regelbalk


 

 

Canto 10

Arunodaya-kîrt./Jiv Jâgo

 

 

 

Hoofdstuk 83: Draupadî Ontmoet de Koninginnen van Krishna

(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de geestelijk leraar en het doel van de gopî's die aldus blijk gaf van Zijn genade, vroeg vervolgens aan Yudhishthhira en de rest van Zijn goedhartige verwanten hoe het met hen ging. (2) Zij die bij de aanblik van Zijn voeten hun zonden van zich af zagen vallen, voelden zich zeer vereerd aldus te worden ondervraagd door de Heer van de Wereld en gaven blij ten antwoord: (3) 'Hoe kunnen zij nu ongelukkig zijn die ooit de bedwelmende nectar van Uw lotusvoeten dronken die wordt uitgegoten door de geesten en monden van de grote zielen? Hoe kunnen zij die zich voldronken middels de drinkbekers van hun oren nu niet het geluk ervaren o Meester, o vernietiger van de vergeetachtigheid der belichaamden wat betreft de Schepper die ze hun fysieke bestaan schonk? (4) Waarlijk raken we bij het licht van Uw persoonlijke gedaante verlost van de banden van de drie [staten] van het materieel bewustzijn [die van waken, dromen en slapen]. Volledig verzonken daarin, zijn we van spiritueel geluk met het ons hebben verbogen voor U, het doel der vervolmaakte heiligen [de paramahamsa's], die met de macht van Uw begoochelende vermogen deze gedaante heeft aangenomen voor de bescherming van de onbegrensde en altijd nieuwe Vedische kennis die wordt bedreigd door de tijd.'

(5) De grote wijze zei: 'Terwijl het kroonjuweel van alle persoonlijkheden die wordt geprezen in de geschriften aldus door Zijn mensen werd verheerlijkt, kwamen de vrouwen van de Andhaka- en Kauravaclans bijeen om samen de verhalen over Govinda te bespreken waarover in de drie werelden wordt gezongen. Luister alstublieft naar de beschrijving die ik u geef. (6-7) S'rî Draupadî zei: 'O Vaidarbhî [Rukminî], Bhadrâ, Jâmbavatî en Kaus'alâ [Nâgnajitî]; o Satyabhâmâ, Kâlindî, S'aibyâ [Mitravindâ], Rohinî [zie * en 10.61*] en Lakshmanâ [Mâdrâ] en andere vrouwen van Krishna, vertel ons alsjeblieft hoe het kon gebeuren dat Acyuta, de Allerhoogste Heer Zelve, op basis van Zijn mystiek vermogen leefde zoals men in de wereld leeft en met jullie getrouwd raakte?' 

(8) S'rî Rukminî zei: 'Als een leeuw die zijn deel opeist van een kudde geiten of schapen, nam Hij, die het stof van Zijn voeten plaatst op de hoofden van onoverwinnelijke strijders, me mee toen de koningen met hun bogen op het punt stonden me weg te geven aan S'is'upâla. Moge de voeten van Hem, de verblijfplaats van S'rî, mijn voorwerp van aanbidding zijn [zie 10.52-54].' 

(9) S'rî Satyabhâmâ zei: 'Beschuldigd als Hij was [door mijn vader Koning S'atrâjit] versloeg Hij, om Zijn naam te zuiveren, de koning der beren [Jâmbavân] en bracht Hij het juweel terug naar mijn vader wiens hart treurde over de dood van zijn broer [Prasena]. Bevreesd [over deze beschuldiging] bood hij mij aan de Heer aan, hoewel er reeds aanspraak op mij gemaakt was [zie 10.56].'

(10) S'rî Jâmbavatî zei: 'De schepper van dit lichaam, niet beseffend dat Hij, de Echtgenoot van Sîtâ, zijn meester en aanbiddelijke godheid was, vocht zevenentwintig dagen lang met Hem. Nadat hij Hem herkende kwam hij weer bij zinnen, greep Zijn voeten beet en presenteerde me aan Hem samen met het juweel. Ik ben Zijn dienstmaagd [zie ook 10.56].'

(11) S'rî Kâlindî zei: 'In de wetenschap dat ik met boetedoeningen bezig was in  het verlangen Zijn voeten te beroeren, kwam Hij samen met Zijn vriend [Arjuna] en nam Hij mijn hand. Ik ben degene die Zijn verblijf schoonmaakt [10.58: 12-23].'

(12) S'rî Mitravindâ zei: 'Tijdens mijn svayamvara trad Hij naar voren en kaapte me weg zoals de vijand der olifanten [een leeuw] zijn deel opeist temidden van een troep honden. Na de koningen en mijn broers die Hem beledigden te hebben verslagen, nam Hij me mee naar Zijn hoofdstad waar S'rî zich ophoudt. Moge ik Hem daar leven na leven dienen met het wassen van Zijn voeten [10.58: 31].' 

(13-14) S'rî Satyâ zei: 'Zeven grote, oersterke, vitale stieren met scherpe hoorns, die door mijn vader waren geregeld om de koningen op de proef te stellen, versloegen de trots van de helden. Maar ze werden door Hem vlot onderworpen en vastgebonden met het gemak van een kind dat met een geitje speelt. Op deze wijze voor mij betalend met Zijn heldenmoed, versloeg Hij onderweg met een leger van vier divisies de koningen en nam Hij mij, onder de hoede van dienstmaagden, met Zich mee. Moge er mijn dienstbaarheid aan Hem zijn [10.58: 32-55].'

(15-16) S'rî Bhadrâ zei: 'Met mij verliefd op Hem o Krishnâ [Draupadî], nodigde mijn vader op eigen gelegenheid mijn neef van moederszijde Krishna uit en schonk hij mij weg aan Hem tezamen met een gevolg aan vrouwelijke metgezellen en een militaire escorte bestaande uit een akshauhini. Laat er voor mij, leven na leven ronddolend vanwege mijn karma, er die verbetering van mezelf zijn met het aanraken van Zijn voeten [10.58: 56].'

(17) S'rî Lakshmanâ zei: 'O Koningin, omdat ik telkens weer de verheerlijking door Nârada hoorde van Acyuta's geboorten en handelingen, raakte mijn hart gefixeerd op Mukunda, Hij die na rijp beraad in afwijzing van de [halfgoden]heersers van de wereld werd uitverkozen door zij [de godin S'rî] met de lotus in haar hand (18) Mijn vader, die ook wel bekend staat als Brihatsena o vrome dame, was op de hoogte van mijn geestesgesteldheid en trof uit liefde voor zijn dochter maatregelen om dit doel [trouwen met Krishna] te bereiken. (19) Net zoals met jouw svayamvara o Koningin er een vis werd gebruikt die [opgehangen als doelwit] door Arjuna moest worden geraakt, was er in mijn geval ook zo'n doelwit. Maar de vis was aan het zicht onttrokken en kon alleen maar als een weerspiegeling in water worden gezien [in een vat eronder]. (20) Toen ze hierover vernamen kwamen al de koningen bedreven in de boogschietkunst en het hanteren van andere wapens, samen met hun duizenden leermeesters van heinde en verre naar mijn vaders stad. (21) Mijn vader eerde hen allen met groot respect voor ieders kracht en leeftijd. Daarop namen zij die hun zinnen op mij hadden gezet, de boog en de pijlen ter hand om [het doelwit] te doorboren in de bijeenkomst. (22) Sommigen van hen waren na het heffen [van de boog] niet in staat die te spannen en gaven het op terwijl anderen die de boogpees gespannen hadden op de grond vielen omdat ze er door werden geraakt. (23) Andere helden zoals de koningen van Magadha [Jarâsandha], Cedi [S'is'upâla] en Ambashthha alsook Bhîma, Duryodhana en Karna, slaagden erin de boog te spannen maar slaagden er niet in uit te maken waar het doelwit zich bevond. (24) Arjuna die er wel in slaagde het te herkennen, waagde, zorgvuldig mikkend terwijl hij in de weerspiegeling naar de vis keek, een schot maar de pijl trof zijn doel niet, het was een schampschot. (25-26) Nadat de koningen in hun trots waren gekrenkt en het opgegeven hadden, nam de Opperheer speels de boog ter hand en slaagde Hij erin hem te spannen. Op het moment dat de zon in Abhijit stond [in 'victorie', of midhemel], legde Hij een pijl aan en doorboorde Hij, met een enkele blik in het water, de vis met Zijn pijl zodat die op de grond viel.  (27) Pauken weerklonken in de hemel en op aarde hoorde men de geluiden van 'jaya' terwijl de halfgoden overweldigd door vreugde stromen bloemen lieten neerregenen. (28) Vervolgens betrad ik, met een verlegen glimlach op mijn gezicht en met in mijn haar gevlochten bloemen, het offerperk met zachtjes tinkelende belletjes aan mijn voeten, een gouden halsketting met schitterende edelstenen om en met een stel fijn zijden, nieuwe kleren aan, bijeengehouden door een ceintuur. (29) Ik hief mijn gezicht op met de vele haarlokken eromheen en mijn wangen in de gloed van de oorhangers en keek overal om me heen naar de koningen. Met een koele glimlach zijdelings blikken werpend plaatste ik langzaam mijn halsketting om de hals van Murâri die mijn hart had gestolen. (30) Op dat moment weerklonken er schelphoorns, mridanga's, trommeltjes, pauken, oorlogstrommen en meer van dat soort instrumenten terwijl de zangers zongen en de dansers en danseressen dansten. (31) De koningen die de leiding hadden konden de keus niet accepteren die ik aldus maakte voor de Allerhoogste Heer als zijnde mijn meester o Draupadî. Van streek begonnen ze vol van verwensingen ruzie te zoeken. (32) Geplaatst voor die situatie tilde Hij me op de strijdwagen met zijn vier uitmuntende paarden. Hij bereidde Zijn S'ârnga voor, trok Zijn kuras aan en stond klaar om slag te leveren met Zijn vier armen [ten volle gemanifesteerd]. (33) Dâruka reed weg met de met goud afgewerkte wagen o Koningin, terwijl de koningen toekeken als waren het [verschrikte] dieren die koning leeuw zagen. (34) Als een stelletje dorpshonden met een leeuw gingen de koningen Hem achterna. Daarbij probeerden sommigen Hem de weg te versperren door hun bogen tegen Hem op te heffen. (35) Door de ladingen pijlen geschoten met de S'ârnga vielen sommigen met hun armen, benen en nekken doorkliefd, terwijl anderen het opgaven en er vandoor gingen. (36) Als de zonnegod die zijn thuishaven bereikt [ofwel de westelijke horizon] trad de Heer der Yadu's vervolgens Dvârakâ binnen, Zijn stad bezongen in de hemel en op aarde, die uitgebreid versierd was met prachtige erebogen en banieren aan vlaggenmasten die het zonlicht tegenhielden. (37) Mijn vader vereerde zijn vrienden, naaste verwanten en andere familieleden met de meest kostbare kleding en juwelen, met bedden, zetels en met ander meubilair. (38) In zijn toewijding schonk hij de meest kostbare wapens aan de Heer der Volledigheid [Pûrnasya], alsook dienstmaagden die van alle rijkdommen waren voorzien, voetsoldaten, strijders op olifanten, strijders in strijdwagens en strijders te paard. (39) Door abrupt onze materiële banden te verbreken en van verzaking te zijn, werden we allen dienstmaagden bij Hem thuis, bij Hem die Volkomen in Zichzelf Tevreden is.'

(40) De andere koninginnen zeiden [bij monde van Rohinî]: 'Nadat Hij in de strijd de demon Bhauma en zijn aanhangers had gedood ontdekte Hij dat wij, de dochters van de koningen die de demon versloeg tijdens zijn campagne om de aarde te veroveren, door hem gevangen waren gezet. Omdat we ons steeds Zijn lotusvoeten hadden herinnerd als de bron van de bevrijding uit een materieel bestaan is Hij, van Wie Alle Wensen in Vervulling gaan, met ons getrouwd na onze bevrijding. (41-42) O heilige dame, we verlangen niet naar de heerschappij over de aarde, een hemels koninkrijk, een onbeperkt genieten of mystieke macht. Noch streven we naar de allerhoogste goddelijkheid, naar onsterfelijkheid of de verblijfplaats van Hari. We willen [enkel] op onze hoofden het stof dragen van de goddelijke voeten van Hem die de Knots Hanteert, het stof dat verrijkt is door de geur van de kunkuma van de boezem van S'rî [zie ook 10.47: 60 , ** en de S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 4]. (43) Wij verlangen hetzelfde als waar de Pulindavrouwen [de gopî's] naar verlangen, hetzelfde als waar het gras, de planten, de grazende koeien en de gopa's van Vraja naar verlangen: te worden aangeraakt door de voeten van de Allerhoogste Ziel.'

 

next                       

 
 

Derde herziene editie, geladen 11 december, 2014.

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de geestelijk leraar en het doel van de gopî's die aldus blijk gaf van Zijn genade, vroeg vervolgens aan Yudhishthhira en de rest van Zijn goedhartige verwanten hoe het met hen ging.
S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer, de geestelijk leraar en het doel van de gopî's, op deze manier Zijn genade tonend, deed toen bij Yudhishthhira navraag over het welbevinden van allen [van Zijn familie] en Zijn weldoeners. (Vedabase)

 

Tekst 2

Zij die bij de aanblik van Zijn voeten hun zonden van zich af zagen vallen, voelden zich zeer vereerd aldus te worden ondervraagd door de Heer van de Wereld en gaven blij ten antwoord:

Zij, die door het zien van Zijn voeten hun zonden vernietigd zagen, aldus ondervraagd door de Heer van de Wereld voelden zich zeer vereerd en gaven blij ten antwoord: (Vedabase)

  

Tekst 3

'Hoe kunnen zij nu ongelukkig zijn die ooit de bedwelmende nectar van Uw lotusvoeten dronken die wordt uitgegoten door de geesten en monden van de grote zielen? Hoe kunnen zij die zich voldronken middels de drinkbekers van hun oren nu niet het geluk ervaren o Meester, o vernietiger van de vergeetachtigheid der belichaamden wat betreft de Schepper die ze hun fysieke bestaan schonk?

'Van welke kant zou er ongeluk te vrezen zijn voor hen die van Uw lotusvoeten ooit de bedwelmende nectar dronken uitgegoten door de geesten en monden van de grote zielen, voor hen die met de drinkbekers van hun oren zich vol dronken, o Meester, vernietiger der vergeetachtigheid over de Doener van de materieel belichaamden. (Vedabase)

 

Tekst 4

Waarlijk raken we bij het licht van Uw persoonlijke gedaante verlost van de banden van de drie [staten] van het materieel bewustzijn [die van waken, dromen en slapen]. Volledig verzonken daarin, zijn we van spiritueel geluk met het ons hebben verbogen voor U, het doel der vervolmaakte heiligen [de paramahamsa's], die met de macht van Uw begoochelende vermogen deze gedaante heeft aangenomen voor de bescherming van de onbegrensde en altijd nieuwe Vedische kennis die wordt bedreigd door de tijd.'

Waarlijk worden bij het licht van Uw persoonlijke gedaante de drie materiële toestanden [of vormen van ellende, voortkomend uit iemand zelf, uit anderen en uit de natuur] zoals geschapen door het materiële bewustzijn uitgebannen, en zijn we, volledig verzonken, van spiritueel geluk, ons voorover gebogen hebbend voor U, het doel van de vervolmaakte heilige [de paramahamsa], die ter bescherming van de onbegrensde en altijd nieuwe vedische kennis bedreigd door de tijd, bij de macht van Uw illusie deze gedaante heeft aangenomen.' (Vedabase)

     

 Tekst 5

De grote wijze zei: 'Terwijl het kroonjuweel van alle persoonlijkheden die wordt geprezen in de geschriften aldus door Zijn mensen werd verheerlijkt, kwamen de vrouwen van de Andhaka- en Kauravaclans bijeen om samen de verhalen over Govinda te bespreken waarover in de drie werelden wordt gezongen. Luister alstublieft naar de beschrijving die ik u geef.

De grote wijze zei: 'Met het door Zijn mensen aldus verheerlijken van het kroonjuweel van alle persoonlijkheden geprezen in de geschriften, kwamen de vrouwen van de Andhaka- en Kauravaclans bij elkaar om onder elkaar de onderwerpen van Govinda te bespreken bezongen in de drie werelden; alstublieft luister naar de beschrijving die ik van hen geef. (Vedabase)

 

Tekst 6-7

S'rî Draupadî zei: 'O Vaidarbhî [Rukminî], Bhadrâ, Jâmbavatî en Kaus'alâ [Nâgnajitî]; o Satyabhâmâ, Kâlindî, S'aibyâ [Mitravindâ], Rohinî [zie * en 10.61*] en Lakshmanâ [Mâdrâ] en andere vrouwen van Krishna, vertel ons alsjeblieft hoe het kon gebeuren dat Acyuta, de Allerhoogste Heer Zelve, op basis van Zijn mystiek vermogen leefde zoals men in de wereld leeft en met jullie getrouwd raakte?' 

S'rî Draupadî zei: 'O Vaidarbhî [Rukminî], Bhadrâ, Jâmbavatî en Kaus'alâ [Nâgnajitî]; o Satyabhâmâ, Kâlindî, S'aibyâ [Mitravindâ], Rohinî [zie 10.61*] en Lakshmanâ [Mâdrâ] en de andere vrouwen van Krishna, alsjeblieft vertel ons dit: hoe gebeurde het dat Acyuta, de Allerhoogste Heer Zelve, vanuit Zijn eigen mystieke macht de manier van de wereld volgend, met jullie getrouwd raakte?'  (Vedabase)

 

Tekst 8

S'rî Rukminî zei: 'Als een leeuw die zijn deel opeist van een kudde geiten of schapen, nam Hij, die het stof van Zijn voeten plaatst op de hoofden van onoverwinnelijke strijders, me mee toen de koningen met hun bogen op het punt stonden me weg te geven aan S'is'upâla. Moge de voeten van Hem, de verblijfplaats van S'rî, mijn voorwerp van aanbidding zijn [zie 10.52-54].' 

S'rî Rukminî zei: 'Als een leeuw die zijn deel opeist van een kudde geiten of schapen, nam Hij die het stof van Zijn voeten plaatst op de hoofden van onoverwinnelijke strijders, me mee toen de koningen met hun bogen klaar stonden om me aan S'is'upâla aan te bieden; moge de voeten van Hem, de verblijfplaats van S'rî, mijn voorwerp van aanbidding zijn [zie 10.52-54].' (Vedabase)

 

Tekst 9

S'rî Satyabhâmâ zei: 'Beschuldigd als Hij was [door mijn vader Koning S'atrâjit] versloeg Hij, om Zijn naam te zuiveren, de koning der beren [Jâmbavân] en bracht Hij het juweel terug naar mijn vader wiens hart treurde over de dood van zijn broer [Prasena]. Bevreesd [over deze beschuldiging] bood hij mij aan de Heer aan, hoewel er reeds aanspraak op mij gemaakt was [zie 10.56].'

S'rî Satyabhâmâ zei: 'Naar mijn vader wiens hart treurde over de dood van zijn broer, bracht Hij, beschuldigd zijnde, om Zijn naam te zuiveren, het juweel terug na de koning van de beren [Jâmbavân] verslagen te hebben; hierover bevreesd bood mijn vader mij aan de Heer aan hoewel er reeds aanspraak op mij gemaakt was [zie 10.56 ]. (Vedabase)

 

 Tekst 10

S'rî Jâmbavatî zei: 'De schepper van dit lichaam, niet beseffend dat Hij, de Echtgenoot van Sîtâ, zijn meester en aanbiddelijke godheid was, vocht zevenentwintig dagen lang met Hem. Nadat hij Hem herkende kwam hij weer bij zinnen, greep Zijn voeten beet en presenteerde me aan Hem samen met het juweel. Ik ben Zijn dienstmaagd [zie ook 10.56].'

S'rî Jâmbavatî zei: 'Hij die dit lichaam op de wereld zette zich niet bewust van Hem, de Echtgenoot van Sîtâ, als zijnde zijn meester en aanbiddelijke godheid, vocht zevenentwintig dagen lang met Hem. Weer bij zinnen gekomen Hem herkennend, presenteerde hij, Zijn voeten beetgrijpend, me aan Hem samen met het juweel; ik ben Zijn dienstmaagd [zie ook 10.56]. (Vedabase)


 Tekst 11

S'rî Kâlindî zei: 'In de wetenschap dat ik met boetedoeningen bezig was in  het verlangen Zijn voeten te beroeren, kwam Hij samen met Zijn vriend [Arjuna] en nam Hij mijn hand. Ik ben degene die Zijn verblijf schoonmaakt [10.58: 12-23].' 

S'rî Kâlindî zei: 'Wetende dat ik met het verlangen Zijn voeten aan te raken boetedoeningen aan het volbrengen was, kwam Hij samen met Zijn vriend [Arjuna] en nam Hij mijn hand; ik ben degene die Zijn verblijf schoonmaakt [10.58: 12-23]. (Vedabase)

 

Tekst 12

S'rî Mitravindâ zei: 'Tijdens mijn svayamvara trad Hij naar voren en kaapte me weg zoals de vijand der olifanten [een leeuw] zijn deel opeist temidden van een troep honden. Na de koningen en mijn broers die Hem beledigden te hebben verslagen, nam Hij me mee naar Zijn hoofdstad waar S'rî zich ophoudt. Moge ik Hem daar leven na leven dienen met het wassen van Zijn voeten [10.58: 31].' 

S'rî Mitravindâ zei: 'Tijdens mijn svayamvara naar voren tredend kaapte Hij me weg op de manier zoals de vijand der olifanten [een leeuw] zijn deel opeist bij een troep honden; na de koningen en mijn broers die Hem beledigden te hebben verslagen, nam Hij me mee naar Zijn hoofdstad waar S'rî zich ophoudt; moge daar voor mij, leven na leven, de dienst zijn van het wassen van Zijn voeten [10.58: 31]. (Vedabase)

 

Tekst 13-14

S'rî Satyâ zei: 'Zeven grote, oersterke, vitale stieren met scherpe hoorns, die door mijn vader waren geregeld om de koningen op de proef te stellen, versloegen de trots van de helden. Maar ze werden door Hem vlot onderworpen en vastgebonden met het gemak van een kind dat met een geitje speelt. Op deze wijze voor mij betalend met Zijn heldenmoed, versloeg Hij onderweg met een leger van vier divisies de koningen en nam Hij mij, onder de hoede van dienstmaagden, met Zich mee. Moge er mijn dienstbaarheid aan Hem zijn [10.58: 32-55].'

S'rî Satyâ zei: 'Zeven grote stieren allersterkst en vitaal met scherpe hoorns, door mijn vader geregeld om het kunnen op de proef te stellen van de koningen,vernietigden de trots van de helden; maar ze werden snel onderworpen en vastgebonden door Hem, met het gemak van kinderen die met jonge geitjes spelen. Op deze wijze voor mij betalend met Zijn heldenmoed nam Hij me, beschermd door dienstmaagden, met Zich mee, met een leger van vier divisies onderweg de koningen verslaand; moge er mijn dienstbaarheid aan Hem zijn [10.58: 32-55]. (Vedabase)

 

Tekst 15-16

S'rî Bhadrâ zei: 'Met mij verliefd op Hem o Krishnâ [Draupadî], nodigde mijn vader op eigen gelegenheid mijn neef van moederszijde Krishna uit en schonk hij mij weg aan Hem tezamen met een gevolg aan vrouwelijke metgezellen en een militaire escorte bestaande uit een akshauhini. Laat er voor mij, leven na leven ronddolend vanwege mijn karma, er die verbetering van mezelf zijn met het aanraken van Zijn voeten [10.58: 56].'

S'rî Bhadrâ zei: 'Met mij verliefd op Hem, o Krishnâ [Draupadî], gaf mijn vader, op eigen gelegenheid mijn neef van moederszijde Krishna uitnodigend, mij aan Hem tezamen met vrouwelijke metgezellen en een wacht van een akshauhini aan troepen; laat er voor mij, leven na leven ronddolend door mijn karma, er die beterschap zijn van mezelf in het aanraken van Zijn voeten [10.58: 56]. (Vedabase)

 

Tekst 17

S'rî Lakshmanâ zei: 'O Koningin, omdat ik telkens weer de verheerlijking door Nârada hoorde van Acyuta's geboorten en handelingen, raakte mijn hart gefixeerd op Mukunda, Hij die na rijp beraad in afwijzing van de [halfgoden]heersers van de wereld werd uitverkozen door zij [de godin S'rî] met de lotus in haar hand.

S'rî Lakshmanâ zei: 'O Koningin, telkens weer Nârada horend die Acyuta's geboorten en handelingen verheerlijkte, raakte mijn hart gefixeerd op Mukunda, Hij die na rijp beraad in afwijzing van de heersers van de wereld, inderdaad werd uitgekozen door zij [de godin S'rî] met de lotus in haar hand. (Vedabase)

   

Tekst 18

Mijn vader, die ook wel bekend staat als Brihatsena o vrome dame, was op de hoogte van mijn geestesgesteldheid en trof uit liefde voor zijn dochter maatregelen om dit doel [trouwen met Krishna] te bereiken.

Mijn vader bekend als Brihatsena, o geheiligde dame, voorzag, op de hoogte zijnde van mijn geestesgesteldheid, uit genegenheid voor zijn dochter erin hieraan te beantwoorden. (Vedabase)

 

 Tekst 19

Net zoals met jouw svayamvara o Koningin er een vis werd gebruikt die [opgehangen als doelwit] door Arjuna moest worden geraakt, was er in mijn geval ook zo'n doelwit. Maar de vis was aan het zicht onttrokken en kon alleen maar als een weerspiegeling in water worden gezien [in een vat eronder].

Net als in jouw svayamvara, o Koningin, werd er een vis gebruikt [opgehangen als doelwit] die voor Arjuna om te winnen, echter aan het gezicht onttrokken, alleen maar als een weerspiegeling in het water kon worden gezien [in een vat eronder]. (Vedabase)

 

 Tekst 20

Toen ze hierover vernamen kwamen al de koningen bedreven in de boogschietkunst en het hanteren van andere wapens, samen met hun duizenden leermeesters van heinde en verre naar mijn vaders stad.

Hierover vernemend kwamen van heinde en verre al de koningen bedreven in de boogschietkunst en het hanteren van andere wapens naar mijn vaders stad tezamen met hun duizenden leermeesters. (Vedabase)

 

 Tekst 21

Mijn vader eerde hen allen met groot respect voor ieders kracht en leeftijd. Daarop namen zij die hun zinnen op mij hadden gezet, de boog en de pijlen ter hand om [het doelwit] te doorboren in de bijeenkomst.

Mijn vader eerde ten volle hen allen, ieder overeenkomstig zijn kracht en leeftijd, waarna zij die hun zinnen op mij gezet hadden, in de bijeenkomst hun boog en pijlen ter hand namen om een schot te wagen. (Vedabase)

  

 Tekst 22

Sommigen van hen waren na het heffen [van de boog] niet in staat die te spannen en gaven het op terwijl  anderen die de boogpees gespannen hadden op de grond vielen omdat ze er door werden geraakt.

Sommigen van hen waren na het heffen [van de boog] niet in staat die te spannen en sommigen die de boogpees gespannen hadden vielen na er door te zijn geraakt. (Vedabase)

 

 Tekst 23

Andere helden zoals de koningen van Magadha [Jarâsandha], Cedi [S'is'upâla] en Ambashthha alsook Bhîma, Duryodhana en Karna, slaagden erin de boog te spannen maar slaagden er niet in uit te maken waar het doelwit zich bevond.

Andere helden, de koningen van Magadha [Jarâsandha], Cedi [S'is'upâla] en Ambashthha als ook Bhîma, Duryodhana en Karna, slaagden erin hem te spannen maar konden het [doelwit] niet ontdekken. (Vedabase)

  

 Tekst 24

Arjuna die er wel in slaagde het te herkennen, waagde, zorgvuldig mikkend terwijl hij in de weerspiegeling naar de vis keek, een schot maar de pijl trof zijn doel niet, het was een schampschot. 

Erin slagend het te herkennen, waagde Arjuna, zorgvuldig mikkend terwijl hij in de weerspiegeling in het water naar de vis keek, een schot, maar de pijl geen doel treffend, schampte het enkel. (Vedabase)

  

 Tekst 25-26

Nadat de koningen in hun trots waren gekrenkt en het opgegeven hadden, nam de Opperheer speels de boog ter hand en slaagde Hij erin hem te spannen. Op het moment dat de zon in Abhijit stond [in 'victorie', of midhemel], legde Hij een pijl aan en doorboorde Hij, met een enkele blik in het water, de vis met Zijn pijl zodat die op de grond viel.

Toen de trotse koningen in hun trots verslagen het opgegeven hadden, wist de Opperheer, speels de boog ter hand nemend, hem spannend en een pijl aanleggend, met een enkele blik in het water terwijl de zon in Abhijit stond [in 'victorie', of midhemel], de vis met zijn schacht te doorboren. (Vedabase)

 

 Tekst 27

Pauken weerklonken in de hemel en op aarde hoorde men de geluiden van 'jaya' terwijl de halfgoden overweldigd door vreugde stromen bloemen lieten neerregenen. 

Pauken weerklonken in de hemel samen met het geluid van 'Jaya' van de goddelijken op aarde die door vreugde overweldigd bloemen in stromen deden neerregenen. (Vedabase)

 

 Tekst 28

Vervolgens betrad ik, met een verlegen glimlach op mijn gezicht en met in mijn haar gevlochten bloemen, het offerperk met zachtjes tinkelende  belletjes aan mijn voeten, een gouden halsketting met schitterende edelstenen om en met een stel fijn zijden, nieuwe kleren aan, bijeengehouden door een ceintuur.

Vervolgens deed ik, met een verlegen glimlach op mijn gezicht en bloemen gevlochten in mijn haar, mijn intrede in het offerperk met zachtjes klinkelende belletjes aan mijn voeten, een gouden halsketting om met schitterende edelstenen en een stel fijn zijden, nieuwe kleren aan, bijeengehouden door een ceintuur. (Vedabase)

 

 Tekst 29

Ik hief mijn gezicht op met de vele haarlokken eromheen en mijn wangen in de gloed van de oorhangers en keek overal om me heen naar de koningen. Met een koele glimlach zijdelings blikken werpend plaatste ik langzaam mijn halsketting om de hals van Murâri die mijn hart had gestolen.

Mijn gezicht opheffend met zijn vele haarlokken en de wangen in de gloed van de oorhangers, keek ik overal om me heen naar de koningen met een koele glimlach zijdelings blikken werpend en plaatste ik langzaam aan mijn halsketting om de hals van Murâri die mijn hart had gestolen. (Vedabase)

 

 Tekst 30

Op dat moment weerklonken er schelphoorns, mridanga's, trommeltjes, pauken, oorlogstrommen en meer van dat soort instrumenten terwijl de zangers zongen en de dansers en danseressen dansten.

Op dat moment weerklonken schelphoorns, mridanga's, trommeltjes, pauken en oorlogstrommen en dergelijke, en zongen de zangers terwijl de mannelijke en vrouwelijke dansers dansten. (Vedabase)

 

 Tekst 31

De koningen die de leiding hadden konden de keus niet accepteren die ik aldus maakte voor de Allerhoogste Heer als zijnde mijn meester o Draupadî. Van streek begonnen ze vol van verwensingen ruzie te zoeken.

Mijn aldus uitverkiezen van de Allerhoogste Heer als mijn meester kon door de koningen aan de leiding niet worden getolereerd, o Draupadî; ze begonnen ruzie te zoeken van streek als ze waren met een vloekend hart. (Vedabase)

 

 Tekst 32

Geplaatst voor die situatie tilde Hij me op de strijdwagen met zijn vier uitmuntende paarden. Hij bereidde Zijn S'ârnga voor, trok Zijn kuras aan en stond klaar om slag te leveren met Zijn vier armen [ten volle gemanifesteerd].

Op dat punt aangeland mij in de strijdwagen tillend met zijn vier kostelijke paarden stond Hij, Zijn S'ârnga gereed makend en Zijn kuras aantrekkend, op het slagveld klaar met Zijn vier armen [vol gemanifesteerd]. (Vedabase)

 

 Tekst 33

Dâruka reed weg met de met goud afgewerkte wagen o Koningin, terwijl de koningen toekeken als waren het [verschrikte] dieren die koning leeuw zagen.

Onder de blikken van de koningen reed Dâruka de wagen afgewerkt met goud voor, o Koningin, als was Hij de koning der dieren tegenover een stel beesten. (Vedabase)

 

 Tekst 34

Als een stelletje dorpshonden met een leeuw gingen de koningen Hem achterna. Daarbij probeerden sommigen Hem de weg te versperren door hun bogen tegen Hem op te heffen.

Zij, de koningen, als een stelletje dorpshonden met een leeuw, gingen hem achterna, terwijl sommigen van hen om Hem onderweg tegen te houden, met hun bogen geheven klaar stonden. (Vedabase)

 

 Tekst 35

Door de ladingen pijlen geschoten met de S'ârnga vielen sommigen met hun armen, benen en nekken doorkliefd, terwijl anderen het opgaven en er vandoor gingen.

Door de stortvloed van pijlen afkomstig van S'ârnga vielen sommigen van hen met hun armen, benen en nekken doorkliefd neer, terwijl een paar andere het opgaven en er vandoor gingen. (Vedabase)

 

 Tekst 36

Als de zonnegod die zijn thuishaven bereikt [ofwel de westelijke horizon] trad de Heer der Yadu's vervolgens Dvârakâ binnen, Zijn stad bezongen in de hemel en op aarde, die uitgebreid versierd was met prachtige erebogen en banieren aan vlaggenmasten die het zonlicht tegenhielden.

Toen betrad de Heer der Yadu's als de zon die zijn thuishaven bereikt [ofwel de westelijke horizon] Dvârakâ, Zijn stad bezongen in de hemel en op aarde, die uitvoerig versierd was met prachtige erebogen en banieren aan vlaggenmasten die de zon tegenhielden. (Vedabase)

 

 Tekst 37

Mijn vader vereerde zijn vrienden, naaste verwanten en andere familieleden met de meest kostbare kleding en juwelen, met bedden, zetels en met ander meubilair.

Mijn vader vereerde zijn vrienden, naaste verwanten en andere familieleden met de meeste kostbare kleding en juwelen en met bedden, zetels en ander meubilair. (Vedabase)

 

 Tekst 38

In zijn toewijding schonk hij de meest kostbare wapens aan de Heer der Volledigheid [Pûrnasya], alsook dienstmaagden die van alle rijkdommen waren voorzien, voetsoldaten, strijders op olifanten, strijders in strijdwagens en strijders te paard.

Tezamen met dienstmaagden van alle rijkdommen voorzien, voetsoldaten, strijders op olifanten, in strijdwagens en strijders te paard, gaf hij de Heer der Volledigheid [Pûrnasya] uit toewijding de meest kostbare wapens mee. (Vedabase)

 

 Tekst 39

Door abrupt onze materiële banden te verbreken en van verzaking te zijn, werden we allen dienstmaagden bij Hem thuis, bij Hem die Volkomen in Zichzelf Tevreden is.'

Door de verzaking van het abrupt verbreken van onze materiële associatie zijn we inderdaad allen deze dienstmaagden geworden bij Hem in huis, Hij die van Binnen Geheel Voldaan is. (Vedabase)

 

 Tekst 40

De andere koninginnen zeiden [bij monde van Rohinî]: 'Nadat Hij in de strijd de demon Bhauma en zijn aanhangers had gedood ontdekte Hij dat wij, de dochters van de koningen die de demon versloeg tijdens zijn campagne om de aarde te veroveren, door hem gevangen waren gezet. Omdat we ons steeds Zijn lotusvoeten hadden herinnerd als de bron van de bevrijding uit een materieel bestaan is Hij, van Wie Alle Wensen in Vervulling gaan, met ons getrouwd na onze bevrijding.

De andere koninginnen zeiden [bij monde van Rohinî]: 'Met het in de strijd doden van de demon Bhauma samen met zijn volgelingen kende Hij ons, die door hem gevangen waren gezet, als de dochters van de koningen verslagen tijdens zijn verovering van de aarde; ons vrijlatend, die zich constant Zijn lotusvoeten herinneren als de bron van de bevrijding uit een materieel bestaan is Hij, die In Alle Verlangens Bevredigd Is, met ons getrouwd. (Vedabase)


 Tekst 41-42

O heilige dame, we verlangen niet naar de heerschappij over de aarde, een hemels koninkrijk, een onbeperkt genieten of mystieke macht. Noch streven we naar de allerhoogste goddelijkheid, naar onsterfelijkheid of de verblijfplaats van Hari. We willen [enkel] op onze hoofden het stof dragen van de goddelijke voeten van Hem die de Knots Hanteert, het stof dat verrijkt is door de geur van de kunkuma van de boezem van S'rî [zie ook 10.47: 60 , ** en de S'rî S'rî S'ikshâshthaka vers 4].

O geheiligde dame, we verlangen niet naar de heerschappij over de aarde, een hemels koninkrijk, een onbeperkt genieten zelfs of mystieke macht, de allerhoogste goddelijkheid, onsterfelijkheid of naar de verblijfplaats van Hari, we verlangen ernaar op onze hoofden het stof te dragen van de goddelijke voeten van Hem die de Knots Hanteert, verrijkt door de geur van de kunkuma van de boezem van S'rî [zie ook 10.47: 60 , ** en de s'ikshâshtaka vers 4]. (Vedabase)

 

 Tekst 43

Wij verlangen hetzelfde als waar de Pulindavrouwen [de gopî's] naar verlangen, hetzelfde als waar het gras, de planten, de grazende koeien en de gopa's van Vraja naar verlangen: te worden aangeraakt door de voeten van de Allerhoogste Ziel.'

Wij verlangen hetzelfde als waar de Pulindavrouwen [de gopî's] naar verlangen, als waar het gras, de planten, de grazende koeien en de gopa's van Vraja naar verlangen: de aanraking van de voeten van de Allerhoogste Ziel.' (Vedabase)

 

*: Zij die hier Rohinî heet is niet Rohinî, de moeder van Balarâma, maar de ene koningin die de 16000 koninginnen vertegenwoordigt waarmee Krishna trouwde naast Zijn acht hoofdkoninginnen.

**: De paramparâ geeft aan dat de S'rî waar hier naar verwezen wordt de allerhoogste godin van het geluk is zoals herkend in de 'Brihad-gautamîya-tantra':

devî krishna-mayî proktâ
râdhikâ para-devatâ
sarva-lakshmî-mayî sarva
kântih sammohinî parâ

"De bovenzinnelijke godin S'rîmatî Râdhârânî is de rechtstreekse tegenhanger van Heer S'rî Krishna. Ze is de centrale figuur voor al de godinnen van het geluk. Haar is het vermogen verleend om de al-aantrekkelijke Persoonlijkheid van God aan te trekken. Zij is het voorwereldlijk innerlijk vermogen van de Heer."

 

 



 

 

 Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.
Het schilderij op deze pagina is getiteld: 'The Trial of the Princes' en is van Nandalâl Bose.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.



 

.

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties