Canto
9
Hoofdstuk 16: Hoe Heer Paras'urâma er Toe Kwam de Heersende Klasse Eenentwintig Keer te Vernietigen
(1) S'rî S'uka zei: 'O zoon van de Kuru-dynastie, Paras'urâma door zijn vader aldus van advies gediend zei: 'Zo zij het!', en reisde een jaar lang alle heilige plaatsen af om daarna naar de âs'rama terug te keren. (2) Toen Renukâ (zijn moeder) zich eens naar de oever van de Ganges begaf, zag ze de koning van de Gandharva's [zie ook 9.14: 31] omhangen met een bloemenslinger van lotussen zich vermaken met de meisjes van de hemel, de Apsara's. (3) Zijn bezigheden gadeslaand terwijl ze naar de rivier ging voor wat water vergat ze, lichtelijk aangetrokken tot Citraratha, de tijd voor het vuuroffer. (4) Toen ze zich bewust werd van de verspilde tijd stond ze, teruggekeerd, bang om door de wijze te worden vervloekt met gevouwen handen voor hem waarbij ze de waterpot er bij neer had gezet. (5) De wijze begreep dat ze was bezweken voor de verleiding en werd kwaad op zijn vrouw zeggend: 'Dood haar mijn zoons, ze is vol van zonde', maar de zoons voerden zijn opdracht niet uit. (6) Door zijn meditatie en zijn verzaking zich volledig bewust van waar de wijze toe in staat was bracht Râma in reactie op de aansporing door zijn vader terstond zijn moeder en al zijn broers ter dood. (7) Door de verheugde Jamadagni gevraagd welke gunst hij maar verleend zou willen zien zei hij: 'Laat de doden vandaag van deze Râma weer tot leven komen en zich er niets meer van herinneren dat ze door mij ter dood zijn gebracht!' (8) En spoedig herrezen ze springlevend en gelukkig alsof ze ontwaakten uit een diepe slaap, daar Râma was overgegaan tot het doden van zijn naasten in het volle bewustzijn van deze macht van verzaking van zijn vader.
(9) Zij die de zonen waren van Kârtaviryârjuna [9.15: 17], o Koning, konden het geluk niet vinden bij de voortdurende herinnering hoe hun vader het onderspit had moeten delven door de superieure macht van Paras'urâma. (10) Dus namen ze op een keer toen Râma en zijn broeders weg van de âs'rama in het bos waren, de kans waar hun verblijfplaats te naderen zinnend op wraak. (11) Toen ze bij de vuurplaats de muni aantroffen die daar volledig verzonken contempleerde op de Allerhoogste Geprezen in de Verzen, brachten ze hem, vastbesloten te zondigen, ter dood. (12) Hoogst wreed met de arme en onbeschermde moeder van Râma die om het leven van haar echtgenoot smeekte, namen zij, die zogenaamde kshatriya-broeders, met geweld bezit van zijn hoofd het van de romp slaand. (13) Renukâ de kuise vrouw in tranen en verslagen sloeg zich treurend met haar handen op het lijf luidkeels roepend: 'O Râma, o Râma, mijn liefste zoon!' (14) Toen hij, hoe ver weg hij ook was, die allerverdrietigste kreet 'oh Râma' hoorde, haastten ze [Râma en zijn broers] zich terug naar de âs'rama en zagen ze dat de vader was vermoord. (15) Van de wijs door de kracht van de pijn die hen trof, riepen ze in verslagenheid verdrietig, verontwaardigd en woedend uit: 'O vader, o heilige, nu hebt u, zo'n voorbeeld in het dharma, ons verlaten voor de hemel!' (16) Alzo weeklagend over hun vader vertrouwde Paras'urâma het lichaam aan zijn broers toe en nam hij in eigen persoon de bijl ter hand, vastbesloten om een einde te maken aan de kshatriya's. (17) Omdat er een brahmaan was vermoord ging Paras'urâma naar Mâhishmatî [de hoofdstad] om ze naar de verdoemenis te helpen: hij hakte hun allemaal het hoofd af, o Koning, en bouwde er midden in de stad een grote stapel van op.(18-19) Hun rivier van bloed was een verschrikking die alle koningen die in minachting voor het brahmaanse leefden in angst verzette. Het feit dat hij de moord op zijn vader moest aanvaarden vormde de aanleiding die resulteerde in het tot eenentwintig keer toe wegvagen van de hele adelstand van de aarde wanneer ze zich ook maar slecht gedroegen; als een krijgsheer schiep hij aldus te Samanta-pañcaka negen meren gevuld met bloed in plaats van met water [zie ook B.G. 4: 7].
(20) Zijn vaders hoofd weer bij zijn romp voegend en op kus'a-gras houdend, aanbad hij met offerandes de Alomtegenwoordige Godheid die Alle Goddelijkheid Doorvaart. (21-22) De hotâ-priester gaf hij de oostelijke richting cadeau, de brahmâ-priester schonk hij de zuidelijke richting, de adhvaryu gaf hij de westkant en de udgâtâ kreeg inderdaad het noorden [vergelijk met 9.11: 2]. De anderen en Kas'yapa Muni wees hij de verschillende uithoeken toe en het middelste Âryâvarta gedeelte [*] schonk hij weg aan de upadrashthâ priester die toezag op de mantra's; de assisterende sadasya priesters kregen alles wat er overbleef. (23) Toen hij daarna een bad nam raakte hij op de oever van de hoofdstroom die de Sarasvatî was gezuiverd van de altijd maar voortdurende terugslag van de zonde en stond hij op als een zon zonder wolken [zie ook B.G. 3: 9]. (24) Door de aanbidding van Paras'urâma herkreeg Jamadagni zijn eigen lichaam met alle tekenen van leven, kennis en heugenis van de grote zieners en werd hij de zevende ster in een sterrenbeeld van zeven [de zeven wijzen, zie 8.13: 5, gekoppeld aan de saptarshi-mandala sterren rond de poolster]. (25) De zoon van Jamadagni, Paras'urâma, die eveneens de Allerhoogste Heer met de lotusblaadjes-ogen is, zal in het komende tijdperk van Manu, o Koning, een voorvechter van de vedische kennis zijn [als één van de zeven wijzen, zie 8.13: 15-16]. (26) Hij, met het opgegeven hebben van de roede in vrede met de intelligentie, is tot op de dag van vandaag nog aanwezig in de heuvels van Mahendra en wordt aanbeden en vereerd vanwege zijn karakter en optreden door al de vervolmaakten, zangers van de hemel en achtenswaardigen. (27) Op deze manier heeft, zich vertonend als een incarnatie in de lijn van Bhrigu en met het vele malen ter dood brengen van de heersers der mensen, de Ziel van het Universum, de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser, de aarde bevrijd van haar zware last.
(28) Van Gâdhi [zie 9.15: 4-5] kwam de hoogst machtige [Vis'vâmitra] ter wereld die vlammend als een vuur met zijn boetedoeningen de positie van een kshatriya op had gegeven en de kwaliteit van een brahmaan had bereikt [zie 7.11: 35 en voetnoot op 9.7: 7]. (29) Met Vis'vâmitra kon men eveneens rekenen op zoons: voorwaar honderd-en-één stuks, o heerser, die vanwege de middelste die Madhucchandâ heette als groep werden gevierd als de Madhucchandâ's. (30) Hij nam als zijn zoon S'unahs'epha aan, die als Devarâta ['gered door de goddelijken'], in de lijn van Bhrigu naar voren trad als de zoon van Ajîgarta; hij droeg zijn eigen zoons op hem te aanvaarden als de oudste. (31) Hij inderdaad werd voor de yajña van Haris'candra verkocht [aan Rohita] als het menselijk 'offerdier'. Door zijn gebeden tot de goddelijken onder leiding van Heer Brahmâ werd hij bevrijd van het als een beest vastgebonden zijn [zie 9.7: 20]. (32) Hij, beschermd in het perk van de goddelijken, slaagde er dankzij die godvrezende mensen in de dynastie van Gâdhi in zich te ontwikkelen op spiritueel gebied en werd aldus in de lijn van Bhrigu zowel gevierd als Devarâta als S'unas'epha. (33) Zij behorend tot de Madhucchandâ's die de [vijftig] oudsten waren konden dat [hij hun oudste broer zou zijn] niet van harte aanvaarden en werden allen vervloekt door de muni die kwaad op hen werd en zei: 'Mogen jullie allen, slechte zoons, mleccha's worden [**]!' (34) Het was inderdaad Madhucchandâ die toen met het tweede vijftigtal zei: 'We zullen ons neerleggen bij alles wat maar naar uw genoegen het onze zou zijn, o vader!' (35) Ze aanvaardden de oudste als een ziener van de mantra's en zeiden hem: 'We zijn het erover eens jou te volgen en zo zullen we dat naar waarheid ook werkelijk doen'. Vis'vâmitra zei tot de zoons: 'Jullie zullen allen vaders worden van zoons naar mijn eer daar jullie mij hebben aanvaard als een vader van waardige zoons. (36) Deze ene Devarâta is, precies zoals jullie dat zijn, mijn zoon, o Kus'ika's [***], gehoorzaam hem maar', en vele andere zoons volgden: Ashthaka, Hârîta, Jaya, Kratumân en meer. (37) Aldus ontwikkelde zich de Kaus'ika-dynastie van de zoons van Vis'vâmitra van wiens verschillende posities die ze als dusdanig hadden ingenomen, men zich bijgevolg van de verschillende soorten van hen kon overtuigen.'
Tweede editie, geladen 13 januari 2008.
Bronteksten:
Heer Paras'urâma vernietigt de heersende klasse
S'rî S'uka zei: 'O zoon van de Kuru-dynastie, Paras'urâma door zijn vader aldus van advies gediend zei: 'Zo zij het!', en reisde een jaar lang alle heilige plaatsen af om daarna naar de âs'rama terug te keren.S'ukadeva Gosvâmî zei: Mijn beste Mahârâja Parîkshit, zoon van de Kuru-dynastie, toen Heer Paras'urâma deze opdracht van zijn vader kreeg, stemde hij er onmiddellijk mee in en zei: "Het zij zo." Daarna reisde hij een heel jaar lang de heilige plaatsen af en keerde vervolgens naar de woonplaats van zijn vader terug. (Vedabase)
Toen Renukâ (zijn moeder) zich eens naar de oever van de Ganges begaf, zag ze de koning van de Gandharva's [zie ook 9.14: 31] omhangen met een bloemenslinger van lotussen zich vermaken met de meisjes van de hemel, de Apsara's.
Op een keer, toen Renukâ, de vrouw van Jamadagni, naar de oever van de Ganges ging om water te halen, zag ze daar de koning van de Gandharva's, met een krans van lotusbloemen om zijn hals, die zich met hemelse vrouwen [Apsara's] aan het vermaken was in het water van de Ganges. (Vedabase)
Zijn bezigheden gadeslaand terwijl ze naar de rivier ging voor wat water vergat ze, lichtelijk aangetrokken tot Citraratha, de tijd voor het vuuroffer.
Ze was weggegaan om water uit de Ganges te halen, maar toen ze Citraratha, de koning van de Gandharva's, zich zo zag vermaken met de hemelse meisjes, voelde ze zich een beetje tot hem aangetrokken en vergat helemaal dat het tijd was voor het vuuroffer. (Vedabase)
Toen ze zich bewust werd van de verspilde tijd stond ze, teruggekeerd, bang om door de wijze te worden vervloekt met gevouwen handen voor hem waarbij ze de waterpot er bij neer had gezet.
Toen het later tot Renukâ doordrong dat de tijd voor het offer al voorbij was, was ze bang dat haar echtgenoot haar zou vervloeken. Toen ze terugkwam zette ze daarom de waterkruik gewoon voor hem neer en bleef met gevouwen handen staan. (Vedabase)
De wijze begreep dat ze was bezweken voor de verleiding en werd kwaad op zijn vrouw zeggend: 'Dood haar mijn zoons, ze is vol van zonde', maar de zoons voerden zijn opdracht niet uit.
De grote wijze Jamadagni kon begrijpen dat zijn vrouw in haar geest overspel gepleegd had. Daarom werd hij erg kwaad en zei tegen zijn zonen: "Mijn beste zonen, dood deze zondige vrouw!" Maar de zonen voerden zijn bevel niet uit. (Vedabase)
Door zijn meditatie en zijn verzaking zich volledig bewust van waar de wijze toe in staat was bracht Râma in reactie op de aansporing door zijn vader terstond zijn moeder en al zijn broers ter dood.
Toen beval Jamadagni zijn jongste zoon, Paras'urâma, om zijn broers, die zijn bevel niet hadden gehoorzaamd, en ook zijn moeder, die in haar geest overspel had gepleegd, te doden. Heer Paras'urâma was zich bewust van de macht van zijn vader, die ervaren was op het gebied van meditatie en ascese, en doodde zijn moeder en broers daarom onmiddellijk. (Vedabase)
Door de verheugde Jamadagni gevraagd welke gunst hij maar verleend zou willen zien zei hij: 'Laat de doden vandaag van deze Râma weer tot leven komen en zich er niets meer van herinneren dat ze door mij ter dood zijn gebracht!'
Jamadagni, de zoon van Satyavatî, was erg tevreden over Paras'urâma en bood hem iedere zegen aan die hij maar wenste. Heer Paras'urâma antwoordde: "Ik zou willen dat u mijn moeder en broers weer tot leven bracht en dat ze zich niet herinneren dat ze door mij gedood zijn. Dat is de zegen waarom ik vraag." (Vedabase)
En spoedig herrezen ze springlevend en gelukkig alsof ze ontwaakten uit een diepe slaap, daar Râma was overgegaan tot het doden van zijn naasten in het volle bewustzijn van deze macht van verzaking van zijn vader.
Daarna kwamen door de zegen van Jamadagni Heer Paras'urâma's moeder en broers onmiddellijk tot leven en waren erg monter, alsof ze goed geslapen hadden. Heer Paras'urâma had overeenkomstig het bevel van zijn vader zijn bloedverwanten gedood omdat hij zich volledig bewust was van zijn vaders macht, ascese en geleerdheid. (Vedabase)
Zij die de zonen waren van Kârtaviryârjuna [9.15: 17], o Koning, konden het geluk niet vinden bij de voortdurende herinnering hoe hun vader het onderspit had moeten delven door de superieure macht van Paras'urâma.
Mijn beste koning Parîkshit, de zonen van Kârtavîryârjuna, die door de overmacht van Paras'urâma waren verslagen, waren nooit gelukkig omdat ze zich altijd bleven herinneren hoe hun vader gedood was. (Vedabase)
Dus namen ze op een keer toen Râma en zijn broeders weg van de âs'rama in het bos waren, de kans waar hun verblijfplaats te naderen zinnend op wraak.
Toen Paras'urâma eens samen met Vasumân en zijn andere broers de âs'rama had verlaten en het woud was ingegaan, maakten de zonen van Kârtavîryârjuna van de gelegenheid gebruik om naar Jamadagni's woning te gaan om wraak te nemen. (Vedabase)
Toen ze bij de vuurplaats de muni aantroffen die daar volledig verzonken contempleerde op de Allerhoogste Geprezen in de Verzen, brachten ze hem, vastbesloten te zondigen, ter dood.
De zonen van Kârtavîryârjuna waren vastbesloten om zondige daden te begaan. Toen ze daarom Jamadagni, mediterend op de Allerhoogste Godspersoon, die met de meest uitgelezen gebeden verheerlijkt wordt, bij het vuur zagen zitten om yajña te verrichten, namen ze hun kans waar en doodden hem. (Vedabase)
Hoogst wreed met de arme en onbeschermde moeder van Râma die om het leven van haar echtgenoot smeekte, namen zij, die zogenaamde kshatriya-broeders, met geweld bezit van zijn hoofd het van de romp slaand.
Renukâ, de moeder van Paras'urâma en de vrouw van Jamadagni, smeekte hen met hartverscheurende gebeden om het leven van haar echtgenoot te sparen. Maar de zonen van Kârtavîryârjuna, die verstoken waren van kshatriya-eigenschappen, waren zo wreed dat ze ondanks haar gebeden met geweld het hoofd van Jamadagni afhakten en het meenamen. (Vedabase)
Renukâ de kuise vrouw in tranen en verslagen sloeg zich treurend met haar handen op het lijf luidkeels roepend: 'O Râma, o Râma, mijn liefste zoon!'
De zeer kuise Renukâ huilde uit verdriet om de dood van haar man en sloeg zich met de handen op het lichaam terwijl ze zeer luid uitriep: "O Râma, mijn lieve zoon Râma!" (Vedabase)
Toen hij, hoe ver weg hij ook was, die allerverdrietigste kreet 'oh Râma' hoorde, haastten ze [Râma en zijn broers] zich terug naar de âs'rama en zagen ze dat de vader was vermoord.
Hoewel de zonen van Jamadagni, waaronder Heer Paras'urâma, ver van huis waren, hoorden ze Renukâ luid "o Râma, o mijn zoon" roepen en haastten zich onmiddellijk terug naar de âs'rama, waar ze zagen dat hun vader al gedood was. (Vedabase)
Van de wijs door de kracht van de pijn die hen trof, riepen ze in verslagenheid verdrietig, verontwaardigd en woedend uit: 'O vader, o heilige, nu hebt u, zo'n voorbeeld in het dharma, ons verlaten voor de hemel!'
Overmand door verdriet, woede, verontwaardiging, smart en droefenis riepen de zonen van Jamadagni uit: "O vader, u die zo religieus en heilig was, u hebt ons verlaten en bent naar de hemelse planeten gegaan!" (Vedabase)
Alzo weeklagend over hun vader vertrouwde Paras'urâma het lichaam aan zijn broers toe en nam hij in eigen persoon de bijl ter hand, vastbesloten om een einde te maken aan de kshatriya's.
Aldus weeklagend, vertrouwde Heer Paras'urâma de stoffelijke resten van zijn vader aan zijn broers toe en nam zelf zijn bijl ter hand, vastbesloten om alle kshatriya's van het aardoppervlak weg te vagen. (Vedabase)
Omdat er een brahmaan was vermoord ging Paras'urâma naar Mâhishmatî [de hoofdstad] om ze naar de verdoemenis te helpen: hij hakte hun allemaal het hoofd af, o Koning, en bouwde er midden in de stad een grote stapel van op.
O koning, Heer Paras'urâma begaf zich naar Mâhishmatî, dat al verdoemd was vanwege de zonde van het doden van een brâhmana. Daar maakte hij in het midden van de stad een berg van de afgehakte hoofden van de zonen van Kârtavîryârjuna. (Vedabase)
Hun rivier van bloed was een verschrikking die alle koningen die in minachting voor het brahmaanse leefden in angst verzette. Het feit dat hij de moord op zijn vader moest aanvaarden vormde de aanleiding die resulteerde in het tot eenentwintig keer toe wegvagen van de hele adelstand van de aarde wanneer ze zich ook maar slecht gedroegen; als een krijgsheer schiep hij aldus te Samanta-pañcaka negen meren gevuld met bloed in plaats van met water [zie ook B.G. 4: 7].
Met het bloed van de zonen van Kârtavîryârjuna schiep Heer Paras'urâma een gruwelijke rivier, die de koningen die geen respect hadden voor de brahmaanse cultuur grote angst aanjaagde. Omdat de kshatriya's, die aan het hoofd van de regering stonden, zich schuldig maakten aan zondige activiteiten, vaagde Heer Paras'urâma ze eenentwintig maal van de aarde onder het voorwendsel dat hij wraak wilde nemen voor de moord op zijn vader. Voorwaar, in Samanta-pañcaka maakte hij negen meren gevuld met hun bloed. (Vedabase)
Zijn vaders hoofd weer bij zijn romp voegend en op kus'a-gras houdend, aanbad hij met offerandes de Alomtegenwoordige Godheid die Alle Goddelijkheid Doorvaart.
Daarna zette Paras'urâma het hoofd van zijn vader op diens dode lichaam en legde dit in zijn geheel op kus'a-gras. Vervolgens verrichtte hij offers om Heer Vâsudeva te vereren, die de alomtegenwoordige Superziel van alle halfgoden en ieder levend wezen is. (Vedabase)
De hotâ-priester gaf hij de oostelijke richting cadeau, de brahmâ-priester schonk hij de zuidelijke richting, de adhvaryu gaf hij de westkant en de udgâtâ kreeg inderdaad het noorden [vergelijk met 9.11: 2]. De anderen en Kas'yapa Muni wees hij de verschillende uithoeken toe en het middelste Âryâvarta gedeelte [*] schonk hij weg aan de upadrashthâ priester die toezag op de mantra's; de assisterende sadasya priesters kregen alles wat er overbleef.
Nadat Heer Paras'urâma het offer voltooid had, schonk hij het oosten aan de hotâ, het zuiden aan de brahmâ, het westen aan de adhvaryu, het noorden aan de udgâtâ, en de vier hoeken - noordoost, zuidoost, noordwest en zuidwest - aan de andere priesters. Hij gaf het midden aan Kas'yapa en het gebied met de naam Âryâvarta aan de upadrashthâ. Alles wat er overbleef verdeelde hij onder de sadasya's, de hulppriesters. (Vedabase)
Toen hij daarna een bad nam raakte hij op de oever van de hoofdstroom die de Sarasvatî was gezuiverd van de altijd maar voortdurende terugslag van de zonde en stond hij op als een zon zonder wolken [zie ook B.G. 3: 9].
Nadat Heer Paras'urâma de offerriten voltooid had, nam hij het bad dat men kent als het avabhritha-snâna. Zoals hij, van alle zonden schoongewassen, aan de oever van de grote rivier de Sarasvatî stond, leek Heer Paras'urâma op de zon aan een heldere, onbewolkte hemel. (Vedabase)
Door de aanbidding van Paras'urâma herkreeg Jamadagni zijn eigen lichaam met alle tekenen van leven, kennis en heugenis van de grote zieners en werd hij de zevende ster in een sterrenbeeld van zeven [de zeven wijzen, zie 8.13: 5, gekoppeld aan de saptarshi-mandala sterren rond de poolster].
Zo kwam Jamadagni, omdat hij door Heer Paras'urâma vereerd werd, weer tot leven met behoud van zijn volle geheugen, en werd een van de zeven wijzen in de groep van zeven sterren. (Vedabase)
De zoon van Jamadagni, Paras'urâma, die eveneens de Allerhoogste Heer met de lotusblaadjes-ogen is, zal in het komende tijdperk van Manu, o Koning, een voorvechter van de vedische kennis zijn [als één van de zeven wijzen, zie 8.13: 15-16].
O koning Parîkshit, in het volgende manvantara zal de lotus-ogige Godspersoon Heer Paras'urâma, de zoon van Jamadagni, een groot leraar in de vedische kennis worden. Hij zal, met andere woorden, een van de zeven wijzen zijn. (Vedabase)
Hij, met het opgegeven hebben van de roede in vrede met de intelligentie, is tot op de dag van vandaag nog aanwezig in de heuvels van Mahendra en wordt aanbeden en vereerd vanwege zijn karakter en optreden door al de vervolmaakten, zangers van de hemel en achtenswaardigen.
Heer Paras'urâma woont nog steeds als een intelligente brâhmana in het bergachtige gebied dat men Mahendra noemt. Hij is volkomen voldaan, heeft afstand gedaan van alle wapens van een kshatriya en wordt om zijn verheven karakter en activiteiten voortdurend vereerd, bewonderd en aanbeden door hemelse wezens als Siddha's, Cârana's en Gandharva's. (Vedabase)
Op deze manier heeft, zich vertonend als een incarnatie in de lijn van Bhrigu en met het vele malen ter dood brengen van de heersers der mensen, de Ziel van het Universum, de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser, de aarde bevrijd van haar zware last.
Op deze wijze daalde de allerhoogste ziel, de Allerhoogste Godspersoon, de Heer en de allerhoogste bestuurder, als incarnatie neer in de Bhrigu-dynastie en verloste het universum van de last van ongewenste koningen door ze vele malen te doden. (Vedabase)
Van Gâdhi [zie 9.15: 4-5] kwam de hoogst machtige [Vis'vâmitra] ter wereld die vlammend als een vuur met zijn boetedoeningen de positie van een kshatriya op had gegeven en de kwaliteit van een brahmaan had bereikt [zie 7.11: 35 en voetnoot op 9.7: 7].
Vis'vâmitra, de zoon van Mahârâja Gâdhi, was even machtig als de vlammen van het vuur. Door boetedoening en ascese te beoefenen wist hij vanuit de positie van een kshatriya de positie van een machtige brâhmana te bereiken. (Vedabase)
Met Vis'vâmitra kon men eveneens rekenen op zoons: voorwaar honderd-en-één stuks, o heerser, die vanwege de middelste die Madhucchandâ heette als groep werden gevierd als de Madhucchandâ's.
O koning Parîkshit, Vis'vâmitra had honderd-één zonen, waarvan de middelste Madhucchandâ heette. Hierdoor stonden alle andere zonen bekend als de Madhucchandâ's. (Vedabase)
Hij nam als zijn zoon S'unahs'epha aan, die als Devarâta ['gered door de goddelijken'], in de lijn van Bhrigu naar voren trad als de zoon van Ajîgarta; hij droeg zijn eigen zoons op hem te aanvaarden als de oudste.
Vis'vâmitra adopteerde de zoon van Ajîgarta, S'unahs'epha, die in de Bhrigu-dynastie geboren was en ook Devarâta genoemd werd. Hij beval zijn andere zonen om S'unahs'epha als hun oudste broer te aanvaarden. (Vedabase)
Hij inderdaad werd voor de yajña van Haris'candra verkocht [aan Rohita] als het menselijk 'offerdier'. Door zijn gebeden tot de goddelijken onder leiding van Heer Brahmâ werd hij bevrijd van het als een beest vastgebonden zijn [zie 9.7: 20].
S'unahs'epha's vader verkocht S'unahs'epha om als mensdier geofferd te worden tijdens het yajña van koning Haris'candra. Toen S'unahs'epha het offerperk binnengeleid werd, bad hij de halfgoden om vrijgelaten te worden, wat door hun genade gebeurde. (Vedabase)
Hij, beschermd in het perk van de goddelijken, slaagde er dankzij die godvrezende mensen in de dynastie van Gâdhi in zich te ontwikkelen op spiritueel gebied en werd aldus in de lijn van Bhrigu zowel gevierd als Devarâta als S'unas'epha.
Hoewel S'unahs'epha in de Bhârgava-dynastie was geboren, was hij bijzonder vergevorderd in het geestelijk leven. Dat was de reden waarom hij door de halfgoden die bij het offer betrokken waren werd beschermd. Daarom genoot hij ook bekendheid als de nakomeling van Gâdhi, Devarâta genaamd. (Vedabase)
Zij behorend tot de Madhucchandâ's die de [vijftig] oudsten waren konden dat [hij hun oudste broer zou zijn] niet van harte aanvaarden en werden allen vervloekt door de muni die kwaad op hen werd en zei: 'Mogen jullie allen, slechte zoons, mleccha's worden [**]!'
Toen de vijftig oudste Madhucchandâ's, de zonen van Vis'vâmitra, door hun vader verzocht werden om S'unahs'epha als hun oudste broer te aanvaarden, weigerden ze dit te doen. Vis'vâmitra was hier erg boos over en vervloekte hen met de woorden: "Slechte zonen die jullie zijn, dat jullie allemaal mleccha's mogen worden, want jullie zijn gekant tegen de principes van de vedische cultuur." (Vedabase)
Het was inderdaad Madhucchandâ die toen met het tweede vijftigtal zei: 'We zullen ons neerleggen bij alles wat maar naar uw genoegen het onze zou zijn, o vader!'
Toen de vijftig oudste Madhucchandâ's vervloekt waren, gingen de vijftig jongste zonen en Madhucchandâ zelf naar hun vader toe en stemden met zijn verzoek in. "Beste vader," zeiden ze, "wij leggen ons neer bij iedere maatregel die u treft." (Vedabase)
Ze aanvaardden de oudste als een ziener van de mantra's en zeiden hem: 'We zijn het erover eens jou te volgen en zo zullen we dat naar waarheid ook werkelijk doen'. Vis'vâmitra zei tot de zoons: 'Jullie zullen allen vaders worden van zoons naar mijn eer daar jullie mij hebben aanvaard als een vader van waardige zoons.
Zo aanvaardden de jongere Madhucchandâ's S'unahs'epha als hun oudste broer, en zeiden tot hem: "We zullen je bevelen opvolgen." Daarop zei Vis'vâmitra tot zijn gehoorzame zonen: "Ik ben erg tevreden dat jullie S'unahs'epha als jullie oudste broer aanvaard hebben. Door mijn bevel te gehoorzamen, hebben jullie mij een vader van waardige zonen gemaakt en daarom geef ik jullie allemaal de zegen dat jullie ook vaders van zonen zullen worden." (Vedabase)
Deze ene Devarâta is, precies zoals jullie dat zijn, mijn zoon, o Kus'ika's [***], gehoorzaam hem maar', en vele andere zoons volgden: Ashthaka, Hârîta, Jaya, Kratumân en meer.
Vis'vâmitra zei: "O Kus'ika's [nakomelingen van Kaus'ika], deze Devarâta is mijn zoon en daarmee is hij ook een van jullie. Wees hem alsjeblieft gehoorzaam." O koning Parîkshit, Vis'vâmitra had vele andere zonen, zoals Ashthaka, Hârîta, Jaya en Kratumân. (Vedabase)
Aldus ontwikkelde zich de Kaus'ika-dynastie van de zoons van Vis'vâmitra van wiens verschillende posities die ze als dusdanig hadden ingenomen, men zich bijgevolg van de verschillende soorten van hen kon overtuigen.'
Vis'vâmitra vervloekte sommigen van zijn zonen, zegende de anderen en adopteerde ook een zoon. Zo bestonden er heel wat verschillen in de Kaus'ika-dynastie, maar van alle zonen werd Devarâta als de oudste beschouwd. (Vedabase)
* Het stuk land in India tussen het Himalaya gebergte en de Vindhya heuvels wordt Âryâvarta genoemd.** Mleccha's zijn mensen die ingaan tegen de Veda's, niet-Aryan's die men ook wel kent als de vleeseters die door Heer Kalki aan het einde van Kali-yuga zullen worden omgebracht.
*** 'Een van Kaus'ika' is een andere naam voor Vis'vâmitra en zijn zoons, zie ook 6.8: 38.
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
Srîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd