regelbalk



     

 

Canto 9

Mahâmantra 2

      

 


Hoofdstuk 15: Paras'urâma, de Heer als Krijgsheer

(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Uit Urvas'î's schoot kwamen zes zoons ter wereld die werden verwekt door Purûravâ o heerser der mensen: Âyu, S'rutâyu, Satyâyu, Raya, Vijaya en Jaya. (2-3) S'rutâyu had een zoon genaamd Vasumân, Satyâyu had er ook een genaamd S'rutañjaya, van Raya was er een zoon genaamd Eka en van Jaya was er een zoon genaamd Amita. Bhîma was de zoon van Vijaya en daarna kwam Kâñcana ter wereld als zijn zoon. Van Hotraka, de zoon van Kâñcana, was er de zoon Jahnu die het water van de Ganges in één teug opdronk. (4) Puru werd verwekt door Jahnu [zie 1.12: 15 & 3.8: 1] en van hem verschenen daarna Balâka en zijn zoon Ajaka. Kus'a volgde uit wiens lendenen de vier zoons Kus'âmbu, Tanaya, Vasu en Kus'anâbha verschenen die werden opgevolgd door Gâdhi, de zoon van Kus'âmbu. (5-6) Van Gâdhi was er de dochter Satyavatî die door de brahmaan Ricîka ten huwelijk werd gevraagd, maar toen ze hem niet geschikt achtte gaf koning Gâdhi die zoon van Bhrigu ten antwoord: 'Levert u me alstublieft als de bruidsschat voor deze dochter van de Kus'a-dynastie waartoe wij behoren, duizend paarden die stralen als het licht van de maan en ieder één zwart oor hebben.' (7) Met dat gezegd zijnde begreep de wijze wat hij in gedachten had. Hij begaf zich naar het verblijf van Varuna, haalde er de paarden en nam ze mee. Toen trouwde hij met de prachtige dochter. (8) De ziener werd door zijn vrouw en zijn schoonmoeder die beiden een zoon wilden, ertoe verzocht een gerecht te bereiden dat hij hen met mantra's aanbood [voor zijn vrouw met een brâhmana mantra en voor zijn schoonmoeder met een kshatriya mantra]. Toen ging de muni weg om een bad te nemen. (9) In de tussentijd werd Satyavatî door haar moeder gevraagd de offergave die voor haar bedoeld was af te staan, omdat ze dacht dat het de beste van de twee was. Ze deed er afstand van en at zelf de offergave van haar moeder.

(10) Toen de wijze hier achter kwam zei hij tot zijn vrouw: 'Je hebt iets heel verkeerds gedaan! Nu zal je zoon een fanatieke, bestraffende persoonlijkheid zijn en zal je broer een geleerde in de geesteswetenschap zijn!'

(11) Satyavatî smeekte hem dat het niet zo zou zijn en dus zei die zoon van Bhrigu: 'Dan zal de zoon van je zoon zo zijn!' Daarna kwam Jamadagni ter wereld.

(12-13) Zij [Satyavatî] werd later ook de grote en heilige Kaus'ikî [een rivier] die de hele wereld zuivert. Jamadagni trouwde met Renukâ, de dochter van Renu. Zij  bracht met de ziener van Bhrigu vele zonen ter wereld van wie Vasumân de oudste was. De alom befaamde Paras'urâma [die eveneens bekend staat als Râma] was de jongste zoon. (14) Hij [Paras'urâma] die eenentwintig keer optrad als de vernietiger van de Haihaya-dynastie en zo de aarde bevrijdde van al haar kshatriya's, wordt een [ams'a-]incarnatie van Vâsudeva genoemd. (15) Hij nam van de planeet de last weg van de ingebeelde, besturende klasse die het, beheerst door hartstocht en onwetendheid, aan respect ontbrak voor het brahmaanse gezag. Hij doodde ze ondanks het feit dat ze geen grote overtreding hadden begaan [zie ook 1.11: 34].'

(16) De achtenswaardige koning zei: 'Wat was de aard van de overtreding die de edelen die de controle over hun zinnen kwijt waren, begingen jegens de Allerhoogste Heer die telkens weer opnieuw de bestuurders vernietigde?'

(17-19) De zoon van Vyâsa zei: 'De koning van de Haihaya's, Kârtavîryârjuna, de beste van alle kshatriya's, had met het hooghouden van de verering van Dattâtreya die een volkomen deelaspect is van Nârâyana, een duizendtal armen ontwikkeld. Hij die de schrik van zijn vijanden was kon niet worden verslagen, was scherpzinnig, zeer aantrekkelijk, invloedrijk, machtig, befaamd en fysiek zeer sterk. Op basis van zijn beheersing van de yoga had hij zich kwaliteiten eigen gemaakt als de perfecties van de animâ-siddhi en dergelijke, en trok hij onvermoeibaar als een wervelwind rond over de gehele wereld. (20) Toen hij eens omringd door prachtige vrouwen genoot van het water van de Revâ [de Narmadâ], bracht hij, veel te trots op de bloemenkrans der victorie die hem was omhangen, met zijn armen de stroming van de rivier tot stilstand. (21) De ingebeelde held met de naam Tienhoofd [Râvana] kon die invloed niet verdragen omdat het water dat vanwege hem stroomopwaarts bewoog, zijn kampement onder water had gezet. (22) Nadat hij hem [de koning] in het gezelschap van de vrouwen had beledigd werd hij zonder veel moeite in hechtenis genomen en opgesloten in [hun hoofdstad] Mâhishmatî en toen weer vrijgelaten alsof het om een aap ging.

(23) Toen hij [Kârtavîryârjuna] eens tijdens de jacht alleen wat doelloos ronddoolde door het bos, betrad hij de âs'rama van Jamadagni muni. (24) De wijze kon op basis van zijn verzaking, vanwege zijn koe van overvloed [kâmadhenu], die god der mensen samen met zijn soldaten, ministers en de rest van zijn gevolg, alles bieden waar maar behoefte aan was. (25) Toen de koning zag wat die weelde inhield die zijn eigen persoonlijke verworvenheden overtrof, kon hij dat niet echt op prijs stellen en ontwikkelde zich bij hem en zijn Haihaya's een verlangen die koe van het vuuroffer te bezitten. (26) In zijn hoogmoed zette hij zijn mannen er toe aan de koe van overvloed van de wijze af te pakken en haar samen met haar kalf naar Mâhishmatî te brengen terwijl ze schreeuwde vanwege het geweld. (27) Nadat de koning vertrokken was vernam Paras'urâma, toen die was teruggekeerd naar [zijn vader's] âs'rama, van de schandelijke daad en werd hij zo nijdig als een slang waar men op getrapt heeft. (28) Niet in staat te accepteren wat er gebeurd was nam hij een gruwelijke hakbijl ter hand, een koker pijlen, een boog en een schild en ging hij achter ze aan als een leeuw die een olifant aanvalt. (29) Toen de koning de hoofdstad binnenging zag hij de beste der Bhrigu's achter zich aankomen in woede verzet met als zijn wapens een boog, pijlen en een hakbijl in zijn handen. Hij was bedekt met een zwart hertenvel, had samengeklitte lokken en straalde als het zonlicht. (30) Hij stuurde er zeventien akshauhinî's [*] op af met olifanten, strijdwagens, paarden en voetvolk, met zwaarden, pijlen, lansen, slingers en wapens van vuur, maar Paras'urâma, de Heer en Meester, doodde hen woedend allen eigenhandig. (31) Als de meest bedrevene in het hanteren van de hakbijl doodde hij zo snel als de wind en zo rap als de geest de vijandelijke troepen waarvan toen her en der de afgehakte armen, benen en schouderpartijen op de grond vielen samen met de berijders van de olifanten en de paarden die gesneuveld waren. (32) Toen hij zag hoe zijn soldaten door de bijl van Râma in modder en bloed op het slagveld met alle pijlen, schilden, vaandels, bogen en dode lichamen verspreid lagen, spoedde Haihaya [Kârtavîryârjuna] zich kwaad geworden herwaarts. (33) Kârtavîryârjuna legde toen met vijfhonderd van zijn armen tegelijkertijd evenzovele pijlen op evenzovele bogen aan om Râma te doden, maar hij als de meest bedrevene van allen die gewapend waren, sneed ze met behulp van slechts één boog met zijn pijlen allemaal aan stukken. (34) De koning viel opnieuw aan met eigenhandig uit de aarde gerukte bomen en rotsen, maar toen hij kwam aanstormen op het slagveld werden door Paras'urâma's messcherpe bijl met grote kracht al zijn armen er afgehakt als waren het slangenkragen. (35-36) Nadat hij was ontdaan van zijn armen werd de bergpiek die zijn hoofd was van zijn romp gescheiden. Zo gauw hun vader werd gedood vluchtten al de tienduizend zoons weg in angst. Daarop de vuurofferkoe en het kalf halend die zwaar te lijden hadden gehad, keerde de Doder van Alle Valse Heldhaftigheid terug naar zijn vader's hermitage en droeg hij ze aan hem over.  (37) Râma beschreef zijn vader en broers wat hij allemaal gedaan had. Nadat Jamadagni dat gehoord had sprak hij als volgt:

(38) 'Râma, o Râma, machtige held, je heb een zonde begaan met het onnodig ter dood brengen van die god der mensen die al de halfgoden belichaamt. (39) Wij zijn brahmanen mijn beste, mensen die door hun vergevingsgezindheid een positie van respect verworven hebben. Het is deze kwaliteit waardoor de god die de geestelijk leraar van het universum is [Heer Brahmâ] zijn positie als de hoogste autoriteit heeft gekregen. (40) Door vergevingsgezind te zijn straalt de voorspoed, het geluk en succes van de religieuze praktijk als de schittering van de zon. De Allerhoogste Heer Hari, onze Meester, is snel tevreden met hen die vergeven. (41) Als je een koning die befaamd is als keizer doodt is dat erger dan het doden van een brahmaan. Was daarom die zonde van je af mijn beste, door de heilige plaatsen te eerbiedigen in het bewustzijn van de Onfeilbare.'

 

next

 
 

 Derde herziene editie, geladen 7 februari 2013.

 

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De zoon van Vyâsadeva zei: 'Uit Urvas'î's schoot kwamen zes zoons ter wereld die werden verwekt door Purûravâ o heerser der mensen: Âyu, S'rutâyu, Satyâyu, Raya, Vijaya en Jaya.
De zoon van Vyâsadeva zei: 'Door Purûravâ waren er uit Urvas'î's schoot zes zoons, o heerser der mensen: Âyu, S'rutâyu, Satyâyu, Raya, Vijaya en Jaya. (Vedabase)

 

Tekst 2-3

S'rutâyu had een zoon genaamd Vasumân, Satyâyu had er ook een genaamd S'rutañjaya, van Raya was er een zoon genaamd Eka en van Jaya was er een zoon genaamd Amita. Bhîma was de zoon van Vijaya en daarna kwam Kâñcana ter wereld als zijn zoon. Van Hotraka, de zoon van Kâñcana, was er de zoon Jahnu die het water van de Ganges in één teug opdronk.

S'rutâyu had een zoon Vasumân, Satyâyu had er ook een genaamd S'rutañjaya, van Raya was er een zoon genaamd Eka en van Jaya was er een zoon genaamd Amita. Bhîma was de zoon van Vijaya en daarna kwam Kancana als Bhîma's zoon. Van Hotraka, de zoon van Kancana, was er de zoon Jahnu die het water van de Ganges in één teug opdronk. (Vedabase)

 

Tekst 4

Puru werd verwekt door Jahnu [zie 1.12: 15 & 3.8: 1] en van hem verschenen daarna Balâka en zijn zoon Ajaka. Kus'a volgde uit wiens lendenen de vier zoons Kus'âmbu, Tanaya, Vasu en Kus'anâbha verschenen die werden opgevolgd door Gâdhi, de zoon van Kus'âmbu.

Van Jahnu werd inderdaad Pûru [zie 1.12: 15 & 3.8: 1] geboren en van hem was er daarna Balaka en zijn zoon Ajaka. Kus'a volgde en van Kus'a kwamen er daarna de vier zoons Kus'âmbu, Tanaya, Vasu en Kus'anâbha na wie Gâdhi verscheen als de zoon van Kus'âmbu. (Vedabase)

 

Tekst 5-6

Van Gâdhi was er de dochter Satyavatî die door de brahmaan Ricîka ten huwelijk werd gevraagd, maar toen ze hem niet geschikt achtte gaf koning Gâdhi die zoon van Bhrigu ten antwoord: 'Levert u me alstublieft als de bruidsschat voor deze dochter van de Kus'a-dynastie waartoe wij behoren, duizend paarden die stralen als het licht van de maan en ieder één zwart oor hebben.'

Van Gâdhi was er de dochter Satyavatî die door de brahmaan Ricîka gevraagd werd zijn vrouw te zijn, maar hem niet geschikt achtend gaf Koning Gâdhi die zoon van Bhrigu ten antwoord: 'Levert u me alstublieft als bruidsschat voor deze dochter van de Kus'a-dynastie waartoe we behoren, duizend paarden zo stralend als het licht van de maan met ieder één zwart oor.' (Vedabase)

   

Tekst 7

Met dat gezegd zijnde begreep de wijze wat hij in gedachten had. Hij begaf zich naar het verblijf van Varuna, haalde er de paarden en nam ze mee. Toen trouwde hij met de prachtige dochter.

Aldus verzocht begreep de wijze wat de bedoeling was en begaf hij zich naar waar Varuna zich bevond vanwaar hij de paarden bracht en opleverde waarna hij met de prachtige dochter in het huwelijk trad. (Vedabase)

  

Tekst 8

De ziener werd door zijn vrouw en zijn schoonmoeder die beiden een zoon wilden, ertoe verzocht een gerecht te bereiden dat hij hen met mantra's aanbood [voor zijn vrouw met een brâhmana mantra en voor zijn schoonmoeder met een kshatriya mantra]. Toen ging de muni weg om een bad te nemen.

Hij als ziener werd door zijn vrouw en zijn schoonmoeder in een verlangen naar een zoon verzocht [om voor ieder van hen] een gerecht te bereiden, dat hij met mantra's aan hen beide aanbood [voor zijn vrouw met een brâhmana mantra en voor zijn schoonmoeder met een kshatriya mantra]. Toen ging de muni weg om een bad te nemen. (Vedabase)

 

Tekst 9

In de tussentijd werd Satyavatî door haar moeder gevraagd de offergave die voor haar bedoeld was af te staan, omdat ze dacht dat het de beste van de twee was. Ze deed er afstand van en at zelf de offergave van haar moeder.

In de tussentijd werd Satyavatî door haar moeder, die dacht dat dat beter was, gevraagd de offergave die voor haar bedoeld was aan haar af te staan. Ze deed er afstand van en at zelf van de offergave van haar moeder. (Vedabase)

 

Tekst 10

Toen de wijze hier achter kwam zei hij tot zijn vrouw: 'Je hebt iets heel verkeerds gedaan! Nu zal je zoon een fanatieke, bestraffende persoonlijkheid zijn en zal je broer een geleerde in de geesteswetenschap zijn!'

Toen hij hier achter kwam zei de wijze tot zijn vrouw: 'Dat is een zeer betreurenswaardig iets wat je gedaan hebt, je zoon zal een fanatieke, bestraffende persoonlijkheid zijn terwijl de broer een spiritueel ontwikkelde geleerde zal zijn!' (Vedabase)

 

Tekst 11

Satyavatî smeekte hem dat het niet zo zou zijn en dus zei die zoon van Bhrigu: 'Dan zal de zoon van je zoon zo zijn!' Daarna kwam Jamadagni ter wereld.

Satyavatî smeekte hem dat het niet zo zou zijn, en dus zei die zoon van Bhrigu: 'Zo niet, dan zal zijn zoon zo moeten worden!', en vervolgens kwam Jamadagni ter wereld. (Vedabase)

 

Tekst 12-13

Zij [Satyavatî] werd later ook de grote en heilige Kaus'ikî [een rivier] die de hele wereld zuivert. Jamadagni trouwde met Renukâ, de dochter van Renu. Zij  bracht met de ziener van Bhrigu vele zonen ter wereld van wie Vasumân de oudste was. De alom befaamde Paras'urâma [die eveneens bekend staat als Râma] was de jongste zoon.

Zij [Satyavatî] werd ook groot en heilig, de hele wereld zuiverend als de Kaus'ikî [een rivier]. Jamadagni huwde zo Renukâ, de dochter van Renu, die van de ziener van Bhrigu werkelijk vele zonen het leven liet zien van wie Vasumân de oudste was en de alom befaamde Paras'urâma [ook bekend als Râma] de jongste zoon was. (Vedabase)

 

Tekst 14

Hij [Paras'urâma] die eenentwintig keer optrad als de vernietiger van de Haihaya-dynastie en zo de aarde bevrijdde van al haar kshatriya's, wordt een [ams'a-]incarnatie van Vâsudeva genoemd.

Van hem [Paras'urâma] die een-en-twintig keer optrad als de vernietiger van de Haihaya-dynastie, spreken allen als een [ams'a-]incarnatie van Vâsudeva; hij ontdeed de aarde van al haar kshatriya's. (Vedabase)

 

Tekst 15

Hij nam van de planeet de last weg van de ingebeelde, besturende klasse die het, beheerst door hartstocht en onwetendheid, aan respect ontbrak voor het brahmaanse gezag. Hij doodde ze ondanks het feit dat ze geen grote overtreding hadden begaan [zie ook 1.11: 34].'

Hij vaagde van de planeet de last weg van de ingebeelde besturende klasse die, overdekt door hartstocht en onwetendheid verstoken van respekt voor het brahmaanse gezag, door hem ter dood werd gebracht ondanks het feit dat ze geen grote overtreding had begaan [zie ook 1.11: 34].' (Vedabase)


Tekst 16

De achtenswaardige koning zei: 'Wat was de aard van de overtreding die de edelen die de controle over hun zinnen kwijt waren, begingen jegens de Allerhoogste Heer die telkens weer opnieuw de bestuurders vernietigde?'

De achtenswaardige koning zei: 'Wat was precies de overtreding die die corrupte edellieden die de beheersing kwijt waren begingen jegens de Allerhoogste Heer, om reden waarvan telkens weer opnieuw de dynastie vernietigd werd?' (Vedabase)

 

Tekst 17-19

De zoon van Vyâsa zei: 'De koning van de Haihaya's, Kârtavîryârjuna, de beste van alle kshatriya's, had met het hooghouden van de verering van Dattâtreya die een volkomen deelaspect is van Nârâyana, een duizendtal armen ontwikkeld. Hij die de schrik van zijn vijanden was kon niet worden verslagen, was scherpzinnig, zeer aantrekkelijk, invloedrijk, machtig, befaamd en fysiek zeer sterk. Op basis van zijn beheersing van de yoga had hij zich kwaliteiten eigen gemaakt als de perfecties van de animâ-siddhi en dergelijke, en trok hij onvermoeibaar als een wervelwind rond over de gehele wereld.

De zoon van Vyâsa zei: 'De koning van de Haihaya's, Kârtavîryârjuna, de beste van alle kshatriya's, had, met een allesomvattend eerbetoon voor Dattâtreya - die een volkomen deelaspekt van een deel van Nârâyana is -, daarvan een duizendtal armen gekregen en was, hoogst moeilijk te verslaan, onoverwinnelijk te midden van zijn vijanden, scherp van zinnen, zeer aantrekkelijk, van invloed, machtig, befaamd en fysiek zeer sterk. Met de weelde van de beheersing van de yoga waarin de perfecties als animâ [zie siddhi] en dergelijke worden gevonden, ging hij onvermoeibaar als de wind de hele wereld over. (Vedabase)

  

Tekst 20

Toen hij eens omringd door prachtige vrouwen genoot van het water van de Revâ [de Narmadâ], bracht hij, veel te trots op de bloemenkrans der victorie die hem was omhangen, met zijn armen de stroming van de rivier tot stilstand.

Omringd door prachtige vrouwen [eens] genietend in het water van de Revâ [de Narmadâ], bracht hij, veel te trots op de bloemenslinger der victorie die hem was omhangen, de stroom van de rivier tot stilstand met zijn armen. (Vedabase)

 

Tekst 21

De ingebeelde held met de naam Tienhoofd [Râvana] kon die invloed niet verdragen omdat het water dat vanwege hem stroomopwaarts bewoog, zijn kampement onder water had gezet.

De ingebeelde held Tien-hoofd [Râvana] kon die invloed niet verdragen daar het water dat stroomopwaarts bewoog vanwege hem zijn kampement onder water had gezet. (Vedabase)

  

Tekst 22

Nadat hij hem [de koning] in het gezelschap van de vrouwen had beledigd werd hij zonder veel moeite in hechtenis genomen en opgesloten in [hun hoofdstad] Mâhishmatî en toen weer vrijgelaten alsof het om een aap ging.

Toen hij hem [de koning] in het gezelschap van de vrouwen had beledigd werd hij zonder veel moeite in hechtenis genomen en opgesloten in [hun hoofdstad] Mâhishmatî en toen weer vrijgelaten alsof het om een aap ging. (Vedabase)

  

Tekst 23

Toen hij [Kârtavîryârjuna] eens tijdens de jacht alleen wat doelloos ronddoolde door het bos, betrad hij de âs'rama van Jamadagni muni.

Op een keer tijdens een jachtpartij voor zichzelf wat doelloos ronddolend door het bos, stuitte hij [Kârtavîryârjuna] op de âs'rama waar Jamadagni-muni zijn toevlucht had. (Vedabase)

    

Tekst 24

De wijze kon op basis van zijn verzaking, vanwege zijn koe van overvloed [kâmadhenu], die god der mensen samen met zijn soldaten, ministers en de rest van zijn gevolg, alles bieden waar maar behoefte aan was.

Hem, die god der mensen samen met zijn soldaten, ministers en de rest van zijn gevolg, kon de grote wijze als de triomf der verzaking door zijn koe van overvloed [kâmadhenu] alles bieden waar maar behoefte aan was. (Vedabase)

 

Tekst 25

Toen de koning zag wat die weelde inhield die zijn eigen persoonlijke verworvenheden overtrof, kon hij dat niet echt op prijs stellen en ontwikkelde zich bij hem en zijn Haihaya's een verlangen die koe van het vuuroffer te bezitten.

Hij [de koning] die zag welk een soort van weelde groter dan zijn eigen persoonlijke verworvenheden het in feite betrof, kon dat werkelijk niet zo op prijs stellen en ontwikkelde met zijn Haihaya's een begeerte naar die koe van het vuur-offer. (Vedabase)

 

Tekst 26

In zijn hoogmoed zette hij zijn mannen er toe aan de koe van overvloed van de wijze af te pakken en haar  samen met haar kalf naar Mâhishmatî te brengen terwijl ze schreeuwde vanwege het geweld.

In zijn eigenwaan moedigde hij zijn mannen aan de wijze zijn koe van overvloed weg te stelen, die door hem werd meegevoerd naar Mâhishmatî tezamen met het van het geweld krijtende kalf. (Vedabase)

  

Tekst 27

Nadat de koning vertrokken was vernam Paras'urâma, toen die was teruggekeerd naar [zijn vader's] âs'rama, van de schandelijke daad en werd hij zo nijdig als een slang waar men op getrapt heeft.

Nadat de koning vertrokken was werd Paras'urâma, nadat hij was teruggekeerd naar [zijn vaders] âs'rama, zo nijdig als een slang waar men op getrapt heeft toen hij van die schandelijke daad vernam. (Vedabase)

 

Tekst 28

Niet in staat te accepteren wat er gebeurd was nam hij een gruwelijke hakbijl ter hand, een koker pijlen, een boog en een schild en ging hij achter ze aan als een leeuw die een olifant aanvalt.

Een afgrijselijke hakbijl ter hand nemend, een koker pijlen, een boog en een schild ging hij, Hij die Alsmaar Kwader Werd, achter ze aan als een leeuw die een olifant aanvalt. (Vedabase)

 

Tekst 29

Toen de koning de hoofdstad binnenging zag hij de beste der Bhrigu's achter zich aankomen in woede verzet met als zijn wapens een boog, pijlen en een hakbijl  in zijn handen. Hij was bedekt met een zwart hertenvel, had samengeklitte lokken en straalde als het zonlicht.

Met hem, de beste van de Bhrigu's achter zich aan in woede met als zijn wapens een boog, pijlen en een hakbijl met zich meedragend, zag hij hem, de hoofdstad betredend met het zwarte hertenvel dat zijn lichaam bedekte en zijn samengeklitte lokken, stralen als het licht van de zon. (Vedabase)


Tekst 30

Hij stuurde er zeventien akshauhinî's [*] op af met olifanten, strijdwagens, paarden en voetvolk, met zwaarden, pijlen, lansen, slingers en wapens van vuur, maar Paras'urâma, de Heer en Meester, doodde hen woedend allen eigenhandig.

Hij stuurde er zeventien akshauhinî's [*] op af om hem te bevechten met olifanten, strijdwagens, paarden en voetvolk, met zwaarden, pijlen, lansen, slingers en wapens van vuur maar Paras'urâma, de Heersende Meester, doodde hen allen woest eigenhandig. (Vedabase)

 

Tekst 31

Als de meest bedrevene in het hanteren van de hakbijl doodde hij zo snel als de wind en zo rap als de geest de vijandelijke troepen waarvan toen her en der de afgehakte armen, benen en schouderpartijen op de grond vielen samen met de berijders van de olifanten en de paarden die gesneuveld waren.

 Waar ook wie ook werd door hem als de meest bedrevene in het hanteren van de hakbijl zo gezwind als de wind en zo rap als de geest in mootjes gehakt; met alle geweld van de doder van de valse orde lagen toen her en der de afgehakte armen en benen en schouderpartijen van de berijders van de olifanten en de paarden die afgeslacht ter aarde waren gestort. (Vedabase)

Tekst 32

Toen hij zag hoe zijn soldaten door de bijl van Râma in modder en bloed op het slagveld met alle pijlen, schilden, vaandels, bogen en dode lichamen verspreid lagen, spoedde Haihaya [Kârtavîryârjuna] zich kwaad geworden herwaarts.

Toen hij zag hoe zijn soldaten door de bijl van Râma in modder en bloed op het slagveld met alle pijlen, schilden, vaandels, bogen, en dode lichamen verspreid lagen, spoedde Haihaya [Kârtavîryârjuna] zich kwaad geworden herwaarts. (Vedabase)

 

Tekst 33

Kârtavîryârjuna legde toen met vijfhonderd van zijn armen tegelijkertijd evenzovele pijlen op evenzovele bogen aan om Râma te doden, maar hij als de meest bedrevene van allen die gewapend waren, sneed ze met behulp van slechts één boog met zijn pijlen allemaal aan stukken.

Kârtavîryârjuna legde toen met vijfhonderd van zijn armen tegelijkertijd even zo vele pijlen op even zovele bogen aan om Râma te doden, maar hij als de meest bedrevene met de wapens sneed ze met slechts één boog alle aan stukken. (Vedabase)

 

Tekst 34

De koning viel opnieuw aan met eigenhandig uit de aarde gerukte bomen en rotsen, maar toen hij kwam aanstormen op het slagveld werden door Paras'urâma's messcherpe bijl met grote kracht al zijn armen er afgehakt als waren het slangenkragen.

Opnieuw viel hij aan met door hemzelf uit de aarde gerukte heuvels en bomen, maar door Paras'urâma's messcherpe bijl werden met veel geweld ter plekke al de armen van hem die kwam aanstormen er afgehakt als waren het slangenkragen. (Vedabase)

 

Tekst 35-36

Nadat hij was ontdaan van zijn armen werd de bergpiek die zijn hoofd was van zijn romp gescheiden.  Zo gauw hun vader werd gedood vluchtten al de tienduizend zoons weg in angst. Daarop de vuurofferkoe en het kalf  halend die zwaar te lijden hadden gehad, keerde de Doder van Alle Valse Heldhaftigheid terug naar zijn vader's hermitage en droeg hij ze aan hem over. 

Ontdaan van zijn armen werd de bergpiek die zijn hoofd was van de romp geslagen en vluchtten al de tienduizend zoons weg in angst toen hun vader werd gedood. De koe en het kalf van het vuuroffer die zwaar te lijden hadden gehad terughalend, keerde de Doder der Valse Heldhaftigheid naar zijn vaders hermitage terug om ze aan hem over te dragen. (Vedabase)


Tekst 37

Râma beschreef zijn vader en broers wat hij allemaal gedaan had. Nadat Jamadagni dat gehoord had sprak hij  als volgt:

Nadat hij zijn vader en broers op de hoogte had gesteld van wat hij allemaal gedaan had, sprak Jamadagni nadat hij daarnaar geluisterd had als volgt: (Vedabase)

 

Tekst 38

'Râma, o Râma, machtige held, je heb een zonde begaan met het onnodig ter dood brengen van die god der mensen die al de halfgoden belichaamt.

'O Râma, Râma, zo groot en machtig, je heb een zonde begaan met het onnodig ter dood brengen van die meester der mensen die al de goddelijken belichaamt. (Vedabase)

 

Tekst 39

Wij zijn brahmanen mijn beste, mensen die door hun vergevingsgezindheid een positie van respect verworven hebben. Het is deze kwaliteit waardoor de god die de geestelijk leraar van het universum is [Heer Brahmâ] zijn positie als de hoogste autoriteit heeft gekregen.

Wij inderdaad zijn brahmanen, mijn beste, die met hun vergevingsgezindheid een positie van respekt verworven hebben; het is deze kwaliteit waardoor de god die de geestelijk leraar van het universum is [Heer Brahmâ] zijn positie als de hoogste autoriteit heeft gekregen. (Vedabase)

 

Tekst 40

Door vergevingsgezind te zijn straalt de voorspoed, het geluk en succes van de religieuze praktijk als de schittering van de zon. De Allerhoogste Heer Hari, onze Meester, is snel tevreden met hen die vergeven.

Eenvoudigweg vergeven behaagt de Godin van het Geluk en zal haar zich doen verhouden tot het brahmaanse als het licht van de zon; met de genadigen zal de Allerhoogste Heer Hari, onze Beheerser, snel zijn behaagd. (Vedabase)


Tekst 41

Als je een koning die befaamd is als keizer doodt is dat erger dan het doden van een brahmaan. Was daarom die zonde van je af mijn beste, door de heilige plaatsen te eerbiedigen in het bewustzijn van de Onfeilbare.'

De koning befaamd als keizer te doden is iets dat erger is dan het doden van een brahmaan, en daarom was die zonde van je af, mijn beste, met het eerbiedigen van de heilige plaatsen in het bewustzijn van de Onfeilbare.'  (Vedabase)

 

*: De Mahâbhârata beschrijft een akshauhinî in de Âdi parva, hoofdstuk twee: "Eén strijdwagen, één olifant, vijf infanterie soldaten en drie paarden worden een patti genoemd door hen die thuis zijn in de wetenschap. Mensen met ervaring weten ook dat een senâmukha drie keer is was een patti is. Drie senâmukha's staan bekend als gulma, drie gulma's worden een gana genoemd, en drie gana's heten een vâhinî. Drie vâhinî's wordt door degenen die het weten beschouwd als een pritanâ, drie pritanâ's staan gelijk aan een camû, en drie camû's komen overeen met een anîkinî. Zij die weten refereren aan tien anîkinî's als zijnde een akshauhinî. De strijdwagens van een akshauhinî worden door hen die goed kunnen tellen beraamd op 21.870, o beste van de twee-maal geborenen, en het aantal olifanten is hetzelfde. De hoeveelheid infanteriesoldaten bedraagt 109.350, en het aantal paarden 65.610. Dit is wat men een akshauhinî noemt."

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.

De afbeelding stelt Paras'urâma voor. Bron.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties