regelbalk


 

 

Canto 9

Hari Haraye Namah

 

 

Hoofdstuk 20: De Dynastie van Pûru tot aan Bharata

(1) De zoon van Vyâsadeva zei: 'Ik zal de dynastie van Pûru beschrijven waarin u werd geboren o zoon van Bharata; de koningen van die dynastie waren stuk voor stuk geheiligde zielen en menige brahmaanse lijn van afstammelingen kwam eruit voort. (2) Janamejaya was degene die verscheen door Pûru, Pracinvân was zijn zoon en van hem was Pravîra er na wie Manusyu verscheen; het was uit hem dat Cârupada werd geboren. (3) De zoon die uit hem voortkwam was Sudyu die een zoon had genaamd Bahugava uit wie Samyâti ter wereld kwam die een zoon had genaamd Ahamyâti; de gedenkwaardige Raudrâs'va was zijn zoon. (4-5) Met een apsara meisje bekend onder de naam Ghritâcî werden er, gelijk de tien zinnen [van handelen en waarnemen] vanuit de levenskracht van het universele zelf, tien zonen geboren: Riteyu, Kaksheyu, Sthandileyu, Kriteyuka, Jaleyu, Sannateyu, Dharmeyu, Satyeyu, Vrateyu en Vaneyu als de jongste. (6) Van Riteyu verscheen er een zoon genaamd Rantinâva en zijn drie zoons, o heerser der mensen, waren Sumati, Dhruva en Apratiratha. Kanva was Apratiratha's zoon. (7) Van hem was er Medhâtithi van wie er Praskanna en anderen waren die allen tweemaal geboren zielen waren. Van Sumati was er Rebhi wiens zoon de bekende Dushmanta is.

(8-9) Eens ging Dushmanta uit jagen en stuitte hij op de âs'rama van Kanva. Daar aangekomen zag hij een vrouw zitten die straalde in haar eigen schoonheid gelijk de godin van het geluk. Toen hij haar ontwaarde voelde hij zich meteen sterk tot haar aangetrokken, zo een prachtig goddelijke verschijning van een vrouw, en omringd door enkele soldaten, richtte hij zich toen tot die allerbeste van de dames. (10) Opgetogen over haar aanwezigheid viel de vermoeidheid van zijn jachtpartij van hem af en vroeg hij, gedreven door lustige verlangens, met aangename woorden gekscherend: (11) 'Wie ben jij, o dame met je lotusblaadjesogen, wie behoor jij toe, o schoonheid van mijn hart, en wat dacht je hier te komen doen in je eentje in het bos? (12) Het lijkt me toe dat je van koninklijke bloede bent. Wees er zeker van dat ik als nazaat van Pûru, o verpletterende schoonheid, nimmer van een geest ben om van wat dan ook te genieten buiten het dharma om!'

(13) S'rî S'akuntalâ zei: 'Ik, geboren uit Vis'vâmitra, werd helemaal alleen achtergelaten in dit bos door Menakâ [haar moeder]; Kanva die beste heilige, weet er alles van! O mijn held, wat kan ik voor je betekenen? (14) Alsjeblieft kom en ga naast me zitten met je lotusogen, aanvaard mijn bescheiden dienst, eet wat van de nîvârâ ['van een maagd'] rijst die ik je te bieden heb en blijf hier als je dat wilt.'

(15) S'rî Dushmanta gaf ten antwoord: 'Dit o mooie wenkbrauwtjes, is de positie van je geboorte in de familie van Vis'vâmitra waardig; het is inderdaad zo dat de dochters van een koninklijke familie naar hun eigen idee hun echtgenoten uitkiezen [een gandharva huwelijk aangaan].'

(16) Hierop Aum [zie B.G. 17: 24] zeggend, trouwde de koning met S'akuntalâ naar de gandharva regel, overeenkomstig het dharma, doordrongen van wat gepast was naar tijd en plaats. (17) Trefzeker in zijn mannelijkheid [alleen maar voor een kind zich laten gaand] loosde de geheiligde koning zijn zaad in de koningin en keerde hij 's ochtends terug naar zijn eigen plaats. Na de nodige tijd gaf zij toen geboorte aan een zoon. (18) Kanva Muni voerde in het bos de voorgeschreven riten uit voor de zoon die er als kind bekend om stond dat hij een leeuw wist te bedwingen en er mee speelde. (19) Hem, niet te overtreffen in zijn kracht als een deelaspect van de Heer, werd door haar, de beste der vrouwen, meegenomen zich begevend naar haar echtgenoot. (20) Toen de koning hen niet wilde erkennen als zijn echte vrouw en zoon, terwijl ze niets misdaan hadden, kon door al de mensen een luid geluid worden gehoord uit de hemel; het was een niet-belichaamde stem die uitriep: (21) 'Aangezien de moeder als een blaasbalg is voor de zoon van de vader die hem verwekte, hoort de zoon bij de vader; zorg enkel voor uw zoon o Dushmanta en beledig S'akuntalâ niet! (22) Wat S'akuntalâ zei over u als zijnde de verwekker van dit kind is de waarheid; hij die het zaad loosde, o god der mensen, uw goede zelf, is degene die door de zoon moet worden gered van de bestraffing van de [Heer van de] dood.'

(23) Nadat zijn vader was overleden werd de koning opgevolgd door zijn zoon en hij werd een keizer van een grote faam en heerlijkheid die voor een deel de Heer op deze aarde vertegenwoordigde [zie ook B.G. 10: 41]. (24-26) Met het merkteken van de cakra op zijn rechter hand en het teken van de werveling van de lotus op zijn voetzolen, was hij van aanbidding middels een grote eredienst en werd hij bevorderd tot de positie van de belangrijkste heer en meester over alles. Vijfenvijftig paarden gebruikte hij voor de offers aan de monding van de Ganges tot aan de oorsprong waarvoor hij, de oppermachtige, Bhrigu benoemde als de priester. In gepaste volgorde ging hij ook zo te werk aan de oever van de Yamunâ alwaar hij achtenzeventig paarden [de as'vamedha plaat voor-] bond. Door hem, Bharata, de zoon van Dushmanta, werden schatten uitgedeeld in liefdadigheid, werd de offerplechtigheid op een uitgelezen plaats ingesteld en werden aandelen van een badva [13.084] koeien aan de aanwezige brahmanen uitgereikt. (27) De zoon van Dushmanta bracht voor de yajña het verbazingwekkende aantal van drieëndertighonderd paarden bijeen en overtrof [zo], met het realiseren van de weelde der halfgoden en de Allerhoogste Geestelijk Leraar, al de koningen. (28) In het mashnâra offer schonk hij in liefdadigheid veertien lakhs beste zwarte olifanten met de witste slagtanden weg, compleet met gouden sierselen [mashnâra heeft betrekking op de naam van de plaats]. (29) Zoals het voorzeker onmogelijk is om de hemelse planeten met de kracht van je armen naar je toe te trekken is het evenmin mogelijk om de verheven handelingen van Bharata te evenaren, noch zal ook maar één van de menselijke heersers na hem ooit tot een dergelijk iets in staat zijn. (30) Al de barbaarse heersers over mensen gekant tegen de brahmaanse cultuur zoals de Kirâta's [Afrikaners], de noordelijke stammen [de Hunnen], de Yavana's [de vlees-eters], de Paundra's [de wildemannen van Bihar en Bengalen] en de Kanka's [kankana betekent armband], de Khas'â's [de Mongolen] en de S'aka's [vrouwen/mannen] bracht hij ter dood toen hij iedere windrichting veroverde. (31) Met het voorheen zegevieren over de goddelijken hadden alle Asura's die hun toevlucht hadden genomen tot de lagere werelden [Rasâtala] al de vrouwen en dochters van de goddelijken naar de onderwereld afgevoerd, maar hij bracht ze met al hun metgezellen allemaal weer terug naar hun oorspronkelijke verblijfplaatsen. (32) Zevenentwintig duizend jaren lang voorzag hij in alles wat zijn onderdanen verlangden zowel op aarde als in de hemel en zijn orde en gezag heerste in alle richtingen. (33) Hij de keizer, de heerser over alle heersers en plaatsen, onberispelijk met de verworvenheden van de macht, het rijk, de staatsorde en dergelijke, beschouwde op het laatst alles van zijn have en goed als vals en dus hield hij ermee op van ze te genieten. (34) Van hem waren er, o meester der mensen, drie echtgenotes, dochters van Vidarbha, die alle drie zeer aangenaam en geschikt waren. Zij bang denkend dat hun zoons, niet zo perfect als hun vader, zouden worden afgewezen, hadden ze ter dood gebracht. (35) Aldus gefrustreerd in het voortbrengen van nageslacht voerde hij een marut-stoma offerplechtigheid uit om zonen te verwekken waarop de Maruts hem Bharadvâja presenteerden.

(36) Brihaspati [, zo wilde het eens gebeuren,] verlangde ernaar om met zijn broer's zwangere vrouw seks te hebben, maar dat werd hem door de zoon in de schoot verboden daaraan gevolg te geven, waarop hij hem toen vervloekte en zijn zaad niettemin loosde. (37) Voor Mamatâ [de moeder], die uit angst te worden verstoten vanwege die illegitieme praktijk van het kind af wilde, werd bij zijn naamgevingsplechtigheid door de godsbewusten het volgende vers uitgesproken: (38) 'O zotte vrouw, zorg er enkel voor hoewel het geboren werd uit een dubbele verbintenis' [en dus zei zij:] 'Hoewel voortgekomen uit een onwettige verbintenis, o Brihaspati, zorg er voor!', en zo werd met deze woorden uitgesproken het kind Bharadvâja ['een last voor beiden'] genoemd omdat beide ouders er zich van hadden afgekeerd. (39) Hoewel door de godsbewusten ertoe aangezet het te onderhouden verstootte de moeder het kind toch, omdat ze het met dat wat er gebeurd was als doelloos beschouwde. Daarop namen de Maruts het onder hun hoede en schonken het [aan Bharata] toen de dynastie onvervuld bleef.'

   

next

 
 

 Tweede editie, geladen 27 januari 2008.  

 

 

 

 

 

Bronteksten:

De dynastie van Pûru

 

Tekst 1:

De zoon van Vyâsadeva zei: 'Ik zal de dynastie van Pûru beschrijven waarin u werd geboren o zoon van Bharata; de koningen van die dynastie waren stuk voor stuk geheiligde zielen en menige brahmaanse lijn van afstammelingen kwam eruit voort.

S'ukadeva Gosvâmî zei: O Mahârâja Parîkshit, nazaat van Mahârâja Bharata, ik zal nu de dynastie van Pûru beschrijven, waarin u en vele andere heilige koningen zijn verschenen en waaruit vele dynastieën van brâhmana's zijn ontstaan. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Janamejaya was degene die verscheen door Pûru, Pracinvân was zijn zoon en van hem was Pravîra er na wie Manusyu verscheen; het was uit hem dat Cârupada werd geboren.

Koning Janamejaya werd geboren in deze dynastie van Pûru. Janamejaya's zoon heette Pracinvân en diens zoon was Pravîra. Pravîra kreeg Manusyu tot zoon en Manusyu verwekte Cârupada. (Vedabase)

 

Tekst 3:

De zoon die uit hem voortkwam was Sudyu die een zoon had genaamd Bahugava uit wie Samyâti ter wereld kwam die een zoon had genaamd Ahamyâti; de gedenkwaardige Raudrâs'va was zijn zoon.

De zoon van Cârupada was Sudyu en de zoon van Sudyu heette Bahugava. Bahugava's zoon heette Samyâti. Samyâti verwekte een zoon met de naam Ahamyâti, die de vader was van Raudrâs'va. (Vedabase)

 

Tekst 4-5:

Met een apsara meisje bekend onder de naam Ghritâcî werden er, gelijk de tien zinnen [van handelen en waarnemen] vanuit de levenskracht van het universele zelf, tien zonen geboren: Riteyu, Kaksheyu, Sthandileyu, Kriteyuka, Jaleyu, Sannateyu, Dharmeyu, Satyeyu, Vrateyu en Vaneyu als de jongste.

Raudrâs'va had tien zonen, Riteyu, Kaksheyu, Sthandileyu, Kriteyuka, Jaleyu, Sannateyu, Dharmeyu, Satyeyu, Vrateyu en Vaneyu genaamd. Van deze tien zonen was Vaneyu de jongste. Zoals de tien zintuigen, die voortbrengselen van het universele leven zijn, onder leiding van het leven handelen, zo handelden deze tien zonen van Raudrâs'va volledig onder leiding van hun vader. Ze waren allemaal ter wereld gebracht door de Apsara Ghritâcî. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Van Riteyu verscheen er een zoon genaamd Rantinâva en zijn drie zoons, o heerser der mensen, waren Sumati, Dhruva en Apratiratha. Kanva was Apratiratha's zoon.

Riteyu had een zoon met de naam Rantinâva, die op zijn beurt drie zonen had, namelijk Sumati, Dhruva en Apratiratha. Apratiratha had slechts één zoon, Kanva geheten. (Vedabase)

   

Tekst7:

Van hem was er Medhâtithi van wie er Praskanna en anderen waren die allen tweemaal geboren zielen waren. Van Sumati was er Rebhi wiens zoon de bekende Dushmanta is.

De zoon van Kanva heette Medhâtithi en van diens zonen, die allemaal brâhmana's waren, was Praskanna de belangrijkste. De zoon van Rantinâva met de naam Sumati kreeg een zoon die Rebhi heette. Mahârâja Dushmanta staat alom bekend als de zoon van Rebhi. (Vedabase)

   

Tekst 8-9

Eens ging Dushmanta uit jagen en stuitte hij op de âs'rama van Kanva. Daar aangekomen zag hij een vrouw zitten die straalde in haar eigen schoonheid gelijk de godin van het geluk. Toen hij haar ontwaarde voelde hij zich meteen sterk tot haar aangetrokken, zo een prachtig goddelijke verschijning van een vrouw, en omringd door enkele soldaten, richtte hij zich toen tot die allerbeste van de dames.

Op een dag, toen koning Dushmanta aan het jagen was in het woud en erg vermoeid was geraakt, kwam hij bij de woonplaats van Kanva Muni. Daar zag hij een bijzonder mooie vrouw die sprekend op de godin van het geluk leek en die, terwijl ze daar zo zat, door haar uitstraling de hele âs'rama verlichtte. De koning voelde zich meteen tot haar schoonheid aangetrokken, en vergezeld van een paar soldaten benaderde hij haar en sprak haar aan. (Vedabase)

  

Tekst 10

Opgetogen over haar aanwezigheid viel de vermoeidheid van zijn jachtpartij van hem af en vroeg hij, gedreven door lustige verlangens, met aangename woorden gekscherend:

Toen de koning de mooie vrouw zag, leefde hij helemaal op en viel alle vermoeidheid van het jagen van hem af. Uiteraard voelde hij zich zeer tot haar aangetrokken door zijn wellustige verlangens en stelde haar daarom schertsenderwijs de volgende vragen. (Vedabase)

 

Tekst 11

'Wie ben jij, o dame met je lotusblaadjesogen, wie behoor jij toe, o schoonheid van mijn hart, en wat dacht je hier te komen doen in je eentje in het bos?

O mooie lotus-ogige vrouw, wie ben je? Wiens dochter ben je? Waarom ben je in dit eenzame woud? Wat is de reden van je verblijf hier? (Vedabase)

 

Tekst 12

Het lijkt me toe dat je van koninklijke bloede bent. Wees er zeker van dat ik als nazaat van Pûru, o verpletterende schoonheid, nimmer van een geest ben om van wat dan ook te genieten buiten het dharma om!'

O bijzonder knappe vrouw, het komt me voor dat je de dochter van een kshatriya bent. Omdat ik tot de Pûru-dynastie behoor, probeert mijn geest nooit om op irreligieuze wijze van iets te genieten. (Vedabase)

 

Tekst 13

S'rî S'akuntalâ zei: 'Ik, geboren uit Vis'vâmitra, werd helemaal alleen achtergelaten in dit bos door Menakâ [haar moeder]; Kanva die beste heilige, weet er alles van! O mijn held, wat kan ik voor je betekenen?

S'akuntalâ zei: Ik ben de dochter van Vis'vâmitra. Mijn moeder, Menakâ, heeft me in het woud achtergelaten. O held, de bijzonder machtige heilige Kanva Muni weet hier alles vanaf. Zeg mij nu, hoe kan ik u dienen? (Vedabase)

 

Tekst 14

Alsjeblieft kom en ga naast me zitten met je lotusogen, aanvaard mijn bescheiden dienst, eet wat van de nîvârâ ['van een maagd'] rijst die ik je te bieden heb en blijf hier als je dat wilt.'

O koning met ogen als de kelkblaadjes van een lotus, neem alstublieft plaats en aanvaard de nederige ontvangst die we u kunnen aanbieden. We hebben een voorraad nîvârâ-rijst waar u van kunt nemen. En als u wenst, kunt u hier zondermeer blijven. (Vedabase)

 

Tekst 15

S'rî Dushmanta gaf ten antwoord: 'Dit o mooie wenkbrauwtjes, is de positie van je geboorte in de familie van Vis'vâmitra waardig; het is inderdaad zo dat de dochters van een koninklijke familie naar hun eigen idee hun echtgenoten uitkiezen [een gandharva huwelijk aangaan].'

Koning Dushmanta antwoordde: O S'akuntalâ met je mooie wenkbrauwen, je bent geboren in de familie van de grote wijze Vis'vâmitra en je ontvangst past volkomen bij je afkomst. Afgezien hiervan, zoeken de dochters van een koning over het algemeen hun eigen echtgenoot uit. (Vedabase)

  

Tekst 16:

Hierop Aum [zie B.G. 17: 24] zeggend, trouwde de koning met S'akuntalâ naar de gandharva regel, overeenkomstig het dharma, doordrongen van wat gepast was naar tijd en plaats.

Toen S'akuntalâ stilzwijgend met Mahârâja Dushmanta's voorstel instemde, was het akkoord bereikt. De koning, die de wetten van het huwelijk kende, trouwde toen onmiddellijk met haar door het vedische pranava [omkâra] te chanten, overeenkomstig de huwelijksceremonie van de Gandharva's. (Vedabase)

 

Tekst 17:

Trefzeker in zijn mannelijkheid [alleen maar voor een kind zich laten gaand] loosde de geheiligde koning zijn zaad in de koningin en keerde hij 's ochtends terug naar zijn eigen plaats. Na de nodige tijd gaf zij toen geboorte aan een zoon.

Koning Dushmanta, die zijn zaad nooit vergeefs loosde, stortte dit 's nachts in de schoot van zijn koningin, S'akuntalâ, en keerde de volgende ochtend terug naar zijn paleis. Na verloop van tijd bracht S'akuntalâ een zoon ter wereld. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Kanva Muni voerde in het bos de voorgeschreven riten uit voor de zoon die er als kind bekend om stond dat hij een leeuw wist te bedwingen en er mee speelde.

In het woud verrichtte Kanva Muni alle rituele ceremonieën met betrekking tot het pasgeboren kind. Later werd de jongen zo sterk dat hij een leeuw placht te vangen om ermee te spelen. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Hem, niet te overtreffen in zijn kracht als een deelaspect van de Heer, werd door haar, de beste der vrouwen, meegenomen zich begevend naar haar echtgenoot.

S'akuntalâ, de beste der mooie vrouwen, begaf zich samen met haar zoon, wiens kracht ongeëvenaard was en die een gedeeltelijke expansie van de Allerhoogste God was, naar haar echtgenoot, Dushmanta. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Toen de koning hen niet wilde erkennen als zijn echte vrouw en zoon, terwijl ze niets misdaan hadden, kon door al de mensen een luid geluid worden gehoord uit de hemel; het was een niet-belichaamde stem die uitriep:

Toen de koning weigerde om zijn vrouw en zoon te aanvaarden hoewel ze beiden onberispelijk waren, sprak een onbelichaamde stem als een omen uit de hemel en werd door alle aanwezigen gehoord. (Vedabase)

 

Tekst 21:

'Aangezien de moeder als een blaasbalg is voor de zoon van de vader die hem verwekte, hoort de zoon bij de vader; zorg enkel voor uw zoon o Dushmanta en beledig S'akuntalâ niet!

De stem zei: O Mahârâja Dushmanta, een zoon behoort in feite de vader toe, terwijl de moeder slechts een bewaarplaats is, zoals het vel van een blaasbalg. Volgens de Veda's wordt de vader opnieuw geboren als zijn zoon. Onderhoud daarom uw eigen zoon en beledig S'akuntalâ niet. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Wat S'akuntalâ zei over u als zijnde de verwekker van dit kind is de waarheid; hij die het zaad loosde, o god der mensen, uw goede zelf, is degene die door de zoon moet worden gered van de bestraffing van de [Heer van de] dood.'

O koning Dushmanta, degene die het zaad heeft geloosd is de werkelijke vader en zijn zoon bewaart hem ervoor dat hij door Yamarâja gevangen genomen zal worden. U bent inderdaad degene die dit kind verwekt heeft. S'akuntalâ spreekt zondermeer de waarheid. (Vedabase)

   

Tekst 23:

Nadat zijn vader was overleden werd de koning opgevolgd door zijn zoon en hij werd een keizer van een grote faam en heerlijkheid die voor een deel de Heer op deze aarde vertegenwoordigde [zie ook B.G. 10: 41].

S'ukadeva Gosvâmî zei: Toen Mahârâja Dushmanta overleed, werd zijn zoon keizer van de wereld en eigenaar van de zeven eilanden. Hij wordt beschouwd als een gedeeltelijke manifestatie van de Allerhoogste Godspersoon in deze wereld. (Vedabase)

   

Tekst 24-26

Met het merkteken van de cakra op zijn rechter hand en het teken van de werveling van de lotus op zijn voetzolen, was hij van aanbidding middels een grote eredienst en werd hij bevorderd tot de positie van de belangrijkste heer en meester over alles. Vijfenvijftig paarden gebruikte hij voor de offers aan de monding van de Ganges tot aan de oorsprong waarvoor hij, de oppermachtige, Bhrigu benoemde als de priester. In gepaste volgorde ging hij ook zo te werk aan de oever van de Yamunâ alwaar hij achtenzeventig paarden [de as'vamedha plaat voor-] bond. Door hem, Bharata, de zoon van Dushmanta, werden schatten uitgedeeld in liefdadigheid, werd de offerplechtigheid op een uitgelezen plaats ingesteld en werden aandelen van een badva [13.084] koeien aan de aanwezige brahmanen uitgereikt.

Mahârâja Bharata, de zoon van Dushmanta, had het teken van Heer Krishna's werpschijf op zijn rechter handpalm en het teken van het hart van een lotus op zijn voetzolen. Doordat hij de Allerhoogste Godspersoon met een grootse ceremonie vereerde, werd hij keizer en meester van de hele wereld. Toen verrichtte hij met Mâmateya, Bhrigu Muni, als opperpriester vijfenvijftig paardenoffers aan de oever van de Ganges, beginnend bij de monding van de rivier en eindigend bij de bron ervan, en achtenzeventig paardenoffers aan de oever van de Yamunâ, beginnend bij de samenvloeiing te Prayâga en eveneens eindigend bij de bron. Hij legde het offervuur aan op een uitstekende plaats en schonk een heel fortuin weg aan de brâhmana's. Hij gaf zelfs zoveel koeien weg dat elk van de duizenden brâhmana's een badva [13.084] als zijn aandeel kreeg. (Vedabase)

 

Tekst 27

De zoon van Dushmanta bracht voor de yajña het verbazingwekkende aantal van drieëndertighonderd paarden bijeen en overtrof [zo], met het realiseren van de weelde der halfgoden en de Allerhoogste Geestelijk Leraar, al de koningen.

Bharata, de zoon van Mahârâja Dushmanta, legde drieëndertighonderd paarden vast voor die yajña's en verbaasde daarmee alle andere koningen. Hij overtrof zelfs de halfgoden in rijkdom, want hij bereikte de allerhoogste geestelijk leraar, Hari. (Vedabase)

 

Tekst 28

In het mashnâra offer schonk hij in liefdadigheid veertien lakhs beste zwarte olifanten met de witste slagtanden weg, compleet met gouden sierselen [mashnâra heeft betrekking op de naam van de plaats].

Toen Mahârâja Bharata het Mashnâra-offer verrichtte [of een offer in de plaats die Mashnâra heet], schonk hij veertien lakhs uitstekende olifanten met witte slagtanden en een zwart lijf weg, die geheel overdekt waren met gouden sieraden. (Vedabase)

 

Tekst 29

Zoals het voorzeker onmogelijk is om de hemelse planeten met de kracht van je armen naar je toe te trekken is het evenmin mogelijk om de verheven handelingen van Bharata te evenaren, noch zal ook maar één van de menselijke heersers na hem ooit tot een dergelijk iets in staat zijn.

Zoals niemand de hemelse planeten met louter de kracht van zijn armen kan bereiken [want wie kan de hemelse planeten met zijn handen aanraken?], zo zal ook niemand ooit de wonderbaarlijke activiteiten van Mahârâja Bharata kunnen nadoen. Niemand kon zulke activiteiten in het verleden verrichten, noch zal iemand daar in de toekomst toe in staat zijn. (Vedabase)

 

Tekst 30

Al de barbaarse heersers over mensen gekant tegen de brahmaanse cultuur zoals de Kirâta's [Afrikaners], de noordelijke stammen [de Hunnen], de Yavana's [de vlees-eters], de Paundra's [de wildemannen van Bihar en Bengalen] en de Kanka's [kankana betekent armband], de Khas'â's [de Mongolen] en de S'aka's [vrouwen/mannen] bracht hij ter dood toen hij iedere windrichting veroverde.

Tijdens zijn veldtochten versloeg of doodde Mahârâja Bharata alle Kirâta's, Hûna's, Yavana's, Paundra's, Kanka's, Khas'a's, S'aka's en koningen die tegen de vedische principes van de brahmaanse cultuur gekant waren. (Vedabase)

 

Tekst 31

Met het voorheen zegevieren over de goddelijken hadden alle Asura's die hun toevlucht hadden genomen tot de lagere werelden [Rasâtala] al de vrouwen en dochters van de goddelijken naar de onderwereld afgevoerd, maar hij bracht ze met al hun metgezellen allemaal weer terug naar hun oorspronkelijke verblijfplaatsen.

Vroeger hadden de demonen, nadat ze de halfgoden hadden verslagen, allemaal hun toevlucht genomen tot het lagere planetenstelsel Rasâtala en hadden daar ook alle vrouwen en dochters van de halfgoden naartoe gebracht. Mahârâja Bharata redde al deze vrouwen en hun metgezellinnen echter uit de greep van de demonen en gaf ze terug aan de halfgoden. (Vedabase)

 

Tekst 32

Zevenentwintig duizend jaren lang voorzag hij in alles wat zijn onderdanen verlangden zowel op aarde als in de hemel en zijn orde en gezag heerste in alle richtingen.

Mahârâja Bharata zorgde er zevenentwintigduizend jaar lang voor dat het zijn onderdanen aan niets ontbrak, zowel op deze aarde als op de hemelse planeten. Hij maakte zijn orders overal ter wereld bekend en stuurde zijn soldaten alle richtingen op. (Vedabase)

 

Tekst 33

Hij de keizer, de heerser over alle heersers en plaatsen, onberispelijk met de verworvenheden van de macht, het rijk, de staatsorde en dergelijke, beschouwde op het laatst alles van zijn have en goed als vals en dus hield hij ermee op van ze te genieten.

Als vorst van het hele universum beschikte keizer Bharata over de rijkdom van een groot koninkrijk en onoverwinnelijke soldaten. Zijn zonen en familie had hij als zijn hele leven beschouwd. Tenslotte zag hij dit alles echter als een struikelblok voor het maken van geestelijke vooruitgang en gaf het plezier ervan daarom op. (Vedabase)

 

Tekst 34

Van hem waren er, o meester der mensen, drie echtgenotes, dochters van Vidarbha, die alle drie zeer aangenaam en geschikt waren. Zij bang denkend dat hun zoons, niet zo perfect als hun vader, zouden worden afgewezen, hadden ze ter dood gebracht.

O koning Parîkshit, Mahârâja Bharata had drie charmante vrouwen, de dochters van de koning van Vidarbha. Toen deze vrouwen alledrie kinderen ter wereld brachten die niet op de koning leken, waren ze bang dat de koning hen van ontrouw zou beschuldigen en hen zou verwerpen, en daarom doodden ze hun eigen zonen. (Vedabase)

 

Tekst 35

Aldus gefrustreerd in het voortbrengen van nageslacht voerde hij een marut-stoma offerplechtigheid uit om zonen te verwekken waarop de Maruts hem Bharadvâja presenteerden.

Omdat de koning zich aldus gefrustreerd zag in zijn poging om nageslacht te verwekken, verrichtte hij een marut-stoma offer om een zoon te krijgen. Volledig tevredengesteld, schonken de halfgoden die de Maruts genoemd worden hem toen een zoon met de naam Bharadvâja. (Vedabase)

 

Tekst 36

Brihaspati [, zo wilde het eens gebeuren,] verlangde ernaar om met zijn broer's zwangere vrouw seks te hebben, maar dat werd hem door de zoon in de schoot verboden daaraan gevolg te geven, waarop hij hem toen vervloekte en zijn zaad niettemin loosde.

De halfgod met de naam Brihaspati voelde zich aangetrokken tot Mamatâ, de vrouw van zijn broer die op dat moment zwanger was, en wilde seks met haar hebben. De zoon in haar schoot verbood hem dit, maar Brihaspati vervloekte hem en loosde met geweld zijn zaad in Mamatâ's baarmoeder. (Vedabase)

 

Tekst 37

Voor Mamatâ [de moeder], die uit angst te worden verstoten vanwege die illegitieme praktijk van het kind af wilde, werd bij zijn naamgevingsplechtigheid door de godsbewusten het volgende vers uitgesproken:

Mamatâ was erg bang om door haar echtgenoot verlaten te worden vanwege het ter wereld brengen van een onwettige zoon, en daarom overwoog ze om afstand van het kind te doen. De halfgoden losten het probleem echter op door het kind een naam te geven. (Vedabase)

 

Tekst 38

'O zotte vrouw, zorg er enkel voor hoewel het geboren werd uit een dubbele verbintenis' [en dus zei zij:] 'Hoewel voortgekomen uit een onwettige verbintenis, o Brihaspati, zorg er voor!', en zo werd met deze woorden uitgesproken het kind Bharadvâja ['een last voor beiden'] genoemd omdat beide ouders er zich van hadden afgekeerd.

Brihaspati zei tot Mamatâ: "Jij dwaze vrouw, hoewel dit kind verwekt is door het zaad van een andere man dan de echtgenoot, moet je toch voor hem zorgen." Toen Mamatâ dit hoorde, antwoordde ze: "O Brihaspati, zorg jij maar voor hem!" Nadat ze op deze manier gesproken hadden, gingen zowel Brihaspati als Mamatâ weg. Zo kwam het kind aan de naam Bharadvâja. (Vedabase)

 

Tekst 39

Hoewel door de godsbewusten ertoe aangezet het te onderhouden verstootte de moeder het kind toch, omdat ze het met dat wat er gebeurd was als doelloos beschouwde. Daarop namen de Maruts het onder hun hoede en schonken het [aan Bharata] toen de dynastie onvervuld bleef.'

Hoewel Mamatâ door de halfgoden werd aangemoedigd om voor het kind te zorgen, beschouwde ze hem vanwege zijn onwettige geboorte als waardeloos en liet hem daarom achter. Daarop ontfermden de halfgoden die bekendstaan als de Maruts zich over het kind en toen Mahârâja Bharata teleurgesteld was omdat hij geen zoon had, werd dit kind aan hem gegeven. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Raja Ravi Varma en bevindt zich in het Rijksmuseum van Chennai.
Het tweede schilderij is van
Sundarangi devî dâsî.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties