regelbalk




 

 

Canto 11

Vibhâvarî S'esha

 


 

Hoofdstuk 21: Over het Onderscheid tussen Goed en Kwaad

(1) De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die Mijn wegen van jñâna, karma en bhakti opgeven, zullen met het cultiveren van hun onbeduidende lusten en wisselvallige zinnen, een zich herhalen van geboorte en dood moeten ondergaan. (2) Als men zich weet te handhaven in zijn positie noemt men dat deugdzaam terwijl het tegengestelde als ondeugd wordt gezien; dit is de conclusie wat betreft die twee [zie ook B.G. 2: 16]. (3) Wat zuiver of onzuiver zou zijn wat betreft de religie, wat deugd of ondeugd zou zijn in het normale leven en wat gunstig of ongunstig zou zijn voor het fysieke voortbestaan zijn zaken [van goed en kwaad] die men moet beoordelen vanuit dezelfde categorie van elementen, o zondeloze [wat goed is voor het lichaam bijvoorbeeld hoeft nog niet goed te zijn in religieus opzicht]. (4) Ik stel deze kijk op de zaak aan de orde ter wille van hen die gebukt gaan onder de last der religieuze beginselen. (5) Aarde, water, vuur, lucht en ether zijn de vijf basiselementen die, van heer Brahmâ tot aan de niet-bewegende schepselen, ten grondslag liggen aan de lichamen van de levende wezens die allen verbonden zijn in de Opperziel. (6) Hoewel ze bestaan uit dezelfde elementen en in die zin gelijk aan elkaar zijn, kennen de Veda's hen verschillende namen en vormen toe ter behartiging van hun eigenbelang Uddhava [zie varnâs'rama].

(7) Wat goed en kwaad zou zijn wat betreft de plaats, de tijd, materiële zaken en wat dies meer zij, is door Mij ingesteld, o Uddhava, met de bedoeling om materieel gemotiveerde handelingen aan banden te leggen. (8) Van alle plaatsen zijn die plaatsen onzuiver waar er geen respect bestaat voor de brahmaanse cultuur en waar er geen gevlekte antilopen te vinden zijn, waar heilige en beschaafde mannen niet te vinden zijn ook al zijn er antilopen, waar het onrein is als in Kîkatha [een plek van mensen van laag allooi, zie mleccha en *] en plaatsen waar de aarde onbegroeid is. (9) De tijd die ofwel door zijn natuurlijke aard [positie van de zon, maanfase] dan wel door zijn voorwerpen [afspraak per kalender en zonnewijzer] geschikt is voor het naleven van voorgeschreven plichten wordt als goed beschouwd en de tijd die de plichtsvervulling belemmert of ongeschikt is ['s nachts of  tijden van andere verplichtingen] beschouwt men als slecht [zie ook B.G. 7: 8, 11.20: 26, kâla en kâlakûtha **]. (10) De zuiverheid en onzuiverheid van een ding [of van een substantie] stelt men vast [valideert men] aan de hand van een ander ding, aan de hand van wat men erover zegt, aan de hand van een [zuiverings-]ritueel, aan de hand van de tijd of overeenkomstig de relatieve maat [zie ***]. (11) Of het [- te weten de kwaliteit van iets -] bij een persoon tot een overeenkomstige, zondige [dan wel deugdzame] reactie leidt hangt af van de macht dan wel onmacht, intelligentie, weelde, toestand en plaats van die persoon. (12) Granen, zaken van been, klei of hout, draad, huiden en vloeistoffen en zaken gewonnen uit het vuur [worden gezuiverd] door een combinatie van de [factoren] tijd, lucht, vuur, aarde en water, of door ieder van hen afzonderlijk. (13) Als iets in aanraking met dat wat onzuiver is een kwalijke geur of vuil wegneemt en zo de oorspronkelijke staat van een voorwerp herstelt, spreekt men van zuivering. (14) Door te baden, door liefdadigheid en door verzaking moet een tweemaal geboren ziel die Mij in gedachten houdt, naar gelang zijn leeftijd, heldenmoed, rituele zuivering en voorgeschreven plichten, tewerkgaan overeenkomstig dat wat zuiver is, de reinheid van het [oorspronkelijke] Zelf. (15) De zuivering ontleend aan een mantra is het gevolg van het hebben van de juiste kennis ervan. De zuivering ontleend aan een bepaalde handeling is het gevolg van de toewijding die men voor Mij heeft. Dharma [religiositeit] floreert bij [de zuiverheid van] de zes factoren [zoals vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's, de doener en de toegewijde handeling], terwijl goddeloosheid [adharma] door het tegenovergestelde wordt voortgebracht.

(16) Soms echter blijkt een deugd  een ondeugd te zijn en een ondeugd - bij de voorzienigheid [of bij Vedische instructie] - een deugd. Met het inachtnemen van de regulerende beginselen komt men zo te staan voor het feit dat het onderscheid tussen wat goed en kwaad is in feite door hen wordt vervaagd [4*]. (17) Het naleven van hetzelfde karma op basis waarvan iemand ten val kwam vormt niet de oorzaak van nog een val. Iemand die gevallen is [voor de liefde b.v.] valt niet verder; voor zo iemand verandert de natuurlijke gehechtheid in een deugd. (18) Waar men ook van afziet raakt men van bevrijd - dit vormt voor menselijke wezens de grondslag van het religieuze [natuurlijke, vrome] leven dat het lijden, de angst en de begoocheling wegneemt. (19) Als men ervan uitgaat dat de voorwerpen die de zinnen prikkelen het goede zijn, ontstaat daardoor de gehechtheid van een persoon, uit die gehechtheid ontstaat lust en vanwege de lust [te genieten als men het wil] is er strijd onder de mensen. (20) Vanwege de strijd is er een moeilijk te beheersen woede en als gevolg van de woede is er onwetendheid; en zo raakt iemands ruime bewustzijn snel overweldigd door duisternis [een vernauwd bewustzijn]. (21) O heilige ziel, een levend wezen aldus verstoken [van een helder verstand] wordt leeghoofdig zodat hij, voor wie bijgevolg zijn levensdoelen wegvielen - net als de trage materie - zo goed als dood is [vergelijk B.G. 2: 62-63]. (22) Vasthoudend aan de zinnelijke zaak ken je, zinledig het leven levend van een boom, jezelf niet noch de ander en is je ademen niet meer dan gepomp. (23) De beloningen in het vooruitzicht gesteld door de [karma-kânda afdeling van de] geschriften vormen voor de mens niet het hoogste goed; het zijn slechts aansporingen om de smaak voor het uiteindelijke [upâsana-kânda] goed te pakken te krijgen, gelijk aan wat men zegt om iemand een medicijn te laten innemen. (24) Vanaf hun geboorte ontwikkelen stervelingen een geest van gehechtheid aan hun familieleden, hun levensfuncties en de voorwerpen van hun verlangen, waardoor ze het belang van hun ziel uit het oog verliezen. (25) Waarom zouden zij die intelligent zijn [het Vedisch gezag] hen die, op het pad van rampspoed blind voor hun ware belang onderworpen [aan karmisch handelen] in het duister belanden, ertoe aanzetten zich verder bezig te houden met dergelijke [gehechtheden, zie ook 5.5: 17]? (26) Sommigen, die aldus met een geperverteerde intelligentie de bedoeling [in Krishna vervulling te vinden] niet begrijpen, spreken in bloemrijke [karma-mîmâmsâ] taal over [het brengen van offers ter wille van het] materieel voordeel; iets waar hij die de Veda's werkelijk kent niet over rept [zie ook B.G. 2: 42-44]. (27) Zij die lustmatig, vrekkig en hebberig zijn zien de bloemen [van karmische offers] aan voor de vrucht [der realisatie], begoocheld door het vuur stikken ze in de rook en beseffen ze hun positie niet [hun ware identiteit dat ze een individuele ziel zijn in plaats van een lichaam]. (28) Gewapend met hun uitdrukkingen Mijn beste, kennen ze Mij niet, Ik die Zich in hun hart bevindt en uit wie dit universum ontstond dat Ik ook ben. In hun genotzucht zijn ze als mensen die in de mist staren. (29-30) Zonder begrip voor Mijn vertrouwelijke conclusie [zie ook 10.87 en B.G. 9] zijn ze, verzonken in hun zinnelijkheid, [als vleeseters] gehecht aan het geweld [jegens dieren] dat kan voorkomen naar omstandigheid [in de natuur], maar dat zeker nimmer wordt aangemoedigd voor het offeren. In werkelijkheid scheppen ze behagen in hun [niet noodzakelijke] geweld jegens de dieren die voor hun zingenot werden afgeslacht. Met hun rituele aanbidding van de goden, de voorvaderen en de leidende geesten, zijn ze boosaardige mensen. (31) In hun harten stellen ze zich allen voor - als waren ze zakenlieden die hun weelde investeren - het te maken in een wereld die zo aangenaam is als die klinkt, maar die zo onwerkelijk is als een droom. (32) Zich bevindend in de geaardheid hartstocht, goedheid of onwetendheid aanbidden ze de goden en anderen geleid door Indra die zich evenzo verheugen in de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid, Mij echter aanbidden ze [zo] niet op de juiste wijze [zie ook B.G. 9: 23 en 10: 24 & 25]. (33-34) [Ze denken:] 'Als we hier de halfgoden vereren met onze offers zullen we genieten in de hemel en, als dat is afgelopen, op aarde terugkeren in weelde in een goede familie.' Met hun geesten aldus verbijsterd door de bloemrijke taal [van de Veda's] voelen ze zich ondanks die taal, als trotse en hoogst begeertige mensen, niet aangetrokken tot Mijn verhandelingen.

(35) De trikânda verdeelde Veda's hebben het spirituele begrip van het ware zelf, de ziel, als hun onderwerp, maar ook de zich esoterisch meer indirect uitdrukkende zieners [de 'andere goeroes'] zijn Mij dierbaar. (36) Het bovenzinnelijk [Vedisch] geluid [het s'abda-brahman] dat zich [op verschillende niveau's] manifesteert in de prâna, de zinnen en de geest [van de zuivere, zelfverwerkelijkte, verlichte persoon], is heel moeilijk te begrijpen; het is onbegrensd en zo onmetelijk diep als de oceaan [zie ook 11.12: 17-18]. (37) Het onpeilbare, onveranderlijke Absolute van oneindige vermogens dat Ik uitdraag [als zijnde Mijn natuur, zie Omkâra], wordt in de levende wezens vertegenwoordigd in de vorm van geluidsvibraties, zoals een lotusstengel wordt vertegenwoordigd door een enkele vezel [zie ook 11.18: 32 en 6.13: 15]. (38-40) Net zoals een spin zijn web weeft vanuit het hart via zijn lichaamsopening, manifesteert de adem van de Heer [de prâna] vanuit de ether de geluidsvibratie via de geest in de vorm van de verschillende klankeenheden. Vol van nectar al de vormen omvattend die uitwaaieren in duizenden richtingen, heeft de Meester, met de sier van medeklinkers, klinkers, halfklinkers en sisklanken, Zich uitgebreid vanuit de lettergreep om. Met de ontwikkelde diversiteit aan uitdrukkingen en metrische schikkingen - die ieder weer vier extra lettergrepen hebben -, schept Hijzelf en trekt Hij ook weer terug, de enorme, onbegrensde uitgebreidheid [van de Vedische klankmanifestatie, zie ook B.G. 15: 15]. (41) De versmaten Gâyatrî, Ushnik en Anushthup, Brihatî en Pankti alsook Trishthup, Jagatî, Aticchanda, Atyashthi, Atijagatî en Ativirâth bijvoorbeeld [hebben ieder in deze volgorde telkens vier extra lettergrepen]. (42) De [vertrouwelijke] kern van de zaak van wat deze literatuur [karma-kânda] voorschrijft [wat men zou moeten doen], waar zij [upâsana-kânda] op duidt [als zijnde het voorwerp der aanbidding], welke aspecten ze beschrijft of welke alternatieven zij aldus [jñâna-kânda] literair biedt [als filosofie], is in deze wereld aan niemand anders bekend dan aan Mij [vergelijk 11.20, B.G. 4: 5, 7: 26, 10: 41]. (43) Ik ben degene die wordt voorgeschreven, Ik ben het voorwerp der aanbidding, Ik ben het geboden alternatief [de filosofische aanname] en de Ene die wordt wegverklaard [*5]. De bovenzinnelijke geluidsvibratie van de Veda's vestigt de aandacht op Mij als zijnde hun betekenis en beschrijft uitvoerig de materiële dualiteit als de afdeling van de begoochelende energie die moet worden ontkracht om uiteindelijk gelukkig te worden.'

 

 

 next                      

 
 

Derde herziene editie, geladen 3 juli, 2015.

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De Allerhoogste Heer zei: 'Zij die Mijn wegen van jñâna, karma en bhakti opgeven, zullen met het cultiveren van hun onbeduidende lusten en wisselvallige zinnen, een zich herhalen van geboorte en dood moeten ondergaan.
De Allerhoogste Heer zei: ' Zij die het opgeven met deze manieren om Mij te bereiken, bestaande uit de toewijding, de kennis en het werk dat moet worden gedaan, komen met het onbeduidende van de wisselvallige lusten die ze cultiveren met de zintuigen, te staan voor de eindigheid van het materieel bestaan. (Vedabase)

 

Tekst 2

Als men zich weet te handhaven in zijn positie noemt men dat deugdzaam terwijl het tegengestelde als ondeugd wordt gezien; dit is de conclusie wat betreft die twee [zie ook B.G. 2: 16].

Van de standvastigheid die een ieder in zijn positie heeft zegt men dat dat de feitelijke deugd is en het tegengestelde [ofwel de onstandvastigheid] is inderdaad de ondeugd; dit is de slotconclusie wat betreft de twee [zie ook B.G. 2: 16]. (Vedabase)

   

Tekst 3

Wat zuiver of onzuiver zou zijn wat betreft de religie, wat deugd of ondeugd zou zijn in het normale leven en wat gunstig of ongunstig zou zijn voor het fysieke voortbestaan zijn zaken [van goed en kwaad] die men moet beoordelen vanuit dezelfde categorie van elementen, o zondeloze [wat goed is voor het lichaam bijvoorbeeld hoeft nog niet goed te zijn in religieus opzicht].

Wat zuiver of onzuiver zou zijn wat betreft de religie, wat deugd of ondeugd zou zijn in het normale leven en wat gunstig of ongunstig zou zijn voor het fysieke voortbestaan zijn zaken die men moet beoordelen vanuit dezelfde categorie van elementen, o zondeloze [wat deugt voor het lichaam b.v. deugt nog niet in religieus opzicht]. (Vedabase)

 

Tekst 4

Ik stel deze kijk op de zaak aan de orde ter wille van hen die gebukt gaan onder de last der religieuze beginselen.

Deze werkwijze [van onderscheid maken tussen goed en kwaad] stel Ik aan de orde ter wille van hen die gebukt gaan onder de last der religieuze beginselen. (Vedabase)

 

Tekst 5

Aarde, water, vuur, lucht en ether zijn de vijf basiselementen die, van heer Brahmâ tot aan de niet-bewegende schepselen, ten grondslag liggen aan de lichamen van de levende wezens die allen verbonden zijn in de Opperziel.

Aarde, water, vuur, lucht en ether zijn de vijf basiselementen die, van heer Brahmâ af aan tot aan de niet-bewegende levende wezens, deel uitmaken van de lichamen van de levende wezens die allen verbonden zijn in de Opperziel. (Vedabase)

 

Tekst 6

Hoewel ze bestaan uit dezelfde elementen en in die zin gelijk aan elkaar zijn, kennen de Veda's hen verschillende namen en vormen toe ter behartiging van hun eigenbelang Uddhava [zie varnâs'rama].

Hoewel ze bestaan uit dezelfde elementen en in die zin gelijk aan elkaar zijn, kennen de Veda's hen verschillende namen en vormen toe die de behartiging van hun eigenbelang ten dienste staan [zie varnâs'rama]. (Vedabase)

 

Tekst 7

Wat goed en kwaad zou zijn wat betreft de plaats, de tijd, materiële zaken en wat dies meer zij, is door Mij ingesteld, o Uddhava, met de bedoeling om materieel gemotiveerde handelingen aan banden te leggen.

Wat de juiste en onjuiste overwegingen zouden zijn wat betreft de plaats, de tijd, de dingen en wat dies meer zij, is door Mij ingesteld met de bedoeling om materieel gemotiveerde handelingen aan banden te leggen. (Vedabase)

 

 Tekst 8

Van alle plaatsen zijn die plaatsen onzuiver waar er geen respect bestaat voor de brahmaanse cultuur en waar er geen gevlekte antilopen te vinden zijn, waar heilige en beschaafde mannen niet te vinden zijn ook al zijn er antilopen, waar het onrein is als in Kîkatha [een plek van mensen van laag allooi, zie mleccha en *] en plaatsen waar de aarde onbegroeid is.

Van alle plaatsen zijn die plaatsen verdorven waar er geen respect bestaat voor het brahmaanse en waar de gevlekte antilopen niet te vinden zijn. En zelfs al zijn er antilopen [overgebleven, d.w.z. niet allemaal gedood] is een plaats waar de heilige mannen van de cultuur niet te vinden zijn, een onbeschaafde plaats waar de praktijken onrein zijn en de aarde geen wezenlijk nut heeft [zie mleccha en *]. (Vedabase)

 

 Tekst 9

De tijd die ofwel door zijn natuurlijke aard [positie van de zon, maanfase] dan wel door zijn voorwerpen [afspraak per kalender en zonnewijzer] geschikt is voor het naleven van voorgeschreven plichten wordt als goed beschouwd en de tijd die de plichtsvervulling belemmert of ongeschikt is ['s nachts of  tijden van andere verplichtingen] beschouwt men als slecht [zie ook B.G. 7: 8, 11.20: 26, kâla en kâlakûtha **].

De tijd noemt men juist en geschikt als die ofwel door zijn eigen natuurlijke aard [d.w.z. niet tegen de natuur in gemanipuleerd] ofwel begrepen naar de persoon [de Heer, maar ook naar het seizoen, het geld - de lakshmî-, de beschikbaarheid van iets] geschikt is voor het uitvoeren van de voorgeschreven plicht. Verkeerd en ongeschikt is de tijd die iemand in zijn plichtsvervulling belemmert, de tijd die niet geschikt is om arbeid te verrichten [een lustmatig, willekeurig idee van de tijd, zie 11.20: 26, kâla en kâlakûtha **]. (Vedabase)

 

Tekst 10

De zuiverheid en onzuiverheid van een ding [of van een substantie] stelt men vast [valideert men] aan de hand van een ander ding, aan de hand van wat men erover zegt, aan de hand van een [zuiverings-]ritueel, aan de hand van de tijd of overeenkomstig de relatieve maat [zie ***].

Het zuivere en onzuivere van een ding [of van een substantie] stelt men vast aan de hand van een ander ding, aan de hand van wat men erover zegt, aan de hand van een ritueel, aan de hand van de tijd of overeenkomstig de relatieve maat [zie ***]. (Vedabase)

 

Tekst 11

Of het [- te weten de kwaliteit van iets -] bij een persoon tot een overeenkomstige, zondige [dan wel deugdzame] reactie leidt hangt af van de macht dan wel onmacht, intelligentie, weelde, toestand en plaats van die persoon.

Afhankelijk van iemands macht dan wel onmacht, intelligentie en weelde, toestand en plaats, leidt het [te weten de kwaliteit van iets] bij een persoon tot een overeenkomstige zondige [dan wel deugdzame] reactie. (Vedabase)

 

Tekst 12

Granen, zaken van been, klei of hout, draad, huiden en vloeistoffen en zaken gewonnen uit het vuur [worden gezuiverd] door een combinatie van de [factoren] tijd, lucht, vuur, aarde en water, of door ieder van hen afzonderlijk.

Onder de invloed van een combinatie van de tijd, lucht, vuur, aarde en water, of door ieder van hen afzonderlijk [raken dingen gezuiverd zoals b.v.] granen, zaken van been, klei of hout, draad, huiden en vloeistoffen en zaken gewonnen uit het vuur. (Vedabase)

 

 Tekst 13

Als iets in aanraking met dat wat onzuiver is een kwalijke geur of vuil wegneemt en zo de oorspronkelijke staat van een voorwerp herstelt, spreekt men van zuivering.

Dat wat in aanraking met het onzuivere een kwalijke geur of vuil wegneemt, en zo de oorspronkelijke staat herstelt van dat voorwerp, dat wordt wat dat betreft beschouwd als zijnde zuiverend. (Vedabase)

 

Tekst 14

Door te baden, door liefdadigheid en door verzaking moet een tweemaal geboren ziel die Mij in gedachten houdt, naar gelang zijn leeftijd, heldenmoed, rituele zuivering en voorgeschreven plichten, tewerkgaan overeenkomstig dat wat zuiver is, de reinheid van het [oorspronkelijke] Zelf.

Door te baden, door liefdadigheid en verzaking, naar gelang zijn leeftijd, zijn heldenmoed, rituele zuivering en zijn voorgeschreven plichten behoort een tweemaal geboren man [als zijnde de doener] in de heugenis van Mij, tewerk te gaan overeenkomstig het zuivere, de reinheid van het [oorspronkelijke] zelf. (Vedabase)

 

Tekst 15

De zuivering ontleend aan een mantra is het gevolg van het hebben van de juiste kennis ervan. De zuivering ontleend aan een bepaalde handeling is het gevolg van de toewijding die men voor Mij heeft. Dharma [religiositeit] floreert bij [de zuiverheid van] de zes factoren [zoals vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's, de doener en de toegewijde handeling], terwijl goddeloosheid [adharma] door het tegenovergestelde wordt voortgebracht.

De zuivering ontleend aan een mantra is het gevolg van het hebben van de juiste kennis ervan en de zuivering ontleend aan een bepaalde handeling is het gevolg van de toewijding die men voor Mij heeft. Religiositeit is het gevolg van [de zuiverheid van] de zes factoren [zoals vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's, de doener en de toegewijde handeling], terwijl goddeloosheid resulteert uit het tegenovergestelde. (Vedabase)


Tekst 16

Soms echter blijkt een deugd  een ondeugd te zijn en een ondeugd - bij de voorzienigheid [of bij Vedische instructie] - een deugd. Met het inachtnemen van de regulerende beginselen komt men zo te staan voor het feit dat het onderscheid tussen wat goed en kwaad is in feite door hen wordt vervaagd [4*].

Soms echter verandert een deugd in een ondeugd en verandert een ondeugd bij machte van de vedische instructie in een deugd. Met het inachtnemen van de regulerende beginselen komt men zo te staan voor het feit dat het onderscheid [tussen wat wel en wat niet deugt] feitelijk door hen vervaagd [4*]. (Vedabase)

 

Tekst 17

Het naleven van hetzelfde karma op basis waarvan iemand ten val kwam vormt niet de oorzaak van nog een val. Iemand die gevallen is [voor de liefde b.v.] valt niet verder; voor zo iemand verandert de natuurlijke gehechtheid in een deugd.

Hetzelfde karma op basis waarvan iemand ten val kwam vormt niet de oorzaak van nog een val. Iemand die gevallen is [voor de liefde...] valt niet verder; voor zo iemand verandert de natuurlijke gehechtheid in een deugd. (Vedabase)

 

Tekst 18

Waar men ook van afziet raakt men van bevrijd - dit vormt voor menselijke wezens de grondslag van het religieuze [natuurlijke, vrome] leven dat het lijden, de angst en de begoocheling wegneemt.

Waar men ook van afziet raakt men van bevrijd - dit vormt voor menselijke wezens de grondslag van het religieuze leven dat het lijden, de angst en de begoocheling wegneemt. (Vedabase)

 

Tekst 19

Als men ervan uitgaat dat de voorwerpen die de zinnen prikkelen het goede zijn, ontstaat daardoor de gehechtheid van een persoon, uit die gehechtheid ontstaat lust en vanwege de lust [te genieten als men het wil] is er strijd onder de mensen.

Ervan uitgaande dat de voorwerpen van de zinnen het goede zijn, werpt zich vanuit die aanname de gehechtheid van een persoon op, aan die gehechtheid ontspringt de lust en door de lust is er strijd onder de mensen. (Vedabase)

 

Tekst 20

Vanwege de strijd is er een moeilijk te beheersen woede en als gevolg van de woede is er onwetendheid; en zo raakt iemands ruime bewustzijn snel overweldigd door duisternis [een vernauwd bewustzijn].

Door de strijd is er de moeilijk te beheersen woede en als gevolg van de woede is er onwetendheid; en zo raakt iemand's bewustzijn snel overweldigd door de duisternis.(Vedabase)

  

 Tekst 21

O heilige ziel, een levend wezen aldus verstoken [van een helder verstand] wordt leeghoofdig zodat hij, voor wie bijgevolg zijn levensdoelen wegvielen - net als de trage materie - zo goed als dood is [vergelijk B.G. 2: 62-63].

O heilige ziel, een levend wezen aldus verstoken [van een helder verstand] wordt leeghoofdig zodat hij, vanwege het feit dat zijn levensdoelen voor hem wegvielen, net als de trage materie zo goed als dood is [vergelijk B.G. 2: 62-63]. (Vedabase)

 

 Tekst 22

Vasthoudend aan de zinnelijke zaak ken je, zinledig het leven levend van een boom, jezelf niet noch de ander en is je ademen niet meer dan gepomp.

Bovenmate verzonken in het zinnelijke kent hij, zinledig een leven erop nahoudend als van een boom, zichzelf niet, noch de ander en is zijn ademen slechts gepomp. (Vedabase)

 

 Tekst 23

De beloningen in het vooruitzicht gesteld door de [karma-kânda afdeling van de] geschriften vormen voor de mens niet het hoogste goed; het zijn slechts aansporingen om de smaak voor het uiteindelijke [upâsana-kânda] goed te pakken te krijgen, gelijk aan wat men zegt om iemand een medicijn te laten innemen.

De beloningen in het vooruitzicht gesteld door de geschriften vormen voor de mens niet het hoogste goed; het zijn slechts aansporingen om de smaak voor het uiteindelijke goed te pakken te krijgen, net zoals men iemand aanspoort om een medicijn in te nemen. (Vedabase)

 

 Tekst 24

Vanaf hun geboorte ontwikkelen stervelingen een geest van gehechtheid aan hun familieleden, hun levensfuncties en de voorwerpen van hun verlangen, waardoor ze het belang van hun ziel uit het oog verliezen.

Alleen al door hun geboorte weerstreven stervelingen het belang van hun ziel omdat hun geesten verstrikt zijn in de belangenbehartiging van de zaken die ze begeren, van hun levensfuncties en van hun beminden. (Vedabase)

 

 Tekst 25

Waarom zouden zij die intelligent zijn [het Vedisch gezag] hen die, op het pad van rampspoed blind voor hun ware belang onderworpen [aan karmisch handelen] in het duister belanden, ertoe aanzetten zich verder bezig te houden met dergelijke [gehechtheden, zie ook 5.5: 17]?

Onderworpen [in religieuze zin] dolen ze, zich niet bewust zijnde van hun ware eigenbelang, rond op het pad van de rampspoed. Waarom zouden de intelligenten [het vedisch gezag] hen die de duisternis binnengaan aanzetten tot nog meer zinsgenoegens [zie ook 5.5: 17]? (Vedabase)

 

 Tekst 26

Sommigen, die aldus met een geperverteerde intelligentie de bedoeling [in Krishna vervulling te vinden] niet begrijpen, spreken in bloemrijke [karma-mîmâmsâ] taal over [het brengen van offers ter wille van het] materieel voordeel; iets waar hij die de Veda's werkelijk kent niet over rept [zie ook B.G. 2: 42-44].

Sommige mensen, zij die op deze manier met een geperverteerde intelligentie niet de feitelijke conclusie begrijpen, spreken in bloemrijke bewoordingen van de materiële beloningen waar degene die de Veda's werkelijk kent niet over rept [zie ook B.G. 2: 42-44]. (Vedabase)

 

 Tekst 27

Zij die lustmatig, vrekkig en hebberig zijn zien de bloemen [van karmische offers] aan voor de vrucht [der realisatie], begoocheld door het vuur stikken ze in de rook en beseffen ze hun positie niet [hun ware identiteit dat ze een individuele ziel zijn in plaats van een lichaam].

De wellustigen, miserabelen en begeertigen zien de bloemen aan voor de uiteindelijke waarheid; begoocheld door het vuur kennen ze, stikkend in de rook, hun eigen positie niet [dat ze een individuele ziel zijn i.p.v. een lichaam]. (Vedabase)

 

Tekst 28

Gewapend met hun uitdrukkingen Mijn beste, kennen ze Mij niet, Ik die Zich in hun hart bevindt en uit wie dit universum ontstond dat Ik ook ben. In hun genotzucht zijn ze als mensen die in de mist staren.

Gewapend met hun uitdrukkingen, Mijn beste, kennen ze Mij niet, Ik die zich bevindt in het hart en uit wie dit universum dat Ik ook ben ontsprong - uit op het zinnelijke zijn ze als mensen die in de mist staren. (Vedabase)

 

 Tekst 29-30

Zonder begrip voor Mijn vertrouwelijke conclusie [zie ook 10.87 en B.G. 9] zijn ze, verzonken in hun zinnelijkheid, [als vleeseters] gehecht aan het geweld [jegens dieren] dat kan voorkomen naar omstandigheid [in de natuur], maar dat zeker nimmer wordt aangemoedigd voor het offeren. In werkelijkheid scheppen ze behagen in hun [niet noodzakelijke] geweld jegens de dieren die voor hun zingenot werden afgeslacht. Met hun rituele aanbidding van de goden, de voorvaderen en de leidende geesten, zijn ze boosaardige mensen.

Zonder begrip voor Mijn vertrouwelijke conclusie [zie ook 10.87 en B.G. 9] zijn ze, opgegaan in het sensuele, gehecht aan het geweld dat kan voorkomen [in de natuur], maar dat zeker nimmer wordt aangemoedigd voor het offeren. In werkelijkheid er behagen in scheppend gewelddadig te zijn met de dieren die ter wille van het eigen zinsgeluk werden afgeslacht, zijn ze in hun rituele aanbidding van de goden, de voorvaderen en de leidende geesten, schadelijke mensen. (Vedabase)  

 

 Tekst 31

In hun harten stellen ze zich allen voor - als waren ze zakenlieden die hun weelde investeren - het te maken in een wereld die zo aangenaam is als die klinkt, maar die zo onwerkelijk is als een droom. 

Die onheilige wereld [door hen hooggehouden] staat gelijk aan een droom die, aardig klinkend, gaat over wereldse prestaties waarmee zij, ingebeeld in hun harten als waren ze zakenlieden, de feitelijke bedoeling eraan hebben gegeven [van het realiseren van de ziel].  (Vedabase)


 Tekst 32

Zich bevindend in de geaardheid hartstocht, goedheid of onwetendheid aanbidden ze de goden en anderen geleid door Indra die zich evenzo verheugen in de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid, Mij echter aanbidden ze [zo] niet op de juiste wijze [zie ook B.G. 9: 23 en 10: 24 & 25].

Gevestigd in de geaardheid hartstocht, goedheid en onwetendheid aanbidden ze de goden en anderen geleid door Indra die zich evenzo verheugen in de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid. Mij echter aanbidden ze zo niet op de juiste wijze [zie ook B.G. 9: 23 en 10: 24 & 25]. (Vedabase)

 

 Tekst 33-34

[Ze denken:] 'Als we hier de halfgoden vereren met onze offers zullen we genieten in de hemel en, als dat is afgelopen, op aarde terugkeren in weelde in een goede familie.' Met hun geesten aldus verbijsterd door de bloemrijke taal [van de Veda's] voelen ze zich ondanks die taal, als trotse en hoogst begeertige mensen, niet aangetrokken tot Mijn verhandelingen.

'Als we hier op aarde met onze offerplechtigheden vol van aanbidding zijn voor de goden zal ons het hemels geluk ten deel vallen en zullen we daarna op aarde allen in een kast van een huis wonen en van een goede komaf zijn.' Met hun geesten aldus verbijsterd door de bloemrijke taal [van de Veda's] voelen ze zich ondanks die taal als trotse en hoogst begeertige mensen niet aangetrokken tot Mijn verhandelingen. (Vedabase)

 

 Tekst 35

De trikânda verdeelde Veda's hebben het spirituele begrip van het ware zelf, de ziel, als hun onderwerp, maar ook de zich esoterisch meer indirect uitdrukkende zieners [de 'andere goeroes'] zijn Mij dierbaar.

De trikânda verdeelde Veda's hebben het spirituele begrip van het ware zelf, de ziel, als hun onderwerp maar ook de vedische zieners die zich meer esoterisch uitdrukken op eigen gezag zijn Mij dierbaar [de 'andere goeroes']. (Vedabase)

 

 Tekst 36

Het bovenzinnelijk [Vedisch] geluid [het s'abda-brahman] dat zich [op verschillende niveau's] manifesteert in de prâna, de zinnen en de geest [van de zuivere, zelfverwerkelijkte, verlichte persoon], is heel moeilijk te begrijpen; het is onbegrensd en zo onmetelijk diep als de oceaan [zie ook 11.12: 17-18].

Het bovenzinnelijk geluid [de s'abda-brahman] dat zich manifesteert in de prâna, de zinnen en de geest [van de zelfverwerkelijkte, verlichte persoon], is iets dat heel moeilijk te begrijpen is, het is onbegrensd en is onmetelijk diep als de oceaan. (Vedabase)

 

 Tekst 37

Het onpeilbare, onveranderlijke Absolute van oneindige vermogens dat Ik uitdraag [als zijnde Mijn natuur, zie Omkâra], wordt in de levende wezens vertegenwoordigd in de vorm van geluidsvibraties, zoals een lotusstengel wordt vertegenwoordigd door een enkele vezel [zie ook 11.18: 32 en 6.13: 15].

Het onpeilbare, onveranderlijke Absolute van oneindige vermogens dat Ik uitdraag [als zijnde Mijn natuur, zie Omkâra], wordt in de levende wezens vertegenwoordigd in de vorm van geluidsvibraties, zoals een lotusstengel wordt vertegenwoordigd door een enkele vezel [zie ook 11.18: 32 en 6.13: 15]. (Vedabase)

 

 Tekst 38-40

Net zoals een spin zijn web weeft vanuit het hart via zijn lichaamsopening, manifesteert de adem van de Heer [de prâna] vanuit de ether de geluidsvibratie via de geest in de vorm van de verschillende klankeenheden. Vol van nectar al de vormen omvattend die uitwaaieren in duizenden richtingen, heeft de Meester, met de sier van medeklinkers, klinkers, halfklinkers en sisklanken, Zich uitgebreid vanuit de lettergreep om. Met de ontwikkelde diversiteit aan uitdrukkingen en metrische schikkingen - die ieder weer vier extra lettergrepen hebben -, schept Hijzelf en trekt Hij ook weer terug, de enorme, onbegrensde uitgebreidheid [van de Vedische klankmanifestatie, zie ook B.G. 15: 15].

Net zoals een spin vanuit het hart zijn web weeft via zijn lichaamsopening, manifesteert de adem van God [de prâna] vanuit de ether de geluidsvibratie via de geest in de vorm van de verschillende klankeenheden. Vol van nectar al de vormen omvattend die uitwaaieren in duizenden richtingen, heeft de Meester, met de sier van medeklinkers, klinkers, halfklinkers en sisklanken, Zich uitgebreid vanuit de lettergreep om. Met de ontwikkelde diversiteit aan uitdrukkingen en metrische schikkingen die ieder weer vier extra lettergrepen hebben, schept Hij, en trekt Hijzelf ook weer terug, de enorme, onbegrensde uitgebreidheid [van de vedische klankmanifestatie, zie ook B.G. 15: 15]. (Vedabase)

 

  Tekst 41

De versmaten Gâyatrî, Ushnik en Anushthup, Brihatî en Pankti alsook Trishthup, Jagatî, Aticchanda, Atyashthi, Atijagatî en Ativirâth bijvoorbeeld [hebben ieder in deze volgorde telkens vier extra lettergrepen].

Bijvoorbeeld de versmaten Gâyatrî, Ushnik en Anushthup; Brihatî en Pankti alsook Trishthup, Jagatî, Aticchanda, en Atyashthi, Atijagatî en Ativirâth [hebben ieder in deze volgorde telkens vier extra lettergrepen]. (Vedabase)

 

 Tekst 42

De [vertrouwelijke] kern van de zaak van wat deze literatuur [karma-kânda] voorschrijft [wat men zou moeten doen], waar zij [upâsana-kânda] op duidt [als zijnde het voorwerp der aanbidding], welke aspecten ze beschrijft of welke alternatieven zij aldus [jñâna-kânda] literair biedt [als filosofie], is in deze wereld aan niemand anders bekend dan aan Mij [vergelijk 11.20, B.G. 4: 5, 7: 26, 10: 41].

Wat zij [karma-kânda] voorschrijven [dat men zou moeten doen], waar zij [upâsana-kânda] op duiden [als zijnde het voorwerp der aanbidding], welke aspecten ze beschrijven of welke alternatieven zij aldus [jñâna-kânda] literair bieden [als filosofie], de kern van deze zaak is in deze wereld aan niemand anders bekend dan aan Mij [vergelijk 11.20, B.G. 4: 5, 7: 26, 10: 41]. (Vedabase)

 

 Tekst 43

Ik ben degene die wordt voorgeschreven, Ik ben het voorwerp der aanbidding, Ik ben het geboden alternatief [de filosofische aanname] en de Ene die wordt wegverklaard [*5]. De bovenzinnelijke geluidsvibratie van de Veda's vestigt de aandacht op Mij als zijnde hun betekenis en beschrijft uitvoerig de materiële dualiteit als de afdeling van de begoochelende energie die moet worden ontkracht om uiteindelijk gelukkig te worden.'

Ik ben het voorwerp der aanbidding, Mij geldt de voorgeschreven handeling en Ik ben het alternatief dat wordt geboden en wegverklaard. De bovenzinnelijke geluidsvibratie van de Veda's vestigt de aandacht op Mij als zijnde hun betekenis en beschrijft uitvoerig de materiële dualiteit als zijnde simpelweg het illusoire dat moet worden ontkracht om uiteindelijk gelukkig te worden.' (Vedabase)

 

*: S'rîla Madhvâcârya citeert als volgt uit de Skanda Purâna: 'Religieuze personen behoren zich op te houden binnen een straal van dertien kilometer van rivieren, oceanen, bergen, hermitages, bossen, spirituele gemeenschappen of plaatsen waar de s'âlagrâma-s'îlâ [een zwarte ovale riviersteen geschikt om te aanbidden] wordt aangetroffen. Alle andere plaatsen moeten als kîkatha worden beschouwd, ofwel als besmet. Maar zelfs als men in zulke besmette plaatsen zwarte en gevlekte antilopen aantreft, mag men zich daar ophouden zo lang als er geen zondige personen aanwezig zijn. Zelfs als er zondige personen aanwezig zijn mag men zich daar ophouden, mits het burgerlijk gezag in handen is van respectabele autoriteiten. Zo ook mag men zich daar ophouden waar de Beeltenis van Vishnu naar behoren is geïnstalleerd en wordt aanbeden.'

**: De paramparâ voegt hier toe: 'Politieke, sociale of economische verstoringen die iemand belemmeren in de uitvoering van zijn religieuze plichten worden beschouwd als tijden die ongunstig zijn.' Derhalve is de - vorm van, de soort van - tijd waarmee men de omgang met de Opperheer of de Heer Zijn zuivere toegewijde bereikt, de tijd die gunstig heet, terwijl de vorm van tijd die politiek, economisch of sociaal bepaald wordt en waarmee men die omgang verliest, een tijd is die hoogst ongelukkig wordt genoemd. Religieuze timing - overeenkomstig de zon en de maan b.v. - is sat kâla, of ware timing en juiste conditionering, terwijl menselijk bepaalde timing zoals de standaardtijd asat kâla is, ofwel een tijdconditionering inhoudt die is gebaseerd op vals gezag, een karma gemotiveerde tijd gedreven door nevenmotieven. Wetenschappelijk betreft het een biologisch conflict op het niveau van het zenuwstelsel tussen de natuurlijke prikkels van de tijd, zoals de regelmaat van het daglicht, en de culturele prikkels van de tijd die hier met lineaire en gegeneraliseerde tijdsbegrippen als de gemiddelde tijd en de zonetijd, haaks op staan. De tijdzin van de moderne mens is daardoor gestoord, hij lijdt onder de psychologische tijd, een instabiel gevoel van de tijd dat fundamenteel is voor de cultuurneurose.

***: Een voorbeeld ter illustratie bij deze nogal abstracte formulering wordt gevormd door de klok: de klok is zuiver of onzuiver naar gelang het object van meting: de tijd van de natuur als een ander 'ding' van de tijd. Dit wordt het criterium van de wetenschappelijke validatie genoemd ofwel het bepalen van het nulpunt van de meting. Maar ook erover sprekend in een wetenschappelijk betoog en uitleggen dat de gemiddelde tijd, de klok die afwijkt van de natuur, is afgeleid uit en refereert aan de natuur zelf middels een wetenschappelijke formule die uitdrukking geeft aan de zogenaamde tijdvereffening, is een manier om een klaarblijkelijk afwijkende klok te heiligen ofwel er op een politieke manier de waarheid van te verklaren. Verder is er ook het religieuze ritueel dat het kruis presenteert van Jezus Christus bijvoorbeeld, of de Mahâmantra van Heer Caitanya, naar aanleiding van de aangehangen standaard van de tijd, ter vergeving van de zonde van het pragmatisch afwijken van Krishna's natuur en de wetenschappelijke rationalisatie erover. Vervolgens kunnen we eenvoudig de klok instellen op de tijd van de natuur, op de tijd van Krishna, om in overeenstemming te verkeren met het religieuze inzicht [zie v.k.o.]. En tenslotte, inziend dat de vertrouwelijkheid van Krishna's tijd politiek gezien niet kan worden opgelegd, is er de zuiverheid afgemeten aan de relatieve maat, zoals dit vers stelt, die men met de moderne complexiteit van het tijdbewustzijn kan respecteren met een dubbele tijdsaanduiding die door sommige klokken wordt geboden of door twee klokken die men tegelijk gebruikt: één tijdsaanduiding ingesteld naar de natuur en een andere naar de politiek van de pragmatische manier van omgaan met de tijd. Aldus kunnen we met dit vers de onzuiverheid tolereren van de baatzuchtig gemotiveerde, karmische tijdmanipulaties en nog steeds als toegewijden met zuiverheid tewerk gaan [Prabhupâda die enerzijds uitdrukkelijk verzocht om punctualiteit, verzocht zijn toegewijden verder het onderwerp van de tijd te bestuderen. 'Alle dagen en uren zijn mij hetzelfde. Ik laat die aangelegenheid aan jullie over', vertrouwde hij toe in 'A Transcendental Diary' door Hari S'auri Dâsa].

4*: De paramparâ geeft een voorbeeld: 'Iemand die zijn vrouw en kinderen verlaat is zeker een onnadenkend en onverantwoordelijk iemand. Als men echter sannyâsa neemt, en verankerd blijft op een hoger spiritueel niveau, beschouwt men hem als de heiligste persoon. Trouw en zonde derhalve hangen af van specifieke omstandigheden en zijn bij tijden moeilijk van elkaar te onderscheiden.' Volgens S'rîla Madhvâcârya, worden personen boven de veertien jaar in staat geacht onderscheid te maken tussen goed en kwaad en zijn ze aldus verantwoordelijk voor hun vrome dan wel zondige activiteiten.

5*: Het 'wegverklaren' van Hem als een absolute norm hangt samen met de relatie tussen vorm en inhoud. In de bhakti staat men voor Zijn vorm, die van de âcârya en die van de medetoegewijden als de toegangspoort tot de Vedische kennis. Is men eenmaal door die poort naar binnen, dan speelt de poort waar de Heer met zijn gedaante voor staat minder een rol dan de inhoud die de jñâna dan voor zijn rekening neemt. Dringt men door tot de inhoud, dan is de vorm aldus net zo overbodig als de verpakking van een product dat men wil gebruiken nadat het gekocht is. Maar Heer Krishna is natuurlijk zowel de vorm als de inhoud. In die zin vindt men Hem juist op de weg naar binnen. Het wegverklaren geldt de vorm dus. Een en ander toont de noodzaak van de trikânda drieledigheid van de yoga aan: karma-yoga vormt de weg, bhakti-yoga vormt de winkel en de jñâna-yoga toont de spirituele boodschappen die men daar kan halen.

 
 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.

Het schilderij is getiteld: "Saguna".
©
Wim Kuenen, gebruikt met toestemming.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties