Canto
8
Hoofdstuk 1: De Manu's, de Bestuurders van het Universum
(1) De achtenswaardige koning zei: 'Tot nu toe, o goeroe, heb ik uitgebreid vernomen over de dynastie van Svâyambhuva Manu waarin de grote heersers over het universum van schepping waren; beschrijf voor ons alstublieft ook de andere Manu's [zie ook 3.11: 23-28]. (2) O brahmaan, vertel alstublieft ons, die er zo graag over horen, alles over de, door de geleerden verheerlijkte en beschreven, verschijningen en handelingen van de Allerhoogste Heer gedurende de wisselingen van de manvantara's [de perioden van de Manu's * , zie ook 2.1: 36, 2.3: 9, 2.7: 2, 2.10: 4]. (3) En wat betreft het verleden, het heden en de toekomst, wat is het dat de Allerhoogste Heer, de schepper van dit universum, in een bepaald tijdperk, o brahmaan, dan wel deed, aan het doen is en nog zal doen? [vergelijk B.G. 2: 12 en **]
(4) De grote rishi zei: 'In deze dag van Brahmâ [kalpa] hebben we reeds de zes van Svâyambhuva en andere Manu's gehad. Ik heb de eerste al voor u beschreven alsook het verschijnen van al de goddelijken met hem [zie 2.7: 43-45, 3.12: 54, 4.1 en 4.8: 6]. (5) Uit Âkûti en Devahûti, de twee dochters van [Svâyambhuva] Manu, werden, terwille van het onderrichten van het dharma en de jñâna, de zoons geboren die werden aanvaard als zijnde de Allerhoogste Heer. (6) Voorheen beschreef ik u uitgebreid Kapila [zie Canto 3b], nu zal ik u vertellen wat Yajña[-mûrti of -pati] allemaal heeft gedaan, o beste der Kuru's. (7) De meester van de wereld [Svâyambhuva Manu], de echtgenoot van S'atarûpâ, ging na volledig te hebben afgezien van zijn koninkrijk met zijn vrouw het woud in om zijn tapas te doen [zie: 3.22: 31]. (8) Aan de rivier de Sunandâ volbracht hij honderd jaren lang de meest zware boetedoeningen, waarbij hij op één been staand met de aarde in contact stond [zie ook 4.8: 78-79] terwijl hij het volgende prevelde, o telg van Bhârata.
(9) Heer Manu zei: 'Hij door wie dit hele universum in beweging wordt gebracht wordt Zelf niet bewogen door het universum, Hij die altijd wakker is als men in dit lichaam slaapt, van Hem, Hij die weet, heeft het levend wezen geen weet [zie ook B.G. 18: 55]. (10) Van wat door Hem, de Superziel overal aanwezig, met alles wat leeft en niet leeft in dit en in andere universa, wordt toegewezen mag men genieten; op wat een ander bezit mag men geen inbreuk plegen. (11) Hij wordt niet waargenomen door het levende wezen hoewel Zijn oog altijd ziet, Hij als de oorspronkelijke bron van alle wezens neemt nooit af, Hij is de godheid en de metgezel [zie 6.4: 24] die door iedereen zou moeten worden aanbeden. (12) Ook is er van Hem geen begin, een einde noch een midden, Hij behoort nergens toe en is van niemand, Hij is de binnenkant noch [enkel] de buitenkant van de kosmische schepping; al deze inzichten over Zijn gedaante en over Hem als de oorzaak van het gehele universum vormen tezamen de Grootste Waarheid [zie ook 2.1: 24]. (13) Dat volledige van het universum bekend onder zo vele namen [als purusha en virâth rûpa] is de Allerhoogste Beheerser, de Uiteindelijke Waarheid van Hem persoonlijk, zelf-verlicht, zonder een begin en de oudste; Hij brengt door Zijn uitwendige energie geboorte, dood en handhaving teweeg, door het vermogen van Zijn Zelf en Geest blijft Hij afzijdig, inactief en onberoerd [vergelijk 1.7: 23]. (14) Het is daarom dat al de geheiligde mensen, met de bedoeling van karma bevrijd te raken, aanvankelijk van vruchtdragende bezigheden zijn [karma yoga], daar een persoon aldus tewerkgaand zo goed als altijd de bevrijding bereikt [zie ook 1.5: 12, 1.2: 13 en B.G. 3: 9, 6: 3, 3: 6]. (15) Vanwege Zijn eigen volkomenheid innerlijk geheel voldaan, raakt de Allerhoogste Heer, de Beheerser, met wat Hij ook doet nimmer verstrikt ermee en daarom raken personen die Hem volgen ook nimmer ontmoedigd. (16) Tot Hem die onzelfzuchtig handelt ter wille van ons heil, die volkomen in de kennis is, die het niet verlangt te genieten, die geheel vervuld is en zich niet door anderen laat leiden, tot Hem die er is om de hele mensheid te onderrichten en Zijn weg te tonen, tot die meester van alle beginselen en plichten bid ik dat een ieder zich moge overgeven.'
(17) S'rî S'uka zei: 'Met filosofische mantra's aldus gepreveld concentreerde zich de geest, maar de Asura's die daarvan getuige waren jaagden hun voorkeur na in hun verlangend daarmee te zwelgen. (18) Toen Yajña [Vishnu], de Heer in ieders hart, hen aldus overtuigd zag, bestuurde de Allerhoogste Persoonlijkheid, na ze gedood te hebben, met de Yâma's [de gezworenen, Zijn zoons] en omringd door de goddelijken de hemelse werelden.
(19) Svârocisha werd daarna de tweede Manu, de zoon van Agni, en van hem waren er ook de zoons met voorop Dyumat, Sushena en Rocishmat. (20) In die periode werd, allen tezamen trouw aan de Absolute Waarheid, Rocana de hemelkoning [de Indra] en waren Tushita en nog anderen er als de goddelijken, terwijl Ûrja, Stambha en anderen de zeven heiligen waren. (21) Van de heilige Vedas'irâ, die de vrouw Tushitâ bezwangerde, werd de Heer geboren die men bij naam kende als zijnde Vibhu. (22) Achtentachtigduizend heilige personen verankerd in de gelofte ontvingen initiatie en instructie van Hem die een celibataire brahmacârî bleef.
(23) De derde die de Manu werd droeg de naam Uttama, hij was een zoon van Priyavrata [zie 5.1], en van hem waren er de zoons genaamd Pavana, Sriñjaya, Yajñahotra en anderen. (24) De zeven wijzen waren de zonen van Vasishthha met Pramada aan het hoofd, zij die tot Satya, Vedas'ruta en Bhadra behoorden waren de goddelijken en Satyajit was de Indra. (25) Van de halfgod Dharma werd uit de schoot van Sûnritâ, de Allerhoogste Heer, de Persoonlijkheid van God gevierd als Satyasena geboren, verschijnend tezamen met de Satyavrata's. (26) Hij samen met zijn vriend Satyajit doodde al de yaksha en râkshasa gezworen leugenaars en kwade geesten van wangedrag die steeds de levende wezens belagen.
(27) De vierde Manu daarop was de broer van Uttama bekend onder de naam Tâmasa, en alzo waren er zijn tien zoons met voorop Prithu, Khyâti, Nara en Ketu. (28) De Satyaka's, de Hari's en de Vîra's waren de goddelijken, Tris'ikha was de hemelkoning en de zeven wijzen tijdens de heerschappij van Tâmasa waren zij die werden aangevoerd door Jyotirdhâma. (29) De goddelijken genaamd de Vaidhriti's waren de zoons, o Koning, die op eigen kracht erin slaagden de Veda's te beschermen die in de loop der tijd verloren waren gegaan. (30) In die periode verscheen de Allerhoogste Heer verwekt door Harimedhâ in de schoot van Harinî en Hij werd Hari genoemd; door Hem werd Gajendra, de koning der olifanten, bevrijd uit de bek van een krokodil.'
(31) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'O zoon van Vyâsa, dit is wat we graag van u zouden horen: op welke manier verloste de Heer de koning der olifanten die werd aangevallen door een krokodil? (32) Wanneer en waar er ook maar de vertellingen zijn waarin men Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, Uttamas'loka [de Heer Geprezen in de Verzen] verheerlijkt, vindt men grote vroomheid, geluk, voorspoed en al het goede'."
(33) S'rî Sûta zei: "De zoon van Vyâsa, aldus aangespoord door de woorden van Parîkchit, de zoon van Arjuna die zijn ophanden zijnde dood afwachtte, o beste brahmanen, sprak, na hem te hebben gecomplimenteerd, met groot genoegen in de bijeenkomst van de wijzen die er inderdaad reikhalzend naar uitzagen het van hem te vernemen."
Bronteksten:
De Manu's, bestuurders van het universum
De achtenswaardige koning zei: 'Tot nu toe, o goeroe, heb ik uitgebreid vernomen over de dynastie van Svâyambhuva Manu waarin de grote heersers over het universum van schepping waren; beschrijf voor ons alstublieft ook de andere Manu's [zie ook 3.11: 23-28].Koning Parîkshit zei: O heer, o mijn geestelijk leraar, U heeft me nu een volledig verslag over de dynastie van Svâyambhuva Manu gegeven. Maar er zijn nog andere Manu's, en ik wil ook graag iets over hun dynastieën horen. Wees alstublieft zo goed die ook voor ons te beschrijven. (Vedabase)
O brahmaan, vertel alstublieft ons, die er zo graag over horen, alles over de, door de geleerden verheerlijkte en beschreven, verschijningen en handelingen van de Allerhoogste Heer gedurende de wisselingen van de manvantara's [de perioden van de Manu's * , zie ook 2.1: 36, 2.3: 9, 2.7: 2, 2.10: 4].
O geleerde brâhmana, S'ukadeva Gosvâmî, de grote geleerden wier intelligentie volmaakt is, hebben een beschrijving gegeven van de activiteiten en het verschijnen van de Allerhoogste Godspersoon tijdens de verschillende manvantara's. We zijn er zeer op gebrand om daar iets over te horen. Wees zo vriendelijk om ons erover te vertellen. (Vedabase)
En wat betreft het verleden, het heden en de toekomst, wat is het dat de Allerhoogste Heer, de schepper van dit universum, in een bepaald tijdperk, o brahmaan, dan wel deed, aan het doen is en nog zal doen? [vergelijk B.G. 2: 12 en **]
O geleerde brâhmana, beschrijf ons alstublieft welke activiteiten de Allerhoogste Godspersoon, die deze kosmische openbaring heeft geschapen, in de afgelopen manvantara's heeft verricht, welke activiteiten Hij op dit moment verricht, en de activiteiten die Hij in de komende manvantara's zal verrichten. (Vedabase)
De grote rishi zei: 'In deze dag van Brahmâ [kalpa] hebben we reeds de zes van Svâyambhuva en andere Manu's gehad. Ik heb de eerste al voor u beschreven alsook het verschijnen van al de goddelijken met hem [zie 2.7: 43-45, 3.12: 54, 4.1 en 4.8: 6].
S'ukadeva Gosvâmî zei: In het huidige tijdperk zijn er al zes Manu's geweest. Ik heb u Svâyambhuva Manu en het verschijnen van veel halfgoden al beschreven. In dit kalpa van Brahmâ is Svâyambhuva de eerste Manu. (Vedabase)
Uit Âkûti en Devahûti, de twee dochters van [Svâyambhuva] Manu, werden, terwille van het onderrichten van het dharma en de jñâna, de zoons geboren die werden aanvaard als zijnde de Allerhoogste Heer.
Svâyambhuva Manu had twee dochters, Âkûti en Devahûti genaamd. De Allerhoogste Godspersoon verscheen als hun zoons, respectievelijk Yajñamûrti en Kapila geheten. Aan deze zoons was de taak toevertrouwd om over religie en kennis te prediken. (Vedabase)
Voorheen beschreef ik u uitgebreid Kapila [zie Canto 3b], nu zal ik u vertellen wat Yajña[-mûrti of -pati] allemaal heeft gedaan, o beste der Kuru's.
O beste der Kuru's, ik heb de activiteiten van Kapila, de zoon van Devahûti, al beschreven [in het derde canto]. Nu zal ik het hebben over Yajñapati, de zoon van Âkûti. (Vedabase)
De meester van de wereld [Svâyambhuva Manu], de echtgenoot van S'atarûpâ, ging na volledig te hebben afgezien van zijn koninkrijk met zijn vrouw het woud in om zijn tapas te doen [zie: 3.22: 31].
Svâyambhuva Manu, de echtgenoot van S'atarûpâ, was van nature geheel niet aan zinsbevrediging gehecht. Daarom gaf hij zijn koninkrijk met al het daarbij behorende zingenot op en ging samen met zijn vrouw het woud in om ascese te beoefenen. (Vedabase)
Aan de rivier de Sunandâ volbracht hij honderd jaren lang de meest zware boetedoeningen, waarbij hij op één been staand met de aarde in contact stond [zie ook 4.8: 78-79] terwijl hij het volgende prevelde, o telg van Bhârata.
O telg van Bharata, nadat Svâyambhuva Manu met zijn vrouw het woud was ingegaan, ging hij op één been aan de oever van de rivier de Sunandâ staan, en op die manier, met slechts één been op de grond, beoefende hij honderd jaar lang strenge ascese. In deze houding sprak hij de volgende woorden. (Vedabase)
Heer Manu zei: 'Hij door wie dit hele universum in beweging wordt gebracht wordt Zelf niet bewogen door het universum, Hij die altijd wakker is als men in dit lichaam slaapt, van Hem, Hij die weet, heeft het levend wezen geen weet [zie ook B.G. 18: 55].
Heer Manu zei: Het Allerhoogste Wezen heeft deze materiële wereld geschapen en tot leven gebracht, maar Hij is Zelf geen schepping van deze wereld. Wanneer alles in diepe rust is, blijft het Allerhoogste Wezen wakker als getuige. Het levend wezen kent Hem niet, maar Hij weet alles. (Vedabase)
Van wat door Hem, de Superziel overal aanwezig, met alles wat leeft en niet leeft in dit en in andere universa, wordt toegewezen mag men genieten; op wat een ander bezit mag men geen inbreuk plegen.
De Allerhoogste Godspersoon is in Zijn aspect als Superziel overal in dit universum aanwezig, waar er ook maar bewegende en niet-bewegende wezens zijn. Daarom moet men alleen nemen wat men toegewezen krijgt; men mag geen inbreuk willen maken op het eigendom van anderen. (Vedabase)
Hij wordt niet waargenomen door het levende wezen hoewel Zijn oog altijd ziet, Hij als de oorspronkelijke bron van alle wezens neemt nooit af, Hij is de godheid en de metgezel [zie 6.4: 24] die door iedereen zou moeten worden aanbeden.
Hoewel de Allerhoogste Godspersoon alles wat zich in de wereld afspeelt voortdurend in de gaten houdt, ziet niemand Hem. Men moet echter niet denken dat omdat niemand Hem ziet, Hij ook niets zou zien, want Zijn vermogen om te zien vermindert nooit. Daarom moet iedereen de Superziel vereren, die de individuele ziel altijd als vriend vergezelt. (Vedabase)
Ook is er van Hem geen begin, een einde noch een midden, Hij behoort nergens toe en is van niemand, Hij is de binnenkant noch [enkel] de buitenkant van de kosmische schepping; al deze inzichten over Zijn gedaante en over Hem als de oorzaak van het gehele universum vormen tezamen de Grootste Waarheid [zie ook 2.1: 24].
De Allerhoogste Godspersoon heeft geen begin, geen einde, en geen midden. Hij behoort niet tot een bepaald persoon of een bepaald land. Hij heeft geen binnenste en geen buitenste. De dualiteiten die men in deze materiële wereld aantreft, zoals begin en einde, mijn en dijn, zijn in de persoonlijkheid van de Allerhoogste Heer allemaal afwezig. Het universum, dat uit Hem voortkomt, is maar één aspect van de Heer. Daarom is de Allerhoogste Heer de uiteindelijke waarheid, en is Hij volmaakt in Zijn goedheid. (Vedabase)
Dat volledige van het universum bekend onder zo vele namen [als purusha en virâth rûpa] is de Allerhoogste Beheerser, de Uiteindelijke Waarheid van Hem persoonlijk, zelf-verlicht, zonder een begin en de oudste; Hij brengt door Zijn uitwendige energie geboorte, dood en handhaving teweeg, door het vermogen van Zijn Zelf en Geest blijft Hij afzijdig, inactief en onberoerd [vergelijk 1.7: 23].
De kosmische openbaring in zijn geheel is het lichaam van de Allerhoogste Godspersoon, de Absolute Waarheid, die miljoenen namen en onbegrensde vermogens heeft. Hij is zelf-stralend, ongeboren en onveranderlijk. Hij is het begin van alles, maar Zelf heeft Hij geen begin. Omdat Hij deze kosmische openbaring met Zijn uitwendige energie heeft geschapen, lijkt het alsof het universum door Hem geschapen, instandgehouden en vernietigd wordt. Maar toch blijft Hij inactief in Zijn geestelijke energie en wordt Hij nooit aangetast door de werking van de materiële energie. (Vedabase)
Het is daarom dat al de geheiligde mensen, met de bedoeling van karma bevrijd te raken, aanvankelijk van vruchtdragende bezigheden zijn [karma yoga], daar een persoon aldus tewerkgaand zo goed als altijd de bevrijding bereikt [zie ook 1.5: 12, 1.2: 13 en B.G. 3: 9, 6: 3, 3: 6].
Teneinde hen in staat te stellen om tot het niveau van activiteiten zonder enige reactie te komen, laten grote heiligen de mensen zich eerst bezighouden met baatzuchtige activiteiten, want als men niet begint met de activiteiten die de s'âstra's aanbevelen, kan men nooit bevrijding bereiken, wat het niveau is waarop activiteiten geen reactie teweegbrengen. (Vedabase)
Vanwege Zijn eigen volkomenheid innerlijk geheel voldaan, raakt de Allerhoogste Heer, de Beheerser, met wat Hij ook doet nimmer verstrikt ermee en daarom raken personen die Hem volgen ook nimmer ontmoedigd.
De Allerhoogste Godspersoon is in het rijke bezit van alle volheden en heeft voor Zichzelf niets nodig, maar toch treedt Hij op als schepper, instandhouder en vernietiger van deze materiële wereld. Ondanks al deze activiteiten raakt Hij nooit verstrikt. Toegewijden die in Zijn voetspoor treden, raken daarom evenmin verstrikt. (Vedabase)
Tot Hem die onzelfzuchtig handelt ter wille van ons heil, die volkomen in de kennis is, die het niet verlangt te genieten, die geheel vervuld is en zich niet door anderen laat leiden, tot Hem die er is om de hele mensheid te onderrichten en Zijn weg te tonen, tot die meester van alle beginselen en plichten bid ik dat een ieder zich moge overgeven.'
De Allerhoogste Godspersoon, Krishna, handelt net als een gewoon mens, maar Hij verlangt er niet naar om de vruchten van Zijn werk te plukken. Hij bezit volmaakte kennis, Hij is vrij van materiële verlangens en gehechtheden en volkomen onafhankelijk. Als de allerhoogste leraar van de mensheid onderwijst Hij Zijn manier van handelen en stelt op die manier het ware pad van religie open. Ik verzoek iedereen om Hem te volgen. (Vedabase)Tekst 17:
S'rî S'uka zei: 'Met filosofische mantra's aldus gepreveld concentreerde zich de geest, maar de Asura's die daarvan getuige waren jaagden hun voorkeur na in hun verlangend daarmee te zwelgen.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Zo stond Svâyambhuva Manu daar in trance en chantte de vedische mantra's die bekend staan als de Upanishad's. Maar de Râkshasa's en asura's zagen hem en wilden hem verslinden om hun honger te stillen. Daarom renden ze met grote snelheid op hem af. (Vedabase)
Toen Yajña [Vishnu], de Heer in ieders hart, hen aldus overtuigd zag, bestuurde de Allerhoogste Persoonlijkheid, na ze gedood te hebben, met de Yâma's [de gezworenen, Zijn zoons] en omringd door de goddelijken de hemelse werelden.
De Allerhoogste Heer, Vishnu, die in ieders hart zetelt, verscheen als Yajñapati en zag dat de Râkshasa's en de demonen op het punt stonden om Svâyambhuva Manu te verslinden. Omringd door Zijn zoons, de Yâma's, en de andere halfgoden, doodde Hij daarom alle demonen en Râkshasa's. Vervolgens nam Hij de positie van Indra in en regeerde het hemelrijk. (Vedabase)
Svârocisha werd daarna de tweede Manu, de zoon van Agni, en van hem waren er ook de zoons met voorop Dyumat, Sushena en Rocishmat.
Svârocisha, de zoon van Agni, werd de tweede Manu. Hij had verschillende zonen van wie Dyumat, Sushena en Rocishmat de belangrijkste waren. (Vedabase)
In die periode werd, allen tezamen trouw aan de Absolute Waarheid, Rocana de hemelkoning [de Indra] en waren Tushita en nog anderen er als de goddelijken, terwijl Ûrja, Stambha en anderen de zeven heiligen waren.
Tijdens de heerschappij van Svârocisha werd het ambt van Indra overgenomen door Rocana, de zoon van Yajña. Tushita en een aantal anderen werden de voornaamste halfgoden en Ûrja, Stambha en anderen werden de zeven heiligen. Het waren allemaal trouwe toegewijden van de Heer. (Vedabase)
Van de heilige Vedas'irâ, die de vrouw Tushitâ bezwangerde, werd de Heer geboren die men bij naam kende als zijnde Vibhu.
Vedas'irâ was een heel beroemde rishi. Uit de schoot van zijn vrouw, die de naam Tushitâ droeg, werd de avatâra Vibhu geboren. (Vedabase)
Achtentachtigduizend heilige personen verankerd in de gelofte ontvingen initiatie en instructie van Hem die een celibataire brahmacârî bleef.
Vibhu bleef een brahmacârî en trouwde zijn hele leven niet. Achtentachtigduizend andere heiligen ontvingen van hem onderricht over zelfbeheersing, ascese en dergelijke onderwerpen. (Vedabase)
De derde die de Manu werd droeg de naam Uttama, hij was een zoon van Priyavrata [zie 5.1], en van hem waren er de zoons genaamd Pavana, Sriñjaya, Yajñahotra en anderen.
O Koning, de derde Manu, Uttama, was de zoon van koning Priyavrata. Onder de zoons van deze Manu bevonden zich Pavana, Sriñjaya en Yajñahotra. (Vedabase)
De zeven wijzen waren de zonen van Vasishthha met Pramada aan het hoofd, zij die tot Satya, Vedas'ruta en Bhadra behoorden waren de goddelijken en Satyajit was de Indra.
Tijdens het bewind van de derde Manu werden Pramada en andere zoons van Vasishthha de zeven wijzen. De Satya's, Vedas'ruta's en Bhadra's werden halfgoden en Satyajit werd uitverkoren om Indra, de hemelkoning, te zijn. (Vedabase)
Van de halfgod Dharma werd uit de schoot van Sûnritâ, de Allerhoogste Heer, de Persoonlijkheid van God gevierd als Satyasena geboren, verschijnend tezamen met de Satyavrata's.
In dit manvantara verscheen de Allerhoogste Godspersoon als de zoon van Sûnritâ, die de vrouw van Dharma was, de halfgod die verantwoordelijk is voor de religie. De Heer was beroemd onder de naam Satyasena en Hij verscheen samen met andere halfgoden, de Satyavrata's geheten. (Vedabase)
Hij samen met zijn vriend Satyajit doodde al de yaksha en râkshasa gezworen leugenaars en kwade geesten van wangedrag die steeds de levende wezens belagen.
Satyasena doodde samen met Zijn vriend Satyajit, die de hemelkoning Indra was, alle leugenachtige, zondige en zich misdragende Yaksha's, Râkshasa's en spookachtige wezens, die andere levende wezens pijn bezorgden. (Vedabase)
De vierde Manu daarop was de broer van Uttama bekend onder de naam Tâmasa, en alzo waren er zijn tien zoons met voorop Prithu, Khyâti, Nara en Ketu.
De broer van de derde Manu, Uttama stond bekend onder de naam Tâmasa, en hij werd de vierde Manu. Tâmasa had tien zoons, waarvan Prithu, Khyâti, Nara en Ketu de voornaamsten waren. (Vedabase)
De Satyaka's, de Hari's en de Vîra's waren de goddelijken, Tris'ikha was de hemelkoning en de zeven wijzen tijdens de heerschappij van Tâmasa waren zij die werden aangevoerd door Jyotirdhâma.
Tijdens de heerschappij van Tâmasa Manu bevonden zich Satyaka's, Hari's en Vîra's onder de halfgoden. De hemelkoning, Indra, was Tris'ikha. Jyotirdhâma stond aan het hoofd van de wijzen in saptarshi-dhâma. (Vedabase)
De goddelijken genaamd de Vaidhriti's waren de zoons, o Koning, die op eigen kracht erin slaagden de Veda's te beschermen die in de loop der tijd verloren waren gegaan.
O Koning, in het Tâmasa-manvantara werden de zoons van Vidhriti, die bekendstonden als de Vaidhriti's, ook halfgoden. Deze halfgoden beschermden op eigen kracht het gezag van de Veda's, dat in de loop der tijd verloren was gegaan. (Vedabase)
In die periode verscheen de Allerhoogste Heer verwekt door Harimedhâ in de schoot van Harinî en Hij werd Hari genoemd; door Hem werd Gajendra, de koning der olifanten, bevrijd uit de bek van een krokodil.'
In dit manvantara werd de Allerhoogste Heer, Vishnu, ook geboren als de zoon van Harinî, de vrouw van Harimedhâ, en stond bekend als Hari. Hari redde Zijn toegewijde Gajendra, de koning van de olifanten, uit de bek van een krokodil. (Vedabase)
De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'O zoon van Vyâsa, dit is wat we graag van u zouden horen: op welke manier verloste de Heer de koning der olifanten die werd aangevallen door een krokodil?
Koning Parîkshit zei: O Heer, Bâdarâyani, we willen graag tot in de kleinste bijzonderheden van u horen hoe de koning van de olifanten werd aangevallen door een krokodil en toen door Hari werd bevrijd. (Vedabase)
Wanneer en waar er ook maar de vertellingen zijn waarin men Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, Uttamas'loka [de Heer Geprezen in de Verzen] verheerlijkt, vindt men grote vroomheid, geluk, voorspoed en al het goede'."
Elk boek of verhaal waarin de Allerhoogste Godspersoon, Uttamas'loka, beschreven en geroemd wordt is zeker groots, zuiver, roemrijk, heilzaam en volmaakt goed. (Vedabase)
S'rî Sûta zei: "De zoon van Vyâsa, aldus aangespoord door de woorden van Parîkchit, de zoon van Arjuna die zijn ophanden zijnde dood afwachtte, o beste brahmanen, sprak, na hem te hebben gecomplimenteerd, met groot genoegen in de bijeenkomst van de wijzen die er inderdaad reikhalzend naar uitzagen het van hem te vernemen."
S'rî Sûta Gosvâmî zei: O brâhmana's, toen Parîkshit Mahârâja, die op zijn naderende dood wachtte, S'ukadeva Gosvâmî op deze wijze verzocht om te spreken, gaf S'ukadeva Gosvâmî, aangemoedigd door de woorden van de koning, hem blijk van zijn hoogachting en richtte zich met groot plezier tot de verzamelde wijzen, die graag meer van hem wilden horen. (Vedabase)*:Er zijn veertien Manu's gedurende een dag van Brahmâ, en het tijdperk van iedere Manu duurt eenenzeventig yuga's lang. (zie afbeelding) Aldus zijn er duizenden Manu's tijdens het leven van Brahmâ. De zes hier vermeld zijn: Svâyambhuva, Svârocisha, Uttama, Tâmasa, Raivata en Câkshusha. Een manvantara is een periode in de grootorde van één omwenteling van onze zon rondom de kern van ons sterrenselsel [zie de Galactische Orde].
**: Vaak vermeld in deze samenhang is de spreuk: 'nityo nityânâm cetanas cetanânâm'. Zowel de Heer als de levende wezens zijn eeuwig en zintuiglijk.
![]()
Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De collage op deze pagina is van Anand Aadhar.
Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties