regelbalk



 

Canto 8

Mahâmantra 1

 
 

Hoofdstuk 1: De Manu's, de Bestuurders van het Universum

(1) De achtenswaardige koning zei: 'O goeroe, ik heb nu uitgebreid vernomen over de dynastie van Svâyambhuva Manu waarin de grote heersers  van het universum hun bijdrage leverden tot de schepping. Wilt u voor ons alstublieft ook de andere Manu's beschrijven [zie ook 3.11: 23-28]? (2) O brahmaan, de geleerden hebben het over de verschijningen en handelingen van de Allerhoogste, Verheerlijkte Heer tijdens de manvantara's [de perioden van de Manu's *, zie ook 2.1: 36, 2.3: 9, 2.7: 2, 2.10: 4]. Zou u alstublieft voor ons, uw gretige luisteraars, ook over hen willen uitweiden? (3) O brahmaan wat zijn, wat betreft verleden, heden en toekomst, voor ieder tijdperk de activiteiten waar de Allerhoogste Heer, de schepper van dit universum, zich mee bezig hield, zich nu mee bezig houdt en zich nog mee bezig zal houden [vergelijk B.G. 2: 12 en **]?'
 
(4) De grote rishi zei: 'De huidige dag van Brahmâ [kalpa] hebben we reeds zes Manu's gehad: Svâyambhuva en vijf anderen. De periode van de eerstgenoemde beschreef ik al voor u alsook de goddelijke persoonlijkheden die toen verschenen [zie 2.7: 43-45, 3.12: 54, 4.1 en 4.8: 6]. (5) Uit Âkûti en Devahûti, twee dochters van [Svâyambhuva] Manu, werden zoons geboren [Yajña en Kapila] bekend staande als de Allerhoogste Heer om [respectievelijk] dharma en  jñâna [spirituele kennis] te onderrichten. (6) Kapila beschreef ik u al uitvoerig [zie Canto 3b], nu zal ik u vertellen wat Yajña[mûrti of Yajñapati] allemaal heeft gedaan, o beste der Kuru's. (7) De meester van de wereld [Svâyambhuva Manu], de echtgenoot van S'atarûpâ, ging na volledig te hebben afgezien van zijn koninkrijk met zijn vrouw het woud in om zijn tapas te doen [zie 3.22: 31]. (8) Aan de rivier de Sunandâ volbracht hij honderd jaar lang de zwaarste boetedoeningen, waarbij hij op één been in contact met de aarde [zie ook 4.8: 78-79] het volgende prevelde, o telg van Bhârata. 

(9) Heer Manu zei: 'Hij door wie dit hele universum in beweging wordt gebracht, wordt Zelf niet bewogen door het universum. Van Hem die altijd wakker is als men in dit lichaam slaapt, van Hem die weet, heeft het levend wezen zelf geen weet [zie ook B.G. 18: 55]. (10) Men mag genieten van alles wat werd toegewezen door Hem, de Superziel die overal aanwezig is met alles en iedereen in het universum, maar men moet niet de weelde van een ander begeren. (11) Hij wiens oog alles ziet en die door het levende wezen niet wordt waargenomen, Hij die als de oorspronkelijke bron van alle levende wezens geen afname kent, is de godheid en de metgezel [zie 6.4: 24] die iedereen zou moeten aanbidden. (12) Hij kent geen begin, geen einde en geen midden. Niemand is Zijn favoriet noch is hij ook maar iemand vijandig gezind. Hij is niet [enkel] de binnenkant noch [enkel] de buitenkant van de kosmische schepping. Al deze [aspecten] van Hem en het universum dat uit Hem voortkwam vormen tezamen de Allerhoogste Werkelijkheid [Om purnam, zie ook de S'rî Îs'opanishad en 2.1: 24]. (13) Dat samenstel van het universum bekend onder zovele namen [als purusha en virâth rûpa] is de Allerhoogste Meester, de Uiteindelijke Waarheid van Zijn persoon, de ongeboren zelfverlichte ene die de oudste is. Middels Zijn uitwendig vermogen brengt HIj geboorte, dood en handhaving teweeg terwijl hij afzijdig, inactief en onberoerd blijft op basis van Zijn spiritueel vermogen [vergelijk 1.7: 23]. (14) Teneinde bevrijd te raken van karma [baatzuchtige arbeid] verzoeken alle wijzen [de mensen] om over te gaan tot [non-profit, liefdadige, vrijwillige] activiteiten [in karma-yoga]. Als iemand zo bezig is zal hij vrijwel altijd onverschillig worden [over werken met een winstoogmerk, zie ook 1.5: 12, 1.2: 13 en B.G. 3: 9, 6: 3, 3: 6]. (15) Omdat Hij in Zijn eigen volkomenheid innerlijk geheel voldaan is, raakt de Allerhoogste Heer, de Meester [van de yoga], nimmer verstrikt in wat Hij doet en raken daarom personen die Hem volgen ook nooit ontmoedigd. (16) Ik geef me over aan Hem die vrij van zelfzucht handelt ten gunste van ons welzijn, aan Hem die volkomen is in Zijn kennis, Hij die er niet op uit is te genieten, die vervuld is en zich niet laat leiden door anderen. Ik bied die Meester van alle principes en plichten mijn eerbetuigingen die er is om de gehele mensheid te instrueren en Zijn weg te tonen.'

(17) S'rî S'uka zei: 'Toen de Asura's zagen hoe hij [Svayambhuva Manu] met de filosofische mantra's zijn geest concentreerde, jaagden de boze geesten hem na met de bedoeling hem op te eten. (18) Yajña [Vishnu] de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Heer in ieders hart, zag echter wat ze van plan waren en doodde ze. Daarna bestuurde Hij de hemelse werelden omringd door de goden, [genaamd] de Yâma's [de gezworenen, Zijn zoons]. 

(19) Svârocisha, de zoon van Agni, werd de tweede Manu. Uit zijn lendenen werden de zoons aangevoerd door Dyumat, Sushena en Rocishmat geboren. (20) In die periode [van Manu] werd Rocana [de zoon van Yajña] de koning van de hemel [de Indra], Tushita en anderen trouw aan de Absolute Waarheid waren de goden terwijl Ûrja, Stambha en anderen de zeven wijzen waren. (21) Door de heilige Vedas'irâ die zijn vrouw Tushitâ bezwangerde werd de Heer geboren die bekend staat als Vibhu. (22) Van Hem die een celibataire brahmacârî bleef, ontvingen achtentachtigduizend heilige personen verankerd in die gelofte initiatie en instructie.

(23) De derde Manu heette Uttama, hij was een zoon van Priyavrata [zie 5.1] en van hem waren er de zoons genaamd Pavana, Sriñjaya, Yajñahotra en anderen. (24) De zeven wijzen [van zijn tijdperk] waren de zonen van Vasishthha met Pramada voorop. De Satya's, Vedas'ruta's en Bhadra's waren de goden en Satyajit was de Indra. (25) [In deze manvantara] werd uit de schoot van Sûnritâ en de halfgod Dharma, de Allerhoogste Heer, de Persoonlijkheid van God geboren die bekend stond onder de naam Satyasena. Hij verscheen samen met de Satyavrata's. (26) Samen met Zijn vriend Satyajit [als de Indra] doodde Hij al de Yaksha's en Râkshasa's, de gezworen leugenaars en kwade geesten, die met hun wangedrag steeds de levende wezens belaagden. 

(27) De vierde Manu was de broer van Uttama bekend onder de naam Tâmasa. Die verwekte tien zoons met voorop Prithu, Khyâti, Nara en Ketu. (28) De Satyaka's, de Hari's en de Vîra's waren de goden, Tris'ikha was de hemelkoning en de zeven wijzen tijdens de heerschappij van Tâmasa werden aangevoerd door Jyotirdhâma. (29) De [andere] goden heetten de Vaidhriti's. Ze waren de zoons van Vidhriti o Koning, die er in slaagden op eigen kracht de Veda's te beschermen die in de loop van de tijd verloren waren gegaan. (30) In die periode verscheen de Allerhoogste Heer die werd verwekt door Harimedhâ in de schoot van Harinî. Hij werd Hari genoemd. Door Hem werd Gajendra, de koning der olifanten, bevrijd uit de bek van een krokodil [voor de beschrijving van de vijfde en zesde Manu zie hoofdstuk 7.5].' 

(31) De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'O zoon van Vyâsa, we willen graag van u vernemen hoe de Heer de koning der olifanten verloste die werd aangevallen door een krokodil. (32) Daar waar er de vertellingen zijn waarin men Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, Uttamas'loka [de Heer Geprezen in de Verzen] verheerlijkt, treft men grote vroomheid aan, geluk, voorspoed en deugd.' "

(33) S'rî Sûta zei: "Aangespoord door de woorden van Parîkchit die zijn ophanden zijnde dood afwachtte beste brahmanen, sprak de zoon van Vyâsa, na hem te hebben gecomplimenteerd, met groot genoegen tot de wijzen die zich daar verzameld hadden met de wens te luisteren."

 

 

next

 
 
Derde herziene editie, geladen 10 mei, 2012.
 


 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

De achtenswaardige koning zei: 'O goeroe, ik heb nu uitgebreid vernomen over de dynastie van Svâyambhuva Manu waarin de grote heersers  van het universum hun bijdrage leverden tot de schepping. Wilt u voor ons alstublieft ook de andere Manu's beschrijven [zie ook 3.11: 23-28]?
De achtenswaardige koning zei: 'Tot nu toe, o goeroe, heb ik uitgebreid vernomen over de dynastie van Svâyambhuva Manu waarin de grote heersers over het universum van schepping waren; alstublieft beschrijf ons de andere Manu's [zie ook 3.11: 23-28]. (Vedabase)

 

Tekst 2

O brahmaan, de geleerden hebben het over de verschijningen en handelingen van de Allerhoogste, Verheerlijkte Heer tijdens de manvantara's [de perioden van de Manu's *, zie ook 2.1: 36, 2.3: 9, 2.7: 2, 2.10: 4]. Zou u alstublieft voor ons, uw gretige luisteraars, ook over hen willen uitweiden?

O brahmaan, vertel alstublieft ons, die er zo graag over horen, alles over de, door de geleerden verheerlijkte en beschreven, verschijningen en handelingen van de Allerhoogste Heer gedurende de wisselingen van de manvantara's [de perioden van de Manu's * , zie ook 2.1: 36, 2.3:9, 2.7: 2, 2.10: 4]. (Vedabase)

 

Tekst 3

O brahmaan wat zijn, wat betreft verleden, heden en toekomst, voor ieder tijdperk de activiteiten waar de Allerhoogste Heer, de schepper van dit universum, zich mee bezig hield, zich nu mee bezig houdt en zich nog mee bezig zal houden [vergelijk B.G. 2: 12 en **]?'

En wat betreft het verleden, het heden en de toekomst, wat is het dat de Allerhoogste Heer, de schepper van dit universum, in een bepaald tijdperk, o brahmaan, danwel deed, aan het doen is en waarlijk nog zal doen? [vergelijk B.G. 2:12 en **] (Vedabase)

 

Tekst 4

De grote rishi zei: 'De huidige dag van Brahmâ [kalpa] hebben we reeds zes Manu's gehad: Svâyambhuva en vijf anderen. De periode van de eerstgenoemde beschreef ik al voor u alsook de goddelijke persoonlijkheden die toen verschenen [zie 2.7: 43-45, 3.12: 54, 4.1 en 4.8: 6].

De grote rishi zei: 'In deze dag van Brahmâ [kalpa] hebben we reeds de zes van Svâyambhuva en andere Manu's gehad. Ik heb de eerste al voor u beschreven als ook het verschijnen van al de goddelijken met hem [zie 2.7: 43-45, 3.12: 54, 4.1 en 4.8: 6]. (Vedabase)

 

Tekst 5

Uit Âkûti en Devahûti, twee dochters van [Svâyambhuva] Manu, werden zoons geboren [Yajña en Kapila] bekend staande als de Allerhoogste Heer om [respectievelijk] dharma en  jñâna [spirituele kennis] te onderrichten.

Uit Âkûti en Devahûti, de twee dochters van [Svâyambhuva] Manu, werden ter wille van het onderricht in dharma en jnâna de zoons geboren die werden aanvaard als zijnde de Allerhoogste Heer. (Vedabase)

 

Tekst 6

Kapila beschreef ik u al uitvoerig [zie Canto 3b], nu zal ik u vertellen wat Yajña[mûrti of Yajñapati] allemaal heeft gedaan, o beste der Kuru's.

Voorheen beschreef ik u uitgebreid Kapila [zie Canto 3b], nu zal ik u vertellen over alles dat werd gedaan door Yajña[-mûrti of -pati], o beste der Kuru's. (Vedabase)

 

Tekst 7

De meester van de wereld [Svâyambhuva Manu], de echtgenoot van S'atarûpâ, ging na volledig te hebben afgezien van zijn koninkrijk met zijn vrouw het woud in om zijn tapas te doen [zie 3.22: 31].

De meester van de wereld [Svâyambhuva Manu], de echtgenoot van S'atarûpâ, ging na zijn volledig afzien van zijn koninkrijk met zijn vrouw het woud in om zijn tapas te doen [zie: 3.22: 31]. (Vedabase)

 

Tekst 8

Aan de rivier de Sunandâ volbracht hij honderd jaar lang de zwaarste boetedoeningen, waarbij hij op één been in contact met de aarde [zie ook 4.8: 78-79] het volgende prevelde, o telg van Bhârata. 

Aan de rivier de Sunandâ volbracht hij honderd jaren lang de meest zware boetedoeningen, de aarde op het ene been staand beroerend [zie ook 4.8: 78-79] terwijl hij het volgende prevelde, o telg van Bhârata. (Vedabase)

 

Tekst 9

Heer Manu zei: 'Hij door wie dit hele universum in beweging wordt gebracht, wordt Zelf niet bewogen door het universum. Van Hem die altijd wakker is als men in dit lichaam slaapt, van Hem die weet, heeft het levend wezen zelf geen weet [zie ook B.G. 18: 55].

Heer Manu zei: 'Hij door wie dit hele universum in beweging wordt gebracht wordt Zelf niet bewogen door het universum, Hij die altijd wakker is als men in dit lichaam slaapt, van Hem, Hij die weet, heeft het levend wezen geen weet [zie ook B.G. 18.55]. (Vedabase)

 

Tekst 10

Men mag genieten van alles wat werd toegewezen door Hem, de Superziel die overal aanwezig is met alles en iedereen in het universum, maar men moet niet de weelde van een ander begeren. 

Van wat door Hem, de Superziel overal aanwezig, met alles wat leeft en niet leeft in dit en in andere universa, wordt toegewezen mag men genieten; op wat een ander bezit mag men geen inbreuk plegen. (Vedabase)

 

Tekst 11

Hij wiens oog alles ziet en die door het levende wezen niet wordt waargenomen, Hij die als de oorspronkelijke bron van alle levende wezens geen afname kent, is de godheid en de metgezel [zie 6.4: 24] die iedereen zou moeten aanbidden.

Hij wordt niet waargenomen door het levende wezen hoewel Zijn oog altijd ziet, Hij als de oorspronkelijke bron van alle wezens neemt nooit af, Hij is de God en de metgezel [zie 6.4: 24] die door iedereen zou moeten worden aanbeden. (Vedabase)

 

Tekst 12

Hij kent geen begin, geen einde en geen midden. Niemand is Zijn favoriet noch is hij ook maar iemand vijandig gezind. Hij is niet [enkel] de binnenkant noch [enkel] de buitenkant van de kosmische schepping. Al deze [aspecten] van Hem en het universum dat uit Hem voortkwam vormen tezamen de Allerhoogste Werkelijkheid [Om purnam, zie ook de S'rî Îs'opanishad en 2.1: 24].

Ook is er van Hem geen begin, een einde noch een midden, Hij behoort nergens toe en is van niemand, Hij is de binnenkant noch [enkel] de buitenkant van de kosmische schepping; al deze inzichten over Zijn gedaante en over Hem als de oorzaak van het gehele universum vormen tezamen de Grootste Waarheid [zie ook 2.1: 24]. (Vedabase)

 

Tekst 13

Dat samenstel van het universum bekend onder zovele namen [als purusha en virâth rûpa] is de Allerhoogste Meester, de Uiteindelijke Waarheid van Zijn persoon, de ongeboren zelfverlichte ene die de oudste is. Middels Zijn uitwendig vermogen brengt HIj geboorte, dood en handhaving teweeg terwijl hij afzijdig, inactief en onberoerd blijft op basis van Zijn spiritueel vermogen [vergelijk 1.7: 23]. 

Dat volledige van het universum bekend onder zo vele namen [als purusha, virât rûpa] is de Allerhoogste Beheerser, de Uiteindelijke Waarheid van Hem persoonlijk, zelf-verlicht, zonder een begin en de oudste; Hij brengt door Zijn uitwendige energie geboorte, dood en handhaving te weeg, door het vermogen van Zijn Zelf en Geest blijft Hij afzijdig, inaktief en onberoerd [vergelijk 1.7: 23]. (Vedabase)


Tekst 14

Teneinde bevrijd te raken van karma [baatzuchtige arbeid] verzoeken alle wijzen [de mensen] om over te gaan tot [non-profit, liefdadige, vrijwillige] activiteiten [in karma-yoga]. Als iemand zo bezig is zal hij vrijwel altijd onverschillig worden [over werken met een winstoogmerk, zie ook 1.5: 12, 1.2: 13 en B.G. 3: 9, 6: 3, 3: 6]. 

Het is daarom dat al de geheiligde mensen met de bedoeling van karma bevrijd te raken in het begin van vruchtdragende bezigheden zijn [karma yoga], daar een persoon aldus te werk gaand zo goed als altijd de bevrijding bereikt [zie ook 1.5:12, 1.2: 13 en B.G. 3: 9, 6: 3, 3: 6]. (Vedabase)


Tekst 15

Omdat Hij in Zijn eigen volkomenheid innerlijk geheel voldaan is, raakt de Allerhoogste Heer, de Meester [van de yoga], nimmer verstrikt in wat Hij doet en raken daarom personen die Hem volgen ook nooit ontmoedigd.

Vanwege Zijn eigen aanwas voldaan van binnenuit, raakt de Allerhoogste Heer, de Beheerser, al doende waarlijk nimmer verstrikt ermee en derhalve raken personen die Hem volgen nimmer ontmoedigd.(Vedabase)

 

Tekst 16

Ik geef me over aan Hem die vrij van zelfzucht handelt ten gunste van ons welzijn, aan Hem die volkomen is in Zijn kennis, Hij die er niet op uit is te genieten, die vervuld is en zich niet laat leiden door anderen. Ik bied die Meester van alle principes en plichten mijn eerbetuigingen die er is om de gehele mensheid te instrueren en Zijn weg te tonen.'

 Tot Hem die onzelfzuchtig handelt ter wille van ons heil, die volkomen in de kennis is, die niet verlangt te genieten, die vervuld is en niet door anderen wordt geleid, tot Hem die er is om de hele mensheid te onderrichten en Zijn weg te tonen, tot die meester van alle beginselen en plichten bid ik dat een ieder zich moge overgeven.' (Vedabase)

Tekst 17

S'rî S'uka zei: 'Toen de Asura's zagen hoe hij [Svayambhuva Manu] met de filosofische mantra's zijn geest concentreerde, jaagden de boze geesten hem na met de bedoeling hem op te eten.

S'rî S'uka zei: 'De filosofische mantra's aldus gebeden concentreerden de geest, maar de asura's die daarvan getuige waren jaagden ermee verlangend te zwelgen naar hun smaak.  (Vedabase)

 

Tekst 18

Yajña [Vishnu] de Allerhoogste Persoonlijkheid, de Heer in ieders hart, zag echter wat ze van plan waren en doodde ze. Daarna bestuurde Hij de hemelse werelden omringd door de goden, [genaamd] de Yâma's [de gezworenen, Zijn zoons].

Toen Yajña [Vishnu], de Heer in ieders hart, hen aldus overtuigd zag, bestuurde de Allerhoogste Persoonlijkheid na ze gedood te hebben, met de yâma's [de gezworenen, Zijn zoons] en omringd door de goddelijken, de hemelse werelden. (Vedabase)

 

Tekst 19

Svârocisha, de zoon van Agni, werd de tweede Manu. Uit zijn lendenen werden de zoons aangevoerd door Dyumat, Sushena en Rocishmat geboren.

Svârocisha werd daarna de tweede Manu, de zoon van Agni, en van hem waren er ook de zoons met voorop Dyumat, Sushena en Rocishmat. (Vedabase)

 

Tekst 20

In die periode [van Manu] werd Rocana [de zoon van Yajña] de koning van de hemel [de Indra], Tushita en anderen trouw aan de Absolute Waarheid waren de goden terwijl Ûrja, Stambha en anderen de zeven wijzen waren. 

In die periode werd, allen tezamen trouw aan de Absolute Waarheid, Rocana de hemelkoning [de Indra] en waren Tushitâ en nog anderen er als de goddelijken, terwijl Ûrja, Stambha en anderen de zeven heiligen waren. (Vedabase)

 

Tekst 21

Door de heilige Vedas'irâ die zijn vrouw Tushitâ bezwangerde werd de Heer geboren die bekend staat als Vibhu.

Van de heilige Vedas'irâ, die de vrouw Tushitâ bezwangerde, werd de Heer geboren die werd gevierd als zijnde Vibhu. (Vedabase)

 

Tekst 22

Van Hem die een celibataire brahmacârî bleef, ontvingen achtentachtigduizend heilige personen verankerd in die gelofte initiatie en instructie. 

Acht-en-tachtig duizend heilige personen verankerd in de gelofte ontvingen initiatie en instructie van Hem die een celibataire brahmacâri bleef.  (Vedabase)


Tekst 23

De derde Manu heette Uttama, hij was een zoon van Priyavrata [zie 5.1] en van hem waren er de zoons genaamd Pavana, Sriñjaya, Yajñahotra en anderen.

De derde die de Manu werd droeg de naam Uttama, hij was een zoon van Priyavrata [zie 5.1], en van hem waren er de zoons genaamd Sravana, Sriñjaya, Yajñahotra en anderen. (Vedabase)

 

Tekst 24

De zeven wijzen [van zijn tijdperk] waren de zonen van Vasishthha met Pramada voorop. De Satya's, Vedas'ruta's en Bhadra's waren de goden en Satyajit was de Indra.

De zeven wijzen waren de zonen van Vashistha met Pramada aan het hoofd, zij die tot Sathya, Vedas'ruta en Badhra behoorden waren de goddelijken en Satyajit was de Indra.  (Vedabase)

 

Tekst 25

[In deze manvantara] werd uit de schoot van Sûnritâ en de halfgod Dharma, de Allerhoogste Heer, de Persoonlijkheid van God geboren die bekend stond onder de naam Satyasena. Hij verscheen samen met de Satyavrata's. 

Van een halfgod van dharma werd uit de schoot van Sûnritâ, de Allerhoogste Heer, de Persoonlijkheid van God gevierd als Sathyasena geboren, verschijnend tezamen met de Sathyavrata's. (Vedabase)

 

Tekst 26

Samen met Zijn vriend Satyajit [als de Indra] doodde Hij al de Yaksha's en Râkshasa's, de gezworen leugenaars en kwade geesten, die met hun wangedrag steeds de levende wezens belaagden.

Hij samen met zijn vriend Satyajit doodde al de Yaksha en Râkshasa gezworen leugenaars en kwade geesten van wangedrag die altijd de levende wezens belagen. (Vedabase)

 

Tekst 27

De vierde Manu was de broer van Uttama bekend onder de naam Tâmasa. Die verwekte tien zoons met voorop Prithu, Khyâti, Nara en Ketu. 

De vierde Manu daarop was de broer van Uttama bekend onder de naam Tâmasa, en alzo waren er zijn tien zoons met voorop Prithu, Khyâti, Nara en Ketu. (Vedabase)

 

Tekst 28

De Satyaka's, de Hari's en de Vîra's waren de goden, Tris'ikha was de hemelkoning en de zeven wijzen tijdens de heerschappij van Tâmasa werden aangevoerd door Jyotirdhâma.

De Satyaka's, de Hari's en de Vira's waren de goddelijken, Tris'ikha was de hemelse koning en de zeven wijzen tijdens de heerschappij van Tâmasa waren zij die werden aangevoerd door Jyotirdhâma. (Vedabase)

 

Tekst 29

De [andere] goden heetten de Vaidhriti's. Ze waren de zoons van Vidhriti o Koning, die er in slaagden op eigen kracht de Veda's te beschermen die in de loop van de tijd verloren waren gegaan.

De goddelijken genaamd de Vaidhritis waren de zoons, o Koning, die op eigen kracht erin slaagden de Veda's te beschermen die mettertijd waren verloren gegaan. (Vedabase)

 

Tekst 30

In die periode verscheen de Allerhoogste Heer die werd verwekt door Harimedhâ in de schoot van Harinî. Hij werd Hari genoemd. Door Hem werd Gajendra, de koning der olifanten, bevrijd uit de bek van een krokodil [voor de beschrijving van de vijfde en zesde Manu zie hoofdstuk 7.5].'

In die periode verscheen de Allerhoogste Heer verwekt door Harimedhâ in de schoot van Harinî en Hij werd Hari genoemd; door Hem werd Gajendra, de koning der olifanten, bevrijd uit de bek van een krokodil. (Vedabase)

 

Tekst 31

De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'O zoon van Vyâsa, we willen graag van u vernemen hoe de Heer de koning der olifanten verloste die werd aangevallen door een krokodil.

 De achtenswaardige koning [Parîkchit] zei: 'O zoon van Vyâsa, dit is wat we graag van u zouden horen: op welke manier verloste de Heer de koning der olifanten die werd aangevallen door een krokodil? (Vedabase)

 

Tekst 32

Daar waar er de vertellingen zijn waarin men Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, Uttamas'loka [de Heer Geprezen in de Verzen] verheerlijkt, treft men grote vroomheid aan, geluk, voorspoed en deugd.' "

Wanneer en waar er ook maar de vertellingen zijn waarin men Hari, de Allerhoogste Persoonlijkheid, Uttamas'loka [de Heer Geprezen in de Verzen] verheerlijkt, vindt men grote vroomheid, geluk, goedgunstigheid en al het goede'."(Vedabase)

 

Tekst 33

S'rî Sûta zei: "Aangespoord door de woorden van Parîkchit die zijn ophanden zijnde dood afwachtte beste brahmanen, sprak de zoon van Vyâsa, na hem te hebben gecomplimenteerd, met groot genoegen tot de wijzen die zich daar verzameld hadden met de wens te luisteren."

S'rî Suta zei: "De zoon van Vyâsa, aldus aangespoord door de woorden van Parîkchit, de zoon van Arjuna die zijn op handen zijnde dood afwachtte, o beste brahmanen, sprak, na hem te hebben gecomplimenteerd, met groot genoegen in de bijeenkomst van de wijzen die inderdaad er naar uitzagen het van hem te vernemen." (Vedabase)


*: Er zijn veertien Manu's gedurende een dag van Brahmâ, en het tijdperk van iedere Manu duurt eenenzeventig yuga's lang (zie afbeelding). Aldus zijn er duizenden Manu's tijdens het leven van Brahmâ. De zes hier vermeld zijn: Svâyambhuva, Svârocisha, Uttama, Tâmasa, Raivata en Câkshusha. Een manvantara is een periode in de grootorde van één omwenteling van onze zon rondom de kern van ons sterrenselsel [zie de Galactische Orde].

**: Vaak vermeld in deze samenhang is de spreuk: 'nityo nityânâm cetanas cetanânâm'. Zowel de Heer als de levende wezens zijn eeuwig en zintuiglijk.  

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
De collage op deze pagina is van Anand Aadhar tegen de achtergrond van een Brahmâ beeld uit Cambodja,
Siemreap provincie, Phnom Bok, Bakheng stijl, eind 9e- begin 10e eeuw. Musée Guimet, Paris.
Bron.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties