regelbalk



 

 

Canto 9

Govindam Âdi Purusham

 

    
Hoofdstuk 7: De Nazaten van Koning Mândhâtâ

(1)  S'rî S'uka zei: 'De belangrijkste zoon van Mândhâtâ genaamd Ambarîsha [naar de Ambarîsha van Nâbhâga, zie 9.4: 13], werd door zijn grootvader Yuvanâs'va aangenomen als zijn zoon en hij had op zijn beurt een zoon genaamd Yauvanâs'va die weer een zoon had die Hârîta heette. Deze [drie nakomelingen, Ambarîsha, Yauvanâs'va en Hârîta,] waren de meest gedenkwaardige leden van de Mândhâtâ-dynastie. (2) Purukutsa [een andere zoon van Mândhâtâ] werd door zijn vrouw Narmadâ in opdracht van de koning der serpenten [Vâsuki] meegevoerd naar de lagere regionen. Zij werd door haar slangenbroeders aan hem uitgehuwelijkt. (3) Hij, ertoe in staat gesteld door Heer Vishnu, vernietigde aldaar de Gandharva's die het verdienden te worden bestraft [vanwege hun vijandigheid]. Van de serpenten ontving hij [daarvoor] de zegen dat een ieder die zich dit voorval herinnert niets te vrezen heeft van slangen.

(4) De zoon van Purukutsa genaamd Trasaddasyu [vernoemd naar de andere 9.6: 32-34] was de vader van Anaranya. Zijn zoon droeg de naam Haryas'va [naar 9.6: 23-24]. Van hem was er Prâruna en Prâruna's zoon was Tribandhana. (5-6) Van Tribandhana was er een zoon genaamd Satyavrata [naar de Manu, zie 8.24: 10], die, vervloekt door zijn vader [vanwege het ontvoeren van een brahmanendochter tijdens haar huwelijk], de status van een uitgestotene [een candâla] had verworven en om die reden Tris'anku werd genoemd ['bevreesd voor de hemelen']. Dankzij de macht van Kaus'ika [de wijze Vis'vâmitra] ging hij [nog steeds belichaamd] naar de hemel alwaar hij, ten val gekomen vanwege de halfgoden, [halverwege tijdens zijn val] dankzij de almacht van de wijze een vaste positie kreeg. In die positie kan hij tot op de dag van vandaag worden waargenomen als met zijn hoofd uit de hemel naar beneden hangend [in de vorm van een sterrenbeeld]. (7) Tris'anku's zoon was Haris'candra. Vanwege hem bestond er tussen Vis'vâmitra en Vasishthha een grote tweestrijd om reden waarvan de twee voor vele jaren [als twee] vogels waren [*]. (8) Hij was er zeer over terneergeslagen dat hij geen opvolger had en zocht toen op aanraden van Nârada zijn heil bij Varuna die hij vroeg: 'O heer, mag er een zoon van mijn lendenen zijn?'

(9) O Mahârâja, en toen zei hij: 'En als er dan een zoon is, ben ik zelfs bereid met hem een offer te bereiden als u dat zo wenst'. Varuna aanvaardde het en zo werd er daadwerkelijk een zoon van hem geboren die Rohita ['uit het bloed'] werd genoemd.

(10) Varuna zei daarom tegen hem: 'Er kwam een zoon ter wereld. Bent u bereid hem voor mij op te offeren?' Haris'candra gaf ten antwoord: 'Een dier wordt geofferd als er tien dagen zijn verstreken [sinds zijn geboorte]. Dan wordt het geschikt bevonden om te worden geofferd.'

(11) Tien dagen later verscheen hij weer en zei: 'Breng nu dan het offer!' Haris'candra zei: 'Als de tanden van een dier zijn verschenen, zal het ervoor geschikt zijn te worden geofferd!'

(12) Toen de tanden waren gegroeid zei Varuna: 'Offer nu!', waarop Haris'candra antwoordde: 'Als hij zijn [melk-]tanden kwijt is, zal hij geschikt zijn.'

(13) 'De tanden van het dier zijn eruit gevallen' zei Varuna, 'offer nu dan!' Daarop luidde het antwoord: 'Pas als de tanden van het 'offerdier' weer zijn terug gegroeid, is het zuiver!'

(14) Nadat ze weer waren aangegroeid zei Varuna: 'Offert u nu!' Haris'candra zei toen: 'Als hij zich kan verdedigen als een krijger met een schild, o Koning, zal het 'offerdier' zuiver zijn.'

(15) Met zijn geest aldus beheerst door de genegenheid voor zijn zoon, leidde hij de god om de tuin met uitspraken over de tijd [die het zou kosten] en liet hij hem wachten. (16) Rohita zich bewust van wat zijn vader van plan was te doen, nam in een poging zijn leven te redden, zijn boog en pijlen ter hand en ging het woud in. (17) Toen hij vernam dat zijn vader [vanwege Varuna] getroffen was door waterzucht en een grote opgezette buik had gekregen, wilde Rohita terugkeren naar de hoofdstad, maar Indra verbood het hem daar heen te gaan. (18) Indra droeg hem op de wereld rond te reizen om heilige plaatsen en bedevaartsoorden te bezoeken. Daarop leefde hij een jaar lang in het woud. (19) Een tweede, een derde, een vierde en een vijfde jaar achtereen verscheen Indra steeds opnieuw in de gedaante van een oude brahmaan om hem hetzelfde te zeggen. (20) Het zesde jaar dat Rohita in het bos ronddoolde, begaf hij zich naar de hoofdstad alwaar hij Ajîgarta's tweede zoon S'unahs'epha kocht om dienst te doen als het 'offerdier'. Hij bood hem zijn vader aan onder het brengen van zijn eerbetuigingen. (21) Nadat [het wereldse leven van] de man in de yajña [**] was geofferd aan Varuna en de andere halfgoden, raakte Haris'candra bevrijdt van zijn waterzucht en werd hij beroemd als een van de grote historische persoonlijkheden. (22) Vis'vâmitra deed tijdens de plechtigheid de uitgietingen [als de adhvaryu], de zelfverwerkelijkte Jamadagni leidde de recitaties van de [Yajur Veda] mantra's, Vasishthha was de brahmaan die de leiding had [de brahmâ] en Ayâsya reciteerde de [Sâma Veda] hymnen [als de udgâtâ]. (23) Indra was zeer behaagd en bezorgde hem een gouden wagen. Over de heerlijkheden van S'unahs'epha zal ik verslag doen als ik de zoons van Vis'vâmitra beschrijf.

(24) Het behaagde Vis'vâmitra zeer om waarachtigheid, betrouwbaarheid en verdraagzaamheid te zien in de heerser [Haris'candra] en zijn vrouw en daarom schonk hij hen de onvergankelijke kennis. (25-26) [De heerser] bedwong zijn onwetendheid middels een specifiek meditatieproces waarin hij zijn materiële ambities opgaf. Hij liet zijn geest opgaan in de aarde, de aarde in het water, het water in het vuur, het vuur in de lucht en de lucht in de ether. Vervolgens liet hij de ether opgaan in de oorzaak der manifestatie en dit valse ego [dit ahankâra] in het geheel van de materie. Die volledigheid [van het mahat-tattva] liet hij tenslotte opgaan in de geestelijke kennis in al haar geledingen. Aldus volledig verlost van materiële gebondenheid slaagde hij erin, middels liefdevolle zelfverwerkelijking en bevrijdende, bovenzinnelijke gelukzaligheid, bij de Ondoorgrondelijke en Onwaarneembare te blijven.'
 

 

next                     

 

 

Derde herziene editie, geladen 16 december 2012.
 
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'De belangrijkste zoon van Mândhâtâ genaamd Ambarîsha [naar de Ambarîsha van Nâbhâga, zie 9.4: 13], werd door zijn grootvader Yuvanâs'va aangenomen als zijn zoon en hij had op zijn beurt een zoon genaamd Yauvanâs'va die weer een zoon had die Hârîta heette. Deze [drie nakomelingen, Ambarîsha, Yauvanâs'va en Hârîta,] waren de meest gedenkwaardige leden van de Mândhâtâ-dynastie.
S'rî S'uka zei: 'Een belangrijke zoon van Mândhâtâ, werd op voorspraak van grootvader Yuvanâs'va gevierd als Ambarîsha [naar de Ambarîsha van Nâbhâga, zie 4.13] en hij weer had een zoon genaamd Yauvanâs'va. Zijn zoon was Hârita wiens zoon de meest gedenkwaardige van alle leden van de Mândhâtâ dynastie werd. (Vedabase)

 

Tekst 2

Purukutsa [een andere zoon van Mândhâtâ] werd door zijn vrouw Narmadâ in opdracht van de koning der serpenten [Vâsuki] meegevoerd naar de lagere regionen. Zij werd door haar slangenbroeders aan hem uitgehuwelijkt.

Narmadâ werd door haar slangenbroers weggeschonken aan Purukutsa [een andere zoon van Mândhâtâ] die door haar in dienst van de koning der serpenten [Vâsuki] werd meegevoerd naar de lagere regionen. (Vedabase)

 

Tekst 3

Hij, ertoe in staat gesteld door Heer Vishnu, vernietigde aldaar de Gandharva's die het verdienden te worden bestraft [vanwege hun vijandigheid]. Van de serpenten ontving hij [daarvoor] de zegen dat een ieder die zich dit voorval herinnert niets te vrezen heeft van slangen.

Aldaar vernietigde hij, in feite daartoe in staat gesteld door Heer Vishnu, hen die, het goddelijke lied levend, het verdienden te worden bestraft [vanwege hun Gandharva-zonde van het gokken]. Van de slangachtigen ontving hij de zegen dat zij die zich dit voorval herinneren niets te vrezen hebben van slangen. (Vedabase)

 

Tekst 4

De zoon van Purukutsa genaamd Trasaddasyu [vernoemd naar de andere 9.6: 32-34] was de vader van Anaranya. Zijn zoon droeg de naam Haryas'va [naar 9.6: 23-24]. Van hem was er Prâruna en Prâruna's zoon was Tribandhana.

De zoon van Pûrukutsa Trasaddasyu [vernoemd naar de andere: 6: 32-34] was de vader van Anaranya wiens zoon de naam Haryas'va droeg [naar: 6: 23-24]. Van hem was er Prâruna en Prâruna's zoon was Tribandhana. (Vedabase)

 

Tekst 5-6

Van Tribandhana was er een zoon genaamd Satyavrata [naar de Manu, zie 8.24: 10], die, vervloekt door zijn vader [vanwege het ontvoeren van een brahmanendochter tijdens haar huwelijk], de status van een uitgestotene [een candâla] had verworven en om die reden Tris'anku werd genoemd ['bevreesd voor de hemelen']. Dankzij de macht van Kaus'ika [de wijze Vis'vâmitra] ging hij  [nog steeds belichaamd] naar de hemel alwaar hij, ten val gekomen vanwege de halfgoden, [halverwege tijdens zijn val] dankzij de almacht van de wijze een vaste positie kreeg. In die positie kan  hij tot op de dag van vandaag worden waargenomen als met zijn hoofd uit de hemel naar beneden hangend [in de vorm van een sterrenbeeld].

Van Tribandhana was er een zoon genaamd Satyavrata [naar de Manu, zie 8.24: 10], die, vervloekt door zijn vader [voor het ontvoeren van een brahmanendochter tijdens haar huwelijk], de kwaliteit van een uitgestotene [een cândâla] had verworven en om die reden Tris'anku werd genoemd ['bevreesd voor de hemelen']. Onder de invloed van Kaus'ika [de wijze Vis'vâmitra] ging hij naar de hemel alwaar hij, er ten val gekomen, [halverwege in zijn val] gefixeerd door de goddelijke almacht van de wijze, tot op de dag van vandaag inderdaad kan worden waargenomen met zijn hoofd uit de hemel naar beneden hangend. (Vedabase)

   

Tekst 7

Tris'anku's zoon was Haris'candra. Vanwege hem bestond er tussen Vis'vâmitra en Vasishthha een grote tweestrijd om reden waarvan de twee voor vele jaren [als twee] vogels waren [*].

Tris'anku's zoon was Haris'candra; vanwege hem was er tussen Vis'vâmitra en Vasishthha een grote tweestrijd om reden waarvan de twee voor vele jaren als vogels waren [*]. (Vedabase)

 

Tekst 8

Hij was er zeer over terneergeslagen dat hij geen opvolger had en zocht toen op aanraden van Nârada zijn heil bij Varuna die hij vroeg: 'O heer, mag er een zoon van mijn lendenen zijn?'

Hij was er zeer over terneer geslagen dat hij geen opvolger had en zocht toen op aanraden van Nârada zijn heil bij Varuna die hij vroeg: 'O heer, laat er een zoon van mij ter wereld komen.' (Vedabase)

 

Tekst 9

O Mahârâja, en toen zei hij: 'En als er dan een zoon is, ben ik zelfs bereid met hem een offer te bereiden als u dat zo wenst'. Varuna aanvaardde het en zo werd er daadwerkelijk een zoon van hem geboren die Rohita ['uit het bloed'] werd genoemd.

O mahârâja, en toen zei hij: 'En als er dan een zoon is, ben ik zelfs bereid met hem een offer te bereiden als u dat zo wenst'. Varuna aanvaarde het en zo werd er daadwerkelijk een zoon van hem geboren die Rohita ['uit het bloed'] werd genoemd. (Vedabase)

 

Tekst 10

Varuna zei daarom tegen hem: 'Er kwam een zoon ter wereld. Bent u bereid hem voor mij op te offeren?' Haris'candra gaf ten antwoord: 'Een dier wordt geofferd als er tien dagen zijn verstreken [sinds zijn geboorte]. Dan wordt het geschikt bevonden om te worden geofferd.'

'Aangezien er een zoon is geboren, mijn beste, bereid me dan een offer met hem', zei Varuna tot Haris'candra die toen antwoordde: 'Tien dagen nadien [na de geboorte] moet een dier worden beschouwd als zijnde geschikt om te worden geofferd.' (Vedabase)


Tekst 11

Tien dagen later verscheen hij weer en zei: 'Breng nu dan het offer!' Haris'candra zei: 'Als de tanden van een dier zijn verschenen, zal het ervoor geschikt zijn te worden geofferd!'

Tien dagen later zei hij daar weer verschijnend: 'En nu: breng het offer!'. Daarom gaf Haris'candra het antwoord: 'Als de tanden van een dier zijn verschenen, is het ervoor geschikt te worden geofferd!'. (Vedabase)

 

Tekst 12

Toen de tanden waren gegroeid zei Varuna: 'Offer nu!', waarop Haris'candra antwoordde: 'Als hij zijn [melk-]tanden kwijt is, zal hij geschikt zijn.'

Toen de tanden waren gegroeid zei Varuna: 'Offer nu', waarop Haris'candra antwoordde: 'Als hij zijn [melk-]tanden kwijt is, dan zal hij geschikt zijn.' (Vedabase)

 

Tekst 13

'De tanden van het dier zijn eruit gevallen' zei Varuna, 'offer nu dan!' Daarop luidde het antwoord: 'Pas als de tanden van het 'offerdier' weer zijn terug gegroeid, is het zuiver!'

Toen de tanden waren uitgevallen zei hij: 'Offer nu dan!', waarop het antwoord luidde: 'Als het 'offerdier' zijn tanden weer zijn teruggegroeid, is het pas zuiver!' (Vedabase)

 

Tekst 14

Nadat ze weer waren aangegroeid zei Varuna: 'Offert u nu!' Haris'candra zei toen: 'Als hij zich kan verdedigen als een krijger met een schild, o Koning, zal het 'offerdier' zuiver zijn.'

Toen ze waren aangegroeid zei Varuna: 'Offert U nou.', waarna Haris'candra zei: 'Als hij zich als een krijger kan verdedigen met een schild, o Koning, dan zal het 'offerdier' zuiver zijn.' (Vedabase)

  

Tekst 15

Met zijn geest aldus beheerst door de genegenheid voor zijn zoon, leidde hij de god om de tuin met uitspraken over de tijd [die het zou kosten] en liet hij hem wachten.

Op deze manier met zijn geest beheerst door de genegenheid voor zijn zoon leidde hij de god om de tuin over de tijd die het zou duren en liet hij hem zo wachten tot het moment daar zou zijn. (Vedabase)

  

Tekst 16

Rohita zich bewust van wat zijn vader van plan was te doen, nam in een poging zijn leven te redden, zijn boog en pijlen ter hand en ging het woud in.

Rohita zich bewust van wat zijn vader van zins was, nam, in een poging zijn leven te redden, zijn boog en pijlen op en ging het woud in. (Vedabase)
 
Tekst 17

Toen hij vernam dat zijn vader [vanwege Varuna] getroffen was door waterzucht en een grote opgezette buik had gekregen, wilde Rohita terugkeren naar de hoofdstad, maar Indra verbood het hem daar heen te gaan.

Toen hij vernam dat zijn vader vanwege Varuna geplaagd werd door waterzucht en een grote opgezette buik had gekregen, wilde Rohita terugkeren naar de hoofdstad, maar Indra verbood het hem daar naartoe te gaan. (Vedabase)

 

Tekst 18

Indra droeg hem op de wereld rond te reizen om heilige plaatsen en bedevaartsoorden te bezoeken. Daarop leefde hij een jaar lang in het woud.

Indra zei hem dat hij de wereld moest bereizen ter wille van de heilige plaatsen en bedevaartsoorden en dat hij voor de duur van een jaar in het woud moest verblijven. (Vedabase)

 

Tekst 19

Een tweede, een derde, een vierde en een vijfde jaar achtereen verscheen Indra steeds opnieuw in de gedaante van een oude brahmaan om hem hetzelfde te zeggen.

En zo gebeurde het dat voor een tweede, een derde, een vierde en nog eens een vijfde jaar Indra in de gedaante van een oude brahmaan voor hem verscheen om hem dat telkens weer opnieuw te vertellen. (Vedabase)

 

 Tekst 20

Het zesde jaar dat Rohita in het bos ronddoolde, begaf hij zich naar de hoofdstad alwaar hij Ajîgarta's tweede zoon S'unahs'epha kocht om dienst te doen als het 'offerdier'. Hij bood hem zijn vader aan onder het brengen van zijn eerbetuigingen.

Het zesde jaar dat Rohita in het bos ronddoolde, begaf hij zich naar de hoofdstad alwaar hij Ajîgarita zijn tweede zoon S'unahs'epha uitkocht om te dienen als het 'offerdier'. Hem bood hij zijn vader aan onder het brengen van zijn eerbetuigingen. (Vedabase)

 

Tekst 21

Nadat [het wereldse leven van] de man in de yajña [**] was geofferd aan Varuna en de andere halfgoden, raakte Haris'candra bevrijdt van zijn waterzucht en werd hij beroemd als een van de grote historische persoonlijkheden.

Met het daarop offeren van [het wereldse leven van] de man in de yajña [**] werd Haris'candra evenzo vermaard en geroemd als halfgoden als Varuna zijn in het bereiden van offers en raakte hij bevrijd van de waterzucht. (Vedabase)

 

Tekst 22

Vis'vâmitra deed tijdens de plechtigheid de uitgietingen [als de adhvaryu], de zelfverwerkelijkte Jamadagni leidde de recitaties van de [Yajur Veda] mantra's, Vasishthha was de brahmaan die de leiding had [de brahmâ] en Ayâsya reciteerde de [Sâma Veda] hymnen [als de udgâtâ].

Vis'vâmitra deed tijdens de plechtigheid de uitgietingen [als de Adhvaryu], de zelfverwerkelijkte Jamadagni leidde de recitaties van de [Yayur-veda] mantra's, Vasishthha was de brahmaan die de leiding had [de brahmâ] en Ayâsya [of Âgastya] deed de [Sâma-veda] hymnen [als de Udgâtâ]. (Vedabase)

 

Tekst 23

Indra was zeer behaagd en bezorgde hem een gouden wagen. Over de heerlijkheden van S'unahs'epha zal ik verslag doen als ik de zoons van Vis'vâmitra beschrijf.

Indra, zeer behaagd, bezorgde hem een gouden wagen. Van de heerlijkheden van S'unahs'epha zal ik verslag doen met de beschrijving van de zoons van Vis'vâmitra. (Vedabase)

   

Tekst 24

Het behaagde Vis'vâmitra zeer om waarachtigheid, betrouwbaarheid en verdraagzaamheid te zien in de heerser [Haris'candra] en zijn vrouw en daarom schonk hij hen de onvergankelijke kennis.

Het behaagde Vis'vâmitra zeer om waarachtigheid, betrouwbaarheid en verdraagzaamheid te zien bij de heerser [Haris'candra] en zijn vrouw en dus schonk hij hen de onvergankelijke kennis om hun bestemming te bereiken.(Vedabase)

 

Tekst 25-26

[De heerser] bedwong zijn onwetendheid middels een specifiek meditatieproces waarin hij zijn materiële ambities opgaf. Hij liet zijn geest opgaan in de aarde, de aarde in het water, het water in het vuur, het vuur in de lucht en de lucht in de ether. Vervolgens liet hij de ether opgaan in de oorzaak der manifestatie en dit valse ego [dit ahankâra] in het geheel van de materie. Die volledigheid [van het mahat-tattva] liet hij tenslotte opgaan in de geestelijke kennis in al haar geledingen. Aldus volledig verlost van materiële gebondenheid slaagde hij erin, middels liefdevolle zelfverwerkelijking en bevrijdende, bovenzinnelijke gelukzaligheid, bij de Ondoorgrondelijke en Onwaarneembare te blijven.'

Met het laten opgaan van het denken in de aarde, de aarde in het water, het water in het vuur, het vuur in de lucht en de lucht in de ether alsook met het doen opgaan daarvan in het geïdentificeerd zijn met de materie, dat valse ego in het geheel van de materie en die volledigheid in de geestelijke kennis in al zijn geledingen, werd door dat specifieke meditatieproces de onwetendheid bedwongen en de materiële ambitie verzaakt. Door liefdevolle zelfverwerkelijking en bevrijdende bovenzinnelijke gelukzaligheid konden ze bij de Ondoorgrondelijke blijven, volledig bevrijd van materiële gebondenheid. (Vedabase)

 

*: Prabhupâda geeft als commentaar: 'Vis'vâmitra en Vasishthha waren elkaar altijd vijandig gezind. Voorheen was Vis'vâmitra een kshatriya en door het ondergaan van strenge boetedoeningen en verzakingen wilde hij een brâhmana worden, maar Vasishthha wilde er niet mee instemmen hem op die manier te aanvaarden. En zo was er voortdurend onenigheid tussen de twee. Later echter, aanvaardde Vasishthha hem vanwege Vis'vâmitra's kwaliteit van vergevingsgezindheid. Eens voerde Haris'candra een yajña uit waarvoor Vis'vâmitra de priester was, maar Vis'vâmitra, die boos was op Haris'candra, nam al zijn bezittingen in beslag, ze claimend als een dakshinâ bijdrage. Vasishthha echter stond dit niet aan en zodoende ontstond er een vete tussen Vasishthha en Vis'vâmitra. Het vechten werd zo erg dat ieder van hen de ander vervloekte. Een van hen zei, "Dat je een vogel moge worden," en de ander zei, "Dat je een eend wordt!" Op die manier werden ze beiden vogels en gingen ze voor vele jaren door met hun strijd vanwege Haris'candra.'

**: Het offeren van een menselijk wezen moet hier worden beschouwd als iets geweldloos aangezien de vidhi mededogen en geweldloosheid voorschrijft met alle levende wezens (dayâ of ahimsâ ). Het Bhâgavatam veroordeelt wis en zeker het offeren van mensenlevens  zoals dat te lezen is in de geschiedenis van Jada Bharata [zie 5.9: 17]. De context doet vermoeden, en uit het latere vers hierover 9.16: 31-32 blijkt het ook, dat, omdat Haris'candra er de oorzaak van was geweest dat de wijzen Vis'vâmitra en Vasishthha in onenigheid verkeerden, het offeren van een menselijk wezen betekende dat iemand zijn wereldse bestaan op moest geven om de wijzen te dienen in hun verzoening. De troonopvolger, de meest waarschijnlijke kandidaat voor de opdracht, kon zijn wereldse verantwoordelijkheid niet opgeven en zo werd er toen een andere man opgetrommeld om die plicht op zich te nemen.

 
 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
Het schilderij is getiteld: 'The God Varuna', India, Rajasthan, 1675-1700.
Ter beschikking gesteld door
LACMA.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties