, op zijn gemak neer te zitten in afzondering en met
grote zorg zich te concentreren op Mij [zie ook
11.8:
13-14
*].
Being
conscious of the eternal self, one should give up
association with women and those intimately associated with
women. Sitting fearlessly in a solitary place, one should
concentrate the mind on Me with great attention.
Tekst
30
Geen andere
gehechtheid bezorgt een man zo veel ellende en gebondenheid als
de gehechtheid aan vrouwen en de omgang met hen die gehecht
zijn aan vrouwen [zie ook 1.4:
25,
5.5:
2,
5.13:
16,
6.9:
9,
7.12:
9,
9.14:
36,
9.19:17,
10.10:
8,
10.51:
51,
10.60:
44,45,48
].'
Of
all kinds of suffering and bondage arising from various
attachments, none is greater than the suffering and bondage
arising from attachment to women and intimate contact with
those attached to women.
Tekst
31
S'rî
Uddhava zei: 'O Lotusogige, hoe, van welke aard en in welke
vorm moet de meditatie er zijnvan degene die de bevrijding
verlangt; Je zou het met Mij eens over de meditatie moeten
hebben.'
S'rî
Uddhava said: My dear lotus-eyed Krishna, by what process
should one who desires liberation meditate upon You, of what
specific nature should his meditation be, and upon which
form should he meditate? Kindly explain to me this topic of
meditation.
Tekst
32-33
De Allerhoogste
Heer zei: 'Zittend rechtop en recht comfortabel op een
zitplaats gelijkvloers, behoort men de handen in de schoot te
leggen en de ogen te richten op het puntje van de neus. Het
zuiveren van de manieren van ademen van het inademen,
vasthouden, uitademen en omgekeerd, moet men stap voor stap
beoefenen met het beheersen van de zinnen [zie
prânâyâma,
en B.G. 4.29].
The
Supreme Personality of Godhead said: Sitting on a level seat
that is not too high or too low, keeping the body straight
and erect yet comfortable, placing the two hands on one's
lap and focusing the eyes on the tip of one's nose, one
should purify the pathways of breathing by practicing the
mechanical exercises of pûraka, kumbhaka and recaka,
and then one should reverse the procedure (recaka, kumbhaka,
pûraka). Having fully controlled the senses, one may
thus practice prânâyâma step by
step.
Tekst
34
Ononderbroken
behoort in het hart het geluid AUM klinkend als een bel naar
boven te worden gestuwd middels de prâna, zoals met de
vezels die naar boven reiken in een lotussteel, en behoort men
aldus daarin de tonen der recitatie [genaamd anusvâra
**]
weer bijeen te voegen.
Beginning
from the mûlâdhâra-cakra, one should move
the life air continuously upward like the fibers in the
lotus stalk until one reaches the heart, where the sacred
syllable om is situated like the sound of a bell. One should
thus continue raising the sacred syllable upward the
distance of twelve angulas, and there the omkâra
should be joined together with the fifteen vibrations
produced with anusvâra.
Tekst
35
De prâna
aldus verenigd met de pranava
[zie ook 9.14:
46]
moet inderdaad met zorg tien keer achtereen beoefend worden,
bij zonsopkomst, in de middag, en bij zonsondergang, zodat men
na een maand de levensadem overwonnen zal hebben
[***].
Being
fixed in the omkâra, one should carefully practice the
prânâyâma system ten times at each
sunrise, noon and sunset. Thus, after one month one will
have conquered the life air.
Tekst
36-42
Met de ogen
half gesloten geconcentreerd op de lotus die rechtop aanwezig
is in het hart, moet men met het gezicht geheven en alert
binnen in de werveling van haar acht kelkbladeren de een na de
ander zich de zon voorstellen, de maan en het vuur. In het vuur
moet men zich Mijn harmonieuze vorm voorhouden, zo bevorderlijk
voor de meditatie, zachtgeaard en vriendelijk toegerust met
vier fraaie armen. Bekoorlijk de schoonheid van de nek en het
voorhoofd, de zuivere glimlach evenzo en de oren met stralende
haaienvormige oorhangers. Goudkleurig de kleding, een teint van
regenwolken, de krul op de borst, de toevlucht van de godin, en
een schelphoorn, een werpschijf, een knots en een lotus, en de
verfraaiing met een woudbloemenslinger. De voeten met glanzende
belletjes, rijk gloeiend de kaustubha, een stralende kroon en
polsbanden, een gordel en armbanden; op alle delen van het
lichaam prachtig en bekoorlijk, op het glimlachen met de genade
en op de blik hoogst fijn besnaard, moet men mediteren door de
geest en de zinnen te zetten naar alle ledematen. Door de geest
terug te trekken van de voorwerpen van de zintuigen, door de
intelligentie, de wagenmenner, sober en ernstig, moet men met
liefde zich laten leiden naar het volledige van Mij.
Keeping
the eyes half closed and fixed on the tip of one's nose,
being enlivened and alert, one should meditate on the lotus
flower situated within the heart. This lotus has eight
petals and is situated on an erect lotus stalk. One should
meditate on the sun, moon and fire, placing them one after
the other within the whorl of that lotus flower. Placing My
transcendental form within the fire, one should meditate
upon it as the auspicious goal of all meditation. That form
is perfectly proportioned, gentle and cheerful. It possesses
four beautiful long arms, a charming, beautiful neck, a
handsome forehead, a pure smile and glowing, shark-shaped
earrings suspended from two identical ears. That spiritual
form is the color of a dark rain cloud and is garbed in
golden-yellowish silk. The chest of that form is the abode
of S'rîvatsa and the goddess of fortune, and that form
is also decorated with a conchshell, disc, club, lotus
flower and garland of forest flowers. The two brilliant
lotus feet are decorated with ankle bells and bracelets, and
that form exhibits the Kaustubha gem along with an effulgent
crown. The upper hips are beautified by a golden belt, and
the arms are decorated with valuable bracelets. All of the
limbs of that beautiful form capture the heart, and the face
is beautified by merciful glancing. Pulling the senses back
from the sense objects, one should be grave and
self-controlled and should use the intelligence to strongly
fix the mind upon all of the limbs of My transcendental
body. Thus one should meditate upon that most delicate
transcendental form of Mine.
Tekst
43
Met het
terugtrekken van het bewustzijn dat daarmee zich uitbreidde
naar alle delen, moet men, zich concentrerend op
één plek, en niet op de rest, opnieuw op de
prachtige glimlach mediteren in liefde voor het gelaat.
One
should then pull the consciousness back from all the limbs
of that transcendental body. At that time, one should
meditate only on the wonderfully smiling face of the
Lord.
Tekst
44
Daarin
gevestigd zijnd de geest terugtrekkend in de ether, moet men
zich op die manier concentrerend ook dat weer opgevend en naar
Mij opgestegen, niet aan iets anders denken.
Being
established in meditation on the Lord's face, one should
then withdraw the consciousness and fix it in the sky. Then
giving up such meditation, one should become established in
Me and give up the process of meditation altogether.
Tekst
45
Aldus volledig
verzonken in het bewustzijn ziet de individuele ziel inderdaad
Mij binnenin het zelf en al de zelven in Mij, gelijk de
zonnestralen die zijn verenigd in de zon [zie ook B.G.
9.29].
One
who has completely fixed his mind on Me should see Me within
his own soul and should see the individual soul within Me,
the Supreme Personality of Godhead. Thus, he sees the
individual souls united with the Supreme Soul, just as one
sees the sun's rays completely united with the sun.
Tekst
46
Van de
yogî die hoogst geconcentreerd de meditatie als vermeld
beoefend zal in zijn geheel snel de begoochelde staat van de
geest van de eigenaar, de kenner en de doener te zijn oplossen
[vergelijk: 2.2:
8-14].'
When
the yogî thus controls his mind by intensely
concentrated meditation, his illusory identification with
material objects, knowledge and activities is very quickly
extinguished.
*
Om niet
dit vers verkeerd geinterpreteerd te krijgen naar het Sanskriet
woord sangam dat men de omgang met vrouwen zou moeten
schuwen in plaats van het intiem zijn met ze te schuwen, werd
door Swami Prabhupâda benadrukt, in tegenspraak met de
Indiase traditie, dat vrouwen en mannen heel goed vanuit de
kultuur van het Krishna-bewustzijn omgang kunnen hebben,
samenlevend in een tempel of in een huishouden. Dit was een van
de grote wapenfeiten van hervoming naar een traditionele
tempelroutine die negatief was over het samenleven met
vrouwen.
**
Als men als een cultuur niet bij wijze van een geregelde
praktijk van recitatie is met het Sanskriet en men dus geen
enkele anusvâra, geen nagalm in de neus heeft ter
integratie, luidt het advies voor dit Tijdperk van de Redetwist
om de mahâmantra te beoefenen om de met de moderne tijd
ongedurige geest tot vrede te bewegen: hare Krishna, hare
Krishna, Krishna Krishna, hare hare; hare Râma, hare
Râma, Râma Râma, hare hare en dan
AUM te zeggen en de gâyatrî
als men neerzit voor de meditatie. Een praktijk nageleefd door
alle geïnitieerde toegewijden.
***
Gezien een sterk variërende daglengte over de gehele
wereld is het gebruikelijk dit te doen op de vaste tijden van
de regelmatige uren van een [meditatie-]klok bij
voorkeur met de zon gelijk gezet op twaalf uur als de zon in
het zuiden staat [zie ook cakra].