regelbalk

 

S'rî Krishna Caitanya

 

 

 

Canto 11

 

Hoofdstuk 14

 

De Devotionele Samenhang der Methoden en de Meditatie op Vishnu

(1) S'rî Uddhava zei: 'Krishna, zijn de vele processen voor de geestelijke vooruitgang waar de verdedigers van de Absolute Waarheid het over hebben, nu zo verheven in hun samenhang of is anders één van hen het belangrijkste? (2) Het is door Jou duidelijk gesteld o Meester, hoe de bhakti-yoga, waarmee de geest op Jou gefixeerd raakt, zonder verlangens in alle opzichten het lijden onder de [angstwekkende, tijdelijke] materiële staat wegneemt.'

(3) De Allerhoogste Heer zei: 'Deze boodschap bestaande uit de Veda's die verloren gaat bij de eindvernietiging werd ten tijde van de schepping door Mij uitgesproken voor Brahmâ; ze omvat het dharma van het handelen naar Mijn wil [zie ook 3.9: 29-43]. (4) Brahmâ sprak haar uit voor zijn oudste zoon Manu van wie ze werd aanvaard door de zeven grote wijzen van het geestelijk weten aangevoerd door Bhrigu [zie 8.1,5 & 13 en B.G. 4.1-3]. (5-7) Van de voorvaderen die zij waren, waren er de nakomelingen: de goddelijke en de demonische karakters, de S'iva-volgelingen, de menselijke wezens, de vervolmaakten en de zangers van de hemel, de wetenschappers en de achtenswaardigen. Uit rajas, tamas en sattva [de guna's] ontsprongen de vele verschillende naturen van de uiteenlopende humanoïden [de kimdeva's], de halfmensen [kinnara's], de slangentypes [de nâga's] de wildemannen [de râkshasa's], en de aapachtigen [kimpurusha's]. Van de levende wezens door hun geneigdheden verdeeld in evenzovele vormen en evenzovele leiders vloeide [als rivieren van een berg] de veelvoud aan rituelen en mantra's voort. (8) Aldus zijn als gevolg van de grote variëteit aan naturen de levensovertuigingen onder de menselijke wezens verdeeld, waarbij sommigen tradities uitmaken van geestelijke erfopvolging terwijl anderen van een ketterse aard zijn [pâshanda]. (9) De mensen wiens intelligentie is verbijsterd door Mijn illusiewekkend vermogen, o beste van alle personen, laten zich op talloze manieren uit over wat naar hun eigen karma en smaak beter zou zijn. (10) Sommigen spreken ten gunste van vrome activiteiten en anderen van roem, zinsbevrediging, waarachtigheid, zelfbeheersing en vreedzaamheid; anderen staan het eigenbelang voor, politieke invloed, verzaking, of consumptie en sommige mensen verdedigen opoffering, boetedoening, liefdadigheid, geloften en allerlei regelingen van wat wel en wat niet zou moeten [yama-niyama]. (11) Met een onvermijdelijk begin en einde aan de povere bestemmingen bereikt met iemands karma bestaat er daar het vooruitzicht van de resulterende misère; zich bevindend in onwetendheid is men ellendig vol van geweeklaag [of stille wanhoop]. (12) Hoe kan van iemand van wie het bewustzijn op Mij gevestigd is, o geschoolde, van iemand die in alle opzichten vrij is van materiële verlangens, een dergelijk geluk met het geestelijk lichaam van Mij er met hen zijn die gehecht zijn aan zinsbevrediging [zie 4.31: 12]? (13) Hij die niet begeert, die in vrede verkeert met zijn zinnen onder controle, wiens bewustzijn gelijkmoedig is wanneer ook en die een geest heeft die met Mij volkomen tevreden is, is vervuld van geluk waar hij ook gaat of staat. (14) Niet de positie van Brahmâ, noch de positie van Indra, noch een rijk op aarde of de heerschappij in de lagere werelden, noch de volmaaktheden [de siddhi's] van de yoga of het nogmaals geboren zijn, vormt het verlangen van hem die zijn bewustzijn in Mij heeft vastgelegd, Mij en niets anders [zie e.g. 5.1: 6]. (15) Noch hij die geboren werd uit Mijn lichaam [Brahmâ], noch S'ankara [S'iva], noch Sankarshana [Balarâma], noch de godin van het geluk [S'rî], noch voorzeker zelfs Mijn eigen Zelf is Mij lief in de mate waarin jij dat bent [zie ook B.G 12: 20]. (16) De wijze vredig zonder persoonlijk verlangen, niet vijandig naar wie dan ook toe en van een gelijke blik volg Ik altijd om alzo te zuiveren bij het stof van de lotusvoeten [zie ook 7.14: 17]. (17) Niet uit op zinsbevrediging van een geest zijnde die steeds aan Mij gehecht is, ervaren zij, de groten van innerlijke vrede die zorg dragen voor alle individuele zielen die in hun bewustzijn niet onder de invloed staan van lusten, Mijn geluk dat niet kan worden gekend anders dan door volledige onthechting. (18) Ook al wordt hij geplaagd door de zinsobjecten dan nog is de toegewijde van Mij die niet de zinnen overwon - die als regel effectief en sterk zijn - dankzij zijn toewijding niet verslagen door die invloedssfeer. [zie ook 1.5: 17, 8.7: 44, 11.13: 12 en B.G. 9: 30, 2: 62-64 ]. (19) Net zoals brandhout door de laaiende vlammen van een vuur verandert in as, verbrandt op dezelfde manier met Mij als het voorwerp, de toewijding de zonden volledig, o Uddhava. (20) Noch het yogasysteem noch de analytische filosofie, Uddhava, noch vrome activiteiten noch de vedische studie, boete noch verzaking brengen Mij zo onder controle als de sterk ontwikkelde toegewijde dienst aan Mij. (21) Ik wordt verkregen door standvastige toewijding met geloof in de Ziel als het voorwerp van de liefde; met Mij [die Superziel] als de enige zal de bhakti der waarachtigen zelfs honden-eters zuiveren van de dingen van hun geboorte. (22) Voorzeker zuivert noch het dharma toegerust met waarachtigheid en genade, noch de kennis toegerust met verzaking het bewustzijn volledig, indien [men] verstoken [is] van toegewijde dienst aan Mij. (23) Hoe gaan nu zonder de bhakti je haren overeind, zal zonder de liefdevolle dienst het hart vertederd raken, kunnen zonder devotie de tranen vloeien, kan de verrukking er zijn en het bewustzijn gezuiverd raken? (24) Van degene van wie de spraak smoort, het hart vertedert, er keer op keer natte tranen zijn en soms weer lachen is, van wie er onbeschaamd luidkeels zingen is en dansen eveneens verbonden in Mijn yoga, raakt het universum gezuiverd [zie ook s'ikshashthaka en 11.2: 40]. (25) Zoals goud uitgesmolten in het vuur de onzuiverheden prijsgevend terugkeert naar zijn eigenlijke vorm wordt ook van de geestelijke ziel de besmetting door het karma verdreven door Mijn liefdevolle dienst van aanbidding voor Mij. (26) Zo goed als het oog ziet als het eenmaal behandeld is met zalf, ziet de geestelijke ziel, schoongewassen door het luisteren naar en het bezingen van de vrome vertellingen over Mij, precies op dezelfde manier de Ene Subtiele Essentie. (27) Van degene die mediteert op de zinsobjecten raakt het bewustzijn verstrikt in de zinservaring [zie B.G. 2.62-63]; evenzo wordt in de trouwe heugenis aan Mij het denken in Mij systematisch opgelost. (28) Derhalve zijn de materiële beslommeringen als drogbeelden een droom die men in Mij moet opgeven, daar volledig opgegaan in Mijn liefde de geest gezuiverd raakt. (29) Het opgevend intiem te zijn met vrouwen [sex met hen te hebben, met anderen of anderszins], en zich verre houdend van het gezelschap van rokkenjagers, behoort men, zichzelf de baas wordend, op zijn gemak neer te zitten in afzondering en met grote zorg zich te concentreren op Mij [zie ook 11.8: 13-14 *]. (30) Geen andere gehechtheid bezorgt een man zo veel ellende en gebondenheid als de gehechtheid aan vrouwen en de omgang met hen die gehecht zijn aan vrouwen [zie ook 1.4: 25, 5.5: 2, 5.13: 16, 6.9: 9, 7.12: 9, 9.14: 36, 9.19:17, 10.10: 8, 10.51: 51, 10.60: 44,45,48 ].'

(31) S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, hoe, van welke aard en in welke vorm moet de meditatie er zijnvan degene die de bevrijding verlangt; Je zou het met Mij eens over de meditatie moeten hebben.'

(32-33) De Allerhoogste Heer zei: 'Zittend rechtop en recht comfortabel op een zitplaats gelijkvloers, behoort men de handen in de schoot te leggen en de ogen te richten op het puntje van de neus. Het zuiveren van de manieren van ademen van het inademen, vasthouden, uitademen en omgekeerd, moet men stap voor stap beoefenen met het beheersen van de zinnen [zie prânâyâma, en B.G. 4.29]. (34) Ononderbroken behoort in het hart het geluid AUM klinkend als een bel naar boven te worden gestuwd middels de prâna, zoals met de vezels die naar boven reiken in een lotussteel, en behoort men aldus daarin de tonen der recitatie [genaamd anusvâra **] weer bijeen te voegen. (35) De prâna aldus verenigd met de pranava [zie ook 9.14: 46] moet inderdaad met zorg tien keer achtereen beoefend worden, bij zonsopkomst, in de middag, en bij zonsondergang, zodat men na een maand de levensadem overwonnen zal hebben [***]. (36-42) Met de ogen half gesloten geconcentreerd op de lotus die rechtop aanwezig is in het hart, moet men met het gezicht geheven en alert binnen in de werveling van haar acht kelkbladeren de een na de ander zich de zon voorstellen, de maan en het vuur. In het vuur moet men zich Mijn harmonieuze vorm voorhouden, zo bevorderlijk voor de meditatie, zachtgeaard en vriendelijk toegerust met vier fraaie armen. Bekoorlijk de schoonheid van de nek en het voorhoofd, de zuivere glimlach evenzo en de oren met stralende haaienvormige oorhangers. Goudkleurig de kleding, een teint van regenwolken, de krul op de borst, de toevlucht van de godin, en een schelphoorn, een werpschijf, een knots en een lotus, en de verfraaiing met een woudbloemenslinger. De voeten met glanzende belletjes, rijk gloeiend de kaustubha, een stralende kroon en polsbanden, een gordel en armbanden; op alle delen van het lichaam prachtig en bekoorlijk, op het glimlachen met de genade en op de blik hoogst fijn besnaard, moet men mediteren door de geest en de zinnen te zetten naar alle ledematen. Door de geest terug te trekken van de voorwerpen van de zintuigen, door de intelligentie, de wagenmenner, sober en ernstig, moet men met liefde zich laten leiden naar het volledige van Mij. (43) Met het terugtrekken van het bewustzijn dat daarmee zich uitbreidde naar alle delen, moet men, zich concentrerend op één plek, en niet op de rest, opnieuw op de prachtige glimlach mediteren in liefde voor het gelaat. (44) Daarin gevestigd zijnd de geest terugtrekkend in de ether, moet men zich op die manier concentrerend ook dat weer opgevend en naar Mij opgestegen, niet aan iets anders denken. (45) Aldus volledig verzonken in het bewustzijn ziet de individuele ziel inderdaad Mij binnenin het zelf en al de zelven in Mij, gelijk de zonnestralen die zijn verenigd in de zon [zie ook B.G. 9.29]. (46) Van de yogî die hoogst geconcentreerd de meditatie als vermeld beoefend zal in zijn geheel snel de begoochelde staat van de geest van de eigenaar, de kenner en de doener te zijn oplossen [vergelijk: 2.2: 8-14].'

 

 next        

 
 

 

 

Bronteksten [geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar]:

Lord Krishna Explains the Yoga System to S'rî Uddhava

 

Tekst 1

S'rî Uddhava zei: 'Krishna, zijn de vele processen voor de geestelijke vooruitgang waar de verdedigers van de Absolute Waarheid het over hebben, nu zo verheven in hun samenhang of is anders één van hen het belangrijkste?

S'rî Uddhava said: My dear Krishna, the learned sages who explain Vedic literature recommend various processes for perfecting one's life. Considering these varieties of viewpoint, my Lord, please tell me whether all these processes are equally important, or whether one of them is supreme.

 

Tekst 2

Het is door Jou duidelijk gesteld o Meester, hoe de bhakti-yoga, waarmee de geest op Jou gefixeerd raakt, zonder verlangens in alle opzichten het lijden onder de [angstwekkende, tijdelijke] materiële staat wegneemt.'

My dear Lord, You have clearly explained the process of unalloyed devotional service, by which a devotee removes all material association from his life, enabling him to fix his mind on You.

 

Tekst 3

De Allerhoogste Heer zei: 'Deze boodschap bestaande uit de Veda's die verloren gaat bij de eindvernietiging werd ten tijde van de schepping door Mij uitgesproken voor Brahmâ; ze omvat het dharma van het handelen naar Mijn wil [zie ook 3.9: 29-43].

The Supreme Personality of Godhead said: By the influence of time, the transcendental sound of Vedic knowledge was lost at the time of annihilation. Therefore, when the subsequent creation took place, I spoke the Vedic knowledge to Brahmâ because I Myself am the religious principles enunciated in the Vedas.

 

Tekst 4

Brahmâ sprak haar uit voor zijn oudste zoon Manu van wie ze werd aanvaard door de zeven grote wijzen van het geestelijk weten aangevoerd door Bhrigu [zie 8.1,5 & 13 en B.G. 4.1-3].

Lord Brahmâ spoke this Vedic knowledge to his eldest son, Manu, and the seven great sages headed by Bhrigu Muni then accepted the same knowledge from Manu.

  

Tekst 5-7:

Van de voorvaderen die zij waren, waren er de nakomelingen: de goddelijke en de demonische karakters, de S'iva-volgelingen, de menselijke wezens, de vervolmaakten en de zangers van de hemel, de wetenschappers en de achtenswaardigen. Uit rajas, tamas en sattva [de guna's] ontsprongen de vele verschillende naturen van de uiteenlopende humanoïden [de kimdeva's], de halfmensen [kinnara's], de slangentypes [de nâga's] de wildemannen [de râkshasa's], en de aapachtigen [kimpurusha's]. Van de levende wezens door hun geneigdheden verdeeld in evenzovele vormen en evenzovele leiders vloeide [als rivieren van een berg] de veelvoud aan rituelen en mantra's voort.

From the forefathers headed by Bhrigu Muni and other sons of Brahmâ appeared many children and descendants, who assumed different forms as demigods, demons, human beings, Guhyakas, Siddhas, Gandharvas, Vidyâdharas, Câranas, Kindevas, Kinnaras, Nâgas, Kimpurushas, and so on. All of the many universal species, along with their respective leaders, appeared with different natures and desires generated from the three modes of material nature. Therefore, because of the different characteristics of the living entities within the universe, there are a great many Vedic rituals, mantras and rewards.

 

Tekst 8

Aldus zijn als gevolg van de grote variëteit aan naturen de levensovertuigingen onder de menselijke wezens verdeeld, waarbij sommigen tradities uitmaken van geestelijke erfopvolging terwijl anderen van een ketterse aard zijn [pâshanda].

Thus, due to the great variety of desires and natures among human beings, there are many different theistic philosophies of life, which are handed down through tradition, custom and disciplic succession. There are other teachers who directly support atheistic viewpoints.

 

 Tekst 9

De mensen wiens intelligentie is verbijsterd door Mijn illusiewekkend vermogen, o beste van alle personen, laten zich op talloze manieren uit over wat naar hun eigen karma en smaak beter zou zijn.

O best among men, the intelligence of human beings is bewildered by My illusory potency, and thus, according to their own activities and whims, they speak in innumerable ways about what is actually good for people.

 

Tekst 10

Sommigen spreken ten gunste van vrome activiteiten en anderen van roem, zinsbevrediging, waarachtigheid, zelfbeheersing en vreedzaamheid; anderen staan het eigenbelang voor, politieke invloed, verzaking, of consumptie en sommige mensen verdedigen opoffering, boetedoening, liefdadigheid, geloften en allerlei regelingen van wat wel en wat niet zou moeten [yama-niyama].

Some say that people will be happy by performing pious religious activities. Others say that happiness is attained through fame, sense gratification, truthfulness, self-control, peace, self-interest, political influence, opulence, renunciation, consumption, sacrifice, penance, charity, vows, regulated duties or strict disciplinary regulation. Each process has its proponents.

 

Tekst 11

Met een onvermijdelijk begin en einde aan de povere bestemmingen bereikt met iemands karma bestaat er daar het vooruitzicht van de resulterende misère; zich bevindend in onwetendheid is men ellendig vol van geweeklaag [of stille wanhoop].

All the persons I have just mentioned obtain temporary fruits from their material work. Indeed, the meager and miserable situations they achieve bring future unhappiness and are based on ignorance. Even while enjoying the fruits of their work, such persons are filled with lamentation.

 

Tekst 12

Hoe kan van iemand van wie het bewustzijn op Mij gevestigd is, o geschoolde, van iemand die in alle opzichten vrij is van materiële verlangens, een dergelijk geluk met het geestelijk lichaam van Mij er met hen zijn die gehecht zijn aan zinsbevrediging [zie 4.31: 12]?

O learned Uddhava, those who fix their consciousness on Me, giving up all material desires, share with Me a happiness that cannot possibly be experienced by those engaged in sense gratification.

 

Tekst 13

Hij die niet begeert, die in vrede verkeert met zijn zinnen onder controle, wiens bewustzijn gelijkmoedig is wanneer ook en die een geest heeft die met Mij volkomen tevreden is, is vervuld van geluk waar hij ook gaat of staat.

One who does not desire anything within this world, who has achieved peace by controlling his senses, whose consciousness is equal in all conditions and whose mind is completely satisfied in Me finds only happiness wherever he goes.

 

Tekst 14

Niet de positie van Brahmâ, noch de positie van Indra, noch een rijk op aarde of de heerschappij in de lagere werelden, noch de volmaaktheden [de siddhi's] van de yoga of het nogmaals geboren zijn, vormt het verlangen van hem die zijn bewustzijn in Mij heeft vastgelegd, Mij en niets anders [zie e.g. 5.1: 6].

One who has fixed his consciousness on Me desires neither the position or abode of Lord Brahmâ or Lord Indra, nor an empire on the earth, nor sovereignty in the lower planetary systems, nor the eightfold perfection of yoga, nor liberation from birth and death. Such a person desires Me alone.

 

Tekst 15

Noch hij die geboren werd uit Mijn lichaam [Brahmâ], noch S'ankara [S'iva], noch Sankarshana [Balarâma], noch de godin van het geluk [S'rî], noch voorzeker zelfs Mijn eigen Zelf is Mij lief in de mate waarin jij dat bent [zie ook B.G 12: 20].

My dear Uddhava, neither Lord Brahmâ, Lord S'iva, Lord Sankarshana, the goddess of fortune nor indeed My own self are as dear to Me as you are.

 

Tekst 16

De wijze vredig zonder persoonlijk verlangen, niet vijandig naar wie dan ook toe en van een gelijke blik volg Ik altijd om alzo te zuiveren bij het stof van de lotusvoeten [zie ook 7.14: 17].

With the dust of My devotees' lotus feet I desire to purify the material worlds, which are situated within Me. Thus, I always follow the footsteps of My pure devotees, who are free from all personal desire, rapt in thought of My pastimes, peaceful, without any feelings of enmity, and of equal disposition everywhere.

  

Tekst 17

Niet uit op zinsbevrediging van een geest zijnde die steeds aan Mij gehecht is, ervaren zij, de groten van innerlijke vrede die zorg dragen voor alle individuele zielen die in hun bewustzijn niet onder de invloed staan van lusten, Mijn geluk dat niet kan worden gekend anders dan door volledige onthechting.

Those who are without any desire for personal gratification, whose minds are always attached to Me, who are peaceful, without false ego and merciful to all living entities, and whose consciousness is never affected by opportunities for sense gratification - such persons enjoy in Me a happiness that cannot be known or achieved by those lacking such detachment from the material world.

 

Tekst 18

Ook al wordt hij geplaagd door de zinsobjecten dan nog is de toegewijde van Mij die niet de zinnen overwon - die als regel effectief en sterk zijn - dankzij zijn toewijding niet verslagen door die invloedssfeer. [zie ook 1.5: 17, 8.7: 44, 11.13: 12 en B.G. 9: 30, 2: 62-64 ].

My dear Uddhava, if My devotee has not fully conquered his senses, he may be harassed by material desires, but because of his unflinching devotion for Me, he will not be defeated by sense gratification.

 

Tekst 19

Net zoals brandhout door de laaiende vlammen van een vuur verandert in as, verbrandt op dezelfde manier met Mij als het voorwerp, de toewijding de zonden volledig, o Uddhava.

My dear Uddhava, just as a blazing fire turns firewood into ashes, similarly, devotion unto Me completely burns to ashes sins committed by My devotees.

 

Tekst 20

Noch het yogasysteem noch de analytische filosofie, Uddhava, noch vrome activiteiten noch de vedische studie, boete noch verzaking brengen Mij zo onder controle als de sterk ontwikkelde toegewijde dienst aan Mij.

My dear Uddhava, the unalloyed devotional service rendered to Me by My devotees brings Me under their control. I cannot be thus controlled by those engaged in mystic yoga, Sânkhya philosophy, pious work, Vedic study, austerity or renunciation.

 

Tekst 21

Ik wordt verkregen door standvastige toewijding met geloof in de Ziel als het voorwerp van de liefde; met Mij [die Superziel] als de enige zal de bhakti der waarachtigen zelfs honden-eters zuiveren van de dingen van hun geboorte.

Only by practicing unalloyed devotional service with full faith in Me can one obtain Me, the Supreme Personality of Godhead. I am naturally dear to My devotees, who take Me as the only goal of their loving service. By engaging in such pure devotional service, even the dog-eaters can purify themselves from the contamination of their low birth.

 

 Tekst 22

Voorzeker zuivert noch het dharma toegerust met waarachtigheid en genade, noch de kennis toegerust met verzaking het bewustzijn volledig, indien [men] verstoken [is] van toegewijde dienst aan Mij.

Neither religious activities endowed with honesty and mercy nor knowledge obtained with great penance can completely purify one's consciousness if they are bereft of loving service to Me.

 

 Tekst 23

Hoe gaan nu zonder de bhakti je haren overeind, zal zonder de liefdevolle dienst het hart vertederd raken, kunnen zonder devotie de tranen vloeien, kan de verrukking er zijn en het bewustzijn gezuiverd raken?

If one's hairs do not stand on end, how can the heart melt? And if the heart does not melt, how can tears of love flow from the eyes? If one does not cry in spiritual happiness, how can one render loving service to the Lord? And without such service, how can the consciousness be purified?

 

 Tekst 24

Van degene van wie de spraak smoort, het hart vertedert, er keer op keer natte tranen zijn en soms weer lachen is, van wie er onbeschaamd luidkeels zingen is en dansen eveneens verbonden in Mijn yoga, raakt het universum gezuiverd [zie ook s'ikshashthaka en 11.2: 40].

A devotee whose speech is sometimes choked up, whose heart melts, who cries continually and sometimes laughs, who feels ashamed and cries out loudly and then dances - a devotee thus fixed in loving service to Me purifies the entire universe.

 

 Tekst 25

Zoals goud uitgesmolten in het vuur de onzuiverheden prijsgevend terugkeert naar zijn eigenlijke vorm wordt ook van de geestelijke ziel de besmetting door het karma verdreven door Mijn liefdevolle dienst van aanbidding voor Mij.

Just as gold, when smelted in fire, gives up its impurities and returns to its pure brilliant state, similarly, the spirit soul, absorbed in the fire of bhakti-yoga, is purified of all contamination caused by previous fruitive activities and returns to its original position of serving Me in the spiritual world.

 

 Tekst 26

Zo goed als het oog ziet als het eenmaal behandeld is met zalf, ziet de geestelijke ziel, schoongewassen door het luisteren naar en het bezingen van de vrome vertellingen over Mij, precies op dezelfde manier de Ene Subtiele Essentie.

When a diseased eye is treated with medicinal ointment it gradually recovers its power to see. Similarly, as a conscious living entity cleanses himself of material contamination by hearing and chanting the pious narrations of My glories, he regains his ability to see Me, the Absolute Truth, in My subtle spiritual form.

 

 Tekst 27

Van degene die mediteert op de zinsobjecten raakt het bewustzijn verstrikt in de zinservaring [zie B.G. 2.62-63]; evenzo wordt in de trouwe heugenis aan Mij het denken in Mij systematisch opgelost.

The mind of one meditating upon the objects of sense gratification is certainly entangled in such objects, but if one constantly remembers Me, then the mind is absorbed in Me.

 

 Tekst 28

Derhalve zijn de materiële beslommeringen als drogbeelden een droom die men in Mij moet opgeven, daar volledig opgegaan in Mijn liefde de geest gezuiverd raakt

Therefore, one should reject all material processes of elevation, which are like the mental creations of a dream, and should completely absorb one's mind in Me. By constantly thinking of Me, one becomes purified.

 

 Tekst 29

Het opgevend intiem te zijn met vrouwen [sex met hen te hebben, met anderen of anderszins], en zich verre houdend van het gezelschap van rokkenjagers, behoort men, zichzelf de baas wordend, op zijn gemak neer te zitten in afzondering en met grote zorg zich te concentreren op Mij [zie ook 11.8: 13-14 *].

Being conscious of the eternal self, one should give up association with women and those intimately associated with women. Sitting fearlessly in a solitary place, one should concentrate the mind on Me with great attention.

 

 Tekst 30

Geen andere gehechtheid bezorgt een man zo veel ellende en gebondenheid als de gehechtheid aan vrouwen en de omgang met hen die gehecht zijn aan vrouwen [zie ook 1.4: 25, 5.5: 2, 5.13: 16, 6.9: 9, 7.12: 9, 9.14: 36, 9.19:17, 10.10: 8, 10.51: 51, 10.60: 44,45,48 ].'

Of all kinds of suffering and bondage arising from various attachments, none is greater than the suffering and bondage arising from attachment to women and intimate contact with those attached to women.

 

 Tekst 31

S'rî Uddhava zei: 'O Lotusogige, hoe, van welke aard en in welke vorm moet de meditatie er zijnvan degene die de bevrijding verlangt; Je zou het met Mij eens over de meditatie moeten hebben.'

S'rî Uddhava said: My dear lotus-eyed Krishna, by what process should one who desires liberation meditate upon You, of what specific nature should his meditation be, and upon which form should he meditate? Kindly explain to me this topic of meditation.

 

 Tekst 32-33

De Allerhoogste Heer zei: 'Zittend rechtop en recht comfortabel op een zitplaats gelijkvloers, behoort men de handen in de schoot te leggen en de ogen te richten op het puntje van de neus. Het zuiveren van de manieren van ademen van het inademen, vasthouden, uitademen en omgekeerd, moet men stap voor stap beoefenen met het beheersen van de zinnen [zie prânâyâma, en B.G. 4.29].

The Supreme Personality of Godhead said: Sitting on a level seat that is not too high or too low, keeping the body straight and erect yet comfortable, placing the two hands on one's lap and focusing the eyes on the tip of one's nose, one should purify the pathways of breathing by practicing the mechanical exercises of pûraka, kumbhaka and recaka, and then one should reverse the procedure (recaka, kumbhaka, pûraka). Having fully controlled the senses, one may thus practice prânâyâma step by step.

 

 Tekst 34

Ononderbroken behoort in het hart het geluid AUM klinkend als een bel naar boven te worden gestuwd middels de prâna, zoals met de vezels die naar boven reiken in een lotussteel, en behoort men aldus daarin de tonen der recitatie [genaamd anusvâra **] weer bijeen te voegen.

Beginning from the mûlâdhâra-cakra, one should move the life air continuously upward like the fibers in the lotus stalk until one reaches the heart, where the sacred syllable om is situated like the sound of a bell. One should thus continue raising the sacred syllable upward the distance of twelve angulas, and there the omkâra should be joined together with the fifteen vibrations produced with anusvâra.

 

 Tekst 35

De prâna aldus verenigd met de pranava [zie ook 9.14: 46] moet inderdaad met zorg tien keer achtereen beoefend worden, bij zonsopkomst, in de middag, en bij zonsondergang, zodat men na een maand de levensadem overwonnen zal hebben [***].

Being fixed in the omkâra, one should carefully practice the prânâyâma system ten times at each sunrise, noon and sunset. Thus, after one month one will have conquered the life air.

 

 Tekst 36-42

Met de ogen half gesloten geconcentreerd op de lotus die rechtop aanwezig is in het hart, moet men met het gezicht geheven en alert binnen in de werveling van haar acht kelkbladeren de een na de ander zich de zon voorstellen, de maan en het vuur. In het vuur moet men zich Mijn harmonieuze vorm voorhouden, zo bevorderlijk voor de meditatie, zachtgeaard en vriendelijk toegerust met vier fraaie armen. Bekoorlijk de schoonheid van de nek en het voorhoofd, de zuivere glimlach evenzo en de oren met stralende haaienvormige oorhangers. Goudkleurig de kleding, een teint van regenwolken, de krul op de borst, de toevlucht van de godin, en een schelphoorn, een werpschijf, een knots en een lotus, en de verfraaiing met een woudbloemenslinger. De voeten met glanzende belletjes, rijk gloeiend de kaustubha, een stralende kroon en polsbanden, een gordel en armbanden; op alle delen van het lichaam prachtig en bekoorlijk, op het glimlachen met de genade en op de blik hoogst fijn besnaard, moet men mediteren door de geest en de zinnen te zetten naar alle ledematen. Door de geest terug te trekken van de voorwerpen van de zintuigen, door de intelligentie, de wagenmenner, sober en ernstig, moet men met liefde zich laten leiden naar het volledige van Mij.

Keeping the eyes half closed and fixed on the tip of one's nose, being enlivened and alert, one should meditate on the lotus flower situated within the heart. This lotus has eight petals and is situated on an erect lotus stalk. One should meditate on the sun, moon and fire, placing them one after the other within the whorl of that lotus flower. Placing My transcendental form within the fire, one should meditate upon it as the auspicious goal of all meditation. That form is perfectly proportioned, gentle and cheerful. It possesses four beautiful long arms, a charming, beautiful neck, a handsome forehead, a pure smile and glowing, shark-shaped earrings suspended from two identical ears. That spiritual form is the color of a dark rain cloud and is garbed in golden-yellowish silk. The chest of that form is the abode of S'rîvatsa and the goddess of fortune, and that form is also decorated with a conchshell, disc, club, lotus flower and garland of forest flowers. The two brilliant lotus feet are decorated with ankle bells and bracelets, and that form exhibits the Kaustubha gem along with an effulgent crown. The upper hips are beautified by a golden belt, and the arms are decorated with valuable bracelets. All of the limbs of that beautiful form capture the heart, and the face is beautified by merciful glancing. Pulling the senses back from the sense objects, one should be grave and self-controlled and should use the intelligence to strongly fix the mind upon all of the limbs of My transcendental body. Thus one should meditate upon that most delicate transcendental form of Mine.

 

 Tekst 43

Met het terugtrekken van het bewustzijn dat daarmee zich uitbreidde naar alle delen, moet men, zich concentrerend op één plek, en niet op de rest, opnieuw op de prachtige glimlach mediteren in liefde voor het gelaat.

One should then pull the consciousness back from all the limbs of that transcendental body. At that time, one should meditate only on the wonderfully smiling face of the Lord.

 

 Tekst 44

Daarin gevestigd zijnd de geest terugtrekkend in de ether, moet men zich op die manier concentrerend ook dat weer opgevend en naar Mij opgestegen, niet aan iets anders denken.

Being established in meditation on the Lord's face, one should then withdraw the consciousness and fix it in the sky. Then giving up such meditation, one should become established in Me and give up the process of meditation altogether.

 

 Tekst 45

Aldus volledig verzonken in het bewustzijn ziet de individuele ziel inderdaad Mij binnenin het zelf en al de zelven in Mij, gelijk de zonnestralen die zijn verenigd in de zon [zie ook B.G. 9.29].

One who has completely fixed his mind on Me should see Me within his own soul and should see the individual soul within Me, the Supreme Personality of Godhead. Thus, he sees the individual souls united with the Supreme Soul, just as one sees the sun's rays completely united with the sun.

 

 Tekst 46

Van de yogî die hoogst geconcentreerd de meditatie als vermeld beoefend zal in zijn geheel snel de begoochelde staat van de geest van de eigenaar, de kenner en de doener te zijn oplossen [vergelijk: 2.2: 8-14].'

When the yogî thus controls his mind by intensely concentrated meditation, his illusory identification with material objects, knowledge and activities is very quickly extinguished.

  

* Om niet dit vers verkeerd geinterpreteerd te krijgen naar het Sanskriet woord sangam dat men de omgang met vrouwen zou moeten schuwen in plaats van het intiem zijn met ze te schuwen, werd door Swami Prabhupâda benadrukt, in tegenspraak met de Indiase traditie, dat vrouwen en mannen heel goed vanuit de kultuur van het Krishna-bewustzijn omgang kunnen hebben, samenlevend in een tempel of in een huishouden. Dit was een van de grote wapenfeiten van hervoming naar een traditionele tempelroutine die negatief was over het samenleven met vrouwen.

** Als men als een cultuur niet bij wijze van een geregelde praktijk van recitatie is met het Sanskriet en men dus geen enkele anusvâra, geen nagalm in de neus heeft ter integratie, luidt het advies voor dit Tijdperk van de Redetwist om de mahâmantra te beoefenen om de met de moderne tijd ongedurige geest tot vrede te bewegen: hare Krishna, hare Krishna, Krishna Krishna, hare hare; hare Râma, hare Râma, Râma Râma, hare hare en dan AUM te zeggen en de gâyatrî als men neerzit voor de meditatie. Een praktijk nageleefd door alle geïnitieerde toegewijden.

*** Gezien een sterk variërende daglengte over de gehele wereld is het gebruikelijk dit te doen op de vaste tijden van de regelmatige uren van een [meditatie-]klok bij voorkeur met de zon gelijk gezet op twaalf uur als de zon in het zuiden staat [zie ook cakra].

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties