Canto
9
Hoofdstuk 23: De Dynastieën van de Zoons van Yayâti: het Verschijnen van Heer Krishna
(1) S'rî S'uka zei: 'Van Anu [de vierde zoon van Yayâti, zie 9.17, 9.18 & 9.19] waren er de drie zonen Sabhânara, Cakshu en Pareshnu. Van Sabhânara kwam daarna Kâlanara ter wereld en volgde er een zoon van hem genaamd Sriñjaya. (2) Van Janamejaya [na hem] was er een zoon Mahâs'âla die Mahâmanâ kreeg. Us'înara en Titikshu waren de twee zoons van Mahâmanâ. (3-4) S'ibi, Vara, Krimi en Daksha waren de vier die ter wereld kwamen door Us'înara. Vrishâdarbha, Sudhîra, Madra en de zelfgerealiseerde Kekaya waren vier zoons die geboorte namen door S'ibi. Van Titikshu was er een genaamd Rushadratha van wie Homa er was die Sutapâ verwekte. Bali was Sutapâ's zoon. (5) Met Anga voorop, Vanga en Kalinga stonden Suhma, Pundra en Odra bekend als geboren uit het zaad van Dîrghatama in de vrouw van de grote veroveraar Bali. (6) Het waren hun namen die aan de zes staten werden gegeven die ze schiepen in het oosten [van India]. Uit Anga vond Khalapâna zijn bestaan en van hem verscheen daarna Diviratha. (7-10) Van Dharmaratha, zijn zoon, kwam Citraratha ter wereld, gevierd als Romapâda. Omdat Romapâda geen zoons had leverde zijn vriend Das'aratha hem S'ântâ, zijn eigen dochter [ter adoptie], die toen trouwde met Rishyas'ringa [een kluizenaar die in het woud leefde, zie ook 8.13: 15-16]. Maar omdat de god [Indra] niet voor de nodige regen zorgde werd hij, die hertenzoon, aangetrokken met behulp van courtisanes die dansend en zingend met muziek hem verbijsterden met omhelzingen en eerbetoon. Terwille van de kinderloze koning organiseerde hij [Rishyas'ringa] toen een marutvân [zoon-brengende] offerplechtigheid zodat Das'aratha [als de schoonvader] een kind werd geleverd [alsook regen, zie B.G. 3:14]. En zo bracht hij [Romapâda], die zonder een opvolger zat, het daadwerkelijk tot nageslacht; hij kreeg Caturanga die toen Prithulâksha als zijn zoon kreeg. (11) Brihadratha, Brihatkarmâ en Brihadbhânu waren zijn zoons. Van de oudste [Brihadratha] was Brihanmanâ er en van hem was hij er die vereerd werd met de naam Jayadratha. (12) Vijaya met hem geboren uit Sambhûti had daarna Dhriti en van hem nam Dhritavrata zijn geboorte van wie Satkarmâ er kwam die Adhiratha kreeg. (13) Hij spelend aan de oever van de Ganges trof in een mand de baby aan achtergelaten door Kuntî omdat die was geboren voordat ze getrouwd was. Geen zoon hebbend adopteerde hij het als zijn eigen zoon [Karna]. (14) O meester van het universum, Vrishasena was Karna's zoon. Van Druhyu [Yayâti's derde zoon] was er een zoon genaamd Babhru die daarna Setu verwekte. (15) Ârabdha van hem geboren had Gândhâra en van hem was Dharma er. Hij had Dhrita, en van Dhrita was Durmada er van wie de zoon Pracetâ een honderdtal zonen had. (16) Zij aanvaarden als koningen het gezag over de noordelijke richting, de ongeciviliseerde gebieden van Mlecchades'a. Turvasu [Yayâti's tweede zoon] kreeg de zoon Vahni en Vahni kreeg Bharga die Bhânumân verwekte. (17) Tribhânu, zijn zoon, had er ook een: de grootmoedige Karandhama. Zijn zoon was Maruta; hij, zonder zoons, adopteerde een Paurava [Dushmanta, zie ook 9.20: 7] als zijn zoon. (18-19) Dushmanta die de troon begeerde, keerde naar zijn clan terug [de Puru's]. Van Yayâti's eerste zoon Yadu was er een dynastie, o beste der mensen, die ik u nu zal beschrijven.
Om te vernemen over de Yadu dynastie is iets zeer vrooms dat al de terugslagen van de zonde in de menselijke samenleving overwint. Een ieder die er eenvoudig naar luistert raakt bevrijd van de nasleep der zonde.(20-21) In deze dynastie daalde de Opperheer [Krishna] neder, de Superziel, eruitziend alsof Hij een gewoon mens is [zie ook S.B. 1.2: 11]. Van Yadu waren er de vier zoons gevierd als Sahasrajit, Kroshthâ, Nala en Ripu, en van hen kreeg S'atajit, geboren uit de eerste van hen, als zijn zoons toen Mahâhaya, Renuhaya en Haihaya. (22) Dharma werd vervolgens Haihaya's zoon en zijn zoon Netra was de vader van Kunti [niet Kuntî]. Sohañji werd de zoon van Kunti en hij verwekte Mahishmân die Bhadrasenaka kreeg. (23) Durmada kwam van Bhadrasena ter wereld tezamen met Dhanaka. Dhanaka was de vader van de zoons Kritavîrya, Kritâgni, Kritavarmâ en Kritaujâ. (24) Van Kritavîrya was er Arjuna [Kârtavîryârjuna] die keizer werd over de zeven continenten en van de yoga van Heer Dattâtreya, een [ams'a-]incarnatie van de Allerhoogste Persoonlijkheid [zie ook 9.15, 10.73 & 12.3], al de grote kwaliteiten verwierf [de acht siddhi's]. (25) Er was inderdaad niemand op deze aarde te vinden die zich kon meten met Kârtavîrya in zijn kwaliteiten van opoffering, liefdadigheid, verzaking, yogasucces, scholing, kracht en genade. (26) Voor de duur van vijfentachtigduizend jaar zou zijn kracht onverminderd daadwerkelijk onuitputtelijk zijn en konden de zes vormen van plezier [naar de zinnen en de geest] worden genoten in volle heugenis en alle weelde. (27) Van zijn duizend zoons bleven er maar vijf in leven in de strijd [tegen Paras'urâma]: Jayadhvaja, S'ûrasena, Vrishabha, Madhu en Ûrjita. (28) Jayadhvaja kreeg Tâlajangha van wie toen een honderdtal zonen werd geboren. Die vormden een kshatriya-clan bekend als de Tâlajangha's die werd vernietigd dankzij de macht [door Sagara] ontvangen van de wijze Aurva [zie 9.8: 3-7]. (29) Van Tâlajangha's oudste zoon Vîtihotra was er Madhu, die een honderdtal zonen kreeg waarvan de gevierde Vrishni de oudste was. Van hem was er de dynastie.
(30-31) O Koning, de Yâdava, Mâdhava en Vrishni dynastieën [van Heer Krishna's voorvaderen] ontleenden hun namen aan hun leidende persoonlijkheden. Yadu's zoon Kroshthâ had een zoon met de naam Vrijinavân. Zijn zoon was Svâhita die daarop Vishadgu kreeg van wie er Citraratha was van wie S'as'abindu zijn geboorte nam, een grote yogi die een zeer fortuinlijke, grote persoonlijkheid werd die, als keizer ongeslagen, al de veertien soorten van grote rijkdom kende [*]. (32) S'as'abindu had tienduizend vrouwen, en in hen verwekte hij die zo beroemd was tienduizend lakhs [**] zonen [en kleinzonen]. (33) Van hen kennen we slechts de zes meest vooraanstaande. Prithus'ravâ [een van hen] had een zoon met de naam Dharma. Us'anâ, zijn zoon, bracht honderd as'vamedha offers. (34) Van zijn zoon Rucaka waren er vijf zonen genaamd Purujit, Rukma, Rukmeshu, Prithu en Jyâmagha. Verneem nu alstublieft over hen. (35-36) Jyâmagha was, ondanks het feit dat hij geen zoons had, bang om een andere vrouw dan zijn echtgenote S'aibyâ aan te nemen. Hij bracht toen een sensueel meisje met zich mee uit het kamp van een vijandelijke clan waarop S'aibyâ, toen ze het meisje op haar plaats op de wagen zag zitten, zeer boos werd en tegen haar echtgenoot zei: 'Wie is dit die je het hebt toegestaan op mijn plaats op de wagen te gaan zitten, jij bedrieger?'
'Ze is je schoondochter' bracht hij haar toen bij waarop ze met een glimlach tot haar man zei:
(37) 'Ik ben onvruchtbaar, ik heb geen bijvrouw, hoe kan zij dan mijn schoondochter zijn? Welke zoon kon jij op de wereld zetten?'
'Mijn Koningin', [antwoordde hij,] 'Dit meisje hier zal voor hem zeer geschikt zijn!'
(38) Met de [door Jyâmagha gunstig gestemde] halfgoden en voorouders die met die uitspraak instemden raakte S'aibyâ zwanger zodat ze na de nodige tijd een zoon ter wereld bracht. Die zoon was de goedgunstige, welbekende Vidharba die later met het kuise meisje trouwde dat als de schoondochter werd aangenomen.'
Tweede editie, geladen 13 februari 2008.
Bronteksten:
De dynastieën van de zonen van Yayâti
S'rî S'uka zei: 'Van Anu [de vierde zoon van Yayâti, zie 9.17, 9.18 & 9.19] waren er de drie zonen Sabhânara, Cakshu en Pareshnu. Van Sabhânara kwam daarna Kâlanara ter wereld en volgde er een zoon van hem genaamd Sriñjaya.S'ukadeva Gosvâmî zei: Anu, de vierde zoon van Yayâti, kreeg drie zonen, namelijk Sabhânara, Cakshu en Pareshnu. O koning, Sabhânara kreeg een zoon met de naam Kâlanara en Kâlanara kreeg een zoon met de naam Sriñjaya. (Vedabase)
Van Janamejaya [na hem] was er een zoon Mahâs'âla die Mahâmanâ kreeg. Us'înara en Titikshu waren de twee zoons van Mahâmanâ.
Sriñjaya kreeg een zoon met de naam Janamejaya. Janamejaya verwekte Mahâs'âla, Mahâs'âla verwekte Mahâmanâ en Mahâmanâ had twee zonen, namelijk Us'înara en Titikshu. (Vedabase)
S'ibi, Vara, Krimi en Daksha waren de vier die ter wereld kwamen door Us'înara. Vrishâdarbha, Sudhîra, Madra en de zelfgerealiseerde Kekaya waren vier zoons die geboorte namen door S'ibi. Van Titikshu was er een genaamd Rushadratha van wie Homa er was die Sutapâ verwekte. Bali was Sutapâ's zoon.
De vier zonen van Us'înara waren S'ibi, Vara, Krimi en Daksha, en S'ibi kreeg op zijn beurt ook vier zonen, namelijk Vrishâdarbha, Sudhîra, Madra en âtma-tattva-vit Kekaya. De zoon van Titikshu heette Rushadratha. Rushadratha verwekte Homa, Homa verwekte Sutapâ en Sutapâ verwekte Bali. (Vedabase)
Met Anga voorop, Vanga en Kalinga stonden Suhma, Pundra en Odra bekend als geboren uit het zaad van Dîrghatama in de vrouw van de grote veroveraar Bali.
Dîrghatama verwekte bij de vrouw van Bali, de keizer van de wereld, zes zonen, te weten Anga, Vanga, Kalinga, Suhma, Pundra en Odra. (Vedabase)
Het waren hun namen die aan de zes staten werden gegeven die ze schiepen in het oosten [van India]. Uit Anga vond Khalapâna zijn bestaan en van hem verscheen daarna Diviratha.
Deze zes zonen, met Anga als voornaamste, werden later koningen van zes staten in het oosten van India. Elk van deze staten droeg de naam van hun respectievelijke koning. Anga verwekte een zoon met de naam Khalapâna en Khalapâna verwekte Diviratha. (Vedabase)
Van Dharmaratha, zijn zoon, kwam Citraratha ter wereld, gevierd als Romapâda. Omdat Romapâda geen zoons had leverde zijn vriend Das'aratha hem S'ântâ, zijn eigen dochter [ter adoptie], die toen trouwde met Rishyas'ringa [een kluizenaar die in het woud leefde, zie ook 8.13: 15-16]. Maar omdat de god [Indra] niet voor de nodige regen zorgde werd hij, die hertenzoon, aangetrokken met behulp van courtisanes die dansend en zingend met muziek hem verbijsterden met omhelzingen en eerbetoon. Terwille van de kinderloze koning organiseerde hij [Rishyas'ringa] toen een marutvân [zoon-brengende] offerplechtigheid zodat Das'aratha [als de schoonvader] een kind werd geleverd [alsook regen, zie B.G. 3:14]. En zo bracht hij [Romapâda], die zonder een opvolger zat, het daadwerkelijk tot nageslacht; hij kreeg Caturanga die toen Prithulâksha als zijn zoon kreeg.
Diviratha kreeg een zoon met de naam Dharmaratha en diens zoon heette Citraratha, die bekendheid genoot onder de naam Romapâda. Romapâda had echter geen kinderen en daarom gaf zijn vriend Mahârâja Das'aratha hem zijn eigen dochter, S'ântâ. Romapâda adopteerde S'ântâ als zijn dochter en zij trouwde later met Rishyas'ringa. Toen de halfgoden van de hemelse planeten het niet meer lieten regenen, werd Rishyas'ringa aangewezen als priester om een offer te brengen. Om hem het woud uit te krijgen, lokte men hem met prostituées, die dansten, toneelvoorstellingen met muzikale begeleiding ten beste gaven en hem omhelsden en vereerden. Na de komst van Rishyas'ringa begon het te regenen. Vervolgens verrichtte Rishyas'ringa een ceremonie waardoor Mahârâja Das'aratha, die geen mannelijke nakomelingen had, in staat was om zonen te krijgen. Dankzij de genade van Rishyas'ringa kreeg Romapâda een zoon met de naam Caturanga. Caturanga verwekte Prithulâksha. (Vedabase)
Brihadratha, Brihatkarmâ en Brihadbhânu waren zijn zoons. Van de oudste [Brihadratha] was Brihanmanâ er en van hem was hij er die vereerd werd met de naam Jayadratha.
De zonen van Prithulâksha heetten Brihadratha, Brihatkarmâ en Brihadbhânu. De oudste, Brihadratha, verwekte een zoon met de naam Brihanmanâ en Brihanmanâ kreeg een zoon die Jayadratha heette. (Vedabase)
Vijaya met hem geboren uit Sambhûti had daarna Dhriti en van hem nam Dhritavrata zijn geboorte van wie Satkarmâ er kwam die Adhiratha kreeg.
De zoon die Jayadratha bij zijn vrouw Sambhûti verwekte, heette Vijaya en Vijaya was de vader van Dhriti. Dhriti verwekte Dhritavrata, Dhritavrata verwekte Satkarmâ en Satkarmâ verwekte Adhiratha. (Vedabase)
Hij spelend aan de oever van de Ganges trof in een mand de baby aan achtergelaten door Kuntî omdat die was geboren voordat ze getrouwd was. Geen zoon hebbend adopteerde hij het als zijn eigen zoon [Karna].
Toen Adhiratha eens aan de oever van de Ganges aan het spelen was, vond hij een in doeken gewikkelde baby in een mand. De baby was achtergelaten door Kuntî omdat hij geboren was voor haar huwelijk. Omdat Adhiratha geen kinderen had, voedde hij het kind op als zijn eigen zoon. [Dit kind werd later Karna genoemd.] (Vedabase)
O meester van het universum, Vrishasena was Karna's zoon. Van Druhyu [Yayâti's derde zoon] was er een zoon genaamd Babhru die daarna Setu verwekte.
O koning, de enige zoon van Karna heette Vrishasena. Druhyu, de derde zoon van Yayâti, kreeg een zoon met de naam Babhru en de zoon van Babhru stond bekend als Setu. (Vedabase)
Ârabdha van hem geboren had Gândhâra en van hem was Dharma er. Hij had Dhrita, en van Dhrita was Durmada er van wie de zoon Pracetâ een honderdtal zonen had.
De zoon van Setu heette Ârabdha, Ârabdha's zoon heette Gândhâra en Gândhâra had Dharma tot zoon. Dharma's zoon was Dhrita, de zoon van Dhrita heette Durmada en Durmada had Pracetâ tot zoon, die op zijn beurt honderd zonen had. (Vedabase)
Zij aanvaarden als koningen het gezag over de noordelijke richting, de ongeciviliseerde gebieden van Mlecchades'a. Turvasu [Yayâti's tweede zoon] kreeg de zoon Vahni en Vahni kreeg Bharga die Bhânumân verwekte.
De Pracetâ's [de zonen van Pracetâ] vestigden zich in het noordelijke deel van India, waar de vedische beschaving niet bekend was, en werden daar koningen. Yayâti's tweede zoon heette Turvasu. De zoon van Turvasu heette Vahni, de zoon van Vahni was Bharga en Bharga had Bhânumân tot zoon. (Vedabase)
Tribhânu, zijn zoon, had er ook een: de grootmoedige Karandhama. Zijn zoon was Maruta; hij, zonder zoons, adopteerde een Paurava [Dushmanta, zie ook 9.20: 7] als zijn zoon.
De zoon van Bhânumân heette Tribhânu en diens zoon was de edelmoedige Karandhama. Karandhama's zoon was Maruta. Maruta had echter geen zonen en adopteerde daarom een zoon uit de Pûru-dynastie [Mahârâja Dushmanta]. (Vedabase)
Dushmanta die de troon begeerde, keerde naar zijn clan terug [de Puru's]. Van Yayâti's eerste zoon Yadu was er een dynastie, o beste der mensen, die ik u nu zal beschrijven. Om te vernemen over de Yadu dynastie is iets zeer vrooms dat al de terugslagen van de zonde in de menselijke samenleving overwint. Een ieder die er eenvoudig naar luistert raakt bevrijd van de nasleep der zonde.
Omdat Mahârâja Dushmanta het verlangen had om de troon te bestijgen, keerde hij hoewel hij Maruta als zijn vader aangenomen had, terug naar zijn oorspronkelijke dynastie [de Pûru-dynastie]. O Mahârâja Parîkshit, laat me nu de dynastie beschrijven van Yadu, de oudste zoon van Mahârâja Yayâti. Deze beschrijving is bijzonder zuiverend, want ze vernietigt de reacties op alle zondige activiteiten van de mensheid. Gewoon door naar deze beschrijving te luisteren, raakt men bevrijdt van alle reacties op zijn zonden. (Vedabase)
In deze dynastie daalde de Opperheer [Krishna] neder, de Superziel, eruitziend alsof Hij een gewoon mens is [zie ook S.B. 1.2: 11]. Van Yadu waren er de vier zoons gevierd als Sahasrajit, Kroshthâ, Nala en Ripu, en van hen kreeg S'atajit, geboren uit de eerste van hen, als zijn zoons toen Mahâhaya, Renuhaya en Haihaya.
De Allerhoogste Godspersoon, Krishna, de Superziel in het hart van de levende wezens, daalde in Zijn oorspronkelijke gedaante als mens neer in de dynastie of familie van Yadu. Yadu had vier zonen, namelijk Sahasrajit, Kroshthâ, Nala en Ripu. Van deze vier kreeg de oudste, Sahasrajit, een zoon met de naam S'atajit, die op zijn beurt drie zonen had, namelijk Mahâhaya, Renuhaya en Haihaya. (Vedabase)
Dharma werd vervolgens Haihaya's zoon en zijn zoon Netra was de vader van Kunti [niet Kuntî]. Sohañji werd de zoon van Kunti en hij verwekte Mahishmân die Bhadrasenaka kreeg.
De zoon van Haihaya heette Dharma en Dharma's zoon was Netra, de vader van Kunti. Kunti kreeg een zoon met de naam Sohañji, Sohañji verwekte Mahishmân en Mahishmân verwekte Bhadrasenaka. (Vedabase)
Durmada kwam van Bhadrasena ter wereld tezamen met Dhanaka. Dhanaka was de vader van de zoons Kritavîrya, Kritâgni, Kritavarmâ en Kritaujâ.
De zonen van Bhadrasena werden Durmada en Dhanaka genoemd. Dhanaka was de vader van Kritavîrya en tevens van Kritâgni, Kritavarmâ en Kritaujâ. (Vedabase)
Van Kritavîrya was er Arjuna [Kârtavîryârjuna] die keizer werd over de zeven continenten en van de yoga van Heer Dattâtreya, een [ams'a-]incarnatie van de Allerhoogste Persoonlijkheid [zie ook 9.15, 10.73 & 12.3], al de grote kwaliteiten verwierf [de acht siddhi's].
De zoon van Kritavîrya heette Arjuna. Hij [Kârtavîryârjuna] werd keizer van de hele wereld, die uit zeven eilanden bestaat, en ontving mystieke kracht van Dattâtreya, de incarnatie van de Allerhoogste Godspersoon. Op deze wijze verwierf hij zich de mystieke volmaaktheden die men asta-siddhi noemt. (Vedabase)
Er was inderdaad niemand op deze aarde te vinden die zich kon meten met Kârtavîrya in zijn kwaliteiten van opoffering, liefdadigheid, verzaking, yogasucces, scholing, kracht en genade.
Geen andere koning ter wereld kon Kârtavîryârjuna evenaren op het gebied van vedische offers, liefdadigheid, ascese, mystieke vermogens, geleerdheid, kracht of genade. (Vedabase)
Voor de duur van vijfentachtigduizend jaar zou zijn kracht onverminderd daadwerkelijk onuitputtelijk zijn en konden de zes vormen van plezier [naar de zinnen en de geest] worden genoten in volle heugenis en alle weelde.
Vijfentachtigduizend jaar lang genoot Kârtavîryârjuna met volledige lichaamskracht en een onverzwakt geheugen onophoudelijk van zijn volheden. Anders gezegd, hij genoot van onuitputtelijke materiële volheden met zijn zes zintuigen. (Vedabase)
Van zijn duizend zoons bleven er maar vijf in leven in de strijd [tegen Paras'urâma]: Jayadhvaja, S'ûrasena, Vrishabha, Madhu en Ûrjita.
Van de duizend zonen van Kârtavîryârjuna bleven er slechts vijf in leven na het gevecht met Paras'urâma. Hun namen waren Jayadhvaja, S'ûrasena, Vrishabha, Madhu en Ûrjita. (Vedabase)
Jayadhvaja kreeg Tâlajangha van wie toen een honderdtal zonen werd geboren. Die vormden een kshatriya-clan bekend als de Tâlajangha's die werd vernietigd dankzij de macht [door Sagara] ontvangen van de wijze Aurva [zie 9.8: 3-7].
Jayadhvaja kreeg een zoon met de naam Tâlajangha, die op zijn beurt honderd zonen kreeg. Alle ksatriya's in die dynastie, Tâlajangha genaamd, werden vernietigd dankzij de geweldige macht die Mahârâja Sagara van Aurva Rishi had ontvangen. (Vedabase)
Van Tâlajangha's oudste zoon Vîtihotra was er Madhu, die een honderdtal zonen kreeg waarvan de gevierde Vrishni de oudste was. Van hem was er de dynastie.
Van de zonen van Tâlajangha was Vîtihotra de oudste. Vîtihotra's zoon, Madhu, had een beroemde zoon met de naam Vrishni. Madhu kreeg honderd zonen, van wie Vrishni de oudste was. De dynastieën die men kent als Yâdava, Mâdhava en Vrishni, stammen af van Yadu, Madhu en Vrishni. (Vedabase)
O Koning, de Yâdava, Mâdhava en Vrishni dynastieën [van Heer Krishna's voorvaderen] ontleenden hun namen aan hun leidende persoonlijkheden. Yadu's zoon Kroshthâ had een zoon met de naam Vrijinavân. Zijn zoon was Svâhita die daarop Vishadgu kreeg van wie er Citraratha was van wie S'as'abindu zijn geboorte nam, een grote yogi die een zeer fortuinlijke, grote persoonlijkheid werd die, als keizer ongeslagen, al de veertien soorten van grote rijkdom kende [*].
O Mahârâja Parîkshit, omdat Yadu, Madhu en Vrishni ieder de stamvader van een dynastie zijn, staan hun dynastieën bekend onder de namen Yâdava, Mâdhava en Vrishni. De zoon van Yadu, Kroshthâ, had een zoon met de naam Vrijinavân. De zoon van Vrijinavân heette Svâhita, Svâhita's zoon was Vishadgu, Vishadgu had een zoon met de naam Citraratha en Citraratha's zoon heette S'as'abindu. De bijzonder fortuinlijke S'as'abindu, die een groot mysticus was, genoot van veertien volheden en bezat veertien schatten van grote waarde. Zo werd hij keizer van de wereld. (Vedabase)
S'as'abindu had tienduizend vrouwen, en in hen verwekte hij die zo beroemd was tienduizend lakhs [**] zonen [en kleinzonen].
De beroemde S'as'abindu had tienduizend vrouwen, en bij elk van hen verwekte hij een lakh zonen. Daarom was het aantal zonen dat hij had tienduizend lakh. (Vedabase)
Van hen kennen we slechts de zes meest vooraanstaande. Prithus'ravâ [een van hen] had een zoon met de naam Dharma. Us'anâ, zijn zoon, bracht honderd as'vamedha offers.
Van al deze vele zonen waren er zes het voornaamst, zoals Prithus'ravâ en Prithukîrti. De zoon van Prithus'ravâ heette Dharma en diens zoon werd Us'anâ genoemd. Us'anâ verrichtte honderd paardenoffers. (Vedabase)
Van zijn zoon Rucaka waren er vijf zonen genaamd Purujit, Rukma, Rukmeshu, Prithu en Jyâmagha. Verneem nu alstublieft over hen.
De zoon van Us'anâ heette Rucaka, die op zijn beurt vijf zonen had, namelijk Purujit, Rukma, Rukmeshu, Prithu en Jyâmagha. Wees zo goed om naar de beschrijving van deze zonen te luisteren. (Vedabase)
Jyâmagha was, ondanks het feit dat hij geen zoons had, bang om een andere vrouw dan zijn echtgenote S'aibyâ aan te nemen. Hij bracht toen een sensueel meisje met zich mee uit het kamp van een vijandelijke clan waarop S'aibyâ, toen ze het meisje op haar plaats op de wagen zag zitten, zeer boos werd en tegen haar echtgenoot zei: 'Wie is dit die je het hebt toegestaan op mijn plaats op de wagen te gaan zitten, jij bedrieger?'
'Ze is je schoondochter' bracht hij haar toen bij waarop ze met een glimlach tot haar man zei:
Jyâmagha had geen zonen, maar omdat hij bang was voor zijn vrouw, S'aibyâ, kon hij geen andere vrouw nemen. Op een keer nam Jyâmagha uit het paleis van een vijandelijke koning een meisje mee dat prostituée was, maar toen S'aibyâ haar zag werd ze erg boos en zei tot haar echtgenoot: "O echtgenoot, jij bedrieger, wie is dit meisje dat op mijn plaats in het rijtuig zit?" Daarop antwoordde Jyâmagha: "Dit meisje zal je schoondochter worden." Op deze schertsende woorden gaf S'aibyâ glimlachend het volgende antwoord. (Vedabase)
'Ik ben onvruchtbaar, ik heb geen bijvrouw, hoe kan zij dan mijn schoondochter zijn? Welke zoon kon jij op de wereld zetten?'
'Mijn Koningin', [antwoordde hij,] 'Dit meisje hier zal voor hem zeer geschikt zijn!'
S'aibyâ zei: "Ik ben onvruchtbaar en ik heb geen bijvrouw. Hoe kan dit meisje dan mijn schoondochter worden? Leg me dat eens uit." Jyâmagha antwoordde: "Mijn beste koningin, ik zal ervoor zorgen dat je inderdaad een zoon krijgt en dat dit meisje je schoondochter wordt." (Vedabase)
Met de [door Jyâmagha gunstig gestemde] halfgoden en voorouders die met die uitspraak instemden raakte S'aibyâ zwanger zodat ze na de nodige tijd een zoon ter wereld bracht. Die zoon was de goedgunstige, welbekende Vidharba die later met het kuise meisje trouwde dat als de schoondochter werd aangenomen.'
Lang, lang geleden had Jyâmagha de halfgoden en de Pitâ's eens tevredengesteld door ze te vereren. Nu kwam dankzij hun genade Jyâmagha's voorspelling uit. Hoewel S'aibyâ onvruchtbaar was, werd ze door de genade van de halfgoden zwanger en bracht na verloop van tijd een kind ter wereld dat Vidarbha heette. Voordat het kind geboren werd, was het meisje al als schoondochter aanvaard, en daarom trouwde Vidarbha dan ook met haar toen hij opgegroeid was. (Vedabase)
*In de Mârkandeya Purâna worden de veertien juwelen van een keizer als volgt omschreven: (1) een olifant, (2) een paard, (3) een strijdwagen, (4) een echtgenote, (5) pijlen, (6) een bron van weelde, (7) een bloemenslinger, (8) kostbare kleding, (9) bomen, (10) een speer, (11) een strop, (12) juwelen, (13) een parasol, en (14) regulerende beginselen.
**: Een lakh is honderdduizend.
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
Srîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van Muralîdhara
dâsa.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd