regelbalk



 

 

Canto 10

S'acî Tanayâshtakam

 

 

Hoofdstuk 56: Hoe het Syamantaka Juweel Krishna Jâmbavatî en Satyabhâmâ Bracht

(1) S'rî S'uka zei: 'Satrâjit ['altijd zegevierend', zie 9.24: 13] die te ver was gegaan met Heer Krishna, deed zijn best voor Hem en gaf Hem zijn dochter en het juweel Syamantaka.'

(2) De achtenswaardige koning zei: 'Welke overtreding beging Satrâjit tegen Krishna o brahmaan? Waar kwam de Syamantaka vandaan en waarom schonk hij zijn dochter aan de Heer?'

(3) S'rî S'uka zei: 'Satrâjit was een toegewijde van de zonnegod. Die was zeer tevreden over hem en gaf hem, zijn beste vriend, uit genegenheid toen het Syamantaka juweel. (4) Hij, die het juweel dat zo helder straalde als de zon om zijn nek droeg, werd toen hij in Dvârakâ arriveerde, door de gloed ervan niet herkend o Koning. (5) De mensen verblind door de schittering dachten, toen ze hem op een afstand zagen, dat hij Sûrya was en rapporteerden dat aan de Allerhoogste Heer die druk aan het dobbelen was. (6) 'O Nârâyana onze eerbetuigingen voor U, o Houder van de Schelphoorn, de Werpschijf en de Knots, o Dâmodara, o Lotusogige, o Govinda, o Kind van de Yadu's!  (7) Savitâ ['de stralende'], hij die met de intense straling van zijn lichtende schijf de mensen het zicht ontneemt, is gearriveerd om U te zien o Heer van het Universum. (8) Ervan op de hoogte dat U zich momenteel schuilhoudt onder de Yadu's zijn de leiders der halfgoden naarstig naar U op zoek in de drie werelden. En nu is de ongeborene [Sûrya] hier naartoe gekomen om U te zien o Meester.'

(9) S'rî S'uka zei: 'Toen Hij met de Lotusogen deze onschuldige woorden hoorde zei Hij glimlachend: 'Hij hier is Ravideva niet, het is Satrâjit die zo straalt door zijn juweel.'

(10) In zijn eigen luxueuze woning aangeland voerde Satrâjit feestelijk gunstige rituelen uit in de tempelkamer alwaar hij met de hulp van geleerden het juweel installeerde. (11) Dag na dag leverde hem dat acht bhâra's [van ongeveer 9.7 kg] aan goud op o prabhu, en niets ongunstigs zoals voedselschaarste, een voortijdige dood, rampen, slangenbeten, geestelijke en lichamelijke aandoeningen en bedriegers, deed zich daar in de aanwezigheid van het op gepaste wijze aanbeden sieraad voor. (12) Ooit eens vroeg S'auri [Krishna] uit naam van de koning van de Yadu's [Ugrasena] om het kleinnood, maar Satrâjit, begeerig uit op de weelde, zag er geen kwaad in het niet over te dragen.

(13) Prasena [Satrâjit's broer] hing op een goede dag het intens stralende juweel om zijn nek, besteeg een paard en ging uit jagen in het bos. (14) Een leeuw doodde toen Prasena en zijn paard en nam het juweel mee een grot in, maar werd op zijn beurt gedood door Jâmbavân ['hij van de Jambu-bomen' de koning der beren] die het pronkjuweel wilde hebben. (15) In de grot gaf hij het juweel aan zijn jong als iets om mee te spelen. Ondertussen begon Satrâjit die zijn broer nergens zag, zich ernstig zorgen te maken. (16) Hij zei: 'Mijn broer die in het bos verdween met het juweel om zijn nek is waarschijnlijk door Krishna gedood.' De mensen die erover vernamen fluisterden het elkaar toen in het oor. (17) Toen de Opperheer daar achter kwam, volgde Hij, om Zich van alle blaam te zuiveren, samen met wat burgers de weg die Prasena had gekozen. (18) In het bos troffen ze hem en zijn paard aan gedood door een leeuw en ontdekten ze verder op een berghelling dat de leeuw op zijn beurt was gedood door Riksha [Jâmbavân]. (19) De Allerhoogste Heer stelde Zijn mannen buiten de angstaanjagende grot op van de koning der riksha's [de beren] en betrad toen in Zijn eentje het diepe duister waarin die plek gehuld was. (20) Toen Hij zag dat het meest kostbare van alle juwelen werd gebruikt als speelgoed, besloot Hij het terug te halen en stapte Hij op het kind af. (21) Toen het kindermeisje de vreemdeling zag, schreeuwde ze het uit van de angst zodat Jâmbavân, die sterkste aller sterken het hoorde en in woede ontstoken eropaf rende. (22) Zich er niet van bewust wie hij voor zich had hield hij Hem voor een wereldse persoon en vocht hij kwaad tegen Hem, de Allerhoogste Heer, zijn eigen Meester [vergelijk 5.6: 10-11 en B.G. 16: 18]. (23) Er volgde een zeer verbeten gevecht tussen hen twee, waarbij ieder het probeerde te winnen met behulp van stenen, bomen, hun armen en met wapens als waren ze twee haviken die vechten om wat vlees. (24) Ze gingen zonder ophouden dag en nacht achtentwintig dagen lang door met vechten, waarbij ze met vuisten tegen vuisten slagen uitdeelden zo fel als de bliksem. (25) Jâmbavân met de spieren van zijn enorme lijf bewerkt door de vuisten van Krishna, zweette het uit en richtte zich toen uitgeput, hoogst verbaasd tot Hem: (26) 'Ik ken U, U bent de levensadem, de fysieke kracht en de geesteskracht van alle levende wezens, Heer Vishnu, de Oerpersoon, de Almachtige, Allerhoogste Meester. (27) U bent de Eeuwige Schepper van Alle Scheppers en Geschapenen van het Universum, de Onderwerper der onderwerpers, de Heer, de Opperziel van al de Zielen [vergelijk 3.25: 41-42]. (28) U bent degene door wiens dwingende blikken, blijk gevend van enige toorn, de krokodillen en walviseters [timingila's] in beroering raakten en de oceaan werd opgedragen vrij baan te maken. U bent degene voor wiens glorie een brug werd gebouwd, Lankâ in vuur en vlam werd gezet en door wiens pijlen de hoofden van de Râkshasa [Râvana] werden afgesneden en op de grond rolden [zie 9: 10].'



(29-30) O Koning, Acyuta, de Lotusogige Opperheer, de zoon van Devakî, richtte Zich toen, vanuit Zijn grote mededogen voor Zijn toegewijden, tot de koning der beren die de waarheid begrepen had. Hij beroerde hem met de hand die alle zegen verleent en zei met een stem zo diep als de [rommelende] wolken: (31) 'O heer der beren, We kwamen hier naar de grot vanwege het juweel. We willen de valse aantijging weerleggen die men met dit juweel tegen Ons aanvoert.' (32) Nadat hij [Jâmbavân] aldus was toegesproken bood hij Krishna gelukkig, als een respectvolle offergave, zijn maagdelijke dochter Jâmbavatî aan samen met het juweel.

(33) Toen ze S'auri die de grot was ingegaan niet naar buiten zagen komen, keerden Zijn mensen na twaalf dagen te hebben gewacht doodongelukkig terug naar hun stad. (34) Devakî, Rukminî devî, Vasudeva en al Zijn vrienden en verwanten treurden nadat ze hoorden dat Krishna niet uit de grot tevoorschijn was gekomen. (35) De bewoners van Dvârakâ vervloekten vol van verdriet Satrâjit en aanbaden toen Candrabhâgâ ['het geluk van de maan'], Durgâ, om Krishna te laten terugkeren. (36) Na de godin aanbeden te hebben verleende zij daarop de verlangde zegening. Tot hun grote vreugde verscheen de Heer die Zijn doel verwezenlijkt had toen terstond ten tonele samen met Zijn [nieuwe] echtgenote. (37) Er zeer over opgewonden om te ontdekken dat Hrishîkes'a met een vrouw en het juweel om Zijn nek was gearriveerd, stonden ze allen te juichen alsof er iemand uit de dood was opgestaan. (38) Satrâjit, door de Allerhoogste Heer ontboden in een bijeenkomst van de edelen, werd in de aanwezigheid van de koning op de hoogte gesteld van het terughalen van het juweel, dat toen aan hem werd gepresenteerd. (39) Uiterst beschaamd nam hij, met zijn gezicht naar beneden, het juweel in ontvangst en ging toen huiswaarts, vol van wroeging over zijn zondige gedrag. (40-42) Zich bezinnend op zijn overtreding [het voor zichzelf te hebben gehouden en Krishna te hebben beschuldigd] dacht hij, beducht voor een conflict met hen die aan de macht waren: 'Hoe kan ik mezelf nu zuiveren van de smet en hoe kan ik Acyuta tevreden stellen? Wat voor goeds moet ik doen dat de mensen me niet zullen vervloeken als zijnde enggeestig, armzalig, verdwaasd en belust op de weelde? Ik zal Krishna het [Syamantaka-]juweel schenken alsmede mijn dochter, dat juweel onder de vrouwen. Dat is de manier waarop ik het weer goed zal maken met Hem en niet anders!'

(43) Aldus intelligent tot een besluit gekomen zette Satrâjit zich ertoe en bood hij zijn mooie dochter en het juweel aan Krishna aan. (44) Satyabhâmâ, die gewild was bij vele mannen vanwege haar kwaliteiten van een fijn karakter, haar schoonheid en de edelmoedigheid waarmee ze gezegend was, trouwde met de Heer overeenkomstig de gebruiken. (45) De Allerhoogste Heer zei: 'We willen het juweel niet terughebben o Koning. U bent een toegewijde van de godheid [Sûrya], hou het in uw bezit zodat ook Wij de genieters van de vruchten kunnen zijn.'

 

next                    

 
 

Derde herziene editie, geladen 26 mei, 2014.

 

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Satrâjit ['altijd zegevierend', zie 9.24: 13] die te ver was gegaan met Heer Krishna, deed zijn best voor Hem en gaf Hem zijn dochter en het juweel Syamantaka.'
S'rî S'uka zei: 'Satrâjit ['altijd zegevierend', zie 9.24: 13] die van overtreding was met Heer Krishna schonk voor zijn verheffing zijn dochter weg tezamen met het juweel bekend staande als Syamantaka.' (Vedabase)

 

Tekst 2

De achtenswaardige koning zei: 'Welke overtreding beging Satrâjit tegen Krishna o brahmaan? Waar kwam de Syamantaka vandaan en waarom schonk hij zijn dochter aan de Heer?'

De achtenswaardige koning zei: 'Welke overtreding beging Satrâjit tegen Krishna, o brahmaan, waar kwam Syamantaka vandaan en waarom schonk hij zijn dochter aan de Heer? (Vedabase)

 

Tekst 3

S'rî S'uka zei: 'Satrâjit was een toegewijde van de zonnegod. Die was zeer tevreden over hem en gaf hem, zijn beste vriend, uit genegenheid toen het Syamantaka juweel.

S'rî S'uka zei: 'De zonnegod die Satrâjit's beste vriend was schonk uit genegenheid voor hem, naar zijn tevredenheid met zijn toegewijde, het Syamantaka juweel. (Vedabase)

 

Tekst 4

Hij, die het juweel dat zo helder straalde als de zon om zijn nek droeg, werd toen hij in Dvârakâ arriveerde, door de gloed ervan niet herkend o Koning.

Hij, het juweel om zijn nek dragend dat zo helder straalde als de zon werd, nadat hij Dvârakâ binnenkwam, o Koning, vanwege de gloed niet herkend. (Vedabase)

 

Tekst 5

De mensen verblind door de schittering dachten, toen ze hem op een afstand zagen, dat hij Sûrya was en rapporteerden dat aan de Allerhoogste Heer die druk aan het dobbelen was.

De mensen, die door de schittering verblind hem op een afstand zagen, veronderstelden dat Sûrya was aangekomen en rapporteerden dat aan de Allerhoogste Heer die bezig was met een dobbelspel: (Vedabase)

 

Tekst 6

'O Nârâyana onze eerbetuigingen voor U, o Houder van de Schelphoorn, de Werpschijf en de Knots, o Dâmodara, o Lotusogige, o Govinda, o Kind van de Yadu's!

'O Nârâyana, met alle achting voor U, o Houder van de Strijdknots, de Cakra en de Lotus, o Dâmodara, o Lotus-ogige, o Govinda, o Lieveling van de Yadu's! (Vedabase)

 

Tekst 7

Savitâ ['de stralende'], hij die met de intense straling van zijn lichtende schijf de mensen het zicht ontneemt, is gearriveerd om U te zien o Heer van het Universum.

Savitâ ['de stralende'], die met de intense straling van zijn lichtende schijf de mensen het zicht ontneemt, is aangekomen om U te zien, o Heer van het Universum. (Vedabase)

 

Tekst 8

Ervan op de hoogte dat U zich momenteel schuilhoudt onder de Yadu's zijn de leiders der halfgoden naarstig naar U op zoek in de drie werelden. En nu is de ongeborene [Sûrya] hier naartoe gekomen om U te zien o Meester.'

Het moet wel zo zijn dat van de meest verhevenen van de goden der wijsheid die Uw weg naspeuren, degene die ongeboren is [Sûrya], wetende dat U zich nu schuil houdt onder de Yadu's, is gekomen om U te zien.' (Vedabase)

 

Tekst 9

S'rî S'uka zei: 'Toen Hij met de Lotusogen deze onschuldige woorden hoorde zei Hij glimlachend: 'Hij hier is Ravideva niet, het is Satrâjit die zo straalt door zijn juweel.'

S'rî S'uka zei: 'Deze onschuldige woorden aanhorend zei Hij met de Lotusgelijke Ogen glimlachend: 'Deze hier is Ravideva niet, het is Satrâjit die zo straalt door zijn juweel.' (Vedabase)

 

Tekst 10

In zijn eigen luxueuze woning aangeland voerde Satrâjit feestelijk gunstige rituelen uit in de tempelkamer alwaar hij met de hulp van geleerden het juweel installeerde.

Hij [Satrâjit] in zijn eigen luxueuze woning aangeland voerde met festiviteiten gunstige rituelen op in de tempelkamer alwaar hij met behulp van de geschoolden het juweel installeerde. (Vedabase)

 

Tekst 11

Dag na dag leverde hem dat acht bhâra's [van ongeveer 9.7 kg] aan goud op o prabhu, en niets ongunstigs zoals voedselschaarste, een voortijdige dood, rampen, slangenbeten, geestelijke en lichamelijke aandoeningen en bedriegers, deed zich daar in de aanwezigheid van het op gepaste wijze aanbeden sieraad voor.

Dag na dag zou hem dat acht bhâra's [van ongeveer 9.7 kg] aan goud opleveren, o prabhu, en niets van het ongunstige van voedselschaarste, voortijdig doodgaan, rampen, slangenbeten, geestelijke en lichamelijke aandoeningen en bedriegers zou zich daar voordoen in de aanwezigheid van het naar behoren aanbeden sieraad. (Vedabase)

 

Tekst 12

Ooit eens vroeg S'auri [Krishna] uit naam van de koning van de Yadu's [Ugrasena] om het kleinnood, maar Satrâjit, begeerig uit op de weelde, zag er geen kwaad in het niet over te dragen.

Ooit eens vroeg S'auri [Krishna] ter wille van de koning van de Yadu's [Ugrasena] om het kleinnood, maar hij, begeertig uit op de weelde, zag er geen kwaad in het niet te overhandigen. (Vedabase)

 

Tekst 13

Prasena [Satrâjit's broer] hing op een goede dag het intens stralende juweel om zijn nek, besteeg een paard en ging uit jagen in het bos.

Op een dag besteeg toen Prasena [Satrâjit's broer], het intens stralende juweel om zijn nek hangend, een paard en ging hij uit jagen in het bos. (Vedabase)

  

Tekst 14

Een leeuw doodde toen Prasena en zijn paard en nam het juweel mee een grot in, maar werd op zijn beurt gedood door Jâmbavân ['hij van de Jambu-bomen' de koning der beren] die het pronkjuweel wilde hebben.

Prasena werd samen met zijn paard gedood en meegesleept door een leeuw die op zijn beurt een grot binnengaand werd gedood door Jâmbavân ['hij van de Jambu-bomen'] die het pronkjuweel wilde hebben. (Vedabase)

 

Tekst 15

In de grot gaf hij het juweel aan zijn jong als iets om mee te spelen. Ondertussen begon Satrâjit die zijn broer nergens zag, zich ernstig zorgen te maken.

Hij in de grot maakte toen van het sieraad een speeltje voor zijn kind terwijl ondertussen broeder Satrâjit, zijn broer niet meer ziend, zich ernstig zorgen begon te maken: (Vedabase)

 

Tekst 16

Hij zei: 'Mijn broer die in het bos verdween met het juweel om zijn nek is waarschijnlijk door Krishna gedood.' De mensen die erover vernamen fluisterden het elkaar toen in het oor.

'Mijn broer weg het bos in met het juweel om zijn nek is waarschijnlijk door Krishna ter dood gebracht', en wat hij aldus beweerde was wat de mensen elkaar in het oor hoorden fluisteren. (Vedabase)

  

Tekst 17

Toen de Opperheer daar achter kwam, volgde Hij, om Zich van alle blaam te zuiveren, samen met wat burgers de weg die Prasena had gekozen.

De Opperheer die het toen te weten kwam, volgde, om Zichzelf te zuiveren van de roddel ten koste van Zijn goede naam, samen met de burgers de weg die Prasena had afgelegd. (Vedabase)

   

Tekst 18

In het bos troffen ze hem en zijn paard aan gedood door een leeuw en ontdekten ze verder op een berghelling dat de leeuw op zijn beurt was gedood door Riksha [Jâmbavân].

Toen ze zagen dat hij en zijn paard in dat bos waren gedood door een leeuw, ontdekten ze op een berghelling dat de leeuw ook was gedood en wel door Riksha. (Vedabase)

 

Tekst 19

De Allerhoogste Heer stelde Zijn mannen buiten de angstaanjagende grot op van de koning der riksha's [de beren] en betrad toen in Zijn eentje het diepe duister waarin die plek gehuld was.

De mensen opstellend buiten de schrikwekkende grot van de koning der riksha's [de beren], ging de Allerhoogste Heer in Zijn eentje die plek gehuld in het diepste duister binnen. (Vedabase)

 

Tekst 20

Toen Hij zag dat het meest kostbare van alle juwelen werd gebruikt als speelgoed, besloot Hij het terug te halen en stapte Hij op het kind af.

Toen Hij zag dat dat meest kostbare van alle juwelen werd gebruikt als kinderspeelgoed, besloot Hij het weg te halen en begaf Hij Zich in die richting dicht bij het kind. (Vedabase)

 

Tekst 21

Toen het kindermeisje de vreemdeling zag, schreeuwde ze het uit van de angst zodat Jâmbavân, die sterkste aller sterken het hoorde en in woede ontstoken eropaf rende.

Toen de kinderjuf de vreemdeling zag schreeuwde ze het uit van de angst zodat Jâmbavân, die allerbeste der sterken, het horend er in woede ontstoken op afrende. (Vedabase)

  

Tekst 22

Zich er niet van bewust wie hij voor zich had hield hij Hem voor een wereldse persoon en vocht hij kwaad tegen Hem, de Allerhoogste Heer, zijn eigen Meester [vergelijk 5.6: 10-11 en B.G. 16: 18].

Hij inderdaad, Hem voor een wereldse persoon houdend, bestreed, zich niet bewust van Zijn positie, Hem, de Allerhoogste Heer, zijn eigen Meester [vergelijk 5.6: 10-11 en B.G. 16: 18]. (Vedabase)

  

Tekst 23

Er volgde een zeer verbeten gevecht tussen hen twee, waarbij ieder het probeerde te winnen met behulp van stenen, bomen, hun armen en met wapens als waren ze twee haviken die vechten om wat vlees.

Een zeer verbeten gevecht volgde tussen hen twee waarbij ieder het probeerde te winnen met behulp van stenen, bomen, hun armen en met wapens als waren ze twee haviken vechtend om wat aas. (Vedabase)

  

Tekst 24

Ze gingen zonder ophouden dag en nacht achtentwintig dagen lang door met vechten, waarbij ze met vuisten tegen vuisten slagen uitdeelden zo fel als de bliksem.

Dag en nacht zonder ophouden zette het gevecht zich voort voor de duur van achtentwintig dagen met slagen fel als de bliksem van vuisten tegen vuisten. (Vedabase)

 

Tekst 25

Jâmbavân met de spieren van zijn enorme lijf bewerkt door de vuisten van Krishna, zweette het uit en richtte zich toen uitgeput, hoogst verbaasd tot Hem:

Met de spieren van zijn enorme lijf bewerkt door de vuisten van Krishna, zweette hij, met zijn krachten afgenomen, het uit en richtte hij zich hogelijkst verbaasd tot Hem: (Vedabase)

 

 Tekst 26

'Ik ken U, U bent de levensadem, de fysieke kracht en de geesteskracht van alle levende wezens, Heer Vishnu, de Oerpersoon, de Almachtige, Allerhoogste Meester.

'Ik ken U, U bent de levensadem, de fysieke en geesteskracht van alle levende wezens, Heer Vishnu, de Oerpersoon, de Almachtige, Allerhoogste Beheerser. (Vedabase)

 

Tekst 27

U bent de Eeuwige Schepper van Alle Scheppers en Geschapenen van het Universum, de Onderwerper der onderwerpers, de Heer, de Opperziel van al de Zielen [vergelijk 3.25: 41-42].

U voorwaar bent de Schepper die van Alle Scheppers en de Geschapenen van het Universum de Essentie bent, die van de onderwerpers de Onderwerper bent, de Heer, de Ziel Hoog Verheven boven al de Zielen [vergelijk 3.25: 41-42]. (Vedabase)

 

Tekst 28

U bent degene door wiens dwingende blikken, blijk gevend van enige toorn, de krokodillen en walviseters [timingila's] in beroering raakten en de oceaan werd opgedragen vrij baan te maken. U bent degene voor wiens glorie een brug werd gebouwd, Lankâ in vuur en vlam werd gezet en door wiens pijlen de hoofden van de Râkshasa [Râvana] werden afgesneden en op de grond rolden [zie 9: 10].'

U bent degene door Wiens geringe blijk van toorn met Uw blikken de oceaan en de krokodillen en walvisverslindende walvissen [timingila's] in beroering ruim baan maakten voor het bouwen van een brug; U bent degene beroemd vanwege het in vuur en vlam zetten van Lankâ; door U rolden de hoofden op de grond die U van de râkshasa er met Uw pijlen had afgeschoten [zie 9: 10].' (Vedabase)

 

Tekst 29-30

O Koning, Acyuta, de Lotusogige Opperheer, de zoon van Devakî, richtte Zich toen, vanuit Zijn grote mededogen voor Zijn toegewijden, tot de koning der beren die de waarheid begrepen had. Hij beroerde hem met de hand die alle zegen verleent en zei met een stem zo diep als de [rommelende] wolken:

O Koning, Acyuta, de lotus-ogige Opperheer, de zoon van Devakî, sprak toen in een groot mededogen voor Zijn toegewijde met een stem zo diep als de [rommelende] wolken tot de koning der beren die aldus de waarheid had doorgrond, hem beroerend met de hand die alle zegen verleent: (Vedabase)

 

 Tekst 31

'O heer der beren, We kwamen hier naar de grot vanwege het juweel. We willen de valse aantijging weerleggen die men met dit juweel tegen Ons aanvoert.'

'O heer der beren, we kwamen hier naar de grot vanwege het juweel, met de bedoeling de valse aantijging te ontzenuwen die met dit juweel tegen mij staande werd gehouden.' (Vedabase)

 

 Tekst 32

Nadat hij [Jâmbavân] aldus was toegesproken bood hij Krishna gelukkig, als een respectvolle offergave, zijn maagdelijke dochter Jâmbavatî aan samen met het juweel.

Aldus aangesproken presenteerde hij samen met het juweel als een gave van respect zijn maagdelijke dochter genaamd Jâmbavatî aan Krishna. (Vedabase)

 

Tekst 33

Toen ze S'auri die de grot was ingegaan niet naar buiten zagen komen, keerden Zijn mensen na twaalf dagen te hebben gewacht doodongelukkig terug naar hun stad.

Toen ze S'auri die de grot was binnengegaan niet naar buiten zagen komen, gingen de mensen na twaalf dagen te hebben gewacht doodongelukkig terug naar hun stad. (Vedabase)

 

Tekst 34

Devakî, Rukminî devî, Vasudeva en al Zijn vrienden en verwanten treurden nadat ze hoorden dat Krishna niet uit de grot tevoorschijn was gekomen.

Devakî, Rukminî devî, Vasudeva en al Zijn vrienden en verwanten weeklaagden over Krishna die niet uit de grot tevoorschijn was gekomen. (Vedabase)


Tekst 35

De bewoners van Dvârakâ vervloekten vol van verdriet Satrâjit en aanbaden toen Candrabhâgâ ['het geluk van de maan'], Durgâ, om Krishna te laten terugkeren.

Zij, de bewoners van Dvârakâ vol verdriet Satrâjit vervloekend, aanbaden toen Durgâ, het geluk van de maan [de beeltenis genaamd Candrabhâgâ] teneinde Krishna terug te halen. (Vedabase)

   

Tekst 36

Na de godin aanbeden te hebben verleende zij daarop de verlangde zegening. Tot hun grote vreugde verscheen de Heer die Zijn doel verwezenlijkt had toen terstond ten tonele samen met Zijn [nieuwe] echtgenote.

Na de aanbidding van de godin verleende zij in reactie op hen de zegening waarna, vreugde brengend, de Heer die Zijn doel verwezenlijkt had met Zijn [nieuwe] echtgenote ten tonele verscheen. (Vedabase)

 

Tekst 37

Er zeer over opgewonden om te ontdekken dat Hrishîkes'a met een vrouw en het juweel om Zijn nek was gearriveerd, stonden ze allen te juichen alsof er iemand uit de dood was opgestaan.

Zeer opgewonden te ontdekken dat Hrishikes'a met een vrouw en het juweel om Zijn nek was aangekomen, stonden ze allen te juichen alsof iemand uit de dood was opgestaan. (Vedabase)

 

Tekst 38

Satrâjit, door de Allerhoogste Heer ontboden in een bijeenkomst van de edelen, werd in de aanwezigheid van de koning op de hoogte gesteld van het terughalen van het juweel, dat toen aan hem werd gepresenteerd.

Satrâjit, ontboden door de Allerhoogste Heer in de vergadering der adel, werd in de aanwezigheid van de koning op de hoogte gesteld van het terughalen van het juweel, welk toen aan hem werd gepresenteerd. (Vedabase)

 

Tekst 39

Uiterst beschaamd nam hij, met zijn gezicht naar beneden, het juweel in ontvangst en ging toen huiswaarts, vol van wroeging over zijn zondige gedrag.

En hij nam uiterst beschaamd, met zijn gezicht naar beneden, het juweel in ontvangst en ging van daar naar huis vol van wroeging over zijn zondige gedrag.(Vedabase)

 

Tekst 40-42

Zich bezinnend op zijn overtreding [het voor zichzelf te hebben gehouden en Krishna te hebben beschuldigd] dacht hij, beducht voor een conflict met hen die aan de macht waren: 'Hoe kan ik mezelf nu zuiveren van de smet en hoe kan ik Acyuta tevreden stellen? Wat voor goeds moet ik doen dat de mensen me niet zullen vervloeken als zijnde enggeestig, armzalig, verdwaasd en belust op de weelde? Ik zal Krishna het [Syamantaka-]juweel schenken alsmede mijn dochter, dat juweel onder de vrouwen. Dat is de manier waarop ik het weer goed zal maken met Hem en niet anders!'

Zich bezinnend op die overduidelijke overtreding dacht hij, beducht op een conflict met degenen die aan de macht waren: 'Hoe kan ik mezelf nu zuiveren van de smet en hoe kan ik Acyuta tevreden stellen? Wat voor goeds moet ik doen dat de mensen me niet zullen vervloeken als zijnde enggeestig, armzalig, verdwaasd en belust op de weelde? Ik zal Hem het [Syamantaka-]juweel geven als ook mijn dochter, een juweel onder de vrouwen; dat is de manier waarop ik het zal goed maken met Hem en niets anders!' (Vedabase)

 

Tekst 43

Aldus intelligent tot een besluit gekomen zette Satrâjit zich ertoe en bood hij zijn mooie dochter en het juweel aan Krishna aan.

Aldus intelligent ertoe besloten zette Satrâjit zich er toe en bood hij zijn schone dochter en het juweel aan Krishna aan. (Vedabase)

 

Tekst 44

Satyabhâmâ, die gewild was bij vele mannen vanwege haar kwaliteiten van een fijn karakter, haar schoonheid en de edelmoedigheid waarmee ze gezegend was, trouwde met de Heer overeenkomstig de gebruiken.

Zij, Satyabhâmâ, gewild bij vele mannen vanwege haar zegening aan kwaliteiten van een fijn karakter, schoonheid en edelmoedigheid, trouwde met de Heer overeenkomstig de gebruiken. (Vedabase)

 

Tekst 45

De Allerhoogste Heer zei: 'We willen het juweel niet terughebben o Koning. U bent een toegewijde van de godheid [Sûrya], hou het in uw bezit zodat ook Wij de genieters van de vruchten kunnen zijn.'

De Allerhoogste Heer zei: 'We verlangen het juweel niet terug, o Koning, houdt u het in uw bezit die van toewijding bent voor de godheid [Sûrya], zodat Wij ook de genieters van de vruchten ervan mogen zijn. (Vedabase)

 

 

 

 

 

   Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
De afbeelding is getiteld: 'Story of the Syamantaka gem', unknown.
India 1780 - 1800, ter beschikking gesteld door
Berkeley Art Museum/Pacific Film Archive.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties