Canto
8
Hoofdstuk 5: De Vijfde en de Zesde Manu en de Gebeden van Brahmâ met de Sura's.
(1) S'rî S'uka zei: 'O Koning, ik heb u het - voor de toehoorder - bevrijdende optreden van de Heer beschreven in verband met de verlossing van de vrome Gajendra. Verneem nu over de tijd van Raivata Manu. (2) De vijfde Manu bekend als Raivata was de broer van Tâmasa, en Bali, Vindhya en de anderen met Arjuna aan het hoofd waren zijn zoons. (3) Vibhu heerste over de hemelen, o Koning, en de godvrezenden werden geleid door de Bhûtaraya's: de tweemaal geborenen Hiranyaromâ, Vedas'irâ, Ûrdhvabâhu en anderen. (4) Van S'ubhra en zijn echtgenote Vikunthhâ, verscheen met de godsbewuste nalevers van de Waarheid als Zijn eigen expansies, de Heer van Vaikunthha, de Allerhoogste Heer in eigen persoon. (5) Door Hem werd, enkel om de Godin van het Geluk te behagen, op haar verzoek en tot ieders voldoening, een wereld vrij van achteloosheid [een tweede Vaikunthha] gesticht.(6) Als iemand het zou proberen al Zijn wederwaardigheden, kwaliteiten en bovenzinnelijke heerlijkheden op te sommen zou zo een persoon net zoveel bovenzinnelijke eigenschappen van Vishnu tellen als men atomaire deeltjes kan tellen.
(7) De zesde Manu was Câkshusha, de zoon van Cakshu en met Pûru, Pûrusha en Sudyumna voorop waren er de zonen van Câkshusha. (8) Mantradruma was toen de koning van de hemel en van de goddelijken van de Âpya's en anderen waren er de wijzen, o Koning, die men kende als Havishmân, Vîraka en anderen. (9) Van Vairâja zijn echtgenote Devasambhûti was er een zoon genaamd Ajita die een gedeeltelijke incarnatie was [ams'a-avatâra] van de Heer, de Alvermogende Meester van het Universum. (10) Zijn karnen van de oceaan [van melk], als Kûrma zich in het water ophoudend in de gedaante van een schildpad, met de berg Mandara van links naar rechts bewegend, bracht de nectar van de Sura's voort.'
(11-12) S'rî Parîkchit zei: 'O brahmaan met welke bedoeling werd de oceaan van melk gekarnd met de berg en om welke reden verbleef Hij in het water als een schildpad? En wat kwam er met de nectar mee die de goddelijken ermee verkregen? Weest u alstublieft zo goed al deze zo hoogst wonderbaarlijke handelingen van de Allerhoogste Heer te beschrijven. (13) Mijn hart zo lang gekweld door de ontbering is nog niet helemaal vervuld met uw beschrijven van de heerlijkheden van de Meester Aller Toegewijden'."
(14) S'rî Sûta Gosvâmî zei: "De grote zoon van Vyâsadeva aldus verzocht, o beste tweemaal geborenen, complimenteerde hem en begon de heldendaden van de Heer te beschrijven. (15-16) S'rî S'uka zei: 'Toen de goddelijken werden belaagd door de Asura's die hen met hun scherpgeslepen wapens bevochten, waren de meesten van hen gevallen in de strijd en niet in staat weer op te staan. Met de wijze Durvâsâ die Indra met zijn drie werelden had vervloekt [*], o Koning, vervielen ze allen in armoede omdat ze toen niet meer in staat waren de rituelen en het eerbetoon op te brengen. (17-18) De Sura's, de grote Indra, Varuna en alle anderen, in onderling overleg met elkaar hierover bijeengekomen, konden op zichzelf niet tot een bevredigende slotsom komen. Zij begaven zich toen naar de plaats van samenkomst van Heer Brahmâ op de top van de berg Meru en stelden hem van dat alles op de hoogte onder het brengen van hun eerbetuigingen. (19-20) Toen Heer Brahmâ, de Almachtige, zag hoe al de goddelijken met Indra voorop waren verstoken van alle vermogen en licht en hoe de drie werelden waren verzonken in ongeluk terwijl het de Asura's goed ging, vestigde hij zijn geest op een zich voortdurend heugen van de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije en sprak hij, de machtigste van hen allen, met een oplichtend gelaat tot de godsbewusten: (21) 'Ik, Heer S'iva, jullie allen, alsook de menigte der onverlichten, de menselijke wezens, de dieren, de bomen en planten en de insecten en microben, kwamen allen uit Hem, uit Zijn gedeeltelijke incarnatie [Brahmâ hier of de guna-avatâra] en uit al degenen die deel van Hem uitmaken voort; laten we ons nu allen begeven in de richting van de beschutting geboden door de Onuitputtelijke. (22) Voor Hem hoeft er niemand te worden gedood of te worden beschermd, te worden veronachtzaamd of te worden aanbeden, niettemin neemt Hij voor het heil van de schepping, de handhaving en de voleinding, naar wat er aan de orde is, de rol op Zich van [Zijn incarnatie als een avatâra van] de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid [zie tevens B.G. 9: 29 en 4: 8]. (23) Nu is het er de tijd voor om, voor het heil van alle levende wezens, Zijn heerschappij van handhaving in de geaardheid der goedheid te vestigen; laten we ons derhalve keren tot de toevlucht van de Leraar van het Universum - moge Hij ons Sura's, Zijn eigen volk zo welgenegen, het goede geluk brengen dat we nodig hebben [zie B.G. hoofdstukken 14 & 18].'
(24) S'rî S'uka zei: 'De heer van de Veda aldus tot de goddelijken sprekend, o onderwerper der vijanden, begaf zich rechtstreeks naar de verblijfplaats van de Onoverwinnelijke voorbij de wereld der duisternis. (25) Aldaar, jegens Hem die in Zijn ware gedaante niet kan worden waargenomen, maar over wie de ganse Veda spreekt, sprak de meester der goden het hemelse gebed uit waarvan de klanken toen de heerschappij over de geest vestigden. (26) S'rî Brahmâ zei: 'De Onveranderlijke, de Onbegrensde Waarheid, de Oorspronkelijke Oorzaak in ieders hart, de Onversaagde, Ondoorgrondelijke, Ongrijpbare, Onuitsprekelijke en Onbeschrijflijke, de Onvergelijkelijke God hoogst wenselijk, bieden wij, de goden, ons eerbetoon [vergelijk 6.3: 20-21 en B.G. 15: 15 en 9: 4]. (27) Bij de Alwetende, de levenskracht voor de geest en het verstand van alle levende wezens; de Immer Waakzame met al het objectieve, de zinnen en de kennis; de onberispelijke, onpartijdige Toevlucht van allen in de duisternis; bij Hem de onfeilbare, alles doordringende Heer der drie Yuga's [in de vierde is Hij er als Zijn eigen toegewijde], zoek ik mijn heil. (28) Het rad van de tijd dat met zijn gezwinde vijftien spaken [de kennende en waarnemende zintuigen en de vijf soorten adem], drie electrificerende naven [de geaardheden] en zijn acht segmenten [de vijf elementen, geest, vals ego en het verstand] door Zijn uitwendige energie met grote kracht draait rondom de as waarvan ze zeggen dat Hij het is, is er voor het levende wezen als een zelfgeschapen orde; laten we voor die feitelijke werkelijkheid van Hem het grootste respect koesteren [vergelijk 3.21: 18, 7.9: 21, 5.21: 13 en B.G. 18: 61]. (29) Hij van één bekentenis [die der goedheid], transcendentaal aan het materiële duister; die ongemanifesteerde, niet te lokaliseren, Onbegrensde die iedere maat te boven gaat en wordt gedragen op de rug van Garuda [de vedische verzen]; Hij wordt door de onverstoorde en nuchtere mens, aanbeden door middel van yoga [zie ook 4.3: 23]. (30) Zijn illusiewekkende energie die door niemand te overwinnen is, door die energie zijn de mensen in het algemeen verbijsterd en begrijpen ze niet de ware rijkdom van het leven; Hem van volledige beheersing over het levende wezen en de geaardheden der uitwendige energie, die bovenzinnelijke beheerser allen gelijkgezind, die heerst over de levende wezens, bewijzen we de eer. (31) Voor ons, wij die bogen op een lichaam gevormd uit goedheid, verschijnt U zo dierbaar en nabij als voor de heiligen in dezelfde positie; niettemin zijn we ons niet volledig bewust van de bestemming zo subtiel. Als dat zo is met ons, hoe moet dat dan zijn met de onverlichte zielen en atheïsten zo misplaatst ondanks hun primaire belang? (32) Voor deze aarde waarlijk door Hem geschapen, voor deze materiële schepping waarin men de vier soorten van levende wezens aan Zijn voeten aantreft [zoals geboren uit een baarmoeder, een ei, uit vocht en uit zaad, zie ook 2.10: 37-40], is Hij in feite de Allerhoogste, de Oorspronkelijke Persoon; moge Hij, de Grootste van een onbeperkt vermogen, ons genadig zijn. (33) De massa's water zijn enkel Zijn zaad zo krachtig in het voortbrengen van al het leven dat, met inbegrip van al de goddelijken in het ganse universum, waar dan ook er inderdaad mee gedijt; moge Hij, Hij die van de grootste macht is, tevreden met ons zijn. (34) Soma, de maan, Zijn geest zo zegt men, is de kracht van de bewoners van de hemel, van de granen voor het voedsel en de levensduur; die Allerhoogste Heer die de bomen alsook al de andere levende wezens doet groeien, moge Hij, die bron van alle weelde, voldaan zijn over ons [zie ook: 2.10: 30 en 6.6: 24-26]. (35) Vanuit Zijn mond van vuur, zoals ook aanwezig in de diepten der oceaan waar het al de elementen verteert [zoals het vuur van de spijsvertering in de maag], brengt Hij, door de aanwezigheid ervan tijdens de erediensten, alle weelde voort; moge Hij, de Almachtige, tevreden zijn over ons. (36) Dat wat Zijn oog werd, de godheid van de zon welke de leiding vormt voor de goddelijken in hun materieel ondernemen; dit brandpunt en deze toegangspoort voor de realisatie van het eeuwige pad, de absolute Waarheid en iemands bevrijding, deze godheid welke zowel de oorzaak is van iemands dood, moge die Alomvattende Macht ons Zijn goedkeuring verlenen [zie ook 2.1: 30 B.G. 7: 8, 10: 21 en 11: 19]. (37) Van Zijn levenskracht, Zijn adem, in alle levende wezens, van die prâna als het basisprincipe, van het volgen van die lucht zoals onderdanen die een keizer volgen, is er al de kracht en vitaliteit; moge Hij die van Alle Macht is gelukkig zijn met ons. (38) Van Zijn horen zijn er de verschillende windrichtingen, van Zijn hart kennen we het lichaam met zijn openingen en van de Oorspronkelijke Persoon Zijn navel [de ruimte] is er de ether als de [spirituele] toevlucht van de levenskracht, de zinnen, de geest, de vitaliteit en ons fysieke lichaam; moge de Allerhoogste macht die Hij is, tevreden over ons zijn [2.1: 27 & 29]. (39) De grote Indra is er van Zijn kracht en de dienaren [van Hem] in de drie werelden zijn er van Zijn tevredenheid; van Zijn Woede is er de Beheerser op de Berg [Heer S'iva] en van Zijn nuchtere verstand is er Viriñca [Heer Brahmâ]; uit Zijn openingen komen de mantra's voort terwijl de heiligen en de stamvaders er zijn van Zijn genitaliën; mogen wij van die Ene zo machtig de goedkeuring wegdragen. (40) De godin is er van Zijn borst, het voorouderlijke is er van Zijn schaduw, de religie was mogelijk van Zijn voorkant, en de goddeloosheid kon er zijn door Zijn achterkant; de hogere plaatsen vormen Zijn schedeldak en de dansmeisjes van de hemel zijn er van Zijn zingenot; moge Hij, de Grootste van Al het Kunnen, tevreden over ons zijn. (41) De geleerden [de brahmanen] zijn er van Zijn mond, net als de vedische literatuur en Zijn vertrouwelijke kennis; de bestuurders [kshatriya's] en de fysieke kracht zijn er van Zijn armen, van Zijn dijen zijn er de handelaren [de vais'ya's zie ook 2.1: 37] en hun vakkennis van verschaffen en van Zijn voeten zijn er de arbeiders [de s'ûdra's] die zich geen zorgen maken over de Veda; moge Hij zo Allermachtigst verheugd zijn met ons. (42) Begeerte is Zijn onderlip en genegenheid is Zijn bovenlip; de luister van het lichaam kon er zijn van Zijn neus en door Zijn aanraking kon er de dierlijke lust zijn; van Zijn wenkbrauwen was er de Heer van de Dood [Yamarâja] maar van Zijn wimpers kon er de eeuwige Tijd zijn; moge Hij, de Ene Almachtige, ons Zijn goedkeuring verlenen. (43) De elementen der materie, hun wever [kâla, de tijd], de baatzuchtige arbeid, de geaardheden der natuur en de verscheidenheid aan geschapen vormen is dat wat het volledige van Zijn scheppend vermogen [yoga-mâyâ] uitmaakt, waarvan al de geleerden zeggen dat die moeilijk te doorgronden is - het is de moeilijkheid waarvan zij die tot inzicht kwamen zich afwenden; moge Hij de Beheerser van Allen en Alles tevreden zijn met ons. (44) Laat er onze eerbied zijn voor Hem die de vrede is vrij van ondernemen, de zichzelf onderhoudende en volledig voldane van alle presteren; onze eerbetuigingen voor Hem, de Ziel voor de wereld welke zich beweegt in de geaardheden, Hem, de meester van het spel die gelijk de lucht zich afzijdig houdt van alle zorgen over materiële zaken. (45) Overgegeven aan U, wensen we het niettemin Uw glimlachende lotusgelijke gezicht te zien. Mogen we Hem aanschouwen, U mijn Heer, in Uw oorspronkelijke gedaante, rechtstreeks te zien voor onze ogen? (46) Met het één en het ander, in feitelijke gedaanten keer op keer verschijnend vanuit Uw persoonlijke wil, verricht U in eigen persoon, o Machtige, ongewone daden zodat U voor ons er waarlijk bent als de Allerhoogste Heer die de macht heeft [B.G. 4: 7]. (47) Voor mensen die eropuit zijn te genieten zijn er vele obstakels en weinig resultaten, waarbij men met zijn projecten eindigt in frustratie; als men zo is is men werkelijk niet van toewijding voor Hem. (48) Zelfs niet de geringste activiteit naar behoren volbracht is tevergeefs, omdat in toewijding tot de Beheerser [die de Tijd is] men U realiseert als de oorspronkelijke Ziel die voorzeker warmhartig en goedgunstig is voor iedere persoon. (49) Zoals inderdaad met het water geven aan de wortels van een boom men eveneens water geeft aan de stam en de takken, is het ook met het eerbetoon voor Vishnu, de ziel van een ieder [zie ook 4.31: 14]. (50) Al mijn eerbetuigingen voor U, mijn Heer der Eeuwigheid, o wonderdoener van het hogere bestaan, o Beheerser Aller Geaardheden die nu verwijlt in goedheid.'
Tweede editie, geladen 3 september 2007.
Bronteksten:
De halfgoden vragen de Heer om bescherming
S'rî S'uka zei: 'O Koning, ik heb u het - voor de toehoorder - bevrijdende optreden van de Heer beschreven in verband met de verlossing van de vrome Gajendra. Verneem nu over de tijd van Raivata Manu.S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O Koning, ik heb u het verhaal van Gajendra-mokshana beschreven, dat heel heilzaam is om te horen. Door naar zulke activiteiten van de Heer te luisteren, kan men bevrijd raken van alle reacties op zijn zonden. Luister nu alstublieft naar mijn beschrijving van Raivata Manu. (Vedabase)
De vijfde Manu bekend als Raivata was de broer van Tâmasa, en Bali, Vindhya en de anderen met Arjuna aan het hoofd waren zijn zoons.
Raivata, de broer van Tâmasa Manu, was de vijfde Manu. Zijn belangrijkste zoons waren Arjuna, Bali en Vindhya. (Vedabase)
Van S'ubhra en zijn echtgenote Vikunthhâ, verscheen met de godsbewuste nalevers van de Waarheid als Zijn eigen expansies, de Heer van Vaikunthha, de Allerhoogste Heer in eigen persoon.
O Koning, in het millennium van Raivata Manu was Vibhu de hemelkoning. De Bhûtaraya's behoorden tot de halfgoden en Hiranyaromâ, Vedas'irâ en Ûrdhvabâhu bevonden zich onder de zeven brâhmana's die de zeven planeten bewonen. (Vedabase)
Van S'ubhra en zijn echtgenote Vikunthhâ, verscheen met de godsbewuste nalevers van de Waarheid als Zijn eigen expansies, de Heer van Vaikunthha, de Allerhoogste Heer in eigen persoon.
Uit het samengaan van S'ubhra en zijn vrouw Vikunthhâ verscheen de Allerhoogste Godspersoon, Vaikunthha, samen met een aantal halfgoden die Zijn persoonlijke volkomen expansies waren. (Vedabase)
Door Hem werd, enkel om de Godin van het Geluk te behagen, op haar verzoek en tot ieders voldoening, een wereld vrij van achteloosheid [een tweede Vaikunthha] gesticht.
Alleen om de godin van het geluk tevreden te stellen, schiep de Allerhoogste Godspersoon, Vaikunthha, op haar verzoek nog een Vaikunthha-planeet, die door iedereen vereert wordt. (Vedabase)
Als iemand het zou proberen al Zijn wederwaardigheden, kwaliteiten en bovenzinnelijke heerlijkheden op te sommen zou zo een persoon net zoveel bovenzinnelijke eigenschappen van Vishnu tellen als men atomaire deeltjes kan tellen.
Hoewel de grootse activiteiten en transcendentale eigenschappen van de verschillende incarnaties van de Allerhoogste Hoofdpersoon schitterend beschreven zijn, zijn we soms niet in staat om ze te begrijpen. Maar toch is alles mogelijk voor Heer Vishnu. Als men in staat zou zijn de atomen van het universum te tellen, dan zou men ook de eigenschappen van de Allerhoogste Godspersoon kunnen tellen. Maar zoals niemand de atomen van het universum kan tellen, zo kan ook niemand de transcendentale eigenschappen van de Heer tellen. (Vedabase)
De zesde Manu was Câkshusha, de zoon van Cakshu en met Pûru, Pûrusha en Sudyumna voorop waren er de zonen van Câkshusha.
De zoon van Cakshu, die Câkshusha heette, was de zesde Manu. Hij had vele zoons van wie Pûru, Pûrusha en Sudyumna de belangrijksten waren. (Vedabase)
Mantradruma was toen de koning van de hemel en van de goddelijken van de Âpya's en anderen waren er de wijzen, o Koning, die men kende als Havishmân, Vîraka en anderen.
Tijdens de heerschappij van Câkshusha Manu heette de hemelkoning Mantradruma. Onder de halfgoden bevonden zich de Âpya's, en onder de grote wijzen Havishmân en Vîraka. (Vedabase)
Van Vairâja zijn echtgenote Devasambhûti was er een zoon genaamd Ajita die een gedeeltelijke incarnatie was [ams'a-avatâra] van de Heer, de Alvermogende Meester van het Universum.
In dit zesde manvantara-millennium verscheen Heer Vishnu, de meester van het universum, in Zijn deel-expansie. Vairâja verwekte Hem bij zijn vrouw Devasambhûti, en Zijn naam was Ajita. (Vedabase)
Zijn karnen van de oceaan [van melk], als Kûrma zich in het water ophoudend in de gedaante van een schildpad, met de berg Mandara van links naar rechts bewegend, bracht de nectar van de Sura's voort.'
Door de oceaan van melk te karnen maakte Ajita nectar voor de halfgoden. In de gedaante van een schildpad bewoog Hij Zich van hier naar daar en droeg Hij op Zijn rug de grote berg die we kennen als de Mandara. (Vedabase)
S'rî Parîkchit zei: 'O brahmaan met welke bedoeling werd de oceaan van melk gekarnd met de berg en om welke reden verbleef Hij in het water als een schildpad? En wat kwam er met de nectar mee die de goddelijken ermee verkregen? Weest u alstublieft zo goed al deze zo hoogst wonderbaarlijke handelingen van de Allerhoogste Heer te beschrijven.
Koning Parîkshit vroeg: O S'ukadeva Gosvâmî, grote brâhmana, waarom en hoe karnde Heer Vishnu de oceaan van melk? Wat voor reden had Hij om als een schildpad in het water te blijven en de berg de Mandara omhoog te houden? Hoe kregen de halfgoden de nectar en wat werd er nog meer door het karnen van de oceaan voortgebracht? Beschrijf me alstublieft al deze wonderbaarlijke activiteiten van de Heer. (Vedabase)
Mijn hart zo lang gekweld door de ontbering is nog niet helemaal vervuld met uw beschrijven van de heerlijkheden van de Meester Aller Toegewijden'."
Mijn hart, bezwaard door de drievoudige ellende van het materiële leven, is nog niet verzadigd en wil nog meer beschrijvingen horen van de luisterrijke activiteiten van de Heer, de Allerhoogste Godspersoon, die de meester van de toegewijden is. (Vedabase)
S'rî Sûta Gosvâmî zei: "De grote zoon van Vyâsadeva aldus verzocht, o beste tweemaal geborenen, complimenteerde hem en begon de heldendaden van de Heer te beschrijven.
S'rî Sûta Gosvâmî zei: O geleerde brâhmana's die hier in Naimisâranya bijeen bent, toen S'ukadeva Gosvâmî, de zoon van Dvaipâyana, deze vraag van de koning hoorde, prees hij hem en ging zo goed mogelijk verder met het beschrijven van de heerlijkheid van de Allerhoogste Godspersoon. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Toen de goddelijken werden belaagd door de Asura's die hen met hun scherpgeslepen wapens bevochten, waren de meesten van hen gevallen in de strijd en niet in staat weer op te staan. Met de wijze Durvâsâ die Indra met zijn drie werelden had vervloekt [*], o Koning, vervielen ze allen in armoede omdat ze toen niet meer in staat waren de rituelen en het eerbetoon op te brengen.
S'ukadeva Gosvâmî zei: Toen de asura's met hun slangewapens een zware aanval op de halfgoden inzetten, kwamen veel halfgoden ten val en verloren het leven zonder dat ze nog bijgebracht konden worden. In die tijd, o koning, stonden de halfgoden onder een vloek van Durvâsâ Muni en werden de drie werelden geteisterd door armoede, zodat er geen rituele ceremonies gehouden konden worden. De gevolgen daarvan waren zeer ernstig. (Vedabase)
De Sura's, de grote Indra, Varuna en alle anderen, in onderling overleg met elkaar hierover bijeengekomen, konden op zichzelf niet tot een bevredigende slotsom komen. Zij begaven zich toen naar de plaats van samenkomst van Heer Brahmâ op de top van de berg Meru en stelden hem van dat alles op de hoogte onder het brengen van hun eerbetuigingen.
Toen Heer Indra, Varuna en de andere halfgoden zagen in wat voor toestand ze terechtgekomen waren, hielden ze onderling overleg, maar ze konden geen enkele oplossing vinden. Daarop kwamen alle halfgoden bij elkaar en gingen gezamenlijk naar de top van de Sumeru. Daar, aan het hof van Heer Brahmâ, vielen ze op de grond neer en brachten Heer Brahmâ hun eerbetuigingen, waarna ze hem op de hoogte brachten van alle gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden. (Vedabase)
Toen Heer Brahmâ, de Almachtige, zag hoe al de goddelijken met Indra voorop waren verstoken van alle vermogen en licht en hoe de drie werelden waren verzonken in ongeluk terwijl het de Asura's goed ging, vestigde hij zijn geest op een zich voortdurend heugen van de Oorspronkelijke Persoon in het voorbije en sprak hij, de machtigste van hen allen, met een oplichtend gelaat tot de godsbewusten:
Toen Heer Brahmâ zag dat de halfgoden al hun invloed en kracht verloren hadden en dat de drie werelden zich daardoor in een heilloze situatie bevonden, en toen hij zag dat de halfgoden in nood verkeerden terwijl het de demonen voor de wind ging, richtte hij, die boven alle halfgoden staat en een zeer machtige persoonlijkheid is, zijn geest op de Allerhoogste Godspersoon. Nadat hij op die manier nieuwe moed had gekregen, klaarde zijn gezicht op en sprak hij de halfgoden als volgt toe. (Vedabase)
'Ik, Heer S'iva, jullie allen, alsook de menigte der onverlichten, de menselijke wezens, de dieren, de bomen en planten en de insecten en microben, kwamen allen uit Hem, uit Zijn gedeeltelijke incarnatie [Brahmâ hier of de guna-avatâra] en uit al degenen die deel van Hem uitmaken voort; laten we ons nu allen begeven in de richting van de beschutting geboden door de Onuitputtelijke.
Heer Brahmâ zei: Ik, Heer S'iva, al jullie halfgoden, de demonen, de levende wezens die uit transpiratie worden geboren, de levende wezens die uit eieren komen, de bomen en planten die uit de aarde voortspruiten en de levende wezens die uit embryo's ontstaan - wij zijn allemaal afkomstig van de Allerhoogste Heer, van Zijn rajo-guna incarnatie [Heer Brahmâ, de guna-avatâra] en van de grote wijzen [rishi's] die een deel van mij zijn. Laten we daarom naar de Allerhoogste Heer toegaan en onze toevlucht nemen tot Zijn lotusvoeten. (Vedabase)
Voor Hem hoeft er niemand te worden gedood of te worden beschermd, te worden veronachtzaamd of te worden aanbeden, niettemin neemt Hij voor het heil van de schepping, de handhaving en de voleinding, naar wat er aan de orde is, de rol op Zich van [Zijn incarnatie als een avatâra van] de hartstocht, de goedheid en de onwetendheid [zie tevens B.G. 9: 29 en 4: 8].
Voor de Allerhoogste Godspersoon hoeft er niemand gedood, beschermd, verwaarloosd en vereerd te worden. Niettemin neemt Hij om de schepping, instandhouding en vernietiging op tijd te doen plaatsvinden verschillende incarnaties aan in de geaardheid goedheid, de geaardheid hartstocht of de geaardheid onwetendheid. (Vedabase)
Nu is het er de tijd voor om, voor het heil van alle levende wezens, Zijn heerschappij van handhaving in de geaardheid der goedheid te vestigen; laten we ons derhalve keren tot de toevlucht van de Leraar van het Universum - moge Hij ons Sura's, Zijn eigen volk zo welgenegen, het goede geluk brengen dat we nodig hebben [zie B.G. hoofdstukken 14 & 18].'
Het is nu tijd om een beroep te doen op de geaardheid goedheid van de levende wezens die een materieel lichaam hebben aangenomen. De geaardheid goedheid is bedoeld om de heerschappij van de Allerhoogste Heer te vestigen, waardoor de schepping instandgehouden wordt. Daarom is dit het moment om onze toevlucht tot de Allerhoogste Godspersoon te nemen. Hij is van nature zeer goed en de halfgoden zeer dierbaar. Hij zal ons beslist zegenen met alle geluk en voorspoed. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'De heer van de Veda aldus tot de goddelijken sprekend, o onderwerper der vijanden, begaf zich rechtstreeks naar de verblijfplaats van de Onoverwinnelijke voorbij de wereld der duisternis.
O Mahârâja Parîkshit, bedwinger van alle vijanden, toen Heer Brahmâ zijn toespraak tot de halfgoden beëindigd had, nam hij ze met zich mee naar de woonplaats van de Allerhoogste Godspersoon, die zich buiten deze materiële wereld bevindt. De Heer verblijft op een eiland dat S'vetadvîpa heet en in de oceaan van melk ligt. (Vedabase)
Aldaar, jegens Hem die in Zijn ware gedaante niet kan worden waargenomen, maar over wie de ganse Veda spreekt, sprak de meester der goden het hemelse gebed uit waarvan de klanken toen de heerschappij over de geest vestigden.
Daar [in S'vetadvîpa] richtte Heer Brahmâ gebeden tot de Allerhoogste Godspersoon hoewel hij de Allerhoogste Heer nog nooit gezien had. Gewoon doordat Heer Brahmâ uit de Veda's over de Allerhoogste Godspersoon had gehoord, richtte hij met geconcentreerde geest gebeden tot de Heer zoals die beschreven staan of goedgekeurd worden in de Veda's. (Vedabase)
S'rî Brahmâ zei: 'De Onveranderlijke, de Onbegrensde Waarheid, de Oorspronkelijke Oorzaak in ieders hart, de Onversaagde, Ondoorgrondelijke, Ongrijpbare, Onuitsprekelijke en Onbeschrijflijke, de Onvergelijkelijke God hoogst wenselijk, bieden wij, de goden, ons eerbetoon [vergelijk 6.3: 20-21 en B.G. 15: 15 en 9: 4].
Heer Brahmâ zei: O Allerhoogste Heer, o nooit veranderende grenzeloze allerhoogste waarheid. U bent de oorsprong van alles. Omdat U alomtegenwoordig bent, leeft U zowel in ieders hart als in ieder atoom. Niets aan U is materieel; U bent werkelijk onvoorstelbaar. De geest kan U niet vangen met speculatie, en de woorden ontbreken om U te beschrijven. U bent de allerhoogste meester van iedereen en U verdient het daarom om door iedereen vereerd te worden. We brengen U onze nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
Bij de Alwetende, de levenskracht voor de geest en het verstand van alle levende wezens; de Immer Waakzame met al het objectieve, de zinnen en de kennis; de onberispelijke, onpartijdige Toevlucht van allen in de duisternis; bij Hem de onfeilbare, alles doordringende Heer der drie Yuga's [in de vierde is Hij er als Zijn eigen toegewijde], zoek ik mijn heil.
De Allerhoogste Godspersoon weet direct en indirect hoe alles, de levenskracht, geest en intelligentie inbegrepen, onder Zijn leiding werkt. Hij verlicht alles en kent geen onwetendheid. Hij heeft geen materieel lichaam dat onderworpen is aan de reacties van activiteiten in het verleden, en Hij is vrij van de onwetendheid van partijdigheid en materialistische kennis. Daarom zoek ik mijn toevlucht bij de lotusvoeten van de Allerhoogste Heer, die eeuwig, alomtegenwoordig en zo eindeloos groot als de hemel is, en die met zes volheden in drie yuga's verschijnt [Satya, Tretâ en Dvâpara]. (Vedabase)
Het rad van de tijd dat met zijn gezwinde vijftien spaken [de kennende en waarnemende zintuigen en de vijf soorten adem], drie electrificerende naven [de geaardheden] en zijn acht segmenten [de vijf elementen, geest, vals ego en het verstand] door Zijn uitwendige energie met grote kracht draait rondom de as waarvan ze zeggen dat Hij het is, is er voor het levende wezen als een zelfgeschapen orde; laten we voor die feitelijke werkelijkheid van Hem het grootste respect koesteren [vergelijk 3.21: 18, 7.9: 21, 5.21: 13 en B.G. 18: 61].
In de kringloop van materiële activiteit lijkt het materiële lichaam op het wiel van een mentaal rijtuig. De tien zinnen [vijf om mee te werken en vijf om kennis mee te verwerven] en de vijf levensluchten in het lichaam vormen de vijftien spaken van dit wiel. De drie geaardheden der natuur [goedheid, hartstocht en onwetendheid] zijn het centrum van activiteit ervan, en de acht elementen van de natuur [aarde, water, vuur, lucht, ether, geest, intelligentie en vals ego] vormen samen de velg van het wiel. De uitwendige, materiële energie zet dit wiel in beweging, net als elektriciteit. Zo draait het wiel zeer snel rond zijn naaf of centrale steunpunt, de Allerhoogste Godspersoon, die de Superziel is en de uiteindelijke waarheid. We brengen Hem onze nederige eerbetuigingen. (Vedabase)
Hij van één bekentenis [die der goedheid], transcendentaal aan het materiële duister; die ongemanifesteerde, niet te lokaliseren, Onbegrensde die iedere maat te boven gaat en wordt gedragen op de rug van Garuda [de vedische verzen]; Hij wordt door de onverstoorde en nuchtere mens, aanbeden door middel van yoga [zie ook 4.3: 23].
De Allerhoogste Godspersoon verkeert in zuivere goedheid [s'uddha-sattva], en daarom is Hij eka-varna: het omkâra [pranava]. Omdat de Heer boven de kosmische openbaring staat, die als duisternis beschouwd wordt, is Hij met het materiële oog niet waarneembaar. Hij is niet van ons gescheiden door tijd of ruimte, maar overal aanwezig. Gezeten op Zijn drager Garuda wordt Hij door hen die volkomen onverstoord zijn vereerd door middel van mystieke krachten verkregen uit de beoefening van yoga. Laten we allemaal onze nederige eerbetuigingen aan Hem brengen. (Vedabase)
Zijn illusiewekkende energie die door niemand te overwinnen is, door die energie zijn de mensen in het algemeen verbijsterd en begrijpen ze niet de ware rijkdom van het leven; Hem van volledige beheersing over het levende wezen en de geaardheden der uitwendige energie, die bovenzinnelijke beheerser allen gelijkgezind, die heerst over de levende wezens, bewijzen we de eer.
Niemand kan de begoochelende energie [mâyâ] van de Allerhoogste Godspersoon overwinnen, want die is zo sterk dat ze alle levende wezens verbijstert en ze het verstand doet verliezen om te kunnen begrijpen wat het doel van het leven is. Diezelfde mâyâ is echter onderworpen aan de Allerhoogste Godspersoon, die iedereen regeert en alle levende wezens even gunstig gezind is. Laten we Hem onze eerbetuigingen brengen. (Vedabase)
Voor ons, wij die bogen op een lichaam gevormd uit goedheid, verschijnt U zo dierbaar en nabij als voor de heiligen in dezelfde positie; niettemin zijn we ons niet volledig bewust van de bestemming zo subtiel. Als dat zo is met ons, hoe moet dat dan zijn met de onverlichte zielen en atheïsten zo misplaatst ondanks hun primaire belang?
Omdat onze lichamen uit sattva-guna bestaan, verkeren wij, de halfgoden, in- en uitwendig in goedheid, net als alle grote heiligen. Als wij daarom de Allerhoogste Godspersoon niet eens kunnen begrijpen, hoe kunnen anderen die hoogst onbeduidend zijn omdat hun lichaam onder invloed staat van de geaardheden hartstocht en onwetendheid, de Heer dan ooit begrijpen? Laten we Hem onze nederige eerbetuigingen brengen. (Vedabase)
Voor deze aarde waarlijk door Hem geschapen, voor deze materiële schepping waarin men de vier soorten van levende wezens aan Zijn voeten aantreft [zoals geboren uit een baarmoeder, een ei, uit vocht en uit zaad, zie ook 2.10: 37-40], is Hij in feite de Allerhoogste, de Oorspronkelijke Persoon; moge Hij, de Grootste van een onbeperkt vermogen, ons genadig zijn.
Er bestaan vier soorten levende wezens op deze aarde, die allemaal door Hem geschapen zijn. De materiële schepping rust op Zijn lotusvoeten. Hij is de grote Allerhoogste Persoon, rijk aan volheden en macht. Moge Hij tevreden over ons zijn. (Vedabase)
De massa's water zijn enkel Zijn zaad zo krachtig in het voortbrengen van al het leven dat, met inbegrip van al de goddelijken in het ganse universum, waar dan ook er inderdaad mee gedijt; moge Hij, Hij die van de grootste macht is, tevreden met ons zijn.
De hele kosmische openbaring is opgerezen uit water, en het komt door water dat alle levende wezens zich handhaven, leven en zich verder ontwikkelen. Dit water is niets anders dan het zaad van de Allerhoogste Godspersoon. Moge de Allerhoogste Godspersoon, wiens vermogen zo groot is, daarom tevreden over ons zijn. (Vedabase)
Soma, de maan, Zijn geest zo zegt men, is de kracht van de bewoners van de hemel, van de granen voor het voedsel en de levensduur; die Allerhoogste Heer die de bomen alsook al de andere levende wezens doet groeien, moge Hij, die bron van alle weelde, voldaan zijn over ons [zie ook: 2.10: 30 en 6.6: 24-26].
Soma, de maan, is de bron van graan, kracht en het lange leven van de halfgoden. Hij is ook de meester van alle plantengroei en de bron van voortplanting voor alle levende wezens. Volgens de verklaringen van grote geleerden is de maan de geest van de Allerhoogste Godspersoon. Moge die Allerhoogste Godspersoon, de bron van alle rijkdom, tevreden over ons zijn. (Vedabase)
Vanuit Zijn mond van vuur, zoals ook aanwezig in de diepten der oceaan waar het al de elementen verteert [zoals het vuur van de spijsvertering in de maag], brengt Hij, door de aanwezigheid ervan tijdens de erediensten, alle weelde voort; moge Hij, de Almachtige, tevreden zijn over ons.
Vuur, dat ontstaan is om de offerandes bij rituele ceremonies te aanvaarden, is de mond van de Allerhoogste Godspersoon. Vuur bestaat in de diepten van de oceaan waar het allerlei rijkdommen voortbrengt, en er is eveneens vuur in de buik om het voedsel te verteren en allerlei stoffen te produceren die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het lichaam. Moge die allermachtigste Godspersoon tevreden over ons zijn. (Vedabase)
Dat wat Zijn oog werd, de godheid van de zon welke de leiding vormt voor de goddelijken in hun materieel ondernemen; dit brandpunt en deze toegangspoort voor de realisatie van het eeuwige pad, de absolute Waarheid en iemands bevrijding, deze godheid welke zowel de oorzaak is van iemands dood, moge die Alomvattende Macht ons Zijn goedkeuring verlenen [zie ook 2.1: 30 B.G. 7: 8, 10: 21 en 11: 19].
De zonnegod markeert het pad van bevrijding, dat arcirâdi-vartma wordt genoemd. Hij is de belangrijkste bron van kennis van de Veda's, hij is de plaats waar de Absolute Waarheid vereerd kan worden, hij is de poort naar bevrijding, en hij is zowel de bron van het eeuwige leven als de oorzaak van de dood. De zonnegod is het oog van de Heer. Moge die Allerhoogste Heer, die de allerrijkste is, tevreden over ons zijn. (Vedabase)
Van Zijn levenskracht, Zijn adem, in alle levende wezens, van die prâna als het basisprincipe, van het volgen van die lucht zoals onderdanen die een keizer volgen, is er al de kracht en vitaliteit; moge Hij die van Alle Macht is gelukkig zijn met ons.
Alle levende wezens, bewegende en niet-bewegende, krijgen hun levenskracht, hun lichaamskracht en zelfs hun leven van de lucht. Voor onze levenskracht zijn we allemaal afhankelijk van de lucht, net zoals dienaren afhankelijk zijn van een keizer. De levenskracht van de lucht komt voort uit de oorspronkelijke levenskracht van de Allerhoogste Godspersoon. Moge die Allerhoogste Heer tevreden over ons zijn. (Vedabase)
Van Zijn horen zijn er de verschillende windrichtingen, van Zijn hart kennen we het lichaam met zijn openingen en van de Oorspronkelijke Persoon Zijn navel [de ruimte] is er de ether als de [spirituele] toevlucht van de levenskracht, de zinnen, de geest, de vitaliteit en ons fysieke lichaam; moge de Allerhoogste macht die Hij is, tevreden over ons zijn [2.1: 27 & 29].
Moge de allermachtigste Godspersoon tevreden over ons zijn. De verschillende richtingen komen voort uit Zijn oren, de openingen in het lichaam komen uit Zijn hart en de levenskracht, de zinnen, de geest, de lucht in het lichaam en de ether, die de toevlucht van het lichaam is, komen uit Zijn navel. (Vedabase)
De grote Indra is er van Zijn kracht en de dienaren [van Hem] in de drie werelden zijn er van Zijn tevredenheid; van Zijn Woede is er de Beheerser op de Berg [Heer S'iva] en van Zijn nuchtere verstand is er Viriñca [Heer Brahmâ]; uit Zijn openingen komen de mantra's voort terwijl de heiligen en de stamvaders er zijn van Zijn genitaliën; mogen wij van die Ene zo machtig de goedkeuring wegdragen.
Mahendra, de hemelkoning, is voortgekomen uit de kracht van de Heer, de halfgoden uit de genade van de Heer, Heer S'iva uit de woede van de Heer en Heer Brahmâ uit Zijn nuchtere intelligentie. De vedische mantra's zijn ontstaan uit de lichaamsopeningen van de Heer en de grote heiligen en prajâpati's uit Zijn geslachtsdelen. Moge die allermachtigste Heer tevreden over ons zijn. (Vedabase)
De godin is er van Zijn borst, het voorouderlijke is er van Zijn schaduw, de religie was mogelijk van Zijn voorkant, en de goddeloosheid kon er zijn door Zijn achterkant; de hogere plaatsen vormen Zijn schedeldak en de dansmeisjes van de hemel zijn er van Zijn zingenot; moge Hij, de Grootste van Al het Kunnen, tevreden over ons zijn.
De godin van het geluk is voortgekomen uit Zijn borst, de bewoners van Pitriloka uit Zijn schaduw, religie uit Zijn boezem, en goddeloosheid [het tegenovergestelde van religie] uit Zijn rug. De hemelse planeten komen uit de kruin van Zijn hoofd en de Apsarâ's uit Zijn zingenot. Moge die allermachtigste Godspersoon tevreden over ons zijn. (Vedabase)
De geleerden [de brahmanen] zijn er van Zijn mond, net als de vedische literatuur en Zijn vertrouwelijke kennis; de bestuurders [kshatriya's] en de fysieke kracht zijn er van Zijn armen, van Zijn dijen zijn er de handelaren [de vais'yas zie ook 2.1: 37] en hun vakkennis van verschaffen en van Zijn voeten zijn er de arbeiders [de s'ûdra's] die zich geen zorgen maken over de Veda; moge Hij zo Allermachtigst verheugd zijn met ons.
De brâhmana's en de vedische kennis komen uit de mond van de Godspersoon, de kshatriya's en de lichaamskracht uit Zijn armen, de vais'ya's en hun professionele kennis van Productiemethoden en vermogensaanwas uit Zijn dijen, en de s'ûdra's, die geen toegang hebben tot de vedische kennis, uit Zijn voeten. Moge die Allerhoogste Godspersoon, die de allermachtigste is, tevreden over ons zijn. (Vedabase)
Begeerte is Zijn onderlip en genegenheid is Zijn bovenlip; de luister van het lichaam kon er zijn van Zijn neus en door Zijn aanraking kon er de dierlijke lust zijn; van Zijn wenkbrauwen was er de Heer van de Dood [Yamarâja] maar van Zijn wimpers kon er de eeuwige Tijd zijn; moge Hij, de Ene Almachtige, ons Zijn goedkeuring verlenen.
Hebzucht komt voort uit Zijn onderlip, genegenheid uit Zijn bovenlip, lichaamsglans uit Zijn neus, dierlijke en wellustige verlangens uit Zijn tastzin, Yamarâja uit Zijn wenkbrauwen en de eeuwige tijd uit Zijn wimpers. Moge die Allerhoogste Heer tevreden over ons zijn. (Vedabase)
De elementen der materie, hun wever [kâla, de tijd], de baatzuchtige arbeid, de geaardheden der natuur en de verscheidenheid aan geschapen vormen is dat wat het volledige van Zijn scheppend vermogen [yoga-mâyâ] uitmaakt, waarvan al de geleerden zeggen dat die moeilijk te doorgronden is - het is de moeilijkheid waarvan zij die tot inzicht kwamen zich afwenden; moge Hij de Beheerser van Allen en Alles tevreden zijn met ons.
Alle geleerden zeggen dat de vijf elementen, de eeuwige tijd, baatzuchtige activiteiten, de drie geaardheden der materiële natuur en de verscheidenheid die het produkt van deze geaardheden is, allemaal tot de scheppingen van yogamâyâ behoren. Deze materiële wereld is daarom bijzonder moeilijk te begrijpen, maar de grote geleerden hebben haar verworpen. Moge de Allerhoogste Godspersoon, die de bestuurder van alles is, tevreden over ons zijn. (Vedabase)
Laat er onze eerbied zijn voor Hem die de vrede is vrij van ondernemen, de zichzelf onderhoudende en volledig voldane van alle presteren; onze eerbetuigingen voor Hem, de Ziel voor de wereld welke zich beweegt in de geaardheden, Hem, de meester van het spel die gelijk de lucht zich afzijdig houdt van alle zorgen over materiële zaken.
Laten we onze nederige eerbetuigingen brengen aan de Allerhoogste Godspersoon die volkomen stil is, vrij van elk streven en volmaakt bevredigd door Zijn eigen prestaties. Hij is niet via Zijn zinnen aan de activiteiten van de materiële wereld gehecht. Integendeel, tijdens Zijn spel en vermaak in deze materiële wereld is Hij even onthecht als de lucht. (Vedabase)
Overgegeven aan U, wensen we het niettemin Uw glimlachende lotusgelijke gezicht te zien. Mogen we Hem aanschouwen, U mijn Heer, in Uw oorspronkelijke gedaante, rechtstreeks te zien voor onze ogen?
O Allerhoogste Godspersoon, we zijn U volkomen toegewijd, maar toch willen we U graag zien. Maak alstublieft dat onze ogen Uw oorspronkelijke gedaante en Uw glimlachende lotus-gelaat kunnen zien en dat ook onze andere zintuigen U kunnen waarnemen. (Vedabase)
Met het één en het ander, in feitelijke gedaanten keer op keer verschijnend vanuit Uw persoonlijke wil, verricht U in eigen persoon, o Machtige, ongewone daden zodat U voor ons er waarlijk bent als de Allerhoogste Heer die de macht heeft [B.G. 4: 7].
O Heer, o Allerhoogste Godspersoon, U verschijnt millennium na millennium uit eigen vrije wil in allerlei incarnaties, en treedt dan op wonderbaarlijke wijze op door ongewone activiteiten te verrichten die voor ons onmogelijk zouden zijn. (Vedabase)
Voor mensen die eropuit zijn te genieten zijn er vele obstakels en weinig resultaten, waarbij men met zijn projecten eindigt in frustratie; als men zo is is men werkelijk niet van toewijding voor Hem.
Karmi's zijn er altijd op uit om geld te verdienen zodat ze hun zinnen kunnen bevredigen, maar ze moeten er heel hard voor werken. En hoe hard ze ook werken, het resultaat is niet bevredigend. Integendeel, soms leidt hun werk alleen maar tot frustratie. Maar toegewijden die hun leven gewijd hebben aan het dienen van de Heer kunnen tastbare resultaten behalen zonder al te hard te werken. Deze resultaten gaan de verwachtingen van de toegewijde te boven. (Vedabase)
Zelfs niet de geringste activiteit naar behoren volbracht is tevergeefs, omdat in toewijding tot de Beheerser [die de Tijd is] men U realiseert als de oorspronkelijke Ziel die voorzeker warmhartig en goedgunstig is voor iedere persoon.
Activiteiten gewijd aan de Allerhoogste Godspersoon, hoe onbetekenend ze ook mogen zijn, zijn nooit vergeefs. De Allerhoogste Godspersoon is als allerhoogste vader van nature zeer goed en altijd bereid om iets voor het welzijn van de levende wezens te doen. (Vedabase)
Zoals inderdaad met het water geven aan de wortels van een boom men eveneens water geeft aan de stam en de takken, is het ook met het eerbetoon voor Vishnu, de ziel van een ieder [zie ook 4.31: 14].
Wanneer men water op de wortels van een boom giet, worden de stam en de takken van die boom vanzelf gevoed. Op dezelfde manier is iedereen ermee gediend als men een toegewijde van Heer Vishnu wordt, want de Heer is de Superziel van iedereen. (Vedabase)
Al mijn eerbetuigingen voor U, mijn Heer der Eeuwigheid, o wonderdoener van het hogere bestaan, o Beheerser Aller Geaardheden die nu verwijlt in goedheid.'
O Heer, alle eerbetuigingen aan U, die eeuwig bent en boven de tijdgrenzen van verleden, heden en toekomst staat. Uw activiteiten zijn onvoorstelbaar, U bent de meester van de drie geaardheden der materiële natuur en omdat U transcendentaal aan alle materiële geaardheden bent, blijft U ook vrij van materiële besmetting. U bent de bestuurder van alledrie de geaardheden der natuur, maar op dit moment geeft U de voorkeur aan de geaardheid goedheid. Laten we onze nederige eerbetuigingen aan U brengen. (Vedabase)
*: Het verhaal luidt: 'Toen Durvâsâ Muni eens op weg was, zag hij Indra op de rug van zijn olifant en bood hij in zijn vreugde Indra een bloemenkrans van zijn nek. Indra, echter, al te opgeblazen, nam de bloemenkrans, en hing die zonder respect voor Durvâsâ Muni, aan de slurf van zijn draagolifant. De olifant, als een dier, kon de waarde van de krans niet begrijpen, en aldus gooide de olifant de bloemenkrans tussen zijn poten en verpletterde die daar. Deze beledigende gang van zaken ziend, vervloekte Durvâsâ Muni terstond Indra tot de bedelstaf, door verstoken te zijn van alle weelde. Aldus verloren de halfgoden, van de ene kant in het nauw gedreven door de vechtende demonen en van de andere kant door de vloek van Durvâsâ Muni, alle materiële weelde in de drie werelden.'
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Syamarani dâsî.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd