Canto
9
Hoofdstuk 22: De Nakomelingen van Ajamîdha: de Pândava's en Kaurava's
(1) S'rî S'uka zei: 'Van Divodâsa kwam Mitrâyu ter wereld en zijn zoons, o beschermer der mensen, waren Cyavana, Sudâsa, Sahadeva en Somaka. Somaka daarna was de vader van Jantu. (2) Van hem waren er een honderdtal zoons, en de jongste van hen was Prishata. Van hem kwam Drupada ter wereld die in alle opzichten van de weelde was. (3) Van Drupada kwam Draupadî [de echtgenote van de Pândava's] ter wereld. Zijn zoons werden aangevoerd door Dhrishthadyumna door wie Dhrishthaketu er kwam. Al deze nakomelingen van Bharmyâs'va [9.21: 31-33] staan bekend als de Pâñcâlaka's.
(4-5) Riksha was een andere zoon die door Ajamîdha op de wereld werd gezet. Hij verwekte Samvarana van wie er uit zijn vrouw Tapatî, de dochter van de zonnegod, Kuru ter wereld kwam [zie stamboom], de koning van Kurukshetra. Parîkshi, Sudhanu, Jahnu enNishadha waren Kuru's zoons. Van Sudhanu kwam Suhotra ter wereld en van hem kwam Cyavana er van wie Kritî d'r was. (6) Van hem was er Uparicara Vasu en zijn zoons, met Brihadratha voorop, waren Kus'âmba, Matsya, Pratyagra en Cedipa en anderen. Zij werden allen heersers over de staat Cedi. (7) Van Brihadratha zag Kus'âgra het levenslicht. Van zijn zoon Rishabha werd Satyahita geboren die als zijn nakomeling Pushpavân had wiens zoon Jahu was. (8) Brihadratha verweke bij een tweede vrouw die hij had twee delen van zichzelf die, omdat de moeder ze afwees, door Jarâ [de dochter van de Tijd, zie ook 4.27: 19] spelenderwijs werden verenigd zeggende: 'Kom tot leven, kom tot leven', zodat een zoon genaamd Jarâsandha ['Jarâ's hermafrodiet'] werd geboren [die later een gezworen vijand van Heer Krishna zou zijn]. (9) Van hem werd toen Sahadeva geboren van wiens zoon Somâpi S'rutas'ravâ er was. Parîkshi [een andere zoon van Kuru] had geen kinderen terwijl er van Jahnu een ter wereld kwam die Suratha heette. (10) Van hem was er Vidûratha door wie Sârvabhauma geboren werd. Hij kreeg Jayasena en van zijn zoon Râdhika kwam Ayutâyu ter wereld. (11) Van hem was er toen Akrodhana die een zoon had genaamd Devâtithi door wie Riksha ter wereld kwam die een zoon had genaamd Dilîpa en van hem was er de zoon genaamd Pratîpa. (12-13) Van hem weer waren er de zoons Devâpi, S'ântanu en Bâhlîka. Het was Devâpi, de oudste, die zijn vaders rijk afwees en naar het woud vertrok zodat S'ântanu koning werd. Hij was in een leven daarvoor Mahâbhisha geweest; wie hij ook maar aanraakte met zijn handen bereikte de jeugd hoe oud die persoon ook was. (14-15) Omdat men daadwerkelijk hoofdzakelijk door de aanraking van zijn handen de jeugd der genietingen kon krijgen stond hij bekend als S'ântanu. Toen Indra, de macht der hemelen, het twaalf jaar lang niet had laten regenen in zijn koninkrijk werd S'ântanu, die fout als een overweldiger [parivetta] het koninkrijk van zijn oudere broer genoot, door zijn brahmanen aangeraden: 'Geef onmiddellijk, ter verheffing van uw veste en koninkrijk, het rijk terug aan uw oudere broer.'
(16-17) Aldus van advies gediend door de tweemaal geborenen verzocht hij Devâpi zorg te dragen voor het koninkrijk maar die liet uit zijn antwoord blijken dat hij van zijn principes was gevallen. Ertoe aangezet door S'ântanu's minister hadden de brahmanen in het verleden hem namelijk woorden ingefluisterd die in strijd waren met de Veda's. Toen dat was gezegd liet de halfgod [met S'ântanu die het rijk op zich nam] de regens nederdalen. Devâpi zocht daarop zijn toevlucht in het stadje Kalâpa waar hij zich toelegde op de praktijk van de yoga [en daar tot op de dag van vandaag nog mee bezig is]. (18-19) Als de Soma-dynastie in Kali-yuga is verdwenen zal die [door hem] aan het begin van de volgende, te weten Satya-yuga, opnieuw worden ingesteld. Bâhlîka [S'antanu's broer] bracht Somadatta voort en van hem waren er Bhûri, Bhûris'ravâ en daarna de zoon S'ala. S'ântanu verwekte in zijn vrouw Gangâ de zelfgerealiseerde toegewijde en geleerde Bhîshma [zie ook 1.9], de beste van alle verdedigers van het dharma. (20) Door hem, de beste van alle strijders, werd zelfs Paras'urâma tot zijn eigen voldoening verslagen in een gevecht [*]. Door S'ântanu werd uit de schoot van [Satyavatî] de dochter van Dâsa [een visser **] de zoon Citrângada op de wereld gezet. (21-24) Vicitravîrya zijn oudere broer Citrângada werd door een Gandharva met dezelfde naam gedood. Door de wijze Parâs'ara incarneerde er van haar [Satyavatî, voorgaand aan haar huwelijk met S'ântanu] rechtstreeks een expansie van de Heer die een grote muni was die de Veda's beschermde: Krishna Dvaipâyana van wie ik ter wereld kwam teneinde dit [Bhâgavatam] grondig te bestuderen. Vyâsadeva, de [gedeeltelijke] incarnatie van de Heer, wees zijn leerlingen Paila en anderen af terwijl hij jegens mij, ik als zijn zoon verre van de zinsbevrediging, van instructie was met het meest vertrouwelijke van deze allerverhevenste literatuur. Vicitravîrya trouwde later met de twee dochters van Kâs'îrâja die met geweld uit het huwelijksperk van uitverkiezing werden weggekaapt, maar omdat hij in zijn hart al te gehecht was aan zowel Ambikâ als Ambâlikâ stierf hij aan een tuberculose-infectie. (25) Omdat er daarmee van de broer geen nageslacht was verwekte Vyâsadeva daartoe opgedragen [in devarena sutotpatti, zie voetnoot 9.6] door de moeder [Satyavatî] twee zoons genaamd Dhritarâshthra en Pându [respectievelijk bij Ambikâ en Ambâlikâ] en werd [bij Vicitravîrya's dienstmaagd, zie ook 1.13] ook een zoon verwekt genaamd Vidura. (26) Uit zijn vrouw Gândhârî werden er van Dhritarâshthra een honderdtal zoons geboren, o beschermer der mensen, van wie Duryodhana de oudste was, zowel als een dochter genaamd Duhs'alâ.
(27-28) Pându moest vanwege een vloek zijn seksuele leven terugdringen, en zo kwamen toen de [Pândava] helden, de drie zoons met Yudhishthhira voorop ter wereld uit [zijn vrouw] Kuntî verwekt door Dharma, Anila en Indra [gezwegen over Karna die door de zonnegod ter wereld kwam]. Nakula en Sahadeva werden in de schoot van Mâdrî verwekt door de twee As'vins [Nâsatya en Dasra]. Van deze vijf broers kwamen [uit Draupadî] vijf zoons ter wereld: uw ooms. (29) Yudhishthhira kreeg Prativindhya, Bhîma kreeg S'rutasena, van Arjuna kwam S'rutakîrti en van Nakula was S'atânîka er. (30-31) Sahadeva, o Koning, had S'rutakarmâ. Er waren inderdaad ook andere zoons: van Yudhishthhira was er uit Pauravî Devaka, Bhîma had Ghathotkaca uit Hidimbâ en Sarvagata uit Kâlî, en zo ook had Sahadeva uit Vijayâ, de dochter van de Himalayakoning [Pârvatî], de geboorte van Suhotra. (32) Nakula had uit Karenumatî een zoon genaamd Naramitra en Arjuna had de zoon Irâvân uit de schoot van Ulupî [een Nâga-dochter] en de zoon Babhruvâhana met de prinses van Manipura, die, hoewel zijn zoon, werd geadopteerd door de schoonvader.
(33) Van Subhadrâ [Krishna's zuster] kwam [door Arjuna] uw vader Abhimanyu ter wereld, hij was een grote held die al de Atiratha's versloeg ['zij die een duizend strijdwagenvechters kunnen trotseren']. En uw goede zelf nam door hem geboorte uit Uttarâ. (34) Met de vernietiging van de Kuru-dynastie probeerde As'vatthâmâ ook u ter dood te brengen met de hitte van het brahmâstra-wapen, maar door de genade van Heer Krishna werd u gered van die wisse dood [zie 1.8]. (35) Al uw zoons, mijn beste, met Janamejaya eerst, S'rutasena, Bhîmasena en Ugrasena - zijn alle van een grote macht. (36) Uw oudste zoon, wetend dat u stierf door Takshaka, zal in grote woede in een vuuroffer alle slangen offeren. (37) Met het aannemen van Tura, de zoon van Kalasha, als zijn priester zal hij, met het veroverd hebben van iedere uithoek van de wereld, offers brengen in as'vamedha-offerandes en bekend staan als Turuga-medhashâth ['hij die vele paardenoffers brengt']. (38) S'atânîka, zijn zoon, zal met Yâjñavalkya een grondige studie maken van de drie Veda's en de manier waarop de geestelijke kennis [met rituelen] in de praktijk moet worden gebracht, zal zich de militaire wetenschap [van Kripâcârya] eigen maken en zal met S'aunaka het transcendentale bereiken. (39) Sahasrânîka, zijn zoon, zal As'vamedhaja als zijn zoon hebben en van hem zal Asîmakrishna er zijn die een zoon zal hebben met de naam Nemicakra. (40) Met Hastinâpura overstroomd door de rivier, zal hij [Nemicakra] noodgedwongen in Kaus'âmbî leven, waarna van zijn zoon genaamd Citraratha er de zoon S'uciratha zal zijn. (41) Van hem zal er ook een zoon zijn: Vrishthimân van wie daarop Sushena zijn geboorte zal nemen, een keizer. Zijn zoon Sunîtha zal er een hebben genaamd Nricakshu en van hem zal Sukhînala ter wereld komen. (42) Pariplava zal dan zijn zoon zijn en van Sunaya na hem zal Medhâvî er zijn; van hem zal Nripañjaya het levenslicht zien, hij zal Dûrva krijgen en door hem zal Timi worden geboren. (43) Van Timi, zullen we Brihadratha zien verschijnen van wie Sudâsa de zoon S'atânîka zal hebben. S'atânîka zal een zoon krijgen genaamd Durdamana en zijn zoon zal Mahînara zijn. (44-45) Dandapâni, van hem, zal Nimi hebben van wie Kshemaka ter wereld zal komen. Met Kshemaka als de monarch die de rij sluit zal er een einde komen aan deze dynastie, deze bron van brahmanen en kshatriya's gerespecteerd door de zieners en goddelijken in Kali-yuga. Vervolgens zullen er in de toekomst de koningen van Mâgadha zijn; laat me u over hen vertellen.
(46-48) De zoon van Sahadeva [geboren uit Jarâsandha] zal Mârjâri als zijn zoon hebben. S'rutas'ravâ zal er van hem zijn, Yutâyu zal weer zijn zoon zijn en Niramitra na hem zal Sunakshatra hebben. Sunakshatra zal Brihatsena verwekken en Karmajit van hem zal Sutañjaya krijgen wiens zoon Vipra er een ter wereld zal brengen genaamd S'uci. Kshema daarna van hem geboren zal de zoon Suvrata hebben van wie Dharmasûtra zal verschijnen. Sama, zijn zoon, zal Dyumatsena hebben na wie vervolgens door Sumati, zijn zoon, Subala geboorte zal nemen. (49) Van Sunîtha [Subala's zoon] zal Satyajit er zijn door wiens zoon Vis'vajit er Ripuñjaya zal zijn; en zo zullen al de andere koningen in de lijn van Brihadratha voor een duizendtal jaren achtereen geboorte nemen.'(Afbeelding: de stamboom van Kuru tot aan de Pândava's)
Tweede editie, geladen 6 februari 2008.
Bronteksten:
De nakomelingen van Ajamîdha
S'rî S'uka zei: 'Van Divodâsa kwam Mitrâyu ter wereld en zijn zoons, o beschermer der mensen, waren Cyavana, Sudâsa, Sahadeva en Somaka. Somaka daarna was de vader van Jantu.S'ukadeva Gosvâmî zei: O koning, de zoon van Divodâsa heette Mitrâyu en Mitrâyu kreeg vier zonen, te weten Cyavana, Sudâsa, Sahadeva en Somaka. Somaka was de vader van Jantu. (Vedabase)
Van hem waren er een honderdtal zoons, en de jongste van hen was Prishata. Van hem kwam Drupada ter wereld die in alle opzichten van de weelde was.
Somaka kreeg honderd zonen, waarvan de jongste Prishata heette. Prishata verwekte koning Drupada, die in het bezit was van alle mogelijke weelde. (Vedabase)
Van Drupada kwam Draupadî [de echtgenote van de Pândava's] ter wereld. Zijn zoons werden aangevoerd door Dhrishthadyumna door wie Dhrishthaketu er kwam. Al deze nakomelingen van Bharmyâs'va [9.21: 31-33] staan bekend als de Pâñcâlaka's.
Mahârâja Drupada was de vader van Draupadî. Mahârâja Drupada had ook vele zonen, van wie Dhrishthadyumna de voornaamste was, Dhrishthadyumna verwekte een zoon met de naam Dhrishthaketu. Al deze personen staan bekend als de nakomelingen van Bharmyâs'va of de dynastie van Pâñcâla. (Vedabase)
Riksha was een andere zoon die door Ajamîdha op de wereld werd gezet. Hij verwekte Samvarana van wie er uit zijn vrouw Tapatî, de dochter van de zonnegod, Kuru ter wereld kwam [zie stamboom], de koning van Kurukshetra. Parîkshi, Sudhanu, Jahnu en Nishadha waren Kuru's zoons. Van Sudhanu kwam Suhotra ter wereld en van hem kwam Cyavana er van wie Kritî d'r was.
Een andere zoon van Ajamîdha heette Riksha. Riksha kreeg een zoon met de naam Samvarana, die bij zijn vrouw Tapatî, de dochter van de zonnegod, Kuru verwekte, de koning van Kurukshetra. Kuru kreeg vier zonen: Parîkshi, Sudhanu, Jahnu en Nishadha. Sudhanu verwekte Suhotra en Suhotra verwekte Cyavana. Cyavana was de vader van Kritî. (Vedabase)
Van hem was er Uparicara Vasu en zijn zoons, met Brihadratha voorop, waren Kus'âmba, Matsya, Pratyagra en Cedipa en anderen. Zij werden allen heersers over de staat Cedi.
De zoon van Kritî heette Uparicara Vasu en tot zijn zonen behoorden Brihadratha, die de voornaamste was, Kus'âmba, Matsya, Pratyagra en Cedipa. Alle zonen van Uparicara Vasu werden vorsten van de staat Cedi. (Vedabase)
Van Brihadratha zag Kus'âgra het levenslicht. Van zijn zoon Rishabha werd Satyahita geboren die als zijn nakomeling Pushpavân had wiens zoon Jahu was.
Brihadratha was de vader van Kus'âgra. Kus'âgra verwekte Rishabha en Rishabha verwekte Satyahita. De zoon van Satyahita heette Pushpavân en de zoon van Pushpavân was Jahu. (Vedabase)
Brihadratha verweke bij een tweede vrouw die hij had twee delen van zichzelf die, omdat de moeder ze afwees, door Jarâ [de dochter van de Tijd, zie ook 4.27: 19] spelenderwijs werden verenigd zeggende: 'Kom tot leven, kom tot leven', zodat een zoon genaamd Jarâsandha ['Jarâ's hermafrodiet'] werd geboren [die later een gezworen vijand van Heer Krishna zou zijn].
Bij een van zijn andere vrouwen verwekte Brihadratha twee helften van een zoon. Toen de moeder die twee helften zag, wierp ze ze weg, maar later voegde een vrouwelijke demon met de naam Jarâ ze spelenderwijs samen en zei: "Kom tot leven, kom tot leven!" Zo werd de zoon met de naam Jarâsandha geboren. (Vedabase)
Van hem werd toen Sahadeva geboren van wiens zoon Somâpi S'rutas'ravâ er was. Parîkshi [een andere zoon van Kuru] had geen kinderen terwijl er van Jahnu een ter wereld kwam die Suratha heette.
Jarâsandha werd de vader van Sahadeva. Sahadeva verwekte Somâpi en de zoon van Somâpi heette S'rutas'ravâ. Kuru's zoon Parîkshi had geen nakomelingen, maar de zoon van Kuru die Jahnu heette, had een zoon die de naam Suratha droeg. (Vedabase)
Van hem was er Vidûratha door wie Sârvabhauma geboren werd. Hij kreeg Jayasena en van zijn zoon Râdhika kwam Ayutâyu ter wereld.
Suratha kreeg een zoon met de naam Vidûratha, die de vader werd van Sârvabhauma, Sârvabhauma verwekte Jayasena, Jayasena verwekte Râdhika en de zoon van Râdhika heette Ayutâyu. (Vedabase)
Van hem was er toen Akrodhana die een zoon had genaamd Devâtithi door wie Riksha ter wereld kwam die een zoon had genaamd Dilîpa en van hem was er de zoon genaamd Pratîpa.
Ayutâyu kreeg een zoon met de naam Akrodhana en diens zoon was Devâtithi. De zoon van Devâtithi heette Riksha, de zoon van Riksha heette Dilîpa en Dilîpa had Pratîpa tot zoon. (Vedabase)
Van hem weer waren er de zoons Devâpi, S'ântanu en Bâhlîka. Het was Devâpi, de oudste, die zijn vaders rijk afwees en naar het woud vertrok zodat S'ântanu koning werd. Hij was in een leven daarvoor Mahâbhisha geweest; wie hij ook maar aanraakte met zijn handen bereikte de jeugd hoe oud die persoon ook was.
De zonen van Pratîpa heetten Devâpi, S'ântanu en Bâhlîka. Devâpi verliet zijn vaders koninkrijk en ging naar het woud, en daarom werd S'ântanu koning. S'ântanu, die in zijn vorige leven Mahâbhisha heette, bezat het vermogen om iedere grijsaard zijn jeugd terug te geven door hem gewoon met zijn handen aan te raken. (Vedabase)
Omdat men daadwerkelijk hoofdzakelijk door de aanraking van zijn handen de jeugd der genietingen kon krijgen stond hij bekend als S'ântanu. Toen Indra, de macht der hemelen, het twaalf jaar lang niet had laten regenen in zijn koninkrijk werd S'ântanu, die fout als een overweldiger [parivetta] het koninkrijk van zijn oudere broer genoot, door zijn brahmanen aangeraden: 'Geef onmiddellijk, ter verheffing van uw veste en koninkrijk, het rijk terug aan uw oudere broer.'
Omdat de koning in staat was om iedereen alleen door de aanraking van zijn hand het geluk van zinsbevrediging te geven, werd hij S'ântanu genoemd. Toen het eens twaalf jaar lang niet geregend had in het koninkrijk en de koning te rade ging bij zijn adviseurs, die geleerde brâhmana's waren, zeiden ze: "Het is verkeerd dat u van het eigendom van uw oudere broer geniet. Ter verheffing van uw gezin en uw rijk, dient u het koninkrijk aan hem terug te geven." (Vedabase)
Aldus van advies gediend door de tweemaal geborenen verzocht hij Devâpi zorg te dragen voor het koninkrijk maar die liet uit zijn antwoord blijken dat hij van zijn principes was gevallen. Ertoe aangezet door S'ântanu's minister hadden de brahmanen in het verleden hem namelijk woorden ingefluisterd die in strijd waren met de Veda's. Toen dat was gezegd liet de halfgod [met S'ântanu die het rijk op zich nam] de regens nederdalen. Devâpi zocht daarop zijn toevlucht in het stadje Kalâpa waar hij zich toelegde op de praktijk van de yoga [en daar tot op de dag van vandaag nog mee bezig is].
Toen de brâhmana's dit zeiden, ging Mahârâja S'ântanu naar het woud en bezocht zijn oudere broer Devâpi om de verantwoordelijkheid voor het koninkrijk op zich te nemen, omdat het de plicht is van de koning om voor zijn onderdanen te zorgen. Maar S'ântanu's minister As'vavâra had enige tijd daarvoor een aantal brâhmana's opgedragen om Devâpi ertoe te brengen de bepalingen van de Veda's te overschrijden, zodat hij zichzelf ongeschikt zou maken voor de positie van koning. De brâhmana's slaagden er inderdaad in om Devâpi te laten afwijken van het pad der vedische principes, en toen hij door S'ântanu gevraagd werd om het koninkrijk te regeren, wilde hij dit daarom niet doen. Integendeel, hij dreef de spot met de vedische principes, waardoor hij zich verlaagde. Zo werd S'ântanu opnieuw koning, en omdat Indra nu tevreden was, liet hij het volop regenen. Devâpi besloot later om zich aan het pad van mystieke yoga te wijden teneinde meester te worden over zijn geest en zinnen, en begaf zich naar het dorp Kalâpa-grâma, waar hij nu nog steeds woont. (Vedabase)
Als de Soma-dynastie in Kali-yuga is verdwenen zal die [door hem] aan het begin van de volgende, te weten Satya-yuga, opnieuw worden ingesteld. Bâhlîka [S'antanu's broer] bracht Somadatta voort en van hem waren er Bhûri, Bhûris'ravâ en daarna de zoon S'ala. S'ântanu verwekte in zijn vrouw Gangâ de zelfgerealiseerde toegewijde en geleerde Bhîshma [zie ook 1.9], de beste van alle verdedigers van het dharma.
Wanneer de Soma-dynastie [de dynastie van de maangod] aan het eind van dit Kali-yuga verdwenen is, zal Devâpi haar aan het begin van het volgende Satya-yuga opnieuw in deze wereld vestigen. Bâhlika [de broer van S'ântanu] kreeg een zoon met de naam Somadatta, die op zijn beurt drie zonen had, namelijk Bhûri, Bhûris'ravâ en S'ala. S'ântanu verwekte bij zijn vrouw Gangâ de verheven Bhîshma, die een zelfgerealiseerde toegewijde en groot geleerde was. (Vedabase)
Door hem, de beste van alle strijders, werd zelfs Paras'urâma tot zijn eigen voldoening verslagen in een gevecht [*]. Door S'ântanu werd uit de schoot van [Satyavatî] de dochter van Dâsa [een visser **] de zoon Citrângada op de wereld gezet.
Bhîshmadeva was de grootste van alle krijgers. Toen hij Heer Paras'urâma in een gevecht versloeg, was deze bijzonder tevreden over hem. Bij Satyavatî, de dochter van een visser, verwekte S'ântanu Citrângada. (Vedabase)
Vicitravîrya zijn oudere broer Citrângada werd door een Gandharva met dezelfde naam gedood. Door de wijze Parâs'ara incarneerde er van haar [Satyavatî, voorgaand aan haar huwelijk met S'ântanu] rechtstreeks een expansie van de Heer die een grote muni was die de Veda's beschermde: Krishna Dvaipâyana van wie ik ter wereld kwam teneinde dit [Bhâgavatam] grondig te bestuderen. Vyâsadeva, de [gedeeltelijke] incarnatie van de Heer, wees zijn leerlingen Paila en anderen af terwijl hij jegens mij, ik als zijn zoon verre van de zinsbevrediging, van instructie was met het meest vertrouwelijke van deze allerverhevenste literatuur. Vicitravîrya trouwde later met de twee dochters van Kâs'îrâja die met geweld uit het huwelijksperk van uitverkiezing werden weggekaapt, maar omdat hij in zijn hart al te gehecht was aan zowel Ambikâ als Ambâlikâ stierf hij aan een tuberculose-infectie.
Citrângada, wiens jongere broer Vicitravîrya was, werd gedood door een Gandharva die eveneens Citrângada heette. Voordat Satyavatî met S'ântanu trouwde, bracht ze de allerhoogste autoriteit op het gebied van de Veda's ter wereld, Vyâsadeva, die ook bekendstaat als Krishna Dvaipâyana, en die verwekt werd door Parâs'ara Muni. Vyâsadeva verwekte mij [S'ukadeva Gosvâmî], en onder zijn leiding heb ik dit grote werk, het S'rîmad-Bhâgavatam, bestudeerd. Vedavyâsa, de incarnatie van God, verwierp zijn leerlingen, met Paila aan het hoofd, en onderwees het S'rîmad-Bhâgavatam aan mij, omdat ik vrij was van alle materiële verlangens. Nadat Ambikâ en Ambâlikâ, de twee dochters van Kâs'îrâja, ontvoerd waren, trouwde Vicitravîrya met hen, maar omdat hij te zeer aan deze twee vrouwen gehecht was, kreeg hij een hartaanval en stierf aan tuberculose. (Vedabase)
Omdat er daarmee van de broer geen nageslacht was verwekte Vyâsadeva daartoe opgedragen [in devarena sutotpatti, zie voetnoot 9.6] door de moeder [Satyavatî] twee zoons genaamd Dhritarâshthra en Pându [respectievelijk bij Ambikâ en Ambâlikâ] en werd [bij Vicitravîrya's dienstmaagd, zie ook 1.13] ook een zoon verwekt genaamd Vidura.
Bâdarâyana, S'rî Vyâsadeva, verwekte op bevel van zijn moeder, Satyavatî, drie zonen: twee bij Ambikâ en Ambâlikâ, de vrouwen van zijn broer Vicitravîrya, en een derde bij Vicitravîrya's dienstmeisje. De namen van deze zonen waren Dhritarâshthra, Pându en Vidura. (Vedabase)
Uit zijn vrouw Gândhârî werden er van Dhritarâshthra een honderdtal zoons geboren, o beschermer der mensen, van wie Duryodhana de oudste was, zowel als een dochter genaamd Duhs'alâ.
Dhritarâshthra's vrouw, Gândhârî, bracht honderd zonen en één dochter ter wereld, o koning. De oudste van deze zonen heette Duryodhana en de naam van de dochter van Duhs'alâ. (Vedabase)
Pându moest vanwege een vloek zijn seksuele leven terugdringen, en zo kwamen toen de [Pândava] helden, de drie zoons met Yudhishthhira voorop ter wereld uit [zijn vrouw] Kuntî verwekt door Dharma, Anila en Indra [gezwegen over Karna die door de zonnegod ter wereld kwam]. Nakula en Sahadeva werden in de schoot van Mâdrî verwekt door de twee As'vins [Nâsatya en Dasra]. Van deze vijf broers kwamen [uit Draupadî] vijf zoons ter wereld: uw ooms.
Pându moest zich van seks onthouden omdat hij vervloekt was door een wijze, en daarom werden zijn drie zonen [Yudhishthhira, Bhîma en Arjuna], die hij bij zijn vrouw Kuntî had, verwekt door respectievelijk Dharmarâja, de god van de wind en de god van de regen. Pându's tweede vrouw, Mâdrî, bracht Nakula en Sahadeva ter wereld, die door de twee Asvinî-kumâra's verwekt waren. De vijf broers, met Yudhishthhira aan het hoofd, kregen vijf zonen bij Draupadî. Deze vijf zonen waren je ooms. (Vedabase)
Yudhishthhira kreeg Prativindhya, Bhîma kreeg S'rutasena, van Arjuna kwam S'rutakîrti en van Nakula was S'atânîka er.
Yudhishthhira kreeg een zoon met de naam Prativindhya, Bhîma's zoon was S'rutasena, de zoon van Arjuna heette S'rutakîrti en Nakula's zoon was S'atânîka. (Vedabase)
Sahadeva, o Koning, had S'rutakarmâ. Er waren inderdaad ook andere zoons: van Yudhishthhira was er uit Pauravî Devaka, Bhîma had Ghathotkaca uit Hidimbâ en Sarvagata uit Kâlî, en zo ook had Sahadeva uit Vijayâ, de dochter van de Himalayakoning [Pârvatî], de geboorte van Suhotra.
O koning, de zoon van Sahadeva heette S'rutakarmâ. Verder verwekten Yudhishthhira en zijn broers nog andere zonen bij andere vrouwen. Yudhishthhira verwekte een zoon met de naam Devaka bij Pauravî, en Bhîmasena verwekte een zoon met de naam Ghathotkaca bij zijn vrouw Hidimbâ en een zoon met de naam Sarvagata bij zijn vrouw Kâlî. Zo kreeg ook Sahadeva een zoon met de naam Suhotra bij zijn vrouw Vijayâ, die de dochter van de koning van de bergen was. (Vedabase)
Nakula had uit Karenumatî een zoon genaamd Naramitra en Arjuna had de zoon Irâvân uit de schoot van Ulupî [een Nâga-dochter] en de zoon Babhruvâhana met de prinses van Manipura, die, hoewel zijn zoon, werd geadopteerd door de schoonvader.
Nakula verwekte een zoon met de naam Naramitra bij zijn vrouw Karenumatî. Zo verwekte ook Arjuna een zoon met de naam Irâvân bij zijn vrouw Ulupî, de dochter van de Nâga's en een zoon met de naam Babhruvâhana bij de prinses van Manipura. Babhruvâhana werd de aangenomen zoon van de koning van Manipura. (Vedabase)
Van Subhadrâ [Krishna's zuster] kwam [door Arjuna] uw vader Abhimanyu ter wereld, hij was een grote held die al de Atiratha's versloeg ['zij die een duizend strijdwagenvechters kunnen trotseren']. En uw goede zelf nam door hem geboorte uit Uttarâ.
Mijn beste koning Parîkshit, uw vader, Abhimanyu, was de zoon van Arjuna en Subhadrâ. Hij zegevierde over alle atiratha's [degenen die het tegen duizend strijdwagens konden opnemen]. U werd door hem verwekt bij Uttarâ, de dochter van Virâdrâja. (Vedabase)
Met de vernietiging van de Kuru-dynastie probeerde As'vatthâmâ ook u ter dood te brengen met de hitte van het brahmâstra-wapen, maar door de genade van Heer Krishna werd u gered van die wisse dood [zie 1.8].
Nadat de Kuru-dynastie in de Slag van Kurukshetra vernietigd was, stond ook u op het punt om gedood te worden door het brahmâstra-atoomwapen dat de zoon van Dronâcârya afgevuurd had, maar dankzij de genade van de Allerhoogste Godspersoon, Krishna, werd u van de dood gered. (Vedabase)
Al uw zoons, mijn beste, met Janamejaya eerst, S'rutasena, Bhîmasena en Ugrasena - zijn alle van een grote macht.
Mijn beste koning, uw vier zonen - Janamejaya, S'rutasena, Bhîmasena en Ugrasena - zijn erg machtig. Van hen is Janamejaya de oudste. (Vedabase)
Uw oudste zoon, wetend dat u stierf door Takshaka, zal in grote woede in een vuuroffer alle slangen offeren.
Omdat u door toedoen van de Takshaka-slang de dood zult vinden, zal uw zoon Janamejaya erg boos zijn en een offer verrichten om alle slangen in de wereld te doden. (Vedabase)
Met het aannemen van Tura, de zoon van Kalasha, als zijn priester zal hij, met het veroverd hebben van iedere uithoek van de wereld, offers brengen in as'vamedha-offerandes en bekend staan als Turuga-medhashâth ['hij die vele paardenoffers brengt'].
Nadat Janamejaya de hele wereld heeft overwonnen en Tura, de zoon van Kalasha, tot priester heeft aangesteld, zal hij vele as'vamedha-yajña's brengen, waardoor hij bekend zal komen te staan als Turaga-medhashât. (Vedabase)
S'atânika, zijn zoon, zal met Yâjñavalkya een grondige studie maken van de drie Veda's en de manier waarop de geestelijke kennis [met rituelen] in de praktijk moet worden gebracht, zal zich de militaire wetenschap [van Kripâcârya] eigen maken en zal met S'aunaka het transcendentale bereiken.
De zoon van Janamejaya, S'atânîka genaamd, zal onder leiding van Yâjñavalkya de drie Veda's bestuderen en van hem de kunst van het verrichten van rituele ceremonieën leren. Hij zal de militaire wetenschap van Kripâcârya leren en de transcendentale wetenschap van de wijze S'aunaka. (Vedabase)
Sahasrânîka, zijn zoon, zal As'vamedhaja als zijn zoon hebben en van hem zal Asîmakrishna er zijn die een zoon zal hebben met de naam Nemicakra.
De zoon van S'atânîka zal Sahasrânîka heten en Sahasrânîka zal As'vamedhaja tot zoon krijgen. As'vamedhaja zal Asîmakrishna verwekken en diens zoon zal Nemicakra heten. (Vedabase)
Met Hastinâpura overstroomd door de rivier, zal hij [Nemicakra] noodgedwongen in Kaus'âmbî leven, waarna van zijn zoon genaamd Citraratha er de zoon S'uciratha zal zijn.
Wanneer de stad Hastinâpura [Nieuw Delhi] door de rivier overstroomd is, zal Nemicakra in de plaats die Kaus'âmbî heet gaan wonen. Zijn zoon zal beroemd worden onder de naam Citraratha en de zoon van Citraratha zal S'uciratha heten. (Vedabase)
Van hem zal er ook een zoon zijn: Vrishthimân van wie daarop Sushena zijn geboorte zal nemen, een keizer. Zijn zoon Sunîtha zal er een hebben genaamd Nricakshu en van hem zal Sukhînala ter wereld komen.
S'uciratha zal een zoon krijgen met de naam Vrishthimân en diens zoon, Sushena, zal keizer van de hele wereld zijn. De zoon van Sushena zal Sunîtha heten en deze zal Nricakshu tot zoon hebben. Nricakshu zal een zoon verwekken met de naam Sukhînala. (Vedabase)
Pariplava zal dan zijn zoon zijn en van Sunaya na hem zal Medhâvî er zijn; van hem zal Nripañjaya het levenslicht zien, hij zal Dûrva krijgen en door hem zal Timi worden geboren.
De zoon van Sukhînala zal Pariplava heten en Pariplava zal Sunaya tot zoon krijgen. Sunaya zal een zoon verwekken met de naam Medhâvî, Medhâvî zal Nripañjaya verwekken, Nripañjaya zal Dûrva verwekken en Dûrva zal Timi tot zoon hebben. (Vedabase)
Van Timi, zullen we Brihadratha zien verschijnen van wie Sudâsa de zoon S'atânîka zal hebben. S'atânîka zal een zoon krijgen genaamd Durdamana en zijn zoon zal Mahînara zijn.
Timi zal Brihadratha verwekken, Brihadratha zal Sudâsa tot zoon krijgen en de zoon van Sudâsa zal S'atânîka heten. S'atânîka zal de vader zijn van Durdamana en deze zal een zoon krijgen met de naam Mahînara. (Vedabase)
Dandapâni, van hem, zal Nimi hebben van wie Kshemaka ter wereld zal komen. Met Kshemaka als de monarch die de rij sluit zal er een einde komen aan deze dynastie, deze bron van brahmanen en kshatriya's gerespecteerd door de zieners en goddelijken in Kali-yuga. Vervolgens zullen er in de toekomst de koningen van Mâgadha zijn; laat me u over hen vertellen.
De zoon van Mahînara zal Dandapâni heten en diens zoon zal Nimi zijn, de vader van koning Kshemaka. Ik heb u tot nu toe de dynastie van de maangod beschreven, die brâhmana's en kshatriya's heeft voortgebracht en geëerd wordt door halfgoden en grote heiligen. In dit Kali-yuga zal Kshemaka de laatste vorst van deze dynastie zijn. Nu zal ik u de toekomst van de Mâgadha-dynastie beschrijven. Luister alstublieft. (Vedabase)
De zoon van Sahadeva [geboren uit Jarâsandha] zal Mârjâri als zijn zoon hebben. S'rutas'ravâ zal er van hem zijn, Yutâyu zal weer zijn zoon zijn en Niramitra na hem zal Sunakshatra hebben. Sunakshatra zal Brihatsena verwekken en Karmajit van hem zal Sutañjaya krijgen wiens zoon Vipra er een ter wereld zal brengen genaamd S'uci. Kshema daarna van hem geboren zal de zoon Suvrata hebben van wie Dharmasûtra zal verschijnen. Sama, zijn zoon, zal Dyumatsena hebben na wie vervolgens door Sumati, zijn zoon, Subala geboorte zal nemen.
Sahadeva, de zoon van Jarâsandha, zal een zoon krijgen met de naam Mârjâri. Mârjâri zal S'rutas'ravâ verwekken, S'rutas'ravâ zal Yutâyu verwekken en Yutâyu zal Niramitra verwekken. De zoon van Niramitra zal Sunakshatra heten, Sunakshatra zal Brihatsena verwekken en Brihatsena zal de vader zijn van Karmajit. Karmajit zal Sutañjaya tot zoon hebben, de zoon van Sutañjaya zal Vipra heten en diens zoon zal S'uci heten. S'uci zal Kshema tot zoon hebben, de zoon van Kshema zal Suvrata heten en Suvrata's zoon zal Dharmasûtra zijn. Dharmasûtra zal Sama tot zoon hebben, Sama zal Dyumatsena verwekken, Dyumatsena zal Sumati verwekken en Sumati zal Subala verwekken. (Vedabase)
Van Sunîtha [Subala's zoon] zal Satyajit er zijn door wiens zoon Vis'vajit er Ripuñjaya zal zijn; en zo zullen al de andere koningen in de lijn van Brihadratha voor een duizendtal jaren achtereen geboorte nemen.'
Subala zal Sunîtha verwekken en Sunîtha's zoon zal Satyajit heten. Satyajit zal Vis'vajit tot zoon krijgen en Vis'vajit zal de vader zijn van Ripuñjaya. Al deze personen zullen tot de dynastie van Brihadratha behoren, die de wereld duizend jaar lang zal regeren. (Vedabase)
* Het gevecht tussen Paras'urâma en Bhîshmadeva betreft drie dochters van Kas'îrâja - Ambikâ, Ambâlikâ en Ambâ - die met geweld werden ontvoerd door Bhîshmadeva, optredend ten behoeve van zijn broer Vicitravîrya. Ambâ dacht dat Bhîshmadeva met haar zou trouwen en raakte tot hem aangetrokken, maar Bhîshmadeva weigerde met haar te trouwen, daar hij de brahmacarya-eed had afgelegd. Ambâ benaderde daarom Bhîshmadeva's militaire geestelijk leraar, Paras'urâma, die Bhîshma opdroeg met haar te trouwen. Bhîshmadeva weigerde, en daarom vocht Paras'urâma met hem om hem ertoe te dwingen het huwelijk te accepteren. Maar Paras'urâma werd verslagen, en hij was tevreden over Bhîshma.
** Satyavatî was eigelijk de dochter van Uparicara Vasu uit de schoot van de vissersvrouw die bekend staat als Matsyagarbhâ. Later, werd Satyavatî opgevoed door een visser.
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de S'rîmad
Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van Puskar
dâsa
en het tweede schilderij is van Drigha
devî dâsî
(Dominique
Amendola).
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd