regelbalk


 
 

Canto 7

Mahâmantra 1

 

 

Hoofdstuk 1: De Opperheer is Iedereen Gelijkgezind

(1) De koning zei: 'Hoe kon de Opperheer die geliefd is als een vriend die alle levende wezens gelijkgezind is, o brahmaan, in het ondersteunen van Indra de demonen doden alsof Hijzelf partijdig zou zijn [zie ook B.G. 9: 29]? (2) Van de hoogste verrukking zijnd bestaat er voor Hem voorzeker niet de noodzaak om persoonlijk voorkeur te koesteren voor de verlichte gemeenschap en niet van enige materiële geaardheid, ligt het welzeker niet in Zijn aard om te vrezen voor of te wedijveren met hen die van de duisternis zijn. (3) Zo groot, o heerlijkheid, is in overweging van de kwaliteiten van Nârâyana, de mate van de twijfel die bij ons is ontstaan; zou u deze kunnen wegnemen?'

(4-5) De achtenswaardige rishi zei: 'Wat een uitstekende vraag o grote Koning! Van de wonderbaarlijke handelingen van de Heer, bezongen door hen die voorop gaan in de zeden, de wijzen aangevoerd door Nârada, treft men meer en meer de heerlijkheid en de toewijding aan van Zijn toegewijden. Ik zal al de betreffende onderwerpen aangaande de Heer voor u ter sprake brengen, maar laat me allereerst de grote wijze van Krishna de eer bewijzen [Vyâsa]. (6) Hoewel boven de geaardheden verheven, voorzeker ongeboren en niet gemanifesteerd, gaat de Allerhoogste Heer transcendentaal aan de materiële wereld middels Zijn eigen vermogen binnen in de materiële kwaliteiten en neemt Hij verplichtingen en verantwoordelijkheden op Zich [vergelijk B.G. 9: 11]. (7) De sattva, rajas en tamas daarbij behoren tot het materiële van de natuur en niet tot de kwaliteit van de geestelijke ziel, o Koning, voor het spirituele zelf bestaat er niet het af en aan [dat men normaal gesproken met materiële zaken heeft]. (8) Al naar gelang hun bepaalde tijd vindt men als sattva [goedheid] domineert de deva's en de rishi's [de goden en de wijzen], met het voorop staan van rajas [hartstocht] heeft men de Asura's [de onverlichte zielen] en met tamas [de traagheid] treft men de Yaksha's en Râkshasa's aan [de geesten en de demonen, zie ook B.G. 14: 11-13]. (9) Naar de elementen van het licht en dergelijke die zich voordoen met de verschillend belichaamden kunnen zij die van de kennis zijn vanuit de Superziel van binnen onderscheiden wie van hen van onderscheidingsvermogen zijn en wie niet [zie B.G. 10: 10]. (10) Als Hij het zo verlangt om materiële lichamen te scheppen voor de levende wezens manifesteert de Allerhoogste, Hij overwegend in Zijn eigen schepping, de geaardheid hartstocht; verlangend op te treden in verschillende gedaanten is Hij in de geaardheid goedheid en als de Beheerser er aan toe is de zaak af te ronden geeft Hij als zodanig aanzet tot de geaardheid der onwetendheid [zie: B.G. 9: 10]. (11) O heerser der mensen, de ware Schepper, Beheerser in Eigen Persoon van de materie en de Toevlucht voor de wezens is de Tijd die door zijn bewegingen konditioneert [zie ook B.G 11: 32]. (12) Het is door enkel deze Tijd dat de Allerhoogste Heer Zijn heerlijkheden wijdverspreid zijn, o Koning, waarbij naar sattva de zekerheid van het aantal der goden wordt beijverd en bijgevolg met hen die overdekt zijn door rajas en tamas zich de vijandigheid voordoet waartoe Hij, als de vriend der verlichte zielen, een eind maakt aan de onverlichten. (13) Dit aangaande werd voorheen met grote vreugde bij de grote offerande van Yudhishthhira op zijn verzoek door de Rishi der Verlichting [Nârada] het volgende verhaal verteld. (14-15) De koning, de zoon van Pându, toen hij gezien had hoe bij de grote offerplechtigheid genaamd Râjasûya de koning van Cedi [S'is'upâla] zo wonderbaarlijk in de Hoogste Persoonlijkheid Vâsudeva was opgegaan, had als de heerser, met verwondering geslagen, tijdens de plechtigheid het volgende aan Nârada gevraagd die daar met de wijzen luisterend neerzat. (16) Yudhishthhira had gezegd: 'O hoe wonderbaarlijk en voorzeker moeilijk te bereiken voor zelfs de transcendentalisten is die realisatie van S'is'upâla die zich zo schaamteloos gedroeg tegenover Vâsudeva, de Allerhoogste Absolute Waarheid. (17) We willen allen graag weten hoe dit kon gebeuren, o wijze, hoe van het beledigen van de Heer [hij in Hem op kon gaan terwijl] Vena [voor iets dergelijks] de hel in werd gestuurd door de brahmanen [zie 4.14]. (18) Die zondige zoon van Damaghosha koesterde vanaf zijn eerste kindergebrabbel woede jegens Govinda precies zoals ook de kwaadwillige Dantavakra [zijn broer] dat deed. (19) Van de herhaalde overtredingen tegen Heer Vishnu, de hoogste Persoonlijkheid van het Brahman [vergelijk B.G. 10: 12], was er bij hen op hun tongen geen witte lepra te bespeuren noch belandden ze in de duisternis van de hel. (20) Hoe konden zij voor ogen van iedereen, zo makkelijk de verzonkenheid [sâyujya-mukti] in de Opperheer vinden wiens natuur zo moeilijk te bereiken is? (21) Wat dit betreft is mijn intelligentie zo wisselvallig als een kaarsvlam flakkerend in de wind; alstublieft, o man van kennis, vertel me meer over de specifieke oorzaak van dit grote wonder.'

(22) De zoon van Vyâsa zei: 'Nadat hij de woorden hoorde van de koning die hem temidden van de vergadering vragen stelde over die geschiedenis, richtte Nârada de grootste der wijzen, erover voldaan, het woord tot hem. (23) S'rî Nârada zei: 'Met de bedoeling beledigingen, lofprijzingen, eer en oneer zonder onderscheid te ondergaan heeft de Allerhoogste van de Primaire Natuur [pradhâna] dit voertuig van de tijd geschapen, o Koning [zie ook B.G. 2: 14, 12: 18-19]. (24) Lijdend onder het verkeerde idee dit lichaam te zijn is er aldus het 'ik' en 'mijn' waarvoor er de roede der bestraffing bestaat, o aardse heerser. (25) Gebonden aan deze valse voorstelling doet de vernietiging van lichamen zich voor als zijnde gelijk aan de vernietiging van levende wezens; als men niet van Hem als de ene die Zijns gelijke niet kent is, is men van de foutieve opvatting, maar hoe kan er ook maar enige schade worden berokkend door Hem, de Ziel van allen, de Verhevene en de Hoogste Beheersing? (26) Derhalve, of men nu van een voortdurende vijandigheid is, van toewijding, bevreesd, vol genegenheid of lustige verlangens is, behoort men, met welke manier van doen ook, zich te concentreren [op de Heer] en naar niets anders om te zien. (27) Een persoon zal met [enkel] een voortdurende vijandigheid niet dat verzonken zijn bereiken dat men aantreft in het verenigd zijn in toewijding, dat is mijn definitieve oordeel. (28-29) Een larve die door een bij in een raat wordt verzorgd mag vervuld zijn van angst en weerzin, maar dankzij die bij bereikt hij dezelfde vorm; zo ook kan men met Krishna, die als de Allerhoogste Heer uit Zichzelf verscheen, als een mens vol zijn van opstandigheid jegens de Allerhoogste, maar als men eenmaal zuivering vond van de zonde, heeft men dat te danken aan het voortdurend aan Hem denken. (30) Van het in lust, weerzin, angst, genegenheid en toewijding hebben van een geest verzonken in het Allerhoogste, hebben velen de zonde opgegeven en daardoor het pad der bevrijding bereikt. (31) De gopî's met hun lustige verlangens, Kamsa uit angst, S'is'upâla en anderen in hun hatelijkheid, vele Koningen door hun verwantschap, Krishna's familie uit genegenheid en u en wij middels de bhakti deden dat ook o Koning. (32) Tenzij men iemand wil zijn als Vena, die niet op een van deze vijf manieren van respect kon zijn voor de Oorspronkelijke Persoon, moet men dan zijn geest op welke van deze manieren ook richten op Krishna. (33) De zonen van de zuster van uw moeder, S'is'upâla en Dantavakra, o Pândava, waren de twee verheven dienaren van Vishnu [Jaya en Vijaya, zie 3.15-16] die vanwege een vloek van de brahmanen van de voeten wegvielen.'

(34) S'rî Yudhishthhira zei: 'Wie deed dat en wat voor een vloek werd er aangewend; een dienaar van de Heer op die manier overmand klinkt me ongeloofwaardig in de oren, hoe kunnen zij die zo intiem toegewijd tot Hem zijn nu weer opnieuw geboorte nemen [zie B.G. 4: 9 en 8: 16]? (35) Zij die verblijven in Vaikunthha hebben niets te maken met een materieel lichaam, materiële zinnen of een materieel leven, beschrijf alstublieft hoe zij dan gekoppeld konden raken aan een fysiek lichaam.'

(36) S'rî Nârada zei: 'Zo gebeurde het eens dat de zonen van Brahmâ, Sanandana en de anderen, die rondtrokken door de drie werelden, daar op die plaats aankwamen. (37) Er aankomend als jongens van een jaar of vijf, zes, hoewel ze al geboren waren voordat de ouden van het universum er waren [zie 1.3: 6], ontzegden de twee wachters hen de toegang denkend dat ze naakte kinderen waren. (38) En zo werden ze vol van woede door hen vervloekt: 'O, jullie twee onwaardigen, aan de voeten van de Slachter van Madhu is het hoogst zondig niet vrij te zijn van hartstocht en onwetendheid en derhalve, o dwazen, zullen jullie hierna spoedig geboren worden uit de baarmoeder van een onverlichte ziel [zie 3.17]. (39) Aldus vervloekt ten val te komen uit hun verblijfplaats kregen ze van de genadevolle wijzen te horen: 'Moge het zo zijn dat jullie na drie geboorten weer terugkeren naar jullie verblijf'.

(40) Daaropvolgend kwamen de twee als de zonen van Diti ter wereld aanbeden door al de Daitya's en Dânava's als Hiranyakas'ipu de oudste en Hiranyâksha de jongere broer. (41) Hiranyakas'ipu werd door de Heer in de gedaante van een leeuw gedood [Heer Nrisimhadeva] en Hiranyâksha door Hem toen Hij in de gedaante van een everzwijn was verschenen om de wereld op te heffen [Heer Varâha, zie 3.18-19]. (42) Hiranyakas'ipu die het verlangde zijn zoon Prahlâda te doden, de geliefde toegewijde van Kes'ava, wendde verschillende vormen van marteling aan om zijn dood af te roepen. (43) Aangezien zijn zoon beschermd werd door de macht van de Allerhoogste Heer, de Ziel van genade en gelijkheid jegens allen, slaagde hij, met alle machtsvertoon die hij aan de dag legde, er echter niet in hem ter dood te brengen. (44) Vervolgens werden de twee demonen als Râvana en Kumbhakarna geboren uit Kes'inî als de zoons van Vis'ravâ, en waren ze de bron van een hoop ellende voor alle mensen. (45) Om de twee van de vloek te bevrijden manifesteerde daarop Heer Râmacandra zich om hen te doden, maar het is beter om over de avonturen van Râma [zie 9: 10 & 11] te vernemen uit de mond van Mârkandeya, mijn beste. (46) In hun derde geboorte werden de twee [als S'is'upâla en Dantavakra] hier geboren als kshatriya zoons uit de zuster van uw moeder en zijn ze nu bevrijd van de vloek met het vernietigen van hun zonden door de cakra van Krishna. (47) Door in meditatie in een band van acute haat in Zijn nabijheid te komen slaagden de poortwachters van Vishnu er opnieuw in om op te gaan in de essentie van de onfeilbare Heer.'

(48) S'rî Yudhishthhira zei: 'Hoe kon er [bij Hiranyakas'ipu] voor zijn eigen zoon, die grote ziel, nu zo'n haat bestaan; vertel me alstublieft o verhevene hoe Prahlâda zo dicht bij Acyuta [de onfeilbare Heer] kwam te staan.

 

next                 

 
Tweede editie, geladen 4 juni 2007.
 
 

 

 

Bronteksten:

De Allerhoogste Heer is volkomen onpartijdig

 

Tekst 1 :

De koning zei: 'Hoe kon de Opperheer die geliefd is als een vriend die alle levende wezens gelijkgezind is, o brahmaan, in het ondersteunen van Indra de demonen doden alsof Hijzelf partijdig zou zijn [zie ook B.G. 9: 29]?

Koning Parîkshit vroeg: Beste brâhmana, de Allerhoogste Godspersoon, Vishnu, die met ons allemaal het beste voorheeft, stelt alle levende wezens gelijk en is iedereen bijzonder dierbaar. Hoe kwam het dan dat Hij Indra ter wille was en partijdig werd als een gewoon mens, en alle vijanden van Indra doodde? Hoe kan iemand die iedereen gelijkstelt partijtrekken voor de een en voor de ander een vijand zijn? (Vedabase)

 

Tekst 2:

Van de hoogste verrukking zijnd bestaat er voor Hem voorzeker niet de noodzaak om persoonlijk voorkeur te koesteren voor de verlichte gemeenschap en niet van enige materiële geaardheid, ligt het welzeker niet in Zijn aard om te vrezen voor of te wedijveren met hen die van de duisternis zijn.

Heer Vishnu Zelf, de Allerhoogste Godspersoon, is de oorsprong van alle vreugde. Wat voor voordeel zou Hij er daarom bij hebben om Zich aan de zijde van de halfgoden te scharen? Wat voor belang zou Hij op die manier dienen? De Heer is transcendentaal, dus waarom zou Hij de asura's vrezen, en hoe kan Hij ooit jaloers op ze zijn? (Vedabase)

 

Tekst 3:

Zo groot, o heerlijkheid, is in overweging van de kwaliteiten van Nârâyana, de mate van de twijfel die bij ons is ontstaan; zou u deze kunnen wegnemen?'

O hoogst fortuinlijke en geleerde brâhmana, de vraag of Nârâyana nu partijdig is of niet, heeft grote twijfel bij me opgeroepen. Wees zo goed om mijn twijfel te verdrijven en een positief bewijs te leveren dat Nârâyana altijd onpartijdig is en iedereen gelijkstelt. (Vedabase)

 

Tekst 4-5:

De achtenswaardige rishi zei: 'Wat een uitstekende vraag o grote Koning! Van de wonderbaarlijke handelingen van de Heer, bezongen door hen die voorop gaan in de zeden, de wijzen aangevoerd door Nârada, treft men meer en meer de heerlijkheid en de toewijding aan van Zijn toegewijden. Ik zal al de betreffende onderwerpen aangaande de Heer voor u ter sprake brengen, maar laat me allereerst de grote wijze van Krishna de eer bewijzen [Vyâsa].

De grote wijze S'ukadeva Gosvâmî zei: Beste koning, u hebt me een uitstekende vraag gesteld. Verhandelingen over de activiteiten van de Heer, waarbij ook de heerlijkheid van Zijn toegewijden aan bod komt, zijn zeer geliefd bij de toegewijden. Zulke schitterende onderwerpen van gesprek zijn in staat om de ellende van de materialistische levenswijze teniet te doen. Daarom spreken grote wijzen als Nârada altijd over het S'rîmad Bhâgavatam, omdat iedereen daardoor de mogelijkheid krijgt om over de wonderbaarlijke activiteiten van de Heer te horen en te chanten. Laat ik mijn nederige eerbetuigingen brengen aan S'rîla Vyâsadeva en vervolgens de activiteiten van Heer Hari beschrijven. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Hoewel boven de geaardheden verheven, voorzeker ongeboren en niet gemanifesteerd, gaat de Allerhoogste Heer transcendentaal aan de materiële wereld middels Zijn eigen vermogen binnen in de materiële kwaliteiten en neemt Hij verplichtingen en verantwoordelijkheden op Zich [vergelijk B.G. 9: 11].

De Allerhoogste Godspersoon, Vishnu, is altijd transcendentaal aan alle materiële eigenschappen en wordt daarom nirguna genoemd, wat "zonder eigenschappen" betekent. Omdat Hij ongeboren is, heeft Hij geen materieel lichaam dat onderhevig is aan gehechtheid en haat. Maar hoewel de Heer altijd boven het materiële leven staat, is Hij toch als een gewoon mens verschenen door middel van Zijn geestelijke vermogen, en handelde Hij ook als zodanig door bepaalde taken op Zich te nemen en verplichtingen aan te gaan, alsof Hij een geconditioneerde ziel was. (Vedabase)

 

Tekst 7:

De sattva, rajas en tamas daarbij behoren tot het materiële van de natuur en niet tot de kwaliteit van de geestelijke ziel, o Koning, voor het spirituele zelf bestaat er niet het af en aan [dat men normaal gesproken met materiële zaken heeft].

Beste koning Parîkshit, de materiële geaardheden - sattva-guna, rajo-guna en tamo-guna - behoren allemaal tot de materiële wereld en ráken de Allerhoogste Godspersoon zelfs niet eens. Deze drie guna's kunnen niet tegelijkertijd toe- of afnemen. (Vedabase)

 

Tekst 8:

Al naar gelang hun bepaalde tijd vindt men als sattva [goedheid] domineert de deva's en de rishi's [de goden en de wijzen], met het voorop staan van rajas [hartstocht] heeft men de Asura's [de onverlichte zielen] en met tamas [de traagheid] treft men de Yaksha's en Râkshasa's aan [de geesten en de demonen, zie ook B.G. 14: 11-13].

Als de geaardheid goedheid de overhand heeft, gaat het de wijzen en halfgoden goed, want dat is de geaardheid waarmee zij vervuld zijn door de Allerhoogste Heer. Als de geaardheid hartstocht de overhand heeft, is dat in het voordeel van de demonen, en als onwetendheid de boventoon voert, hebben de Yaksha's en de Râkshasa's daar profijt van. De Allerhoogste Godspersoon leeft in ieders hart en wekt de reacties van sattva-guna, rajo-guna en tamo-guna op. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Naar de elementen van het licht en dergelijke die zich voordoen met de verschillend belichaamden kunnen zij die van de kennis zijn vanuit de Superziel van binnen onderscheiden wie van hen van onderscheidingsvermogen zijn en wie niet [zie B.G. 10: 10].

De alomtegenwoordige Godspersoon bevindt Zich in het hart van elk levend wezen, en een ervaren denker kan Zijn aanwezigheid dan ook in meerdere of mindere mate ervaren. Zoals men kan zien hoeveel vuur er in hout zit, water in een kruik of ruimte in een pot, zo kan men aan de hand van iemands verrichtingen in toegewijde dienst zien of hij een demon is of een halfgod. Een wijs man kan uit iemands doen en laten opmaken in welke mate hij de gunst geniet van de Allerhoogste Heer. (Vedabase)

 

Tekst 10

Als Hij het zo verlangt om materiële lichamen te scheppen voor de levende wezens manifesteert de Allerhoogste, Hij overwegend in Zijn eigen schepping, de geaardheid hartstocht; verlangend op te treden in verschillende gedaanten is Hij in de geaardheid goedheid en als de Beheerser er aan toe is de zaak af te ronden geeft Hij als zodanig aanzet tot de geaardheid der onwetendheid [zie: B.G. 9: 10].

Wanneer de Allerhoogste Godspersoon de verschillende soorten lichamen schept en elk levend wezen naargelang zijn aard en baatzuchtige activiteiten een bepaald lichaam toekent, reactiveert Hij de geaardheden der materiële natuur - sattva-guna, rajo-guna en tamo-guna. Dan gaat Hij, als Superziel, elk lichaam binnen en zet de geaardheden aan het werk: sattva-guna voor de instandhouding, rajo-guna voor de schepping en tamo-guna voor de vernietiging. (Vedabase)

 

Tekst 11

O heerser der mensen, de ware Schepper, Beheerser in Eigen Persoon van de materie en de Toevlucht voor de wezens is de Tijd die door zijn bewegingen konditioneert [zie ook B.G 11: 32].

O grote koning, de Allerhoogste Godspersoon, de bestuurder van de materiële en spirituele energieën, die beslist de schepper van de hele kosmos is, creëert de tijdfactor en staat zo de materiële energie en het levend wezen toe om binnen de grenzen van de tijd hun activiteiten te ontplooien. De Allerhoogste Persoon Zelf is dus nooit onderhevig aan de tijd, noch aan de materiële energie. (Vedabase)

 

Tekst 12:

Het is door enkel deze Tijd dat de Allerhoogste Heer Zijn heerlijkheden wijdverspreid zijn, o Koning, waarbij naar sattva de zekerheid van het aantal der goden wordt beijverd en bijgevolg met hen die overdekt zijn door rajas en tamas zich de vijandigheid voordoet waartoe Hij, als de vriend der verlichte zielen, een eind maakt aan de onverlichten.

O koning, de tijdfactor versterkt de sattva-guna. Dus hoewel de Allerhoogste Heer de bestuurder is, begunstigt Hij de halfgoden, die meestal in sattva-guna zijn, met als gevolg dat de demonen, die onder invloed van tamo-guna staan, vernietigd worden. De Allerhoogste Heer laat de factor tijd op verschillende manieren werken, maar Hij is nooit partijdig. Integendeel, Zijn activiteiten zijn altijd glorieus, en daarom wordt Hij Urus'ravâ genoemd. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Dit aangaande werd voorheen met grote vreugde bij de grote offerande van Yudhishthhira op zijn verzoek door de Rishi der Verlichting [Nârada] het volgende verhaal verteld.

O koning, vroeger, toen Mahârâja Yudhishthhira het Râjasûya-offer bracht, heeft de grote wijze Nârada in antwoord op diens vragen eens een aantal historische feiten aangehaald om aan te tonen dat de Allerhoogste Godspersoon altijd onpartijdig is, zelfs wanneer Hij demonen doodt. Hij gaf in dit verband het volgende illustratieve voorbeeld. (Vedabase)

 

Tekst 14-15:

De koning, de zoon van Pându, toen hij gezien had hoe bij de grote offerplechtigheid genaamd Râjasûya de koning van Cedi [S'is'upâla] zo wonderbaarlijk in de Hoogste Persoonlijkheid Vâsudeva was opgegaan, had als de heerser, met verwondering geslagen, tijdens de plechtigheid het volgende aan Nârada gevraagd die daar met de wijzen luisterend neerzat.

O koning, bij het Râjasûya-offer zag Mahârâja Yudhishthhira , de zoon van Mahârâja Pându, persoonlijk hoe S'is'upâla opging in het lichaam van de Allerhoogste Heer, Krishna. Hoogst verbaasd vroeg hij de grote wijze Nârada, die daar ook aanwezig was, wat de reden hiervoor was. Alle andere wijzen konden hem deze vraag eveneens horen stellen. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Yudhishthhira had gezegd: 'O hoe wonderbaarlijk en voorzeker moeilijk te bereiken voor zelfs de transcendentalisten is die realisatie van S'is'upâla die zich zo schaamteloos gedroeg tegenover Vâsudeva, de Allerhoogste Absolute Waarheid.

Mahârâja Yudhishthhira vroeg: Het is heel wonderbaarlijk dat de demon S'is'upâla opgegaan is in het lichaam van de Allerhoogste Godspersoon, want hij was uitermate jaloers. Zelfs grote transcendentalisten kunnen deze sâyujya-mukti onmogelijk bereiken. Hoe is het dan mogelijk dat een vijand van de Heer deze bevrijding wel bereikt heeft? (Vedabase)
 
Tekst 17:

We willen allen graag weten hoe dit kon gebeuren, o wijze, hoe van het beledigen van de Heer [hij in Hem op kon gaan terwijl] Vena [voor iets dergelijks] de hel in werd gestuurd door de brahmanen [zie 4.14].

O grote wijze, we willen allemaal graag weten hoe het kwam dat de Heer in dit geval zo genadig was. Ik heb gehoord dat er vroeger een koning was, Vena genaamd, die de Allerhoogste Godspersoon belasterde, en dat de brâhmana's hem daarom dwongen om naar de hel te gaan. S'is'upâla had dus ook naar de hel gestuurd moeten worden. Hoe is het dan mogelijk dat hij opgegaan is in het bestaan van de Heer? (Vedabase)

 

Tekst 18:

Die zondige zoon van Damaghosha koesterde vanaf zijn eerste kindergebrabbel woede jegens Govinda precies zoals ook de kwaadwillige Dantavakra [zijn broer] dat deed.

Vanaf het eerste begin van zijn kinderjaren, toen hij nog niet eens behoorlijk kon praten, was S'is'upâla, de zeer zondige zoon van Damaghosha, de Heer al aan het belasteren, en tot zijn dood aan toe bleef hij afgunstig op S'rî Krishna. En hetzelfde gold voor zijn broer Dantavakra die zijn voetspoor volgde. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Van de herhaalde overtredingen tegen Heer Vishnu, de hoogste Persoonlijkheid van het Brahman [vergelijk B.G. 10: 12], was er bij hen op hun tongen geen witte lepra te bespeuren noch belandden ze in de duisternis van de hel.

Hoewel deze twee mannen - S'is'upâla en Dantavakra - de Allerhoogste Godspersoon, Heer Vishnu [Krishna], het Allerhoogste Brahman, onophoudelijk belasterden, waren ze heel gezond. Ze kregen geen witte lepra op hun tong, en ze kwamen evenmin in de donkerste regionen van de hel terecht. Dit verbaast ons ten zeerste. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Hoe konden zij voor ogen van iedereen, zo makkelijk de verzonkenheid [sâyujya-mukti] in de Opperheer vinden wiens natuur zo moeilijk te bereiken is?

Hoe is het mogelijk dat S'is'upâla en Dantavakra in het bijzijn van zoveel verheven personen zonder enige moeite in het lichaam van Krishna konden binnengaan, terwijl Zijn natuur toch zo moeilijk te bereiken is? (Vedabase)

 

Tekst 21:

Wat dit betreft is mijn intelligentie zo wisselvallig als een kaarsvlam flakkerend in de wind; alstublieft, o man van kennis, vertel me meer over de specifieke oorzaak van dit grote wonder.'

Dit is ongetwijfeld een hoogst wonderbaarlijke zaak. Ja, mijn intelligentie is er helemaal door verstoord, als een kaarsvlam die flakkert door een windvlaag. O Nârada Muni, u weet alles. Leg me alstublieft uit wat de oorzaak van deze wonderbaarlijke gebeurtenis is. (Vedabase)

 

Tekst 22:

De zoon van Vyâsa zei: 'Nadat hij de woorden hoorde van de koning die hem temidden van de vergadering vragen stelde over die geschiedenis, richtte Nârada de grootste der wijzen, erover voldaan, het woord tot hem.

S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: Nârada Muni, de zeer machtige geestelijk leraar die alles wist, was zeer tevreden toen hij de vraag van Mahârâja Yudhishthhira hoorde en hij gaf, in het bijzijn van iedereen die aan het yajña deelnam, als volgt antwoord. (Vedabase)

 

Tekst 23:

S'rî Nârada zei: 'Met de bedoeling beledigingen, lofprijzingen, eer en oneer zonder onderscheid te ondergaan heeft de Allerhoogste van de Primaire Natuur [pradhâna] dit voertuig van de tijd geschapen, o Koning [zie ook B.G. 2: 14, 12: 18-19].

De grote wijze S'rî Nâradajî zei: O koning, dat men laster en lof, straf en respect ervaart, komt voort uit onwetendheid. De Heer heeft het lichaam van de geconditioneerde ziel zo ontworpen dat hij door middel van de uitwendige energie in deze materiële wereld lijdt. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Lijdend onder het verkeerde idee dit lichaam te zijn is er aldus het 'ik' en 'mijn' waarvoor er de roede der bestraffing bestaat, o aardse heerser.

Beste koning, de geconditioneerde ziel die een lichamelijke levensbeschouwing heeft, ziet zijn lichaam als zijn zelf en denkt dat alles wat met zijn lichaam te maken heeft van hem is. Door dit soort misvattingen over het leven staat hij bloot aan dualiteiten als lof en straf. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Gebonden aan deze valse voorstelling doet de vernietiging van lichamen zich voor als zijnde gelijk aan de vernietiging van levende wezens; als men niet van Hem als de ene die Zijns gelijke niet kent is, is men van de foutieve opvatting, maar hoe kan er ook maar enige schade worden berokkend door Hem, de Ziel van allen, de Verhevene en de Hoogste Beheersing?

Vanwege zijn lichamelijke levensbeschouwing denkt de geconditioneerde ziel dat als het lichaam vernietigd is, het ook met het levend wezen gedaan is. Heer Vishnu, de Allerhoogste Godspersoon, is de allerhoogste bestuurder, de Superziel van alle levende wezens. Omdat Hij geen materieel lichaam heeft, heeft Hij ook geen misvattingen zoals 'ik en mijn". Het is daarom niet juist om te denken dat Hij vreugde of pijn voelt wanneer Hij aanbeden wordt of belasterd. Daar is bij Hem geen sprake van. Hij heeft dus geen vrienden en geen vijanden; wanneer Hij de demonen straft, is het voor hun bestwil; en wanneer Hij de gebeden van de toegewijden aanvaardt, is dat eveneens voor hun bestwil. Gebeden of laster raken Hem geen van beide. (Vedabase)

 

Tekst 26:

Derhalve, of men nu van een voortdurende vijandigheid is, van toewijding, bevreesd, vol genegenheid of lustige verlangens is, behoort men, met welke manier van doen ook, zich te concentreren [op de Heer] en naar niets anders om te zien.

Daarom, of het nu door vijandschap komt of door toegewijde dienst, door angst, liefde of door wellust - door al deze oorzaken tegelijk of door één ervan - als een geconditioneerde ziel op de een of andere manier zijn geest op de Heer weet te richten, is het resultaat daarvan hetzelfde, want de Heer verkeert altijd in volkomen gelukzaligheid en wordt daarom net zomin door vijandschap als door vriendschap geraakt. (Vedabase)

 

Tekst 27:

Een persoon zal met [enkel] een voortdurende vijandigheid niet dat verzonken zijn bereiken dat men aantreft in het verenigd zijn in toewijding, dat is mijn definitieve oordeel.

Nârada Muni vervolgde: Door toegewijde dienst kan men niet zo intens in gedachten aan de Allerhoogste Godspersoon opgaan als wanneer men Zijn vijand is. Zo denk ik erover. (Vedabase)

 

Tekst 28-29:

Een larve die door een bij in een raat wordt verzorgd mag vervuld zijn van angst en weerzin, maar dankzij die bij bereikt hij dezelfde vorm; zo ook kan men met Krishna, die als de Allerhoogste Heer uit Zichzelf verscheen, als een mens vol zijn van opstandigheid jegens de Allerhoogste, maar als men eenmaal zuivering vond van de zonde, heeft men dat te danken aan het voortdurend aan Hem denken.

Een worm die door een bij opgesloten is in een gat in de muur, denkt voortdurend aan die bij met gevoelens van angst en haat, en wordt door die gedachten later zelf ook een bij. Zo gaat het ook als de geconditioneerde zielen op de een of andere manier aan Krishna denken, die sac-cid-ânanda-vigraha is, want door die gedachten worden ze van al hun zonden bevrijd. Of ze nu aan Hem denken als hun aanbiddelijke Heer of als hun vijand, omdat ze Hem voortdurend in gedachten houden, zullen ze hun geestelijke lichaam terugkrijgen. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Van het in lust, weerzin, angst, genegenheid en toewijding hebben van een geest verzonken in het Allerhoogste, hebben velen de zonde opgegeven en daardoor het pad der bevrijding bereikt.

Heel veel mensen hebben bevrijding bereikt door louter met grote aandacht aan Krishna te denken en hun zondige activiteiten op te geven. Deze intense aandacht kan voortkomen uit wellust, vijandschap, angst, genegenheid of toegewijde dienst. Nu zal ik uitleggen hoe men de genade van Krishna kan verkrijgen door zich alleen maar op Hem te concentreren. (Vedabase)

 

Tekst 31:

De gopî's met hun lustige verlangens, Kamsa uit angst, S'is'upâla en anderen in hun hatelijkheid, vele Koningen door hun verwantschap, Krishna's familie uit genegenheid en u en wij middels de bhakti deden dat ook o Koning.

Beste koning Yudhishthhira , de gopî's door hun wellustige verlangens, Kamsa door angst, S'is'upâla en andere koningen door afgunst, de Yadu's door de familieband die ze met Krishna hadden, jullie Pândava's door jullie grote genegenheid voor Krishna, en wij toegewijden in het algemeen door onze toegewijde dienst, hebben allemaal de genade van Krishna ontvangen. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Tenzij men iemand wil zijn als Vena, die niet op een van deze vijf manieren van respect kon zijn voor de Oorspronkelijke Persoon, moet men dan zijn geest op welke van deze manieren ook richten op Krishna.

Op de een of andere manier moet men heel serieus op de gedaante van Krishna mediteren. Dan kan men door een van de vijf verschillende methoden die hierboven genoemd zijn terugkeren naar huis, terug naar God. Maar atheïsten als koning Vena, die op geen enkele van deze vijf manieren aan Krishna's gedaante kunnen denken, kunnen geen verlossing bereiken. Men moet daarom op de een of andere manier aan Krishna denken, of het nu met vriendelijke of met vijandige gevoelens is. (Vedabase)

 

Tekst 33:

De zonen van de zuster van uw moeder, S'is'upâla en Dantavakra, o Pândava, waren de twee verheven dienaren van Vishnu [Jaya en Vijaya, zie 3.15-16] die vanwege een vloek van de brahmanen van de voeten wegvielen.'

Nârada Muni vervolgde: O beste der Pândava's, uw twee neven S'is'upâla en Dantavakra, de zoons van uw tante aan moederszijde, waren vroeger metgezellen van Heer Vishnu, maar omdat ze door brâhmana's vervloekt waren, vielen ze uit Vaikunthha en kwamen in deze materiële wereld terecht. (Vedabase)

 

Tekst 34:

S'rî Yudhishthhira zei: 'Wie deed dat en wat voor een vloek werd er aangewend; een dienaar van de Heer op die manier overmand klinkt me ongeloofwaardig in de oren, hoe kunnen zij die zo intiem toegewijd tot Hem zijn nu weer opnieuw geboorte nemen [zie B.G. 4: 9 en 8: 16]?

Mahârâja Yudhishthhira vroeg: Welke vloek is zo machtig dat hij zelfs bevrijde visnu-bhakta's zou kunnen treffen, en wat voor soort persoon is in staat om de metgezellen van de Heer te vervloeken? Voor onwankelbare toegewijden van de Heer is het onmogelijk om terug te vallen naar deze materiële wereld. Dat zoiets gebeurd is kan ik niet geloven. (Vedabase)

 

Tekst 35:

Zij die verblijven in Vaikunthha hebben niets te maken met een materieel lichaam, materiële zinnen of een materieel leven, beschrijf alstublieft hoe zij dan gekoppeld konden raken aan een fysiek lichaam.'

Het lichaam van de bewoners van Vaikunthha is volkomen geestelijk en heeft niets te maken met het materiële lichaam, de materiële zintuigen of de levenslucht. Wees daarom zo goed me uit te leggen hoe het kwam dat metgezellen van de Godspersoon vervloekt werden en als gewone mensen moesten neerdalen in een materieel lichaam. (Vedabase)

 

Tekst 36:

S'rî Nârada zei: 'Zo gebeurde het eens dat de zonen van Brahmâ, Sanandana en de anderen, die rondtrokken door de drie werelden, daar op die plaats aankwamen.

De grote wijze Nârada zei: Op een keer kwamen de vier zoons van Heer Brahmâ - Sanaka, Sanandana, Sanâtana en Sanat-kumâra - op hun rondreis door de drie werelden toevallig bij Vishnuloka aan. (Vedabase)

 

Tekst 37:

Er aankomend als jongens van een jaar of vijf, zes, hoewel ze al geboren waren voordat de ouden van het universum er waren [zie 1.3: 6], ontzegden de twee wachters hen de toegang denkend dat ze naakte kinderen waren.

Hoewel deze vier grote wijzen ouder waren dan Brahmâ's andere zoons zoals Marîci, zagen ze eruit als kleine, naakte kinderen van maar vijf of zes jaar oud. Toen de poortwachters Jaya en Vijaya zagen dat ze Vaikunthhaloka probeerden binnen te komen, dachten ze dat het gewone kinderen waren en weigerden hen de toegang. (Vedabase)

 

Tekst 38:

En zo werden ze vol van woede door hen vervloekt: 'O, jullie twee onwaardigen, aan de voeten van de Slachter van Madhu is het hoogst zondig niet vrij te zijn van hartstocht en onwetendheid en derhalve, o dwazen, zullen jullie hierna spoedig geboren worden uit de baarmoeder van een onverlichte ziel [zie 3.17].

Toen ze tegengehouden werden door de poortwachters Jaya en Vijaya werden Sanandana en de andere grote wijzen heel erg boos en vervloekten hen. "Dwaze poortwachters die jullie zijn," zeiden ze. "Jullie staan onder invloed van de materiële geaardheden hartstocht en onwetendheid en zijn daarom ongeschikt om onder bescherming van Madhudvisha's lotusvoeten te leven, want die zijn vrij van zulke geaardheden. Jullie kunnen beter meteen naar de materiële wereld gaan om geboren te worden in een familie van zeer zondige asura's." (Vedabase)

 

Tekst 39:

Aldus vervloekt ten val te komen uit hun verblijfplaats kregen ze van de genadevolle wijzen te horen: 'Moge het zo zijn dat jullie na drie geboorten weer terugkeren naar jullie verblijf'.

Terwijl Jaya en Vijaya na deze vloek van de wijzen terugvielen naar de materiële wereld, voegden diezelfde wijzen er uit hun grote mildheid nog aan toe: "O poortwachters, na drie geboortes kunnen jullie je post in Vaikunthha weer innemen, want dan is de vloek opgeheven." (Vedabase)

 

Tekst 40:

Daaropvolgend kwamen de twee als de zonen van Diti ter wereld aanbeden door al de Daitya's en Dânava's als Hiranyakas'ipu de oudste en Hiranyâksha de jongere broer.

Deze twee metgezellen van de Heer - Jaya en Vijaya - daalden dus af naar de materiële wereld, en werden geboren als de twee zoons van Diti, van wie Hiranyakas'ipu de oudste was en Hiranyâksha de jongste. De Daitya's en de Dânava's [twee demonische soorten] hadden grote hoogachting voor ze. (Vedabase)

 

Tekst 41:

Hiranyakas'ipu werd door de Heer in de gedaante van een leeuw gedood [Heer Nrisimhadeva] en Hiranyâksha door Hem toen Hij in de gedaante van een everzwijn was verschenen om de wereld op te heffen [Heer Varâha, zie 3.18-19].

De Allerhoogste Godspersoon, S'rî Hari, doodde Hiranyakas'ipu in Zijn verschijning als Nrisimhadeva. En toen de Heer de planeet aarde aan het redden was, die in de Garbhodaka-oceaan was gevallen, en de demon Hiranyâksha dat probeerde te beletten, doodde Hij ook hem in Zijn incarnatie als Varâha.

 

Tekst 42:

Hiranyakas'ipu die het verlangde zijn zoon Prahlâda te doden, de geliefde toegewijde van Kes'ava, wendde verschillende vormen van marteling aan om zijn dood af te roepen.

Omdat Hiranyakas'ipu zijn zoon Prahlâda wilde doden, die een groot toegewijde van Heer Vishnu was, martelde hij hem op vele manieren. (Vedabase)

 

Tekst 43:

Aangezien zijn zoon beschermd werd door de macht van de Allerhoogste Heer, de Ziel van genade en gelijkheid jegens allen, slaagde hij, met alle machtsvertoon die hij aan de dag legde, er echter niet in hem ter dood te brengen.

De Heer, de Superziel van alle levende wezens, is nuchter, vreedzaam en iedereen even welgezind. Aangezien de grote toegewijde Prahlâda beschermd werd door de macht van de Heer, lukte het Hiranyakas'ipu niet om hem te doden, hoewel hij dat op allerlei manieren probeerde. (Vedabase)

 

Tekst 44:

Vervolgens werden de twee demonen als Râvana en Kumbhakarna geboren uit Kes'inî als de zoons van Vis'ravâ, en waren ze de bron van een hoop ellende voor alle mensen.

Daarna werden Jaya en Vijaya, die twee poortwachters van Heer Vishnu, geboren als Râvana en Kumbhakarna, die door Vis'ravâ in de schoot van Kes'inî verwekt waren. Zij bezorgden alle mensen in het universum bijzonder veel last. (Vedabase)

 

Tekst 45:

Om de twee van de vloek te bevrijden manifesteerde daarop Heer Râmacandra zich om hen te doden, maar het is beter om over de avonturen van Râma [zie 9: 10 & 11] te vernemen uit de mond van Mârkandeya, mijn beste.

Nârada Muni vervolgde: Beste koning, alleen maar om Jaya en Vijaya van de vloek van de brâhmana's te bevrijden, verscheen Heer Râmacandra om Râvana en Kumbhakarna te doden. De verhalen over Heer Râmacandra's activiteiten kunt u beter van Mârkandeya horen. (Vedabase)

 

Tekst 46:

In hun derde geboorte werden de twee [als S'is'upâla en Dantavakra] hier geboren als kshatriya zoons uit de zuster van uw moeder en zijn ze nu bevrijd van de vloek met het vernietigen van hun zonden door de cakra van Krishna.

In hun derde geboorte verschenen dezelfde Jaya en Vijaya in een familie van kshatriya's als uw neven, de zoons van uw tante. Omdat Heer Krishna hen met Zijn werpschijf geraakt heeft, zijn al hun zondige reacties tenietgedaan, en zijn ze nu bevrijd van de vloek. (Vedabase)

 

Tekst 47:

Door in meditatie in een band van acute haat in Zijn nabijheid te komen slaagden de poortwachters van Vishnu er opnieuw in om op te gaan in de essentie van de onfeilbare Heer.'

Deze twee metgezellen van Heer Vishnu, Jaya en Vijaya, koesterden lange tijd vijandige gevoelens tegenover de Heer. Omdat ze altijd op die manier aan Krishna dachten, herwonnen ze eenmaal terug thuis, terug bij God, de bescherming van de Heer. (Vedabase)

 

Tekst 48:

S'rî Yudhishthhira zei: 'Hoe kon er [bij Hiranyakas'ipu] voor zijn eigen zoon, die grote ziel, nu zo'n haat bestaan; vertel me alstublieft o verhevene hoe Prahlâda zo dicht bij Acyuta [de onfeilbare Heer] kwam te staan.

Mahârâja Yudhishthhira vroeg: O heer, Nârada Muni, waarom bestond er zo'n vijandschap tussen Hiranyakas'ipu en zijn geliefde zoon Prahlâda Mahârâja? Hoe was Prahlâda Mahârâja zo'n grote toegewijde van Heer Krishna geworden? Wees zo goed me dit allemaal uit te leggen. (Vedabase)

 

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het schilderij op deze pagina is van
Parîkshit dâsa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties