Canto
9
Hoofdstuk 19: Koning Yayâti Bereikt de Bevrijding: de Geiten van de Wellust
(1) S'rî S'uka zei: 'Hij [Yayâti] op deze manier de lust belevend met de vrouwen vertelde, terwille van zijn eigen welzijn er met intelligentie tegen optredend, vol afschuw het volgende verhaal aan zijn vrouw [Devayânî].
(2) 'Luister alsjeblieft o dochter van S'ukra naar deze geschiedenis die een perfect beeld geeft van een wereldse persoon zoals ik, iemand waarover de nuchtere lieden van het woud [zij die zich terugtrokken] zich altijd maar beklagen als zijnde te gehecht aan materiële genoegens. (3) Er was er eens een bok die in het bos op zoek was naar iets eetbaars voor zijn dierbare zelf. Per toeval kwam hij een geit tegen die door haar eigen toedoen in een put was beland. (4) Bewogen door de lust zon de bok op een manier om haar te bevrijden en ging er toen toe over met de punten van zijn hoorns te graven in de aarde rondom de put. (5-6) Toen zij uit de put raakte had ze naar de smaak van de bok inderdaad een fraai stel heupen en ook zij voelde wel voor hem als sekspartner, net zoals de vele geiten die toekeken dat ook deden. Stoer met een goeie baard, als een eersteklas zaaddonor en meesterlijk minnaar kon die bok, de nummer één bok voor hen allen, als een bezetene, alsmaar lustiger als enige genieten van hun grote aantal en zichzelf daarbij compleet vergeten [vergelijk 6.5: 6-20]. (7) Toen de geit die hij uit de put had gehaald hem, haar geliefde, bezig zag te genieten van een andere geit kon die bokkenmethode niet getolereerd worden. (8) Ze gaf hem als zijnde een wellustige, snode zwendelaar, een gelegenheidsvriend die alleen maar zinnelijk geïnteresseerd is, bedroefd op om terug te keren naar haar voormalige beschermheer. (9) Hij aan haar verslingerd ging toen gekweld in arren moede haar achterna en probeerde haar op haar weg tot vrede te bewegen met wat geiten al zo zeggen, maar dat was niet naar haar zin. (10) Kwaad werden daarop door de brahmaan die zorg droeg voor een andere geit [zijn eigen echtgenote] z'n bungelende testikels eraf gesneden maar ze werden voor zijn eigen bestwil door de yoga-expert weer aangehecht.
(11) O mijn liefste echtgenote, met zijn testikels in eer hersteld kon hij met de geit die hij uit de put had gered voor de tijd van vele, vele jaren tot op de dag van vandaag zijn wellustige verlangens niet bevredigd krijgen. (12) Ik ben precies zo'n armzalige sukkelaar; in jouw gezelschap met jouw mooie wenkbrauwen ben ik met handen en voeten gebonden aan de liefde en kon ik tot dusverre zo begoocheld door je uiterlijke verschijning niet van de ziel zijn [vergelijk 3.30: 6-12, 4.25: 56, 4.28: 17, 5.4: 18, 7.14 en 8.16: 9]. (13) Wat heb je aan al die rijst, die gerst, dat goud, de dieren en de vrouwen in deze wereld; ze bevredigen de geest niet van de persoon die het slachtoffer is van de lust. (14) Nooit en te nimmer zal de lust der wellustigen vrede vinden met de genietingen, net zoals het voeden van vuur met boter keer op keer, zo blijkt, het vuur telkens weer hoger zal doen oplaaien. (15) Als een man geen afgunst koestert, noch ten koste van een ander levend wezen te werk gaat, zullen, voor die persoon die dan gelijkgezind is, alle wegen even gelukkig toeschijnen [zie ook B.G. 2: 56, 2: 71, & 4: 10]. (16) Dat wat zo moeilijk te verzaken is voor mensen die al te gehecht zijn, die grondoorzaak aller beproevingen die zelfs al staat men krom van de ouderdom nog niet is overwonnen, een dergelijk verlangen, behoort door degene die het geluk zoekt te worden opgegeven. (17) Noch tegen je eigen moeder, je zuster of je dochter moet je je aanschurken daar de zinnen zo krachtig zelfs de meest geleerde van streek zullen brengen. (18) Duizend jaren lang genoot ik onophoudelijk in zinsbevrediging, en nog steeds neemt het verlangen ernaar meer en meer toe. (19) Om die reden zal ik deze verlangens opgeven door mijn geest te vestigen op de Absolute Waarheid, en zal ik zonder de tegenstellingen, zonder me valselijk te vereenzelvigen, me rondbewegen met [de vrijheid van] de dieren in de natuur. (20) Zoals men ze ziet, zoals men ze nastreeft behoort men, ze kennende als zijnde tijdelijk, zelfs niet in overweging te nemen noch ze feitelijk te genieten, noch behoort men de voortzetting van het materiële leven en de vergeetachtigheid over het ware zelf dat er mee samenhangt te verlangen; hij die hier van doordrongen is is een zelfgerealiseerde ziel [zie ook B.G. 2: 13].'
(21) 'De zoon van Nahusha gaf, na dit tegen zijn vrouw gezegd te hebben, bevrijd van verlangens, aan Pûru zijn jeugd terug en nam van hem zijn oude dag weer over [zie 9.18: 45]. (22) Hij maakte [van zijn andere zoons] Druhyu koning over de zuidoostelijke richting, Yadu over het zuiden, Turvasu over het westelijk gedeelte en Anu over het noorden. (23) De rijkdom en welvaart van de hele planeet plaatste hij onder het gezag van Pûru als de meest bewonderenswaardige van de burgerij, hem tot keizer kronend over zijn oudere broers, en toen hij aldus zijn zaken had afgehandeld ging hij weg het bos in. (24) Hij had zonder onderbreking voor de duur van al die jaren met de zes van zijn manieren [zinnen en geest] genoten en dat gaf hij er allemaal aan in één keer [zie ook 2.4: 18] zoals een vogel die zijn nest verlaat als zijn vleugels eenmaal volgroeid zijn. (25) Zodoende raakte hij terstond bevrijd van al zijn gehechtheden en was hij, met inzicht in zijn eigenlijke positie, gezuiverd van de invloed van de drie geaardheden [zie ook 1.2: 17]. Zuiver in relatie tot het voorbije bereikte hij de Absolute Waarheid van Vâsudeva, bereikte hij zijn bestemming als een vertrouwde metgezel van de Allerhoogste Heer. (26) De geschiedenis vernemend begreep Devayânî dat het een instructie voor de zelfverwerkelijking betrof gepresenteerd als een grap in de uitwisseling van liefde tussen twee echtelieden. (27-28) Ze begreep dat leven met vrienden en verwanten die allen onderworpen zijn aan de controle van de strikte wetten van de natuur [de Tijd], zoiets is als het omgaan met reizigers bij een waterplaats die in het leven werd geroepen door het begoochelend vermogen van de Heer [overeenkomstig je karma]. De dochter van S'ukrâcârya die al haar gehechtheden verzaakte in deze op een droom lijkende wereld, vestigde haar geest geheel op Heer Krishna en gaf zowel het grove als het subtiele [de linga] op van haar ziel. (29) Mijn eerbetuigingen aan U, mijn Allerhoogste Heer Vâsudeva, Schepper van Allen verblijvend in Alle wezens en hemelen; al mijn respect voor U die in volmaakte vrede de Grootste bent van Allen!'
Tweede editie, geladen 26 januari 2008.
Bronteksten:
Koning Yayâti bereikt bevrijding
S'rî S'uka zei: 'Hij [Yayâti] op deze manier de lust belevend met de vrouwen vertelde, terwille van zijn eigen welzijn er met intelligentie tegen optredend, vol afschuw het volgende verhaal aan zijn vrouw [Devayânî].S'ukadeva Gosvâmî zei: O Mahârâja Parîkshit, Yayâti was bijzonder gehecht aan vrouwen. Toen hij het seksuele genot en de nare gevolgen ervan na verloop van tijd echter beu werd, gaf hij deze manier van leven op en vertelde zijn geliefde vrouw het volgende verhaal. (Vedabase)
'Luister alsjeblieft o dochter van S'ukra naar deze geschiedenis die een perfect beeld geeft van een wereldse persoon zoals ik, iemand waarover de nuchtere lieden van het woud [zij die zich terugtrokken] zich altijd maar beklagen als zijnde te gehecht aan materiële genoegens.
Mijn innig geliefde vrouw, dochter van S'ukrâcârya, er was in deze wereld eens iemand die precies op mij leek. Luister alsjeblieft goed naar zijn levensverhaal, dat ik je nu ga vertellen. Als degenen die zich uit het gezinsleven hebben teruggetrokken over een dergelijk gezinshoofd horen, beklagen ze zich altijd. (Vedabase)
Er was er eens een bok die in het bos op zoek was naar iets eetbaars voor zijn dierbare zelf. Per toeval kwam hij een geit tegen die door haar eigen toedoen in een put was beland.
Toen een bok eens in het woud liep en naar voedsel zocht om zijn zinnen te bevredigen, kwam hij toevallig bij een put waarin hij een hulpeloze geit zag, die daar onder invloed van de gevolgen van haar baatzuchtige activiteiten ingevallen was. (Vedabase)
Bewogen door de lust zon de bok op een manier om haar te bevrijden en ging er toen toe over met de punten van zijn hoorns te graven in de aarde rondom de put.
Na een plan te hebben gemaakt om de geit uit de put te halen, groef de wellustige bok de aarde aan de rand van de put op zo'n manier met de punten van zijn hoorns weg, dat de geit er erg gemakkelijk uit kon komen. (Vedabase)
Toen zij uit de put raakte had ze naar de smaak van de bok inderdaad een fraai stel heupen en ook zij voelde wel voor hem als sekspartner, net zoals de vele geiten die toekeken dat ook deden. Stoer met een goeie baard, als een eersteklas zaaddonor en meesterlijk minnaar kon die bok, de nummer één bok voor hen allen, als een bezetene, alsmaar lustiger als enige genieten van hun grote aantal en zichzelf daarbij compleet vergeten [vergelijk 6.5: 6-20].
Toen de geit, die erg mooie heupen had, uit de put kwam en de bijzonder knappe bok zag, wilde ze hem als echtgenoot hebben. Tegelijk met haar hadden talloze andere geiten hetzelfde verlangen, want hij was erg goed gebouwd, had een fraaie snor en baard en was bovendien zeer bedreven in het lozen van zaad en de kunst van het paren. Net zoals iemand die door een geest bezeten is zich als een waanzinnige gedraagt, ging de beste der bokken, aangetrokken door de vele geiten, daarom op in erotische activiteiten en vergat uiteraard zijn ware plicht tot zelfrealisatie. (Vedabase)
Toen de geit die hij uit de put had gehaald hem, haar geliefde, bezig zag te genieten van een andere geit kon die bokkenmethode niet getolereerd worden.
Toen de geit die in de put was gevallen haar geliefde bok seks zag bedrijven met een andere geit, kon ze dit niet verdragen. (Vedabase)
Ze gaf hem als zijnde een wellustige, snode zwendelaar, een gelegenheidsvriend die alleen maar zinnelijk geïnteresseerd is, bedroefd op om terug te keren naar haar voormalige beschermheer.
Gekwetst door het gedrag van haar overspelige echtgenoot dacht de geit dat de bok niet werkelijk haar vriend was, maar een gemeen iemand wiens liefde zeer kortstondig was. Omdat haar echtgenoot zo wellustig was, verliet ze hem en keerde naar haar vroegere verzorger terug. (Vedabase)
Hij aan haar verslingerd ging toen gekweld in arren moede haar achterna en probeerde haar onderweg tot vrede te bewegen met wat geiten al zo zeggen, maar dat was niet naar haar zin.
Vol spijt volgde de bok, die bij zijn vrouw onder de plak zat, de geit op de weg en deed zijn best om haar te vleien, maar hij was niet in staat om haar te kalmeren. (Vedabase)
Kwaad werden daarop door de brahmaan die zorg droeg voor een andere geit [zijn eigen echtgenote] z'n bungelende testikels eraf gesneden maar ze werden voor zijn eigen bestwil door de yoga-expert weer aangehecht.
De geit ging naar de woning van een brâhmana die een andere geit verzorgde, en die brâhmana sneed woedend de bengelende testikels van de bok af. Op verzoek van de bok, zette de brâhmana ze er echter later weer aan met behulp van zijn mystieke kracht. (Vedabase)
O mijn liefste echtgenote, met zijn testikels in eer hersteld kon hij met de geit die hij uit de put had gered voor de tijd van vele, vele jaren tot op de dag van vandaag zijn wellustige verlangens niet bevredigd krijgen.
Mijn beste vrouw, toen de bok zijn testikels weer terug had, genoot hij van het leven met de geit die hij uit de put gehaald had, maar hoewel hij zo vele, vele jaren doorging, is hij zelfs nu nog niet volledig voldaan. (Vedabase)
Ik ben precies zo'n armzalige sukkelaar; in jouw gezelschap met jouw mooie wenkbrauwen ben ik met handen en voeten gebonden aan de liefde en kon ik tot dusverre zo begoocheld door je uiterlijke verschijning niet van de ziel zijn [vergelijk 3.30: 6-12, 4.25: 56, 4.28: 17, 5.4: 18, 7.14 en 8.16: 9].
O mijn lieve vrouw met je prachtige wenkbrauwen, ik ben precies als die bok, want mijn intelligentie is zo armzalig dat ik in de ban ben van jouw schoonheid en mijn ware taak van zelfrealisatie vergeten heb. (Vedabase)
Wat heb je aan al die rijst, die gerst, dat goud, de dieren en de vrouwen in deze wereld; ze bevredigen de geest niet van de persoon die het slachtoffer is van de lust.
Een wellustig mens kan geen innerlijke vrede vinden, zelfs al heeft hij van alles in deze wereld voldoende, zoals rijst, gerst en andere granen, goud, dieren en vrouwen. Niets kan hem tevredenstellen. (Vedabase)
Nooit en te nimmer zal de lust der wellustigen vrede vinden met de genietingen, net zoals het voeden van vuur met boter keer op keer, zo blijkt, het vuur telkens weer hoger zal doen oplaaien.
Zoals men door boter op het vuur te gieten dit vuur niet uitdooft maar juist steeds groter maakt, zo kan ook de poging om een eind te maken aan wellustige verlangens door onophoudelijk te genieten nooit succesvol zijn. [Men moet in feite zijn materiële verlangens vrijwillig opgeven.] (Vedabase)
Als een man geen afgunst koestert, noch ten koste van een ander levend wezen te werk gaat zullen, voor die persoon die dan gelijkgezind is, alle wegen even gelukkig toeschijnen [zie ook B.G. 2: 56, 2: 71, & 4: 10].
Iemand die niet afgunstig is en niemand iets slechts toewenst, is gelijkmoedig. Zo iemand ziet in alle richtingen alleen maar geluk. (Vedabase)
Dat wat zo moeilijk te verzaken is voor mensen die al te gehecht zijn, die grondoorzaak aller beproevingen die zelfs al staat men krom van de ouderdom nog niet is overwonnen, een dergelijk verlangen, behoort door degene die het geluk zoekt te worden opgegeven.
Mensen die te zeer aan materieel genot gehecht zijn, kunnen zeer moeilijk afstand doen van zinsbevrediging. Zelfs iemand die invalide is door ouderdom kan zulke verlangens naar zinsbevrediging niet opgeven. Als men daarom werkelijk gelukkig wil worden, moet men zulke onbevredigende verlangens opgeven, want ze zijn de oorzaak van alle problemen. (Vedabase)
Noch tegen je eigen moeder, je zuster of je dochter moet je je aanschurken daar de zinnen zo krachtig zelfs de meest geleerde van streek zullen brengen.
Men kan zich zelfs niet veroorloven om met zijn eigen moeder, zuster of dochter op dezelfde zetel te zitten, want de zintuigen zijn zo sterk, dat zelfs iemand die gevorderd is in kennis in zo'n situatie seksueel geprikkeld kan raken. (Vedabase)
Duizend jaren lang genoot ik onophoudelijk in zinsbevrediging, en nog steeds neemt het verlangen ernaar meer en meer toe.
Duizend volle jaren heb ik doorgebracht in zingenot, en toch neemt mijn verlangen naar zulk genot nog dagelijks toe. (Vedabase)
Om die reden zal ik deze verlangens opgeven door mijn geest te vestigen op de Absolute Waarheid, en zal ik zonder de tegenstellingen, zonder me valselijk te vereenzelvigen, me rondbewegen met [de vrijheid van] de dieren in de natuur.
Daarom zal ik nu al deze verlangens opgeven en op de Allerhoogste Godspersoon mediteren. Vrij van de dualiteit die geschapen wordt door de geest en vrij van vals prestige, zal ik ronddwalen tussen de dieren van het woud. (Vedabase)
Zoals men ze ziet, zoals men ze nastreeft behoort men, ze kennende als zijnde tijdelijk, zelfs niet in overweging te nemen noch ze feitelijk te genieten, noch behoort men de voortzetting van het materiële leven en de vergeetachtigheid over het ware zelf dat er mee samenhangt te verlangen; hij die hier van doordrongen is is een zelfgerealiseerde ziel [zie ook B.G. 2: 13].'
Wie weet dat materieel geluk, hetzij goed of slecht, in dit leven of in het volgende, op deze planeet of op de hemelse planeten, tijdelijk en zinloos is, en dat een intelligent mens niet van dergelijke zaken zou moeten proberen te genieten of er zelfs maar aan zou moeten denken, is een kenner van het zelf. Zo'n zelfgerealiseerde mens weet heel goed dat zulk materieel geluk juist de oorzaak is van de voortzetting van het materiële bestaan en het vergeten van zijn wezenspositie. (Vedabase)
'De zoon van Nahusha gaf, na dit tegen zijn vrouw gezegd te hebben, bevrijd van verlangens, aan Pûru zijn jeugd terug en nam van hem zijn oude dag weer over [zie 9.18: 45].
S'ukadeva Gosvâmî zei: Nadat koning Yayâti, die nu vrij was van alle materiële verlangens, aldus tot zijn vrouw Devayânî had gesproken, riep hij zijn jongste zoon Pûru bij zich en gaf hem zijn jeugd terug in ruil voor zijn eigen ouderdom. (Vedabase)
Hij maakte [van zijn andere zoons] Druhyu koning over de zuidoostelijke richting, Yadu over het zuiden, Turvasu over het westelijk gedeelte en Anu over het noorden.
Koning Yayâti gaf het zuidoosten aan zijn zoon Druhyu, het zuiden aan zijn zoon Yadu, het westen aan zijn zoon Turvasu en het noorden aan zijn zoon Anu. Op deze wijze verdeelde hij het koninkrijk. (Vedabase)
De rijkdom en welvaart van de hele planeet plaatste hij onder het gezag van Pûru als de meest bewonderenswaardige van de burgerij, hem tot keizer kronend over zijn oudere broers, en toen hij aldus zijn zaken had afgehandeld ging hij weg het bos in.
Yayâti kroonde zijn jongste zoon Pûru tot keizer van de hele wereld met al zijn rijkdommen en plaatste alle andere zonen, die ouder dan Pûru waren, onder zijn heerschappij. (Vedabase)
Hij had zonder onderbreking voor de duur van al die jaren met de zes van zijn manieren [zinnen en geest] genoten en dat gaf hij er allemaal aan in één keer [zie ook 2.4: 18] zoals een vogel die zijn nest verlaat als zijn vleugels eenmaal volgroeid zijn.
O koning Parîkshit, omdat Yayâti vele, vele jaren van zinsbevrediging had genoten was hij eraan gewend geraakt, maar hij gaf alles in een oogwenk op zoals een vogel die uitvliegt zodra zijn vleugels volgroeid zijn. (Vedabase)
Zodoende raakte hij terstond bevrijd van al zijn gehechtheden en was hij, met inzicht in zijn eigenlijke positie, gezuiverd van de invloed van de drie geaardheden [zie ook 1.2: 17]. Zuiver in relatie tot het voorbije bereikte hij de Absolute Waarheid van Vâsudeva, bereikte hij zijn bestemming als een vertrouwde metgezel van de Allerhoogste Heer.
Omdat koning Yayâti zich volkomen overgaf aan de Allerhoogste Godspersoon, Vâsudeva, werd hij bevrijdt van alle besmetting door de geaardheden der materiële natuur. Dankzij zijn zelfrealisatie was hij in staat om zijn geest op het Transcendente [Parabrahman, Vâsudeva] te richten, en zo bereikte hij uiteindelijk de positie van metgezel van de Heer. (Vedabase)
De geschiedenis vernemend begreep Devayânî dat het een instructie voor de zelfverwerkelijking betrof gepresenteerd als een grap in de uitwisseling van liefde tussen twee echtelieden.
Toen Devayânî Mahârâja Yayâti's verhaal over de bok en de geit gehoord had, begreep ze dat dit verhaal, dat leek op een amusante anekdote zoals een man die aan zijn vrouw vertelt, bedoeld was om haar bewust te maken van haar wezenspositie. (Vedabase)
Ze begreep dat leven met vrienden en verwanten die allen onderworpen zijn aan de controle van de strikte wetten van de natuur [de Tijd], zoiets is als het omgaan met reizigers bij een waterplaats die in het leven werd geroepen door het begoochelend vermogen van de Heer [overeenkomstig je karma]. De dochter van S'ukrâcârya die al haar gehechtheden verzaakte in deze op een droom lijkende wereld, vestigde haar geest geheel op Heer Krishna en gaf zowel het grove als het subtiele [de linga] op van haar ziel.
Devayânî, de dochter van S'ukrâcârya, begreep dat de materialistische relaties met echtgenoot, vrienden en verwanten, vergelijkbaar zijn met de relaties tussen toeristen en een hotel. Onze relaties in samenleving, vriendschap en liefde worden geschapen door de mâyâ van de Allerhoogste Godspersoon, net als in een droom. Dankzij de genade van Krishna gaf Devayânî haar illusoire positie in de materiële wereld op. Door haar geest volledig op Krishna te richten, bereikte ze bevrijding van de grof- en fijnstoffelijke lichamen. (Vedabase)
Mijn eerbetuigingen aan U, mijn Allerhoogste Heer Vâsudeva, Schepper van Allen verblijvend in Alle wezens en hemelen; al mijn respect voor U die in volmaakte vrede de Grootste bent van Allen!'
O Heer Vâsudeva, o Allerhoogste Godspersoon, U bent de schepper van de hele kosmische openbaring. U woont als de Superziel in ieders hart en bent kleiner dan het kleinste, en toch bent U ook groter dan het grootste en alomtegenwoordig. Het lijkt alsof U volkomen stil bent en niets te doen hebt, maar dit komt door Uw alomtegenwoordige natuur en doordat U in het bezit bent van alle volheden. Daarom breng ik U mijn nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd