
Canto
9
Hoofdstuk 15: Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer
(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Door Purûravâ waren er uit Urvas'î's schoot zes zoons, o heerser der mensen: Âyu, S'rutâyu, Satyâyu, Raya, Vijaya en Jaya. (2-3) S'rutâyu had een zoon Vasumân, Satyâyu had er ook een genaamd S'rutañjaya, van Raya was er een zoon genaamd Eka en van Jaya was er een zoon genaamd Amita. Bhîma was de zoon van Vijaya en daarna kwam Kâñcana als Bhîma's zoon. Van Hotraka, de zoon van Kâñcana, was er de zoon Jahnu die het water van de Ganges in één teug opdronk. (4) Van Jahnu werd inderdaad Puru [zie 1.12: 15 & 3.8: 1] geboren en van hem was er daarna Balâka en zijn zoon Ajaka. Kus'a volgde en van Kus'a kwamen er daarna de vier zoons Kus'âmbu, Tanaya, Vasu en Kus'anâbha na wie Gâdhi verscheen als de zoon van Kus'âmbu. (5-6) Van Gâdhi was er de dochter Satyavatî die door de brahmaan Ricîka gevraagd werd zijn vrouw te zijn, maar hem niet geschikt achtend gaf Koning Gâdhi die zoon van Bhrigu ten antwoord: 'Levert u me alstublieft als bruidsschat voor deze dochter van de Kus'a-dynastie waartoe we behoren, duizend paarden zo stralend als het licht van de maan met ieder één zwart oor.' (7) Aldus verzocht begreep de wijze wat de bedoeling was en begaf hij zich naar waar Varuna zich bevond vanwaar hij de paarden bracht en opleverde waarna hij met de prachtige dochter in het huwelijk trad. (8) Hij als ziener werd door zijn vrouw en zijn schoonmoeder in een verlangen naar een zoon verzocht [om voor ieder van hen] een gerecht te bereiden, dat hij met mantra's aan hen beide aanbood [voor zijn vrouw met een brâhmana mantra en voor zijn schoonmoeder met een kshatriya mantra]. Toen ging de muni weg om een bad te nemen. (9) Ondertussen werd Satyavatî door haar moeder gevraagd de offergave die voor haar bedoeld was af te staan, omdat ze dacht dat de beste van de twee was. Ze deed er afstand van en at zelf van de offergave van haar moeder.
(10) Toen hij hier achter kwam zei de wijze tot zijn vrouw: 'Dat is een zeer betreurenswaardig iets wat je gedaan hebt, je zoon zal een fanatieke, bestraffende persoonlijkheid zijn terwijl de broer een spiritueel ontwikkelde geleerde zal zijn!'
(11) Satyavatî smeekte hem dat het niet zo zou zijn, en dus zei die zoon van Bhrigu: 'Zo niet, dan zal zijn zoon zo moeten worden!', en vervolgens kwam Jamadagni ter wereld.
(12-13) Zij [Satyavatî] werd ook groot en heilig, de hele wereld zuiverend als de Kaus'ikî [een rivier]. Jamadagni huwde zo Renukâ, de dochter van Renu, die van de ziener van Bhrigu werkelijk vele zonen het leven liet zien van wie Vasumân de oudste was en de alom befaamde Paras'urâma [ook bekend als Râma] de jongste zoon was. (14) Van hem [Paras'urâma] die eenentwintig keer optrad als de vernietiger van de Haihaya-dynastie, spreken allen als een [ams'a-]incarnatie van Vâsudeva; hij ontdeed de aarde van al haar kshatriya's. (15) Hij vaagde van de planeet de last weg van de ingebeelde, besturende klasse die, overdekt door hartstocht en onwetendheid verstoken van respect voor het brahmaanse gezag, door hem ter dood werd gebracht ondanks het feit dat ze geen grote overtreding had begaan [zie ook 1.11: 34].'
(16) De achtenswaardige koning zei: 'Wat was precies de overtreding die die corrupte edellieden die de beheersing kwijt waren begingen jegens de Allerhoogste Heer, en om reden waarvan telkens weer opnieuw de dynastie vernietigd werd?'
(17-19) De zoon van Vyâsa zei: 'De koning van de Haihaya's, Kârtavîryârjuna, de beste van alle kshatriya's, had, met een allesomvattend eerbetoon voor Dattâtreya - die een volkomen deelaspect is van Nârâyana -, daarvan een duizendtal armen gekregen en was, hoogst moeilijk te verslaan, onoverwinnelijk temidden van zijn vijanden, scherp van zinnen, zeer aantrekkelijk, van invloed, machtig, befaamd en fysiek zeer sterk. Met de weelde van de beheersing van de yoga waarin de perfecties als animâ [zie siddhi] en dergelijke worden gevonden, ging hij onvermoeibaar als de wind de hele wereld over. (20) Omringd door prachtige vrouwen [eens] genietend in het water van de Revâ [de Narmadâ], bracht hij, veel te trots op de bloemenslinger der victorie die hem was omhangen, de stroom van de rivier tot stilstand met zijn armen. (21) De ingebeelde held Tien-hoofd [Râvana] kon die invloed niet verdragen daar het water dat stroomopwaarts bewoog vanwege hem zijn kampement onder water had gezet. (22) Toen hij hem [de koning] in het gezelschap van de vrouwen had beledigd werd hij zonder veel moeite in hechtenis genomen en opgesloten in [hun hoofdstad] Mâhishmatî en toen weer vrijgelaten alsof het om een aap ging.
(23) Op een keer tijdens een jachtpartij voor zichzelf wat doelloos ronddolend door het bos, stuitte hij [Kârtavîryârjuna] op de âs'rama waar Jamadagni-muni zijn toevlucht had. (24) Hem, die god der mensen samen met zijn soldaten, ministers en de rest van zijn gevolg, kon de grote wijze als de triomf der verzaking door zijn koe van overvloed [kâmadhenu] alles bieden waar maar behoefte aan was. (25) Hij [de koning] die zag welk een soort van weelde groter dan zijn eigen persoonlijke verworvenheden het in feite betrof, kon dat werkelijk niet zo op prijs stellen en ontwikkelde met zijn Haihaya's een begeerte naar die koe van het vuur-offer. (26) In zijn eigenwaan moedigde hij zijn mannen aan de wijze zijn koe van overvloed weg te stelen, die door hem werd meegevoerd naar Mâhishmatî tezamen met het van het geweld krijtende kalf. (27) Nadat de koning vertrokken was werd Paras'urâma, nadat hij was teruggekeerd naar [zijn vaders] âs'rama, zo nijdig als een slang waar men op getrapt heeft toen hij van die schandelijke daad vernam. (28) Een afgrijselijke hakbijl ter hand nemend, een koker pijlen, een boog en een schild ging hij, Hij die Alsmaar Kwader Werd, achter ze aan als een leeuw die een olifant aanvalt. (29) Met hem, de beste van de Bhrigu's achter zich aan in woede met als zijn wapens een boog, pijlen en een hakbijl met zich meedragend, zag hij hem, de hoofdstad betredend met het zwarte hertenvel dat zijn lichaam bedekte en zijn samengeklitte lokken, stralen als het licht van de zon. (30) Hij stuurde er zeventien akshauhinî's [*] op af om hem te bevechten met olifanten, strijdwagens, paarden en voetvolk, met zwaarden, pijlen, lansen, slingers en wapens van vuur maar Paras'urâma, de Heersende Meester, doodde hen allen woest eigenhandig. (31) Waar ook wie ook werd door hem als de meest bedrevene in het hanteren van de hakbijl zo gezwind als de wind en zo rap als de geest in mootjes gehakt; met alle geweld van de doder van de valse orde lagen toen her en der de afgehakte armen en benen en schouderpartijen van de berijders van de olifanten en de paarden die afgeslacht ter aarde waren gestort. (32) Toen hij zag hoe zijn soldaten door de bijl van Râma in modder en bloed op het slagveld met alle pijlen, schilden, vaandels, bogen, en dode lichamen verspreid lagen, spoedde Haihaya [Kârtavîryârjuna] zich kwaad geworden herwaarts. (33) Kârtavîryârjuna legde toen met vijfhonderd van zijn armen tegelijkertijd evenzovele pijlen op evenzovele bogen aan om Râma te doden, maar hij als de meest bedrevene met de wapens sneed ze met slechts één boog alle aan stukken. (34) Opnieuw viel hij aan met door hemzelf uit de aarde gerukte heuvels en bomen, maar door Paras'urâma's messcherpe bijl werden met veel geweld ter plekke al de armen van hem die kwam aanstormen er afgehakt als waren het slangenkragen. (35-36) Ontdaan van zijn armen werd de bergpiek die zijn hoofd was van de romp geslagen en vluchtten al de tienduizend zoons weg in angst toen hun vader werd gedood. De koe en het kalf van het vuuroffer die zwaar te lijden hadden gehad terughalend, keerde de Doder der Valse Heldhaftigheid naar zijn vaders hermitage terug om ze aan hem over te dragen. (37) Nadat hij zijn vader en broers op de hoogte had gesteld van wat hij allemaal gedaan had, sprak Jamadagni nadat hij daarnaar geluisterd had als volgt:
(38) 'O Râma, Râma, zo groot en machtig, je heb een zonde begaan met het onnodig ter dood brengen van die meester der mensen die al de goddelijken belichaamt. (39) Wij inderdaad zijn brahmanen, mijn beste, die met hun vergevingsgezindheid een positie van respect verworven hebben; het is deze kwaliteit waardoor de god die de geestelijk leraar van het universum is [Heer Brahmâ] zijn positie als de hoogste autoriteit heeft gekregen. (40) Eenvoudigweg vergeven behaagt de Godin van het Geluk en zal haar zich doen verhouden tot het brahmaanse als het licht van de zon; met de genadigen zal de Allerhoogste Heer Hari, onze Beheerser, snel zijn behaagd. (41) De koning befaamd als keizer te doden is iets dat erger is dan het doden van een brahmaan, en daarom was die zonde van je af, mijn beste, met het eerbiedigen van de heilige plaatsen in het bewustzijn van de Onfeilbare.'
Tweede editie, geladen 13 januari 2008.
Bronteksten:
Paras'urâma, de incarnatie van de Heer als strijder
De zoon van Vyâsadeva zei: 'Door Purûravâ waren er uit Urvas'î's schoot zes zoons, o heerser der mensen: Âyu, S'rutâyu, Satyâyu, Raya, Vijaya en Jaya.S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O koning Parîkshit, Purûravâ verwekte zes zonen bij Urvas'î. Hun namen waren Âyu, S'rutâyu, Satyâyu, Raya, Vijaya en Jaya. (Vedabase)
S'rutâyu had een zoon Vasumân, Satyâyu had er ook een genaamd S'rutañjaya, van Raya was er een zoon genaamd Eka en van Jaya was er een zoon genaamd Amita. Bhîma was de zoon van Vijaya en daarna kwam Kâñcana als Bhîma's zoon. Van Hotraka, de zoon van Kâñcana, was er de zoon Jahnu die het water van de Ganges in één teug opdronk.
De zoon van S'rutâyu heette Vasumân, Satyâyu's zoon heette S'rutañjaya, Raya's zoon Eka, Jaya's zoon Amita en Vijaya's zoon Bhîma. Bhîma's zoon heette Kâñcana, Kâñcana's zoon Hotraka, en Hotraka had Jahnu, die al het water van de Ganges in één teug opdronk, tot zoon. (Vedabase)
Van Jahnu werd inderdaad Puru [zie 1.12: 15 & 3.8: 1] geboren en van hem was er daarna Balâka en zijn zoon Ajaka. Kus'a volgde en van Kus'a kwamen er daarna de vier zoons Kus'âmbu, Tanaya, Vasu en Kus'anâbha na wie Gâdhi verscheen als de zoon van Kus'âmbu.
De zoon van Jahnu heette Puru, Puru's zoon heette Balâka, Balâka's zoon Ajaka, en Ajaka's zoon Kus'a. Kus'a had vier zonen, Kus'âmbu, Tanaya, Vasu en Kus'anâbha genaamd. De zoon van Kus'âmbu was Gâdhi. (Vedabase)
Van Gâdhi was er de dochter Satyavatî die door de brahmaan Ricîka gevraagd werd zijn vrouw te zijn, maar hem niet geschikt achtend gaf Koning Gâdhi die zoon van Bhrigu ten antwoord: 'Levert u me alstublieft als bruidsschat voor deze dochter van de Kus'a-dynastie waartoe we behoren, duizend paarden zo stralend als het licht van de maan met ieder één zwart oor.'
Koning Gâdhi had een dochter die Satyavatî heette, en een brâhmana-wijze met de naam Ricîka vroeg de koning om haar hand. De koning achtte Ricîka echter ongeschikt om zijn dochter's echtgenoot te worden en zei daarom tot de brâhmana: "Beste heer, ik behoor tot de dynastie van Kus'a. Omdat we aristocratische kshatriya's zijn, bent u verplicht een bruidsschat te geven voor mijn dochter. Breng me daarom minstens duizend paarden, elk stralend als de maneschijn en met één zwart oor, ofwel links of rechts." (Vedabase)
Aldus verzocht begreep de wijze wat de bedoeling was en begaf hij zich naar waar Varuna zich bevond vanwaar hij de paarden bracht en opleverde waarna hij met de prachtige dochter in het huwelijk trad.
Toen koning Gâdhi deze eis stelde, kon de grote wijze Ricîka begrijpen wat er in de geest van de koning omging. Daarom begaf hij zich naar de halfgod Varuna en haalde bij hem de duizend paarden waarom Gâdhi had gevraagd. Nadat hij deze paarden had overhandigd, trouwde de wijze met de knappe koningsdochter. (Vedabase)
Hij als ziener werd door zijn vrouw en zijn schoonmoeder in een verlangen naar een zoon verzocht [om voor ieder van hen] een gerecht te bereiden, dat hij met mantra's aan hen beide aanbood [voor zijn vrouw met een brâhmana mantra en voor zijn schoonmoeder met een kshatriya mantra]. Toen ging de muni weg om een bad te nemen.
Vervolgens verzochten Ricîka Muni's vrouw en schoonmoeder, die elk een zoon wilden, de Muni om een offerande klaar te maken. Daarop bereidde Ricîka Muni een offerande voor zijn vrouw met een brâhmana-mantra en een offerande voor zijn schoonmoeder met een kshatriya-mantra. Toen ging hij weg om zich te baden. (Vedabase)
Ondertussen werd Satyavatî door haar moeder gevraagd de offergave die voor haar bedoeld was af te staan, omdat ze dacht dat de beste van de twee was. Ze deed er afstand van en at zelf van de offergave van haar moeder.
Ondertussen vroeg Satyavatî's moeder, die dacht dat de offerande voor haar dochter, Ricîka's vrouw, beter moest zijn, Satyavatî om haar eigen offerande aan haar te geven. Daarom gaf Satyavatî de offerande die voor haar bestemd was aan haar moeder en at zelf die van haar moeder op. (Vedabase)
Toen hij hier achter kwam zei de wijze tot zijn vrouw: 'Dat is een zeer betreurenswaardig iets wat je gedaan hebt, je zoon zal een fanatieke, bestraffende persoonlijkheid zijn terwijl de broer een spiritueel ontwikkelde geleerde zal zijn!'
Toen de grote wijze Ricîka na zich gebaad te hebben weer thuiskwam en begreep wat er in zijn afwezigheid gebeurd was, zei hij tegen zijn vrouw Satyavatî: "Je hebt een grote fout begaan. Nu zal je zoon een onverschrokken kshatriya zijn die in staat is om iedereen te straffen en je broer een grote geleerde in de wetenschap van het geestelijk leven." (Vedabase)
Satyavatî smeekte hem dat het niet zo zou zijn, en dus zei die zoon van Bhrigu: 'Zo niet, dan zal zijn zoon zo moeten worden!', en vervolgens kwam Jamadagni ter wereld.
Satyavatî bracht Ricîka Muni echter tot bedaren met kalmerende woorden en verzocht hem om ervoor te zorgen dat haar zoon geen onverschrokken kshatriya zou worden. Ricîka Muni antwoordde: "In dat geval zal je kleinzoon de mentaliteit van een kshatriya hebben." Zo kreeg Satyavatî Jamadagni tot zoon. (Vedabase)
Zij [Satyavatî] werd ook groot en heilig, de hele wereld zuiverend als de Kaus'ikî [een rivier]. Jamadagni huwde zo Renukâ, de dochter van Renu, die van de ziener van Bhrigu werkelijk vele zonen het leven liet zien van wie Vasumân de oudste was en de alom befaamde Paras'urâma [ook bekend als Râma] de jongste zoon was.
Om de hele wereld te louteren werd Satyavatî later de heilige rivier de Kaus'ikî, en haar zoon, Jamadagni, trouwde met Renukâ, de dochter van Renu, Jamadagni verwekte vele zonen in de schoot van Renukâ, van wie Vasumân de oudste was. De jongste van hen heette Râma, of Paras'urâma. (Vedabase)
Van hem [Paras'urâma] die eenentwintig keer optrad als de vernietiger van de Haihaya-dynastie, spreken allen als een [ams'a-]incarnatie van Vâsudeva; hij ontdeed de aarde van al haar kshatriya's.
Volgens grote geleerden is deze Paras'urâma de vermaarde incarnatie van Vâsudeva die de dynastie van Kârtavîrya vernietigde. Paras'urâma doodde alle kshatriya's op aarde eenentwintig maal. (Vedabase)
Hij vaagde van de planeet de last weg van de ingebeelde, besturende klasse die, overdekt door hartstocht en onwetendheid verstoken van respect voor het brahmaanse gezag, door hem ter dood werd gebracht ondanks het feit dat ze geen grote overtreding had begaan [zie ook 1.11: 34].'
Toen de koninklijke dynastie tot goddeloosheid verviel en zich niet meer aan de wetten die de brâhmana's voorgeschreven hielden omdat haar leden onder invloed van de materiële geaardheden hartstocht en onwetendheid buitensporig trots geworden waren, doodde Paras'urâma hen. Hoewel hun overtreding niet zo ernstig was, doodde hij hen toch om de last van de wereld te verlichten. (Vedabase)
De achtenswaardige koning zei: 'Wat was precies de overtreding die die corrupte edellieden die de beheersing kwijt waren begingen jegens de Allerhoogste Heer, om reden waarvan tekens weer opnieuw de dynastie vernietigd werd?'
Koning Parîkshit vroeg S'ukadeva Gosvâmî: Wat was de overtreding die de kshatriya's die hun zintuigen niet meester waren begaan tegenover Heer Paras'urâma, de incarnatie van de Allerhoogste Godspersoon, waarvoor de Heer de kshatriya-dynastie steeds weer opnieuw vernietigde? (Vedabase)
De zoon van Vyâsa zei: 'De koning van de Haihaya's, Kârtavîryârjuna, de beste van alle kshatriya's, had, met een allesomvattend eerbetoon voor Dattâtreya - die een volkomen deelaspect is van Nârâyana -, daarvan een duizendtal armen gekregen en was, hoogst moeilijk te verslaan, onoverwinnelijk temidden van zijn vijanden, scherp van zinnen, zeer aantrekkelijk, van invloed, machtig, befaamd en fysiek zeer sterk. Met de weelde van de beheersing van de yoga waarin de perfecties als animâ [zie siddhi] en dergelijke worden gevonden, ging hij onvermoeibaar als de wind de hele wereld over.
S'ukadeva Gosvâmî zei: De beste van de kshatriya's, Kârtavîryârjuna, de koning van de Haihaya's, kreeg duizend armen door het vereren van Dattâtreya, de volkomen expansie van de Allerhoogste Godspersoon, Nârâyana. Hij werd bovendien onoverwinnelijk voor zijn vijanden en ontving onbegrensde zintuiglijke kracht, schoonheid, invloed, macht, roem en het mystieke vermogen waarmee men alle volmaaktheden van yoga kan bereiken, zoals animâ en laghimâ. Toen hij over al deze volheden beschikte, doorkruiste hij het hele universum zonder enige tegenstand te ontmoeten, net als de wind. (Vedabase)
Omringd door prachtige vrouwen [eens] genietend in het water van de Revâ [de Narmadâ], bracht hij, veel te trots op de bloemenslinger der victorie die hem was omhangen, de stroom van de rivier tot stilstand met zijn armen.
Toen de verwaande Kârtavîryârjuna zich eens, omringd door knappe vrouwen en omhangen met de bloemenkrans van zege, aan het vermaken was in het water van de Narmadâ, hield hij met zijn armen de stroom van de rivier tegen. (Vedabase)
De ingebeelde held Tien-hoofd [Râvana] kon die invloed niet verdragen daar het water dat stroomopwaarts bewoog vanwege hem zijn kampement onder water had gezet.
Doordat Kârtavîryârjuna het water in de tegengestelde richting liet stromen, kwam het kamp van Râvana, dat opgezet was aan de oever van de Narmadâ nabij de stad Mâhishmatî, onder water te staan. Dit was onuitstaanbaar voor de tien-hoofdige Râvana, die zichzelf als een grote held beschouwde en Kârtavîryârjuna's macht niet kon verdragen. (Vedabase)
Toen hij hem [de koning] in het gezelschap van de vrouwen had beledigd werd hij zonder veel moeite in hechtenis genomen en opgesloten in [hun hoofdstad] Mâhishmatî en toen weer vrijgelaten alsof het om een aap ging.
Toen Râvana Kârtavîryârjuna in de aanwezigheid van de vrouwen probeerde te beledigen en hem dus krenkte, arresteerde Kârtavîryârjuna hem moeiteloos en zette hem gevangen in de stad Mâhishmatî, net zoals men een aap vangt, en liet hem vervolgens achteloos weer ontsnappen. (Vedabase)
Op een keer tijdens een jachtpartij voor zichzelf wat doelloos ronddolend door het bos, stuitte hij [Kârtavîryârjuna] op de âs'rama waar Jamadagni-muni zijn toevlucht had.
Op een keer toen Kârtavîryârjuna op jacht was en zonder speciaal doel door een afgelegen woud ronddwaalde, kwam hij bij de verblijfplaats van Jamadagni. (Vedabase)
Hem, die god der mensen samen met zijn soldaten, ministers en de rest van zijn gevolg, kon de grote wijze als de triomf der verzaking door zijn koe van overvloed [kâmadhenu] alles bieden waar maar behoefte aan was.
De wijze Jamadagni, die strenge ascese beoefende in het woud, ontving de koning met al zijn soldaten, ministers en dragers zeer goed. Hij wist zijn gasten met alle benodigde artikelen te vereren, daar hij een kâmadhenu-koe had die in staat was om in alles te voorzien. (Vedabase)
Hij [de koning] die zag welk een soort van weelde groter dan zijn eigen persoonlijke verworvenheden het in feite betrof, kon dat werkelijk niet zo op prijs stellen en ontwikkelde met zijn Haihaya's een begeerte naar die koe van het vuur-offer.
Kârtavîryârjuna vond dat Jamadagni machtiger en rijker was dan hijzelf omdat hij een grote schat bezat in de vorm van de kâmadhenu. Daarom konden hij en zijn mensen, de Haihaya's, de ontvangst van Jamadagni niet zo waarderen. Integendeel, ze wilden die kâmadhenu hebben omdat die erg nuttig was voor het verrichten van het agnihotra-offer. (Vedabase)
In zijn eigenwaan moedigde hij zijn mannen aan de wijze zijn koe van overvloed weg te stelen, die door hem werd meegevoerd naar Mâhishmatî tezamen met het van het geweld krijtende kalf.
Kârtavîryârjuna, die verwaand was door zijn materiële macht, spoorde zijn manschappen aan om Jamadagni's kâmadhenu te stelen. Daarop namen de mannen de huilende kâmadhenu en haar kalf met geweld mee, en brachten ze naar Mâhishmatî, Kârtavîryârjuna's hoofdstad. (Vedabase)
Nadat de koning vertrokken was werd Paras'urâma, nadat hij was teruggekeerd naar [zijn vaders] âs'rama, zo nijdig als een slang waar men op getrapt heeft toen hij van die schandelijke daad vernam.
Enige tijd nadat Kârtavîryârjuna er met de kâmadhenu vandoor was gegaan, keerde Paras'urâma, de jongste zoon van Jamadagni, terug naar de âs'rama. Toen hij over Kârtavîryârjuna's schandelijke gedrag hoorde, werd hij ontzettend kwaad, net als een slang waarop getrapt is. (Vedabase)
Een afgrijselijke hakbijl ter hand nemend, een koker pijlen, een boog en een schild ging hij, Hij die Alsmaar Kwader Werd, achter ze aan als een leeuw die een olifant aanvalt.
Heer Paras'urâma wapende zich met zijn vervaarlijke bijl, zijn schild, boog en een pijlkoker, en zette uitzinnig van woede de achtervolging op Kârtavîryârjuna in, net zoals een leeuw een olifant achternazit. (Vedabase)
Met hem, de beste van de Bhrigu's achter zich aan in woede met als zijn wapens een boog, pijlen en een hakbijl met zich meedragend, zag hij hem, de hoofdstad betredend met het zwarte hertenvel dat zijn lichaam bedekte en zijn samengeklitte lokken, stralen als het licht van de zon.
Toen koning Kârtavîryârjuna de hoofdstad, Mâhishmatî Purî, binnenkwam, zag hij hoe Heer Paras'urâma, de beste van de Bhrigu-dynastie, achter hem aankwam, gewapend met een bijl, een schild, een boog en pijlen. Heer Paras'urâma was gehuld in een zwart hertevel, en zijn aan elkaar geklitte strengen haar deden aan de stralen van de zon denken. (Vedabase)
Hij stuurde er zeventien akshauhinî's [*] op af om hem te bevechten met olifanten, strijdwagens, paarden en voetvolk, met zwaarden, pijlen, lansen, slingers en wapens van vuur maar Paras'urâma, de Heersende Meester, doodde hen allen woest eigenhandig.
Toen Kârtavîryârjuna Paras'urâma zag, sloeg de angst hem om het hart en stuurde hij onmiddellijk vele olifanten, strijdwagens, paarden en infanterie-soldaten uitgerust met knotsen, zwaarden, pijlen, rishthi's, s'ataghni's, s'akti's en vele soortgelijke wapens op hem af om de strijd met hem aan te binden. Hij gaf zeventien volledige akshauhinî's soldaten de opdracht om Paras'urâma tegen te houden. Maar hoewel Heer Paras'urâma helemaal alleen was, doodde hij ze allemaal. (Vedabase)
Waar ook wie ook werd door hem als de meest bedrevene in het hanteren van de hakbijl zo gezwind als de wind en zo rap als de geest in mootjes gehakt; met alle geweld van de doder van de valse orde lagen toen her en der de afgehakte armen en benen en schouderpartijen van de berijders van de olifanten en de paarden die afgeslacht ter aarde waren gestort.
Heer Paras'urâma, die zeer vaardig was in het vernietigen van de strijdmacht van de vijand, ging met de snelheid van de geest en de wind te werk en hakte zijn vijanden met zijn strijdbijl [paras'u] in stukken. Waar hij ook heenging vielen de vijanden, met hun benen, armen en schouders afgehakt en werden hun wagenmenners en rijdieren, de olifanten en paarden, allemaal vernietigd. (Vedabase)
Toen hij zag hoe zijn soldaten door de bijl van Râma in modder en bloed op het slagveld met alle pijlen, schilden, vaandels, bogen, en dode lichamen verspreid lagen, spoedde Haihaya [Kârtavîryârjuna] zich kwaad geworden herwaarts.
Met zijn bijl en pijlen reet Heer Paras'urâma de schilden, vlaggen, bogen en lichamen van Kârtavîryârjuna's soldaten aan stukken, zodat ze op het slagveld neervielen en de grond met hun bloed doordrenkten. Toen Kârtavîryârjuna dit zag, spoedde hij zich woedend naar het slagveld. (Vedabase)
Kârtavîryârjuna legde toen met vijfhonderd van zijn armen tegelijkertijd evenzovele pijlen op evenzovele bogen aan om Râma te doden, maar hij als de meest bedrevene met de wapens sneed ze met slechts één boog alle aan stukken.
Kârtavîryârjuna legde met zijn duizend armen tegelijkertijd vijfhonderd pijlen aan op evenzoveel bogen om Heer Paras'urâma te doden. Maar Heer Paras'urâma, de beste van alle strijders, vuurde met slechts één enkele boog genoeg pijlen af om onmiddellijk alle pijlen en bogen in de handen van Kârtavîryârjuna aan flarden te schieten. (Vedabase)
Opnieuw viel hij aan met door hemzelf uit de aarde gerukte heuvels en bomen, maar door Paras'urâma's messcherpe bijl werden met veel geweld ter plekke al de armen van hem die kwam aanstormen er afgehakt als waren het slangenkragen.
Toen zijn pijlen aan stukken waren geschoten, ontwortelde Kârtavîryârjuna met zijn blote handen vele bomen en bergen en rende opnieuw met grote vaart op Heer Paras'urâma af om hem te doden. Paras'urâma hanteerde zijn bijl echter met enorme kracht en scheidde Kârtavîryârjuna's armen van zijn lichaam, net zoals men de koppen van een slang afhakt. (Vedabase)
Ontdaan van zijn armen werd de bergpiek die zijn hoofd was van de romp geslagen en vluchtten al de tienduizend zoons weg in angst toen hun vader werd gedood. De koe en het kalf van het vuuroffer die zwaar te lijden hadden gehad terughalend, keerde de Doder der Valse Heldhaftigheid naar zijn vaders hermitage terug om ze aan hem over te dragen.
Vervolgens hakte Paras'urâma het hoofd van Kârtavîryârjuna, die zijn armen al kwijt was, af alsof het een bergpiek was. Toen Kârtavîryârjuna's tienduizend zonen zagen dat hun vader dood was, vluchtten ze allemaal uit angst weg. Nu Paras'urâma de vijand gedood had, bevrijdde hij de kâmadhenu, die zwaar te lijden had gehad, en bracht haar samen met het kalf terug naar zijn woonplaats, waar hij haar aan zijn vader, Jamadagni, overhandigde. (Vedabase)
Nadat hij zijn vader en broers op de hoogte had gesteld van wat hij allemaal gedaan had, sprak Jamadagni nadat hij daarnaar geluisterd had als volgt:
Paras'urâma gaf zijn vader en broers een uitgebreide beschrijving van hoe hij Kârtavîryârjuna gedood had. Toen Jamadagni heel het verhaal had gehoord, sprak hij als volgt tot zijn zoon. (Vedabase)
'O Râma, Râma, zo groot en machtig, je heb een zonde begaan met het onnodig ter dood brengen van die meester der mensen die al de goddelijken belichaamt.
Mijn beste zoon Paras'urâma, o grote held, je hebt zonder noodzaak de koning gedood, die beschouwd wordt als de belichaming van alle halfgoden. Daarom heb je een zonde begaan. (Vedabase)
Wij inderdaad zijn brahmanen, mijn beste, die met hun vergevingsgezindheid een positie van respect verworven hebben; het is deze kwaliteit waardoor de god die de geestelijk leraar van het universum is [Heer Brahmâ] zijn positie als de hoogste autoriteit heeft gekregen.
Mijn beste zoon, wij zijn allen brâhmana's en worden door de mensen vereerd om onze vergevingsgezindheid. Het is vanwege deze eigenschap dat Heer Brahmâ, de allerhoogste geestelijk leraar van dit universum, zijn positie verkregen heeft. (Vedabase)
Eenvoudigweg vergeven behaagt de Godin van het Geluk en zal haar zich doen verhouden tot het brahmaanse als het licht van de zon; met de genadigen zal de Allerhoogste Heer Hari, onze Beheerser, snel zijn behaagd.
Het is de plicht van een brâhmana om vergevingsgezindheid te ontwikkelen, want deze eigenschap is zo stralend als de zon. De Allerhoogste Godspersoon, Hari, is tevreden over hen die vergeven. (Vedabase)
De koning befaamd als keizer te doden is iets dat erger is dan het doden van een brahmaan, en daarom was die zonde van je af, mijn beste, met het eerbiedigen van de heilige plaatsen in het bewustzijn van de Onfeilbare.'
Mijn beste zoon, het doden van een koning die de positie van keizer heeft, is een zwaardere zonde dan het doden van een brâhmana. Maar als je Krishna-bewust wordt en de heilige plaatsen bezoekt, kun je voor deze grote zonde boeten. (Vedabase)
*: De Mahâbhârata beschrijft een akshauhinî in de Âdi parva, Hoofdstuk twee: "Eén strijdwagen, één olifant, vijf infanterie soldaten en drie paarden worden een patti genoemd door hen die thuis zijn in de wetenschap. Mensen met ervaring weten ook dat een senâmukha drie keer is was een patti is. Drie senâmukha's staan bekend als gulma, drie gulma's worden een gana genoemd, en drie gana's heten een vâhinî. Drie vâhinî's wordt door degenen die het weten beschouwd als een pritanâ, drie pritanâ's staan gelijk aan een camû, en drie camû's komen overeen met een anîkinî. Zij die weten refereren aan tien anîkinî's als zijnde een akshauhinî. De strijdwagens van een akshauhinî worden door hen die goed kunnen tellen beraamd op 21.870, o beste van de twee-maal geborenen, en het aantal olifanten is hetzelfde. De hoeveelheid infanteriesoldaten bedraagt 109.350, en het aantal paarden 65.610. Dit is wat men een akshauhinî noemt."
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
Srîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van Sundarangi
devî dâsî
& Vajrakhya
devî dâsî.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd