regelbalk


 
Canto 2

Mahâmantra 1

 

Hoofdstuk 1: De Eerste Stap in de God-realisatie

(-) Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer Vâsudeva. (1) S'rî S'uka zei: 'De vraag die u stelde is een glorieuze, daar goedgunstig als hij is voor alle mensen, o Koning, hij de goedkeuring draagt van de transcendentalisten en het Allerhoogste vormt voor iedereen in ieder soort van gehoor. (2) Er zijn talloze onderwerpen waar men over kan vernemen in de menselijke samenleving, o Keizer, en die van belang zijn voor hen die materieel vergroofd en blind zijn voor de werkelijkheid van de ziel. (3) Hun nachten verspillend met slapen of het bedrijven van sex brengen ze ofwel hun dagen door met het verwerven van inkomsten, of met het in stand houden van hun gezin, o Koning. (4) Ondanks het ervaren van de destructiviteit van de feilbare soldaten van het lichaam, de kinderen, de echtgenote en alles wat erbij hoort, zien ze, te gehecht als ze zijn, dat niet in. (5) Om deze reden, o afstammeling van Bharata, moet de Superziel, de Hoogste Persoonlijkheid die de beheersende en overwinnende Heer is, worden besproken, verheerlijkt en ook herinnerd daar Hij diegenen die verlangen bevrijdt van de angst. (6) Al dit analyseren in de kennis van de yoga van iemands eigen aard en hoe een persoon door zijn geboorte het volle besef van het Allerhoogste zou moeten bereiken, heeft uiteindelijk slechts betrekking op de heugenis van Nârâyana [Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid]. (7) Hoofdzakelijk die wijzen, o Koning, die door de restricties transcendentaal boven de regulerende principes staan, zijn degenen die er behagen in scheppen om in het bijzonder de heerlijkheden van de Heer te beschrijven.

(8) Deze geschiedenis genaamd het Bhâgavatam bevat de essentie van de Veda's en werd aan het einde van dit Dvâpara Tijdperk [yuga van het eren van vorsten] door mijzelf bestudeerd bij mijn vader Dvaipâyana Vyâsa. (9) Hoewel volledig gerealiseerd in bovenzinnelijkheid werd mijn aandacht getrokken naar de verlichte verzen over het spel en vermaak, o heilige koning, waarvan ik de inhoud bestudeerde. (10) Die zal ik u voordragen, daar u van uw goede zelf de meest oprechte toegewijde bent - zij die er hun volle aandacht en respect aan geven zullen zeer spoedig een onwankelbaar geloof in Mukunda vinden [Krishna als de Heer die bevrijding schenkt]. (11) Van hen die vrij zijn van materiële verlangens, van hen die begeren èn van allen die vrij van angst en twijfel innerlijk verenigd zijn [de yogi's], o Koning, is het de vaststaande waarheid van de Heer Zijn heilige naam waar men in navolging ['altijd'] voor zingt. (12) Wat is er beter, voor de verbijsterden in het onervarene van hun vele jaren in deze wereld, dan één moment van bewust proberen terwille van de zaak van het opperste belang? (13) De heilige koning die bekend staat als Khatvânga, wetende dat het leven in deze wereld maar een ogenblik duurt, zette alles van zich af en ervoer de volledige geborgenheid van de Heer. (14) O lid van de Kuru-familie, daarom zou ook uw levensduur, die beperkt is tot zeven dagen, u ook er toe moeten inspireren om alles te volbrengen wat traditioneel behoort bij de rituelen voor een volgend leven. (15) Als men het einde van zijn leven ziet naderen behoort men vrij te zijn van de angst voor de dood in het kappen met alle begeerten en al het fysieke dat er betrekking op heeft, middels het wapen van het niet-gehecht zijn. (16) Nadat men zijn thuis verlaten heeft, in vrome zelfbeheersing op weg naar een heilige plaats, behoort men, naar behoren gereinigd en gezuiverd, in de goede houding te gaan zitten in afzondering, overeenkomstig de reglementen. (17) Het denken behoort men te onderwerpen aan het praktizeren van de drie heilige letters [A-U-M], en op die manier bereikt men, zonder het zaad van het Absolute [Brahman, de onpersoonlijke geest] te vergeten, de beheersing van het Allerhoogste door het reguleren van de ademhaling. (18) Wend voor het heil van de deugd, geconcentreerd in meditatie, de geest af van dat waar de zintuigen zich mee bezighouden, daar de intelligentie, opgegaan in vruchtdragende handelingen, geneigd is zich te laten leiden door het denkapparaat. (19) Daarna de geest, zonder het zicht op het geheel te verliezen, concentrerend op de verschillende onderdelen en verdelingen [van het lichaam als ook van de logica], behoort men bijgevolg aan niets anders te denken dan de voeten van die Allerhoogste Vishnu, die de geest tot verzoening brengt. (20) Vanwege de hartstocht en onbeweeglijkheid van de natuur is het denken altijd aangedaan en verbijsterd, maar men zal zien dat dat recht gezet wordt in de concentratie van dat wat vrede vond en al het verkeerde vernietigt. (21) Gefixeerd in de gewoonte van een dergelijke systematische heugenis zullen de mystici die aan deze toewijding vasthouden spoedig succes hebben in de toevlucht van de yoga die dit alles als het goede ziet.'

(22) De koning, aandachtig voor wat was gezegd, vroeg: 'O brahmaan, wat is in het kort het idee van waar en hoe een persoon zich moet bezighouden met of vasthouden aan, om zonder omhaal te kunnen ontkomen aan een onzuivere geest?'

(23) S'rî S'uka zei: 'Van het beheerste zitten en ademhalen, moeten de associaties van de zintuigen gericht op de grove materie van de Heer Zijn uiterlijke trekken, op intelligente wijze betrokken zijn.

(24) Zijn individuele lichaam is deze grofstoffelijke materiële wereld waarin we al het verleden, heden en toekomstige ervaren dat deel uitmaakt van het bestaan van dit universum. (25) Dit uiterlijk omhulsel van het universum dat bekend staat als een lichaam met zeven lagen [vuur, water, aarde, ether, ego, noumenon en fenomeen, zie ook kos'a's], vormt het idee van het voorwerp van de Universele Gedaante van de purusha als de Allerhoogste Heer. (26) De lagere werelden worden door hen die het bestudeerden onderkend als Zijn voetzolen [genaamd Pâtâla], waarbij Zijn hielen en tenen Rasâtala zijn genaamd, Zijn enkels Mahâtala en de kuiten van de gigantische persoon de Talâtala werelden worden genoemd. (27) De twee knieën van de Universele Gedaante worden Sutala genoemd, de dijen Vitala en Atala en de heupen zijn Mahîtala genaamd, o Koning, terwijl men de kosmische ruimte houdt voor de welving van Zijn navel. (28) De hogere verlichte werelden zijn van Zijn borstkas, met daarboven de nek genaamd Mahar, Zijn mond is genaamd Jana terwijl Tapas de naam is van de werelden van het voorhoofd met Satyaloka [de wereld van de Waarheid] als de opperste van de [midden]werelden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die duizend hoofden heeft. (29) De goden aangevoerd door Indra zijn Zijn armen, de vier windrichtingen zijn Zijn oren en geluid is Zijn hoorzin. De neusvleugels van het Allerhoogste zijn de As'vinî-Kumâra's [een soort halfgoden], terwijl geur Zijn reukzin is en Zijn mond het laaiende vuur. (30) Het omhulsel van de atmosfeer vormt Zijn oogkassen terwijl de oogbol van de zon Zijn zien vormt. De oogleden van Vishnu zijn de dag en de nacht, de bewegingen van Zijn wenkbrauwen zijn het allerhoogste wezen [Brahmâ en andere halfgoden], Zijn verhemelte is de bestuurder van het water [Varuna] en Zijn tong is waarlijk het zoete sap. (31) Ze zeggen dat de vedische hymnen het denkproces van de Onbegrensde zijn, dat de kaken Yamarâja [de Heer van de dood] vormen, Zijn tanden Zijn genegenheid zijn en dat Zijn glimlach de hoogst bekoorlijke onoverkomelijke materiële energie [mâyâ] is; de materiële schepping is slechts het werpen van Zijn blik. (32) Bescheidenheid is Zijn bovenlip, Zijn kin voorzeker de hunkering, religie is Zijn borst, en de weg der ongelovigheid is Zijn rug. Brahmâ vormt Zijn genitaliën, Zijn testikels zijn de Mitrâ-varuna's [de vrienden], Zijn middel de oceanen en Zijn verzameling botten zijn de bergen. (33) Zijn aderen zijn de rivieren en de planten en bomen zijn de haren op het lichaam van de Universele Gedaante, o Koning. De lucht is Zijn almachtige ademhaling, het verloop der tijdperken Zijn beweging en de terugslagen van de geaardheden der materiële natuur zijn Zijn activiteiten. (34) Laat me u zeggen dat de haren op het hoofd van de Allerhoogste Beheerser de wolken zijn, o beste van de Kuru's, en dat de intelligentie van de Almachtige de grondoorzaak is van de materiële schepping, zo zegt men. Zijn denken, de bron van alle veranderingen, staat bekend als de maan. (35) Het materiële principe vormt Zijn bewustzijn terwijl, zo zegt men, Heer S'iva de innerlijke oorzaak is (Zijn ego, Zijn zelf). Het paard, het muildier, de kameel en de olifant zijn Zijn nagels en al het andere wild en de viervoetigen zijn in de streek van Zijn gordel vertegenwoordigd. (36) Het zingen van de vogels is Zijn kunstzin, en Manu, de vader van de mens vormt de inhoud van Zijn gedachten met de mensheid als Zijn verblijfplaats. De engelen en hemelse wezens [de Gandharva's, Vidyâdhara's en Cârana's] vormen Zijn muzikale ritme en de herinnering aan terroriserende soldaten vertegenwoordigt Zijn kunnen. (37) Met de intellectuelen [brahmanen] als het gezicht en de heersers [kshatriya's] als de greep van de Universele Gedaante, zijn de handelaren [vais'ya's] de dijen en de arbeiders [s'ûdra's, de donkere of 'krishna'-klasse] zij die de bescherming van Zijn voeten genieten. Door de verschillende namen van de halfgoden overheerst Hij met het verschaffen van geschikte goederen [die Hem tevreden stellen] middels het brengen van offers.

(38) Ik heb u een uiteenzetting gegeven van al deze lokaties in de Gedaante van de Heer opdat een ieder die zich concentreert op deze virâth-rûpa Universele Gedaante middels de intelligentie zijn doel kan bereiken, daar er buiten Hem in het grofstoffelijke als zodanig niets anders te vinden is. (39) Hij die van alle realisatie een ieder kent als de Superziel ongeveer zoals een dromer het ziet, is de ene Allerhoogste Waarheid en oceaan van gelukzaligheid. In Zijn richting behoort men nooit iets anders te aanbidden of men zal zich door gehechtheden verlaagd zien.'

 

next                               

 
 

Tweede editie, geladen 28 maart 2006. 

 

 

 

Bronteksten:

De eerste stap op het geestelijk pad.

 

Tekst - :

Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer Vâsudeva.

O mijn Heer, o alomtegenwoordige Godspersoon, U breng ik mijn eerbiedige eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 1:

S'rî S'uka zei: 'De vraag die u stelde is een glorieuze, daar goedgunstig als hij is voor alle mensen, o Koning, hij de goedkeuring draagt van de transcendentalisten en het Allerhoogste vormt voor iedereen in ieder soort van gehoor.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Waarde vorst, uw vraag is luisterrijk, omdat alle soorten mensen met het antwoord erop ten zeerste hun voordeel kunnen doen. Dit antwoord is het beste wat men horen kan en heeft de instemming van ieder die een geestelijk leven leidt. (Vedabase)

 

Tekst 2:

Er zijn talloze onderwerpen waar men over kan vernemen in de menselijke samenleving, o Keizer, en die van belang zijn voor hen die materieel vergroofd en blind zijn voor de werkelijkheid van de ziel.

Degenen die opgaan in het stoffelijke, o keizer, en in het geheel geen oog hebben voor de kennis aangaande de uiteindelijke waarheid, vinden in de menselijke samenleving tal van zaken om over te praten. (Vedabase)

 

Tekst 3:

Hun nachten verspillend met slapen of het bedrijven van sex brengen ze ofwel hun dagen door met het verwerven van inkomsten, of met het in stand houden van hun gezin, o Koning.

Zulke afgunstige huislieden brengen hun leven door met seks en slapen 's nachts en met geld verdienen of voor hun gezin zorgen overdag. (Vedabase)

 

Tekst 4:

Ondanks het ervaren van de destructiviteit van de feilbare soldaten van het lichaam, de kinderen, de echtgenote en alles wat erbij hoort, zien ze, te gehecht als ze zijn, dat niet in.

Mensen zonder âtma-tattva verdiepen zich niet in de levensproblemen, aangezien ze te veel gehecht zijn aan feilbare bondgenoten als lichaam, kinderen en vrouw. Al hebben ze genoeg levenservaring, toch hebben ze geen oog voor hun onvermijdelijke vernietiging. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Om deze reden, o afstammeling van Bharata, moet de Superziel, de Hoogste Persoonlijkheid die de beheersende en overwinnende Heer is, worden besproken, verheerlijkt en ook herinnerd daar Hij diegenen die verlangen bevrijdt van de angst.

O telg van Koning Bharata, wie vrij wil zijn van elke vorm van ellende moet horen van de Godspersoon, de Superziel, de bestuurder, degeen die van alle ellende redt, Hem verheerlijken en zich Hem heugen. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Al dit analyseren in de kennis van de yoga van iemands eigen aard en hoe een persoon door zijn geboorte het volle besef van het Allerhoogste zou moeten bereiken, heeft uiteindelijk slechts betrekking op de heugenis van Nârâyana [Krishna als de Hoogste Persoonlijkheid].

De hoogste volmaaktheid van het mensenleven, of men haar nu bereikt door volkomen kennis van stof en geest, door het werken met mystieke vermogens of door juiste plichtbetrachtingen naar gelang de positie die men bekleedt, bestaat erin dat men zich in het stervensuur de Godspersoon heugt. (Vedabase)

 

Tekst 7:

Hoofdzakelijk die wijzen, o Koning, die door de restricties transcendentaal boven de regulerende principes staan, zijn degenen die er behagen in scheppen om in het bijzonder de heerlijkheden van de Heer te beschrijven.

O Koning Parîkshit, het zijn hoofdzakelijk de meest verheven personen in het geestelijk leven, ontstegen aan de regulerende beginselen en beperkingen, die vol vreugde de heerlijkheid van de Heer beschrijven. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Deze geschiedenis genaamd het Bhâgavatam bevat de essentie van de Veda's en werd aan het einde van dit Dvâpara Tijdperk [yuga van het eren van vorsten] door mijzelf bestudeerd bij mijn vader Dvaipâyana Vyâsa.

Aan het eind van Dvâpara-yuga bestudeerde ik deze grootste aanvulling op de Vedische geschriften, S'rîmad-Bhâgavatam geheten, dat alle Veda's evenaart, onder leiding van mijn vader, S'rîla Dvaipâyana Vyâsadeva. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Hoewel volledig gerealiseerd in bovenzinnelijkheid werd mijn aandacht getrokken naar de verlichte verzen over het spel en vermaak, o heilige koning, waarvan ik de inhoud bestudeerde.

O heilige vorst, hoewel ik me beslist volkomen op het bovenzinnelijke vlak bevond, werd ik niettemin aangetrokken door de schildering van het spel en vermaak van de Heer, die met verlichte verzen beschreven wordt. (Vedabase)

 

Tekst 10

Die zal ik u voordragen, daar u van uw goede zelf de meest oprechte toegewijde bent - zij die er hun volle aandacht en respect aan geven zullen zeer spoedig een onwankelbaar geloof in Mukunda vinden [Krishna als de Heer die bevrijding schenkt].

Dit hoogsteigen S'rîmad-Bhâgavatam nu zal ik voor u uitspreken, omdat u de meest oprechte toegewijde van Heer Krishna bent. Wie het S'rîmad-Bhâgavatam met alle aandacht en eerbied aanhoort, komt tot onwankelbaar geloof in de Opperheer, die verlossing schenkt. (Vedabase)

 

Tekst 11

Van hen die vrij zijn van materiële verlangens, van hen die begeren èn van allen die vrij van angst en twijfel innerlijk verenigd zijn [de yogi's], o Koning, is het de vaststaande waarheid van de Heer Zijn heilige naam waar men in navolging ['altijd'] voor zingt.

O koning, het voortdurend uiten van de heilige naam van de Heer naar voorbeeld van de grote autoriteiten is de twijfel- en angstloze weg waarlangs iedereen zijn leven met sukses bekroond ziet, ook degenen die geen enkel materieel verlangen kennen, degenen die slechts op materieel genot uit zijn én degenen die krachtens verworven bovenzinnelijke kennis innerlijk voldaan zijn. (Vedabase)

 

Tekst 12:

Wat is er beter, voor de verbijsterden in het onervarene van hun vele jaren in deze wereld, dan één moment van bewust proberen terwille van de zaak van het opperste belang?

Wat is de waarde van een lang leven als het vergooid wordt zonder dat men met de jaren diepere ervaring opdoet? Het is beter één ogenblik van volledig bewustzijn te kennen, omdat men hierdoor zijn hoogste belang op het spoor komt. (Vedabase)

 

Tekst 13:

De heilige koning die bekend staat als Khatvânga, wetende dat het leven in deze wereld maar een ogenblik duurt, zette alles van zich af en ervoer de volledige geborgenheid van de Heer.

Toen de heilige Koning Khatvânga te weten kwam dat hij nog slechts één ogenblik te leven had, maakte hij zich dadelijk van alle materiële aktiviteiten los en vertrouwde zich toe aan de hoogste veiligheid, de Godspersoon. (Vedabase)

 

Tekst 14:

O lid van de Kuru-familie, daarom zou ook uw levensduur, die beperkt is tot zeven dagen, u ook er toe moeten inspireren om alles te volbrengen wat traditioneel behoort bij de rituelen voor een volgend leven.

Mahârâja Parîkshit, uw levensduur is nu beperkt tot nog zeven dagen, dus in dit tijdsbestek kunt u zich met de nodige riten naar beste vermogen op uw volgende leven voorbereiden. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Als men het einde van zijn leven ziet naderen behoort men vrij te zijn van de angst voor de dood in het kappen met alle begeerten en al het fysieke dat er betrekking op heeft, middels het wapen van het niet-gehecht zijn.

In het laatste levensuur dient men de stoutmoedigheid te hebben om niet bang te zijn voor de dood. Men moet afdoen met alle gehechtheid met betrekking tot het stoffelijk lichaam en alles wat ermee verband houdt en alle verlangens dienaangaande. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Nadat men zijn thuis verlaten heeft, in vrome zelfbeheersing op weg naar een heilige plaats, behoort men, naar behoren gereinigd en gezuiverd, in de goede houding te gaan zitten in afzondering, overeenkomstig de reglementen.

Men dient van huis te gaan en zich te bekwamen in zelfbeheersing. Verblijvend in een heilig oord, dient men zich geregeld te baden en plaats te nemen op een eenzame plek, geheiligd en wel. (Vedabase)
 
Tekst 17:

Het denken behoort men te onderwerpen aan het praktizeren van de drie heilige letters [A-U-M], en op die manier bereikt men, zonder het zaad van het Absolute [Brahman, de onpersoonlijke geest] te vergeten, de beheersing van het Allerhoogste door het reguleren van de ademhaling.

Eenmaal zo gezeten, moet men de geest zich de drie bovenzinnelijke klanken [A-U-M] laten heugen, en hem door adembeteugeling zo bedwingen, dat hij het bovenzinnelijke zaad niet vergeet. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Wend voor het heil van de deugd, geconcentreerd in meditatie, de geest af van dat waar de zintuigen zich mee bezighouden, daar de intelligentie, opgegaan in vruchtdragende handelingen, geneigd is zich te laten leiden door het denkapparaat.

Wend de geest, wanneer hij geleidelijk steeds meer gezuiverd raakt, van de zinsaktiviteiten af, zodat de zinnen door het verstand worden beteugeld. De geest die te veel in stoffelijke bezigheden opgaat kan in dienst van de Godspersoon verbonden worden en in vol bovenzinnelijk bewustzijn verankerd raken. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Daarna de geest, zonder het zicht op het geheel te verliezen, concentrerend op de verschillende onderdelen en verdelingen [van het lichaam als ook van de logica], behoort men bijgevolg aan niets anders te denken dan de voeten van die Allerhoogste Vishnu, die de geest tot verzoening brengt.

Vervolgens dient u te mediteren op Vishnu's ledematen, de een na de ander, zonder daarbij het beeld van de hele gedaante uit het oog te verliezen. Zo raakt de geest van alle zinsobjekten ontdaan. Er mag niets anders zijn waaraan hij denken moet. Aangezien de Allerhoogste Godspersoon, Vishnu, de Hoogste Waarheid is, raakt de geest alleen in Hem volkomen verzoend. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Vanwege de hartstocht en onbeweeglijkheid van de natuur is het denken altijd aangedaan en verbijsterd, maar men zal zien dat dat recht gezet wordt in de concentratie van dat wat vrede vond en al het verkeerde vernietigt.

De geest is altijd in beroering door de geaardheid hartstocht van de stoffelijke natuur en van streek door de geaardheid onwetendheid. Maar door met Vishnu in verbinding te treden kan men zich van deze invloeden ontdoen en rust vinden door zich van de door hen verwekte ongerechtigheden te reinigen. (Vedabase)

 

Tekst 21:

Gefixeerd in de gewoonte van een dergelijke systematische heugenis zullen de mystici die aan deze toewijding vasthouden spoedig succes hebben in de toevlucht van de yoga die dit alles als het goede ziet.'

O koning, door deze stelselmatige heugenis en door zich er strikt aan te wennen het algoede persoonlijke beeld van de Heer voor ogen te hebben, kan men zeer spoedig tot toegewijde dienst aan de Heer komen onder Zijn rechtstreekse hoede. (Vedabase)

 

Tekst 22:

De koning, aandachtig voor wat was gezegd, vroeg: 'O brahmaan, wat is in het kort het idee van waar en hoe een persoon zich moet bezighouden met of vasthouden aan, om zonder omhaal te kunnen ontkomen aan een onzuivere geest?'

Verder vragend, zei de gelukkige Koning Parîkshit: O brâhmana, beschrijf me alstublieft in bijzonderheden hoe en waarop de geest zich moet richten en hoe het richtpunt kan worden vastgehouden, zodat het vuil uit de geest verwijderd kan worden. (Vedabase)

 

Tekst 23:

S'rî S'uka zei: 'Van het beheerste zitten en ademhalen, moeten de associaties van de zintuigen gericht op de grove materie van de Heer Zijn uiterlijke trekken, op intelligente wijze betrokken zijn.

S'ukadeva Gosvâmî antwoordde: Men dient in beheerste zithouding en volgens de prânâyâma-yoga-methode met beteugelde ademhaling de geest en de zinnen te bedwingen en met gebruikmaking van het verstand de geest op de grofstoffelijke vermogens van de Heer te richten [virâth-rûpa]. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Zijn individuele lichaam is deze grofstoffelijke materiële wereld waarin we al het verleden, heden en toekomstige ervaren dat deel uitmaakt van het bestaan van dit universum.

Deze gigantische openbaring van de stoffelijke wereld der verschijnselen in haar geheel is het persoonlijke lichaam van de Absolute Waarheid, waarin men het daarmee verbonden verleden, heden en toekomstige van de materiële tijd in de kosmos ervaart. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Dit uiterlijk omhulsel van het universum dat bekend staat als een lichaam met zeven lagen [vuur, water, aarde, ether, ego, noumenon en fenomeen, zie ook kos'a's], vormt het idee van het voorwerp van de Universele Gedaante van de purusha als de Allerhoogste Heer.

De gigantische kosmische gedaante van de Godspersoon, in de ruimte omsloten door de schaal van het universum, bestaande uit zeven geledingen van de verschillende stoffelijke elementen, vormt het beeld van de virâth-beschouwer. (Vedabase)

 

Tekst 26:

De lagere werelden worden door hen die het bestudeerden onderkend als Zijn voetzolen [genaamd Pâtâla], waarbij Zijn hielen en tenen Rasâtala zijn genaamd, Zijn enkels Mahâtala en de kuiten van de gigantische persoon de Talâtala werelden worden genoemd.

Personen die deze dingen hebben gerealiseerd laten op grond van hun onderzoek weten dat de Pâtâla-planeten de voetzolen van de kosmische Heer vormen en de Rasâtala-planeten Zijn hielen en tenen. Zijn enkels zijn de Mahâtala-planeten en Zijn schenen de Talâtala-planeten. (Vedabase)

 

Tekst 27:

De twee knieën van de Universele Gedaante worden Sutala genoemd, de dijen Vitala en Atala en de heupen zijn Mahîtala genaamd, o Koning, terwijl men de kosmische ruimte houdt voor de welving van Zijn navel.

De knieën van de kosmische gedaante vormen het Sutala-planetenstelsel, en de dijen zijn het Vitala- en het Atala-planetenstelsel. De heupen zijn Mahîtala en de ruimte is Zijn navelput. (Vedabase)

 

Tekst 28:

De hogere verlichte werelden zijn van Zijn borstkas, met daarboven de nek genaamd Mahar, Zijn mond is genaamd Jana terwijl Tapas de naam is van de werelden van het voorhoofd met Satyaloka [de wereld van de Waarheid] als de opperste van de [midden]werelden van de Oorspronkelijke Persoonlijkheid die duizend hoofden heeft.

De borst van de Oorspronkelijke Persoon van de gigantische gedaante wordt gevormd door de lichtgevende hemellichamen. Zijn hals door de Mahar-planeten, Zijn mond door de Jana-planeten en Zijn voorhoofd door de Tapas-planeten; het hoogste planetenstelsel, bekend als Satyaloka, vormt het hoofd van Hem die duizend hoofden heeft. (Vedabase)

 

Tekst 29:

De goden aangevoerd door Indra zijn Zijn armen, de vier windrichtingen zijn Zijn oren en geluid is Zijn hoorzin. De neusvleugels van het Allerhoogste zijn de As'vinî-Kumâra's [een soort halfgoden], terwijl geur Zijn reukzin is en Zijn mond het laaiende vuur.

Zijn armen zijn de halfgoden onder leiding van Indra, de tien richtingen zijn Zijn oren, terwijl de uiterlijke klank Zijn gehoor vormt. Zijn neusgaten zijn de twee As'vinî-Kumâra's en de geur van de wereld is Zijn reukzin. Zijn mond is het laaiend vuur. (Vedabase)
 
Tekst 30:

Het omhulsel van de atmosfeer vormt Zijn oogkassen terwijl de oogbol van de zon Zijn zien vormt. De oogleden van Vishnu zijn de dag en de nacht, de bewegingen van Zijn wenkbrauwen zijn het allerhoogste wezen [Brahmâ en andere halfgoden], Zijn verhemelte is de bestuurder van het water [Varuna] en Zijn tong is waarlijk het zoete sap.

Zijn oogkassen zijn de buitenste ruimte en Zijn oogbol is de zon als Zijn gezichtsvermogen. Zijn oogleden zijn dag en nacht, en in de bewegingen van Zijn wenkbrauwen wonen de Brahmâ en andere verheven personen. Zijn verhemelte is Varuna, de waterbestuurder, en het sap of wezen van alles is Zijn tong. (Vedabase)

 

Tekst 31:

Ze zeggen dat de vedische hymnen het denkproces van de Onbegrensde zijn, dat de kaken Yamarâja [de Heer van de dood] vormen, Zijn tanden Zijn genegenheid zijn en dat Zijn glimlach de hoogst bekoorlijke onoverkomelijke materiële energie [mâyâ] is; de materiële schepping is slechts het werpen van Zijn blik.

Ze zeggen dat de Vedische zangen de hersenpan van de Heer zijn en Zijn kaken Yama, de heer des doods, die de zondaren straft. De liefdeskunst is Zijn gebit en de hoogst bekoorlijke begoochelende stoffelijke energie is Zijn glimlach. Deze grote oceaan van de stoffelijke schepping is slechts een blik die Hij ons toewerpt. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Bescheidenheid is Zijn bovenlip, Zijn kin voorzeker de hunkering, religie is Zijn borst, en de weg der ongelovigheid is Zijn rug. Brahmâ vormt Zijn genitaliën, Zijn testikels zijn de Mitrâ-varuna's [de vrienden], Zijn middel de oceanen en Zijn verzameling botten zijn de bergen.

Ingetogenheid is Zijn bovenlip, begeerte Zijn kin, religie Zijn borst en goddeloosheid Zijn rug. Brahmâjî, die alle levende wezens in de stoffelijke wereld verwekt, is het geslachtsdeel van de Heer, terwijl de Mitrâ-varuna's Zijn testikels zijn. De oceaan is Zijn middel en de bergen vormen het geheel van Zijn gebeente. (Vedabase)

 

Tekst 33:

Zijn aderen zijn de rivieren en de planten en bomen zijn de haren op het lichaam van de Universele Gedaante, o Koning. De lucht is Zijn almachtige ademhaling, het verloop der tijdperken Zijn beweging en de terugslagen van de geaardheden der materiële natuur zijn Zijn activiteiten.

O koning, de rivieren zijn de aderen van de reusachtige gedaante, de bomen zijn de beharing ervan en de almachtige lucht is Zijn adem. Het verstrijken van de tijden is Zijn bewegen, en Zijn aktiviteiten zijn de terugslagen van de drieërlei aard der stoffelijke natuur. (Vedabase)

 

Tekst 34:

Laat me u zeggen dat de haren op het hoofd van de Allerhoogste Beheerser de wolken zijn, o beste van de Kuru's, en dat de intelligentie van de Almachtige de grondoorzaak is van de materiële schepping, zo zegt men. Zijn denken, de bron van alle veranderingen, staat bekend als de maan.

O beste der Kuru's, de waterdragende wolken zijn Zijn hoofdhaar, de overgang van dag en nacht en andersom is Zijn kleding en de grondoorzaak van de stoffelijke schepping is Zijn intelligentie. Zijn geest is de maan, de bron van alle veranderingen. (Vedabase)

 

Tekst 35:

Het materiële principe vormt Zijn bewustzijn terwijl, zo zegt men, Heer S'iva de innerlijke oorzaak is. (Zijn ego, Zijn zelf) Het paard, het muildier, de kameel en de olifant zijn Zijn nagels en al het andere wild en de viervoetigen zijn in de streek van Zijn gordel vertegenwoordigd.

Het materiële principe [mahat-tattva] is het bewustzijn van de alomtegenwoordige Heer, zoals deskundigen verzekeren, en Rudradeva is Zijn ego. Paard, muilezel, kameel en olifant zijn Zijn nagels, en wilde dieren en alle viervoeters verwijlen in de gordelzone van de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 36:

Het zingen van de vogels is Zijn kunstzin, en Manu, de vader van de mens vormt de inhoud van Zijn gedachten met de mensheid als Zijn verblijfplaats. De engelen en hemelse wezens [de Gandharva's, Vidyâdhara's en Cârana's] vormen Zijn muzikale ritme en de herinnering aan terroriserende soldaten vertegenwoordigt Zijn kunnen.

De verscheidenheid aan vogelsoorten geeft blijk van Zijn kunstzinnigheid. Manu, de vader der mensheid, toont het beeld van Zijn basis-intelligentie en de mensheid vormt Zijn woonoord. De menselijke soorten hemelbewoners, zoals de Gandharva's, Vidyâdhara's, Cârana's en engelen, geven Zijn muziekritme weer en de demonische krijgers vertegenwoordigen Zijn schitterende bedrevenheid. (Vedabase)

 

Tekst 37:

Met de intellectuelen [brahmanen] als het gezicht en de heersers [kshatriya's] als de greep van de Universele Gedaante, zijn de handelaren [vais'ya's] de dijen en de arbeiders [s'ûdra's, de donkere of 'krishna'-klasse] zij die de bescherming van Zijn voeten genieten. Door de verschillende namen van de halfgoden overheerst Hij met het verschaffen van geschikte goederen [die Hem tevreden stellen] middels het brengen van offers.

Het gezicht van de virâth-purusha wordt gevormd door de brâhmana's. Zijn armen zijn kshatriya's, Zijn dijen de vais'ya's, en de s'ûdra's genieten de bescherming van Zijn voeten. Alle aanbiddenswaardige goden worden eveneens door Hem omvat, en het is ieders plicht om de Heer tot Zijn tevredenheid offers te brengen met dienstige zaken. (Vedabase)

 

Tekst 38:

Ik heb u een uiteenzetting gegeven van al deze lokaties in de Gedaante van de Heer opdat een ieder die zich concentreert op deze virâth-rûpa Universele Gedaante middels de intelligentie zijn doel kan bereiken, daar er buiten Hem in het grofstoffelijke als zodanig niets anders te vinden is.

Zo heb ik u de grofstoffelijke opvatting van de reusachtige gedaante van de Godspersoon verklaard. Wie ernstig verlossing begeert richte de geest op deze gedaante van de Heer, aangezien er in de stoffelijke wereld niets meer is dan dit. (Vedabase)

 

Tekst 39:

Hij die van alle realisatie een ieder kent als de Superziel ongeveer zoals een dromer het ziet, is de ene Allerhoogste Waarheid en oceaan van gelukzaligheid. In Zijn richting behoort men nooit iets anders te aanbidden of men zal zich door gehechtheden verlaagd zien.'

Men dient de geest op de Allerhoogste Godspersoon te richten, die Zich als enige in tal van openbaringen verbreidt, zoals een gewoon mens zich op duizenden manieren manifesteert in zijn droom. Men gelieve de geest te richten op Hem, de ene, algelukzalige Absolute Waarheid. Anders raakt men verward en wordt zo de oorzaak van zijn eigen val. (Vedabase

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
De afbeelding van de virâth-purusha op deze pagina is van
Johannes Ptok
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties