regelbalk


 

Canto 8

Prabhupâda Pranâti

 

 

Hoofdstuk 2: De Nood van de Olifant Gajendra

(1) S'rî S'uka zei: 'Er was een zeer grote berg talloze kilometers hoog, o Koning, die bekend stond als Trikûtha ['drie pieken'] omringd door een oceaan van melk [of plantensap zie 5.20: 18]. (2-3) Met zijn drie toppen in zijn omvang zo breed als hij hoog was, tekende hij als een eiland, weelderig met bomen, klimplanten en struiken en het geluid van watervallen aan alle kanten, zich prachtig af tegen de hemel. Hij was samengesteld uit zilver, ijzer en goud, met aan alle kanten meer pieken vol van kostbaar gesteente en mineralen. (4) Aan zijn voet, die immer groen omspoeld werd door de golven van de zee overal eromheen, was de aarde groen van de smaragd. (5) De vervolmaakten, de aanbiddelijken, de zangers van de hemel, zij die van de kennis waren en de groten van de wereld der slangen, die van de bovennatuurlijke macht, de dansmeisjes en de sportlieden genoten daar in de valleien. (6) De dalen weerklonken van de geluiden der zangers hetgeen de stoere leeuwen jaloers deed brullen om een soortgenoot. (7) De laagten huisvestten grote aantallen van alle denkbare dieren van de jungle en de tuinen onderhouden door de verlichte zielen aldaar waren prachtig opgesierd met alle soorten bomen en tjilpende vogels. (8) In de rivieren en meren vol van kristalhelder water, waren vanaf de van de edelstenen glinsterende zandstranden de schonen der goddelijken aan het baden, waarbij ze met de geur van hun lichamen het water verrijkten. (9-13) In een vallei was er daar van de grote ziel, de machtige persoonlijkheid Varuna, een tuin met de naam Ritumat die als lustoord diende voor de sura dames. Hij was overal ter ere van het goddelijke allerprachtigst aangekleed met bloemen- en vruchten- en mandâra- en pârijâta-, pâthala-, as'oka- en campakabomen. Er waren vruchten te vinden als cûta's, piyâla's, panasa's, mango's, âmrâtaka's, kramuka's en granaatappels alsook kokos- en dadelbomen. Er stonden madhuka's, palmbomen, tamâla's, asana's, arjuna's, arishtha's, udumbara's, plaksha's, banyan's, kims'uka's en sandelhoutbomen. Ook trof men er picumardabloemen, kovidâra vruchten, sarala- en sura-dâru bomen, druiven, suikerriet, bananen, en jambu-, badarî-, akhsa-, abhaya- en âmalakîvruchten aan. (14-19) In die tuin bevond zich een zeer groot meer vol van glanzende gouden lotussen omringd door bilva-, kapittha-, jambîra-, bhallâtaka- en andere bomen en van de grote pracht van de kumuda-, kahlâra-, utpala- en s'atapatrabloemen waren de bijen geheel bedwelmd aan het rondzoemen onder begeleiding van de mooist klinkende vogelzang. Het was drukbevolkt met zwanen en kârandava's, cakrâvaka's, groepjes waterhoenders, koyashthi's en dâtyûha's die allen hun eigen geluiden voortbrachten. Het water, omzoomd door kadamba-, vetasa-, nala-, nîpa- en vañjulakabloemen, bracht, verstoord door de bewegingen van de vissen en de schildpadden, de lotussen in beweging waardoor het stuifmeel dat uit hen viel het oppervlak bedekte. De kunda's, kurubaka's, as'oka's, s'irîsha's, kûthaja's, inguda's, kubjaka's, svarna-yûthî's, nâga's, punnâga's, jâtî's, mallikâ's, s'atapatra's en de mâdhavî-latâ's en jâlakâ's en andere bomen die weelderig groeiden op de oevers, sierden het op in alle seizoenen.

(20) Op een dag zwierf daar op die berg de leider van de olifanten die in het bos leefde, rond in gezelschap van zijn wijfjes, waarmee hij door het dichte struikgewas brak dat vol was van doorns, klimplanten en alle soorten van bomen en planten. (21) Alleen zijn geur al deed de leeuwen en andere roofdieren en bloeddorstige beesten, de andere olifanten, de neushoorns en de grote slangen alsook de witte en zwarte camarî herten, allen in angst op de vlucht slaan. (22) Vanwege zijn genade konden de vossen, de zwijnen, de buffels, stekelvarkens, de gopuccha's en andere herten, de wolven, de apen en andere kleine dieren als konijnen en anderen, zich ongehinderd rondbewegen. (23-24) Hij zwetend, met druipend speeksel en omringd door nectar drinkende bijen, deed, gevolgd door de andere mannetjes- en vrouwtjesolifanten en de jongen in hun midden, daar in de gehele omgeving de aarde schudden. Van een afstand het stof van de lotusbloemen ruikend dat door de bries werd meegevoerd haastte hij, met zijn gezelschap dorstig in zijn visie vertroebeld, zich in de richting van de oever van dat meer. (25) Het heldere frisse water ingaand, zoog hij zich vol met het nectargelijke mengsel van het lotusstuifmeel en viel alle vermoeienis van hem af toen hij er een goed bad in nam. (26) Met het opzuigen van het water met zijn slurf en het dan over zich heen sproeien zette hij ook zijn vrouwen en kinderen er toe aan een bad te nemen. Zo druk bezig sloeg hij, gelijk een bezorgde huisvader die al te zeer gehecht is aan zijn gezin, onder de invloed van de uitwendige energie geen acht op enig mogelijk dreigend gevaar (27) Net als ieder ander die zich maar moet schikken naar de wil van God, viel het lot hem ten deel dat zijn poot, o Koning, daar toen werd gegrepen door een vervaarlijke, kwaaie krokodil [ - van mâyâ], waarop volgend de olifant uit alle macht die in hem was zich verwoed probeerde te bevrijden uit de gevaarlijke positie waarin hij beland was. (28) De wijfjes, ziende hoe hun leider werd aangevallen en gegrepen door dat geweld, zetten het, geïntimideerd onder de dreiging, op een huilen, terwijl de andere olifanten die hem van achteren probeerden te bevrijden ook niet bij machte waren iets uit te richten. (29) Met de olifant en de krokodil die op deze manier vechtend elkaar in en uit het water trokken, verstreek een duizendtal jaren waarin ze beiden in leven bleven, o Koning, hetgeen door de onsterfelijken als hoogst wonderbaarlijk werd gezien. (30) In de tijd die daarop volgde verloor Gajendra, de koning der olifanten, door de uitputting van het jarenlang volgehouden vechten om niet in het water te worden gesleurd [naar elders dus], meer en meer zijn kracht terwijl daarentegen de krokodil die thuis was in het water juist fanatieker, krachtiger en machtiger werd.

(31) Toen hij, Gajendra, in zijn leven, op deze manier bij voorbeschikking op deze vorm van gevaar was gestuit en hij merkte dat hij niet in staat was zichzelf te redden uit een zo hopeloze positie, moest hij er lang over nadenken en kwam hij daarop tot het volgende besluit: (32) 'Als al mijn verwanten er niet toe in staat zijn mij als olifant te bevrijden uit mijn lijden, en ik ook van mijn wijfjes niet kan verwachten dat ze me verlossen uit de knellende greep van de krokodil [der hartstocht], moet zelfs [een stoere olifant als] ik die, zoals het lot dat beschikte werd gegrepen, nu net zo goed als ieder ander mijn toevlucht zoeken bij dat [Allerhoogste van de Heer] wat de bovenzinnelijkheid is en de toevlucht vormt van al de verheven zielen [vergelijk 7.9: 18]. (33) Tegen de zo heel sterke wurgslang van de dood [de tijd, zie B.G. 11: 32] die met zijn angstwekkende kracht je tot in het oneindige najaagt, zal Hij die iemands Beheerser is, hem beschermen die, bang voor de dood, van overgave is; ik zal mijn toevlucht zoeken bij Hem die de feitelijke beschutting is van een ieder en voor wie zelfs de dood zelve op de vlucht slaat.'

 

 

next                            

 

 

 
Tweede editie, geladen 20 augustus 2007.
 

 

 

Bronteksten:

De olifant Gajendra in nood

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'Er was een zeer grote berg talloze kilometers hoog, o Koning, die bekend stond als Trikûtha ['drie pieken'] omringd door een oceaan van melk [of plantensap zie 5.20: 18].

S'ukadeva Gosvâmî zei: Beste koning, er is een hele grote berg die Trikûtha heet. Deze berg is tienduizend yojana's [honderdachtentwintigduizend kilometer] hoog. Omdat hij omgeven wordt door de oceaan van melk is zijn ligging zeer fraai. (Vedabase)

 

Tekst 2-3:

Met zijn drie toppen in zijn omvang zo breed als hij hoog was, tekende hij als een eiland, weelderig met bomen, klimplanten en struiken en het geluid van watervallen aan alle kanten, zich prachtig af tegen de hemel. Hij was samengesteld uit zilver ijzer en goud, met aan alle kanten meer pieken vol van kostbaar gesteente en mineralen.

De lengte en breedte van de berg zijn beide honderdachtentwintigduizend kilometer. Zijn drie voornaamste toppen, die uit ijzer, zilver en goud bestaan, verfraaien de hele omgeving en de hemel. De berg heeft ook nog andere toppen, die vol met juwelen en mineralen zitten en begroeid zijn met mooie bomen, klimplanten en struiken. Het geluid van de watervallen op de berg schept een aangename atmosfeer. Zo verhoogt deze berg de schoonheid van de hele omgeving. (Vedabase)

  

Tekst 4:

Aan zijn voet, die immer groen omspoeld werd door de golven van de zee overal eromheen, was de aarde groen van de smaragd.

De grond aan de voet van de Trikûtha wordt altijd overspoeld door golven melk die smaragden produceren in alle acht de richtingen [noord, zuid, oost, west en de richtingen daartussen]. (Vedabase)

 

Tekst 5:

De vervolmaakten, de aanbiddelijken, de zangers van de hemel, zij die van de kennis waren en de groten van de wereld der slangen, die van de bovennatuurlijke macht, de dansmeisjes en de sportlieden genoten daar in de valleien.

De bewoners van de hogere planeten - de Siddha's, Cârana's, Gandharva's, Vidyâdhara's, slangen, Kinnara's en Apsarâ's - gaan naar deze berg toe om zich te vermaken. Daarom zijn alle grotten van de berg steeds druk bezet door deze hemelse bewoners. (Vedabase)

 

Tekst 6:

De dalen weerklonken van de geluiden der zangers hetgeen de stoere leeuwen jaloers deed brullen om een soortgenoot.

Het gezang van de hemelbewoners in de grotten weergalmt zodanig dat de leeuwen daar, die zeer trots op hun kracht zijn, denken dat het het gebrul van een andere leeuw is. Daarom beginnen ze uit onbedwingbare afgunst luid te brullen. (Vedabase)

 

Tekst 7:

De laagten huisvestten grote aantallen van alle denkbare dieren van de jungle en de tuinen onderhouden door de verlichte zielen aldaar waren prachtig opgesierd met alle soorten bomen en tjilpende vogels.

De valleien aan de voet van de Trikûtha hebben een indrukwekkende populatie van verschillende soorten oerwouddieren, en uit de bomen in de tuinen die door de halfgoden worden onderhouden, klinkt het zoete getjilp van allerlei vogels. (Vedabase)

 

Tekst 8:

In de rivieren en meren vol van kristalhelder water, waren vanaf de van de edelstenen glinsterende zandstranden de schonen der goddelijken aan het baden, waarbij ze met de geur van hun lichamen het water verrijkten.

Er zijn een heleboel meren en rivieren op de Trikûtha, en hun stranden zijn bedekt met edelsteentjes zo groot als zandkorrels. Het water is zo helder als kristal en als de halfgodinnen erin baden, vermengt de heerlijke geur van hun lichaam zich met het water en de wind waardoor de hele atmosfeer verrijkt wordt. (Vedabase)

 

Tekst 9-13:

In een vallei was er daar van de grote ziel, de machtige persoonlijkheid Varuna, een tuin met de naam Ritumat die als lustoord diende voor de sura dames. Hij was overal ter ere van het goddelijke allerprachtigst aangekleed met bloemen- en vruchten- en mandâra- en pârijâta-, pâthala-, as'oka- en campakabomen. Er waren vruchten te vinden als cûta's, piyâla's, panasa's, mango's, âmrâtaka's, kramuka's en granaatappels alsook kokos- en dadelbomen. Er stonden madhuka's, palmbomen, tamâla's, asana's, arjuna's, arishtha's, udumbara's, plaksha's, banyan's, kims'uka's en sandelhoutbomen. Ook trof men er picumardabloemen, kovidâra vruchten, sarala- en sura-dâru bomen, druiven, suikerriet, bananen, en jambu-, badarî-, akhsa-, abhaya- en âmalakîvruchten aan.

In een van de valleien van de Trikûtha lag een tuin die men Ritumat noemde. Deze tuin behoorde toe aan de grote toegewijde Varuna en was een oord van vermaak voor de halfgodinnen. In alle seizoenen groeiden er bloemen en vruchten, zoals mandâra's, pârijâta's, pâtala's, as'oka's, campaka's, cûta's, piyâla's, panasa's, mango's, âmrâtaka's, kramuka's, kokospalmen, dadelpalmen en granaatappels. Er stonden madhuka's, palmbomen, tamâla's, asana's, arjuna's, arishtha's, udumbara's, plaksha's, baniaanbomen, kims'uka's en sandelbomen. Bovendien groeiden er picumarda's, kovidâra's, sarala's, sura-dâru's, druiven, suikerriet, bananen, jambu, badarî's, akhsa's, abhaya's en âmalakî's. (Vedabase)

 

Tekst 14-19

In die tuin bevond zich een zeer groot meer vol van glanzende gouden lotussen omringd door bilva-, kapittha-, jambîra-, bhallâtaka- en andere bomen en van de grote pracht van de kumuda-, kahlâra-, utpala- en s'atapatrabloemen waren de bijen geheel bedwelmd aan het rondzoemen onder begeleiding van de mooist klinkende vogelzang. Het was drukbevolkt met zwanen en kârandava's, cakrâvaka's, groepjes waterhoenders, koyashthi's en dâtyûha's die allen hun eigen geluiden voortbrachten. Het water, omzoomd door kadamba-, vetasa-, nala-, nîpa- en vañjulakabloemen, bracht, verstoord door de bewegingen van de vissen en de schildpadden, de lotussen in beweging waardoor het stuifmeel dat uit hen viel het oppervlak bedekte. De kunda's, kurubaka's, as'oka's, s'irîsha's, kûthaja's, inguda's, kubjaka's, svarna-yûthî's, nâga's, punnâga's, jâtî's, mallikâ's, s'atapatra's en de mâdhavî-latâ's en jâlakâ's en andere bomen die weelderig groeiden op de oevers, sierden het op in alle seizoenen.

In deze tuin lag een heel groot meer vol stralend gouden lotussen en andere bloemen die men kent als kumuda, kahlâra, utpala en s'atapatra, die de magnifieke schoonheid van de berg nog verhoogden. Er stonden ook bilva-, kapittha-, jambîra- en bhallâtaka-bomen. Bedwelmde hommels dronken honing en hun gegons vermengde zich met het getjilp van de vogels, die zeer melodieus zongen. Het meer was vol zwanen, kârandava's, cakrâvaka's, kraanvogels en zwermen waterhoentjes, dâtyûha's, koyashthi's en andere tjilpende vogels. Door het gewoel van de vissen en schildpadden was het water bezaaid met stuifmeel dat uit de lotusbloemen was gevallen. Het meer was omzoomd met kadamba-bloemen, vetasa-bloemen, nala's, nîpa's, vañjulaka's, kunda's, kurubaka's, as'oka's, s'irîsha's, kûthaja's, inguda's, kubjaka's, svarna-yûthî's, nâga's, punnâga's, jâtî's, mallikâ's, s'atapatra's, jâlakâ's en mâdhavî-latâ's. De oevers werden ook nog verfraaid door een overvloed aan verschillende soorten bomen die in alle seizoenen bloemen en vruchten voortbrachten. Zo stond de berg er dus prachtig bij. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Op een dag zwierf daar op die berg de leider van de olifanten die in het bos leefde, rond in gezelschap van zijn wijfjes, waarmee hij door het dichte struikgewas brak dat vol was van doorns, klimplanten en alle soorten van bomen en planten.

De leider van de olifanten die in het woud op de Trikûtha leefde, liep op een van zijn wandelingen met zijn vrouwtjes in de richting van het meer. Hij vernielde onderweg vele planten, klimplanten, struiken en bomen zonder zich ook maar iets aan te trekken van hun scherpe doornen. (Vedabase)

 

Tekst 21:

Alleen zijn geur al deed de leeuwen en andere roofdieren en bloeddorstige beesten, de andere olifanten, de neushoorns en de grote slangen alsook de witte en zwarte camarî herten, allen in angst op de vlucht slaan.

Alle andere olifanten, tijgers en andere wilde dieren zoals leeuwen, neushoorns, grote slangen en zwarte en witte sarabha's sloegen angstig op de vlucht toen ze de geur van de olifant opvingen. Ook de camarî-herten maakten haastig dat ze wegkwamen. (Vedabase)

 

Tekst 22:

Vanwege zijn genade konden de vossen, de zwijnen, de buffels, stekelvarkens, de gopuccha's en andere herten, de wolven, de apen en andere kleine dieren als konijnen en anderen, zich ongehinderd rondbewegen.

Door de genade van deze olifant konden de vossen, wolven, buffels, beren, wilde zwijnen, gopuccha's, stekelvarkens, apen, konijnen, de andere herten en talloze andere kleine dieren elders in het woud in alle rust rondlopen. Ze waren niet bang voor hem. (Vedabase)

 

Tekst 23-24:

Hij zwetend, met druipend speeksel en omringd door nectar drinkende bijen, deed, gevolgd door de andere mannetjes- en vrouwtjesolifanten en de jongen in hun midden, daar in de gehele omgeving de aarde schudden. Van een afstand het stof van de lotusbloemen ruikend dat door de bries werd meegevoerd haastte hij, met zijn gezelschap dorstig in zijn visie vertroebeld, zich in de richting van de oever van dat meer.

Omringd door de andere olifanten van de kudde, waaronder de wijfjes, en gevolgd door de jonge dieren, deed de leider van de olifanten, Gajapati, door het gewicht van zijn lichaam de hele omgeving van de Trikûtha trillen. Hij zweette, sterkedrank druppelde uit zijn bek, en zijn blik was beneveld door bedwelming. Hij werd bediend door honingdrinkende hommels, en van een afstand kon hij het stuifmeel van de lotusbloemen ruiken, dat door de wind vanaf het meer werd aangedragen. Omringd door zijn metgezellen, die geplaagd werden door dorst, kwam hij al spoedig bij de oever van het meer aan. (Vedabase)

  

Tekst 25:

Het heldere frisse water ingaand, zoog hij zich vol met het nectargelijke mengsel van het lotusstuifmeel en viel alle vermoeienis van hem af toen hij er een goed bad in nam.

De koning van de olifanten ging het meer in en nam een uitgebreid bad waardoor al zijn vermoeidheid van hem afviel. Vervolgens dronk hij met behulp van zijn slurf het koude, heldere, nectar-gelijke water dat vermengd was met het stuifmeel van lotusbloemen en waterlelies, en hij hield pas op toen hij volkomen bevredigd was. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Met het opzuigen van het water met zijn slurf en het dan over zich heen sproeien zette hij ook zijn vrouwen en kinderen er toe aan een bad te nemen. Zo druk bezig sloeg hij, gelijk een bezorgde huisvader die al te zeer gehecht is aan zijn gezin, onder de invloed van de uitwendige energie geen acht op enig mogelijk dreigend gevaar

Net als een mens die geen geestelijke kennis bezit en te zeer aan zijn familieleden gehecht is, liet de olifant, begoocheld als hij was door de uitwendige energie van Krishna, zijn vrouwtjes en kinderen baden en water drinken. Hij zoog met zijn slurf zelfs water uit het meer op en spoot dat over ze heen. Dat dit een hele inspanning was, kon hem niet schelen. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Net als ieder ander die zich maar moet schikken naar de wil van God, viel het lot hem ten deel dat zijn poot, o Koning, daar toen werd gegrepen door een vervaarlijke, kwaaie krokodil [ - van mâyâ], waarop volgend de olifant uit alle macht die in hem was zich verwoed probeerde te bevrijden uit de gevaarlijke positie waarin hij beland was.

Door een schikking van de voorzienigheid, o koning, werd een sterke krokodil boos op de olifant en beet zich onder water in zijn poot vast. De olifant was ongetwijfeld sterk en deel al het mogelijke om zich uit dit gevaar, dat de voorzienigheid hem had gezonden, te bevrijden. (Vedabase)

 

Tekst 28:

De wijfjes, ziende hoe hun leider werd aangevallen en gegrepen door dat geweld, zetten het, geïntimideerd onder de dreiging, op een huilen, terwijl de andere olifanten die hem van achteren probeerden te bevrijden ook niet bij machte waren iets uit te richten.

Toen zijn vrouwtjes zagen in wat voor hachelijke situatie Gajendra zich bevond, hadden ze heel erg met hem te doen en begonnen te huilen. De andere olifanten wilden Gajendra helpen en grepen hem van achteren vast, maar ze waren niet in staat om hem te redden, want de krokodil was veel te sterk. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Met de olifant en de krokodil die op deze manier vechtend elkaar in en uit het water trokken, verstreek een duizendtal jaren waarin ze beiden in leven bleven, o Koning, hetgeen door de onsterfelijken als hoogst wonderbaarlijk werd gezien.

O Koning, zo vochten de olifant en de krokodil, elkaar in en uit het water trekkend, duizend jaren lang. Toen de halfgoden dit gevecht zagen, waren ze hoogst verbaasd. (Vedabase)

 

Tekst 30:

In de tijd die daarop volgde verloor Gajendra, de koning der olifanten, door de uitputting van het jarenlang volgehouden vechten om niet in het water te worden gesleurd [naar elders dus], meer en meer zijn kracht terwijl daarentegen de krokodil die thuis was in het water juist fanatieker, krachtiger en machtiger werd.

Doordat de olifant zoveel jaren lang vocht en steeds weer in het water getrokken werd, namen zijn mentale, lichamelijke en zintuiglijke krachten langzamerhand af. De krokodil daarentegen, die een waterdier was, werd steeds enthousiaster en zijn lichamelijke en zintuiglijke krachten namen alleen maar toe. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Toen hij, Gajendra, in zijn leven, op deze manier bij voorbeschikking op deze vorm van gevaar was gestuit en hij merkte dat hij niet in staat was zichzelf te redden uit een zo hopeloze positie, moest hij er lang over nadenken en kwam hij daarop tot het volgende besluit:

Toen de koning van de olifanten besefte dat hij door het plan van de voorzienigheid in de greep van de krokodil zat en zichzelf niet uit dit gevaar kon redden omdat hij een lichaam had en in een hulpeloze positie verkeerde, werd hij heel erg bang dat hij gedood zou worden. Daarom dacht hij lang na en kwam tenslotte tot de volgende beslissing. (Vedabase)

 

Tekst 32:

'Als al mijn verwanten er niet toe in staat zijn mij als olifant te bevrijden uit mijn lijden, en ik ook van mijn wijfjes niet kan verwachten dat ze me verlossen uit de knellende greep van de krokodil [der hartstocht], moet zelfs [een stoere olifant als] ik die, zoals het lot dat beschikte werd gegrepen, nu net zo goed als ieder ander mijn toevlucht zoeken bij dat [Allerhoogste van de Heer] wat de bovenzinnelijkheid is en de toevlucht vormt van al de verheven zielen [vergelijk 7.9: 18].

De andere olifanten, mijn vrienden en verwanten, hebben me niet uit dit gevaar kunnen redden, om maar te zwijgen van mijn vrouwtjes; zij kunnen helemaal niets doen. Het is mijn lot dat ik door deze krokodil ben aangevallen en daarom zal ik mijn toevlucht nemen tot de Allerhoogste Godspersoon, die iedereen altijd bescherming biedt, zelfs grote persoonlijkheden. (Vedabase)

 

Tekst 33:

Tegen de zo heel sterke wurgslang van de dood [de tijd, zie B.G. 11: 32] die met zijn angstwekkende kracht je tot in het oneindige najaagt, zal Hij die iemands Beheerser is, hem beschermen die, bang voor de dood, van overgave is; ik zal mijn toevlucht zoeken bij Hem die de feitelijke beschutting is van een ieder en voor wie zelfs de dood zelve op de vlucht slaat.'

Beslist niet iedereen kent de Allerhoogste Godspersoon, maar Hij is zeer machtig en invloedrijk. Hoewel de slang des doods, die verschrikkelijk machtig is, iedereen eindeloos najaagt en steeds klaarstaat om hem op te slokken, biedt de Heer iemand die deze slang vreest en zijn toevlucht tot Hem neemt bescherming, want zelfs de dood slaat uit angst voor de Heer op de vlucht. Daarom geef ik me over aan Hem, de grote en machtige allerhoogste autoriteit die ieders werkelijke toevlucht is. (Vedabase)

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Muralîdhara dâsa
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties