Canto 1 |
|
Hoofdstuk 7: De Zoon van Drona Gestraft
(1) S'rî S'aunaka zei: "Wat deed, toen Nârada Muni was vertrokken, de alvervulde Vyâsadeva nadat hij van de grote wijze gehoord had wat hij wilde horen?"
(2) Sûta antwoordde: "Op de westelijke oever van de Sarasvatî waar de wijzen mediteren is er bij S'amyâprâsa een âs'rama voor de bevordering van bovenzinnelijke activiteiten. (3) Daar, op zijn eigen plek zat Vyâsadeva omringd door bessenbomen zijn denken te concentreren na het doen van zijn waterofferande. (4) Met zijn denken in de toewijding van de yoga gelijkgericht zag hij, volmaakt gefixeerd zonder materiële zorgen, het geheel van de Oorspronkelijke Persoon [de purusha] in combinatie met de uitwendige energie die van Hem afhankelijk is. (5) De levende wezens geconditioneerd op de natuurlijke geaardheden, beschouwen, ondanks het transcendentale van hun ziel, het ongewenste als iets vanzelfsprekends en ondergaan daarvan de terugslagen. (6) Voor de gewone man, zich niet bewust van het einde van het ongewenste dat men vindt in de yoga van de toewijding tot Hem die Zich in het voorbije bevindt, verzamelde de wijze, dit inziend, de verschillende verhalen met betrekking tot de Absolute Waarheid. (7) Eenvoudigweg aandacht besteden aan de literatuur over Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, zal het devotionele doen ontspruiten dat het weeklagen, de illusie en de angst wegneemt. (8) Na de verzamelingen van verhalen te hebben bijeengebracht en geredigeerd, onderrichtte hij zijn zoon S'ukadeva Gosvâmî erin, de wijze van ernst in de zelfverwerkelijking."
(9) S'aunaka vroeg: "Waarom zou hij, volledig op het pad der zelfverwerkelijking en innerlijk tevreden in goddelijke onverschilligheid, deze uitgebreide studie ondergaan?"
(10) Sûta zei: "De wonderbaarlijke kwaliteiten van de Heer zijn van die aard dat, ondanks het feit dat men behagen schept in de ziel, zowel de gewone man als de wijzen vrij van alle materiële bindingen zuivere toegewijde dienst verrichten ter wille van Heer Vishnu, Urukrama. (11) Met de kwaliteit van verzonkenheid in aandacht voor de Allerhoogste Heer, was S'uka, als de zoon van Vyâsa, bij de toegewijden geliefd vanwege het feit dat hij de regelmatige studie op zich had genomen van deze grootse vertelling. (12) Laat me u daarom nu de verhalen van Krishna vertellen over de geboorte, activiteiten en bevrijding van koning Parîkchit, de wijze onder de Koningen, zowel als het verhaal van de wereldverzaking van de zonen van Pându.
(13-14) Toen op het slagveld van Kurukshetra de krijgslieden van de Pândava's en de Kaurava's hun heroïsche lotsbestemming gevonden hadden en de zoon van koning Dhritarâshthra [Duryodhana] weeklaagde over de gebroken ruggengraat als gevolg van een klap van de knots van Bhîma, dacht de zoon van Dronâcârya [As'vatthâmâ] zijn meester Duryodhana te behagen door hem bij wijze van prijs de hoofden van de slapende zonen van Draupadî te bezorgen - maar toen de meester dit te zien kreeg keurde hij deze schandelijke daad af. (15) De moeder van de kinderen [van de Pândava's], huilde bittere tranen in weeklagen toen ze van de slachting hoorde. Arjuna [die de Pândava's aanvoerde], probeerde haar te kalmeren en zei: (16) 'O zachtmoedige dame, ik kan alleen maar de tranen van uw wangen wissen, als het hoofd van die gevallen brahmaanse agressor er is afgeschoten door de pijlen van mijn boog Gândîva. Ik zal het u komen brengen zodat u er uw voet op kan plaatsen en dan, na de crematie van uw zoons, een bad kan nemen.' (17) Na haar met deze keur aan woorden tevreden hebben gesteld besteeg Arjuna, hij die geleid wordt door de Onfeilbare, gewapend en in kuras, zijn strijdwagen om As'vatthâmâ, de zoon van zijn leraar in de krijgskunst, te achtervolgen. (18) Toen die hem op een afstand achter zich aan zag komen, raakte de kindermoordenaar in paniek en vluchtte hij met grote snelheid in zijn strijdwagen weg om zijn leven te redden, zoals Sûrya voor S'iva wegvluchtte [*]. (19) Zich onbeschermd ziend toen zijn paarden uitgeput raakten, nam de zoon van de tweemaal geborene [As'vatthâmâ], alleen maar aan zichzelf denkend, zijn toevlucht tot het ultieme wapen [de brahmâstra]. (20) Met zijn leven in gevaar, beroerde hij water en concentreerde hij zich op het reciteren van de mantra's, zonder echter te weten hoe hij het proces moest stoppen. (21) Een hel licht verspreidde zich dermate fel in alle richtingen, dat bij het zien van die levensbedreiging Arjuna zich wendde tot de Heer [die zijn strijdwagen mende] en zei: (22) 'O, Krishna, Krishna, Jij bent de Almachtige die de angst van de toegewijden wegneemt, Jij alleen bent het pad der bevrijding voor hen die te lijden hebben in hun materiële bestaan. (23) Jij bent de transcendentale oorspronkelijke genieter en directe beheerser van de materiële energie. Jij bent degene die door Zijn eigen innerlijke vermogen de materiële illusie afwendt in de gelukzaligheid en de kennis van Je eigen Zelf. (24) Vanuit die positie bevind Je Je, in Je almacht, in het hart van degenen die materieel verstrikt zijn en voorzie je op de eerste plaats in het hoogste goed van de rechtschapenheid [van het dharma: waarheid, zuiverheid, versobering en mededogen]. (25) Aldus neem Je geboorte om de last van de wereld weg te nemen en voor de tevredenheid en de heugenis van Je vrienden en zuivere toegewijden. (26) O Heer der Heerscharen, ik weet niet waar dit hoogst gevaarlijke, oogverblindende licht vandaan komt dat zich in alle richtingen verspreidt.' (27) De Allerhoogste Heer zei: 'Neem van Mij aan dat het afkomstig is van de zoon van Drona, die, met de dood voor ogen, het wapen van de mantra's lanceerde, zonder zelfs maar te weten hoe hij het moet intrekken. (28) Niets anders kan dit wapen tegenwicht bieden dan nog zo'n wapen; in feite zal je deze immense gloed moeten tegengaan gebruikmakend van je eigen brilliante krijgskunsten'."
(29) Sûta zei: "Na gehoord te hebben wat de Allerhoogste Heer zei, sipte Arjuna, terwijl hij de Heer omliep, zelf van water en nam hij het hoogste wapen op om dat van zijn tegenstander onschadelijk te maken. (30) Daarop raakte door de gezamenlijke gloed van de twee elkaar dekkende wapens de ganse hemel en het uitspansel doortrokken van een expanderende vuurbal zo fel als de zon. (31) Toen de bewoners der drie werelden zagen hoe de hitte van beide wapens hen ernstig schroeide, deed hen dat denken aan het vuur der vernietiging van de eindtijd [sâmvartaka]. (32) Inziende welk een verstoring dit inhield voor de gewone man en zijn woonplaatsen, trok Arjuna, op aanwijzing van Vâsudeva, beide wapens terug. (33) Toen nam Arjuna, met ogen rood als koper van de woede, de zoon van Gautamî gevangen, hem vaardig vastbindend met touwen alsof het een beest betrof. (34) Na de vijand gebonden te hebben en hem met geweld naar het militaire kampement gebracht te hebben, zei de Allerhoogste Heer, die het met Zijn lotusogen gadesloeg, tegen de kwaad geworden Arjuna: (35) 'Laat deze brahmanenzoon nooit lopen, straf hem, want hij heeft onschuldige jongens in hun slaap gedood. (36) Iemand die de principes van de religie kent is er beducht voor vijanden te doden die onoplettend zijn, onder invloed verkeren, krankzinnig zijn, slapen, nog jong zijn, vrouw zijn, dwaas zijn, een overgegeven ziel zijn of iemand zijn die zijn strijdwagen kwijt is. (37) Maar iemand die schaamteloos en wreed denkt dat hij zich met recht in leven kan houden ten koste van de levens van anderen, verdient het zeker dat hem voor zijn eigen bestwil een halt wordt toeroepen, daar door de misdaad de persoon [die hem laat begaan zowel als de misdadiger zelf] tenondergaat.(38) Ik hoorde persoonlijk dat je de dochter van de koning van Pâñcâla beloofde: 'Ik zal je het hoofd brengen van hem die je ziet als de moordenaar van je zoons.' (39) Hij, niet meer zijnde dan de verbrande as van zijn familie, een zondaar in overtreding die verantwoordelijk is voor de moord op je zoons en die zijn eigen meester mishaagde, moet daarom het oordeel ondergaan."
(40) Sûta zei: "Hoewel Arjuna, door Krishna aan een test van zijn plichtsbetrachting onderworpen, ertoe was aangemoedigd, ging zijn hart er niet naar uit de zoon van zijn leraar te doden, hoewel hij de schandelijke moordenaar was van zijn zonen. (41) Daarna, toen hij zijn eigen kampement bereikte, samen met zijn dierbare vriend en wagenmenner Govinda, vertrouwde hij de moordenaar toe aan zijn beminde vrouw die weeklaagde over haar vermoorde zoons. (42) Toen ze de crimineel zo als een dier in touwen gebonden en stil van zijn schandelijke daad, naar haar toe gebracht zag, betoonde Draupadî, uit de schoonheid van haar aard, de zoon van de leraar meedogend het benodigde respect. (43) Ze kon het niet verdragen hoe hij vastgebonden werd opgebracht en zei: 'Maak hem los, want hij is een brahmaan, een leraar van ons'. (44) Door zijn [Drona's] genade heb je zelf de vertrouwelijke kennis van de krijgskunst en het werpen en beheersen van allerlei wapens ontvangen. (45) Heer Drona bestaat voorzeker voort in de gedaante van zijn zoon, daar zijn wederhelft Kripî [zijn vrouw] niet uit het leven is gestapt [middels satî] omdat er een zoon was. (46) Derhalve, o meest gelukkige in het kennen van het dharma, bezorg vanuit de goedheid die in je is de immer respectabele en vererenswaardige familie geen verdriet. (47) Maak zijn moeder, Drona's toegewijde echtgenote, niet aan het huilen zoals ik, die voortdurend tranen pleng in treurnis over een verloren kind. (48) Als het adellijk bestuur zich niet weet in te tomen in relatie tot de orde van hen die studeerden, zal dat bestuur in een oogwenk afbranden en zal ze, samen met haar familieleden, in verdriet belanden."
(49) Sûta zei: "O hooggeleerden, de koning [van de Pândava's, Yudhishthhira] viel de uitlatingen van de koningin bij daar ze in overeenstemming waren met de principes van het dharma, de rechtspraak en genadevol waren, zonder dubbelhartigheid en verheven in rechtschapenheid. (50) Zo ook vielen haar bij Nakula en Sahadeva [de jongere broers van de koning] en ook Sâtyaki, Arjuna, de Allerhoogste Heer de zoon van Devakî, zowel als de dames en anderen. (51) Daarop zei Bhîma verontwaardigd: 'Voor zijn zonder een goede reden, noch voor zichzelf noch voor zijn meester, gedood hebben van slapende kinderen, is gesteld dat de dood zijn loon is.'(52) De vierarmige [Heer Krishna], na de woorden gesproken door Bhîma en Draupadî aangehoord en het gezicht van Zijn vriend [Arjuna] gezien te hebben, zei, alsof Hij glimlachte: (53-54) 'Het familielid van een brahmaan moet niet ter dood worden gebracht, hoewel men een agressor ter dood brengt - dit is bij Mij voorzeker allebei voorgeschreven om ten uitvoer te worden gebracht met het vasthouden aan de regels. Je moet je aan de waarheid houden van je belofte gedaan i.v.m. de genoegdoening jegens je vrouw en eveneens handelen naar de tevredenheid van zowel Bhîma als van Mij'."
(55) Sûta zei: "Meteen doorhebbend wat de Heer bedoelde, scheidde hij met behulp van zijn zwaard het juweel van het hoofd van de tweemaal geborene tezamen met zijn haar. (56) Hij [As'vatthâmâ], die naast het verlies van zijn lichamelijke luister als gevolg van de kindermoord ook aan kracht had ingeboet met het ontberen van zijn juweel, werd, na te zijn losgemaakt, toen uit het kampement verdreven. (57) Het afsnijden van het haar, het beslag leggen op de weelde en verbanning zijn de soorten van lijfstraffen gereserveerd voor de familieleden van hen die studeerden, en niet enige andere methode om met het lichaam af te rekenen. (58) Daarna voltrokken de zonen van Pându, door verdriet overmand, de rituelen die moeten worden verricht uit respect voor overleden familieleden."
Tweede editie, geladen 5 febr. 2006.
Bronteksten:
De Zoon van Drona Gestraft
S'rî S'aunaka zei: "Wat deed, toen Nârada Muni was vertrokken, de alvervulde Vyâsadeva nadat hij van de grote wijze gehoord had wat hij wilde horen?"Rishi S'aunaka vroeg: O Sûta, de grote en bovenzinnelijk machtige Vyâsadeva vernam dit alles van Nârada Muni. Wat deed hij nadat Nârada vertrokken was? (Vedabase)
Sûta antwoordde: "Op de westelijke oever van de Sarasvatî waar de wijzen mediteren is er bij S'amyâprâsa een âs'rama voor de bevordering van bovenzinnelijke activiteiten.
S'rî Sûta zei: Op de westelijke oever van de Sarasvatî, die zo veel met de Veda's te maken heeft, staat te S'amyâprâsa een hut bestemd voor meditatie, die de bovenzinnelijke activiteiten van de wijzen verhevigt. (Vedabase)
Daar, op zijn eigen plek zat Vyâsadeva omringd door bessenbomen zijn denken te concentreren na het doen van zijn waterofferande.
Nadat hij teneinde zich te louteren water had aangeraakt, zette S'rîla Vyâsadeva zich daar in zijn eigen door bessebomen omgeven âs'rama neer om te mediteren. (Vedabase)
Met zijn denken in de toewijding van de yoga gelijkgericht zag hij, volmaakt gefixeerd zonder materiële zorgen, het geheel van de Oorspronkelijke Persoon [de purusha] in combinatie met de uitwendige energie die van Hem afhankelijk is.
Zo bracht hij zijn geest in evenwicht door hem zonder een zweem van stoffelijkheid volmaakt in toegewijde dienst [bhakti-yoga] te verbinden en aanschouwde aldus de Absolute Persoonlijkheid Gods en Zijn uitwendige energie, die geheel beteugeld was. (Vedabase)
De levende wezens geconditioneerd op de natuurlijke geaardheden, beschouwen, ondanks het transcendentale van hun ziel, het ongewenste als iets vanzelfsprekends en ondergaan daarvan de terugslagen.
Door toedoen van deze uitwendige energie denkt het levend wezen, hoewel het aan de drieërlei aard der stoffelijke natuur ontstegen is, dat het door de stof is voortgebracht en ondergaat derhalve de terugslagen der stoffelijke ellende. (Vedabase)
Voor de gewone man, zich niet bewust van het einde van het ongewenste dat men vindt in de yoga van de toewijding tot Hem die Zich in het voorbije bevindt, verzamelde de wijze, dit inziend, de verschillende verhalen met betrekking tot de Absolute Waarheid.
De stoffelijke ellenden van het levend wezen, die volkomen gemist kunnen worden, raken terstond gelenigd als het zich in toegewijde dienst verbindt. Maar de massa heeft hier geen weet van, en daarom stelde de geleerde Vyâsadeva deze Vedische Schrift te boek, die verband houdt met de Absolute Waarheid. (Vedabase)
Eenvoudigweg aandacht besteden aan de literatuur over Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid, zal het devotionele doen ontspruiten dat het weeklagen, de illusie en de angst wegneemt.
Wie slechts aan deze Vedische Schrift het oor leent krijgt dadelijk gevoel voor de toegewijde liefdedienst aan Heer Krishna, de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, waardoor het vuur van jammer, begoocheling en vrees wordt uitgedoofd. (Vedabase)
Na de verzamelingen van verhalen te hebben bijeengebracht en geredigeerd, onderrichtte hij zijn zoon S'ukadeva Gosvâmî erin, de wijze van ernst in de zelfverwerkelijking."
Nadat de grote wijze Vyâsadeva het S'rîmad-Bhâgavatam te boek gesteld en bijgewerkt had, onderwees hij het aan zijn eigen zoon, S'rî S'ukadeva Gosvâmî, die zich reeds op het pad der zelfverwerkelijking bevond. (Vedabase)
S'aunaka vroeg: "Waarom zou hij, volledig op het pad der zelfverwerkelijking en innerlijk tevreden in goddelijke onverschilligheid, deze uitgebreide studie ondergaan?"
S'rî S'aunaka vroeg Sûta Gosvâmî: S'rî S'ukadeva Gosvâmî bevond zich reeds op het pad der zelfverwerkelijking en was derhalve in zichzelf voldaan. Waarom getroostte hij zich dan de moeite om zich in zo'n uitgebreide tekst te verdiepen? (Vedabase)
Sûta zei: "De wonderbaarlijke kwaliteiten van de Heer zijn van die aard dat, ondanks het feit dat men behagen schept in de ziel, zowel de gewone man als de wijzen vrij van alle materiële bindingen zuivere toegewijde dienst verrichten ter wille van Heer Vishnu, Urukrama.
Sûta Gosvâmî zei: Ook al zijn ze bevrijd van alle vormen van stoffelijke gevangenschap, toch verlangen alle verschillende soorten âtmârâmâ's [degenen die vreugde scheppen in het âtmâ, of geestelijk ik], vooral degenen die zich op het pad der zelfverwerkelijking bevinden, naar ongerepte toegewijde dienst aan de Persoonlijkheid Gods. Dat beduidt dat de Heer transcendentale eigenschappen bezit en daarom iedereen, met inbegrip van reeds bevrijde zielen, tot Zich weet aan te trekken. (Vedabase)
Met de kwaliteit van verzonkenheid in aandacht voor de Allerhoogste Heer, was S'uka, als de zoon van Vyâsa, bij de toegewijden geliefd vanwege het feit dat hij de regelmatige studie op zich had genomen van deze grootse vertelling.
S'rîla S'ukadeva Gosvâmî, de zoon van S'rîla Vyâsadeva, was niet alleen bovenzinnelijk machtig: hij was ook de toegewijden van de Heer uiterst dierbaar. En zo bestudeerde hij dit grote relaas [het S'rîmad-Bhâgavatam]. (Vedabase)
Laat me u daarom nu de verhalen van Krishna vertellen over de geboorte, activiteiten en bevrijding van koning Parîkchit, de wijze onder de Koningen, zowel als het verhaal van de wereldverzaking van de zonen van Pându.
Sûta Gosvâmî richtte zich als volgt tot de Rishi's onder leiding van S'aunaka: Thans zal ik aanvangen met het doen van het bovenzinnelijk relaas van Heer S'rî Krishna, van de geboorte, activiteiten en bevrijding van koning Parîkchit, de wijze onder de vorsten, en van de wereldverzaking van de zoons van Pându. (Vedabase)
Toen op het slagveld van Kurukshetra de krijgslieden van de Pândava's en de Kaurava's hun heroïsche lotsbestemming gevonden hadden en de zoon van koning Dhritarâshthra weeklaagde over de gebroken ruggengraat als gevolg van een klap van de knots van Bhîma, dacht de zoon van Dronâcârya [As'vatthâmâ] zijn meester Duryodhana te behagen door hem bij wijze van prijs de hoofden van de slapende zonen van Draupadî te bezorgen - maar toen de meester dit te zien kreeg keurde hij deze schandelijke daad af.
Toen de krijgers van beide kampen, namelijk de Kaurava's en de Pândava's, op het Slagveld van Kurukshetra waren gesneuveld en de dode krijgers de bestemming welke hun toekwam hadden bereikt, en de zoon van Dhritarâshthra, door Bhîmasena's knots getroffen, met gebroken ruggegraat jammerend neerviel, onthoofdde de zoon van Dronâcârya [As'vatthâmâ] de vijf zoons van Draupadî in hun slaap en bracht ze als trofee naar zijn meester, in zijn dwaasheid denkend dat dit hem zou behagen. Duryodhana keurde deze gruweldaad echter af en voelde zich allerminst behaagd. (Vedabase)
De moeder van de kinderen [van de Pândava's], huilde bittere tranen in weeklagen toen ze van de slachting hoorde. Arjuna [die de Pândava's aanvoerde], probeerde haar te kalmeren en zei:
Nadat Draupadî, de moeder van de vijf kinderen van de Pândava's, vernomen had dat haar zoons waren afgeslacht, stroomden de tranen haar van verdriet over het gelaat. Trachtend haar bij haar grote verlies te troosten, richtte Arjuna als volgt het woord tot haar. (Vedabase):
'O zachtmoedige dame, ik kan alleen maar de tranen van uw wangen wissen, als het hoofd van die gevallen brahmaanse agressor er is afgeschoten door de pijlen van mijn boog Gândîva. Ik zal het u komen brengen zodat u er uw voet op kan plaatsen en dan, na de crematie van uw zoons, een bad kan nemen.'
O tedere vrouwe, wanneer ik u het hoofd van die brâhmana zal brengen, hem afgeschoten door de pijlen van mijn boog Gândîva, zal ik de tranen van uw wangen wissen en u troosten. Wanneer daarna het lichaam van uw zoons verbrand zal zijn, kunt u zich baden, staande op zijn hoofd. (Vedabase)
Na haar met deze keur aan woorden tevreden hebben gesteld besteeg Arjuna, hij die geleid wordt door de Onfeilbare, gewapend en in kuras, zijn strijdwagen om As'vatthâmâ, de zoon van zijn leraar in de krijgskunst, te achtervolgen.
Met deze verklaring stelde Arjuna, door de onfeilbare Heer als zijn vriend en wagenmenner geleid, de lieve dame tevreden. Vervolgens stak hij zich in wapenrusting en rustte zich uit met fel krijgstuig, waarna hij zijn strijdwagen besteeg en As'vatthâmâ, de zoon van zijn leraar in de krijgskunst, achterna reed. (Vedabase)
Toen die hem op een afstand achter zich aan zag komen, raakte de kindermoordenaar in paniek en vluchtte hij met grote snelheid in zijn strijdwagen weg om zijn leven te redden, zoals Sûrya voor S'iva wegvluchtte [*].
Toen As'vatthâmâ, de prinsenmoordenaar, uit de verte Arjuna met grote snelheid op zich af zag komen, nam hij in paniek op zijn wagen de vlucht, slechts om zich het vege lijf te redden, zoals Brahmâ in vrees voor S'iva wegvluchtte. (Vedabase)
Zich onbeschermd ziend toen zijn paarden uitgeput raakten, nam de zoon van de tweemaal geborene [As'vatthâmâ], alleen maar aan zichzelf denkend, zijn toevlucht tot het ultieme wapen [de brahmâstra].
Toen de zoon van de brâhmana [As'vatthâmâ] zag dat zijn paarden moe waren geworden, zag hij geen andere zelfverdedigings-mogelijkheden dan zijn einde-wapen te gebruiken, de brahmâstra [een nucleair wapen]. (Vedabase)
Met zijn leven in gevaar, beroerde hij water en concentreerde hij zich op het reciteren van de mantra's, zonder echter te weten hoe hij het proces moest stoppen.
Aangezien hij in levensgevaar verkeerde, raakte hij in heiligheid water aan, en koncentreerde zich op het reciteren van de mantra's voor het lanceren van een kernwapen, hoewel hij niet wist hoe hij het weer terug zou moeten trekken. (Vedabase)
Een hel licht verspreidde zich dermate fel in alle richtingen, dat bij het zien van die levensbedreiging Arjuna zich wendde tot de Heer [die zijn strijdwagen mende] en zei:
Daarop verspreidde zich een felle gloed in alle richtingen. Het was zo'n woest licht, dat Arjuna zijn leven in gevaar achtte, en daarom richtte hij zich als volgt tot Krishna. (Vedabase):
'O, Krishna, Krishna, Jij bent de Almachtige die de angst van de toegewijden wegneemt, Jij alleen bent het pad der bevrijding voor hen die te lijden hebben in hun materiële bestaan.
Arjuna zei: O mijn Heer S'rî Krishna: Je bent de almachtige Persoonlijkheid Gods. Je verschillende energieën kennen geen grenzen. Daarom ben Jij als enige in staat het hart van Je toegewijden van angst te bevrijden. Een ieder die door de vlammen der stoffelijke ellende omringd is kan het pad der verlossing slechts vinden in Jou. (Vedabase)
Jij bent de transcendentale oorspronkelijke genieter en directe beheerser van de materiële energie. Jij bent degene die door Zijn eigen innerlijke vermogen de materiële illusie afwendt in de gelukzaligheid en de kennis van Je eigen Zelf.
Jij bent de oorspronkelijke Persoonlijkheid Gods die Zich over alle scheppingen uitbreidt en ontstegen is aan de stoffelijke energie. Door Je geestelijk vermogen sla Je de werking van de stoffelijke energie af. Je bevindt Je altijd in eeuwige gelukzaligheid en bovenzinnelijke kennis. (Vedabase)
Vanuit die positie bevind Je Je, in Je almacht, in het hart van degenen die materieel verstrikt zijn en voorzie je op de eerste plaats in het hoogste goed van de rechtschapenheid [van het dharma: waarheid, zuiverheid, versobering en mededogen].
Maar hoewel Je Je buiten bereik van de stoffelijke energie bevindt, houd Je Je aan de vier levensbeginselen die tot verlossing leiden, te beginnen met het verrichten van religieuze activiteiten, terwille van het hoogste goed der gebonden zielen. (Vedabase)
Aldus neem Je geboorte om de last van de wereld weg te nemen en voor de tevredenheid en de heugenis van Je vrienden en zuivere toegewijden.
Zo daal Je neer teneinde de wereld van haar last te bevrijden en heil te brengen aan Je vrienden, vooral aan hen die Je volkomen toegewijd zijn en in vervoering op Je mediteren. (Vedabase)
O Heer der Heerscharen, ik weet niet waar dit hoogst gevaarlijke, oogverblindende licht vandaan komt dat zich in alle richtingen verspreidt.'
O Heer der heren, waar komt die gevaarlijke gloed overal vandaan? Hoe verspreidt die zich? Ik begrijp er niets van. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Neem van Mij aan dat het afkomstig is van de zoon van Drona, die, met de dood voor ogen, het wapen van de mantra's lanceerde, zonder zelfs maar te weten hoe hij het moet intrekken.
De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods sprak: Je dient van Mij aan te nemen dat dit het werk van de zoon van Drona is. Hij heeft de mantra's gereciteerd voor het ontketenen van kernenergie. (brahmâstra) en weet niet hoe hij de gloed weer kan doven. Het is een daad van hulpeloosheid uit angst voor zijn naderende dood. (Vedabase)
Niets anders kan dit wapen tegenwicht bieden dan nog zo'n wapen; in feite zal je deze immense gloed moeten tegengaan gebruikmakend van je eigen brilliante krijgskunsten'."
O Arjuna, alleen een ander brahmâstra kan dit wapen stuiten. Jij bent bedreven in de krijgskunst: verdrijf daarom de gloed van dit wapen door de kracht van je eigen wapen. (Vedabase)
Sûta zei: "Na gehoord te hebben wat de Allerhoogste Heer zei, sipte Arjuna, terwijl hij de Heer omliep, zelf van water en nam hij het hoogste wapen op om dat van zijn tegenstander onschadelijk te maken.
S'rî Sûta Gosvâmî zei: Toen hij deze woorden van de Persoonlijkheid Gods vernomen had, raakte Arjuna water aan om zich te reinigen en wierp na een ommegang om Heer S'rî Krishna zijn brahmâstra om het andere te stuiten. (Vedabase)
Daarop raakte door de gezamenlijke gloed van de twee elkaar dekkende wapens de ganse hemel en het uitspansel doortrokken van een expanderende vuurbal zo fel als de zon.
Toen de gloed van de beide brahmâstra's ineensmolt, doorstraalde een grote vuurbol als de zon de ganse ruimte en het sterrenfirmament. (Vedabase)
Toen de bewoners der drie werelden zagen hoe de hitte van beide wapens hen ernstig schroeide, deed hen dat denken aan het vuur der vernietiging van de eindtijd [sâmvartaka].
De hele bevolking van de drie werelden voelde de schroeiende hitte van de ineen geslagen wapens. Iedereen moest denken aan de sâmvartaka-brand ten tijde van de algehele vernietiging. (Vedabase)
Inziende welk een verstoring dit inhield voor de gewone man en zijn woonplaatsen, trok Arjuna, op aanwijzing van Vâsudeva, beide wapens terug.
Terwijl Arjuna de algehele bevolking zo van streek zag en de planeten aan de rand van de verwoesting, trok hij meteen de beide brahmâstra-wapens terug, zoals Heer S'rî Krishna het verlangde. (Vedabase)
Toen nam Arjuna, met ogen rood als koper van de woede, de zoon van Gautamî gevangen, hem vaardig vastbindend met touwen alsof het een beest betrof.
Met ogen als twee roodkoperen bollen, laaiend van woede, nam Arjuna de zoon van Gautamî moeiteloos gevangen en bond hem als een dier met touwen de ledematen aan elkaar. (Vedabase)
Nadat hij de vijand met geweld vastgebonden had en hij hem weg wilde voeren naar het militaire kampement, zei de Allerhoogste Heer, die het met Zijn lotusogen gadesloeg, tegen de kwaad geworden Arjuna:
Na As'vatthâmâ gebonden te hebben, wilde Arjuna hem naar het legerkamp brengen. De Persoonlijkheid Gods, S'rî Krishna, die met Zijn lotusogen toezag, sprak tot de vergramde Arjuna. (Vedabase)
'Laat deze brahmanenzoon nooit lopen, straf hem, want hij heeft onschuldige jongens in hun slaap gedood.
Heer S'rî Krishna zei: O Arjuna, je moet geen genade voor recht laten gelden door deze brahmanen-verwant [brahma-bandhu] los te laten, want hij heeft onschuldige jongens in hun slaap gedood. (Vedabase)
Iemand die de principes van de religie kent is er beducht voor vijanden te doden die onoplettend zijn, onder invloed verkeren, krankzinnig zijn, slapen, nog jong zijn, vrouw zijn, dwaas zijn, een overgegeven ziel zijn of iemand zijn die zijn strijdwagen kwijt is.
Iemand die de beginselen der religie kent doodt zijn vijand niet wanneer deze niet oplet, bedwelmd is, krankzinnig is, slaapt, bang is of zijn wagen kwijt is. Noch doodt hij een jongen, een vrouw, een dwaas of een overgegeven ziel. (Vedabase)
Maar iemand die schaamteloos en wreed denkt dat hij zich met recht in leven kan houden ten koste van de levens van anderen, verdient het zeker dat hem voor zijn eigen bestwil een halt wordt toeroepen, daar door de misdaad de persoon [die hem laat begaan zowel als de misdadiger zelf] tenondergaat.
Een wreed en ellendig persoon die zijn bestaan rekt ten koste van het leven van anderen verdient het om voor zijn eigen bestwil gedood te worden, anders gaat hij door zijn eigen daden te gronde. (Vedabase)
Ik hoorde persoonlijk dat je de dochter van de koning van Pâñcâla beloofde: 'Ik zal je het hoofd brengen van hem die je ziet als de moordenaar van je zoons.'
Bovendien heb ik je Zelf aan Draupadî horen beloven dat je haar het hoofd van de moordenaar van haar zoons zou brengen. (Vedabase)
Hij, niet meer zijnde dan de verbrande as van zijn familie, een zondaar in overtreding die verantwoordelijk is voor de moord op je zoons en die zijn eigen meester mishaagde, moet daarom het oordeel ondergaan."
Deze man heeft je eigen familieleden aangevallen en vermoord. En hij heeft ook nog zijn meester mishaagd. Hij is niets anders dan het verbrande overschot van zijn familie. Dood hem meteen. (Vedabase)
Sûta zei: "Hoewel Arjuna, door Krishna aan een test van zijn plichtsbetrachting onderworpen, ertoe was aangemoedigd, ging zijn hart er niet naar uit de zoon van zijn leraar te doden, hoewel hij de schandelijke moordenaar was van zijn zonen.
Sûta Gosvâmî zei: Hoewel Krishna, die Arjuna op zijn beginselvastheid toetste, hem aanspoorde de zoon van Dronâcârya te doden, voelde Arjuna, grote ziel die hij was, daar weinig voor, ook al had As'vatthâmâ zijn familieleden gruwelijk vermoord. (Vedabase)
Daarna, toen hij zijn eigen kampement bereikte, samen met zijn dierbare vriend en wagenmenner Govinda, vertrouwde hij de moordenaar toe aan zijn beminde vrouw die weeklaagde over haar vermoorde zoons.
Nadat Arjuna samen met zijn dierbare vriend en wagenmenner [S'rî Krishna] zijn kamp had bereikt, leverde hij de moordenaar over aan de genade van zijn beminde echtgenote, die jammerde om haar vermoorde zoons. (Vedabase)
Toen ze de crimineel zo als een dier in touwen gebonden en stil van zijn schandelijke daad, naar haar toe gebracht zag, betoonde Draupadî, uit de schoonheid van haar aard, de zoon van de leraar meedogend het benodigde respect.
Toen zag Draupadî As'vatthâmâ, die met touwen gebonden was als een dier en vanwege de allerafschuwelijkste moord geen woord zei. Zacht van aard als ze was, goedhartig en beschaafd, bejegende ze hem met de aan een brâhmana verschuldigde achting. (Vedabase)
Ze kon het niet verdragen hoe hij vastgebonden werd opgebracht en zei: 'Maak hem los, want hij is een brahmaan, een leraar van ons'.
In haar toegewijding kon ze het niet aanzien dat As'vatthâmâ met touwen gebonden was en zei: Maak los, maak los, want hij is een brâhmana, onze geestelijk leraar. (Vedabase)
Door zijn [Drona's] genade heb je zelf de vertrouwelijke kennis van de krijgskunst en het werpen en beheersen van allerlei wapens ontvangen.
Het was door de genade van Dronâcârya dat je de militaire kunst van het schichtwerpen en de vertrouwelijke kunst van de wapenbeheersing leerde. (Vedabase)
Heer Drona bestaat voorzeker voort in de gedaante van zijn zoon, daar zijn wederhelft Kripî [zijn vrouw] niet uit het leven is gestapt [middels satî] omdat er een zoon was.
Hij [Dronâcârya] is er beslist nog, namelijk in de gedaante van zijn zoon. Zijn echtgenote Kripî onderging geen satî met hem, omdat ze een zoon had. (Vedabase)
Derhalve, o meest gelukkige in het kennen van het dharma, bezorg vanuit de goedheid die in je is de immer respectabele en vererenswaardige familie geen verdriet.
O hoogst gelukkige, die de beginselen der religie kent, het is niet goed als je je roemrijke familieleden, die altijd eerbiedwaardig en aanbiddenswaardig zijn, verdriet berokkent. (Vedabase)
Maak zijn moeder, Drona's toegewijde echtgenote, niet aan het huilen zoals ik, die voortdurend tranen pleng in treurnis over een verloren kind.
Mijn heer, laat Dronâcârya's echtgenote niet huilen als ik. Ik ben vol verdriet om de dood van mijn zoons. Zij hoeft niet onophoudelijk te huilen zoals ik. (Vedabase)
Als het adellijk bestuur zich niet weet in te tomen in relatie tot de orde van hen die studeerden, zal dat bestuur in een oogwenk afbranden en zal ze, samen met haar familieleden, in verdriet belanden."
Als de koninklijke bestuurlijke stand zijn zinnen niet beteugelt en de brahmaanse stand aanstoot geeft en woede wekt, verzengt het vuur van die woede de ganse koninklijke familie en dompelt iedereen in smart. (Vedabase)
Sûta zei: "O hooggeleerden, de koning [van de Pândava's, Yudhishthhira] viel de uitlatingen van de koningin bij daar ze in overeenstemming waren met de principes van het dharma, de rechtspraak en genadevol waren, zonder dubbelhartigheid en verheven in rechtschapenheid.
Sûta Gosvâmî zei: O brâhmana's, Koning Yudhishthhira steunde de koningin geheel in wat ze zei, omdat het overeenkomstig de beginselen der religie was, rechtwaardig, heerlijk, vol van genade en gelijkgezindheid, en ontweeslachtig. (Vedabase)
Zo ook vielen haar bij Nakula en Sahadeva [de jongere broers van de koning] en ook Sâtyaki, Arjuna, de Allerhoogste Heer de zoon van Devakî, zowel als de dames en anderen.
Nakula en Sahadeva [de jongste broers van de koning] en ook Sâtyaki, Arjuna, de Persoonlijkheid Gods Heer S'rî Krishna, zoon van Devakî, en de dames en anderen waren het allen met de koning eens. (Vedabase)
Daarop zei Bhîma verontwaardigd: 'Voor zijn zonder een goede reden, noch voor zichzelf noch voor zijn meester, gedood hebben van slapende kinderen, is gesteld dat de dood zijn loon is.'
Maar Bhîma was het niet met hen eens en ried hun aan deze euveldoener, die in woede noch uit eigenbelang, noch in het belang van zijn meester, slapende kinderen had vermoord, te doden. (Vedabase)
De vierarmige [Heer Krishna], na de woorden gesproken door Bhîma en Draupadî aangehoord en het gezicht van Zijn vriend [Arjuna] gezien te hebben, zei, alsof Hij glimlachte:
Caturbhuja [de vierarmige], of de Persoonlijkheid Gods, zag nadat hij de woorden van Bhîma, Draupadî en anderen gehoord had het gezicht van Zijn dierbare vriend Arjuna en begon half glimlachend te spreken. (Vedabase)
'Het familielid van een brahmaan moet niet ter dood worden gebracht, hoewel men een agressor ter dood brengt - dit is bij Mij voorzeker allebei voorgeschreven om ten uitvoer te worden gebracht met het vasthouden aan de regels. Je moet je aan de waarheid houden van je belofte gedaan i.v.m. de genoegdoening jegens je vrouw en eveneens handelen naar de tevredenheid van zowel Bhîma als van Mij'."
De Persoonlijkheid Gods S'rî Krishna zei: Een brahmanen-vriend mag niet gedood worden, maar als hij aangevallen heeft móet hij gedood worden. Al deze bepalingen staan in de Schriften en je behoort je eraan te houden. Je dient je belofte aan je vrouw na te komen en ook Bhîmasena en Mij voldoening schenken. (Vedabase)
Sûta zei: "Meteen doorhebbend wat de Heer bedoelde, scheidde hij met behulp van zijn zwaard het juweel van het hoofd van de tweemaal geborene tezamen met zijn haar.
Op dat ogenblik begreep Arjuna wat de Heer met Zijn dubbelzinnig bevel wilde, en zijn zwaard grijpend scheidde hij zowel het haar als het juweel van As'vatthâmâ's hoofd. (Vedabase)
Hij [As'vatthâmâ], die naast het verlies van zijn lichamelijke luister als gevolg van de kindermoord ook aan kracht had ingeboet met het ontberen van zijn juweel, werd, na te zijn losgemaakt, toen uit het kampement verdreven.
Hij [As'vatthâmâ] had door de kindermoord reeds zijn lichaamsglans verloren, en nu hij ook nog het juweel op zijn hoofd was kwijtgeraakt, boette hij nog meer aan kracht in. Zo werd hij losgemaakt en uit het kamp gejaagd. (Vedabase)
Het afsnijden van het haar, het beslag leggen op de weelde en verbanning zijn de soorten van lijfstraffen gereserveerd voor de familieleden van hen die studeerden, en niet enige andere methode om met het lichaam af te rekenen.
Afsnijding van het haar, beroving van alle rijkdom en verdrijving van huis en haard zijn de voorgeschreven straffen voor een brahmanen-verwant. Er wordt niets voorgeschreven aangaande het doden van zijn lichaam. (Vedabase)
Daarna voltrokken de zonen van Pându, door verdriet overmand, de rituelen die moeten worden verricht uit respect voor overleden familieleden."
Vervolgens voltrokken de zoons van Pându en Draupadî, door smart overstelpt, de gepaste rituelen met betrekking tot de lijken van de hunnen. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
De afbeelding van As'vatthâmâ op deze pagina is van
Puskar
Dasa
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd
Feed-back | Links | Downloads | Muziek | Afbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties