
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
Summary
of Lord Krishna's Glories
Text
1-7:
S'rî
S'uka zei: 'De Meester van de godin van het geluk verbleef
gelukkig in Dvârakâ, Zijn eigen stad rijk in alle
opzichten en bevolkt door de meest vooraanstaande Vrishni's.
Als de fijnste van hun vrouwen, gekleed in nieuwe kleren, in
hun jeugdige schoonheid, met ballen en ander speelgoed speelden
op de daken, straalden ze als de bliksem. Haar straten waren
altijd druk bevolkt met fraai opgetuigde olifanten die onder de
invloed dropen van de bronst, soldaten te voet en paarden en
wagens schitterend van het goud. Ze was rijkelijk voorzien van
tuinen en parken met reeksen bloeiende bomen die van alle
kanten vol waren van de geluiden van de bijen en de vogels die
er af en aan vlogen. Zijn zestienduizend vrouwen genietend als
hun enige ware liefde had Hij zich in hun weelderig ingerichte
verblijven uitgebreid in evenzovele gedaanten [zie ook
10.69:
41].
Duikend in het glasheldere water daar tjilpend van de zwermen
vogels en geurig van het stuifmeel van de 's nachts bloeiende
en overdag bloeiende lotussen en waterlelies, sportte de Grote
Verschijning in de stromen met Zijn Lichaam, omhelsd door de
vrouwen, besmeurd met de kunkum van hun borsten.
S'ukadeva
Gosvamî said: The master of the goddess of fortune
resided happily in His capital city, Dvârakâ,
which was endowed with all opulences and populated by the
most eminent Vrishnis and their gorgeously dressed wives.
When these beautiful women in the bloom of youth would play
on the city's rooftops with balls and other toys, they shone
like flashing lightning. The main streets of the city were
always crowded with intoxicated elephants exuding mada, and
also with cavalry, richly adorned infantrymen, and soldiers
riding chariots brilliantly decorated with gold. Gracing the
city were many gardens and parks with rows of flowering
trees, where bees and birds would gather, filling all
directions with their songs.
Lord
Krishna was the sole beloved of His sixteen thousand wives.
Expanding Himself into that many forms, He enjoyed with each
of His queens in her own richly furnished residence. On the
grounds of these palaces were clear ponds fragrant with the
pollen of blooming utpala, kahlâra, kumuda and ambhoja
lotuses and filled with flocks of cooing birds. The almighty
Lord would enter those ponds, and also various rivers, and
enjoy sporting in the water while His wives embraced Him,
leaving the red kunkuma from their breasts smeared on His
body.
Text
8-9:
Door de zangers
van de hemel spelend op tweezijdige trommels, pauken en kleine
trommeltjes en met vrouwelijke en mannelijke lofprijzers
spelend op vînâ's verheerlijkt, was Acyuta, met
spuiten door hen lachend natgespoten met water en Hij weer
terugspuitend, zich aan het vermaken zoals de heer der
schatbewaarders [Kuvera] dat doet met de
nimfen.
As
Gandharvas joyfully sang His praises to the accompaniment of
mridanga, panava and ânaka drums, and as professional
reciters known as Sûtas, Mâgadhas and
Vandîs played vînâs and recited poems
praising Him, Lord Krishna would play with His wives in the
water. Laughing, the queens would squirt water on Him with
syringes, and He would squirt them back. Thus Krishna would
sport with His queens in the same way that the lord of the
Yakshas sports with the Yakshî nymphs.
Text
10:
Zij,
natsproeiend, met natte kleren hun dijen en borsten tonend en
met de bloemen van hun grote haarwrongen overal rondgestrooid,
poogden, met bloeiende gezichten stralend met brede glimlachen,
indachtig hun liefde Hem omhelzend, de waterspuit van hun
Gemaal weg te kapen.
Under
the drenched clothing of the queens, their thighs and
breasts would become visible. The flowers tied in their
large braids would scatter as they sprayed water on their
consort, and on the plea of trying to take away His syringe,
they would embrace Him. By His touch their lusty feelings
would increase, causing their faces to beam with smiles.
Thus Lord Krishna's queens shone with resplendent
beauty.
Text
11:
Zoals Krishna
met op Zijn bloemenslinger de kunkuma van hun borsten, en de
schikking van Zijn haardos in de war door Zijn opgaan in de
sport, genoot van het natgespoten worden door en natspuiten van
de vrouwen, was Hij gelijk de koning der olifanten omringd door
de wijfjesolifanten.
Lord
Krishna's flower garland would become smeared with kunkuma
from their breasts, and His abundant locks of hair would
become disheveled as a result of His absorption in the game.
As the Lord repeatedly sprayed His young consorts and they
sprayed Him in turn, He enjoyed Himself like the king of
elephants enjoying in the company of his bevy of
she-elephants.
Text
12
Klaar met
spelen schonk Krishna de mannelijke en vrouwelijke artiesten
die de kost verdienden met zingen en muziek maken, de sieraden
en kledingsstukken van Hem en Zijn vrouwen.
Afterward,
Lord Krishna and His wives would give the ornaments and
clothing they had worn during their water sports to the male
and female performers, who earned their livelihood from
singing and from playing instrumental music.
Text
13
Aldus werden in
het spel van Krishna's sporten, Zijn bewegen, Zijn converseren,
rondblikken en glimlachen; door Zijn grappen, uitwisselen van
liefdesblijken en omhelzingen, de harten van de vrouwen
gestolen.
In
this way Lord Krishna would sport with His queens, totally
captivating their hearts with His gestures, talks, glances
and smiles, and also with His jokes, playful exchanges and
embraces.
Text
14
Met hun geesten
uitsluitend gericht op Mukunda spraken zij, denkend over de
Lotusogige, in trance als gekken; luister naar deze woorden
zoals ik verslag van ze doe.
The
queens would become stunned in ecstatic trance, their minds
absorbed in Krishna alone. Then, thinking of their
lotus-eyed Lord, they would speak as if insane. Please hear
these words from me as I relate them.
Text
15
De koninginnen
zeiden [zie ook 10.47:
12-21,
10.83:
8-40]: 'O
kurarî
je beklaagt je, verstoken van slaap kan je geen rust vinden met
de Beheerser die, met Zijn verblijfplaats onbekend Zich ergens
in de wereld ophoudend, deze nacht aan het slapen is; is het
dat jij, net als wij o vriend, diep in je hart bent geraakt
door de glimlachende, gulle, speelse blik van Zijn
lotusogen?
The
queens said: O kurarî bird, you are lamenting. Now it
is night, and somewhere in this world the Supreme Lord is
asleep in a hidden place. But you are wide awake, O friend,
unable to fall asleep. Is it that, like us, you have had
your heart pierced to the core by the lotus-eyed Lord's
munificent, playful smiling glances?
Text
16
O
cakravâkî,
helaas, met het sluiten van je ogen voor de nacht, schreeuw je
het deerniswekkend uit; of verlang je, net als wij de
dienstbaarheid gerealiseerd hebbende, het misschien in je
gevlochten haar de bloemenslinger naar de eer van Acyuta's
voeten te dragen?
Poor
cakravâkî, even after closing your eyes, you
continue to cry pitifully through the night for your unseen
mate. Or is it that, like us, you have become the servant of
Acyuta and hanker to wear in your braided hair the garland
He has blessed with the touch of His feet?
Text
17
O beste, beste
oceaan, je maakt altijd zo'n lawaai, nimmer de slaap vattend
lijd je aan slapeloosheid; of werden je misschien door Mukunda
de persoonlijke kwaliteiten ontstolen en heb jij eveneens de
staat bereikt van waaruit geen ontsnappen mogelijk
is?
Dear
ocean, you are always roaring, not sleeping at night. Are
you suffering insomnia? Or is it that, as with us, Mukunda
has taken your insignias and you are hopeless of retrieving
them?
Text
18
O maan ben jij,
gegrepen door de verwoestende ziekte van de tering, zo
uitgemergeld dat je de duisternis niet weet te verdrijven met
je stralen, of kom je misschien zo bezeten voor, o beste, met
het je niet meer herinneren van de gesprekken over Mukunda
zoals dat met ons het geval is?
My
dear moon, having contracted a severe case of tuberculosis,
you have become so emaciated that you fail to dispel the
darkness with your rays. Or is it that you appear dumbstruck
because, like us, you cannot remember the encouraging
promises Mukunda once made to you?
Text
19
O wind uit de
Malaya-bergen, wat hebben we gedaan dat je heeft gegriefd, om
van de lust bezeten te zijn met onze [arme] harten
reeds verscheurd door Govinda's zijdelingse
blikken?
O
Malayan breeze, what have we done to displease you, so that
you stir up lust in our hearts, which have already been
shattered by Govinda's sidelong glances?
Text
20
O wolk, hoog
vereerd, zeker ben je een vriend zeer geliefd bij de Aanvoerder
der Yâdava's met de s'rîvatsa op Zijn borst; wij,
net als jouw goede zelf, zijn gebonden in meditatie op de
zuivere liefde. Je buitenmate gedreven hart is zo verscheurd
als het onze, op dezelfde manier als jij, keer op keer er weer
aan denkend, het doet regenen zoals wij de tranen keer op keer
de loop laten met de misère van het [missen van
het] omgaan met Hem.
O
revered cloud, you are indeed very dear to the chief of the
Yâdavas, who bears the mark of S'rîvatsa. Like
us, you are bound to Him by love and are meditating upon
Him. Your heart is distraught with great eagerness, as our
hearts are, and as you remember Him again and again you shed
a torrent of tears. Association with Krishna brings such
misery!
Text
21
O zoetgevooisde
koekoek, zeg me alsjeblieft wat ik zou moeten doen om jou te
behagen die, met dit stemgeluid in staat om doden op te wekken,
aan de klanken van Hem gestalte geeft wiens geluiden zo
dierbaar zijn.
O
sweet-throated cuckoo, in a voice that could revive the dead
you are vibrating the same sounds we once heard from our
beloved, the most pleasing of speakers. Please tell me what
I can do today to please you.
Text
22
O berg zo breed
in je opvattingen, je beweegt je niet noch spreek je; ben je in
beslag genomen door grote zaken, of verlang je er misschien
naar - net als wij - om de voeten van de beminde zoon van
Vasudeva op je borsten te houden?
O
magnanimous mountain, you neither move nor speak. You must
be pondering some matter of great importance. Or do you,
like us, desire to hold on your breasts the feet of
Vasudeva's darling son?
Text
23
O
[rivieren,] echtgenotes van de oceaan, jullie meren
helaas zijn hun rijkdom aan lotussen kwijt geraakt, nu ze
uitgedroogd zijn net als wij, uitgehongerd van het niet
verwerven van onze geliefde echtgenoot, de Heer van
Madhu,
die zo menig maal onze harten bedroog [zie ook
10.47:
41 en
10.48:
11].
O
rivers, wives of the ocean, your pools have now dried up.
Alas, you have shriveled to nothing, and your wealth of
lotuses has vanished. Are you, then, like us, who are
withering away because of not receiving the affectionate
glance of our dear husband, the Lord of Madhu, who has
cheated our hearts?
Text
24
O zwaan, wees
welkom en ga zitten, drink alsjeblieft wat melk, vertel ons o
beste het nieuws, daar we weten dat je een boodschapper van
S'auri
bent; is alles in orde met de Onoverwinnelijke, herinnert Hij,
zo grillig in Zijn vriendschap, het zich nog met ons zo lang
geleden gesproken te hebben; waarom zouden we van aanbidding
zijn, o dienaar van de campaka
[een soort magnolia], zeg Hem die de begeerte zo opwekt
naar ons toe te komen zonder de godin van het geluk, waarom zou
zij de enige vrouw zijn die exclusief in haar toewijding is?'
Welcome,
swan. Please sit here and drink some milk. Give us some news
of the descendant of S'ûra, dear one. We know you are
His messenger. Is that invincible Lord doing well, and does
that unreliable friend of ours still remember the words He
spoke to us long ago? Why should we go and worship Him? O
servant of a petty master, go tell Him who fulfills our
desires to come here without the goddess of fortune. Is she
the only woman exclusively devoted to Him?
Text
25
S'rî
S'uka zei: 'Sprekend en handelend met zo een extatische liefde
voor Krishna, de Meester der Yogameesters, bereikten de vrouwen
van Heer Mâdhava het uiteindelijke doel.
S'ukadeva
Gosvâmî said: By thus speaking and acting with
such ecstatic love for Lord Krishna, the master of all
masters of mystic yoga, His loving wives attained the
ultimate goal of life.
Text
26
Hij, in
talrijke liederen bezongen op vele manieren, trekt met grote
kracht de geest aan van welke vrouw ook die enkel maar over Hem
vernam; hoezeer niet te meer zij die Hem direct voor zich zien?
The
Lord, whom countless songs glorify in countless ways,
forcibly attracts the minds of all women who simply hear
about Him. What to speak, then, of those women who see Him
directly?
Text
27
Hoe kunnen ooit
de boetedoeningen worden beschreven van hen die, met de houding
Hem, de Geestelijk Leraar van het Universum, als hun echtgenoot
te hebben, met zuivere liefde Zijn voeten volmaakt dienden met
massages en dergelijke?
And
how could one possibly describe the great austerities that
had been performed by the women who perfectly served Him,
the spiritual master of the universe, in pure ecstatic love?
Thinking of Him as their husband, they rendered such
intimate services as massaging His feet.
Text
28
Op deze manier
tewerk gaand naar het dharma zoals uitgedrukt door de Veda's,
demonstreerde Hij, het Doel der Geheiligden, hoe iemands thuis
er is als de plaats voor de religiositeit, de economische
ontwikkeling en de regulatie der zinsbevrediging [de
purusârtha's].
Thus
observing the principles of duty enunciated in the Vedas,
Lord Krishna, the goal of the saintly devotees, repeatedly
demonstrated how one can achieve at home the objectives of
religiosity, economic development and regulated sense
gratification.
Text
29
Van Krishna
zich bevindend in het hoogste dharma van het huishoudelijk
bestaan, waren er meer dan
zestienduizend-één-honderd koninginnen [zie
ook 10.59**and
7.14].
While
fulfilling the highest standards of religious householder
life, Lord Krishna maintained more than 16,100 wives.
Text
30
Onder hen waren
er acht juwelen van vrouwen met Rukminî voorop die ik
tezamen met hun zoons voorheen de een na de ander beschreven
heb, o Koning [zie 10.83
en 10.61:
8-19].
Among
these jewellike women were eight principal queens, headed by
Rukminî. I have already described them one after
another, O King, along with their sons.
Text
31
Bij ieder van
Zijn vele vrouwen verwekte Krishna, de Allerhoogste Heer Nimmer
Falend in Zijn Moeite, tien zonen [en één
dochter].
The
Supreme Lord Krishna, whose endeavor never fails, begot ten
sons in each of His many wives.
Text
32
Van dezen waren
er achttien mahâratha's
van een onbegrensd kunnen, wiens faam zich wijd verspreidde;
verneem hun namen van mij.
Among
these sons, all possessing unlimited valor, eighteen were
mahâ-rathas of great renown. Now hear their names from
me.
Text
33-34
Het waren
Pradyumna en [Zijn kleinzoon of andere zoon] Aniruddha;
Dîptimân en Bhânu als ook Sâmba, Madhu
en Brihadbhânu; Citrabhânu, Vrika en Aruna;
Pushkara en Vedabâhu, S'rutadeva en Sunandana;
Citrabâhu en Virûpa, Kavi en Nyagrodha.
They
were Pradyumna, Aniruddha, Dîptimân,
Bhânu, Sâmba, Madhu, Brihadbhânu,
Citrabhânu, Vrika, Aruna, Pushkara, Vedabâhu,
S'rutadeva, Sunandana, Citrabâhu, Virûpa, Kavi
and Nyagrodha.
Text
35
O beste der
koningen, van deze zoons van Krishna, de vijand van Madhu, was
Pradyumna, de zoon van Rukminî, de meest vooraanstaande,
precies als Zijn Vader.
O
best of kings, of these sons begotten by Lord Krishna, the
enemy of Madhu, the most prominent was Rukminî's son
Pradyumna. He was just like His father.
Text
36
Hij, de grote
strijdwagenvechter, huwde de dochter van Rukmî
[genaamd Rukmavatî] uit wie toen Aniruddha werd
geboren, begiftigd met de kracht van een tienduizend olifanten
[zie 10.61].
The
great warrior Pradyumna married Rukmî's daughter
[Rukmavatî], who gave birth to Aniruddha. He
was as strong as ten thousand elephants.
Text
37
Daarenboven nam
Hij, zoals u weet, vervolgens Rukmî's kleindochter
[Rocana] tot Zijn vrouw uit wie Zijn zoon Vajra werd
geboren, de enige die overbleef na de slag met de stokken
[zie 3.4:
1 & 2].
Rukmî's
daughter's son [Aniruddha] married Rukmî's
son's daughter [Rocana]. From her was born Vajra,
who would remain among the few survivors of the Yadus'
battle with clubs.
Text
38
Pratibâhu
kwam er na hem, van wie er toen Subâhu was en van
Subâhu's zoon S'ântasena kwam er toen S'atasena als
zijn zoon.
From
Vajra came Pratibâhu, whose son was Subâhu.
Subâhu's son was S'ântasena, from whom S'atasena
was born.
Text
39
Waarlijk
ontbrak het geen van het nageslacht dat in deze familie
verscheen aan weelde of kinderen, noch waren ze kortlevend,
schoten ze tekort in hun kunnen of faalden ze met het
brahmaanse.
No
one born in this family was poor in wealth or progeny,
short-lived, weak or neglectful of brahminical
culture.
Text
40
De roemrijke
daden van de mannen geboren in de Yadu-dynastie zijn niet op te
sommen, o Koning, nog niet in tienduizend jaar.
The
Yadu dynasty produced innumerable great men of famous deeds.
Even in tens of thousands of years, O King, one could never
count them all.
Text
41
Men zei dat er
voor de kinderen van de Yadu familie achtendertigmiljoen
achthonderdduizend leraren waren.
I
have heard from authoritative sources that the Yadu family
employed 38,800,000 teachers just to educate their
children.
Text
42
Wie kan de tel
bijhouden met de Yâdava's als Ugrasena onder hen aanwezig
was met tienduizenden op tienduizenden op honderdduizenden
[*]
grote persoonlijkheden?
Who
can count all the great Yâdavas, when among them King
Ugrasena alone was accompanied by an entourage of thirty
trillion attendants?
Text
43
In oorlogen
tussen de goddelijken en de demonische mensen werden de meest
genadeloze daitya's gedood, die het de bevolking moeilijk
maakten zich arrogant opwerpend onder de menselijke
wezens.
The
savage descendants of Diti who had been killed in past ages
in battles between the demigods and demons took birth among
human beings and arrogantly harassed the general
populace.
Text
44
(44)
Om hen te onderwerpen werden de deva's door de Heer opgedragen
in de familie neder te dalen in hun
honderd-en-één clans, o Koning [zie
10.1:
62-63].
To
subdue these demons, Lord Hari told the demigods to descend
into the dynasty of Yadu. They comprised 101 clans, O
King.
Text
45
Voor hen was
Krishna vanwege Zijn meesterschap het gezag van Heer Hari
waarnaar het al de Yâdava's die Zijn trouwe volgelingen
waren goed ging.
Because
Lord Krishna is the Supreme Personality of Godhead, the
Yâdavas accepted Him as their ultimate authority. And
among them, all those who were His intimate associates
especially flourished.
Text
46
In hun
bezigheden van slapen, zitten, rondlopen, converseren, spelen,
baden en zo voorts, waren de Vrishni's met Krishna in hun
gedachten zich niet bewust van de aanwezigheid van hun eigen
lichamen [en dus onbevreesd, zie ook 10.89:
14-17].
The
Vrishnis were so absorbed in Krishna consciousness that they
forgot their own bodies while sleeping, sitting, walking,
conversing, playing, bathing and so on.
Text
47
O Koning, Zijn
geboorte nemend onder de Yadu's stelde Hij het pelgrimsoord van
de rivier van de hemel [de Ganges] die van Zijn voeten
spoelt in de schaduw; vriend en vijand bereikte zijn doel naar
Zijn belichaming [7.1:
46-47]; de
onovertroffen en hoogst volmaakte godin S'rî voor wie
alle anderen zich in bochten wringen is de Zijne; Zijn naam
gehoord of gezongen is wat het ongunstige vernietigt; door Hem
werd het dharma ingesteld voor de lijnen van erfopvolging
[van de wijzen]; met Heer Krishna, wiens wapen het wiel
van de Tijd is, is dit wegnemen van de last van de aarde, niet
iets verwonderlijks [zie ook 3.2:
7-12].
The
heavenly Ganges is a holy place of pilgrimage because her
waters wash Lord Krishna's feet. But when the Lord descended
among the Yadus, His glories eclipsed the Ganges as a holy
place. Both those who hated Krishna and those who loved Him
attained eternal forms like His in the spiritual world. The
unattainable and supremely self-satisfied goddess of
fortune, for the sake of whose favor everyone else
struggles, belongs to Him alone. His name destroys all
inauspiciousness when heard or chanted. He alone has set
forth the principles of the various disciplic successions of
sages. What wonder is it that He, whose personal weapon is
the wheel of time, relieved the burden of the earth?
Text
48
Glorieus als de
Uiteindelijke Verblijfplaats, bekend als de zoon van
Devakî, als de toewijding van de Yadu-edelen die met Zijn
armen [of toegewijden] een einde maakt aan de
onrechtvaardigen, als de Vernietiger van het Leed van de
bewegenden en niet-bewegenden, is Hij de Ene, altijd
glimlachend met Zijn prachtige gezicht, die Cupido opwekt bij
de dames van Vraja [zie 10.30-33,
10.35,
10.47].
Lord
S'rî Krishna is He who is known as jana-nivâsa,
the ultimate resort of all living entities, and who is also
known as Devakînandana or Yas'odâ- nandana, the
son of Devakî and Yas'odâ. He is the guide of
the Yadu dynasty, and with His mighty arms He kills
everything inauspicious, as well as every man who is
impious. By His presence He destroys all things inauspicious
for all living entities, moving and inert. His blissful
smiling face always increases the lusty desires of the
gopîs of Vrindâvana. May He be all glorious and
happy!
Text
49
Op deze manier
van het Allerhoogste heeft Hij met het verlangen Zijn eigen weg
veilig te stellen voor Zijn lîlâ verschillende
persoonlijke gedaanten aangenomen en in navolging van de
[menselijke] handelingen het karma vernietigd; met het
verlangen zich te schikken naar Zijn voeten behoort men te
vernemen van de Beste van de Yadu's.
To
protect the principles of devotional service to Himself,
Lord Krishna, the best of the Yadus, accepts the pastime
forms that have been glorified here in the
S'rîmad-Bhâgavatam. One who desires to
faithfully serve His lotus feet should hear of the
activities He performs in each of these incarnations -
activities that suitably imitate those of the forms He
assumes. Hearing narrations of these pastimes destroys the
reactions to fruitive work.
Text
50
Bij iedere
offerplechtigheid horend van, zingend over en mediterend op de
schitterende onderwerpen aangaande Mukunda, begeeft een
sterveling zich van zijn huis naar Zijn hemelverblijf, alwaar
de onvermijdelijke gang van de dood tot staan wordt gebracht;
zelfs zij die de scepter zwaaiden over het rijk [zoals
Dhruva
en Priyavrata]
gingen voor dit doel het bos in.
By
regularly hearing, chanting and meditating on the beautiful
topics of Lord Mukunda with ever-increasing sincerity, a
mortal being will attain the divine kingdom of the Lord,
where the inviolable power of death holds no sway. For this
purpose, many persons, including great kings, abandoned
their mundane homes and took to the forest.
*
De paramparâ voegt hier aan toe dat naar de regels van de
Mîmâmsâ interpretatie het getal drie wordt
genomen als het uitgangsnummer als geen specifiek nummer is
opgegegeven. Zo zou letterlijk naar de regels hier dan gezegd
zijn dat Ugrasena 30 trillioen toegehorigen zou
hebben.
