De
Allerhoogste Heer zei: 'Zij die het opgeven met deze manieren
om Mij te bereiken, bestaande uit de toewijding, de kennis en
het werk dat moet worden gedaan, komen met het onbeduidende van
de wisselvallige lusten die ze cultiveren met de zintuigen, te
staan voor de eindigheid van het materieel
bestaan.
De
Allerhoogste Heer zei: 'Zij die het met deze manieren
bestaande uit de toewijding, de kennis en het werk dat moet
worden gedaan om Mij te bereiken opgeven, worden met het
onbeduidende van de met de zintuigen wisselvallige lusten
die ze cultiveren, geconfronteerd met het eindige van het
leven. (Vedabase)
Tekst
2
Van de
standvastigheid die een ieder in zijn positie heeft zegt men
dat dat de feitelijke deugd is en het tegengestelde [ofwel
de onstandvastigheid] is inderdaad de ondeugd; dit is de
slotconclusie wat betreft de twee [zie ook B.G.
2:
16].
De
standvastigheid van een ieder in zijn positie als zodanig
wordt verklaard de deugd te zijn en het tegengestelde is
inderdaad de ondeugd; dit is de slotconclusie wat betreft de
twee [zie ook B.G. 2: 16].
(Vedabase)
Tekst
3
Wat zuiver of
onzuiver zou zijn wat betreft de religie, wat deugd of ondeugd
zou zijn in het normale leven en wat gunstig of ongunstig zou
zijn voor het fysieke voortbestaan zijn zaken die men moet
beoordelen vanuit dezelfde categorie van elementen, o zondeloze
[wat deugt voor het lichaam b.v. deugt nog niet in
religieus opzicht].
Een
bepaald voorwerp moet worden beoordeeld vanuit dezelfde
categorie van voorwerpen en aldus wordt voor de bedoeling
van de religie het zuivere en onzuivere, voor de normale
aangelegenheden de deugd en de ondeugd en voor iemands
fysieke overleven het gunstige en ongunstige vastgesteld, o
zondenloze. (Vedabase)
Tekst
4
Deze werkwijze
[van onderscheid maken tussen goed en kwaad] stel Ik
aan de orde terwille van hen die gebukt gaan onder de last der
religieuze beginselen.
Deze
werkwijze [van onderscheid maken tussen goed en
kwaad] wordt door Mij geopenbaard ter wille van hen die
de last der religieuze beginselen dragen.
(Vedabase)
Tekst
5
Aarde, water,
vuur, lucht en ether zijn de vijf basiselementen die, van heer
Brahmâ af aan tot aan de niet-bewegende levende wezens,
deel uitmaken van de lichamen van de levende wezens die allen
verbonden zijn in de Opperziel.
Aarde,
water, vuur, lucht en ether zijn de vijf basiselementen die,
van heer Brahmâ af aan tot aan de niet-bewegende
levende wezens, de lichamen uitmaken van alle levende wezens
die zich gelijkelijk verhouden tot de
Opperziel.
(Vedabase)
Tekst
6
Hoewel ze
bestaan uit dezelfde elementen en in die zin gelijk aan elkaar
zijn, kennen de Veda's hen verschillende namen en vormen toe
die de behartiging van hun eigenbelang ten dienste staan,
Uddhava [zie varnâs'rama].
Hoewel
gelijk in hun elementen worden, in relatie tot hen, Uddhava,
door de Veda verschillende namen en vormen opgeworpen
terwille van het behartigen van hun eigenbelang [zie
varnâs'rama]. (Vedabase)
Tekst
7
Wat de juiste
en onjuiste overwegingen zouden zijn wat betreft de plaats, de
tijd, de dingen en wat dies meer zij, is door Mij ingesteld met
de bedoeling om materieel gemotiveerde handelingen aan banden
te leggen.
O
meest waarachtige, de positieve kwaliteit en het nadelige
van de tijd en de ruimte en zo voorts van de vormen van
bestaan en van de dingen, worden door Mij ingesteld om zeker
te zijn van de inperking van de baatzuchtige handelingen.
(Vedabase)
Tekst
8
Van alle
plaatsen zijn die plaatsen verdorven waar er geen respect
bestaat voor het brahmaanse en waar de gevlekte antilopen niet
te vinden zijn. En zelfs al zijn er antilopen
[overgebleven, d.w.z. niet allemaal gedood] is een
plaats waar de heilige mannen van de cultuur niet te vinden
zijn, een onbeschaafde plaats waar de praktijken onrein zijn en
de aarde geen wezenlijk nut heeft [zie
mleccha
en *].
Onder
de plaatsen zijn de plaatsen waar er geen respect bestaat
voor het brahmaanse en de gevlekte antilopen niet te vinden
zijn, verdorven; en zelfs al zijn er antilopen
[overgebleven, d.w.z. niet allemaal gedood] is een
plaats verstoken van heilige mannen van cultuur, een
onbeschaafde plaats waar de praktijken onrein zijn en de
aarde geen wezenlijk nut heeft [zie mleccha en
*].
(Vedabase)
Tekst
9
De tijd noemt
men juist en geschikt als die ofwel door zijn eigen natuurlijke
aard [d.w.z. niet tegen de natuur in gemanipuleerd]
ofwel begrepen naar de persoon [de Heer, maar ook naar het
seizoen, het geld - de lakshmî-,
de beschikbaarheid van iets] geschikt is voor het uitvoeren
van de voorgeschreven plicht. Verkeerd en ongeschikt is de tijd
die iemand in zijn plichtsvervulling belemmert, de tijd die
niet geschikt is om arbeid te verrichten [een lustmatig,
willekeurig idee van de tijd, zie 11.20:
26,
kâla
en kâlakûtha
**].
Die
tijd is goed en geldig welke, danwel door zijn eigen aard
[de niet op winst begrepen tijd van de natuur] of op
dezelfde manier naar de persoon [de Heer, of het
voorwerp, de lakshmî, de tijd voor het oogsten
etc.], geschikt is voor het doen van je voorgeschreven
plicht; en slecht en in overtreding is die tijd die je in je
plichtsvervulling belemmert, de tijd niet geschikt om arbeid
te verrichten [de lustmatig en baatzuchtig begrepen
tijd, zie 11.20: 26, kâla en kâlakûtha
**].
(Vedabase)
Tekst
10
Het zuivere en
onzuivere van een ding [of van een substantie] stelt
men vast aan de hand van een ander ding, aan de hand van wat
men erover zegt, aan de hand van een ritueel, aan de hand van
de tijd of overeenkomstig de relatieve maat [zie
***].
Het
zuivere en onzuivere van een ding [of: de
substantie] is er aan de hand van een ander ding, bij
wat men erover zegt en aan de hand van een ritueel of anders
aan de hand van de tijd of overeenkomstig de relatieve
grootte ervan [zie ***].
(Vedabase)
Tekst
11
Afhankelijk van
iemands macht dan wel onmacht, intelligentie en weelde,
toestand en plaats, leidt het [te weten de kwaliteit van
iets] bij een persoon tot een overeenkomstige zondige
[dan wel deugdzame] reactie.
Afhankelijk
van iemands macht danwel onmacht, de intelligentie en de
groei van de weelde, als ook naar gelang iemands toestand of
plaats, veroorzaakt het bij iemand een overeenkomstige
zondige [danwel lofwaardige]
reactie.(Vedabase)
Tekst
12
Onder de
invloed van een combinatie van de tijd, lucht, vuur, aarde en
water, of door ieder van hen afzonderlijk [raken dingen
gezuiverd zoals b.v.] granen, zaken van been, klei of hout,
draad, huiden en vloeistoffen en zaken gewonnen uit het vuur.
Met
de tijd, met lucht, met vuur, met aarde en met water in
combinatie of afzonderlijk [vergaan zo ook] de
granen, zaken van been of hout, draad en vloeistoffen, zaken
gewonnen uit het vuur en huiden en dingen van
klei.
(Vedabase)
Tekst
13
Men beschouwt
dat als zuiverend wat in aanraking met het onzuivere een
kwalijke geur of vuil wegneemt, en zo de oorspronkelijke staat
herstelt van dat voorwerp.
Dat
wat in aanraking met het onzuivere een kwalijke geur of vuil
wegneemt, en zo de oorspronkelijke staat herstelt van dat
voorwerp, dat wordt wat dat betreft beschouwd als zijnde
zuiverend. (Vedabase)
Tekst
14
Door te baden,
door liefdadigheid en verzaking, naar gelang zijn leeftijd,
zijn heldenmoed, rituele zuivering en zijn voorgeschreven
plichten behoort een tweemaal geboren man [als zijnde de
doener] in de heugenis van Mij, tewerk te gaan
overeenkomstig het zuivere, de reinheid van het
[oorspronkelijke] zelf.
Door
te baden, door liefdadigheid en verzaking, naar gelang zijn
leeftijd, zijn heldenmoed, rituele zuivering en zijn
voorgeschreven plichten behoort een tweemaal geboren man
[: de doener] in de heugenis van Mij, te werk te
gaan naar het zuivere, de reinheid van het zelf.
(Vedabase)
Tekst
15
De zuivering
ontleend aan een mantra is het gevolg van het hebben van de
juiste kennis ervan en de zuivering ontleend aan een bepaalde
handeling is het gevolg van de toewijding die men voor Mij
heeft. Religiositeit is het gevolg van [de zuiverheid
van] de zes factoren [zoals vermeld: de plaats, de
tijd, de substantie, de mantra's, de doener en de toegewijde
handeling], terwijl goddeloosheid resulteert uit het
tegenovergestelde.
De
zuivering ontleend aan een mantra volgt zo op de juiste
kennis ervan en de zuivering door een bepaalde handeling
volgt zo op de toewijding die men voor Mij heeft; de
religiositeit wordt gerealiseerd door de zes [zoals
vermeld: de plaats, de tijd, de substantie, de mantra's, de
doener en de toegewijde handeling] maar het areligieuze
volgt op het tegengestelde. (Vedabase)
Tekst
16
Soms echter
verandert een deugd in een ondeugd en verandert een ondeugd bij
machte van de vedische instructie in een deugd. Met het
inachtnemen van de regulerende beginselen komt men zo te staan
voor het feit dat het onderscheid [tussen wat wel en wat
niet deugt] feitelijk door hen vervaagd
[4*].
Soms
echter verandert een deugd in een ondeugd en verandert een
ondeugd bij machte van de vedische instructie in een deugd;
het is in feite met betrekking tot deze beperking van beiden
dat het onderscheid weg valt [4*].
(Vedabase)
Tekst
17
Hetzelfde karma
op basis waarvan iemand ten val kwam vormt niet de oorzaak van
nog een val. Iemand die gevallen is [voor de liefde...]
valt niet verder; voor zo iemand verandert de natuurlijke
gehechtheid in een deugd.
Het
zelfde karma is voor hen die ten val zijn gekomen niet de
oorzaak van een val; met hem die het onderspit dolf niet
verder ten val komend wordt de natuurlijke gehechtheid een
deugd. (Vedabase)
Tekst
18
Waar men ook
van afziet raakt men van bevrijd - dit vormt voor menselijke
wezens de grondslag van het religieuze leven dat het lijden, de
angst en de begoocheling wegneemt.
Waar
men ook van afziet, daarvan raakt men bevrijdt - dit vormt
voor menselijke wezens de grondslag van het dharma dat het
lijden, de angst en de begoocheling
wegneemt.
(Vedabase)
Tekst
19
Ervan uitgaande
dat de voorwerpen van de zinnen het goede zijn, werpt zich
vanuit die aanname de gehechtheid van een persoon op, aan die
gehechtheid ontspringt de lust en door de lust is er strijd
onder de mensen.
Er
van uitgaande dat de voorwerpen van de zinnen het goede
zijn, werpt zich vanuit die aanname de gehechtheid van een
persoon op, aan die gehechtheid ontspringt de lust en aan de
lust zo de ruzie onder de
mensen.
(Vedabase)
Tekst
20
Door de strijd
is er de moeilijk te beheersen woede en als gevolg van de woede
is er onwetendheid; en zo raakt iemand's bewustzijn snel
overweldigd door de duisternis.
(20)
Door de ruzie is er de woede moeilijk om mee om te gaan en
de onwetendheid die volgt op de woede; aldus wordt een man
zijn ruimdenkendheid snel gegrepen door de duisternis.
(Vedabase)
Tekst
21
O heilige ziel,
een levend wezen aldus verstoken [van een helder
verstand] wordt leeghoofdig zodat hij, vanwege het feit dat
zijn levensdoelen voor hem wegvielen, net als de trage materie
zo goed als dood is [vergelijk B.G. 2:
62-63].
O
heilige ziel, een levend wezen verstoken van dat
[ruimere bewustzijn] wordt leeghoofdig zo dat, als
gevolg van het wegvallen van zijn levensdoelen, hij zo dom
als de materie zo goed als dood is [vergelijk B.G.: 2:
62-63].
(Vedabase)
Tekst
22
Bovenmate
verzonken in het zinnelijke kent hij, zinledig een leven erop
nahoudend als van een boom, zichzelf niet, noch de ander en is
zijn ademen slechts gepomp.
Bovenmate
verzonken in het zinnelijke kent hij, zinledig levend naar
de levensstijl van een boom, niet zichzelf noch de ander en
is zijn ademen slechts gepomp.
(Vedabase)
Tekst
23
De beloningen
in het vooruitzicht gesteld door de geschriften vormen voor de
mens niet het hoogste goed; het zijn slechts aansporingen om de
smaak voor het uiteindelijke goed te pakken te krijgen, net
zoals men iemand aanspoort om een medicijn in te
nemen.
Die
beloningen waar de geschriften het over hebben zijn voor de
mens niet het hoogste goed; ze zijn enkel maar prikkels met
het idee om aan te sporen tot het uiteindelijke goed,
precies zoals het is als men iemand aanspoort tot het
innemen van een medicijn. (Vedabase)
Tekst
24
Alleen al door
hun geboorte weerstreven stervelingen het belang van hun ziel
omdat hun geesten verstrikt zijn in de belangenbehartiging van
de zaken die ze begeren, van hun levensfuncties en van hun
beminden.
Enkel
door geboren te zijn weerstaan stervelingen, in de geest
gehecht aan de zaak van hun voorwerpen van begeerte, hun
vitale functies en hun luitjes, de bedoeling van hun
ziel.
(Vedabase)
Tekst
25
Onderworpen
[in religieuze zin] dolen ze, zich niet bewust zijnde
van hun ware eigenbelang, rond op het pad van de rampspoed.
Waarom zouden de intelligenten [het vedisch gezag] hen
die de duisternis binnengaan aanzetten tot nog meer
zinsgenoegens [zie ook 5.5:
17]?
Onderworpen
[in religieuze zin] zijn ze onwetend qua hun ware
eigenbelang verdoold op het pad van de rampspoed; om welke
reden zouden de intelligenten [het vedisch gezag]
hen die de duisternis binnengaan ertoe aanzetten met dat
alles door te gaan? [zie ook 5.5: 17].
(Vedabase)
Tekst
26
Sommige mensen,
zij die op deze manier met een geperverteerde intelligentie
niet de feitelijke conclusie begrijpen, spreken in bloemrijke
bewoordingen van de materiële beloningen waar degene die
de Veda's werkelijk kent niet over rept [zie ook B.G.
2:
42-44].
Sommigen,
op deze manier met een geperverteerde intelligentie niet de
feitelijke conclusie begrijpend, spreken in bloemrijke
bewoordingen van de materiële beloningen waar degene
die de Veda's kent inderdaad niet over rept [zie ook
B.G. 2: 42-44].
(Vedabase)
Tekst
27
De wellustigen,
miserabelen en begeertigen zien de bloemen aan voor de
uiteindelijke waarheid; begoocheld door het vuur kennen ze,
stikkend in de rook, hun eigen positie niet [dat ze een
individuele ziel zijn i.p.v. een lichaam].
De
wellustigen, miserabelen en begeertigen zien de bloemen aan
voor de uiteindelijke waarheid; begoocheld door het vuur
kennen ze, stikkend in de rook, hun eigen plaats niet
[een individuele ziel te zijn i.p.v. een lichaam].
(Vedabase)
Tekst
28
Gewapend met
hun uitdrukkingen, Mijn beste, kennen ze Mij niet, Ik die zich
bevindt in het hart en uit wie dit universum dat Ik ook ben
ontsprong - uit op het zinnelijke zijn ze als mensen die in de
mist staren.
Zij
gewapend met hun uitdrukkingen, Mijn beste, kennen Mij niet
die zich bevindt in het hart en uit wie dit universum
ontsprong - zij, zelfzuchtig, zijn als personen met hun ogen
in de mist. (Vedabase)
Tekst
29-30
Zonder begrip
voor Mijn vertrouwelijke conclusie [zie ook
10.87
en B.G. 9]
zijn ze, opgegaan in het sensuele, gehecht aan het geweld dat
kan voorkomen [in de natuur], maar dat zeker nimmer
wordt aangemoedigd voor het offeren. In werkelijkheid er
behagen in scheppend gewelddadig te zijn met de dieren die
terwille van het eigen zinsgeluk werden afgeslacht, zijn ze in
hun rituele aanbidding van de goden, de voorvaderen en de
leidende geesten, schadelijke mensen.
Zij
zonder begrip voor Mijn vertrouwelijke conclusie [zie
ook 10.87 en B.G. 9] zijn, indien opgegaan in het
sensuele, gehecht aan het geweld dat weliswaar is
toegestaan, maar zeker nimmer wordt aangemoedigd in de
voorschriften voor het offeren. Er waarlijk behagen in
scheppend gewelddadig te zijn met de dieren die in het
verlangen naar hun eigen geluk werden afgeslacht, zijn ze in
hun met rituelen aanbidden van de goden, de voorvaderen en
de leidende geesten, schadelijke mensen.
(Vedabase)
Tekst
31
Die onheilige
wereld [door hen hooggehouden] staat gelijk aan een
droom die, aardig klinkend, gaat over wereldse prestaties
waarmee zij, ingebeeld in hun harten als waren ze zakenlieden,
de feitelijke bedoeling eraan hebben gegeven [van het
realiseren van de ziel].
Die
onheilige wereld [door hen hooggehouden] staat
gelijk aan een droom die aardig klinkend gaat over wereldse
prestaties waarmee zij, ingebeeld in hun harten als waren ze
een zakenman, het opgeven met de bedoeling [van het
realiseren van de ziel]. (Vedabase)
Tekst
32
Gevestigd in de
geaardheid hartstocht, goedheid en onwetendheid aanbidden ze de
goden en anderen geleid door Indra die zich evenzo verheugen in
de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid. Mij echter
aanbidden ze zo niet op de juiste wijze [zie ook B.G.
9:
23 en
10:
24 & 25].
(32)
Mij niet aanbiddend op de juiste wijze aanbidden ze,
gevestigd in de geaardheid hartstocht, goedheid en
onwetendheid de goden en anderen onder leiding van Indra die
zich verheugen in de hartstocht, de goedheid en de
onwetendheid [zie ook B.G. 9: 23 en 10: 24 & 25
]. (Vedabase)
Tekst
33-34
'Als we hier op
aarde met onze offerplechtigheden vol van aanbidding zijn voor
de goden zal ons het hemels geluk ten deel vallen en zullen we
daarna op aarde allen in een kast van een huis wonen en van een
goede komaf zijn.' Met hun geesten aldus verbijsterd door de
bloemrijke taal [van de Veda's] voelen ze zich ondanks
die taal als trotse en hoogst begeertige mensen niet
aangetrokken tot Mijn verhandelingen.
(33-34)
'Alhier vol van aanbidding zullen we met onze
offerplechtigheden voor de goden in de hemel genieten en aan
het eind van dat genoegen zullen we op aarde grootse
huizenbezitters zijn van een goede komaf', aldus met hun
geesten verbijsterd door de bloemrijke woorden voelen ze
niettemin, als trotse en hoogst begeertige mensen, zich niet
aangetrokken tot Mijn
verhandelingen.
(Vedabase)
Tekst
35
De
trikânda
verdeelde Veda's hebben het spirituele begrip van het ware
zelf, de ziel, als hun onderwerp maar ook de vedische zieners
die zich meer esoterisch uitdrukken op eigen gezag zijn Mij
dierbaar [de 'andere goeroes'].
De
tri-kânda verdeelde Veda's hebben het spirituele
begrip van het zelf als hun onderwerp maar ook zijn Mij
dierbaar de vedische zieners die zich esoterisch uitdrukken
in indirecte bewoordingen [de 'andere goeroes'].
(Vedabase)
Tekst
36
Het
bovenzinnelijk geluid [de s'abda-brahman]
dat zich manifesteert in de prâna,
de zinnen en de geest [van de zelfverwerkelijkte, verlichte
persoon], is iets dat heel moeilijk te begrijpen is, het is
onbegrensd en is onmetelijk diep als de oceaan.
Het
spirituele geluid [de s'abda-brahman] zich
manifesterend in de prâna, de zinnen en de geest kent
geen grenzen en is onmetelijk diep als de oceaan.
(Vedabase)
Tekst
37
Het onpeilbare,
onveranderlijke Absolute van oneindige vermogens dat Ik
uitdraag [als zijnde Mijn natuur, zie Omkâra],
wordt in de levende wezens vertegenwoordigd in de vorm van
geluidsvibraties, zoals een lotusstengel wordt vertegenwoordigd
door een enkele vezel [zie ook 11.18:
32 en
6.13:
15].
Het
onpeilbare, onveranderlijke Absolute van oneindige vermogens
[dat Ik ben], is, zoals door Mij wordt uitgedragen
[zie omkâra], vertegenwoordigd in de levende
wezens in de vorm van de geluidsvibraties, zoals een enkele
vezel is in een lotusstengel [zie ook 11.18: 32 en 6.13:
15]. (Vedabase)
Tekst
38-40
Net zoals een
spin vanuit het hart zijn web weeft via zijn lichaamsopening,
manifesteert de adem van God [de prâna]
vanuit de ether de geluidsvibratie via de geest in de vorm van
de verschillende klankeenheden. Vol van nectar al de vormen
omvattend die uitwaaieren in duizenden richtingen, heeft de
Meester, met de sier van medeklinkers, klinkers, halfklinkers
en sisklanken, Zich uitgebreid vanuit de lettergreep om.
Met de ontwikkelde diversiteit aan uitdrukkingen en
metrische schikkingen die ieder weer vier extra lettergrepen
hebben, schept Hij, en trekt Hijzelf ook weer terug, de enorme,
onbegrensde uitgebreidheid [van de vedische
klankmanifestatie, zie ook B.G. 15:
15].
(38-40)
Net zoals een spin vanuit zijn lichaamsopening van binnen
uit een web afscheidt, manifesteert de adem van God [de
prâna] vanuit de ether de geluidsvibratie via de
geest in de vorm van de verschillende klankeenheden. Al de
vormen vol van nectar omvattend die uitwaaieren in duizenden
richtingen, heeft de Meester, met de sier van medeklinkers,
klinkers, halfklinkers en sisklanken, Zich uitgebreid vanuit
de lettergreep om. Met de ontwikkelde diversiteit aan
uitdrukkingen en metrische schikkingen die ieder weer vier
extra lettergrepen hebben, schept Hij, en trekt Hijzelf ook
weer terug, de enorme grenzeloze uitgebreidheid [van de
vedische literatuur, zie ook B.G. 15:
15].
(Vedabase)
Tekst
41
Bijvoorbeeld de
versmaten Gâyatrî,
Ushnik en Anushthup; Brihatî en Pankti alsook Trishthup,
Jagatî, Aticchanda, en Atyashthi, Atijagatî en
Ativirâth [hebben ieder in deze volgorde telkens vier
extra lettergrepen].
Bij
voorbeeld de versmaten Gâyatrî, Ushnik en
Anusthup; Brihatî en Pankti als ook Tristhup,
Jagatî, Aticchanda, en Atyasthi, Atijagatî en
Ativirâth [hebben ieder in deze volgorde telkens
vier extra lettergrepen].
(Vedabase)
Tekst
42
Wat zij
[karma-kânda] voorschrijven [dat men
zou moeten doen], waar zij
[upâsana-kânda] op duiden [als
zijnde het voorwerp der aanbidding], welke aspecten ze
beschrijven of welke alternatieven zij aldus
[jñâna-kânda] literair bieden
[als filosofie], de kern van deze zaak is in deze
wereld aan niemand anders bekend dan aan Mij [vergelijk
11.20,
B.G. 4:
5,
7:
26,
10:
41].
Wat
zij [karma-kânda] voorschrijven, waar zij
[upâsana-kânda] op duiden, welke
aspecten ze beschrijven of welke alternatieven zij aldus
[jñâna-kânda] literair bieden,
dat hart in deze wereld, is buiten Mij aan niemand anders
bekend [vergelijk 11.20, B.G. 5: 5, 7: 26, 10: 41].
(Vedabase)
Tekst
43
Ik ben het
voorwerp der aanbidding, Mij geldt de voorgeschreven handeling
en Ik ben het alternatief dat wordt geboden en wegverklaard
[5*].
De bovenzinnelijke geluidsvibratie van de Veda's vestigt de
aandacht op Mij als zijnde hun betekenis en beschrijft
uitvoerig de materiële dualiteit als zijnde simpelweg het
illusoire dat moet worden ontkracht om uiteindelijk gelukkig te
worden.'
Ik
ben het voorwerp van de voorgeschreven aanbidding en Ik ben
het alternatief dat wordt geboden en beargumenteerd; Ik
aldus ben de betekenis van al de Veda's die Mij, de
bovenzinnelijke geluidsvibratie, vestigen en uitvoerig de
materiële dualiteit beschrijven als zijnde simpelweg
het illusoire dat moet worden ontkracht om uiteindelijk
gelukkig te worden.
(Vedabase)
*:
S'rîla Madhvâcârya citeert als volgt uit de
Skanda Purâna: 'Religieuze personen behoren zich
op te houden binnen een straal van dertien kilometer van
rivieren, oceanen, bergen, hermitages, bossen, spirituele
gemeenschappen of plaatsen waar de
s'âlagrâma-s'îlâ [een zwarte
ovale riviersteen geschikt om te aanbidden] wordt
aangetroffen. Alle andere plaatsen moeten als
kîkatha worden beschouwd, ofwel als besmet. Maar
zelfs als men in zulke besmette plaatsen zwarte en gevlekte
antilopen aantreft, mag men zich daar ophouden zo lang als er
geen zondige personen aanwezig zijn. Zelfs als er zondige
personen aanwezig zijn mag men zich daar ophouden, mits het
burgerlijk gezag in handen is van respectabele autoriteiten. Zo
ook mag men zich daar ophouden waar de Beeltenis van Vishnu
naar behoren is geïnstalleerd en wordt
aanbeden.'
**:
De paramparâ voegt hier toe: 'Politieke, sociale
of economische verstoringen die iemand belemmeren in de
uitvoering van zijn religieuze plichten worden beschouwd als
tijden die ongunstig zijn.' Derhalve is de - vorm van, de soort
van - tijd waarmee men de omgang met de Opperheer of de Heer
Zijn zuivere toegewijde bereikt, de tijd die gunstig heet,
terwijl de vorm van tijd die politiek, economisch of sociaal
bepaald wordt en waarmee men die omgang verliest, een tijd is
die hoogst ongelukkig wordt genoemd. Religieuze timing -
overeenkomstig de zon en de maan b.v. - is sat kâla,
of ware timing en juiste conditionering, terwijl
menselijk bepaalde timing zoals de standaardtijd
asat kâla is, ofwel een tijdconditionering inhoudt
die is gebaseerd op vals gezag, een karma gemotiveerde tijd
gedreven door nevenmotieven. Wetenschappelijk betreft het een
biologisch conflict op het niveau van het zenuwstelsel tussen
de natuurlijke prikkels van de tijd, zoals de regelmaat van het
daglicht, en de culturele prikkels van de tijd die hier met
lineaire en gegeneraliseerde tijdsbegrippen als de gemiddelde
tijd en de zonetijd, haaks op staan. De tijdzin van de moderne
mens is daardoor gestoord, hij lijdt onder de psychologische
tijd, een instabiel gevoel van de tijd dat fundamenteel is voor
de cultuurneurose.
***:
Een voorbeeld ter illustratie bij deze nogal abstracte
formulering wordt gevormd door de klok: de klok is zuiver of
onzuiver naar gelang het object van meting: de tijd van de
natuur als een ander 'ding' van de tijd. Dit wordt het
criterium van de wetenschappelijke validatie genoemd ofwel het
bepalen van het nulpunt van de meting. Maar ook erover sprekend
in een wetenschappelijk betoog en uitleggen dat de gemiddelde
tijd, de klok die afwijkt van de natuur, is afgeleid uit en
refereert aan de natuur zelf middels een wetenschappelijke
formule die uitdrukking geeft aan de zogenaamde
tijdvereffening,
is een manier om een klaarblijkelijk afwijkende klok te
heiligen ofwel er op een politieke manier de waarheid van te
verklaren. Verder is er ook het religieuze ritueel dat het
kruis presenteert van Jezus Christus bijvoorbeeld, of de
Mahâmantra van Heer Caitanya, naar aanleiding van de
aangehangen standaard van de tijd, ter vergeving van de zonde
van het pragmatisch afwijken van Gods natuur en de
wetenschappelijke rationalisatie erover. Vervolgens kunnen we
eenvoudig
de klok instellen op de tijd van de
natuur,
op de tijd van Krishna, om in overeenstemming te verkeren met
het religieuze inzicht [zie f.c.o.].
En tenslotte, inziend dat de vertrouwelijkheid van Krishna's
tijd politiek gezien niet kan worden opgelegd, is er de
zuiverheid afgemeten aan de relatieve maat, zoals dit vers
stelt, die men met de moderne complexiteit van het
tijdbewustzijn kan respecteren met een dubbele tijdsaanduiding
die door sommige klokken wordt geboden of door twee klokken die
men tegelijk gebruikt: één tijdsaanduiding
ingesteld naar de natuur en een andere naar de politiek van de
pragmatische manier van omgaan met de tijd. Aldus kunnen we met
dit vers de onzuiverheid tolereren van de baatzuchtig
gemotiveerde, karmische tijdmanipulaties en nog steeds als
toegewijden met zuiverheid tewerk gaan [Prabhupâda
die enerzijds uitdrukkelijk verzocht om punctualiteit, verzocht
zijn toegewijden verder het onderwerp van de tijd te
bestuderen. 'Alle dagen en uren zijn mij hetzelfde. Ik laat die
aangelegenheid aan jullie over', vertrouwde hij toe in 'A
Transcendental Diary' door Hari S'auri
Dâsa].
4*:
De paramparâ geeft een voorbeeld: 'Iemand die zijn
vrouw en kinderen verlaat is zeker een onnadenkend en
onverantwoordelijk iemand. Als men echter sannyâsa
neemt, en verankerd blijft op een hoger spiritueel nivo,
beschouwt men hem als de heiligste persoon. Trouw en zonde
derhalve hangen af van specifieke omstandigheden en zijn bij
tijden moeilijk van elkaar te onderscheiden.' Volgens
S'rîla Madhvâcârya, worden personen boven de
veertien jaar in staat geacht onderscheid te maken tussen goed
en kwaad en zijn ze aldus verantwoordelijk voor hun vrome dan
wel zondige activiteiten.
5*
Het 'wegverklaren' hangt samen met de relatie tussen vorm en
inhoud. In de bhakti staat men voor Zijn vorm, die van de
âcârya en die van de medetoegewijden als de
toegangspoort tot de vedische kennis. Is men eenmaal door die
poort naar binnen, dan speelt de poort waar de Heer met zijn
gedaante voor staat minder een rol dan de inhoud die de
jñâna dan voor zijn rekening neemt. Dringt
men door tot de inhoud, dan is de vorm aldus net zo overbodig
als de verpakking van een product dat men wil gebruiken nadat
het gekocht is. Maar Heer Krishna is natuurlijk zowel de vorm
als de inhoud. In die zin vindt men Hem juist op de weg naar
binnen. Het wegverklaren geldt de vorm dus. Een en ander toont
de noodzaak van de trikânda drieledigheid van de
yoga aan: karma-yoga vormt de weg, bhakti-yoga vormt de
winkel en de jñâna-yoga toont de spirituele
boodschappen die men daar kan
halen.