regelbalk

 

Dâlâlera Gîtâ

 

 

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 90

 

De Koninginnen Spelen en Spreken en Heer Krishna's Heerlijkheid Samengevat

(1-7) S'rî S'uka zei: 'De Meester van de godin van het geluk verbleef gelukkig in Dvârakâ, Zijn eigen stad rijk in alle opzichten en bevolkt door de meest vooraanstaande Vrishni's. Als de fijnste van hun vrouwen, gekleed in nieuwe kleren, in hun jeugdige schoonheid, met ballen en ander speelgoed speelden op de daken, straalden ze als de bliksem. Haar straten waren altijd druk bevolkt met fraai opgetuigde olifanten die onder de invloed dropen van de bronst, soldaten te voet en paarden en wagens schitterend van het goud. Ze was rijkelijk voorzien van tuinen en parken met reeksen bloeiende bomen die van alle kanten vol waren van de geluiden van de bijen en de vogels die er af en aan vlogen. Zijn zestienduizend vrouwen genietend als hun enige ware liefde had Hij zich in hun weelderig ingerichte verblijven uitgebreid in evenzovele gedaanten [zie ook 10.69: 41]. Duikend in het glasheldere water daar tjilpend van de zwermen vogels en geurig van het stuifmeel van de 's nachts bloeiende en overdag bloeiende lotussen en waterlelies, sportte de Grote Verschijning in de stromen met Zijn Lichaam, omhelsd door de vrouwen, besmeurd met de kunkum van hun borsten. (8-9) Door de zangers van de hemel spelend op tweezijdige trommels, pauken en kleine trommeltjes en met vrouwelijke en mannelijke lofprijzers spelend op vînâ's verheerlijkt, was Acyuta, met spuiten door hen lachend natgespoten met water en Hij weer terugspuitend, zich aan het vermaken zoals de heer der schatbewaarders [Kuvera] dat doet met de nimfen. (10) Zij, natsproeiend, met natte kleren hun dijen en borsten tonend en met de bloemen van hun grote haarwrongen overal rondgestrooid, poogden, met bloeiende gezichten stralend met brede glimlachen, indachtig hun liefde Hem omhelzend, de waterspuit van hun Gemaal weg te kapen. (11) Zoals Krishna met op Zijn bloemenslinger de kunkuma van hun borsten, en de schikking van Zijn haardos in de war door Zijn opgaan in de sport, genoot van het natgespoten worden door en natspuiten van de vrouwen, was Hij gelijk de koning der olifanten omringd door de wijfjesolifanten. (12) Klaar met spelen schonk Krishna de mannelijke en vrouwelijke artiesten die de kost verdienden met zingen en muziek maken, de sieraden en kledingsstukken van Hem en Zijn vrouwen. (13) Aldus werden in het spel van Krishna's sporten, Zijn bewegen, Zijn converseren, rondblikken en glimlachen; door Zijn grappen, uitwisselen van liefdesblijken en omhelzingen, de harten van de vrouwen gestolen. (14) Met hun geesten uitsluitend gericht op Mukunda spraken zij, denkend over de Lotusogige, in trance als gekken; luister naar deze woorden zoals ik verslag van ze doe.

(15) De koninginnen zeiden [zie ook 10.47: 12-21, 10.83: 8-40]: 'O kurarî je beklaagt je, verstoken van slaap kan je geen rust vinden met de Beheerser die, met Zijn verblijfplaats onbekend Zich ergens in de wereld ophoudend, deze nacht aan het slapen is; is het dat jij, net als wij o vriend, diep in je hart bent geraakt door de glimlachende, gulle, speelse blik van Zijn lotusogen? (16) O cakravâkî, helaas, met het sluiten van je ogen voor de nacht, schreeuw je het deerniswekkend uit; of verlang je, net als wij de dienstbaarheid gerealiseerd hebbende, het misschien in je gevlochten haar de bloemenslinger naar de eer van Acyuta's voeten te dragen? (17) O beste, beste oceaan, je maakt altijd zo'n lawaai, nimmer de slaap vattend lijd je aan slapeloosheid; of werden je misschien door Mukunda de persoonlijke kwaliteiten ontstolen en heb jij eveneens de staat bereikt van waaruit geen ontsnappen mogelijk is? (18) O maan ben jij, gegrepen door de verwoestende ziekte van de tering, zo uitgemergeld dat je de duisternis niet weet te verdrijven met je stralen, of kom je misschien zo bezeten voor, o beste, met het je niet meer herinneren van de gesprekken over Mukunda zoals dat met ons het geval is? (19) O wind uit de Malaya-bergen, wat hebben we gedaan dat je heeft gegriefd, om van de lust bezeten te zijn met onze [arme] harten reeds verscheurd door Govinda's zijdelingse blikken? (20) O wolk, hoog vereerd, zeker ben je een vriend zeer geliefd bij de Aanvoerder der Yâdava's met de s'rîvatsa op Zijn borst; wij, net als jouw goede zelf, zijn gebonden in meditatie op de zuivere liefde. Je buitenmate gedreven hart is zo verscheurd als het onze, op dezelfde manier als jij, keer op keer er weer aan denkend, het doet regenen zoals wij de tranen keer op keer de loop laten met de misère van het [missen van het] omgaan met Hem. (21) O zoetgevooisde koekoek, zeg me alsjeblieft wat ik zou moeten doen om jou te behagen die, met dit stemgeluid in staat om doden op te wekken, aan de klanken van Hem gestalte geeft wiens geluiden zo dierbaar zijn. (22) O berg zo breed in je opvattingen, je beweegt je niet noch spreek je; ben je in beslag genomen door grote zaken, of verlang je er misschien naar - net als wij - om de voeten van de beminde zoon van Vasudeva op je borsten te houden? (23) O [rivieren,] echtgenotes van de oceaan, jullie meren helaas zijn hun rijkdom aan lotussen kwijt geraakt, nu ze uitgedroogd zijn net als wij, uitgehongerd van het niet verwerven van onze geliefde echtgenoot, de Heer van Madhu, die zo menig maal onze harten bedroog [zie ook 10.47: 41 en 10.48: 11]. (24) O zwaan, wees welkom en ga zitten, drink alsjeblieft wat melk, vertel ons o beste het nieuws, daar we weten dat je een boodschapper van S'auri bent; is alles in orde met de Onoverwinnelijke, herinnert Hij, zo grillig in Zijn vriendschap, het zich nog met ons zo lang geleden gesproken te hebben; waarom zouden we van aanbidding zijn, o dienaar van de campaka [een soort magnolia], zeg Hem die de begeerte zo opwekt naar ons toe te komen zonder de godin van het geluk, waarom zou zij de enige vrouw zijn die exclusief in haar toewijding is?'

(25) S'rî S'uka zei: 'Sprekend en handelend met zo een extatische liefde voor Krishna, de Meester der Yogameesters, bereikten de vrouwen van Heer Mâdhava het uiteindelijke doel. (26) Hij, in talrijke liederen bezongen op vele manieren, trekt met grote kracht de geest aan van welke vrouw ook die enkel maar over Hem vernam; hoezeer niet te meer zij die Hem direct voor zich zien? (27) Hoe kunnen ooit de boetedoeningen worden beschreven van hen die, met de houding Hem, de Geestelijk Leraar van het Universum, als hun echtgenoot te hebben, met zuivere liefde Zijn voeten volmaakt dienden met massages en dergelijke? (28) Op deze manier tewerk gaand naar het dharma zoals uitgedrukt door de Veda's, demonstreerde Hij, het Doel der Geheiligden, hoe iemands thuis er is als de plaats voor de religiositeit, de economische ontwikkeling en de regulatie der zinsbevrediging [de purusârtha's]. (29) Van Krishna zich bevindend in het hoogste dharma van het huishoudelijk bestaan, waren er meer dan zestienduizend-één-honderd koninginnen [zie ook 10.59** en 7.14]. (30) Onder hen waren er acht juwelen van vrouwen met Rukminî voorop die ik tezamen met hun zoons voorheen de een na de ander beschreven heb, o Koning [zie 10.83 en 10.61: 8-19]. (31) Bij ieder van Zijn vele vrouwen verwekte Krishna, de Allerhoogste Heer Nimmer Falend in Zijn Moeite, tien zonen [en één dochter]. (32) Van dezen waren er achttien mahâratha's van een onbegrensd kunnen, wiens faam zich wijd verspreidde; verneem hun namen van mij. (33-34) Het waren Pradyumna en [Zijn kleinzoon of andere zoon] Aniruddha; Dîptimân en Bhânu als ook Sâmba, Madhu en Brihadbhânu; Citrabhânu, Vrika en Aruna; Pushkara en Vedabâhu, S'rutadeva en Sunandana; Citrabâhu en Virûpa, Kavi en Nyagrodha. (35) O beste der koningen, van deze zoons van Krishna, de vijand van Madhu, was Pradyumna, de zoon van Rukminî, de meest vooraanstaande, precies als Zijn Vader. (36) Hij, de grote strijdwagenvechter, huwde de dochter van Rukmî [genaamd Rukmavatî] uit wie toen Aniruddha werd geboren, begiftigd met de kracht van een tienduizend olifanten [zie 10.61]. (37) Daarenboven nam Hij, zoals u weet, vervolgens Rukmî's kleindochter [Rocana] tot Zijn vrouw uit wie Zijn zoon Vajra werd geboren, de enige die overbleef na de slag met de stokken [zie 3.4: 1 & 2]. (38) Pratibâhu kwam er na hem, van wie er toen Subâhu was en van Subâhu's zoon S'ântasena kwam er toen S'atasena als zijn zoon. (39) Waarlijk ontbrak het geen van het nageslacht dat in deze familie verscheen aan weelde of kinderen, noch waren ze kortlevend, schoten ze tekort in hun kunnen of faalden ze met het brahmaanse. (40) De roemrijke daden van de mannen geboren in de Yadu-dynastie zijn niet op te sommen, o Koning, nog niet in tienduizend jaar. (41) Men zei dat er voor de kinderen van de Yadu familie achtendertigmiljoen achthonderdduizend leraren waren. (42) Wie kan de tel bijhouden met de Yâdava's als Ugrasena onder hen aanwezig was met tienduizenden op tienduizenden op honderdduizenden [*] grote persoonlijkheden? (43) In oorlogen tussen de goddelijken en de demonische mensen werden de meest genadeloze daitya's gedood, die het de bevolking moeilijk maakten zich arrogant opwerpend onder de menselijke wezens. (44) Om hen te onderwerpen werden de deva's door de Heer opgedragen in de familie neder te dalen in hun honderd-en-één clans, o Koning [zie 10.1: 62-63]. (45) Voor hen was Krishna vanwege Zijn meesterschap het gezag van Heer Hari waarnaar het al de Yâdava's die Zijn trouwe volgelingen waren goed ging. (46) In hun bezigheden van slapen, zitten, rondlopen, converseren, spelen, baden en zo voorts, waren de Vrishni's met Krishna in hun gedachten zich niet bewust van de aanwezigheid van hun eigen lichamen [en dus onbevreesd, zie ook 10.89: 14-17]. (47) O Koning, Zijn geboorte nemend onder de Yadu's stelde Hij het pelgrimsoord van de rivier van de hemel [de Ganges] die van Zijn voeten spoelt in de schaduw; vriend en vijand bereikte zijn doel naar Zijn belichaming [7.1: 46-47]; de onovertroffen en hoogst volmaakte godin S'rî voor wie alle anderen zich in bochten wringen is de Zijne; Zijn naam gehoord of gezongen is wat het ongunstige vernietigt; door Hem werd het dharma ingesteld voor de lijnen van erfopvolging [van de wijzen]; met Heer Krishna, wiens wapen het wiel van de Tijd is, is dit wegnemen van de last van de aarde, niet iets verwonderlijks [zie ook 3.2: 7-12]. (48) Glorieus als de Uiteindelijke Verblijfplaats, bekend als de zoon van Devakî, als de toewijding van de Yadu-edelen die met Zijn armen [of toegewijden] een einde maakt aan de onrechtvaardigen, als de Vernietiger van het Leed van de bewegenden en niet-bewegenden, is Hij de Ene, altijd glimlachend met Zijn prachtige gezicht, die Cupido opwekt bij de dames van Vraja [zie 10.30-33, 10.35, 10.47]. (49) Op deze manier van het Allerhoogste heeft Hij met het verlangen Zijn eigen weg veilig te stellen voor Zijn lîlâ verschillende persoonlijke gedaanten aangenomen en in navolging van de [menselijke] handelingen het karma vernietigd; met het verlangen zich te schikken naar Zijn voeten behoort men te vernemen van de Beste van de Yadu's. (50) Bij iedere offerplechtigheid horend van, zingend over en mediterend op de schitterende onderwerpen aangaande Mukunda, begeeft een sterveling zich van zijn huis naar Zijn hemelverblijf, alwaar de onvermijdelijke gang van de dood tot staan wordt gebracht; zelfs zij die de scepter zwaaiden over het rijk [zoals Dhruva en Priyavrata] gingen voor dit doel het bos in.

 

Aldus eindigt het tiende Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: 'Het Hoogste Goed'  

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Summary of Lord Krishna's Glories

 

Text 1-7:

S'rî S'uka zei: 'De Meester van de godin van het geluk verbleef gelukkig in Dvârakâ, Zijn eigen stad rijk in alle opzichten en bevolkt door de meest vooraanstaande Vrishni's. Als de fijnste van hun vrouwen, gekleed in nieuwe kleren, in hun jeugdige schoonheid, met ballen en ander speelgoed speelden op de daken, straalden ze als de bliksem. Haar straten waren altijd druk bevolkt met fraai opgetuigde olifanten die onder de invloed dropen van de bronst, soldaten te voet en paarden en wagens schitterend van het goud. Ze was rijkelijk voorzien van tuinen en parken met reeksen bloeiende bomen die van alle kanten vol waren van de geluiden van de bijen en de vogels die er af en aan vlogen. Zijn zestienduizend vrouwen genietend als hun enige ware liefde had Hij zich in hun weelderig ingerichte verblijven uitgebreid in evenzovele gedaanten [zie ook 10.69: 41]. Duikend in het glasheldere water daar tjilpend van de zwermen vogels en geurig van het stuifmeel van de 's nachts bloeiende en overdag bloeiende lotussen en waterlelies, sportte de Grote Verschijning in de stromen met Zijn Lichaam, omhelsd door de vrouwen, besmeurd met de kunkum van hun borsten.

S'ukadeva Gosvamî said: The master of the goddess of fortune resided happily in His capital city, Dvârakâ, which was endowed with all opulences and populated by the most eminent Vrishnis and their gorgeously dressed wives. When these beautiful women in the bloom of youth would play on the city's rooftops with balls and other toys, they shone like flashing lightning. The main streets of the city were always crowded with intoxicated elephants exuding mada, and also with cavalry, richly adorned infantrymen, and soldiers riding chariots brilliantly decorated with gold. Gracing the city were many gardens and parks with rows of flowering trees, where bees and birds would gather, filling all directions with their songs.

Lord Krishna was the sole beloved of His sixteen thousand wives. Expanding Himself into that many forms, He enjoyed with each of His queens in her own richly furnished residence. On the grounds of these palaces were clear ponds fragrant with the pollen of blooming utpala, kahlâra, kumuda and ambhoja lotuses and filled with flocks of cooing birds. The almighty Lord would enter those ponds, and also various rivers, and enjoy sporting in the water while His wives embraced Him, leaving the red kunkuma from their breasts smeared on His body.

 

Text 8-9:

Door de zangers van de hemel spelend op tweezijdige trommels, pauken en kleine trommeltjes en met vrouwelijke en mannelijke lofprijzers spelend op vînâ's verheerlijkt, was Acyuta, met spuiten door hen lachend natgespoten met water en Hij weer terugspuitend, zich aan het vermaken zoals de heer der schatbewaarders [Kuvera] dat doet met de nimfen.

As Gandharvas joyfully sang His praises to the accompaniment of mridanga, panava and ânaka drums, and as professional reciters known as Sûtas, Mâgadhas and Vandîs played vînâs and recited poems praising Him, Lord Krishna would play with His wives in the water. Laughing, the queens would squirt water on Him with syringes, and He would squirt them back. Thus Krishna would sport with His queens in the same way that the lord of the Yakshas sports with the Yakshî nymphs.

 

Text 10:

Zij, natsproeiend, met natte kleren hun dijen en borsten tonend en met de bloemen van hun grote haarwrongen overal rondgestrooid, poogden, met bloeiende gezichten stralend met brede glimlachen, indachtig hun liefde Hem omhelzend, de waterspuit van hun Gemaal weg te kapen.

Under the drenched clothing of the queens, their thighs and breasts would become visible. The flowers tied in their large braids would scatter as they sprayed water on their consort, and on the plea of trying to take away His syringe, they would embrace Him. By His touch their lusty feelings would increase, causing their faces to beam with smiles. Thus Lord Krishna's queens shone with resplendent beauty.

 

Text 11:

Zoals Krishna met op Zijn bloemenslinger de kunkuma van hun borsten, en de schikking van Zijn haardos in de war door Zijn opgaan in de sport, genoot van het natgespoten worden door en natspuiten van de vrouwen, was Hij gelijk de koning der olifanten omringd door de wijfjesolifanten.

Lord Krishna's flower garland would become smeared with kunkuma from their breasts, and His abundant locks of hair would become disheveled as a result of His absorption in the game. As the Lord repeatedly sprayed His young consorts and they sprayed Him in turn, He enjoyed Himself like the king of elephants enjoying in the company of his bevy of she-elephants.

      

Text 12

Klaar met spelen schonk Krishna de mannelijke en vrouwelijke artiesten die de kost verdienden met zingen en muziek maken, de sieraden en kledingsstukken van Hem en Zijn vrouwen.

Afterward, Lord Krishna and His wives would give the ornaments and clothing they had worn during their water sports to the male and female performers, who earned their livelihood from singing and from playing instrumental music.

 

 Text 13

Aldus werden in het spel van Krishna's sporten, Zijn bewegen, Zijn converseren, rondblikken en glimlachen; door Zijn grappen, uitwisselen van liefdesblijken en omhelzingen, de harten van de vrouwen gestolen.

In this way Lord Krishna would sport with His queens, totally captivating their hearts with His gestures, talks, glances and smiles, and also with His jokes, playful exchanges and embraces.

 

Text 14

Met hun geesten uitsluitend gericht op Mukunda spraken zij, denkend over de Lotusogige, in trance als gekken; luister naar deze woorden zoals ik verslag van ze doe.

The queens would become stunned in ecstatic trance, their minds absorbed in Krishna alone. Then, thinking of their lotus-eyed Lord, they would speak as if insane. Please hear these words from me as I relate them.

 

Text 15

De koninginnen zeiden [zie ook 10.47: 12-21, 10.83: 8-40]: 'O kurarî je beklaagt je, verstoken van slaap kan je geen rust vinden met de Beheerser die, met Zijn verblijfplaats onbekend Zich ergens in de wereld ophoudend, deze nacht aan het slapen is; is het dat jij, net als wij o vriend, diep in je hart bent geraakt door de glimlachende, gulle, speelse blik van Zijn lotusogen?

The queens said: O kurarî bird, you are lamenting. Now it is night, and somewhere in this world the Supreme Lord is asleep in a hidden place. But you are wide awake, O friend, unable to fall asleep. Is it that, like us, you have had your heart pierced to the core by the lotus-eyed Lord's munificent, playful smiling glances?

 

Text 16

O cakravâkî, helaas, met het sluiten van je ogen voor de nacht, schreeuw je het deerniswekkend uit; of verlang je, net als wij de dienstbaarheid gerealiseerd hebbende, het misschien in je gevlochten haar de bloemenslinger naar de eer van Acyuta's voeten te dragen?

Poor cakravâkî, even after closing your eyes, you continue to cry pitifully through the night for your unseen mate. Or is it that, like us, you have become the servant of Acyuta and hanker to wear in your braided hair the garland He has blessed with the touch of His feet?

 

Text 17

O beste, beste oceaan, je maakt altijd zo'n lawaai, nimmer de slaap vattend lijd je aan slapeloosheid; of werden je misschien door Mukunda de persoonlijke kwaliteiten ontstolen en heb jij eveneens de staat bereikt van waaruit geen ontsnappen mogelijk is?

Dear ocean, you are always roaring, not sleeping at night. Are you suffering insomnia? Or is it that, as with us, Mukunda has taken your insignias and you are hopeless of retrieving them?

 

Text 18

O maan ben jij, gegrepen door de verwoestende ziekte van de tering, zo uitgemergeld dat je de duisternis niet weet te verdrijven met je stralen, of kom je misschien zo bezeten voor, o beste, met het je niet meer herinneren van de gesprekken over Mukunda zoals dat met ons het geval is?

My dear moon, having contracted a severe case of tuberculosis, you have become so emaciated that you fail to dispel the darkness with your rays. Or is it that you appear dumbstruck because, like us, you cannot remember the encouraging promises Mukunda once made to you?

 

 Text 19

O wind uit de Malaya-bergen, wat hebben we gedaan dat je heeft gegriefd, om van de lust bezeten te zijn met onze [arme] harten reeds verscheurd door Govinda's zijdelingse blikken?

O Malayan breeze, what have we done to displease you, so that you stir up lust in our hearts, which have already been shattered by Govinda's sidelong glances?

 

 Text 20

O wolk, hoog vereerd, zeker ben je een vriend zeer geliefd bij de Aanvoerder der Yâdava's met de s'rîvatsa op Zijn borst; wij, net als jouw goede zelf, zijn gebonden in meditatie op de zuivere liefde. Je buitenmate gedreven hart is zo verscheurd als het onze, op dezelfde manier als jij, keer op keer er weer aan denkend, het doet regenen zoals wij de tranen keer op keer de loop laten met de misère van het [missen van het] omgaan met Hem.

O revered cloud, you are indeed very dear to the chief of the Yâdavas, who bears the mark of S'rîvatsa. Like us, you are bound to Him by love and are meditating upon Him. Your heart is distraught with great eagerness, as our hearts are, and as you remember Him again and again you shed a torrent of tears. Association with Krishna brings such misery!

  

 Text 21

O zoetgevooisde koekoek, zeg me alsjeblieft wat ik zou moeten doen om jou te behagen die, met dit stemgeluid in staat om doden op te wekken, aan de klanken van Hem gestalte geeft wiens geluiden zo dierbaar zijn.

O sweet-throated cuckoo, in a voice that could revive the dead you are vibrating the same sounds we once heard from our beloved, the most pleasing of speakers. Please tell me what I can do today to please you.

 

 Text 22

O berg zo breed in je opvattingen, je beweegt je niet noch spreek je; ben je in beslag genomen door grote zaken, of verlang je er misschien naar - net als wij - om de voeten van de beminde zoon van Vasudeva op je borsten te houden?

O magnanimous mountain, you neither move nor speak. You must be pondering some matter of great importance. Or do you, like us, desire to hold on your breasts the feet of Vasudeva's darling son?

  

 Text 23

O [rivieren,] echtgenotes van de oceaan, jullie meren helaas zijn hun rijkdom aan lotussen kwijt geraakt, nu ze uitgedroogd zijn net als wij, uitgehongerd van het niet verwerven van onze geliefde echtgenoot, de Heer van Madhu, die zo menig maal onze harten bedroog [zie ook 10.47: 41 en 10.48: 11].

O rivers, wives of the ocean, your pools have now dried up. Alas, you have shriveled to nothing, and your wealth of lotuses has vanished. Are you, then, like us, who are withering away because of not receiving the affectionate glance of our dear husband, the Lord of Madhu, who has cheated our hearts?

 

 Text 24

O zwaan, wees welkom en ga zitten, drink alsjeblieft wat melk, vertel ons o beste het nieuws, daar we weten dat je een boodschapper van S'auri bent; is alles in orde met de Onoverwinnelijke, herinnert Hij, zo grillig in Zijn vriendschap, het zich nog met ons zo lang geleden gesproken te hebben; waarom zouden we van aanbidding zijn, o dienaar van de campaka [een soort magnolia], zeg Hem die de begeerte zo opwekt naar ons toe te komen zonder de godin van het geluk, waarom zou zij de enige vrouw zijn die exclusief in haar toewijding is?'

Welcome, swan. Please sit here and drink some milk. Give us some news of the descendant of S'ûra, dear one. We know you are His messenger. Is that invincible Lord doing well, and does that unreliable friend of ours still remember the words He spoke to us long ago? Why should we go and worship Him? O servant of a petty master, go tell Him who fulfills our desires to come here without the goddess of fortune. Is she the only woman exclusively devoted to Him?

 

Text 25

S'rî S'uka zei: 'Sprekend en handelend met zo een extatische liefde voor Krishna, de Meester der Yogameesters, bereikten de vrouwen van Heer Mâdhava het uiteindelijke doel.

S'ukadeva Gosvâmî said: By thus speaking and acting with such ecstatic love for Lord Krishna, the master of all masters of mystic yoga, His loving wives attained the ultimate goal of life.

 

 Text 26

Hij, in talrijke liederen bezongen op vele manieren, trekt met grote kracht de geest aan van welke vrouw ook die enkel maar over Hem vernam; hoezeer niet te meer zij die Hem direct voor zich zien?

The Lord, whom countless songs glorify in countless ways, forcibly attracts the minds of all women who simply hear about Him. What to speak, then, of those women who see Him directly?

 

 Text 27

Hoe kunnen ooit de boetedoeningen worden beschreven van hen die, met de houding Hem, de Geestelijk Leraar van het Universum, als hun echtgenoot te hebben, met zuivere liefde Zijn voeten volmaakt dienden met massages en dergelijke?

And how could one possibly describe the great austerities that had been performed by the women who perfectly served Him, the spiritual master of the universe, in pure ecstatic love? Thinking of Him as their husband, they rendered such intimate services as massaging His feet.

  

 Text 28

Op deze manier tewerk gaand naar het dharma zoals uitgedrukt door de Veda's, demonstreerde Hij, het Doel der Geheiligden, hoe iemands thuis er is als de plaats voor de religiositeit, de economische ontwikkeling en de regulatie der zinsbevrediging [de purusârtha's].

Thus observing the principles of duty enunciated in the Vedas, Lord Krishna, the goal of the saintly devotees, repeatedly demonstrated how one can achieve at home the objectives of religiosity, economic development and regulated sense gratification.

 

 Text 29

Van Krishna zich bevindend in het hoogste dharma van het huishoudelijk bestaan, waren er meer dan zestienduizend-één-honderd koninginnen [zie ook 10.59**and 7.14].

While fulfilling the highest standards of religious householder life, Lord Krishna maintained more than 16,100 wives.

 

Text 30

Onder hen waren er acht juwelen van vrouwen met Rukminî voorop die ik tezamen met hun zoons voorheen de een na de ander beschreven heb, o Koning [zie 10.83 en 10.61: 8-19].

Among these jewellike women were eight principal queens, headed by Rukminî. I have already described them one after another, O King, along with their sons.

 

 Text 31

Bij ieder van Zijn vele vrouwen verwekte Krishna, de Allerhoogste Heer Nimmer Falend in Zijn Moeite, tien zonen [en één dochter].

The Supreme Lord Krishna, whose endeavor never fails, begot ten sons in each of His many wives.

 

 Text 32

Van dezen waren er achttien mahâratha's van een onbegrensd kunnen, wiens faam zich wijd verspreidde; verneem hun namen van mij.

Among these sons, all possessing unlimited valor, eighteen were mahâ-rathas of great renown. Now hear their names from me.

 

 Text 33-34

Het waren Pradyumna en [Zijn kleinzoon of andere zoon] Aniruddha; Dîptimân en Bhânu als ook Sâmba, Madhu en Brihadbhânu; Citrabhânu, Vrika en Aruna; Pushkara en Vedabâhu, S'rutadeva en Sunandana; Citrabâhu en Virûpa, Kavi en Nyagrodha.

They were Pradyumna, Aniruddha, Dîptimân, Bhânu, Sâmba, Madhu, Brihadbhânu, Citrabhânu, Vrika, Aruna, Pushkara, Vedabâhu, S'rutadeva, Sunandana, Citrabâhu, Virûpa, Kavi and Nyagrodha.

 

 Text 35

O beste der koningen, van deze zoons van Krishna, de vijand van Madhu, was Pradyumna, de zoon van Rukminî, de meest vooraanstaande, precies als Zijn Vader.

O best of kings, of these sons begotten by Lord Krishna, the enemy of Madhu, the most prominent was Rukminî's son Pradyumna. He was just like His father.

 

 Text 36

Hij, de grote strijdwagenvechter, huwde de dochter van Rukmî [genaamd Rukmavatî] uit wie toen Aniruddha werd geboren, begiftigd met de kracht van een tienduizend olifanten [zie 10.61].

The great warrior Pradyumna married Rukmî's daughter [Rukmavatî], who gave birth to Aniruddha. He was as strong as ten thousand elephants.

 

 Text 37

Daarenboven nam Hij, zoals u weet, vervolgens Rukmî's kleindochter [Rocana] tot Zijn vrouw uit wie Zijn zoon Vajra werd geboren, de enige die overbleef na de slag met de stokken [zie 3.4: 1 & 2].

Rukmî's daughter's son [Aniruddha] married Rukmî's son's daughter [Rocana]. From her was born Vajra, who would remain among the few survivors of the Yadus' battle with clubs.

 

 Text 38

Pratibâhu kwam er na hem, van wie er toen Subâhu was en van Subâhu's zoon S'ântasena kwam er toen S'atasena als zijn zoon.

From Vajra came Pratibâhu, whose son was Subâhu. Subâhu's son was S'ântasena, from whom S'atasena was born.

 

 Text 39

Waarlijk ontbrak het geen van het nageslacht dat in deze familie verscheen aan weelde of kinderen, noch waren ze kortlevend, schoten ze tekort in hun kunnen of faalden ze met het brahmaanse.

No one born in this family was poor in wealth or progeny, short-lived, weak or neglectful of brahminical culture.

 

 Text 40

De roemrijke daden van de mannen geboren in de Yadu-dynastie zijn niet op te sommen, o Koning, nog niet in tienduizend jaar.

The Yadu dynasty produced innumerable great men of famous deeds. Even in tens of thousands of years, O King, one could never count them all.

 

 Text 41

Men zei dat er voor de kinderen van de Yadu familie achtendertigmiljoen achthonderdduizend leraren waren.

I have heard from authoritative sources that the Yadu family employed 38,800,000 teachers just to educate their children.

 

 Text 42

Wie kan de tel bijhouden met de Yâdava's als Ugrasena onder hen aanwezig was met tienduizenden op tienduizenden op honderdduizenden [*] grote persoonlijkheden?

Who can count all the great Yâdavas, when among them King Ugrasena alone was accompanied by an entourage of thirty trillion attendants?

 

 Text 43

In oorlogen tussen de goddelijken en de demonische mensen werden de meest genadeloze daitya's gedood, die het de bevolking moeilijk maakten zich arrogant opwerpend onder de menselijke wezens.

The savage descendants of Diti who had been killed in past ages in battles between the demigods and demons took birth among human beings and arrogantly harassed the general populace.

 

 Text 44

(44) Om hen te onderwerpen werden de deva's door de Heer opgedragen in de familie neder te dalen in hun honderd-en-één clans, o Koning [zie 10.1: 62-63].

To subdue these demons, Lord Hari told the demigods to descend into the dynasty of Yadu. They comprised 101 clans, O King.

 

 Text 45

Voor hen was Krishna vanwege Zijn meesterschap het gezag van Heer Hari waarnaar het al de Yâdava's die Zijn trouwe volgelingen waren goed ging.

Because Lord Krishna is the Supreme Personality of Godhead, the Yâdavas accepted Him as their ultimate authority. And among them, all those who were His intimate associates especially flourished.

 

 Text 46

In hun bezigheden van slapen, zitten, rondlopen, converseren, spelen, baden en zo voorts, waren de Vrishni's met Krishna in hun gedachten zich niet bewust van de aanwezigheid van hun eigen lichamen [en dus onbevreesd, zie ook 10.89: 14-17].

The Vrishnis were so absorbed in Krishna consciousness that they forgot their own bodies while sleeping, sitting, walking, conversing, playing, bathing and so on.

 

 Text 47

O Koning, Zijn geboorte nemend onder de Yadu's stelde Hij het pelgrimsoord van de rivier van de hemel [de Ganges] die van Zijn voeten spoelt in de schaduw; vriend en vijand bereikte zijn doel naar Zijn belichaming [7.1: 46-47]; de onovertroffen en hoogst volmaakte godin S'rî voor wie alle anderen zich in bochten wringen is de Zijne; Zijn naam gehoord of gezongen is wat het ongunstige vernietigt; door Hem werd het dharma ingesteld voor de lijnen van erfopvolging [van de wijzen]; met Heer Krishna, wiens wapen het wiel van de Tijd is, is dit wegnemen van de last van de aarde, niet iets verwonderlijks [zie ook 3.2: 7-12].

The heavenly Ganges is a holy place of pilgrimage because her waters wash Lord Krishna's feet. But when the Lord descended among the Yadus, His glories eclipsed the Ganges as a holy place. Both those who hated Krishna and those who loved Him attained eternal forms like His in the spiritual world. The unattainable and supremely self-satisfied goddess of fortune, for the sake of whose favor everyone else struggles, belongs to Him alone. His name destroys all inauspiciousness when heard or chanted. He alone has set forth the principles of the various disciplic successions of sages. What wonder is it that He, whose personal weapon is the wheel of time, relieved the burden of the earth?

 

 Text 48

Glorieus als de Uiteindelijke Verblijfplaats, bekend als de zoon van Devakî, als de toewijding van de Yadu-edelen die met Zijn armen [of toegewijden] een einde maakt aan de onrechtvaardigen, als de Vernietiger van het Leed van de bewegenden en niet-bewegenden, is Hij de Ene, altijd glimlachend met Zijn prachtige gezicht, die Cupido opwekt bij de dames van Vraja [zie 10.30-33, 10.35, 10.47].

Lord S'rî Krishna is He who is known as jana-nivâsa, the ultimate resort of all living entities, and who is also known as Devakînandana or Yas'odâ- nandana, the son of Devakî and Yas'odâ. He is the guide of the Yadu dynasty, and with His mighty arms He kills everything inauspicious, as well as every man who is impious. By His presence He destroys all things inauspicious for all living entities, moving and inert. His blissful smiling face always increases the lusty desires of the gopîs of Vrindâvana. May He be all glorious and happy!

 

 Text 49

Op deze manier van het Allerhoogste heeft Hij met het verlangen Zijn eigen weg veilig te stellen voor Zijn lîlâ verschillende persoonlijke gedaanten aangenomen en in navolging van de [menselijke] handelingen het karma vernietigd; met het verlangen zich te schikken naar Zijn voeten behoort men te vernemen van de Beste van de Yadu's.

To protect the principles of devotional service to Himself, Lord Krishna, the best of the Yadus, accepts the pastime forms that have been glorified here in the S'rîmad-Bhâgavatam. One who desires to faithfully serve His lotus feet should hear of the activities He performs in each of these incarnations - activities that suitably imitate those of the forms He assumes. Hearing narrations of these pastimes destroys the reactions to fruitive work.

 

 Text 50

Bij iedere offerplechtigheid horend van, zingend over en mediterend op de schitterende onderwerpen aangaande Mukunda, begeeft een sterveling zich van zijn huis naar Zijn hemelverblijf, alwaar de onvermijdelijke gang van de dood tot staan wordt gebracht; zelfs zij die de scepter zwaaiden over het rijk [zoals Dhruva en Priyavrata] gingen voor dit doel het bos in.

By regularly hearing, chanting and meditating on the beautiful topics of Lord Mukunda with ever-increasing sincerity, a mortal being will attain the divine kingdom of the Lord, where the inviolable power of death holds no sway. For this purpose, many persons, including great kings, abandoned their mundane homes and took to the forest.

 

* De paramparâ voegt hier aan toe dat naar de regels van de Mîmâmsâ interpretatie het getal drie wordt genomen als het uitgangsnummer als geen specifiek nummer is opgegegeven. Zo zou letterlijk naar de regels hier dan gezegd zijn dat Ugrasena 30 trillioen toegehorigen zou hebben.

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties