regelbalk


 

 

Canto 10

Bhoga-ârati

 

 

Hoofdstuk 58: Krishna Huwt eveneens Kâlindî, Mitravindâ, Satyâ, Lakshmanâ en Bhadrâ [*]

(1) S'rî S'uka zei: 'Op een dag ging, om de zoons van Pându te zien, de Allerhoogste Persoonlijkheid Zichtbaar voor het Oog, de Eigenaar van alle Weelde, naar Indraprastha vergezeld door Yuyudhâna [Sâtyaki, Zijn wagenmenner] en anderen. (2) Hem, Mukunda, de Beheerser van Allen daar aangekomen ziend, stonden de helden allen terstond op, alsof de meester hunner zinnen, hun levensadem, was teruggekeerd. (3) De helden die Acyuta omhelsden raakten door het contact met Zijn lichaam bevrijd van al hun zonden en ervoeren de vreugde van het aanschouwen van Zijn toegenegen glimlachende gelaat. (4) Na aan de voeten van Yudhishthhira en Bhîma Zijn eerbetuigingen te hebben gebracht [daar ze ouder waren] en na Phâlguna [ofwel Arjuna, die maar acht dagen ouder was] stevig te hebben omhelsd, begroette Hij respectvol de tweelingbroers [Nakula en Sahadeva, die jonger waren]. (5) Gezeten op een hoger geplaatste zetel werd Krishna stapje voor stapje, een beetje verlegen, benaderd door de pas [met de Pândava's] getrouwde, onberispelijke Draupadî om haar eerbetuigingen te brengen. (6) Op dezelfde manier werd Sâtyaki verwelkomd, geëerd en een plaats toegewezen door de zoons van Prithâ en werden ook de anderen geëerd en er omheen een plaats toegewezen. (7) Op Kuntî afstappend om Zijn eerbetuigingen te brengen werd Hij door haar, met haar ogen nat van haar buitengemene liefde, omhelsd [zie ook 1.8: 18-43]; informerend naar het welzijn van haar en haar schoondochter [Draupadî], deed zij op haar beurt als de zus van Zijn vader [Vasudeva] tot in detail navraag over Zijn verwanten. (8) Met tranen in haar ogen en met haar keel dichtgesnoerd door de emotie in haar liefde voor Hem die Zichzelf vertoont om het leed te verdrijven, zei ze, zich de vele beproevingen en tegenslagen herinnerend: (9) 'Slechts toen ging het weer beter met ons toen Jij, als een beschermer die Zich ons, Je verwanten, herinnerde o Krishna, mijn broer [Akrûra] naar ons toestuurde [zie 10.49]. (10) Voor Jou, de Weldoener en Ziel van het Universum, bestaat er nooit het wanbegrip van 'het onze' en 'het hunne'; niettemin maak Je, Je bevindend in het hart, een eind aan het lijden van hen die zich [Jou] voortdurend herinneren [zie ook B.G. 9: 29].'

(11) Yudhishthhira zei: 'Ik weet niet welke goede daden wij, zo twijfelachtig bij verstand, allen hebben verricht om Jou te [mogen] zien, o Opperste Beheerser die de beheersers van de Yoga maar zelden [te] zien [krijgen].'

(12) Alzo door de koning ertoe uitgenodigd logeerde Hij, de Almachtige, gelukkigerwijze gedurende de maanden van het regenseizoen [zie ook 10.20] aldaar, en verschafte daarmee de ogen van de bewoners van Indraprastha het hoogste geluk. (13-14) Op een dag [**] in kuras zijn wagen beklimmend met de apenvlag [van Hanumân], zijn [boog] Gândîva in de hand en twee onuitputtelijke kokers met pijlen, ging Arjuna, de overwinnaar van de helden van de vijand, voor de sport met Krishna samen een groot woud binnen dat vol was van prooidieren [zie tevens B.G. hoofdstuk 1]. (15) Aldaar schoot hij met zijn pijlen tijgers, beren, wilde buffels, ruru's [een soort antilopen], s'arabha's [een soort herten], gavaya's [een soort runderen], neushoorns, zwarte herten, konijnen en stekelvarkens [zie ook 4.28: 26 en 5.26: 13]. (16) Met de dienaren van de koning ze meenemend om te worden geofferd voor een speciale gelegenheid [anders zou de jacht verboden zijn geweest, zie 9.6: 7-8] ging overmand door de dorst hij, Bibhatsa ['de schrikaanjager', Arjuna], vermoeid naar de Yamunâ. (17) Toen de twee grote strijdwagenvechters er een bad namen en van het heldere water dronken, zagen de twee Krishna's [zie B.G. 10: 37] een maagd lopen die er bekoorlijk uitzag. (18) Eropaf gestuurd door zijn Vriend, benaderde Phâlguna de verfijnde dame die fraaie heupen en tanden had en een aantrekkelijk gezicht, en vroeg hij: (19) 'Wie ben jij, bij wie hoor je, o meisje met je slanke taille, waar kom je vandaan en wat ben je van plan; Ik denk dat je op zoek bent naar een echtgenoot, vertel me er alles over, o schoonheid!'

(20) S'rî Kâlindî zei: 'Ik ben de dochter van de halfgod Savitâ [de zonnegod], bezig met zware boetedoeningen in mijn verlangen naar Vishnu, de allerbeste van alle gunstverleners, als mijn echtgenoot [zie ook Gâyatrî]. (21) Ik wens geen andere echtgenoot dan Hij, o held, moge de Verblijfplaats van S'rî [de godin], Hij, de Allerhoogste Heer Mukunda, de toevlucht der hulpelozen, tevreden over mij zijn. (22) Totdat ik Acyuta tegenkom, leef ik in een huis dat door mijn vader in de wateren van de Yamunâ werd gebouwd en draag ik aldus de naam Kâlindî [zie ook bhajan vers 2 en 10.15: 47-52].' (23) Aldus legde Gudâkes'a dit aan Vâsudeva voor die, Zich volledig van alles bewust, haar omhoog tilde in Zijn wagen en wegreed naar koning Dharma [Yudhishthhira].

(24) Voor de zoons van Prithâ liet Krishna [in het verleden], zo gauw Hij daartoe verzocht werd, door Vis'vakarmâ een hoogst opmerkelijke, kleurrijke stad [Indraprastha] bouwen. (25) De Allerhoogste Heer die daar verbleef voor het genoegen van Zijn toegewijden verlangde het om Agni het Khândavabos ['suikergoedbos' te Kurukshetra] te schenken [door het in brand te steken] en voor dat doel werd Hij Arjuna's wagenmenner. (26) Daarover verheugd gaf Agni aan Arjuna een boog en een strijdwagen met witte paarden, o Koning, twee onuitputtelijke kokers met pijlen en een wapenrusting die met geen enkele vorm van gewapende weerstand te doorboren was. (27) Maya [de demon] gered uit het vuur bood [in dankbaarheid] een vergaderzaal aan zijn vriend [Arjuna] aan waarin Duryodhana het water daarin aanzag voor een stevige vloer [en erin viel, zie 10.75]. (28) Hij [Krishna] door hem [Arjuna] en Zijn weldoeners toegestaan te vertrekken ging terug naar Dvârakâ begeleid door Sâtyaki en de rest van Zijn kader [zie ook 1: 10]. (29) Maar nu trouwde Hij, allergunstigst, met Kâlindî op een dag dat de seizoenen, de sterren en de andere hemellichten het gunstigst erbij stonden voor het verspreiden van het grootste geluk onder Zijn mensen.

(30) Vindya en Anuvindya, twee koningen uit Avantî [Ujjain] die Duryodhana ondersteunden, hielden hun zuster [Mitravindâ] die zich aangetrokken voelde tot Krishna, tegen in haar svayamvara [kiezen van een echtgenoot]. (31) Mitravindâ, de dochter van Râjâdhidevî, de zuster van Zijn vader [9.24: 28-31], werd met geweld, voor ogen van de koningen, meegevoerd door Krishna, o Koning [vergelijk 10.53].

(32) Van de hoogst godvruchtige heerser van Kaus'alya [Ayodhyâ, zie 9.10: 32] genaamd Nagnajit was er een goddelijke dochter Satyâ, ook wel Nâgnajitî genaamd, o Koning. (33) Geen van de koningen was in staat met haar te trouwen zonder zeven onbeheersbare stieren te verslaan die met de scherpste horens kwaad als ze waren de geur van krijgers konden verdragen. (34) Erover vernemend dat zij beschikbaar was voor degene die de stieren wist te bedwingen, ging de Opperheer, de Meester der Sâtvata's, naar de hoofdstad van Kaus'alya met een grote legermacht om Zich heen. (35) De heer van Kos'ala overeind gekomen, en vol aanbidding hem een plaats toewijzend met niet onaanzienlijke offergaven en zo meer, werd op zijn beurt ook begroet. (36) De dochter van de koning die zag dat de huwelijkskandidaat waar ze naar verlangde was aangekomen bad: 'Moge, ervan uitgaande dat ik me aan mijn geloften houdt, het [offer-]vuur mijn wens in vervulling doen gaan; laat Hij, de Echtgenoot van Ramâ mijn echtgenoot worden! (37) Hij van wiens lotusgelijke voeten degene die op de lotus zit [Brahmâ] en de meester op de berg [S'iva] tezamen met de verschillende heersers over de wereld het stof op hun hoofden houden, Hij die voor Zijn spel en vermaak met het verlangen de spelregels van de religie te verdedigen die Hij Zelf heeft ingesteld iedere keer dat Hij [er weer is en] een lichaam aanneemt, waarmee kan Hij, de Allerhoogste Heer, door mij tevreden worden gesteld?'

(38) Hij [Nagnajit] zei tot de Aanbedene verder nog het volgende: 'O Nârâyana, o Heer van het Universum, wat kan ik die zo onbeduidend ben doen voor U zo Vol van het Geluk van de Ziel?'

(39) S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Allerhoogste Heer tevreden plaats te kunnen nemen sprak glimlachend tot hem met een stem zo diep als een [rommelende] wolk. (40) De Opperheer zei: 'O heerser der mensen, smeken is voor een lid van de heersende klasse die zijn eigen dharma naleeft door de geschoolden veroordeeld; niettemin vraag Ik u om uw vriendschap met het oog op uw dochter voor wie Wij, echter, niets als tegenprestatie bieden.'

(41) De Koning zei: 'Wie anders dan U, o Hoog Verheven Heer, zou in deze wereld een voor mijn dochter begerenswaardige bruidegom zijn; U, op wiens lichaam de Godin verblijft en van Wie ze nimmer wijkt, bent de Enige die de kwaliteiten herbergt! (42) Maar, er is door ons voorheen een voorwaarde gesteld, o beste van de Sâtvata's, met de bedoeling het kunnen op de proef te stellen van de huwelijkskandidaten voor mijn naar een echtgenoot verlangende dochter. (43) Deze zeven wilde stieren, o held, zijn ontembaar; een groot aantal prinsen heeft het tegen hen afgelegd en zijn ledematen gebroken. (44) Als ze door U worden onderworpen o nazaat van Yadu, hebt U mijn goedkeuring als de bruidegom voor mijn dochter, o Echtgenoot van S'rî.' (45) Aldus vernemend over de gestelde voorwaarde, trok de Meester Zijn kleren strak aan en onderwierp Hij, Zichzelf in zevenen opdelend, ze als was het kinderspel. (46) Ze met touwen bindend sleepte S'auri ze in hun trots en kracht gebroken achter Zich aan als was Hij een jongetje met een houten speelgoedje. (47) De koning stond versteld en gaf tevreden Krishna toen zijn geschikte dochter die door de Allerhoogste Heer, de Meester, werd aanvaard overeenkomstig de vedische voorschriften. (48) De koninginnen, toen ze Krishna als de beminde echtgenoot voor de prinses verwierven, ondergingen de hoogste extase waarop een grote feestvreugde zich van hen meester maakte. (49) Schelphoorns, hoorns, en trommels weerklonken samen met liederen en instrumentale muziek; de tweemaal geborenen formuleerden heilswensen en verheugde mannen en vrouwen in hun beste kleren sierden zichzelf met bloemenslingers. (50-51) Als huwelijksgift gaf de machtige koning tienduizend koeien, drieduizend uitstekend geklede dienstmaagden met gouden sieraden om hun nekken, negenduizend olifanten, honderd keer zoveel wagens met honderd keer zoveel paarden als wagens en daarbij nog eens honderd keer meer mannen dan er paarden waren. (52) Hij, de koning van Kos'ala die in zijn hart door de liefde was overwonnen, liet het paar in een wagen klimmen en zond ze toen heen met een groot leger er omheen. (53) Toen ze hiervan vernamen konden de [rivaliserende] koningen dat niet verkroppen en blokkeerden zij, die in hun kracht op dezelfde manier gebroken waren door de Yadu's als voorheen de stieren, de weg waarlangs Hij Zijn bruid meevoerde. (54) Hem belagend met een regen van pijlen, werden ze door Arjuna, Hij die Zich met zijn Gândîva als een leeuw ervoor inspande om zijn Vriend te behagen, teruggedreven als waren ze ongedierte. (55) De zoon van Devakî, de Allerhoogste Heer en leider van de Yadu's, nam de bruidsschat met Zich mee en arriveerde toen in Dvârakâ waar Hij een gelukkig leven had met Satyâ.

(56) Bhadrâ een prinses van Kaikeya en dochter van S'rutakîrti, de zuster van Zijn vader, werd door haar broers met Santardana voorop [zie 9.24: 38] uitgehuwelijkt aan Krishna.

(57) Ook trouwde de Heer met Lakshmanâ, de dochter van de koning van Madra die een toonbeeld van alle goede eigenschappen was; ze werd door Krishna op haar svayamvara ceremonie door Hem eigenhandig weggekaapt, precies zoals Garuda ooit eens de nectar van de halfgoden wegstal [zie ook 10.83: 17-39].  

(58) Nadat Hij Bhaumâsura [***] gedood had werden duizenden evenzo prachtige vrouwen die door hem gevangen waren gezet, Krishna's echtgenotes.'

 

next                      

 
 

 

Tweede editie, geladen 26 september 2008  

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Op een dag ging, om de zoons van Pându te zien, de Allerhoogste Persoonlijkheid Zichtbaar voor het Oog, de Eigenaar van alle Weelde, naar Indraprastha vergezeld door Yuyudhâna [Sâtyaki, Zijn wagenmenner] en anderen.

S'rî S'uka zei: 'Op een dag ging, om de zoons van Pându te zien, de Allerhoogste Persoonlijkheid Zichtbaar voor het Oog, de Eigenaar van alle Weelde, naar Indraprastha vergezeld door Yuyudhâna [Sâtyaki, Zijn wagenmenner] en anderen. (Vedabase)

 

Tekst 2

Hem, Mukunda, de Beheerser van Allen daar aangekomen ziend, stonden de helden allen terstond op, alsof de meester hunner zinnen, hun levensadem, was teruggekeerd.

Hem, Mukunda, de Beheerser van Allen daar aangekomen ziend, stonden de helden allen terstond op, alsof de meester hunner zinnen, hun levensadem, was teruggekeerd. (Vedabase)

 

Tekst 3

De helden die Acyuta omhelsden raakten door het contact met Zijn lichaam bevrijd van al hun zonden en ervoeren de vreugde van het aanschouwen van Zijn toegenegen glimlachende gelaat.

De helden die Acyuta omhelsden raakten door het kontakt met Zijn lichaam bevrijd van al hun zonden en ervoeren de vreugde van het aanschouwen van Zijn toegenegen glimlachende gelaat.(Vedabase)

 

Tekst 4

Na aan de voeten van Yudhishthhira en Bhîma Zijn eerbetuigingen te hebben gebracht [daar ze ouder waren] en na Phâlguna [ofwel Arjuna, die maar acht dagen ouder was] stevig te hebben omhelsd, begroette Hij respectvol de tweelingbroers [Nakula en Sahadeva, die jonger waren].

Na aan de voeten van Yudhishthhira en Bhîma Zijn eerbetuigingen te hebben gebracht [daar ze ouder waren] en na Phâlguna [ofwel Arjuna, die maar acht dagen ouder was] stevig te hebben omhelsd, begroette Hij respectvol de tweelingbroers [Nakula en Sahadeva, die jonger waren]. (Vedabase)

 

Tekst 5

Gezeten op een hoger geplaatste zetel werd Krishna stapje voor stapje, een beetje verlegen, benaderd door de pas [met de Pândava's] getrouwde, onberispelijke Draupadî om haar eerbetuigingen te brengen.

Gezeten op een hoger geplaatste zetel werd Krishna, een beetje verlegen stapje voor stapje benaderd door de pas getrouwde, zondenloze van Krishna [Draupadî] om haar eerbetuigingen te brengen. (Vedabase)

 

Tekst 6

Op dezelfde manier werd Sâtyaki verwelkomd, geëerd en een plaats toegewezen door de zoons van Prithâ en werden ook de anderen geëerd en er omheen een plaats toegewezen.

Op dezelfde manier werd Sâtyaki verwelkomd, geëerd en een plaats toegewezen door de zoons van Prithâ en werden ook de anderen geëerd en er omheen een plaats toegewezen. (Vedabase)

 

Tekst 7

Op Kuntî afstappend om Zijn eerbetuigingen te brengen werd Hij door haar, met haar ogen nat van haar buitengemene liefde, omhelsd [zie ook 1.8: 18-43]; informerend naar het welzijn van haar en haar schoondochter [Draupadî], deed zij op haar beurt als de zus van Zijn vader [Vasudeva] tot in detail navraag over Zijn verwanten.

Naar Kuntî toe om Zijn eerbetuigingen te brengen werd Hij door haar, met haar ogen nat van haar extreme liefde, omhelsd [zie ook 1.8: 18-43]; informerend naar het welzijn van haar en haar schoondochter [Draupadî], deed ze als de zus van Zijn vader [Vasudeva] tot in detail navraag over Zijn verwanten. (Vedabase)

 

Tekst 8

Met tranen in haar ogen en met haar keel dichtgesnoerd door de emotie in haar liefde voor Hem die Zichzelf vertoont om het leed te verdrijven, zei ze, zich de vele beproevingen en tegenslagen herinnerend:

Met tranen in haar ogen en met een keel dicht van de emotie in haar liefde voor Hem die Zichzelf vertoont om het leed te verdrijven, zei ze, zich de vele beproevingen en tegenslagen herinnerend: (Vedabase)

 

Tekst 9

'Slechts toen ging het weer beter met ons toen Jij, als een beschermer die Zich ons, Je verwanten, herinnerde o Krishna, mijn broer [Akrûra] naar ons toestuurde [zie 10.49].

'Slechts toen ging het weer beter met ons toen door Jou, als een beschermer die Zich ons, Je verwanten, herinnerde o Krishna, mijn broer [Akrûra] werd gestuurd [zie 10.49]. (Vedabase)

 

Tekst 10

Voor Jou, de Weldoener en Ziel van het Universum, bestaat er nooit het wanbegrip van 'het onze' en 'het hunne'; niettemin maak Je, Je bevindend in het hart, een eind aan het lijden van hen die zich [Jou] voortdurend herinneren [zie ook B.G. 9: 29].'

Voor Jou, de Weldoener en Ziel van het Universum, bestaat er nooit het wanbegrip van 'het onze' en 'het hunne'; niettemin maak Je, Je bevindend in het hart, een eind aan het lijden van hen die zich [Jou] voortdurend herinneren [zie ook B.G. 9: 29].' (Vedabase)

 

Tekst 11

Yudhishthhira zei: 'Ik weet niet welke goede daden wij, zo twijfelachtig bij verstand, allen hebben verricht om Jou te [mogen] zien, o Opperste Beheerser die de beheersers van de Yoga maar zelden [te] zien [krijgen].'

Yudhishthhira zei: 'Ik weet niet welke goede daden wij, zo twijfelachtig bij verstand, allen hebben verricht om Jou te [mogen] zien, o Opperste Beheerser die de beheersers van de Yoga maar zelden [te] zien [krijgen].' (Vedabase)

 

Tekst 12

Alzo door de koning ertoe uitgenodigd logeerde Hij, de Almachtige, gelukkigerwijze gedurende de maanden van het regenseizoen [zie ook 10.20] aldaar, en verschafte daarmee de ogen van de bewoners van Indraprastha het hoogste geluk.

Alzo door de koning er toe uitgenodigd logeerde Hij, de Almachtige, gelukkigerwijze gedurende de maanden van het regenseizoen [zie ook: 10.20] aldaar, de ogen van de bewoners van Indraprastha het hoogste geluk verschaffend. (Vedabase)

   

Tekst 13-14

Op een dag [**] in kuras zijn wagen beklimmend met de apenvlag [van Hanumân], zijn [boog] Gândîva in de hand en twee onuitputtelijke kokers met pijlen, ging Arjuna, de overwinnaar van de helden van de vijand, voor de sport met Krishna samen een groot woud binnen dat vol was van prooidieren [zie tevens B.G. hoofdstuk 1].

Op een dag [**] in kuras zijn wagen beklimmend met de apenvlag [van Hanumân] en zijn [boog] Gândîva in de hand en twee onuitputtelijke kokers met pijlen, ging Arjuna, de overwinnaar van de helden der vijand, terwille van de sport met Krishna samen een groot woud binnen dat vol was van prooidieren [zie tevens B.G. hoofdstuk 1]. (Vedabase)

 

Tekst 15

Aldaar schoot hij met zijn pijlen tijgers, beren, wilde buffels, ruru's [een soort antilopen], s'arabha's [een soort herten], gavaya's [een soort runderen], neushoorns, zwarte herten, konijnen en stekelvarkens [zie ook 4.28: 26 en 5.26: 13].

Aldaar schoot hij met zijn pijlen tijgers, beren, wilde buffels, ruru's [een soort antilopen], s'arabha's [een soort herten], gavaya's [een soort runderen], neushoorns, zwarte herten, konijnen en stekelvarkens [zie ook 4.28: 26 en 5.26: 13]. (Vedabase)

 

Tekst 16

Met de dienaren van de koning ze meenemend om te worden geofferd voor een speciale gelegenheid [anders zou de jacht verboden zijn geweest, zie 9.6: 7-8] ging overmand door de dorst hij, Bibhatsa ['de schrikaanjager', Arjuna], vermoeid naar de Yamunâ.

Met de dienaren van de koning ze meenemend om te worden geofferd voor een speciale gelegenheid [anders zou de jacht verboden zijn geweest, zie 9.6: 7-8] ging overmand door de dorst hij, Bibhatsa ['de schrikaanjager', Arjuna], vermoeid naar de Yamunâ. (Vedabase)

 

Tekst 17

Toen de twee grote strijdwagenvechters er een bad namen en van het heldere water dronken, zagen de twee Krishna's [zie B.G. 10: 37] een maagd lopen die er bekoorlijk uitzag.

Toen de twee grote strijdwagenvechters er een bad namen en van het heldere water dronken, zagen de twee Krishna's [zie B.G. 10: 37] een maagd lopen bekoorlijk om te zien. (Vedabase)

    

Tekst 18

Eropaf gestuurd door zijn Vriend, benaderde Phâlguna de verfijnde dame die fraaie heupen en tanden had en een aantrekkelijk gezicht, en vroeg hij:

Er op af gestuurd door zijn Vriend, benaderde Phâlguna de verfijnde dame die fraaie heupen en tanden had en een aantrekkelijk gezicht, en vroeg hij: (19) 'Wie ben jij, bij wie hoor je, o meisje met je slanke taille, waar kom je vandaan en wat ben je van plan; Ik denk dat je op zoek bent naar een echtgenoot, vertel me er alles over, o schoonheid!'. (Vedabase)

 

Tekst 19

'Wie ben jij, bij wie hoor je, o meisje met je slanke taille, waar kom je vandaan en wat ben je van plan; Ik denk dat je op zoek bent naar een echtgenoot, vertel me er alles over, o schoonheid!'

'Wie ben jij, bij wie hoor je, o meisje met je slanke taille, waar kom je vandaan en wat ben je van plan; Ik denk dat je op zoek bent naar een echtgenoot, vertel me er alles over, o schoonheid!'. (Vedabase)

 

Tekst 20

S'rî Kâlindî zei: 'Ik ben de dochter van de halfgod Savitâ [de zonnegod], bezig met zware boetedoeningen in mijn verlangen naar Vishnu, de allerbeste van alle gunstverleners, als mijn echtgenoot [zie ook Gâyatrî].

S'rî Kâlindî zei: 'Ik ben de dochter van de halfgod Savitâ [de zonnegod], bezig met zware boetedoeningen verlangend naar Vishnu, de allerbeste van alle gunstverleners, als mijn echtgenoot [zie ook gâyatrî]. (Vedabase)

 

Tekst 21

Ik wens geen andere echtgenoot dan Hij, o held, moge de Verblijfplaats van S'rî [de godin], Hij, de Allerhoogste Heer Mukunda, de toevlucht der hulpelozen, tevreden over mij zijn.

Ik wens geen andere echtgenoot dan Hij, o held, moge de Verblijfplaats van S'rî [de godin], Hij, de Allerhoogste Heer Mukunda, de toevlucht der hulpelozen, tevreden over mij zijn. (Vedabase)

  

Tekst 22

Totdat ik Acyuta tegenkom, leef ik in een huis dat door mijn vader in de wateren van de Yamunâ werd gebouwd en draag ik aldus de naam Kâlindî [zie ook bhajan vers 2 en 10.15: 47-52].'

Totdat ik Acyuta tegenkom, leef ik in een huis dat door mijn vader in de wateren van de Yamunâ werd gebouwd en draag ik aldus de naam Kâlindî [zie ook bhajan vers 2 en 10.15: 47-52].' (Vedabase)

  

Tekst 23

Aldus legde Gudâkes'a dit aan Vâsudeva voor die, Zich volledig van alles bewust, haar omhoog tilde in Zijn wagen en wegreed naar koning Dharma [Yudhishthhira].

Aldus legde Gudâkes'a dit aan Vâsudeva voor die, Zich volledig van alles bewust, haar omhoog tilde in Zijn wagen en wegreed naar koning Dharma [Yudhishthhira]. (Vedabase)

  

Tekst 24

Voor de zoons van Prithâ liet Krishna [in het verleden], zo gauw Hij daartoe verzocht werd, door Vis'vakarmâ een hoogst opmerkelijke, kleurrijke stad bouwen [Indraprastha].

Voor de zoons van Prithâ liet Krishna [in het verleden], zo gauw Hij daartoe verzocht werd, door Vis'vakarmâ een hoogst opmerkelijke, kleurrijke stad bouwen [Indraprastha]. (Vedabase)

 

Tekst 25

De Allerhoogste Heer die daar verbleef voor het genoegen van Zijn toegewijden verlangde het om Agni het Khândavabos ['suikergoedbos' te Kurukshetra] te schenken [door het in brand te steken] en voor dat doel werd Hij Arjuna's wagenmenner.

De Allerhoogste Heer die daar verbleef voor het genoegen van Zijn toegewijden verlangde het om Agni het Khândavabos ['suikergoedbos' te Kurukshetra] te schenken [door het in brand te steken] en voor dat doel werd Hij Arjuna's wagenmenner. (Vedabase)

 

 Tekst 26

Daarover verheugd gaf Agni aan Arjuna een boog en een strijdwagen met witte paarden, o Koning, twee onuitputtelijke kokers met pijlen en een wapenrusting die met geen enkele vorm van gewapende weerstand te doorboren was.

Daarover verheugd gaf Agni aan Arjuna een boog en een strijdwagen met witte paarden, o Koning, twee onuitputtelijke kokers met pijlen en een wapenrusting die met geen enkele vorm van gewapende weerstand te doorboren was. (Vedabase)

 

Tekst 27

Maya [de demon] gered uit het vuur bood [in dankbaarheid] een vergaderzaal aan zijn vriend [Arjuna] aan waarin Duryodhana het water daarin aanzag voor een stevige vloer [en erin viel, zie 10.75].

Maya [de demon] gered uit het vuur bood [in dankbaarheid] een vergaderzaal aan zijn vriend [Arjuna] aan waarin Duryodhana het water daarin aanzag voor een stevige vloer [en erin viel, zie 10.75 ]. (Vedabase)

 

Tekst 28

Hij [Krishna] door hem [Arjuna] en Zijn weldoeners toegestaan te vertrekken ging terug naar Dvârakâ begeleid door Sâtyaki en de rest van Zijn kader [zie ook 1: 10].

Hij [Krishna] door hem [Arjuna] en Zijn weldoeners toegestaan te vertrekken ging terug naar Dvârakâ begeleid door Sâtyaki en de rest van Zijn kader [zie ook 1: 10]. (Vedabase)

 

Tekst 29

Maar nu trouwde Hij, allergunstigst, met Kâlindî op een dag dat de seizoenen, de sterren en de andere hemellichten het gunstigst erbij stonden voor het verspreiden van het grootste geluk onder Zijn mensen.

Maar nu trouwde Hij, allergunstigst, met Kâlindî op een dag dat de seizoenen, de sterren en de andere hemellichten het gunstigst waren voor het verspreiden van het grootste geluk onder Zijn mensen. (Vedabase)

 

Tekst 30

Vindya en Anuvindya, twee koningen uit Avantî [Ujjain] die Duryodhana ondersteunden, hielden hun zuster [Mitravindâ] die zich aangetrokken voelde tot Krishna, tegen in haar svayamvara [kiezen van een echtgenoot].

Vindya en Anuvindya, twee koningen uit Avantî [Ujjain] die Duryodhana ondersteunden, hielden hun zuster [Mitravindâ] die zich aangetrokken voelde tot Krishna, tegen in haar svayamvara [kiezen van een echtgenoot]. (Vedabase)

 

 Tekst 31

Mitravindâ, de dochter van Râjâdhidevî, de zuster van Zijn vader [9.24: 28-31], werd met geweld, voor ogen van de koningen, meegevoerd door Krishna, o Koning [vergelijk 10.53].

Mitravindâ, de dochter van Râjâdhidevî, de zuster van Zijn vader [9.24:28-31], werd met geweld, voor ogen van de koningen, meegevoerd door Krishna, o Koning [vergelijk 10.53]. (Vedabase)

 

 Tekst 32

Van de hoogst godvruchtige heerser van Kaus'alya [Ayodhyâ, zie 9.10: 32] genaamd Nagnajit was er een goddelijke dochter Satyâ, ook wel Nâgnajitî genaamd, o Koning.

Van de hoogst godvruchtige heerser van Kaus'alya [Ayodhyâ, zie 9.10: 32] genaamd Nagnajit was er een goddelijke dochter Satyâ, ook wel Nagnajitî genaamd, o Koning. (Vedabase)

 

Tekst 33

Geen van de koningen was in staat met haar te trouwen zonder zeven onbeheersbare stieren te verslaan die met de scherpste horens kwaad als ze waren de geur van krijgers konden verdragen.

Geen van de koningen was in staat met haar te trouwen zonder zeven onbeheersbare stieren te verslaan die met de scherpste horens kwaad geen tolerantie kenden voor de geur van krijgers. (Vedabase)

 

Tekst 34

Erover vernemend dat zij beschikbaar was voor degene die de stieren wist te bedwingen, ging de Opperheer, de Meester der Sâtvata's, naar de hoofdstad van Kaus'alya met een grote legermacht om Zich heen.

Erover vernemend dat zij beschikbaar was voor hem die de stieren wist te bedwingen, ging de Opperheer, de Meester der Sâtvata's, naar de hoofdstad van Kaus'alya met een grote legermacht om Zich heen. (Vedabase)

 

Tekst 35

De heer van Kos'ala overeind gekomen, en vol aanbidding hem een plaats toewijzend met niet onaanzienlijke offergaven en zo meer, werd op zijn beurt ook begroet.

De heer van Kos'ala overeind gekomen, en vol aanbidding hem een plaats toewijzend met niet onaanzienlijke offergaven en zo meer, werd op zijn beurt ook begroet. (Vedabase)

    

Tekst 36

De dochter van de koning die zag dat de huwelijkskandidaat waar ze naar verlangde was aangekomen bad: 'Moge, ervan uitgaande dat ik me aan mijn geloften houdt, het [offer-]vuur mijn wens in vervulling doen gaan; laat Hij, de Echtgenoot van Ramâ mijn echtgenoot worden!

De dochter van de koning die zag dat de huwelijkskandidaat waar ze naar verlangde was aangekomen bad: 'Moge, er van uitgaande dat ik me aan mijn geloften houdt, het [offer-]vuur mijn wens in vervulling doen gaan; laat Hij, de Echtgenoot van Ramâ mijn echtgenoot worden! (Vedabase)

 

Tekst 37

Hij van wiens lotusgelijke voeten degene die op de lotus zit [Brahmâ] en de meester op de berg [S'iva] tezamen met de verschillende heersers over de wereld het stof op hun hoofden houden, Hij die voor Zijn spel en vermaak met het verlangen de spelregels van de religie te verdedigen die Hij Zelf heeft ingesteld iedere keer dat Hij [er weer is en] een lichaam aanneemt, waarmee kan Hij, de Allerhoogste Heer, door mij tevreden worden gesteld?'

Hij van Wiens lotusgelijke voeten degene die op de lotus zit [Brahmâ] en de meester op de berg [S'iva] tezamen met de verschillende heersers over de wereld het stof op hun hoofden houden, Hij die voor Zijn spel en vermaak met het verlangen de stelregels van de religie te verdedigen die Hij Zelf heeft ingesteld iedere keer dat Hij [er weer is en] een lichaam aanneemt, waarmee kan Hij, de Allerhoogste Heer, door mij tevreden worden gesteld?' (Vedabase)

 

Tekst 38

Hij [Nagnajit] zei tot de Aanbedene verder nog het volgende: 'O Nârâyana, o Heer van het Universum, wat kan ik die zo onbeduidend ben doen voor U zo Vol van het Geluk van de Ziel?'

Hij [Nagnajit] zei tot de Aanbedene verder nog het volgende: 'O Nârâyana, o Heer van het Universum, wat kan ik zo onbeduidend doen voor U zo Vol van het Geluk van de Ziel?' (Vedabase)

 

Tekst 39

S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Allerhoogste Heer tevreden plaats te kunnen nemen sprak glimlachend tot hem met een stem zo diep als een [rommelende] wolk.

S'rî S'uka zei: 'O kind van de Kuru's, de Allerhoogste Heer tevreden plaats te kunnen nemen sprak glimlachend tot hem met een stem zo diep als een [rommelende] wolk. (Vedabase)

 

Tekst 40

De Opperheer zei: 'O heerser der mensen, smeken is voor een lid van de heersende klasse die zijn eigen dharma naleeft door de geschoolden veroordeeld; niettemin vraag Ik u om uw vriendschap met het oog op uw dochter voor wie Wij, echter, niets als tegenprestatie bieden.'

De Opperheer zei: 'O heerser der mensen, smeken is voor een lid van de heersende klasse die zijn eigen dharma naleeft door de geschoolden veroordeeld; niettemin vraag Ik u om uw vriendschap met het oog op uw dochter voor wie Wij, zo is het, niets als tegenprestatie bieden.' (Vedabase)

 

Tekst 41

De Koning zei: 'Wie anders dan U, o Hoog Verheven Heer, zou in deze wereld een voor mijn dochter begerenswaardige bruidegom zijn; U, op wiens lichaam de Godin verblijft en van Wie ze nimmer wijkt, bent de Enige die de kwaliteiten herbergt!

De Koning zei: 'Wie anders buiten U, o Hoog Verheven Heer, zou in deze wereld een voor mijn dochter begerenswaardige bruidegom zijn; U, op Wiens lichaam de Godin verblijft en van Wie ze nimmer wijkt, bent de Enigste die de kwaliteiten herbergt! (Vedabase)

 

Tekst 42

Maar, er is door ons voorheen een voorwaarde gesteld, o beste van de Sâtvata's, met de bedoeling het kunnen op de proef te stellen van de huwelijkskandidaten voor mijn naar een echtgenoot verlangende dochter.

Maar, er is door ons voorheen een voorwaarde gesteld, o beste van de Sâtvata's, met de bedoeling het kunnen op de proef te stellen van de huwelijkskandidaten voor mijn naar een echtgenoot verlangende dochter. (Vedabase)

 

Tekst 43

Deze zeven wilde stieren, o held, zijn ontembaar; een groot aantal prinsen heeft het tegen hen afgelegd en zijn ledematen gebroken.

Deze zeven wilde stieren, o held, zijn ontembaar; een groot aantal prinsen heeft door hen verslagen zijn ledematen gebroken. (Vedabase)

 

Tekst 44

Als ze door U worden onderworpen o nazaat van Yadu, hebt U mijn goedkeuring als de bruidegom voor mijn dochter, o Echtgenoot van S'rî.'

Als ze door U worden onderworpen o nazaat van Yadu, hebt U mijn goedkeuring als de bruidegom voor mijn dochter, o Echtgenoot van S'rî. (Vedabase)

 

Tekst 45

Aldus vernemend over de gestelde voorwaarde, trok de Meester Zijn kleren strak aan en onderwierp Hij, Zichzelf in zevenen opdelend, ze als was het kinderspel.

Aldus vernemend over de gestelde voorwaarde, trok de Meester Zijn kleren strak aan en onderwierp Hij, zichzelf in zeven veranderend, ze als was het kinderspel. (Vedabase)

 

Tekst 46

Ze met touwen bindend sleepte S'auri ze in hun trots en kracht gebroken achter Zich aan als was Hij een jongetje met een houten speelgoedje.

Ze met touwen bindend sleepte S'auri ze in hun trots en kracht gebroken achter zich aan als was Hij een jongetje met een houten speelgoedje. (Vedabase)

 

Tekst 47

De koning stond versteld en gaf tevreden Krishna toen zijn geschikte dochter die door de Allerhoogste Heer, de Meester, werd aanvaard overeenkomstig de vedische voorschriften.

De koning versteld gaf tevreden Krishna toen zijn geschikte dochter die door de Allerhoogste Heer, de Meester, werd aanvaard overeenkomstig de vedische voorschriften. (Vedabase)

 

Tekst 48

De koninginnen, toen ze Krishna als de beminde echtgenoot voor de prinses verwierven, ondergingen de hoogste extase waarop een grote feestvreugde zich van hen meester maakte.

De koninginnen, met Krishna als de beminde echtgenoot voor de prinses haar hand, ondergingen de hoogste extase waarop een grote feestvreugde zich van hen meester maakte. (Vedabase)

 

Tekst 49

Schelphoorns, hoorns, en trommels weerklonken samen met liederen en instrumentale muziek; de tweemaal geborenen formuleerden heilswensen en verheugde mannen en vrouwen in hun beste kleren sierden zichzelf met bloemenslingers.

Schelpen, hoorns, en trommels weerklonken; liederen en instrumentale muziek; de tweemaal geborenen formuleerden heilswensen en verheugde mannen en vrouwen in hun beste kleren sierden zichzelf met bloemenslingers. (Vedabase)

 

Tekst 50-51

Als huwelijksgift gaf de machtige koning tienduizend koeien, drieduizend uitstekend geklede dienstmaagden met gouden sieraden om hun nekken, negenduizend olifanten, honderd keer zoveel wagens met honderd keer zoveel paarden als wagens en daarbij nog eens honderd keer meer mannen dan er paarden waren.

Als huwelijksgift gaf de machtige koning tienduizend koeien, drieduizend uitstekend geklede dienstmaagden met gouden sieraden om hun nekken, negenduizend olifanten, honderd keer zoveel wagens met honderd keer zoveel paarden als wagens en daarbij nog eens honderd keer zoveel mannen als paarden. (Vedabase)

 

Tekst 52

Hij, de koning van Kos'ala die in zijn hart door de liefde was overwonnen, liet het paar in een wagen klimmen en zond ze toen heen met een groot leger er omheen.

Hij, de koning van Kos'ala, met zijn hart overgegeven in genegenheid liet het paar in een wagen klimmen en zond ze toen heen met een groot leger er omheen. (Vedabase)

 

Tekst 53

Toen ze hiervan vernamen konden de [rivaliserende] koningen dat niet verkroppen en blokkeerden zij, die in hun kracht op dezelfde manier gebroken waren door de Yadu's als voorheen de stieren, de weg waarlangs Hij Zijn bruid meevoerde.

Hiervan vernemend blokkeerden de [rivaliserende] koningen, in hun kracht gebroken door de Yadu's zoals de stieren dat voorheen waren, hoogst intolerant de weg waarlangs Hij Zijn bruid meevoerde. (Vedabase)

 

Tekst 54

Hem belagend met een regen van pijlen, werden ze door Arjuna, Hij die Zich met zijn Gândîva als een leeuw ervoor inspande om zijn Vriend te behagen, teruggedreven als waren ze ongedierte.

Zij, Hem belagend met een regen van pijlen, werden door Arjuna, Hij die Gândîva hanteert optredend als een leeuw om zijn Vriend te behagen, teruggedreven als waren ze ongedierte. (Vedabase)

 

Tekst 55

De zoon van Devakî, de Allerhoogste Heer en leider van de Yadu's, nam de bruidsschat met Zich mee en arriveerde toen in Dvârakâ waar Hij een gelukkig leven had met Satyâ.

De zoon van Devakî, de Allerhoogste Heer en leider van de Yadu's, de bruidsschat meevoerend en aankomend in Dvârakâ leefde daar gelukkig met Satyâ. (Vedabase)

 

Tekst 56

Bhadrâ een prinses van Kaikeya en dochter van S'rutakîrti, de zuster van Zijn vader, werd door haar broers met Santardana voorop [zie 9.24: 38] uitgehuwelijkt aan Krishna.

Bhadrâ een prinses van Kaikeya en dochter van S'rutakîrti, de zuster van Zijn vader, werd door haar broers met Santardana voorop [zie 9.24: 38] uitgehuwelijkt aan Krishna. (Vedabase)

 

Tekst 57

Ook trouwde de Heer met Lakshmanâ, de dochter van de koning van Madra die een toonbeeld van alle goede eigenschappen was; ze werd door Krishna op haar svayamvara ceremonie door Hem eigenhandig weggekaapt, precies zoals Garuda ooit eens de nectar van de halfgoden wegstal [zie ook 10.83: 17-39].

- overgeslagen in voorgaande editie - (Vedabase)

 

Tekst 58

Nadat Hij Bhaumâsura [***] gedood had werden duizenden evenzo prachtige vrouwen die door hem gevangen waren gezet, Krishna's echtgenotes.'

Na Bhaumâsura [***] te hebben gedood werden duizenden anderen gelijk aan dezen, die prachtig van verschijning door hem gevangen waren gezet, Krishna's echtgenotes. (Vedabase)

 

* In totaal trouwde Krishna met 16008 vrouwen: 1 Rukminî, 2 Jâmbavatî, 3 Satyabhâmâ, 4 Kâlindî, 5 Mitravindâ, 6 Satyâ (Nâgnajitî), 7 Bhadrâ, 8 Lakshmanâ, besproken in 10.83: 17, en de 1600o vrouwen gevangen gehouden door Bhaumâsura.

** Een latere datum dan het afbranden van het Khândava woud waaraan gerefereerd wordt in vers 25.

*** Een demon die volgens de Vishnu-purâna ter wereld kwam als gevolg van het aanraken van moeder aarde door Heer Varâha toen hij haar uit de oceaan ophief [zie 3.13: 31].

 

 

 

 

 

 

 Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina.
De afbeelding is getiteld : 'Krishna Abducts Mitravinda', Folio from a Bhâgavata Purâna
(Ancient Stories of the Lord) Nepal, Himalayas, 1775-1800. Beschikbaar gesteld door
Lacma.org
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties