regelbalk



 

Canto 10

Mahâmantra 4

 

 

Hoofdstuk 89: Vishnu de Beste der Goden en de Krishna's Halen de Zoons van een Brahmaan Terug

(1) S'rî S'uka zei: 'Onder wijzen die een offerplechtigheid hielden aan de oever van de Sarasvatî o Koning, ontstond een meningsverschil over wie van de drie [Heren] die er vanaf het begin waren, de grootste zou zijn. (2) Omdat ze dit wilden weten stuurden ze de zoon van Brahmâ genaamd Bhrigu eropuit om dit uit te zoeken o Koning. Hij begaf zich naar het hof van Brahmâ. (3) Om zijn goedheid op de proef te stellen boog hij niet voor hem en sprak hij ook geen gebed uit. Dat wekte de hartstocht van de grote Heer die toen kwaad werd. (4) Ondanks de woede die opwelde in zijn hart jegens zijn zoon, slaagde de zelfgeborene erin zich in te tomen, net zoals een vuur wordt gedoofd door zijn eigen [evolutionaire] product [water, zie ook 3.12: 6-10]. (5) Vervolgens ging hij naar de berg Kailâsa alwaar S'iva, blij hem te zien, opstond om hem te omhelzen. (6-7) Toen Bhrigu dit echter afwees en zei: 'Je bent iemand die van het pad afwijkt', werd hij boos en hief hij, bereid hem te doden, zijn drietand tegen hem op met ogen die vuur schoten. De godin [Pârvatî] viel hem ten voeten en bewoog hem met woorden tot vrede. Bhrigu ging toen naar Vaikunthha alwaar Heer Janârdana verblijft. (8-9) De Allerhoogste Heer, de Bestemming van de Toegewijden lag met Zijn hoofd op de schoot van de godin van het geluk. Hij schopte Hem tegen de borst waarop de Heer toen samen met Lakshmî overeind kwam. Hij stond op van het bed, boog Zijn hoofd voor de wijze en zei: 'Wees welkom o brahmaan, gaat u zitten, neem het Ons niet kwalijk alstublieft o meester, We hadden even niet in de gaten dat u was gearriveerd! (10-11) Alstublieft zuiver Mij, Mijn wereld en de heersers van alle werelden die Mij toegewijd zijn, met het water spoelend van de voeten van uw goede zelf dat de heiligheid schept van de pelgrimsoorden. Vandaag o Mijn heer, ben Ik de enig zaligmakende toevlucht geworden voor de godin van het geluk, omdat met het door uw voet bevrijden van Mijn borst van alle zonde, ze bereid zal zijn daar te verblijven!'

(12) S'rî S'uka zei: 'Bhrigu verrukt over en behaagd door de plechtstatige woorden die de Heer van Vaikunthha aldus sprak, viel overweldigd door toewijding stil met tranen in zijn ogen. (13) O Koning, Bhrigu keerde terug naar de offerplechtigheid van de wijzen die de Veda hooghouden en beschreef uitvoerig wat hij persoonlijk had ervaren. (14-17) Toen ze dit hoorden stonden de wijzen versteld, want door geloof te hechten aan Heer Vishnu als zijnde de grootste die vrede en onbevreesdheid brengt, waren ze van hun onzekerheden verlost. Het rechtstreekse bewijs van  Zijn dharma, spirituele kennis, onthechting, realisatie [van tat], de acht mystieke vermogens [siddhi's] en faam verdrijft de onzuiverheden van de geest. Men beschouwt Hem als de Allerhoogste Bestemming van de onzelfzuchtige en heilige wijzen die, met geesten die gelijkmoedig en vreedzaam zijn, het geweld hebben opgegeven [van het heersen met hartstocht]. Zijn favoriete belichaming is die van de geaardheid goedheid en de brahmanen zijn Zijn aanbiddelijke godheden, zij die vreedzame personen van een ontwikkeld intellect zijn die Hem vereren zonder nevenmotieven [zie 1.2: 7; 3.25: 37 en 10.81]. (18) Overeenkomstig de guna's zijn er de drie soorten van geconditioneerde wezens die door Zijn materiële energie hun bestaan vinden: de wilden [van tamas, de Râkshasa's], de onverlichte zielen [van rajas, de Asura's] en de goddelijken [van sattva, de Sura's]. Van deze drie wezens zijn het degenen in de geaardheid goedheid [de Sura's] die de weg wijzen [zie B.G. 14: 6 & 14: 14].'

(19) S'rî S'uka zei: 'De geleerden [verzameld] aan de Sarasvatî met de bedoeling de twijfel van de gewone man weg te nemen, dienden aldus [met deze conclusie] de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid [van Zuivere Goedheid] en bereikten Zijn bestemming.' "

(20) S'rî Sûta [te Naimishâranya] zei: "En zo stroomde deze nectar met de geur van een lotus voort uit de mond van de zoon van de wijze [Vyâsa]. Die nectar handelend over de Allerhoogste Persoonlijkheid, vernietigt de angst voor een materieel bestaan en zorgt ervoor dat de reiziger op de [wereldse] weg, zich via de openingen van zijn oren voortdurend laaft aan de fijne verzen en de vermoeidheid van zijn omzwervingen vergeet. (21) S'uka zei: 'Eens, in Dvârakâ, gebeurde het dat het kind geboren uit de vrouw van een brahmaan kwam te overlijden op het moment dat het, zoals men dat zegt, de grond raakte o nazaat van Bharata. (22) De brahmaan bracht het lijk naar de poort van de koning [Ugrasena] en zei, het presenterend, in zijn ellende van streek weeklagend toen het volgende: (23) 'Omdat deze ongekwalificeerde, inhalige kshatriya die verslaafd is aan zingenot, met een misleidende geest en vijandig jegens de brahmanen, zijn werk niet goed deed, moest mijn zoon de dood vinden. (24) Burgers die een slechte volksheer van dienst zijn die, met zijn zinnen niet in bedwang, behagen schept in geweld, zullen steeds gebukt gaan onder armoede en ongelukkig zijn.'

(25) En zo gebeurde het een tweede en een derde keer dat de wijze brahmaan op dezelfde manier [een dood kind] bij de poort neerlegde en dezelfde klaagzang aanhief. (26-27) Arjuna die op een dag vanwege Kes'ava in de buurt was, vernam er toevallig over toen de brahmaan een negende kind ontviel. Hij zei: 'O brahmaan, is er hier niet iemand die bij u thuis de boog kan hanteren? Waarlijk, deze leden van de adelstand gedragen zich alsof ze brahmanen zijn die een offerplechtigheid bijwonen! (28) Daar waar brahmanen moeten treuren over verloren echtgenotes, kinderen en weelde, zijn degenen die zich uitdossen als koningen enkel maar acteurs die zich om hun eigen hachje bekommeren. (29) O grote heer, ik zal de nakomelingen beschermen van jullie twee die er zo ellendig aan toe zijn in dezen. En als ik er niet in slaag mijn belofte waar te maken, zal ik het vuur ingaan om een einde te maken aan mijn zonden [vergelijk B.G. 2: 34].'

(30-31) De brahmaan zei: 'Sankarshana, Vâsudeva, Pradyumna de grootste boogschutter en ook Aniruddha de onvergelijkelijke strijdwagenvechter, konden ze [mijn zoons] niet redden. Waarom probeert u dan zo naïef dat te doen wat de [catur-vyûha] Heren van het Universum onmogelijk voor elkaar konden krijgen? Daarom geloven we er niet in.'

(32) S'rî Arjuna zei: 'Ik ben Sankarshana niet o brahmaan, noch Krishna, noch een nazaat. Men noemt mij Arjuna wiens boog de Gândîva is! (33) O brahmaan, onderschat mijn kunnen niet! De drie-ogige [S'iva] was er tevreden over. Ik zal in de strijd de Dood verslaan en uw kinderen terugbrengen o meester!'

(34) O kweller van de vijand [koning Parîkchit], de geleerde die aldus overtuigd was door Arjuna, ging naar huis, tevreden met wat hij gehoord had over de macht van de zoon van Prithâ. (35) Toen zijn vrouw op het punt stond nogmaals te bevallen, zei de hoogst verheven brahmaan mismoedig tot Arjuna: 'Redt, alstublieft redt mijn kind van de dood!'

(36) Hij beroerde zuiver water, bracht de machtige Heer [S'iva] zijn eerbetuigingen, herinnerde zich [de mantra's voor] zijn wapens en spande de boogpees van de Gândîva. (37) Naar boven, naar beneden en opzij schiep hij met pijlen die waren geladen met de mantra's een kooi van pijlen en schermde hij aldus het barenshuis af. (38) Het kind van de brahmanenvrouw dat vervolgens geboren werd, huilde enige tijd maar verdween toen plotseling de lucht in met lichaam en al. (39) De brahmaan zei toen in het bijzijn van Krishna vol minachting tot Arjuna: 'Kijk hoe dwaas ik ben, ik die vertrouwen stelde in de opschepperij van een eunuch! (40) Als noch Arjuna, Aniruddha, Balarâma of Kes'ava hen kunnen redden, wie zou er dan bescherming kunnen bieden in een situatie als deze? (41) Weg met die Arjuna met zijn valse praatjes, weg met de boog van die snoever die zo dom en ingebeeld dacht dat hij hen kon terugbrengen die het lot heeft weggenomen!'

(42) Terwijl de wijze brahmaan hem aldus vervloekte, nam Arjuna zijn toevlucht tot een mystieke bezweringsformule en ging hij rechtstreeks naar de hemelstad Samyamanî alwaar de grote Yamarâja zich ophoudt. (43-44) Het brahmanenkind niet aantreffend ging hij, met zijn wapens gereed, van daar naar de steden van Indra, Agni, Nirriti [de god van de dood ondergeschikt aan Yamarâja], Soma [de maangod], Vâyu en Varuna en toen naar andere gebieden van de onderwereld tot aan het hoogste punt van de hemel. Er niet in slagend om van hen de zoon van de tweemaal geborene terug te krijgen, vond hij, toen hij zoals beloofd op het punt stond het vuur in te gaan, Krishna tegenover zich die hem probeerde tegen te houden. (45) 'Ik zal je de zoons van de brahmaan tonen, alsjeblieft veracht jezelf niet! Mannen als deze [zo kritisch met ons] zullen ons twee de onbetwiste roem brengen.'

(46) Na deze uitspraak  klom de Allerhoogste Heer, de Goddelijke Meester, met Arjuna in Zijn wagen en vertrok Hij in westelijke richting. (47) Hij trok langs de zeven continenten met hun zeven zeeën en zeven bergketens, stak de [lokâloka-]grens over die de werelden scheidt van de buitenruimte en ging de diepe duisternis in [zie ook 5.1: 31-33]. (48-49) Daar in de duisternis raakten de paarden S'aibya, Sugrîva, Meghapushpa en Balâhaka [zie ook 10.53*] de weg kwijt o beste van de Bharata's. Gezien hun toestand zond de Opperheer, de Grote Meester van Alle Yogameesters, toen Zijn persoonlijke cakra die straalt als een duizendtal zonnen voor de wagen uit. (50) De Sudars'ana-schijf, die met zijn extreem intense gloed zich zo snel als de geest vooruit spoedde, baande zich een weg door de immens diepe en angstwekkende duisternis van de manifestatie als een pijl van Heer Râmacandra's boog afgeschoten op een [demonen-]leger. (51) Arjuna volgde het pad van de cakra tot voorbij die duisternis en aanschouwde het allesdoordringende, zich eindeloos uitbreidende, bovenzinnelijke licht [de brahma-jyoti], dat zo pijn deed aan zijn ogen dat hij ze ervoor sloot [zie ook 10.28: 14-15]. (52) Vandaar gingen ze een watermassa binnen die door een machtige wind werd bewogen tot een schittering van enorme golven. In het water bevond zich een wonderbaarlijke verblijfplaats die baadde in een goddelijke gloed met zuilen die helder straalden met duizenden ingelegde edelstenen. (53) Het enorme serpent Ananta hield zich daar op. Verbazingwekkend met Zijn duizenden koppen die straalden van de juwelen op de kragen en Zijn dubbele aantal schrikwekkende ogen, zag Hij er met Zijn donkerblauwe nekken en tongen uit als de witte berg [Kailâsa]. (54-56) Op dat serpent zag hij de Almachtige, Hoogste Autoriteit van de Persoonlijkheid Verheven Boven Alle Persoonlijkheden van God comfortabel zitten, eruitziend als een grijze wolk, met prachtige gele kleding, een aangenaam aantrekkelijk gezicht en grote ogen. Zijn duizenden loshangende haarlokken baadden in de schittering van Zijn oorhangers en de reeksen van grote juwelen in Zijn kroon. Omlijst door een bloemenslinger van woudbloemen werd Hij met Zijn acht fraaie lange armen, Kaustubha-juweel en S'rîvatsa-teken, als de Belangrijkste van de Heersers van het Universum bediend door Zijn persoonlijke metgezellen aangevoerd door Nanda en Sunanda, alsook door Zijn cakra, Zijn andere wapens die zich manifesteerden in hun persoonlijke gedaanten, [zijn vrouwelijke metgezellen, te weten] Zijn energieën van de welvaart, schoonheid, roem en materiële schepping [resp. Pushthi, S'rî, Kîrti en Ajâ] en Zijn complete mystieke vermogens [siddhi's]. (57) Acyuta bewees Zichzelf in Zijn Onbegrensde Gedaante de eer zoals ook Arjuna dat deed die hoogst verbaasd was bij de aanblik [van Mahâ-Vishnu]. Daarop richtte de Almachtige Heer en Meester van Alle Heersers van het Universum Zich met een glimlach en een inspirerende stem tot hen beiden die hun handen hadden samengebracht. (58) 'Ik bracht de zoons van de brahmaan naar hier met het verlangen jullie twee te zien die als Mijn expansies zijn nedergedaald om het dharma te verdedigen. Keer snel terug naar Mijn aanwezigheid nadat jullie hen hebben gedood die van de duisternis zijn en een overlast vormen voor de aarde  [zie 2.2: 24-27 en 2.6: 26]. (59) Ofschoon van jullie beiden de verlangens in vervulling zijn gegaan o besten van alle personen, moeten jullie, net zoals de wijzen Nara en Nârâyana dat deden, je inzetten om het dharma te handhaven voor het heil van de gewone man.'

(60-61) De twee Krishna's [zie ook B.G. 10: 37] aldus geïnstrueerd door de Opperheer van het Hoogste Verblijf, zeiden 'om' terwijl ze bogen voor de Almachtige. Ze namen de zonen van de tweemaal geborene met zich mee en keerden uitgelaten terug naar hun woonplaats [Dvârakâ], op dezelfde manier als ze gekomen waren. Daar droegen ze de zoons, die nog dezelfde lichamen en dezelfde leeftijd hadden [als toen ze verloren waren gegaan], over aan de brahmaan. (62) Arjuna was diep onder de indruk van de verblijfplaats van Vishnu die hij had gezien. Hij concludeerde dat welke vermogens mensen ook mogen hebben, het allemaal manifestaties zijn van Krishna's genade. (63) Hij [Krishna] verrichtte vele heldendaden als deze in de wereld, genoot de zinnelijke genoegens [zie ook 1.11: 35-39] en was van aanbidding met de meest belangrijke offerplechtigheden [b.v. in 10.24 en 10.74 & 75]. (64) Net zoals Indra op het juiste moment zijn regen laat vallen, liet de Allerhoogste Heer met de uitoefening van Zijn Heerschappij, alles neerregenen wat Zijn getrouwen maar wensten, te beginnen bij Zijn brahmanen. (65) Door al de koningen die zich tegen het dharma keerden te doden en daarbij Arjuna en anderen te betrekken, effende Hij voor de zoon van het Dharma [Yudhishthhira] de weg om de principes van de religie in praktijk brengen [zie ook 1.14 & 15].'

 

next                       

 
 

Derde herziene editie, geladen 22 januari, 2015. 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Onder wijzen die een offerplechtigheid hielden aan de oever van de Sarasvatî o Koning, ontstond een meningsverschil over wie van de drie [Heren] die er vanaf het begin waren, de grootste zou zijn.
S'rî S'uka zei: 'Onder de wijzen die een offerplechtigheid hielden aan de oever van de Sarasvatî, o Koning, wierp zich een meningsverschil op over wie van de drie [Heren] die er vanaf het begin waren de grootste zou zijn. (Vedabase)

 

Tekst 2

Omdat ze dit wilden weten stuurden ze de zoon van Brahmâ genaamd Bhrigu eropuit om dit uit te zoeken o Koning. Hij begaf zich naar het hof van Brahmâ.

Ernaar verlangend dit te weten zonden ze Bhrigu, de zoon van Brahmâ er op uit om dit uit te zoeken, o Koning, en zo begaf hij zich naar het hof van Brahmâ. (Vedabase)

 

Tekst 3

Om zijn goedheid op de proef te stellen boog hij niet voor hem en sprak hij ook geen gebed uit. Dat wekte de hartstocht van de grote Heer die toen kwaad werd.

Om de goedheid op de proef te stellen verboog hij zich niet voor hem noch liet hij een gebed horen, waarop, aangewakkerd door zijn hartstocht, er woede opkwam bij de grote heer. (Vedabase)

 

Tekst 4

Ondanks de woede die opwelde in zijn hart jegens zijn zoon, slaagde de zelfgeborene erin zich in te tomen, net zoals een vuur wordt gedoofd door zijn eigen [evolutionaire] product [water, zie ook 3.12: 6-10].

Hoewel er zich woede bij hem opwierp jegens zijn zoon, slaagde de zelfgeborene erin die in zichzelf de baas te worden, precies zoals vuur wordt uitgedoofd door zijn eigen product, water. (Vedabase)

 

Tekst 5

Vervolgens ging hij naar de berg Kailâsa alwaar S'iva blij hem te zien opstond om hem te omhelzen.

Vervolgens ging hij naar de berg Kailâsa alwaar S'iva overeind kwam in een poging zijn broeder met vreugde te omhelzen [zie ook 3.12: 6-10]. (Vedabase)

 

Tekst 6-7

Toen Bhrigu dit echter afwees en zei: 'Je bent iemand die van het pad afwijkt', werd hij boos en hief hij, bereid hem te doden, zijn drietand tegen hem op met ogen die vuur schoten. De godin [Pârvatî] viel hem ten voeten en bewoog hem met woorden tot vrede. Bhrigu ging toen naar Vaikunthha alwaar Heer Janârdana verblijft.

Dit afwijzend zeggend 'Je bent iemand die van het pad afwijkt', werd hij boos en hief hij zijn drietand naar hem op, met ogen die vuur schoten klaar om te doden. De godin aan de voeten neervallend bewoog hem toen verbaal tot vrede en Bhrigu ging naar Vaikunthha waar Heer Janârdana verblijft. (Vedabase)

  

Tekst 8-9

De Allerhoogste Heer, de Bestemming van de Toegewijden lag met Zijn hoofd op de schoot van de godin van het geluk. Hij schopte Hem tegen de borst waarop de Heer toen samen met Lakshmî overeind kwam. Hij stond op van het bed, boog Zijn hoofd voor de wijze en zei: 'Wees welkom o brahmaan, gaat u zitten, neem het Ons niet kwalijk alstublieft o meester, We hadden even niet in de gaten dat u was gearriveerd!

Toen hij daar met zijn voet schopte tegen de borst van Hem die met Zijn hoofd op de schoot van de godin van het geluk lag, stond de Allerhoogste Heer, de Bestemming van de Toegewijden, op samen met Lakshmî. Van het bed af komend boog Hij daarop Zijn hoofd voor de wijze en zei: 'Weest welkom, o brahmaan, gaat u hier zitten, neemt u 't Ons niet kwalijk o meester, we hadden even niet in de gaten dat u was gearriveerd! (Vedabase)

 

Tekst 10-11

Alstublieft zuiver Mij, Mijn wereld en de heersers van alle werelden die Mij toegewijd zijn, met het water spoelend van de voeten van uw goede zelf dat de heiligheid schept van de pelgrimsoorden. Vandaag o Mijn heer, ben Ik de enig zaligmakende toevlucht geworden voor de godin van het geluk, omdat met het door uw voet bevrijden van Mijn borst van alle zonde, ze bereid zal zijn daar te verblijven!'

Alstublieft zuiver Mij, Mijn wereld en de heersers van alle werelden die Mij toegewijd zijn, met het water spoelend van de voeten van uw goede zelf, die de heiligheid scheppen van de pelgrimsoorden. Vandaag, o Mijn heer, ben Ik de enkele en laatste toevlucht geworden, nu zal de godin van het geluk in Mijn borst huizen door uw voet vrijgemaakt van alle zonde!' (Vedabase)

      

Tekst 12

S'rî S'uka zei: 'Bhrigu verrukt over en behaagd door de plechtstatige woorden die de Heer van Vaikunthha aldus sprak, viel overweldigd door toewijding stil met tranen in zijn ogen.

S'rî S'uka zei: 'Bhrigu verrukt over de plechtstatige woorden die alzo door de Heer van Vaikunthha werden gesproken, viel bevredigd stil met tranen in zijn ogen, overweldigd als hij was door toewijding. (Vedabase)

 

 Tekst 13

O Koning, Bhrigu keerde terug naar de offerplechtigheid van de wijzen die de Veda hooghouden en beschreef uitvoerig wat hij persoonlijk had ervaren.

O Koning, terugkerend naar de offerplechtigheid van de wijzen die de Veda hooghouden, beschreef Bhrigu uitvoerig wat hij zelf had ondervonden. (Vedabase)

 

Tekst 14-17

Toen ze dit hoorden stonden de wijzen versteld, want door geloof te hechten aan Heer Vishnu als zijnde de grootste die vrede en onbevreesdheid brengt, waren ze van hun onzekerheden verlost. Het rechtstreekse bewijs van  Zijn dharma, spirituele kennis, onthechting, realisatie [van tat], de acht mystieke vermogens [siddhi's] en faam verdrijft de onzuiverheden van de geest. Men beschouwt Hem als de Allerhoogste Bestemming van de onzelfzuchtige en heilige wijzen die, met geesten die gelijkmoedig en vreedzaam zijn, het geweld hebben opgegeven [van het heersen met hartstocht]. Zijn favoriete belichaming is die van de geaardheid goedheid en de brahmanen zijn Zijn aanbiddelijke godheden, zij die vreedzame personen van een ontwikkeld intellect zijn die Hem vereren zonder nevenmotieven [zie 1.2: 7; 3.25: 37 en 10.81].

Toen ze dit hoorden stonden de wijzen versteld, daar ze van hun moeilijkheden waren verlost geloof hechtend aan Heer Vishnu als zijnde de grootste van wie er vrede en onbevreesdheid is, een rechtstreeks bewijs van dharma, de spirituele kennis, de onthechting en dat [tat, de realisatie], met inbegrip van het achtvoudige van de mystieke vermogens [siddhi's] en Zijn faam die de onzuiverheden uit de geest bant; Hij is de Allerhoogste Bestemming van de onzelfzuchtige en heilige wijzen die, met het opgeven van het geweld [van het heersen met hartstocht], geesten hebben die gelijkmoedig en vreedzaam zijn; Hij is de belichaming van de geaardheid goedheid waarvan de brahmanen van spirituele vrede, zo kien en deskundig van aanbidding zonder nevenmotieven, de aanbiddelijke godheden zijn [zie 1.2: 7; 3.25: 37 en 10.81 ]. (Vedabase)

 

Tekst 18

Overeenkomstig de guna's zijn er de drie soorten van geconditioneerde wezens die door Zijn materiële energie hun bestaan vinden: de wilden [van tamas, de Râkshasa's], de onverlichte zielen [van rajas, de Asura's] en de goddelijken [van sattva, de Sura's]. Van deze drie wezens zijn het degenen in de geaardheid goedheid [de Sura's] die de weg wijzen [zie B.G. 14: 6 & 14: 14].'

Naar de guna's zijn er de drie typen van geconditioneerd zijn teweeg gebracht door Zijn materiële energie: de wilden [de râkshasa's], de onverlichte zielen [de asura's] en de goddelijken [de sura's]; van hen is het de geaardheid goedheid [van de sura's] die de weg wijst [zie B.G. 14: 6 & 14: 14].' (Vedabase)

 

Tekst 19

S'rî S'uka zei: 'De geleerden [verzameld] aan de Sarasvatî met de bedoeling de twijfel van de gewone man weg te nemen, dienden aldus [met deze conclusie] de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid [van Zuivere Goedheid] en bereikten Zijn bestemming.' "

S'rî S'uka zei: 'De geschoolden op deze wijze levend aan de Sarasvatî om bij de gewone man de twijfel weg te nemen, bereikten door de dienst aan de lotusvoeten van de Allerhoogste Persoonlijkheid de bestemming die Hij was'." (Vedabase)

 

Tekst 20

S'rî Sûta [te Naimishâranya] zei: "En zo stroomde deze nectar met de geur van een lotus voort uit de mond van de zoon van de wijze [Vyâsa]. Die nectar handelend over de Allerhoogste Persoonlijkheid, vernietigt de angst voor een materieel bestaan en zorgt ervoor dat de reiziger op de [wereldse] weg, zich via de openingen van zijn oren voortdurend laaft aan de fijne verzen en de vermoeidheid van zijn omzwervingen vergeet.

S'rî Sûta [te Naimishâranya] zei: "Aldus stroomde deze nectar met de geur van een lotus voort uit de mond van de zoon van de wijze [Yyâsa]; handelend over de Allerhoogste Persoonlijkheid vernietigt ze de angst van een materieel bestaan en maakt ze dat de reiziger, die zich via de openingen van zijn oren voortdurend laaft aan de fijne verzen, de vermoeidheid vergeet van zijn ronddolen op de [wereldse] weg. (Vedabase)

 

Tekst 21

S'uka zei: 'Eens, in Dvârakâ, gebeurde het dat het kind geboren uit de vrouw van een brahmaan kwam te overlijden op het moment dat het, zoals men dat zegt, de grond raakte o nazaat van Bharata.

S'uka zei: 'Eens, in Dvârakâ, gebeurde het dat het kleine kind geboren uit de vrouw van een brahmaan kwam te overlijden op het moment, zoals men dat zegt, dat het de grond raakte, o nazaat van Bharata. (Vedabase)

 

 Tekst 22

De brahmaan bracht het lijk naar de poort van de koning [Ugrasena] en zei, het presenterend, in zijn ellende van streek weeklagend toen het volgende:

De geschoolde, in zijn misère weeklagend met een geest van streek, nam het lijk naar de poort van de koning [Ugrasena] en zei, het presenterend, het volgende: (Vedabase)

 

 Tekst 23

'Omdat deze ongekwalificeerde, inhalige kshatriya die verslaafd is aan zingenot, met een misleidende geest en vijandig jegens de brahmanen, zijn werk niet goed deed, moest mijn zoon de dood vinden.

'Omdat deze ongekwalificeerde, inhalige kshatriya verslaafd aan zingenot, met een bedrieglijke geest en vijandig jegens de brahmanen, in zijn plichtsvervulling is mislukt, moest mijn zoon de dood vinden. (Vedabase)

  

 Tekst 24

Burgers die een slechte volksheer van dienst zijn die, met zijn zinnen niet in bedwang, behagen schept in geweld, zullen steeds gebukt gaan onder armoede en ongelukkig zijn.'

Burgers van dienst met een slechte volksheer die, met zijn zinnen niet in bedwang, er behagen in schept van geweld te zijn [zoals met vleeseten], moeten armoe lijden en voortdurend ellende onder ogen zien.' (Vedabase)

  

 Tekst 25

En zo gebeurde het een tweede en een derde keer dat de wijze brahmaan op dezelfde manier [een dood kind] bij de poort neerlegde en dezelfde klaagzang aanhief.

En op dezelfde manier gebeurde het een tweede keer, en een derde keer net zo dat, met de wijze brahmaan [een dood kind] achterlatend bij de poort, hij hetzelfde lied zong. (Vedabase)

 

 Tekst 26-27

Arjuna die op een dag vanwege Kes'ava in de buurt was, vernam er toevallig over toen de brahmaan een negende kind ontviel. Hij zei: 'O brahmaan, is er hier niet iemand die bij u thuis de boog kan hanteren? Waarlijk, deze leden van de adelstand gedragen zich alsof ze brahmanen zijn die een offerplechtigheid bijwonen!

Arjuna op een dag vanwege Kes'ava in de buurt, hoorde er toevallig over toen een negende kind de brahmaan ontviel; hij zei: 'O brahmaan, is er hier niet iemand om bij uw huis de boog hoog te houden; waarlijk, deze edelen handelen alsof ze brahmanen zijn aanwezig bij een offerplechtigheid! (Vedabase)

 

Tekst 28

Daar waar brahmanen moeten treuren over verloren echtgenotes, kinderen en weelde, zijn degenen die zich uitdossen als koningen enkel maar acteurs die zich om hun eigen hachje bekommeren.

Daar waar brahmanen het afzien van echtgenotes, kinderen en weelde te betreuren hebben, zijn degenen die zich uitdossen als koningen enkel maar acteurs die voor hun eigen levensonderhoud bezig zijn. (Vedabase)

 

 Tekst 29

O grote heer, ik zal de nakomelingen beschermen van jullie twee die er zo ellendig aan toe zijn in dezen. En als ik er niet in slaag mijn belofte waar te maken, zal ik het vuur ingaan om een einde te maken aan mijn zonden [vergelijk B.G. 2: 34].'

O grote heer, ik zal de nakomelingen van jullie twee, die zo ellendig zijn in deze aangelegenheid, beschermen; als ik er niet in slaag mijn belofte gestand te doen zal ik het vuur ingaan om een einde te maken aan mijn zonden [vergelijk B.G. 2: 34].' (Vedabase)

 

 Tekst 30-31

De brahmaan zei: 'Sankarshana, Vâsudeva, Pradyumna de grootste boogschutter en ook Aniruddha de onvergelijkelijke strijdwagenvechter, konden ze [mijn zoons] niet redden. Waarom probeert u dan zo naïef dat te doen wat de [catur-vyûha] Heren van het Universum onmogelijk voor elkaar konden krijgen? Daarom geloven we er niet in.'

De brahmaan ze i: 'Aangezien noch Sankarshana, noch Vâsudeva, noch Pradyumna de grootste boogschutter, noch Aniruddha de onvergelijkelijke strijdwagenvechter, in staat waren uitkomst te bieden [door mijn zoons te redden], waarom probeert u dan in hemelsnaam zo naïef te doen wat onmogelijk is voor de [catur-vyûha] heren van het universum; dat klinkt ons niet geloofwaardig in de oren.' (Vedabase)

  

 Tekst 32

S'rî Arjuna zei: 'Ik ben Sankarshana niet o brahmaan, noch Krishna, noch een nazaat. Men noemt mij Arjuna wiens boog de Gândîva is!

S'rî Arjuna zei: 'Ik ben Sankarshana niet o brahmaan, noch Krishna of zelfs een afstammeling; ik voorwaar ben hij die Arjuna heet met de Gândiva als zijn boog! (Vedabase)

 

 Tekst 33

O brahmaan, onderschat mijn kunnen niet! De drie-ogige [S'iva] was er tevreden over. Ik zal in de strijd de Dood verslaan en uw kinderen terugbrengen o meester!'

Wees niet geringschattend over mijn kunnen o brahmaan, het bevredigde de drieogige [S'iva]; ik, de dood in de strijd verslaand, zal uw kinderen retourneren o meester!' (Vedabase)

 

Tekst 34

O kweller van de vijand [koning Parîkchit], de geleerde die aldus overtuigd was door Arjuna, ging naar huis, tevreden met wat hij gehoord had over de macht van de zoon van Prithâ.

De geschoolde aldus overtuigd door Arjuna, o kweller van de vijand, ging huiswaarts, voldaan te vernemen over het kunnen van de zoon van Prithâ. (Vedabase)

 

 Tekst 35

Toen zijn vrouw op het punt stond nogmaals te bevallen, zei de hoogst verheven brahmaan mismoedig tot Arjuna: 'Redt, alstublieft redt mijn kind van de dood!'

Op het moment dat zijn vrouw op het punt stond nogmaals te bevallen, zei de hoogst verheven brahmaan mismoedig tot Arjuna: 'Alstublieft voorkom dat mijn kind komt te overlijden!' (Vedabase)

 

 Tekst 36

Hij beroerde zuiver water, bracht de machtige Heer [S'iva] zijn eerbetuigingen, herinnerde zich [de mantra's voor] zijn wapens en spande de boogpees van de Gândîva.

Hij, zuiver water beroerend, bracht de grote beheerser [S'iva] zijn eerbetuigingen, en spande met [de mantra's van] zijn wapens in gedachten, de boogpees van de Gândiva. (Vedabase)

 

 Tekst 37

Naar boven, naar beneden en opzij schiep hij met pijlen die waren geladen met de mantra's een kooi van pijlen en schermde hij aldus het barenshuis af.

Naar boven toe, overlangs en opzij bakende hij het barenshuis af met pijlen geladen met de mantra's, aldus een kooi van pijlen creërend. (Vedabase)

 

 Tekst 38

Het kind van de brahmanenvrouw dat vervolgens geboren werd, huilde enige tijd maar verdween toen plotseling de lucht in met lichaam en al.

Het kind van de brahmanenvrouw daarop volgend geboren, verdween na enige tijd gehuild te hebben plotsklaps de lucht in met lichaam en al. (Vedabase)

 

 Tekst 39

De brahmaan zei toen in het bijzijn van Krishna vol minachting tot Arjuna: 'Kijk hoe dwaas ik ben, ik die vertrouwen stelde in de opschepperij van een eunuch!

De geschoolde met Krishna aanwezig zei toen vol minachting tot Arjuna: 'Kijk hoe dwaas ik ben, ik die vertrouwen stelde in zo'n opsnijder van een impotente eunuch! (Vedabase)

 

 Tekst 40

Als noch Arjuna, Aniruddha, Balarâma of Kes'ava hen kunnen redden, wie zou er dan bescherming kunnen bieden in een situatie als deze?

Als Arjuna, Aniruddha, Râma, en Krishna ook geen van allen te hulp konden schieten, wie is er dan nog te vinden die in staat is bescherming te bieden in een situatie als deze? (Vedabase)

 

 Tekst 41

Weg met die Arjuna met zijn valse praatjes, weg met de boog van die snoever die zo dom en ingebeeld dacht dat hij hen kon terugbrengen die het lot heeft weggenomen!'

Weg met die Arjuna met zijn valse praatjes, weg met de boog van die snoever die zo dom, in de waan, dacht hen terug te halen die door het lot werden weggenomen!' (Vedabase)

 

 Tekst 42

Terwijl de wijze brahmaan hem aldus vervloekte, nam Arjuna zijn toevlucht tot een mystieke bezweringsformule en ging hij rechtstreeks naar de hemelstad Samyamanî alwaar de grote Yamarâja zich ophoudt.

Terwijl de wijze man van scholing hem aldus aan het vervloeken was, nam Arjuna zijn toevlucht tot een mystieke bezweringsformule en ging hij rechtsreeks naar de hemelstad Samyamanî waar de grote Yamarâja leeft. (Vedabase)

 

 Tekst 43-44

Het brahmanenkind niet aantreffend ging hij, met zijn wapens gereed, van daar naar de steden van Indra, Agni, Nirriti [de god van de dood ondergeschikt aan Yamarâja], Soma [de maangod], Vâyu en Varuna en toen naar andere gebieden van de onderwereld tot aan het hoogste punt van de hemel. Er niet in slagend om van hen de zoon van de tweemaal geborene terug te krijgen, vond hij, toen hij zoals beloofd op het punt stond het vuur in te gaan, Krishna tegenover zich die hem probeerde tegen te houden.

Het brahmanenkind niet aantreffend ging hij, met zijn wapens gereed, van daar naar de steden van Indra, Agni, Nirriti [de god van de dood ondergeschikt aan Yamarâja], Soma [de maangod], Vâyu en Varuna en toen naar andere gebieden van de onderwereld tot aan het hoogste punt van de hemel. Er niet in slagend om van hen de zoon van de tweemaal geborene terug te krijgen, vond hij, toen hij zoals beloofd op het punt stond het vuur in te gaan, Krishna tegenover zich die hem probeerde tegen te houden. (Vedabase)

 

 Tekst 45

'Ik zal je de zoons van de brahmaan tonen, alsjeblieft veracht jezelf niet! Mannen als deze [zo kritisch met ons] zullen ons twee de onbetwiste roem brengen.'

'Ik zal je de zoons laten zien van de tweemaal geborene, alsjeblieft veracht jezelf niet, dit soort mannen [van kritiek] zullen ons beiden de onbetwiste roem brengen. ' (Vedabase)


 Tekst 46

Na deze uitspraak klom de Allerhoogste Heer, de Goddelijke Meester, met Arjuna in Zijn wagen en vertrok Hij in westelijke richting.

De Allerhoogste Heer, de Goddelijke Beheerser, aldus ruggespraak houdend, klom met Arjuna in Zijn wagen en vertrok in westelijke richting. (Vedabase)

 

 Tekst 47

Hij trok langs de zeven continenten met hun zeven zeeën en zeven bergketens, stak de [lokâloka-]grens over die de werelden scheidt van de buitenruimte en ging de diepe duisternis in [zie ook 5.1: 31-33].

De zeven continenten met hun zeven zeeën en zeven bergketens langstrekkend stak hij de grens over die de werelden scheidt van de buitenruimte en ging Hij de diepe duisternis binnen [zie ook 5.1: 31- 33]. (Vedabase)

 

 Tekst 48-49

Daar in de duisternis raakten de paarden S'aibya, Sugrîva, Meghapushpa en Balâhaka [zie ook 10.53*] de weg kwijt o beste van de Bharata's. Gezien hun toestand zond de Opperheer, de Grote Meester van Alle Yogameesters, toen Zijn persoonlijke cakra die straalt als een duizendtal zonnen voor de wagen uit.

Daar in de duisternis raakten de paarden S'aibya, Sugrîva, Meghapushpa en Balâhaka [zie ook 10.53*] de weg kwijt, o beste van de Bharata's, en dus stuurde de Opperheer, de Grote Meester van Alle Yogabeheersers, gezien hun toestand zijn persoonlijke cakra vergelijkbaar met een duizend zonnen vooruit. (Vedabase)

 

 Tekst 50

De Sudars'ana-schijf, die met zijn extreem intense gloed zich zo snel als de geest vooruit spoedde, baande zich een weg door de immens diepe en angstwekkende duisternis van de manifestatie als een pijl van Heer Râmacandra's boog afgeschoten op een [demonen-]leger.

De sudars'ana-schijf met zijn extreem intense gloed snel als de geest vooruit spoedend, sneed zich door de immens diepe en angstwekkende duisternis van de manifestatie, als een pijl door Heer Râmacandra afgeschoten op een leger. (Vedabase)

 

 Tekst 51

Arjuna volgde het pad van de cakra tot voorbij die duisternis en aanschouwde het allesdoordringende, zich eindeloos uitbreidende, bovenzinnelijke licht [de brahma-jyoti], dat zo pijn deed aan zijn ogen dat hij ze ervoor sloot [zie ook 10.28: 14-15].

Het pad van de cakra volgend voorbij die duisternis aanschouwde Arjuna het allesdoordringende, zich eindeloos uitbreidende, transcendentale licht, voor de pijn waarvan hij zijn beide ogen sloot [zie ook 10.28: 14-15]. (Vedabase)

 

 Tekst 52

Vandaar gingen ze een watermassa binnen die door een machtige wind werd bewogen tot een schittering van enorme golven. In het water bevond zich een wonderbaarlijke verblijfplaats die baadde in een goddelijke gloed met zuilen die helder straalden met duizenden ingelegde edelstenen.

Vandaar gingen ze een watermassa binnen bewogen door een machtige wind tot een schittering van enorme golven, waarin een werkelijk wonderbaarlijke verblijfplaats gelegen was in een goddelijke gloed met zuilen helder stralend met duizenden edelstenen. (Vedabase)

 

 Tekst 53

Het enorme serpent Ananta hield zich daar op. Verbazingwekkend met Zijn duizenden koppen die straalden van de juwelen op de kragen en Zijn dubbele aantal schrikwekkende ogen, zag Hij er met Zijn donkerblauwe nekken en tongen uit als de witte berg [Kailâsa].

Daar hield zich het enorme serpent Ananta op, verbazingwekkend met Zijn duizenden koppen stralend van de juwelen op de kragen en het dubbele aantal schrikwekkende ogen, die met zijn donkerblauwe nekken en tongen leek op de witte berg [Kailâsa]. (Vedabase)

 

 Tekst 54-56

Op dat serpent zag hij de Almachtige, Hoogste Autoriteit van de Persoonlijkheid Verheven Boven Alle Persoonlijkheden van God comfortabel zitten, eruitziend als een grijze wolk, met prachtige gele kleding, een aangenaam aantrekkelijk gezicht en grote ogen. Zijn duizenden loshangende haarlokken baadden in de schittering van Zijn oorhangers en de reeksen van grote juwelen in Zijn kroon. Omlijst door een bloemenslinger van woudbloemen werd Hij met Zijn acht fraaie lange armen, Kaustubha-juweel en S'rîvatsa-teken, als de Belangrijkste van de Heersers van het Universum bediend door Zijn persoonlijke metgezellen aangevoerd door Nanda en Sunanda, alsook door Zijn cakra, Zijn andere wapens die zich manifesteerden in hun persoonlijke gedaanten, [zijn vrouwelijke metgezellen, te weten] Zijn energieën van de welvaart, schoonheid, roem en materiële schepping [resp. Pushthi, S'rî, Kîrti en Ajâ] en Zijn complete mystieke vermogens [siddhi's].

Op de gemakkelijke zitplaats van dat serpent zag hij de Almachtige, Hoogste Autoriteit van de Persoonlijkheid Verheven Boven Alle Persoonlijkheden van God, eruit ziend als een grijze wolk, met prachtige gele kleding, een aangenaam aantrekkelijk gezicht en grote ogen. Bij Zijn acht fraaie lange armen, het kaustubha juweel, het s'rîvatsa-teken en de omhelzing van een bloemenslinger van woudbloemen, reflecteerden Zijn duizenden loshangende haarlokken de schittering van Zijn oorhangers en de verzamelingen van grote juwelen in Zijn kroon. Als de Belangrijkste van de Heersers van het Universum werd Hij bediend door Zijn persoonlijke metgezellen met Nanda en Sunanda voorop, Zijn cakra en Zijn andere wapens zich manifesterend in hun persoonlijke gedaanten, [de gemalinnen van] Zijn energieën van welvaart, schoonheid, roem en materiële schepping [resp. Pushthi, S'rî, Kîrti en Ajâ] en Zijn voltallige mystieke vermogens [siddhi's]. (Vedabase)

 

 Tekst 57

Acyuta bewees Zichzelf in Zijn Onbegrensde Gedaante de eer zoals ook Arjuna dat deed die hoogst verbaasd was bij de aanblik [van Mahâ-Vishnu]. Daarop richtte de Almachtige Heer en Meester van Alle Heersers van het Universum Zich met een glimlach en een inspirerende stem tot hen beiden die hun handen hadden samengebracht.

Acyuta betoonde Zichzelf in Zijn Onbegrensde Gedaante de eer zoals ook Arjuna dat deed die bij de aanblik [van Mahâ-vishnu] in grote verbazing verviel toen de Almachtige Heer en Meester van Alle Heersers van het Universum met een glimlach en een inspirerende stem tot hen getweeën sprak die hun handpalmen hadden samengebracht. (Vedabase)

 

 Tekst 58

'Ik bracht de zoons van de brahmaan naar hier met het verlangen jullie twee te zien die als Mijn expansies zijn nedergedaald om het dharma te verdedigen. Keer snel terug naar Mijn aanwezigheid nadat jullie hen hebben gedood die van de duisternis zijn en een overlast vormen voor de aarde  [zie 2.2: 24-27 en 2.6: 26].

'Ik bracht de twee zoons van de tweemaal geborene naar hier met het verlangen jullie twee te zien, die als Mijn expansies zijn nedergedaald; kom, na het doden van hen die van het duister zijn en een overlast vormen voor de aarde, snel terug naar hier in Mijn aanwezigheid [zie 2:2: 24-27 en 2.6: 26]. (Vedabase)

 

 Tekst 59

Ofschoon van jullie beiden de verlangens in vervulling zijn gegaan o besten van alle personen, moeten jullie, net zoals de wijzen Nara en Nârâyana dat deden, je inzetten om het dharma te handhaven voor het heil van de gewone man.'

Ofschoon van jullie twee alle verlangens in vervulling zijn gegaan, o beste van alle personen, moeten jullie, zoals de wijzen Nara en Nârâyana dat deden, voor het heil van de gewone mensen te werk gaan ter wille van het handhaven van het dharma.' (Vedabase)

 

 Tekst 60-61

De twee Krishna's [zie ook B.G. 10: 37] aldus geïnstrueerd door de Opperheer van het Hoogste Verblijf, zeiden 'om' terwijl ze bogen voor de Almachtige. Ze namen de zonen van de tweemaal geborene met zich mee en keerden uitgelaten terug naar hun woonplaats [Dvârakâ], op dezelfde manier als ze gekomen waren. Daar droegen ze de zoons, die nog dezelfde lichamen en dezelfde leeftijd hadden [als toen ze verloren waren gegaan], over aan de brahmaan.

De twee Krishna's [zie ook B.G. 10: 37] aldus geïnstrueerd door de Opperheer van het Hoogste Verblijf, verbogen zich 'om' reciterend voor de Almachtige en namen opgetogen de twee zoons van de tweemaal geborene mee, terugkerend naar hun eigen verblijfplaats op dezelfde manier als ze gekomen waren. De geschoolde overhandigden ze zijn zoons die de zelfde lichamen en dezelfde leeftijd hadden [als toen ze verloren waren gegaan]. (Vedabase)

 

 Tekst 62

Arjuna was diep onder de indruk van de verblijfplaats van Vishnu die hij had gezien. Hij concludeerde dat welke vermogens mensen ook mogen hebben, het allemaal manifestaties zijn van Krishna's genade.

Met het gezien hebben van de verblijfplaats van Vishnu was Arjuna diep bewogen. Hij concludeerde dat welke speciale vermogens levende wezens ook mochten hebben [zoals zijn vriend die hem Zijn eigen superioriteit als Mahâ-vishnu toonde], ze allen de genade waren betoond door Krishna. (Vedabase)

 

 Tekst 63

Hij [Krishna] verrichtte vele heldendaden als deze in de wereld, genoot de zinnelijke genoegens [zie ook 1.11: 35-39] en was van aanbidding met de meest belangrijke offerplechtigheden [b.v. in 10.24 en 10.74 & 75].

Hij spreidde in deze wereld vele heldendaden als deze ten toon, genoot van de zinnelijkheid [zie ook 1.11: 35-39] en was van aanbidding met de meest opwekkende offerplechtigheden [e.g. in 10:24 en 10: 74-75]. (Vedabase)

 

 Tekst 64

Net zoals Indra op het juiste moment zijn regen laat vallen, liet de Allerhoogste Heer met de uitoefening van Zijn Heerschappij, alles neerregenen wat Zijn getrouwen maar wensten, te beginnen bij Zijn brahmanen.

Te beginnen bij Zijn brahmanen, regende de Allerhoogste Heer vanuit Zijn Heerschappij, precies zoals Indra dat doet, op het juiste moment alles neer wat Zijn toegehorigen zich maar wensten. (Vedabase)


 Tekst 65

Door al de koningen die zich tegen het dharma keerden te doden en daarbij Arjuna en anderen te betrekken, effende Hij voor de zoon van het Dharma [Yudhishthhira] de weg om de principes van de religie in praktijk brengen [zie ook 1.14 & 15].'

Met het gedood hebben van al de koningen die zich tegen het dharma opstelden en het door Arjuna en anderen laten doden van hen, maakte Hij het de zoon van Dharma [Yudhishthhira] makkelijk om de principes van de religie ten uitvoer te brengen [zie ook 1.14 & 15]. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De twee traditionele afbeeldigen tonen de wijze Bhrigu en Krishna en Arjuna in hun wagen.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties