
Bronteksten
(geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):
The
Purânic Literatures
Tekst
1:
S'rî
Sûta zei: "Sumantu Rishi, de deskundige van de Atharva
Veda onderrichtte zoals u weet [zie 6.52-53],
deze verzameling aan zijn leerling [genaamd Kabandha],
die [die in tweeën delend] zich erin verheugde hem
uit te spreken voor Pathya en Vedadars'a.
Sûta
Gosvâmî said: Sumantu Rishi, the authority on
the Atharva Veda, taught his samhitâ to his disciple
Kabandha, who in turn spoke it to Pathya and
Vedadars'a.
Tekst
2:
Alstublieft
luister: S'auklâyani, Brahmabali, Modosha en
Pippalâyani, de discipelen van Vedadars'a en de
discipelen van Pathya, mijn beste brahmaan, Kumuda, S'unaka en
Jâjali, waren allen eveneens autoriteiten op het gebied
van de Atharva Veda.
S'auklâyani,
Brahmabali, Modosha and Pippalâyani were disciples of
Vedadars'a. Hear from me also the names of the disciples of
Pathya. My dear brâhmana, they are Kumuda, S'unaka and
Jâjali, all of whom knew the Atharva Veda very
well.
Tekst
3
Babhru en
Saindhavâyana, discipelen van S'unaka ['hij uit de
lijn van Angirâ'], namen toen op dezelfde manier
kennis van twee samhitâ's en zo deden dat andere
discipelen met Sâvarna voorop [weer van
hen].
Babhru
and Saindhavâyana, disciples of S'unaka, studied the
two divisions of their spiritual master's compilation of the
Atharva Veda. Saindhavâyana's disciple Sâvarna
and disciples of other great sages also studied this edition
of the Atharva Veda.
Tekst
4
Met
Nakshatrakalpa, S'ântikalpa als ook Kas'yapa en
Ângirasa behorend tot deze âcârya's van de
Atharva Veda, verneem nu, o wijze, over de autoriteiten van de
purâna's.
Nakshatrakalpa,
S'ântikalpa, Kas'yapa, Ângirasa and others were
also among the âcâryas of the Atharva Veda. Now,
O sage, listen as I name the authorities on Purânic
literature.
Tekst
5
Trayyâruni,
Kas'yapa, Sâvarni, Akritavrana, Vais'ampâyana en
Hârîta - dezen zijn feitelijk de zes meesters van
de purâna's.
Trayyâruni,
Kas'yapa, Sâvarni, Akritavrana, Vais'ampâyana
and Hârîta are the six masters of the
purânas.
Tekst
6
Zij namen
kennis van de verzameling uit de mond van Vyâsa's
leerling, mijn vader [Romaharshana],
en ik, als een discipel van ieder van hen één
gedeelte lerend, raakte goed onderlegd in hen allemaal.
Each
of them studied one of the six anthologies of the
purânas from my father, Romaharshana, who was a
disciple of S'rîla Vyâsadeva. I became the
disciple of these six authorities and thoroughly learned all
their presentations of Puranic wisdom.
Tekst
7
Kas'yapa, ik,
Sâvarni en Akritavrana, die een leerling is van
Râma [van de Bhârgava's ofwel
Pâras'urâma, zie ook 10.74:
7-9],
hebben zich door de leerling van Vyâsa vier
basisverzamelingen eigen maakt.
Romaharshana,
a disciple of Vedavyâsa, divided the purânas
into four basic compilations. The sage Kas'yapa and I, along
with Sâvarni and Akritavrana, a disciple of
Râma, learned these four divisions.
Tekst
8
O brahmaan,
verneem alstublieft met aandacht over de kenmerken van een
purâna, welke in overeenstemming met de vedische
geschriften door de brahmaanse zieners zich beroepend op de
intelligentie zijn vastgesteld.
O
S'aunaka, please hear with attention the characteristics of
a purâna, which have been defined by the most eminent
learned brâhmanas in accordance with Vedic
literature.
Tekst
9-10
De schepping
[van dit universum, sarga],
de daaropvolgende schepping [van verschillende werelden en
wezens, visarga],
de handhaving [het onderhoud, de vritti
of sthâna] en bescherming [de rakshâ of
poshana van de levende wezens], de tijdperken van heersen
[van de verschillende Manu's], de dynastieën
[vams'as],
de vertellingen over hen [vams'a-anucaritam], de
vernietiging [van verschillende aard, pralaya
of samsthâ], de motivatie [van het individuele of
hetu] en de allerhoogste toevlucht [van de Fortuinlijke
of apâs'raya], o brahmaan, vormen de tien onderwerpen
van een purâna zoals begrepen door de autoriteiten op dit
gebied; sommigen stellen dat in verhouding tot de grotere, de
minder grote purâna's handelen over vijf onderwerpen
[zie ook S'uka hierover 2.10.1-7
en *].
O
brâhmana, authorities on the matter understand a
purâna to contain ten characteristic topics: the
creation of this universe, the subsequent creation of worlds
and beings, the maintenance of all living beings, their
sustenance, the rule of various Manus, the dynasties of
great kings, the activities of such kings, annihilation,
motivation and the supreme shelter. Other scholars state
that the great purânas deal with these ten topics,
while lesser purânas may deal with five.
Tekst
11
Schepping
[sarga]
is wat het genereren wordt genoemd uit de oerstaat waarvan,
door de verstoring door de geaardheden, de kosmische
intelligentie wordt opgewekt waarvan de identificatie met de
materie zich opwierp als verdeeld in drie aspecten [of
soorten van wezens naar de geaardheden], welke verder
manifesteerde als de subtiele vormen van waarnemen, de
zintuigen en de waargenomen voorwerpen [formatie door de
conditionering van en identificatie met Tijd, vergelijk
2.10:
3].
From
the agitation of the original modes within the unmanifest
material nature, the mahat-tattva arises. From the
mahat-tattva comes the element false ego, which divides into
three aspects. This threefold false ego further manifests as
the subtle forms of perception, as the senses and as the
gross sense objects. The generation of all these is called
creation.
Tekst
12
De tweede
schepping [visarga]
is het samenstel bestaande uit de voor de bewegende en
niet-bewegende levende wezens specifieke eigenschappen [de
vâsana's],
de geneigdheden die, bij genade van de Oorspronkelijke Persoon
[purusha],
op dezelfde manier worden voortgebracht als zaad dat meer zaad
voortbrengt.
The
secondary creation, which exists by the mercy of the Lord,
is the manifest amalgamation of the desires of the living
entities. Just as a seed produces additional seeds,
activities that promote material desires in the performer
produce moving and nonmoving life forms.
Tekst
13
Het onderhoud
[vritti]
is het zich door de bewegende wezens in leven houden met de
niet-bewegende, dan wel, meer specifiek menselijk, het handelen
terwille van het levensonderhoud in overeenstemming met de
persoonlijke aard waarin men inderdaad ofwel leeft naar zijn
lust dan wel volgens de regels.
Vritti
means the process of sustenance, by which the moving beings
live upon the nonmoving. For a human, vritti specifically
means acting for one's livelihood in a manner suited to his
personal nature. Such action may be carried out either in
pursuit of selfish desire or in accordance with the law of
God.
Tekst
14
Rakshâ
[of bescherming] is er met de incarnaties van de
Onfeilbare, die tijdperk na tijdperk aanwezig is onder de
dieren, de stervelingen, de zieners en de halfgoden; door hen
worden de vijanden van de drievoudige Veda gedood [zie ook
B.G. 4:
7].
In
each age, the infallible Lord appears in this world among
the animals, human beings, sages and demigods. By His
activities in these incarnations He protects the universe
and kills the enemies of Vedic culture.
Tekst
15
Naar ieder
tijdperk van heersen van een Manu
is er het zesvoudige van de Heer: de Manu, de halfgoden, de
zoons van de Manu, de verschillende beheersers der verlichte
zielen [de Indra's],
de zieners [of rishi's],
en de gedeeltelijke incarnaties [de Heer Zijn
ams'a-avatâra's].
In
each reign of Manu, six types of personalities appear as
manifestations of Lord Hari: the ruling Manu, the chief
demigods, the sons of Manu, Indra, the great sages and the
partial incarnations of the Supreme Personality of
Godhead.
Tekst
16
Dynastieën
[vams'as]
stammend van Brahmâ strekken zich uit in het drievoudige
van de tijd [trikâlika]
als series van koningen, en hun geschiedenissen
[vams'a-anucaritam] beschrijven de handelingen van de
vooraanstaande leden in opeenvolging.
Dynasties
are lines of kings originating with Lord Brahmâ and
extending continuously through past, present and future. The
accounts of such dynasties, especially of their most
prominent members, constitute the subject of dynastic
history.
Tekst
17
De incidentele,
elementaire, voortdurende en uiteindelijke vernietiging van
Zijn vermogen heeft betrekking op het oplossen in vier aspecten
van dit universum aldus door de geleerden beschreven [als
samsthâ of pralaya,
zie ook 12.4].
There
are four types of cosmic annihilation-occasional, elemental,
continuous and ultimate-all of which are effected by the
inherent potency of the Supreme Lord. Learned scholars have
designated this topic dissolution.
Tekst
18
Het motief
[hetu] van de schepping [sarga] en zo voorts
van dit alles, is de individuele levende ziel
[jîva], die uit onwetendheid degene is die
baatzuchtige handelingen verricht [karma]; of
verschillend daarvan spreken anderen van de ongemanifesteerde
onderliggende persoonlijkheid.
Out
of ignorance the living being performs material activities
and thereby becomes in one sense the cause of the creation,
maintenance and destruction of the universe. Some
authorities call the living being the personality underlying
the material creation, while others say he is the unmanifest
self.
Tekst
19
God als de
allerhoogste toevlucht [apâs'raya] is er, los
staand en verbonden, in het waken, het slapen en de droomloze
slaap, in de zaken voorgespiegeld door de begoochelende energie
en in de functies van de individualiteit.
The
Supreme Absolute Truth is present throughout all the stages
of awareness-waking consciousness, sleep and deep
sleep-throughout all the phenomena manifested by the
illusory energy, and within the functions of all living
entities, and He also exists separate from all these. Thus
situated in His own transcendence, He is the ultimate and
unique shelter.
Tekst
20
Precies zoals
de grondsubstantie van materiële voorwerpen verbonden is
met, zowel als los staat van, hun enkele bestaan als dingen die
namen en vorm hebben, is het [met God] zo, door de
verscheidene fasen van een lichamelijk bestaan heen, van het
zaad in het begin tot de vijf elementen [waarnaar men
terugkeert] op het eind [vergelijk 8.6:
10].
Although
a material object may assume various forms and names, its
essential ingredient is always present as the basis of its
existence. Similarly, both conjointly and separately, the
Supreme Absolute Truth is always present with the created
material body throughout its phases of existence, beginning
with conception and ending with death.
Tekst
21
Uit zichzelf of
door yogabeoefening, kan het denken stoppen in relatie tot de
drievoudige staat [vritti-traya];
men kent dan, afziend van materieel ondernemen, de Opperziel
[zie ook 3.25:
32-33].
Either
automatically or because of one's regulated spiritual
practice, one's mind may stop functioning on the material
platform of waking consciousness, sleep and deep sleep. Then
one understands the Supreme Soul and withdraws from material
endeavor.
Tekst
22
Op deze manier
onderscheiden door hun kenmerken zijn er, zo zeggen de wijzen
die deskundig zijn in de antieke verhalen, achttien grote en
[achttien] kleine purâna's [van 9000 tot aan
81.000 verzen, zie ook upa-purâna].
Sages
expert in ancient histories have declared that the
purânas, according to their various characteristics,
can be divided into eighteen major purânas and
eighteen secondary purânas.
Tekst
23-24
Zij staan
bekend als de drie keer zes purâna's [naar iedere
guna-avatâra]
genaamd Brahmâ, Padma, Vishnu, S'iva, Linga, Garuda,
Nârada, Bhâgavata, Agni, Skanda, Bhavishya,
Brahma-vaivarta, Mârkandeya, Vâmana, Varâha,
Matsya, Kûrma en Brahmânda [zie
purâna's].
The
eighteen major purânas are the Brahmâ, Padma,
Vishnu, S'iva, Linga, Garuda, Nârada, Bhâgavata,
Agni, Skanda, Bhavishya, Brahma-vaivarta, Mârkandeya,
Vâmana, Varâha, Matsya, Kûrma and
Brahmânda purânas.
Tekst
25
Volledig, o
brahmaan, beschreef ik u deze toewijding in afdelingen van de
wijze [Vyâsadeva], zijn discipelen en de
discipelen van zijn discipelen, welke het spiritueel vermogen
[van de luisteraar] doet groeien."
I
have thoroughly described to you, O brâhmana, the
expansion of the branches of the Vedas by the great sage
Vyâsadeva, his disciples and the disciples of his
disciples. One who listens to this narration will increase
in spiritual strength.
*Het
vedische vers (Amarkhasa) naar deze secundaire status
van een purâna zegt: sargas' ca pratisargas'
ca
vams'o
manvantarâni
ca
vams'ânucaritam
ceti
purânam
pañca-lakshanam; "Schepping, secundaire
schepping, de dynastieën van de koningen, hun handelingen
en de regeerperioden van de Manu's zijn de vijf kenmerken van
een Purâna."
S'rîla
Jîva Gosvâmî heeft hierbij duidelijk gemaakt
dat de tien belangrijkste onderwerpen van het
S'rîmad-Bhâgavatam terug te vinden zijn in ieder
van de tien Canto's. Men moet niet proberen ieder van de tien
toe te wijzen tot één canto apart. Noch moet het
S'rîmad-Bhâgavatam kunstmatig worden uitgelegd om
te bewijzen dat het in opeenvolging die onderwerpen behandelt.
Het is eenvoudigweg zo dat alle aspecten van kennis belangrijk
voor menselijke wezens, samengevat in de tien categorieën
hierboven vermeld, worden besproken met wisselende graden van
nadruk en analyse door het hele S'rîmad-Bhâgavatam
heen [pp. 12.7:
9-10].
