regelbalk

 

Govinda jaya jaya

 

 

Canto 10

 

Hoofdstuk 70

 

Krishna's Routines, Moeilijkheden en Nârada Nog Eens op Bezoek

(1) S'rî S'uka zei: 'Toen, met het aanbreken van de dag, werden de kraaiende hanen verwenst door de vrouwen van de Lieve Heer die, bij hun hoofden vastgehouden door hun echtgenoten [de Ene Yogamâyâ Heer in Velen], verstoord waren over [de onvermijdelijke] scheiding. (2) Vogels ontwakend uit hun slaap door de bries van de parijâta-bomen met hun bijen, wekten Krishna luidruchtig zingend als waren ze de dichters aan het hof. (3) Maar Vaidarbhî [Rukminî] hield niet van die zo gunstige tijd van de dag omdat die haar de armen van Krishna om haar heen zou ontzeggen. (4-5) Opstaand tijdens de brahma-muhûrta [het uur voor zonsopgang] beroerde Mâdhava water en maakte Hij Zijn geest vrij, mediterend op het ongeëvenaarde, enige, zelfverlichtende Zelf voorbij alle traagheid der materie dat, onfeilbaar naar zijn [Zijn] eigen aard onophoudelijk de onzuiverheid verdrijft en, gekend als Brahman in de oorzaken van zijn [Zijn] eigen energieën van schepping en vernietiging hierin [in dit universum], de vreugde van het bestaan manifesteert [zie ook 3.29: 31 & 36-37, B.G. 7: 5 & 6 en *]. (6) Toen, overeenkomstig de vidhi een bad genomen hebbend in zuiver water, volbracht Hij, de Meest Waarachtige, na Zich eerst in boven- en onderkleding te hebben gestoken, de gehele reeks van het eerbetoon bij het ochtendgloren en dergelijke en chantte Hij, volgende op uitgietingen in het vuur, rustig Zijn spraak beheersend de vedische mantra [de Gâyatrî, zie ook **]. (7-9) Consequent naar Zijn eigen aard in aanbidding van de opkomende zon Zijn eigen expansies gunstig stemmend - de goden, de wijzen en de voorvaderen, Zijn senioren en mannen van geleerdheid het verschuldigde respect tonend - schonk Hij dag na dag vele, vele gezeglijke koeien met goud op hun horens, zilver voorop hun hoeven en paarlen halssnoeren, die rijk aan melk waren en maar één kalf ter wereld hadden gebracht. Zij, fraai opgetuigd werden aan de geschoolden gepresenteerd met linnen, hertenvellen, sesamzaad en sierselen [zie ook ***]. (10) Met het de koeien, de mannen van scholing, de goddelijken, de ouderen, de geestelijk leraren en alle levende wezens die enkel maar expansies van Hemzelf waren Zijn respect tonend, beroerde Hij [darshan verlenend, alle personen en] goedgunstige dingen. (11) Hij, het sieraad van de samenleving Zelve, kleedde Zich aan met de kleren, de goddelijke bloemenslingers, de kleuren en de juwelen die bij Hem pasten. (12) Met het zowel zorgdragen voor de ghee [gebruikt in de offers] als voor de spiegel bekommerde Hij zich om de koeien, de stieren, de tweemaal geborenen, de goden en de voorwerpen van begeerte, met het voorzien in giften naar de voldoening van alle maatschappelijke groeperingen levend in de stad en het paleis en begroette Hij Zijn ministers ten volle al hun noden lenigend. (13) Allereerst bloemenslingers, betelnoot en sandelhoutpasta verdelend onder de geschoolden, [en dan] onder Zijn vrienden, Zijn ministers en Zijn vrouwen, was Hij gewoon vervolgens Zelf Zijn deel te nemen. (14) Zijn menner, die tegen die tijd Zijn allerprachtigste strijdwagen had gebracht met ingespannen de paarden Sugrîva en zo voorts [zie 10.53: 5], stond gebogen klaar voor Hem. (15) De wagenmenner zijn handen beethoudend klom Hij toen vergezeld door Sâtyaki en Uddhava naar binnen als was Hij de zon opkomend boven de heuvels in het oosten. (16) Met moeite Zich losmakend van de vrouwen in het paleis die Hem aankeken met blikken verlegen en liefdevol, vertrok Hij, een glimlach prijsgevend die hun geesten vervoerde. (17) Opgewacht door al de Vrishni's betrad hij de zaal bekend als Sudharmâ [zie ook 10.50: 54] die voor hen die er binnengingen de zes golven afweert, mijn beste [zie shath-ûrmi]. (18) De Almachtige, de Beste van de Yadu's, aldaar hoog op Zijn troon gezeten temidden van de Yadu's, de leeuwen onder de mannen, verlichtte alle richtingen in Zijn gloed stralend als de maan aan de hemel omringd door de sterren. (19) Daar waren de hofnarren, o Koning, de Almachtige met verschillende vormen van amusement van dienst, zoals ook op hun beurt de beroeps entertainers [zoals de goochelaars] en de vrouwen die energiek dansten dat deden. (20) Zij dansten op de geluiden van vînâ's, mridanga's en muraja-trommels, fluiten, cymbalen en schelphoorns, terwijl de hofzangers, verhalenvertellers en lofprijzers zongen en de loftrompet staken. (21) Daar spraken brahmanen neergezeten vloeiend vedische mantra's uit terwijl anderen verhalen ophaalden van koningen uit het verleden die beroemd waren om hun vroomheid.

(22) Op een dag werd de aankomst gemeld van een persoon, o Koning, die, door de wachters bij de deur de toegang verleend tot de Fortuinlijke, nog nooit eerder daar gezien was. (23) Na zijn eerbetoon met samengebrachte handpalmen voor Krishna, de Allerhoogste Heerlijkheid, legde hij het lijden voor van de koningen gevangen gehouden door Jarâsandha. (24) Gedurende een campagne van hem in alle windrichtingen waren al die koningen die hem niet in volmaakte onderwerping van dienst waren - zo'n twintigduizend van hen - met geweld vastgezet in de vesting Girivraja. (25) De koningen brachten over: 'Krishna, o Krishna, o onmetelijke Ziel, o U die de angst wegneemt van de overgegevenen; zo uiteenlopend van mentaliteit komen we, bevreesd in ons materiële bestaan, naar U voor onze toevlucht! (26) De hele wereld neigend tot het verkeerde handelen is verbijsterd over de plichten alhier die ten gunste werken in de aanbidding van U naar Uw woord, die, in zoverre men het eigene daarin doet, de macht van het bestaan vormen dienend met langlevendheid en hoop; mogen er de eerbetuigingen zijn voor Hem, de Altijd Waakzame ['die niet aflaat met de Tijd'] die zomaar opeens dit alles afkapt [ten tijde van het stervensuur]. (27) U, de overwegende autoriteit van dit universum, bent nedergedaald met Uw expansie [Balarâma] om de geheiligden te beschermen en de slechten te onderwerpen; we begrijpen niet, o Heer, hoe ook maar iemand anders in overtreding met Uw wet [zoals Jarâsandha] of anders op gezag van zijn eigen creativiteit [zoals wij] dat zou kunnen bereiken. (28) Het voorwaardelijke geluk van koningen, o Heer, is als een droom, altijd vol van angst zijnde met de last van dit sterfelijke lichaam; met het afwijzen van dat geluk van de ziel dat wordt verworven door onzelfzuchtige dienstverlening aan U, hebben wij, met Uw verstandsverbijsterende werkelijkheid van mâyâ alhier, te lijden onder de grootste ellende. (29) Derhalve, o Goedheid wiens voetenpaar het leed verdrijven, verlos alstUblieft ons, de overgegevenen, die in de boeien van het karma werden geslagen door hem die de naam van Maghada voert die, gelijk de koning der dieren met de schapen, in zijn eentje het gezag uitoefenend van een tienduizendtal kwaaie olifanten ons in zijn woonstede gevangen heeft gezet. (30) Achttien maal Uw cakra geheven en hem verpletterd hebbend versloeg Hij U, die zeker in Uw onbegrensde macht in beslag werd genomen door menselijke aangelegenheden, één enkele keer in de slag [zie 10.50: 41 & 10.52: 7]; en nu, vol van trots, kwelt hij ons, Uw onderdanen, o Onoverwinnelijke; alstUblieft zet dat recht!' (31) De boodschapper zei: 'Aldus smachten degenen gevangen gehouden door Jarâsandha, overgegeven aan de basis van Uw voeten, ernaar de aanblik van U te mogen genieten; alstUblieft laat deze arme zielen delen in Uw welvaart!'

(32) S'rî S'uka zei: 'Toen de boodschapper van de koningen zich aldus had uitgedrukt, verscheen de allerhoogste rishi [Nârada] ten tonele die met zijn geelgekleurde, samengeklitte lokken een gloed had gelijk die van de zon. (33) Hem ziend bracht de Allerhoogste Heer Krishna, de Allerhoogste Beheerser van de Beheersers van Alle werelden, met Zijn hoofd Zijn eerbetuigingen, verheugd opstaand tezamen met Zijn volgelingen en de leden van de vergadering. (34) Na met zijn aanvaarden van een zitplaats met hem van eerbetoon te zijn geweest overeenkomstig de regels, sprak Hij met waarachtige, aangename woorden van respect naar de tevredenheid van de wijze: (35) 'Het is een feit dat vandaag de drie werelden volledig zijn bevrijd van alle angst, want dat is nu de kwaliteit van de grote en fortuinlijke [die u bent] rondreizend door de werelden. (36) Er is voorwaar, met de drie werelden zoals ingesteld door hun Beheerser, niets dat u niet bekend is en dus, om die reden, laten we dan van u vernemen wat de plannen van de Pândava's zijn.'

(37) S'rî Nârada zei: 'Vele keren was ik getuige van Uw onoverkomelijke mâyâ, o Almachtige, o U die [zelfs] de Schepper van het Universum Begoochelt [zie 10.14]; bij mij wekt het geen verbazing, o Allesomvattende Ene, dat U door Uw eigen energieën zich beweegt onder de geschapen wezens als een vuur waarvan het licht afgedekt is. (38) Wie is er toe in staat naar behoren de bedoeling te doorgronden van U die middels Zijn eigen energie schept en dit universum weer terugtrekt dat zich manifesteert [voor zijn wezens] om te bestaan in relatie tot U; eerbetuigingen aan Hem, aan U ondoorgrondelijk in Uw wezensaard. (39) Hij die voor de individuele ziel in samsara, die geen bevrijding weet uit de problemen meegebracht door het materiële lichaam, met Zijn avatâra's voor Zijn spel en vermaak Zijn eigen toorts van roem ontsteekt; U, die Heer, benader Ik voor mijn toevlucht. (40) Niettemin zal ik U, o Hoogste Waarheid die de Menselijke Gang van Zaken Imiteert, vertellen wat Uw toegewijde de koning [Yudhishthhira], de zoon van Uw vaders zuster, zich heeft voorgenomen. (41) De koning, de zoon van Pându, de toppositie verlangend wil te Uwent wille de grootste offerplechtigheid die bekend staat als Râjasûya, alstUblieft geef dat Uw zegen. (42) O Heer naar die beste van alle offerplechtigheden zullen alle verlichte zielen en soortgelijk als ook de koningen van zege en glorie toekomen, ernaar uitziend U daar te aanschouwen. (43) Als van het luisteren naar, bezingen van en mediteren op U, het Volle van het Absolute, degenen die buiten de boot zijn gevallen zuivering vinden, wat moet men dan zeggen van hen die U zien en U aanraken? (44) De smetteloze roem van U zich uitbreidend [als een overkapping] in alle richtingen wordt verkondigd in de hemel, in de lagere regionen en op aarde, o Brenger van Al het Geluk voor Al de Werelden, en wordt Mandâkinî genoemd met het goddelijke, Bhogavatî in het lagere en Ganga hier op aarde - het is het water van Uw voeten dat het gehele universum zuivert.'

(45) S'rî S'uka zei: 'Toen Zijn eigen aanhangers [de Yâdu's] er niet mee instemden omdat ze de overwinning [op Jarâsandha] verlangden sprak Kes'ava glimlachend tot Zijn dienaar Uddhava met een bekoorlijke woordkeuze. (46) De Fortuinlijke zei: 'Jij inderdaad als Onze oogappel en welgezinde vriend weet om die reden volmaakt welke uitdrukking van nut zou zijn in dit opzicht, zeg alsjeblieft wat er moet worden gedaan, We stellen er volkomen vertrouwen in en zullen dat ten uitvoer brengen.'

(47) Aldus verzocht door zijn Behoeder die, alwetend, Zich gedroeg alsof Hij het niet meer wist, gaf Uddhava, die opdracht op zijn hoofd aanvaardend, een antwoord.' 

 

next        

 
 

 

 

Bronteksten [geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar]:

Lord Krishna's Daily Activities

 

Tekst 1:

S'rî S'uka zei: 'Toen, met het aanbreken van de dag, werden de kraaiende hanen verwenst door de vrouwen van de Lieve Heer die, bij hun hoofden vastgehouden door hun echtgenoten [de Ene Yogamâyâ Heer in Velen], verstoord waren over [de onvermijdelijke] scheiding.

S'ukadeva Gosvâmî said: As dawn approached, the wives of Lord Mâdhava, each embraced around the neck by her husband, cursed the crowing roosters. The ladies were disturbed that now they would be separated from Him.

 

Tekst 2:

Vogels ontwakend uit hun slaap door de bries van de parijâta-bomen met hun bijen, wekten Krishna luidruchtig zingend als waren ze de dichters aan het hof.

The bees' buzzing, caused by the fragrant breeze from the parijâta garden, roused the birds from sleep. And when the birds began to sing loudly, they woke Lord Krishna like court poets reciting His glories.

 

Tekst 3:

Maar Vaidarbhî [Rukminî] hield niet van die zo gunstige tijd van de dag omdat die haar de armen van Krishna om haar heen zou ontzeggen.

Lying in her beloved's arms, Queen Vaidarbhî did not like this most auspicious hour, for it meant she would lose His embrace.

 

Tekst 4-5:

Opstaand tijdens de brahma-muhûrta [het uur voor zonsopgang] beroerde Mâdhava water en maakte Hij Zijn geest vrij, mediterend op het ongeëvenaarde, enige, zelfverlichtende Zelf voorbij alle traagheid der materie dat, onfeilbaar naar zijn [Zijn] eigen aard onophoudelijk de onzuiverheid verdrijft en, gekend als Brahman in de oorzaken van zijn [Zijn] eigen energieën van schepping en vernietiging hierin [in dit universum], de vreugde van het bestaan manifesteert [zie ook 3.29: 31 & 36-37, B.G. 7: 5 & 6 en *].

Lord Mâdhava would rise during the brahma-muhûrta period and touch water. With a clear mind He would then meditate upon Himself, the single, self- luminous, unequaled and infallible Supreme Truth, known as Brahman, who by His very nature ever dispels all contamination, and who through His personal energies, which cause the creation and destruction of this universe, manifests His own pure and blissful existence.

 

Tekst 6:

Toen, overeenkomstig de vidhi een bad genomen hebbend in zuiver water, volbracht Hij, de Meest Waarachtige, na Zich eerst in boven- en onderkleding te hebben gestoken, de gehele reeks van het eerbetoon bij het ochtendgloren en dergelijke en chantte Hij, volgende op uitgietingen in het vuur, rustig Zijn spraak beheersend de vedische mantra [de Gâyatrî, zie ook **].

That most saintly of personalities would then bathe in sanctified water, dress Himself in lower and upper garments and perform the entire sequence of prescribed rituals, beginning with worship at dawn. After offering oblations into the sacred fire, Lord Krishna would silently chant the Gâyatrî mantra.

 

Tekst 7-9:

Consequent naar Zijn eigen aard in aanbidding van de opkomende zon Zijn eigen expansies gunstig stemmend - de goden, de wijzen en de voorvaderen, Zijn senioren en mannen van geleerdheid het verschuldigde respect tonend - schonk Hij dag na dag vele, vele gezeglijke koeien met goud op hun horens, zilver voorop hun hoeven en paarlen halssnoeren, die rijk aan melk waren en maar één kalf ter wereld hadden gebracht. Zij, fraai opgetuigd werden aan de geschoolden gepresenteerd met linnen, hertenvellen, sesamzaad en sierselen [zie ook ***].

Each day the Lord worshiped the rising sun and propitiated the demigods, sages and forefathers, who are all His expansions. The self-possessed Lord would then carefully worship His elders and the brâhmanas. To those well- attired brâhmanas He would offer herds of tame and peaceful cows with gold- plated horns and pearl necklaces. These cows were also dressed in fine cloth, and the fronts of their hooves were plated with silver. Providers of abundant milk, they had each given birth only once and were accompanied by their calves. Daily the Lord gave many groups of 13.084  cows to the learned brâhmanas, together with linen, deerskins and sesame seeds.

 

Tekst 10:

Met het de koeien, de mannen van scholing, de goddelijken, de ouderen, de geestelijk leraren en alle levende wezens die enkel maar expansies van Hemzelf waren Zijn respect tonend, beroerde Hij [darshan verlenend, alle personen en] goedgunstige dingen.

Lord Krishna would offer obeisances to the cows, brâhmanas and demigods, His elders and spiritual masters, and all living beings - all of whom are expansions of His supreme personality. Then He would touch auspicious things.

   

Tekst 11:

Hij, het sieraad van de samenleving Zelve, kleedde Zich aan met de kleren, de goddelijke bloemenslingers, de kleuren en de juwelen die bij Hem pasten.

He would decorate His body, the very ornament of human society, with His own special clothes and jewelry and with divine flower garlands and ointments.

     

Tekst 12:

Met het zowel zorgdragen voor de ghee [gebruikt in de offers] als voor de spiegel bekommerde Hij zich om de koeien, de stieren, de tweemaal geborenen, de goden en de voorwerpen van begeerte, met het voorzien in giften naar de voldoening van alle maatschappelijke groeperingen levend in de stad en het paleis en begroette Hij Zijn ministers ten volle al hun noden lenigend.

He would then look at ghee, a mirror, the cows and bulls, the brâhmanas and the demigods and see to it that the members of all the social classes living in the palace and throughout the city were satisfied with gifts. After this He would greet His ministers, gratifying them by fulfilling all their desires.

   

Tekst 13:

Allereerst bloemenslingers, betelnoot en sandelhoutpasta verdelend onder de geschoolden, [en dan] onder Zijn vrienden, Zijn ministers en Zijn vrouwen, was Hij gewoon vervolgens Zelf Zijn deel te nemen.

After first distributing flower garlands, pân and sandalwood paste to the brâhmanas, He would give these gifts to His friends, ministers and wives, and finally He would partake of them Himself.

  

Tekst 14:

Zijn menner, die tegen die tijd Zijn allerprachtigste strijdwagen had gebracht met ingespannen de paarden Sugrîva en zo voorts [zie 10.53: 5], stond gebogen klaar voor Hem.

By then the Lord's driver would have brought His supremely wonderful chariot, yoked with Sugrîva and His other horses. His charioteer would bow down to the Lord and then stand before Him.

 

Tekst 15:

De wagenmenner zijn handen beethoudend klom Hij toen vergezeld door Sâtyaki en Uddhava naar binnen als was Hij de zon opkomend boven de heuvels in het oosten.

Holding on to His charioteer's hands, Lord Krishna would mount the chariot, together with Sâtyaki and Uddhava, just like the sun rising over the easternmost mountain.

     

Tekst 16

Met moeite Zich losmakend van de vrouwen in het paleis die Hem aankeken met blikken verlegen en liefdevol, vertrok Hij, een glimlach prijsgevend die hun geesten vervoerde.

The palace women would look upon Lord Krishna with shy, loving glances, and thus He would get free from them only with difficulty. He would then set off, His smiling face captivating their minds.

 

Tekst 17

Opgewacht door al de Vrishni's betrad hij de zaal bekend als Sudharmâ [zie ook 10.50: 54] die voor hen die er binnengingen de zes golven afweert, mijn beste [zie shath-ûrmi].

The Lord, attended by all the Vrishnis, would enter the Sudharmâ assembly hall, which protects those who enter it from the six waves of material life, dear King.

 

Tekst 18

De Almachtige, de Beste van de Yadu's, aldaar hoog op Zijn troon gezeten temidden van de Yadu's, de leeuwen onder de mannen, verlichtte alle richtingen in Zijn gloed stralend als de maan aan de hemel omringd door de sterren.

As the almighty Supreme Lord would seat Himself upon His exalted throne there in the assembly hall, He shone with His unique effulgence, illuminating all the quarters of space. Surrounded by the Yadus, lions among men, that best of the Yadus appeared like the moon amidst many stars.

  

Tekst 19

Daar waren de hofnarren, o Koning, de Almachtige met verschillende vormen van amusement van dienst, zoals ook op hun beurt de beroeps entertainers [zoals de goochelaars] en de vrouwen die energiek dansten dat deden.

And there, O King, jesters would entertain the Lord by displaying various comic moods, expert entertainers would perform for Him, and female dancers would dance energetically.

 

Tekst 20

Zij dansten op de geluiden van vînâ's, mridanga's en muraja-trommels, fluiten, cymbalen en schelphoorns, terwijl de hofzangers, verhalenvertellers en lofprijzers zongen en de loftrompet staken.

These performers would dance and sing to the sounds of mridangas, vînâs, murajas, flutes, cymbals and conchshells, while professional poets, chroniclers and panegyrists would recite the Lord's glories.

 

Tekst 21

Daar spraken brahmanen neergezeten vloeiend vedische mantra's uit terwijl anderen verhalen ophaalden van koningen uit het verleden die beroemd waren om hun vroomheid.

Some brâhmanas sitting in that assembly hall would fluently chant Vedic mantras, while others recounted stories of past kings of pious renown.

  

 Tekst 22

Op een dag werd de aankomst gemeld van een persoon, o Koning, die, door de wachters bij de deur de toegang verleend tot de Fortuinlijke, nog nooit eerder daar gezien was.

Once a certain person arrived in the assembly, O King, who had never been seen there before. The doorkeepers announced him to the Lord and then escorted him inside.

 

 Tekst 23

Na zijn eerbetoon met samengebrachte handpalmen voor Krishna, de Allerhoogste Heerlijkheid, legde hij het lijden voor van de koningen gevangen gehouden door Jarâsandha.

That person bowed down to Krishna, the Supreme Personality of Godhead, and with joined palms he described to the Lord how a number of kings were suffering because Jarâsandha had imprisoned them.

   

Tekst 24

Gedurende een campagne van hem in alle windrichtingen waren al die koningen die hem niet in volmaakte onderwerping van dienst waren - zo'n twintigduizend van hen - met geweld vastgezet in de vesting Girivraja.

Twenty thousand kings who had refused to submit absolutely to Jarâsandha during his world conquest had been forcibly imprisoned by him in the fortress named Girivraja.

 

 Tekst 25

De koningen brachten over: 'Krishna, o Krishna, o onmetelijke Ziel, o U die de angst wegneemt van de overgegevenen; zo uiteenlopend van mentaliteit komen we, bevreesd in ons materiële bestaan, naar U voor onze toevlucht!

The kings said [as related through their messenger]: O Krishna, Krishna, O immeasurable Soul, destroyer of fear for those surrendered to You! Despite our separatist attitude, we have come to You for shelter out of fear of material existence.

 

 Tekst 26

De hele wereld neigend tot het verkeerde handelen is verbijsterd over de plichten alhier die ten gunste werken in de aanbidding van U naar Uw woord, die, in zoverre men het eigene daarin doet, de macht van het bestaan vormen dienend met langlevendheid en hoop; mogen er de eerbetuigingen zijn voor Hem, de Altijd Waakzame ['die niet aflaat met de Tijd'] die zomaar opeens dit alles afkapt [ten tijde van het stervensuur].

People in this world are always engaged in sinful activities and are thus bewildered about their real duty, which is to worship You according to Your commandments. This activity would truly bring them good fortune. Let us offer our obeisances unto the all-powerful Lord, who appears as time and suddenly cuts down one's stubborn hope for a long life in this world.

 

 Tekst 27

U, de overwegende autoriteit van dit universum, bent nedergedaald met Uw expansie [Balarâma] om de geheiligden te beschermen en de slechten te onderwerpen; we begrijpen niet, o Heer, hoe ook maar iemand anders in overtreding met Uw wet [zoals Jarâsandha] of anders op gezag van zijn eigen creativiteit [zoals wij] dat zou kunnen bereiken.

You are the predominating Lord of the universe and have descended into this world with Your personal power to protect the saintly and suppress the wicked. We cannot understand, O Lord, how anyone can transgress Your law and still continue to enjoy the fruits of his work.

 

 Tekst 28

Het voorwaardelijke geluk van koningen, o Heer, is als een droom, altijd vol van angst zijnde met de last van dit sterfelijke lichaam; met het afwijzen van dat geluk van de ziel dat wordt verworven door onzelfzuchtige dienstverlening aan U, hebben wij, met Uw verstandsverbijsterende werkelijkheid van mâyâ alhier, te lijden onder de grootste ellende.

O Lord, with this corpselike body, always full of fear, we bear the burden of the relative happiness of kings, which is just like a dream. Thus we have rejected the real happiness of the soul, which comes by rendering selfless service to You. Being so very wretched, we simply suffer in this life under the spell of Your illusory energy.

 

 Tekst 29

Derhalve, o Goedheid wiens voetenpaar het leed verdrijven, verlos alstUblieft ons, de overgegevenen, die in de boeien van het karma werden geslagen door hem die de naam van Maghada voert die, gelijk de koning der dieren met de schapen, in zijn eentje het gezag uitoefenend van een tienduizendtal kwaaie olifanten ons in zijn woonstede gevangen heeft gezet.

Therefore, since Your feet relieve the sorrow of those who surrender to them, please release us prisoners from the shackles of karma, manifest as the King of Magadha. Wielding alone the prowess of ten thousand maddened elephants, he has locked us up in his house just as a lion captures sheep.

 

 Tekst 30

Achttien maal Uw cakra geheven en hem verpletterd hebbend versloeg Hij U, die zeker in Uw onbegrensde macht in beslag werd genomen door menselijke aangelegenheden, één enkele keer in de slag [zie 10.50: 41 & 10.52: 7]; en nu, vol van trots, kwelt hij ons, uw onderdanen, o Onoverwinnelijke; alstUblieft zet dat recht!'

O wielder of the disc! Your strength is unlimited, and thus seventeen times You crushed Jarâsandha in battle. But then, absorbed in human affairs, You allowed him to defeat You once. Now he is so filled with pride that he dares to torment us, Your subjects. O unconquerable one, please rectify this situation.

 

 Tekst 31

De boodschapper zei: 'Aldus smachten degenen gevangen gehouden door Jarâsandha, overgegeven aan de basis van Uw voeten, ernaar de aanblik van U te mogen genieten; alstUblieft laat deze arme zielen delen in Uw welvaart!'

The messenger continued: This is the message of the kings imprisoned by Jarâsandha, who all hanker for Your audience, having surrendered to Your feet. Please bestow good fortune on these poor souls.

 

 Tekst 32

S'rî S'uka zei: 'Toen de boodschapper van de koningen zich aldus had uitgedrukt, verscheen de allerhoogste rishi [Nârada] ten tonele die met zijn geelgekleurde, samengeklitte lokken een gloed had gelijk die van de zon.

S'ukadeva Gosvâmî said: When the kings' messenger had thus spoken, the sage of the demigods, Nârada, suddenly appeared. Bearing a mass of golden matted locks on his head, the supremely effulgent sage entered like the brilliant sun.

 

Tekst 33

Hem ziend bracht de Allerhoogste Heer Krishna, de Allerhoogste Beheerser van de Beheersers van Alle werelden, met Zijn hoofd Zijn eerbetuigingen, verheugd opstaand tezamen met Zijn volgelingen en de leden van de vergadering.

Lord Krishna is the worshipable master of even planetary rulers like Lord Brahmâ and Lord S'iva, yet as soon as He saw that Nârada Muni had arrived, He joyfully stood up along with His ministers and secretaries to receive the great sage and offer His respectful obeisances by bowing His head.

 

Tekst 34

Na met zijn aanvaarden van een zitplaats met hem van eerbetoon te zijn geweest overeenkomstig de regels, sprak Hij met waarachtige, aangename woorden van respect naar de tevredenheid van de wijze:

After Nârada had accepted the seat offered to him, Lord Krishna honored the sage according to scriptural injunctions and, gratifying him with His reverence, spoke the following truthful and pleasing words.

 

Tekst 35

'Het is een feit dat vandaag de drie werelden volledig zijn bevrijd van alle angst, want dat is nu de kwaliteit van de grote en fortuinlijke [die u bent] rondreizend door de werelden.

[Lord Krishna said:] It is certain that today the three worlds have attained freedom from all fear, for that is the influence of such a great personality as you, who travel at will throughout all the worlds.

 

Tekst 36

Er is voorwaar, met de drie werelden zoals ingesteld door hun Beheerser, niets dat u niet bekend is en dus, om die reden, laten we dan van u vernemen wat de plannen van de Pândava's zijn.'

There is nothing unknown to you within God's creation. Therefore please tell Us what the Pândavas intend to do.

 

Tekst 37

S'rî Nârada zei: 'Vele keren was ik getuige van Uw onoverkomelijke mâyâ, o Almachtige, o U die [zelfs] de Schepper van het Universum Begoochelt [zie 10.14]; bij mij wekt het geen verbazing, o Allesomvattende Ene, dat U door Uw eigen energieën zich beweegt onder de geschapen wezens als een vuur waarvan het licht afgedekt is.

S'rî Nârada said: I have seen many times the insurmountable power of Your Mâyâ, O almighty one, by which You bewilder even the creator of the universe, Brahmâ. O all-encompassing Lord, it does not surprise me that You disguise Yourself by Your own energies while moving among the created beings, as a fire covers its own light with smoke.

 

Tekst 38

Wie is er toe in staat naar behoren de bedoeling te doorgronden van U die middels Zijn eigen energie schept en dit universum weer terugtrekt dat zich manifesteert [voor zijn wezens] om te bestaan in relatie tot U; eerbetuigingen aan Hem, aan U ondoorgrondelijk in Uw wezensaard.

Who can properly understand Your purpose? With Your material energy You expand and also withdraw this creation, which thus appears to have substantial existence. Obeisances to You, whose transcendental position is inconceivable.

 

Tekst 39

Hij die voor de individuele ziel in samsara, die geen bevrijding weet uit de problemen meegebracht door het materiële lichaam, met Zijn avatâra's voor Zijn spel en vermaak Zijn eigen toorts van roem ontsteekt; U, die Heer, benader Ik voor mijn toevlucht.

The living being caught in the cycle of birth and death does not know how he can be delivered from the material body, which brings him so much trouble. But You, the Supreme Lord, descend to this world in various personal forms, and by performing Your pastimes You illumine the soul's path with the blazing torch of Your fame. Therefore I surrender unto You.

 

Tekst 40

Niettemin zal ik U, o Hoogste Waarheid die de Menselijke Gang van Zaken Imiteert, vertellen wat Uw toegewijde de koning [Yudhishthhira], de zoon van Uw vaders zuster, zich heeft voorgenomen.

Nonetheless, O Supreme Truth playing the part of a human being, I shall tell You what Your devotee Yudhishthhira Mahârâja, the son of Your father's sister, intends to do.

 

Tekst 41

De koning, de zoon van Pându, de toppositie verlangend wil te Uwent wille de grootste offerplechtigheid die bekend staat als Râjasûya, alstUblieft geef dat Uw zegen.

Desiring unrivaled sovereignty, King Yudhishthhira intends to worship You with the greatest fire sacrifice, the Râjasûya. Please bless his endeavor.

 

Tekst 42

O Heer naar die beste van alle offerplechtigheden zullen alle verlichte zielen en soortgelijk als ook de koningen van zege en glorie toekomen, ernaar uitziend U daar te aanschouwen.

O Lord, exalted demigods and glorious kings, eager to see You, will all come to that best of sacrifices.

 

Tekst 43

Als van het luisteren naar, bezingen van en mediteren op U, het Volle van het Absolute, degenen die buiten de boot zijn gevallen zuivering vinden, wat moet men dan zeggen van hen die U zien en U aanraken?

O Lord, even outcastes are purified by hearing and chanting Your glories and meditating upon You, the Absolute Truth. What then to speak of those who see and touch You?

 

Tekst 44

De smetteloze roem van U zich uitbreidend [als een overkapping] in alle richtingen wordt verkondigd in de hemel, in de lagere regionen en op aarde, o Brenger van Al het Geluk voor Al de Werelden, en wordt Mandâkinî genoemd met het goddelijke, Bhogavatî in het lagere en Ganga hier op aarde - het is het water van Uw voeten dat het gehele universum zuivert.'

My dear Lord, You are the symbol of everything auspicious. Your transcendental name and fame is spread like a canopy all over the universe, including the higher, middle and lower planetary systems. The transcendental water that washes Your lotus feet is known in the higher planetary systems as the Mandâkinî River, in the lower planetary systems as the Bhogavatî and in this earthly planetary system as the Ganges. This sacred, transcendental water flows throughout the entire universe, purifying wherever it goes.

 

Tekst 45

S'rî S'uka zei: 'Toen Zijn eigen aanhangers [de Yâdu's] er niet mee instemden omdat ze de overwinning [op Jarâsandha] verlangden sprak Kes'ava glimlachend tot Zijn dienaar Uddhava met een bekoorlijke woordkeuze.

S'ukadeva Gosvâmî said: When His supporters, the Yâdavas, objected to this proposal out of eagerness to defeat Jarâsandha, Lord Kes'ava turned to His servant Uddhava and, smiling, addressed him with fine words.

 

Tekst 46

De Fortuinlijke zei: 'Jij inderdaad als Onze oogappel en welgezinde vriend weet om die reden volmaakt welke uitdrukking van nut zou zijn in dit opzicht, zeg alsjeblieft wat er moet worden gedaan, We stellen er volkomen vertrouwen in en zullen dat ten uitvoer brengen.'

The Personality of Godhead said: You are indeed Our best eye and closest friend, for you know perfectly the relative value of various kinds of counsel. Therefore please tell Us what should be done in this situation. We trust your judgment and shall do as you say.

 

Tekst 47

Aldus verzocht door zijn Behoeder die, alwetend, Zich gedroeg alsof Hij het niet meer wist, gaf Uddhava, die opdracht op zijn hoofd aanvaardend, een antwoord.' 

[S'ukadeva Gosvâmî continued:] Thus requested by his master, who, though omniscient, acted as if perplexed, Uddhava took this order upon his head and replied as follows.

 

 * Wat betreft de aangelegenheid van het Brahman in relatie tot de persoon van Krishna voegt de paramparâ toe: 'Iemand die de gunst geniet van de Heer Zijn inwendige vermogen kan de aard doorgronden van de Absolute Waarheid [of het Brahman]; dit begrip wordt het Krishna bewustzijn genoemd'.

** Volgens S'îdhara Svâmî zou Heer Krishna met het in dezen voor zonsopgang eerst brengen van offers en het dan pas doen van de mantra navolgen in de erfopvolging van Kanva Muni [vermeld in 9.20].

*** Met de bevestiging in het M.W. woordenboek van de term badva hier gebruikt in de zin van 'een groot aantal' haalt S'rîdhara Svâmî verschillende vedische geschriften aan om aan te tonen dat in de context van het vedisch ritueel, een badva hier betrekking heeft op 13.084  koeien en geeft hij er verder bewijs van dat het de gebruikelijke praktijk van grote geheiligde koningen in voorgaande tijdperken was om 107 van zulke badva, of groepen van 13.084  koeien weg te schenken. Aldus kan het totaal aantal koeien weggegeven in dit offer, bekend als Mañcâra, hebben opgelopen tot 14 lakhs, ofwel 1.400.000.

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Produktie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties