regelbalk



 

 

Canto 9

Hari Haraye Namah


 

Hoofdstuk 20: De Dynastie van Pûru tot aan Bharata

(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Ik zal nu de dynastie van Pûru beschrijven waarin u werd geboren o zoon van Bharata. Uit de heilige koningen van die dynastie kwamen veel brahmaanse geslachten voort. (2) Door Pûru kwam de zoon Janamejaya ter wereld. Pracinvân was zijn zoon en van hem kwam Pravîra ter wereld door wie vervolgens Manusyu verscheen. Hij werd de vader van Cârupada. (3) De zoon die uit hem voortkwam was Sudyu die een zoon had genaamd Bahugava. Uit Bahugava kwam Samyâti ter wereld die een zoon had genaamd Ahamyâti. Zijn zoon heette Raudrâs'va. (4-5) Net zoals de tien zinnen [van waarnemen en handelen] voortkwamen uit de levenskracht van het oorspronkelijke zelf, kwamen er uit een Apsara meisje genaamd Ghritâcî tien zonen ter wereld: Riteyu, Kaksheyu, Sthandileyu, Kriteyuka, Jaleyu, Sannateyu, Dharmeyu, Satyeyu, Vrateyu en Vaneyu als de jongste. (6) Van Riteyu verscheen er een zoon genaamd Rantinâva en zijn drie zoons, o heerser der mensen, waren Sumati, Dhruva en Apratiratha. Kanva was Apratiratha's zoon. (7) Van hem was er Medhâtithi van wie er Praskanna en anderen waren die allen tweemaal geboren zielen waren [brahmanen]. Van Sumati was er Rebhi wiens zoon de bekende Dushmanta is.

(8-9) Dushmanta ging op een dag uit jagen en kwam aan bij de âs'rama van Kanva. Daar zag hij een vrouw zitten die straalde met een schoonheid gelijk aan die van de godin van het geluk. Haar ziend voelde hij zich meteen sterk aangetrokken tot deze goddelijke manifestatie van de vrouwelijke schoonheid. In het gezelschap van enkele van zijn soldaten richtte hij zich toen tot die beste van al de dames. (10) Opgetogen over haar aanwezigheid viel de vermoeidheid van zijn jachtpartij van hem af. Gedreven door lustige verlangens zei hij lachend met aangename woorden: (11) 'Wie ben jij o dame met je lotusblaadjesogen? Bij wie hoor je o schoonheid van mijn hart en wat kom je hier doen zo alleen in het bos?  (12) Je schijnt van koninklijke bloede te zijn. Reken erop dat ik als een nazaat van Pûru o verpletterende schoonheid, nimmer van zins ben om buiten het dharma om wat dan ook te genieten!'

(13) S'rî S'akuntalâ zei: 'Ik werd geboren uit Vis'vâmitra en werd door Menakâ [mijn moeder] achtergelaten in dit bos. Kanva de machtige heilige, weet er alles van! O mijn held, wat kan ik voor je betekenen? (14) Alsjeblieft kom naast me zitten met je lotusogen, aanvaard mijn bescheiden dienst. Eet wat van de nîvârâ['van een maagd']-rijst die ik je te bieden heb en blijf hier als je dat wilt.'

(15) S'rî Dushmanta gaf ten antwoord: 'O mooie wenkbrauwtjes, dit past bij de positie van je geboorte in de familie van Vis'vâmitra. Het is inderdaad zo dat de dochters van een koninklijke familie persoonlijk een geschikte echtgenoot uitkiezen.'

(16) De koning zich bewust van wat gepast was naar gelang de tijd en plaats, zei ja en trouwde toen volgens de regels van het dharma met S'akuntalâ op de gandharva-manier [met wederzijdse instemming]. (17) Trefzeker in zijn mannelijkheid loosde de heilige koning zijn zaad in de koningin en keerde hij 's ochtends terug naar zijn verblijfplaats. Na de nodige tijd bracht zij toen een zoon ter wereld. (18) Kanva Muni voerde in het bos de voorgeschreven rituelen uit voor het kind. Het jongetje stond er later om bekend dat hij met grote kracht een leeuw wist te bedwingen en er mee speelde. (19) [Zijn moeder S'akuntalâ,] de beste der vrouwen, nam hem die als een deelaspect van de Heer niet te overtreffen was in zijn kracht, met haar mee naar haar echtgenoot [Dushmanta]. (20) Toen de koning ze niet erkende als zijn vrouw en zoon, terwijl ze niets misdaan hadden, was er voor iedereen een luid geluid te horen in de hemel. Een onstoffelijke stem verkondigde: (21) 'Een moeder is als een blaasbalg voor de zoon van de vader die hem verwekte. Daarom hoort hij bij de vader. Draag zorg voor uw zoon o Dushmanta en beledig S'akuntalâ niet! (22) O Koning, de zoon redt hem die het zaad loosde van de straf van Yamarâja [de dood]. S'akuntalâ die zei dat u de verwekker van dit kind bent heeft de waarheid gesproken.'

(23) Nadat zijn vader was overleden werd hij een befaamde, zegerijke keizer die bekend stond als een gedeeltelijke representatie van de Heer op aarde [zie ook B.G. 10: 41]. (24-26) Hij had het merkteken van de cakra op zijn rechter hand en het teken van de werveling van de lotus op zijn voetzolen. Omdat hij van aanbidding was met een grote rituele plechtigheid verwierf hij de positie als de heer en meester over de hele wereld. Hij gebruikte vijfenvijftig paarden voor het brengen van offers vanaf de monding van de Ganges tot aan de oorsprong. Daartoe stelde hij de zoon van Mamatâ aan als de priester. In diezelfde volgorde ging de meester ook te werk aan de oever van de Yamunâ alwaar hij achtenzeventig paarden [de as'vamedha ereplaat voor-]bond. Hij die Bharata heette, de zoon van Dushmanta, bouwde zijn offervuur op de best mogelijke manier, deelde een vermogen uit in liefdadigheid en verdeelde een badva [13.084] koeien onder de aanwezige brahmanen. (27) De zoon van Dushmanta die al de koningen versteld deed staan door voor deze yajña's drieëndertighonderd paarden bijeen te brengen, overtrof [aldus] de weelde der halfgoden en won [de gunst van] de geestelijk leraar [de Heer]. (28) Tijdens de offerplechtigheid te Mashnâra schonk hij in liefdadigheid veertien lakhs weg van de beste zwarte olifanten met de witste slagtanden, die waren overdekt met gouden sieraden. (29) Net zo goed als het onmogelijk is om de hemelse werelden met de kracht van je armen naar je toe te trekken, is het onmogelijk voor welke koning in het verleden of de toekomst dan ook om de verheven handelingen van Bharata te evenaren. (30) Toen hij al de windrichtingen veroverde doodde hij al de barbaarse heersers over de mensen die gekant waren tegen de brahmaanse cultuur zoals de Kirâta's [Afrikaners], de Hûnân [de Hunnen], de Yavana's [de Grieken], de Paundra's [de wildemannen van Bihar en Bengalen], de Kanka's [Scandinaviërs?], de Khas'â's [de Mongolen] en de S'aka's [de Tartaren]. (31) In het verleden, toen de Asura's hadden gezegevierd over de halfgoden en ze terugkeerden naar de lagere werelden [Rasâtala], werden  al de vrouwen en dochters van de godsbewusten afgevoerd naar de onderwereld, maar hij bracht ze met al hun metgezellen allemaal weer terug naar hun oorspronkelijke verblijfplaatsen. (32) Met het in alle windrichtingen sturen van zijn troepen en circuleren van zijn instructies, verschaften zevenentwintigduizend jaar lang hemel en aarde alles wat zijn onderdanen verlangden. (33) Hij de keizer, de heerser over alle heersers en plaatsen, die onberispelijk was met de verworvenheden van de macht, het rijk en de staatsorde [beschouwde uiteindelijk] zijn hele leven als vals en dus stopte hij ermee ervan te genieten. (34) Hij, o meester der mensen, had drie echtgenotes, dochters van Vidarbha die allen zeer aangenaam en geschikt waren. Maar omdat ze vreesden zijn genegenheid te verliezen omdat hun zoons niet zo perfect als hun vader waren, brachten ze hen ter dood. (35) Aldus gefrustreerd in het voortbrengen van nageslacht voerde hij een marut-stoma offerplechtigheid uit om zonen te verwekken. De Maruts presenteerden hem daarop Bharadvâja.

(36) Brihaspati [de geleerde en priester der halfgoden die zijn vader was] voelde zich [in het verleden] aangetrokken tot zijn broer's zwangere echtgenote en wilde de liefde met haar bedrijven, maar toen de zoon in haar schoot hem verbood daartoe over te gaan, vervloekte hij hem en loosde hij zijn zaad alsnog. (37) Voor Mamatâ [de moeder], die van het kind af wilde uit angst te worden verstoten door haar echtgenoot [Utathya], werd bij zijn naamgevingsplechtigheid het volgende vers uitgesproken door de godsbewusten: (38) 'O dwaze vrouw, zorg voor dit kind dat twee vaders heeft.' [Waarop zij antwoorde:] 'O Brihaspati, zorg er zelf voor ook al heeft het dan een andere vader!' Omdat beide ouders zich met het uitspreken van deze woorden er van hadden afgekeerd, werd het kind toen Bharadvâja genoemd ['een last voor beiden']. (39) Hoewel ze er door de godsbewusten toe was aangezet het te onderhouden verstootte de moeder het kind toch, omdat ze van mening was dat het met wat er gebeurd was geen levensdoel had. Daarop namen de Maruts het onder hun hoede en schonken het [aan Bharata] toen de dynastie onvervuld bleef.'

   

next

 
 

Derde herziene editie, geladen 14 maart 2013.

 

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De zoon van Vyâsadeva zei: 'Ik zal nu de dynastie van Pûru beschrijven waarin u werd geboren o zoon van Bharata. Uit de heilige koningen van die dynastie kwamen veel brahmaanse geslachten voort.
De zoon van Vyâsadeva zei: 'Ik zal de dynastie van Pûru beschrijven waarin u werd geboren o zoon van Bharata; de koningen van die dynastie waren stuk voor stuk geheiligde zielen en menige brahmaanse lijn van afstammelingen nam met haar een begin. (Vedabase)

 

Tekst 2

Door Pûru kwam de zoon Janamejaya ter wereld. Pracinvân was zijn zoon en van hem kwam Pravîra ter wereld door wie vervolgens Manusyu verscheen. Hij werd de vader van Cârupada.

Janamejaya was degene die verscheen van Pûru, Pracinvân was zijn zoon en van hem was Pravîra er na wie Manusyu verscheen; het was uit hem dat Cârupada werd geboren. (Vedabase)

 

Tekst 3

De zoon die uit hem voortkwam was Sudyu die een zoon had genaamd Bahugava. Uit Bahugava kwam Samyâti ter wereld die een zoon had genaamd Ahamyâti. Zijn zoon heette Raudrâs'va.

De zoon die uit hem voortkwam was Sudyu die een zoon had genaamd Bahugava uit wie Samyâti ter wereld kwam die een zoon had genaamd Ahamyâti; de gedenkwaardige Raudrâs'vâ was zijn zoon. (Vedabase)

 

Tekst 4-5

Net zoals de tien zinnen [van waarnemen en handelen] voortkwamen uit de levenskracht van het oorspronkelijke zelf, kwamen er uit een Apsara meisje genaamd Ghritâcî tien zonen ter wereld: Riteyu, Kaksheyu, Sthandileyu, Kriteyuka, Jaleyu, Sannateyu, Dharmeyu, Satyeyu, Vrateyu en Vaneyu als de jongste.

Met een apsara-meisje bekend onder de naam Ghritâcî werden er, gelijk de tien zinnen [van handelen en waarnemen] van de levenskracht van het universele zelf, tien zonen geboren: Riteyu, Kaksheyu, Sthandileyu, Kriteyuka, Jaleyu, Sannateyu, Dharmeyu, Satyeyu, Vrateyu en Vaneyu als de jongste. (Vedabase)

 

Tekst 6

Van Riteyu verscheen er een zoon genaamd Rantinâva en zijn drie zoons, o heerser der mensen, waren Sumati, Dhruva en Apratiratha. Kanva was Apratiratha's zoon.

Van Riteyu verscheen er een zoon genaamd Rantinâva en zijn drie zoons, o heerser der mensen, waren Sumati, Dhruva en Apratiratha. Kanva was Apratiratha's zoon. (Vedabase)

   

Tekst 7

Van hem was er Medhâtithi van wie er Praskanna en anderen waren die allen tweemaal geboren zielen waren [brahmanen]. Van Sumati was er Rebhi wiens zoon de bekende Dushmanta is.

Van hem was er Medhâtithi van wie er Praskanna en anderen waren die allen tweemaal geboren zielen waren. Van Sumati was er Rebhi wiens zoon de bekende Dushmanta is. (Vedabase)

   

Tekst 8-9

Dushmanta ging op een dag uit jagen en kwam aan bij de âs'rama van Kanva. Daar zag hij een vrouw zitten die straalde met een schoonheid gelijk aan die van de godin van het geluk. Haar ziend voelde hij zich meteen sterk aangetrokken tot deze goddelijke manifestatie van de vrouwelijke schoonheid. In het gezelschap van enkele van zijn soldaten richtte hij zich toen tot die beste van al de dames.

Eens ging Dushmanta uit jagen en kwam aan bij de âs'rama van Kanva. Daar aangekomen zag hij een vrouw zitten die straalde in haar eigen schoonheid gelijk de godin van het geluk. Toen hij haar ontwaarde voelde hij zich direkt sterk tot haar aangetrokken, zo een prachtig goddelijke verschijning van een vrouw, en omringd door enkele soldaten, richtte hij zich tot die allerbeste van de dames. (Vedabase)


Tekst 10

Opgetogen over haar aanwezigheid viel de vermoeidheid van zijn jachtpartij van hem af. Gedreven door lustige verlangens zei hij lachend met aangename woorden:

Opgetogen door haar aanwezigheid was hij bevrijd van de vermoeidheid van zijn jachtpartij en vroeg hij, gedreven door lustige verlangens, met aangename woorden gekscherend: (Vedabase)

 

Tekst 11

'Wie ben jij o dame met je lotusblaadjesogen? Bij wie hoor je o schoonheid van mijn hart en wat kom je hier doen zo alleen in het bos? 

'Wie ben jij, o dame met je lotusblaadjesogen, wie behoor jij toe, o schoonheid van mijn hart, en wat dacht je hier te komen doen in je eentje in het bos? (Vedabase)

 

Tekst 12

Je schijnt van koninklijke bloede te zijn. Reken erop dat ik als een nazaat van Pûru o verpletterende schoonheid, nimmer van zins ben om buiten het dharma om wat dan ook te genieten!'

Het lijkt me toe dat je van koninklijke bloede bent. Wees er zeker van dat ik als nazaat van Pûru, o verpletterende schoonheid, nimmer van een geest ben om van wat ook te genieten buiten het dharma om!' (Vedabase)

 

Tekst 13

S'rî S'akuntalâ zei: 'Ik werd geboren uit Vis'vâmitra en werd door Menakâ [mijn moeder] achtergelaten in dit bos. Kanva de machtige heilige, weet er alles van! O mijn held, wat kan ik voor je betekenen?

S'rî S'akuntalâ zei: 'Ik, geboren uit Vis'vâmitra, werd helemaal alleen achtergelaten in dit bos door Menakâ [haar moeder]; Kanva die beste heilige, weet er alles van! O mijn held, wat kan ik voor je betekenen? (Vedabase)

 

Tekst 14

Alsjeblieft kom naast me zitten met je lotusogen, aanvaard mijn bescheiden dienst. Eet wat van de nîvârâ['van een maagd']-rijst die ik je te bieden heb en blijf hier als je dat wilt.'

Alsjeblieft kom en ga naast me zitten met je lotusogen, aanvaard mijn bescheiden dienst, eet wat van de nîvârâ ['van een maagd'] rijst die ik je te bieden heb en blijf hier als je dat wilt.'(Vedabase)

 

Tekst 15

S'rî Dushmanta gaf ten antwoord: 'O mooie wenkbrauwtjes, dit past bij de positie van je geboorte in de familie van Vis'vâmitra. Het is inderdaad zo dat de dochters van een koninklijke familie persoonlijk een geschikte echtgenoot uitkiezen.'

S'rî Dushmanta gaf ten antwoord: 'Dit o mooie wenkbrauwtjes, is de positie van je geboorte in de familie van Vis'vâmitra waardig; het is inderdaad zo dat de dochters van een koninklijke familie naar hun eigen idee hun echtgenoten uitkiezen [een gandharva huwelijk aangaan].' (Vedabase)

  

Tekst 16

De koning zich bewust van wat gepast was naar gelang de tijd en plaats, zei ja en trouwde toen volgens de regels van het dharma met S'akuntalâ op de gandharva-manier [met wederzijdse instemming].

Hierop Aum [zie B.G. 17: 24] zeggend, trouwde de koning overeenkomstig het dharma, doordrongen van wat gepast was naar tijd en plaats, met S'akuntalâ naar de gandharva-regel. (Vedabase)

 

Tekst 17

Trefzeker in zijn mannelijkheid loosde de heilige koning zijn zaad in de koningin en keerde hij 's ochtends terug naar zijn verblijfplaats. Na de nodige tijd bracht zij toen een zoon ter wereld.

Trefzeker in zijn mannelijkheid [alleen maar voor een kind zich laten gaand] deponeerde de geheiligde koning zijn zaad in de koningin en keerde hij 's ochtends terug naar zijn eigen plaats. Na de nodige tijd gaf zij toen geboorte aan een zoon. (Vedabase)

 

Tekst 18

Kanva Muni voerde in het bos de voorgeschreven rituelen uit voor het kind. Het jongetje stond er later om bekend dat hij met grote kracht een leeuw wist te bedwingen en er mee speelde.

Kanva Muni voerde in het bos de voorgeschreven ceremoniën uit voor de zoon die er als kind bekend om stond dat hij een leeuw wist te bedwingen en er mee speelde. (Vedabase)

 

Tekst 19

[Zijn moeder S'akuntalâ,] de beste der vrouwen, nam hem die als een deelaspect van de Heer niet te overtreffen was in zijn kracht, met haar mee naar haar echtgenoot [Dushmanta].

Hem, niet te overtreffen in zijn kracht als een deel van een volledig deelaspekt van de Heer, nam zij, de beste der vrouwen, met zich mee afgaand op haar echtgenoot. (Vedabase)

 

Tekst 20

Toen de koning ze niet erkende als zijn vrouw en zoon, terwijl ze niets misdaan hadden, was er voor iedereen een luid geluid te horen in de hemel. Een onstoffelijke stem verkondigde:

Toen de koning hen niet aanvaardde als zijn echte vrouw en zoon, terwijl ze niets misdaan hadden, kon door al de mensen een luid geluid worden gehoord uit de hemel; het was een niet belichaamde stem die uitriep: (Vedabase)

 

Tekst 21

'Een moeder is als een blaasbalg voor de zoon van de vader die hem verwekte. Daarom hoort hij bij de vader. Draag zorg voor uw zoon o Dushmanta en beledig S'akuntalâ niet!

'Aangezien de moeder als een blaasbalg is voor de zoon van de vader die hem verwekte, hoort de zoon bij de vader; zorg enkel voor uw zoon o Dushmanta en beledig S'akuntalâ niet! (Vedabase)

 

Tekst 22

O Koning, de zoon redt hem die het zaad loosde van de straf van Yamarâja [de dood]. S'akuntalâ die zei dat u de verwekker van dit kind bent heeft de waarheid gesproken.'

Wat S'akuntalâ zei over u als zijnde de verwekker van dit kind is de waarheid; hij die het zaad loosde, o god der mensen, uw goede zelf, is degene die door de zoon moet worden gered van de bestraffing van de [Heer van de] dood.' (Vedabase)


Tekst 23

Nadat zijn vader was overleden werd hij een befaamde, zegerijke keizer die bekend stond als een gedeeltelijke representatie van de Heer op aarde [zie ook B.G. 10: 41].

Nadat zijn vader was overleden werd de koning opgevolgd door zijn zoon en hij werd een keizer van een grote faam en heerlijkheid als een gedeeltelijk vertegenwoordiger van de Heer op deze aarde [see also B.G. 10: 41]. (Vedabase)

   

Tekst 24-26

Hij had het merkteken van de cakra op zijn rechter hand en het teken van de werveling van de lotus op zijn voetzolen. Omdat hij van aanbidding was met een grote rituele plechtigheid verwierf hij de positie als de heer en meester over de hele wereld. Hij gebruikte vijfenvijftig paarden voor het brengen van offers vanaf de monding van de Ganges tot aan de oorsprong. Daartoe stelde hij de zoon van Mamatâ aan als de priester. In diezelfde volgorde ging de meester ook te werk aan de oever van de Yamunâ alwaar hij achtenzeventig paarden [de as'vamedha ereplaat voor-]bond. Hij die Bharata heette,  de zoon van Dushmanta, bouwde zijn offervuur op de best mogelijke manier, deelde een vermogen uit in liefdadigheid en verdeelde een badva [13.084] koeien onder de aanwezige brahmanen.

Met het merkteken van de cakra op zijn rechter hand en het teken van de werveling van de lotus op zijn voetzolen, was hij van aanbidding middels een grote eredienst en werd hij bevorderd tot de positie van de belangrijkste heer en meester over alles. Vijfenvijftig paarden gebruikte hij voor de offers van de monding van de Ganges tot aan de oorsprong waarvoor hij, de oppermachtige, Bhrigu benoemde als de priester. In gepaste volgorde ging hij ook zo te werk aan de oever van de Yamunâ alwaar hij achtenzeventig paarden [de as'vamedha plaat voor-] bond. Van hem Bharata, de zoon van Dushmanta, werden schatten uitgedeeld in liefdadigheid, werd de offerplechtigheid op een uitgelezen plaats ingesteld en werden aandelen van een badva-duizend [13.084] koeien door de aanwezige brahmanen in ontvangst genomen. (Vedabase)

 

Tekst 27

De zoon van Dushmanta die al de koningen versteld deed staan door voor deze yajña's drieëndertighonderd paarden bijeen te brengen, overtrof [aldus] de weelde der halfgoden en won [de gunst van] de geestelijk leraar [de Heer].

De zoon van Dushmanta bracht voor de yajña het verbazingwekkende aantal van drieëndertighonderd paarden bijeen en overtrof al de koningen in het bereiken van de weelde der halfgoden en de Allerhoogste Geestelijk Leraar. (Vedabase)

 

Tekst 28

Tijdens de offerplechtigheid te Mashnâra schonk hij in liefdadigheid veertien lakhs weg van de beste zwarte olifanten met de witste slagtanden, die waren overdekt met gouden sieraden.

In het mashnâra offer schonk hij in liefdadigheid veertien lakhs beste zwarte olifanten met de witste slagtanden weg, compleet met gouden sierselen [mashnâra heeft betrekking op de naam van de plaats]. (Vedabase)

 

Tekst 29

Net zo goed als het onmogelijk is om de hemelse werelden met de kracht van je armen naar je toe te trekken, is het onmogelijk voor welke koning in het verleden of de toekomst dan ook om de verheven handelingen van Bharata te evenaren.

Zoals het voorzeker onmogelijk is om de hemelse planeten met de kracht van je armen naar je toe te trekken is het evenmin mogelijk om de verheven aktiviteiten van Bharata te evenaren, noch zal ook maar één van de menselijke heersers na hem ooit tot een dergelijk iets in staat zijn. (Vedabase)

 

Tekst 30

Toen hij al de windrichtingen veroverde doodde hij al de barbaarse heersers over de mensen die gekant waren tegen de brahmaanse cultuur zoals de Kirâta's [Afrikaners], de Hûnân [de Hunnen], de Yavana's [de Grieken], de Paundra's [de wildemannen van Bihar en Bengalen], de Kanka's [Scandinaviërs?], de Khas'â's [de Mongolen] en de S'aka's [de Tartaren].

Al de barbaarse heersers over mensen gekant tegen de brahmaanse kultuur als de Kirâta's [Afrikaners], de noordelijke stammen [de Hunnen], de Yavana's [de vlees-eters], de Paundra's [de wildemannen van Bihar en Bengalen] en de Kanka's [kankana betekent armband], de Khasâ's [de Mongolen] en de S'aka's [vrouwen/mannen] bracht hij ter dood met het veroveren van alle richtingen. (Vedabase)

 

Tekst 31

In het verleden, toen de Asura's hadden gezegevierd over de halfgoden en ze terugkeerden naar de lagere werelden [Rasâtala], werden  al de vrouwen en dochters van de godsbewusten afgevoerd naar de onderwereld, maar hij bracht ze met al hun metgezellen allemaal weer terug naar hun oorspronkelijke verblijfplaatsen.

Met het voorheen zegevieren over de goddelijken hadden alle asura's die hun toevlucht hadden genomen tot de lagere werelden [Rasâtala] al de vrouwen en dochters van de goddelijken naar de onderwereld afgevoerd maar hij bracht ze met al hun metgezellen allemaal weer terug naar hun oorspronkelijke verblijfplaatsen. (Vedabase)

 

Tekst 32

Met het in alle windrichtingen sturen van zijn troepen en circuleren van zijn instructies, verschaften zevenentwintigduizend jaar lang hemel en aarde alles wat zijn onderdanen verlangden.

Zevenentwintig duizend jaren lang voorzag hij in alles wat zijn onderdanen verlangden zowel op aarde als in de hemel en zijn orde en gezag ging rond in alle richtingen. (Vedabase)

 

Tekst 33

Hij de keizer, de heerser over alle heersers en plaatsen, die onberispelijk was met de verworvenheden van de macht, het rijk en de staatsorde [beschouwde uiteindelijk] zijn hele leven als vals en dus stopte hij ermee ervan te genieten.

Hij de keizer, de heerser over alle heersers en plaatsen, onberispelijk met de verworvenheden van de macht, het rijk, de staatsorde en dergelijke, beschouwde op het laatst alles van zijn leven en goed als vals en dus hield hij ermee op van ze te genieten. (Vedabase)

 

Tekst 34

Hij, o meester der mensen, had drie echtgenotes, dochters van Vidarbha die allen zeer aangenaam en geschikt waren. Maar omdat ze vreesden zijn genegenheid te verliezen omdat hun zoons niet zo perfect als hun vader waren, brachten ze hen ter dood.

Van hem waren er, o meester der mensen, drie echtgenotes, dochters van Vidarbha, die alle drie zeer aangenaam en geschikt waren. Zij bang denkend dat hun zoons, niet zo perfekt als hun vader, zouden worden afgewezen, hadden ze ter dood gebracht. (Vedabase)

 

Tekst 35

Aldus gefrustreerd in het voortbrengen van nageslacht voerde hij een marut-stoma offerplechtigheid uit om zonen te verwekken. De Maruts presenteerden hem daarop Bharadvâja.

Aldus gefrustreerd in het voortbrengen van nageslacht voerde hij een marut-stoma offerplechtigheid uit om zonen te verwekken waarop de Maruts hem Bharadvâja presenteerden. (Vedabase)

 

Tekst 36

Brihaspati [de geleerde en priester der halfgoden die zijn vader was] voelde zich [in het verleden] aangetrokken tot zijn broer's zwangere echtgenote en wilde de liefde met haar bedrijven, maar toen de zoon in haar schoot hem verbood daartoe over te gaan, vervloekte hij hem en loosde hij zijn zaad alsnog.

[Het had zich zo voorgedaan dat eens] Met zijn broers zwangere vrouw sex verlangend was het Brihaspati zo toegenegen door de zoon in de schoot verboden zo te werk te gaan, waarop hij hem vervloekt had en zijn zaad niettemin loosde. (Vedabase)

 

Tekst 37

Voor Mamatâ [de moeder], die van het kind af wilde uit angst te worden verstoten door haar echtgenoot [Utathya], werd bij zijn naamgevingsplechtigheid het volgende vers uitgesproken door de godsbewusten:

Jegens Mamatâ [de moeder], die uit angst te worden verstoten voor de illegitieme praktijk van het kind af wilde, werd bij zijn naamgevings-plechtigheid door de godbewusten het volgende vers uitgesproken: (Vedabase)

 

Tekst 38

'O dwaze vrouw, zorg voor dit kind dat twee vaders heeft.' [Waarop zij antwoorde:] 'O Brihaspati, zorg er zelf voor ook al heeft het dan een andere vader!' Omdat beide ouders zich met het uitspreken van deze woorden er van hadden afgekeerd, werd het kind toen Bharadvâja genoemd ['een last voor beiden'].

'O zotte vrouw, zorg er enkel voor hoewel het geboren werd uit een dubbele verbintenis' [en:] 'Hoewel van een illegitieme band, o Brihaspati, zorg er voor!', en zo werd met dit gezegd hebbende het kind Bharadvâja ['een last voor beiden'] genoemd omdat beide ouders er zich van hadden afgekeerd. (Vedabase)

 

Tekst 39

Hoewel ze er door de godsbewusten toe was aangezet het te onderhouden verstootte de moeder het kind toch, omdat ze van mening was dat het met wat er gebeurd was geen levensdoel had. Daarop namen de Maruts het onder hun hoede en schonken het [aan Bharata] toen de dynastie onvervuld bleef.'

Hoewel door de goddelijken ertoe aangezet het te onderhouden verstootte de moeder het kind, met dat wat gebeurd was het als doelloos beschouwend, en werd het verzorgd door de Maruts en gegeven [door hen aan Bharata] toen de dynastie onvervuld bleef. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.

Het eerste schilderij op deze pagina is van
Raja Ravi Varma
en bevindt zich in het Rijksmuseum van Chennai.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties