regelbalk



 

Canto 10

Parama Koruna

 

 

Hoofdstuk 73: Heer Krishna Zegent de Bevrijde Koningen

(1-6)  S'rî S'uka zei: 'De twintigduizend achthonderd [koningen] die in de strijd [door Jarâsandha] waren verslagen kwamen vies en met smerige kleren tevoorschijn uit het fort Giridronî [de hoofdstad]. Uitgemergeld van de honger, met ingevallen gezichten en door hun gevangenschap ernstig verzwakt, dronken ze Hem in met hun ogen en was het alsof ze Hem met hun tongen aan het oplikken waren, alsof ze met hun neusgaten Hem op wilden snuiven en Hem in hun armen wilden sluiten. Voor Hem, donkergrijs als een regenwolk, in gele kleding, gemerkt met het S'rîvatsa-teken, met Zijn vier armen, bekoorlijke ogen roze als de werveling van een lotus, aangename gezicht en glimmende makara [zeemonster-vormige] oorhangers; voor Hem met een lotus, een knots, een schelphoorn en een werpschijf in Zijn handen, gesierd met een helm, een halssnoer, gouden polsbanden, een gordel, armbanden en met het schitterend mooie juweel en een woudbloemenslinger om Zijn nek, voor Hem bogen zij wiens zonden waren verdreven, hun hoofden aan Zijn voeten. (7) En op hetzelfde moment dat de koningen met samengebrachte handen de Meester der Zinnen prezen met hun woorden, werd door de extase van het ontmoeten van Krishna de zwaarmoedigheid van hun gevangenschap weggevaagd.

(8) De koningen zeiden: 'Wij brengen U onze eerbetuigingen o God der Goden, o Heer der Overgegeven Zielen en Verdrijver van het Leed. O Onuitputtelijke, alstUblieft Krishna, redt ons die uit wanhoop over dit verschrikkelijke materiële bestaan bij U onze toevlucht zochten. (9) O Madhusûdana, we willen de heerser van Magadha niet de schuld geven, want door Uw genade o Almachtige, komen de koninkrijken van de heersers der mensen [die zich tegen U keerden] ten val. (10) Ertoe gedreven met de heerschappij en weelde zijn stem te verheffen, slaagt een koning, verbijsterd door Uw mâyâ denkend dat de tijdelijke verworvenheden iets permanents zijn, er niet in het ware voordeel te behalen. (11) Net zoals een kind een luchtspiegeling aanziet voor een plas water, houden zij die het ontbreekt aan onderscheidingsvermogen de illusoire kwestie die onderhevig is aan verandering, voor iets substantieels. (12-13) Wij die in het verleden, met het ons verlustigen over de weelde, verblind raakten en ruzieden met elkaar over de heerschappij over deze aarde, belaagden zeer genadeloos onze  burgers o Meester en hebben met [U in de gedaante van] de dood recht voor ogen, hoogmoedig van U afgezien. Wij o Krishna, werden ertoe gedwongen om afstand te doen van onze weelde en werden in onze trots gekrenkt door Uw genade in de vorm van de onweerstaanbare macht van de Tijd die zich zo geheimzinnig beweegt. Wij bidden U of we alstUblieft mogen leven in de herinnering aan Uw voeten. (14) We smachten van nu af aan niet langer naar een koninkrijk dat, zich manifesterend als een luchtspiegeling, steeds moet worden gediend met het materiële lichaam dat onderhevig is aan verval en een bron van ziekte vormt. Noch o Almachtige, verlangen we naar de vrucht van vrome arbeid in een hiernamaals dat zo verlokkelijk is voor het oor [vergelijk B.G. 1: 32-35]. (15) Vertel ons AlstUblieft op welke manieren we Uw lotusvoeten mogen herinneren, ondanks het feit dat we er niet mee kunnen ophouden telkens weer terug te keren naar deze wereld [zie B.G. 8: 14]. (16) Keer op keer brengen we onze eerbetuigingen aan Krishna, de zoon van Vasudeva, de Heer en Superziel van hen die zich verootmoedigen, aan Govinda, de Vernietiger van het Leed.'

(17) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Verlener van de Toevlucht, in deze geest geprezen door de koningen die waren bevrijd uit hun gebondenheid beste Koning, sprak genadig tot hen in aangename bewoordingen. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'O Koningen, Ik verzeker jullie, van nu af aan zal, zoals jullie het willen, zich bij jullie een gedegen toewijding voor Mij, het Zelf en de Heer van Allen, ontwikkelen. (19) Jullie besluit is een gelukkig besluit o heersers, want Ik zie dat jullie naar waarheid spreken over de schaamteloze verdwazing met de weelde en de macht die de mensheid tot waanzin drijft. (20) Haihaya [of Kârtavîryârjuna 9.15: 25], Nahusha [9.18: 1-3], Vena [zie 4.14], Râvana [9.10], Naraka [of Bhauma 10.59: 2-3] en anderen kwamen ten val uit hun posities als goden, demonen en mensen omdat ze bezeten raakten van de weelde. (21) Met in gedachten dat dit materiële lichaam en wat er bij komt kijken een begin en een eind heeft, hebben jullie de taak om, verbonden met Mij met gebeden en [Vedische] offers, jullie burgers overeenkomstig het dharma te beschermen. (22) Ermee bezig generaties nageslacht te verwekken en geplaatst voor lief en leed, geboorte en dood, moeten jullie je geesten fixeren op Mijn eerbetoon. (23) Neutraal met betrekking tot het lichaam en alles wat erbij hoort en standvastig in de geloften innerlijk tevreden, zullen jullie, je ten volle op Mij concentrerend, uiteindelijk Mij, het Absolute van de Waarheid, bereiken [vergelijk B.G. 4: 9; 8: 7; 9: 28; 12: 3-4].'

(24) S'rî S'uka zei: 'Krishna, de Allerhoogste Heer en Meester van al de Werelden, die aldus de koningen instrueerde, zette vervolgens dienaren en dienstmaagden aan het werk om ze een bad te geven. (25) O afstammeling van Bharata, Hij zorgde ervoor dat Sahadeva [Jarâsandha's zoon] hen voorzag van kleding, versieringen, bloemenslingers en sandelhoutpasta, zoals die bij hen pasten. (26) Naar behoren gebaad en goed uitgedost werden ze voorzien van uitstekend voedsel en bedacht met verschillende genoegens koningen waardig, zoals betelnoot en dergelijke. (27) Geëerd door Mukunda straalden de koningen verlost van hun ellende prachtig met hun glimmende oorhangers als waren ze de planeten aan het eind van het regenseizoen. (28) Na hen wagens versierd met goud en edelstenen en getrokken door fijne paarden te hebben toegewezen, stuurde Hij, ze behagend met aangename woorden, weg naar hun koninkrijken. (29) Zij die aldus door Krishna, de grootste van alle persoonlijkheden, waren bevrijd van hun misère gingen weg met niets anders in gedachten dan de daden van Hem, de Heer van het Levende Wezen dat het Universum is. (30) Met hun ministers en overige medewerkers bespraken ze wat de Hoogste Persoonlijkheid had gedaan en voerden toen oplettend uit wat de Heer had opgedragen. (31) Na Jarâsandha door Bhîmasena te hebben laten doden, liet Kes'ava zich vereren door Sahadeva en vertrok toen vergezeld door de twee zoons van Prithâ. (32) Arriverend in Indraprastha bliezen ze op de schelphoorns die voorheen de vijanden ongeluk hadden gebracht die ze versloegen, maar nu hun weldoeners vreugde verschaften. (33) De ingezetenen van Indraprastha waren in hun harten blij dat geluid te horen. Ze begrepen dat Jarâsandha het had afgelegd en dat de koning [Yudhishthhira] zijn doel had bereikt. (34) Na de koning hun eerbetuigingen te hebben gebracht, vertelden Arjuna, Bhîma en Janârdana wat ze allemaal gedaan hadden. (35) De koning van het dharma kon geen woord uitbrengen toen hij dat hoorde. In extase door Krishna's genade liet hij uit liefde zijn tranen de vrije loop.'
 

 

next                      

 

Derde herziene editie, geladen 29 september, 2014.

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1-6

S'rî S'uka zei: 'De twintigduizend achthonderd [koningen] die in de strijd [door Jarâsandha] waren verslagen kwamen vies en met smerige kleren tevoorschijn uit het fort Giridronî [de hoofdstad]. Uitgemergeld van de honger, met ingevallen gezichten en door hun gevangenschap ernstig verzwakt, dronken ze Hem in met hun ogen en was het alsof ze Hem met hun tongen aan het oplikken waren, alsof ze met hun neusgaten Hem op wilden snuiven en Hem in hun armen wilden sluiten. Voor Hem, donkergrijs als een regenwolk, in gele kleding, gemerkt met het S'rîvatsa-teken, met Zijn vier armen, bekoorlijke ogen roze als de werveling van een lotus, aangename gezicht en glimmende makara [zeemonster-vormige] oorhangers; voor Hem met een lotus, een knots, een schelphoorn en een werpschijf in Zijn handen, gesierd met een helm, een halssnoer, gouden polsbanden, een gordel, armbanden en met het schitterend mooie juweel en een woudbloemenslinger om Zijn nek, voor Hem bogen zij wiens zonden waren verdreven, hun hoofden aan Zijn voeten.
S'rî S'uka zei: 'De achtentwintighonderd [koningen] die in de strijd waren verslagen kwamen vies en met smerige kleren tevoorschijn uit het fort Giridronî [de hoofdstad]. Uitgemergeld van de honger, met ingevallen gezichten en door hun gevangenschap ernstig verzwakt, dronken ze zich vol met hun ogen en was het alsof ze met hun tongen aan het likken waren, alsof ze met hun neusgaten op konden snuiven en in hun armen konden sluiten, Hem, donkergrijs als een regenwolk, in gele kleding, gemerkt met het s'rîvatsateken, met vier armen, bekoorlijke ogen roze als de werveling van een lotus, een aangenaam gezicht, de glimmende makara [zeemonster-vormige] oorhangers; met een lotus, een knots, een schelphoorn en een werpschijf in Zijn handen; een helm, een halssnoer, gouden polsbanden, een gordel en de armbanden die Hem opsierden en met het schitterend mooie juweel en een bosbloemenslinger om Zijn nek. Zij, wiens zonden waren vernietigd, bogen voor Zijn voeten met hun hoofden voorover. (Vedabase)

 

Tekst 7

En op hetzelfde moment dat de koningen met samengebrachte handen de Meester der Zinnen prezen met hun woorden, werd door de extase van het ontmoeten van Krishna de zwaarmoedigheid van hun gevangenschap weggevaagd.

En met dat de koningen met samengebrachte handen met hun woorden de Meester der Zinnen prezen, werd door de extase van het ontmoeten van Krishna de zwaarmoedigheid van de gevangenschap weggevaagd. (Vedabase)

 

Tekst 8

De koningen zeiden: 'Wij brengen U onze eerbetuigingen o God der Goden, o Heer der Overgegeven Zielen en Verdrijver van het Leed. O Onuitputtelijke, alstUblieft Krishna, redt ons die uit wanhoop over dit verschrikkelijke materiële bestaan bij U onze toevlucht zochten.

De koningen zeiden: 'Onze eerbetuigingen aan U, o God der Goden, o Heer der Overgegevenen en Verdrijver van het Leed, o Onuitputtelijke; alstUblieft, o Krishna, redt ons overgegevenen, wanhopig van de verschrikking van het materiële bestaan. (Vedabase)

   

Tekst 9

O Madhusûdana, we willen de heerser van Magadha niet de schuld geven, want door Uw genade o Almachtige, komen de koninkrijken van de heersers der mensen [die zich tegen U keerden] ten val.

O Mâdhava, we wijzen niet met onze vinger, o Meester, naar de heerser van Magadha, aangezien het door Uw beijveren van de goede zaak is, o Almachtige, dat koningen [in weerwil] uit hun positie ten val komen. (Vedabase)

     

Tekst 10

Ertoe gedreven met de heerschappij en weelde zijn stem te verheffen, slaagt een koning, verbijsterd door Uw mâyâ denkend dat de tijdelijke verworvenheden iets permanents zijn, er niet in het ware voordeel te behalen.

Gestimuleerd met de heerschappij en weelde de stem verheffend slaagt een koning, verbijsterd door Uw mâyâ denkend dat de tijdelijke verworvenheden iets permanents zijn, er niet in het ware voordeel te behalen. (Vedabase)

   

Tekst 11

Net zoals een kind een luchtspiegeling aanziet voor een plas water, houden zij die het ontbreekt aan onderscheidingsvermogen de illusoire kwestie die onderhevig is aan verandering, voor iets substantieels.

Op dezelfde manier als een kind een luchtspiegeling aanziet voor een plas water, zien zij die het ontbreekt aan onderscheidingsvermogen het illusoire onderhevig aan verandering voor iets substantieels aan. (Vedabase)

  

Tekst 12-13

Wij die in het verleden, met het ons verlustigen over de weelde, verblind raakten en ruzieden met elkaar over de heerschappij over deze aarde, belaagden zeer genadeloos onze  burgers o Meester en hebben met [U in de gedaante van] de dood recht voor ogen, hoogmoedig van U afgezien. Wij o Krishna, werden ertoe gedwongen om afstand te doen van onze weelde en werden in onze trots gekrenkt door Uw genade in de vorm van de onweerstaanbare macht van de Tijd die zich zo geheimzinnig beweegt. Wij bidden U of we alstUblieft mogen leven in de herinnering aan Uw voeten.

Wij die voorheen met het verlustigen over de weelde het zicht verloren, ruziënd met elkaar over het veroveren van deze aarde, belaagden zeer genadeloos onze eigen burgers, o Meester, en hebben met de dood voor ogen hoogmoedig U buiten beschouwing gelaten. Zij, wij inderdaad o Krishna, werden ertoe gedwongen om afstand te doen van onze weelde, in onze trots vernietigd door de genade van Uw persoonlijke gedaante, de onweerstaanbare macht van de Tijd die zich zo geheimzinnig beweegt; mogen wij alstUblieft leven met Uw voeten in gedachten. (Vedabase)

 

Tekst 14

We smachten van nu af aan niet langer naar een koninkrijk dat, zich manifesterend als een luchtspiegeling, steeds moet worden gediend met het materiële lichaam dat onderhevig is aan verval en een bron van ziekte vormt. Noch o Almachtige, verlangen we naar de vrucht van vrome arbeid in een hiernamaals dat zo verlokkelijk is voor het oor [vergelijk B.G. 1: 32-35].

Van nu af aan smachten we niet langer naar een koninkrijk dat, zich vertonend als een luchtspiegeling, voortdurend moet worden gediend met het materiële lichaam dat onderhevig aan verval, een bron van ziekte vormt; noch, o Almachtige, verlangen we naar de vrucht van vrome arbeid in een hiernamaals zo aantrekkelijk voor het oor [vergelijk B.G. 1.32-35]. (Vedabase)

 

Tekst 15

Vertel ons AlstUblieft op welke manieren we Uw lotusvoeten mogen herinneren, ondanks het feit dat we er niet mee kunnen ophouden telkens weer terug te keren naar deze wereld [zie B.G. 8: 14].

AlstUblieft onderricht ons in de manier waarop we Uw lotusgelijke voeten mogen herinneren, ook al blijven we telkens weer naar deze wereld terugkeren [zie B.G. 8: 14]. (Vedabase)


Tekst 16

Keer op keer brengen we onze eerbetuigingen aan Krishna, de zoon van Vasudeva, de Heer en Superziel van hen die zich verootmoedigen, aan Govinda, de Vernietiger van het Leed.'

Keer op keer brengen we onze eerbetuigingen voor Krishna, de zoon van Vasudeva, de Heer en Superziel van hen die zich verootmoedigen; voor Govinda, de Vernietiger van het Leed.' (Vedabase)

 

Tekst 17

S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Verlener van de Toevlucht, in deze geest geprezen door de koningen die waren bevrijd uit hun gebondenheid beste Koning, sprak genadig tot hen in aangename bewoordingen.

S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de Verlener van de Toevlucht, loffelijk geprezen door de koningen bevrijd uit hun gebondenheid, mijn beste, sprak hen genadig toe in aangename bewoordingen. (Vedabase)

 

Tekst 18

De Allerhoogste Heer zei: 'O Koningen, Ik verzeker jullie, van nu af aan zal, zoals jullie het willen, zich bij jullie een gedegen toewijding voor Mij, het Zelf en de Heer van Allen, ontwikkelen.

De Allerhoogste Heer zei: 'Ik verzeker jullie, van nu af aan, o Koningen, zal, zoals jullie dat wensen, jullie zeer ferme toewijding zich opwerpen voor Mij, het Zelf en de Beheerser van Allen. (Vedabase)

  

Tekst 19

Jullie besluit is een gelukkig besluit o heersers, want Ik zie dat jullie naar waarheid spreken over de schaamteloze verdwazing met de weelde en de macht die de mensheid tot waanzin drijft.

Jullie besluit is een gelukkig besluit, o heersers, daar Ik zie dat jullie naar waarheid spreken over de schreeuwerige verdwazing met de weelde en de macht die de mensheid zo tot waanzin drijft. (Vedabase)

 

Tekst 20

Haihaya [of Kârtavîryârjuna 9.15: 25], Nahusha [9.18: 1-3], Vena [zie 4.14], Râvana [9.10], Naraka [of Bhauma 10.59: 2-3] en anderen kwamen ten val uit hun posities als goden, demonen en mensen omdat ze bezeten raakten van de weelde.

Haihaya [of Kârtavîryârjuna 9.15: 25], Nahusha [9.18: 1-3], Vena [zie 4.14], Râvana [9.10], Naraka [of Bhauma 10.59: 2-3] en anderen kwamen ten val uit hun posities als goden, demonen en mensen omdat ze door de weelde onder de invloed geraakt waren. (Vedabase)

 

Tekst 21

Met in gedachten dat dit materiële lichaam en wat er bij komt kijken een begin en een eind heeft, hebben jullie de taak om, verbonden met Mij met gebeden en [Vedische] offers, jullie burgers overeenkomstig het dharma te beschermen.

Jullie, met in gedachten dat dit materiële lichaam en dergelijke is onderworpen aan geboorte en dood, behoren, verbonden met Mij in aanbidding met offers, jullie burgers overeenkomstig het dharma te beschermen. (Vedabase)

  

 Tekst 22

Ermee bezig generaties nageslacht te verwekken en geplaatst voor lief en leed, geboorte en dood, moeten jullie je geesten fixeren op Mijn eerbetoon.

Geplaatst voor lief en leed, geboorte en dood, moeten jullie je er mee bezig houden generaties nageslacht te verwekken, met geesten gefixeerd in het aanvaarden van Mij. (Vedabase)


 Tekst 23

Neutraal met betrekking tot het lichaam en alles wat erbij hoort en standvastig in de geloften innerlijk tevreden, zullen jullie, je ten volle op Mij concentrerend, uiteindelijk Mij, het Absolute van de Waarheid, bereiken [vergelijk B.G. 4: 9; 8: 7; 9: 28; 12: 3-4].'

Neutraal t.o.v. het lichaam en dat alles en standvastig in de geloften innerlijk tevreden, zullen jullie, met de volle concentratie van de geest op Mij, ten slotte Mij bereiken, het Absolute van de Waarheid [vergelijk B.G. 4: 9; 8: 7; 9: 28; 12: 3-4].'(Vedabase)

   

Tekst 24

S'rî S'uka zei: 'Krishna, de Allerhoogste Heer en Meester van al de Werelden, die aldus de koningen instrueerde, zette vervolgens dienaren en dienstmaagden aan het werk om ze een bad te geven.

S'rî S'uka zei: 'Krishna, de Allerhoogste Heer en Beheerser van al de Werelden, aldus de koningen instruerend zette dienaren en dienstmaagden aan het werk ze een bad te geven. (Vedabase)

 

Tekst 25

O afstammeling van Bharata, Hij zorgde ervoor dat Sahadeva [Jarâsandha's zoon] hen voorzag van kleding, versieringen, bloemenslingers en sandelhoutpasta, zoals die bij hen pasten.

O afstammeling van Bharata, hij liet Sahadeva [Jarâsandha's zoon] ze, zoals dat hen paste, voorzien van kleding, sierselen, bloemenslingers en sandelhoutpasta. (Vedabase)

 

 Tekst 26

Naar behoren gebaad en goed uitgedost werden ze voorzien van uitstekend voedsel en bedacht met verschillende genoegens koningen waardig, zoals betelnoot en dergelijke.

Naar behoren gebaad en goed uitgedost werden ze voorzien van uitstekend voedsel en bedacht met verschillende genoegens koningen waardig, zoals betelnoot en dergelijke. (Vedabase)

 

 Tekst 27

 Geëerd door Mukunda straalden de koningen verlost van hun ellende prachtig met hun glimmende oorhangers als waren ze de planeten aan het eind van het regenseizoen.

Geëerd door Mukunda straalden de koningen verlost van hun ellende prachtig met hun glimmende oorhangers als waren ze de planeten aan het eind van het regenseizoen. (Vedabase)

 

 Tekst 28

Na hen wagens versierd met goud en edelstenen en getrokken door fijne paarden te hebben toegewezen, stuurde Hij, ze behagend met aangename woorden, weg naar hun koninkrijken.

Na ze op wagens met fijne paarden versierd met goud en edelstenen te hebben gezet, stuurde Hij, ze bevredigend met aangename woorden, heen naar hun eigen koninkrijken. (Vedabase)

 

 Tekst 29

Zij die aldus door Krishna, de grootste van alle persoonlijkheden, waren bevrijd van hun misère gingen weg met niets anders in gedachten dan de daden van Hem, de Heer van het Levende Wezen dat het Universum is.

Zij, de grootste persoonlijkheden, aldus door Krishna bevrijd van alle moeilijkheden gingen weg, uitsluitend mediterend op de daden van Hem, de Heer van het Levende Wezen dat het Universum is. (Vedabase)

 

 Tekst 30

Met hun ministers en overige medewerkers bespraken ze wat de Hoogste Persoonlijkheid had gedaan en voerden toen oplettend uit wat de Heer had opgedragen.

Tot hun ministers en andere medewerkers spraken ze van de handelingen van de Hoogste Persoonlijkheid en brachten ze alles zonder laksheid ten uitvoer zoals de Heer het had opgedragen. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Na Jarâsandha door Bhîmasena te hebben laten doden, liet Kes'ava zich vereren door Sahadeva en vertrok toen vergezeld door de twee zoons van Prithâ.

Na Jarâsandha door Bhîmasena te hebben laten doden, vertrok, aanbeden door Sahadeva, Kes'ava, begeleid door de twee zoons van Prithâ. (Vedabase)

 

 Tekst 32

Arriverend in Indraprastha bliezen ze op de schelphoorns die voorheen de vijanden ongeluk hadden gebracht die ze versloegen, maar nu hun weldoeners vreugde verschaften.

Aankomend in Indraprastha bliezen ze op hun schelphoorns waarmee ze de vijanden die ze versloegen misnoegden en [nu] hun weldoeners vreugde bereidden. (Vedabase)


 Tekst 33

De ingezetenen van Indraprastha waren in hun harten blij dat geluid te horen. Ze begrepen dat Jarâsandha het had afgelegd en dat de koning [Yudhishthhira] zijn doel had bereikt.

De ingezetenen van Indraprastha in hun harten verheugd dat te horen, begrepen dat Jarâsandha de vrede was opgelegd en dat de koning [Yudhishthhira] zijn doelen waren bereikt. (Vedabase)

 

 Tekst 34

Na de koning hun eerbetuigingen te hebben gebracht,  vertelden Arjuna, Bhîma en Janârdana wat ze allemaal gedaan hadden.

De koning toen hun respect betonend verhaalden Arjuna, Bhîma en Janârdana over alles wat ze gedaan hadden. (Vedabase)

 

Tekst 35

De koning van het dharma kon geen woord uitbrengen toen hij dat hoorde. In extase door Krishna's genade liet hij uit liefde zijn tranen de vrije loop.'

De koning van het dharma kon geen woord uitbrengen toen hij dat hoorde, in extase door Krishna's genade tranen plengend uit liefde. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.
Het schilderij op deze pagina is van B.K. Mitra.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties