Canto
12
Hoofdstuk 4: Pralaya: de Vier Soorten van Vernietiging
(1) S'rî S'uka zei: 'De tijd vanaf het kleinste van het atoom en culminerend in de twee helften [of parârdha's] van het leven van Brahmâ, o Koning is beschreven [in 3.11] tezamen met de duur van de yuga's; luister nu naar de vernietiging van de kalpa. (2) Duizend cycli van vier yuga's heet een kalpa, een dag van Brahmâ, waarin er veertien oervaders van de mensheid zijn [Manu's]. (3) Als zij klaar zijn met hun leven is er de desintegratie beschreven als de nacht van Brahmâ die van dezelfde duur is; de drie werelden blijven ontbonden tot aan het eind van die tijd. (4) Dit wordt de incidentele vernietiging genoemd [of naimittika pralaya] waarin [Nârâyana] de schepper van het universum zich te ruste legt op Zijn slangenbed Ananta om het universum met inbegrip van Heer Brahmâ in Zich op te nemen. (5) Na het verstrijken van twee parârdha's [d.w.z. de levenshelften] van het hoogst geplaatste levende wezen, Heer Brahmâ, zijn de zeven elementen [mahat, ahamkâra en de tanmâtra's], onderhevig aan vernietiging. (6) Dit, o Koning vormt de elementaire vernietiging. Daarna, als de tijd voor zijn vernietiging is aangebroken, valt dit universele ei, dit samenstel [van deze zeven universele principes] uiteen. (7) Honderd jaar lang zullen de wolken o Koning, geen regen laten vallen op de aarde. De mensen verward door die tijd, zullen dan, met de eropvolgende hongersnood, als gevolg van de honger die ze lijden [zelfs] elkaar consumeren en aldus geleidelijk aan hun vernietiging vinden. (8) De zon die met zijn verschrikkelijke stralen niet het geringste [aan neerslag] terug biedt, zal alle vocht opdrinken van de aarde, de oceaan en de levende lichamen. (9) Dan zal het vuur der vernietiging voortkomen uit de mond van Heer Sankarshana en aangewakkerd door de kracht van de wind de kale gebieden van de planeten verbranden [3.11: 30, 8.5: 35]. (10) Het ei van het universum zal aan alle kanten brandend met de vlammen van het vuur beneden en de zon erboven, gloeien als een bal koeienmest. (11) Daarna zal er meer dan honderd jaar een verschrikkelijke wind waaien die de vernietiging brengt en de hemel met grijs stof zal verduisteren. (12) Samengepakte veelkleurige wolken, mijn beste, zullen het dan honderd jaar lang laten regenen met enorme donderslagen. (13) Het omhulsel van het universum zal dan vollopend één enkele [kosmische] zee van water vormen. (14) Als het water ten tijde van de vloed de kwaliteit van de geur verdrijft zal het aarde-element, verstoken van haar geur, zich oplossen [zie ook 3.26: 49-61, 11.3: 9, 11.24: 22-27]. (15-19) Vuur neemt dan de smaak van het water weg, waarna het, verstoken van haar unieke kwaliteit, oplost. Dan volgt het vuur dat door de lucht verstoken raakt van haar vorm. Met het vuur opgegaan in de wind neemt de ether de kwaliteit [der aanraking] van de lucht weg en dan volgt de kwaliteit van de ether, het geluid, dat wordt weggenomen door het oorspronkelijk elementaire van de natuur [of het valse ego in onwetendheid]. Met de ether die vervolgens opgaat neemt de vitale kracht [vals ego in hartstocht] bezit van de zinnen, mijn beste, en worden de goden die onderhevig zijn aan verandering gegrepen [door het valse ego der goedheid]. De kosmische intelligentie neemt daar weer bezit van [van vaikârika] samen met de kwaliteiten [of manifeste functies] ervan en die mahat wordt dan door de guna's van sattva enzovoorts opgenomen. Deze drie geaardheden o Koning worden daarna, onder de druk van de Tijd, overschaduwd door de onuitputtelijke doener [de oorspronkelijke ongemanifesteerde vorm van de natuur] van wie er niet de transformatie en dergelijke is met de verdelingen van de tijd [shath-ûrmi]; ongemanifesteerd zonder een begin en een einde vormt het de onfeilbare eeuwige oorzaak. (20-21) Daarin vindt men niet de spraak, geen geest, noch de geaardheid goedheid, hartstocht of onwetendheid; de elementen van de grotere werkelijkheid - de levensadem, de intelligentie, de zinnen en zo meer - treft men er niet aan, noch zijn er daar de goden of de schikking van de verschillende planetaire vormen van orde. Er is daar niet het slapen, het waken of de diepe slaap, geen water, lucht, ether, vuur, aarde of zon. Dat wat is als een leegte of als iemand die diep in slaap is vormt iedere verklaring tebovengaand de substantie die dienst doet als de wortel [de pradhâna], zo stellen de autoriteiten. (22) Dit vormt de [prâkritika pralaya] vernietiging waarin al de materiële elementen van de natuur en de energieën van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon volledig onttakeld raken door de Tijd en reddeloos opgaan.
(23) Het is [niets dan] de spirituele kennis [het bewustzijn, de Absolute Waarheid] die zich manifesteert in de vorm van deze elementen der intelligentie, de zinnen en de zinsobjecten. Wat men ook waarneemt als hebbende een begin en een eind is inessentieel daar het geen bestaan heeft dat los staat van zijn oorzaak [maar er slechts een aanduiding van vormt, vergelijk 11.28: 21]. (24) Een lamp, een waarnemend oog en de waargenomen vorm staan niet los van het licht [dat door hen behandeld wordt]. Op dezelfde manier staat de intelligentie, staan de zintuigen en de zintuigelijke waarnemingen ook niet los van de [ene] werkelijkheid die geheel iets anders is [zie ook siddhânta en B.G. 9.15]. (25) Het waken, de slaap en de diepe slaap die bij de intelligentie horen worden aldus een begoocheling van de zinnen genoemd. Dit o Koning is de dualiteit zoals de ziel die ervaart. (26) Net zoals wolken in de lucht er wel en er niet zijn in het Absolute van de Waarheid, is evenzo dit ganse universum dat zijn verschillende delen ontwikkelt en weer opgeeft wel en niet aanwezig. (27) Het oorzakelijk element, mijn beste, van welke samengestelde bestaansvorm dan ook alhier, is een werkelijk iets zo stelt men [in de Vedânta-sûtra], precies zoals dat met de draden van een stof is die men los kan waarnemen van het product dat zij vormen [zie ook 6.3: 12, 11.12: 21]. (28) Wat men ook ervaart in termen van een algemene oorzaak en een bepaald gevolg is een vorm van illusie, daar alles wat onderling afhankelijk zijnde onderhevig is aan het hebben van een begin en een einde niet wezenlijk is [d.w.z. gefixeerde materie vormt een illusie, maar de daaraan ten grondslag liggende energie van de materie zelf is echt]. (29) Een enkel atoom aan verandering onderhevig is, hoewel het zich manifesteert, zonder het Rechtstreekse Bewijs [in de vorm van de Tijd] van het Opperste Zelf niet denkbaar [of zelfs maar waarneembaar], zelfs als het op dezelfde manier [als de onveranderlijke ziel] standhoudt zonder te veranderen.(30) Er kunnen geen verschillende soorten Absolute Waarheid zijn; als een onwetende persoon erover denkt in termen van tegenstellingen is dat als het hebben van twee hemelen, twee daglichten of twee winden. (31) Net zoals goud zich voor mensen voordoet in vele vormen afhankelijk van het gebruik ervan wordt evenzo de Allerhoogste Heer Adhokshaja die zintuiglijk niet te doorgronden is, omschreven in verschillende termen door zowel de gewone man als door de vedische persoon. (32) Zoals een wolk als een product van de zon zichtbaar wordt gemaakt door de zon en feitelijk als een gedeeltelijke expansie van de zon de duisternis is [van het werpen van een schaduw] voor de ogen, is zo ook het ik-besef een kwaliteit van God, die zichtbaar door Hem als een gedeeltelijke expansie van Hem tegelijkertijd dienst doet als een individuele ziel die [met een versluierde blik] in verhouding tot de Opperziel in gebondenheid leeft. (33) Als een wolk voortgebracht door de zon uiteengedreven wordt kan het oog daarop de eigenlijke verschijning van de zon zien; zo ook verwerft men de juiste heugenis zo gauw men het oppervlakkige valse ego dat de geestelijke ziel verduistert vernietigt door spiritueel onderzoek. (34) Als men op deze manier door middel van dit zwaard van onderscheid het misleidende valse ego [van fixaties] heeft weggesneden dat de oorzaak vormt van de gebondenheid van de ziel en men een gedegen realisatie heeft van de Onfeilbare Allerhoogste Ziel [van het Levende Wezen], spreekt men in dat geval van de uiteindelijke vernietiging [âtyantika pralaya], mijn beste.
(35) O onderwerper van de vijanden, door sommige deskundigen van het subtiele wordt gesteld dat de schepping en vernietiging die al de levende wezens beginnende bij Brahmâ ondergaan iets is dat voortdurend plaatsvindt. (36) De verschillende omstandigheden [stadia van bestaan] van de dingen die zijn onderworpen aan verandering worden gezwind weggevaagd door de kracht van de machtige maalstroom van de Tijd; ze vormen het bewijs van hun constant geboren en vernietigd worden [dat we nityah pralaya noemen]. (37) De verschillende stadia gecreëerd door de Tijd - die zelf, zonder een begin en een eind te kennen, Îs'vara [de Beheerser] vertegenwoordigd [in het onpersoonlijke] - worden, zoals u weet, niet rechtstreeks waargenomen, net zoals de bewegingen van de planeten in de ruimte [of iemands verschillende conditioneringen] niet direct worden gezien [zie ook 3.10; 10-14]. (38) Op deze manier wordt de voortgang van de Tijd [kâla] beschreven als zijnde van een voortdurende [nitya], incidentele [naimittika], natuurlijke [elementaire of prâkritika] en uiteindelijke [âtyantika] vernietiging.
(39) Bondig zijn deze vertellingen over de lîlâ van de schepper van het universum, Nârâyana, het reservoir van alle bestaansvormen, aan u voorgedragen o beste van de Kuru's; zelfs niet de Ongeborene [Brahmâ] is in staat ze allen op te sommen. (40) Voor de persoon die te lijden heeft als gevolg van het vuur van de verschillende vormen van ongeluk en ernaar verlangt de moeilijk te boven te komen oceaan van het materiële bestaan over te steken, bestaat er geen andere boot dan het leveren van dienst aan de Fortuinlijke, de Allerhoogste Persoonlijkheid, overeenkomstig de persoonlijke smaak voor de vertellingen van Zijn wederwaardigheden. (41) Dit essentiële compendium van al de klassieke verhalen werd voorheen door de onfeilbare Heer Nara-Nârâyana uitgesproken voor Nârada die het herhaalde voor Krishna Dvaipâyana [Vyâsa, de schrijver; zie 5.19: 10-15]. (42) Hij, die machtige heer Bâdarâyana, was er zeker van dit Bhâgavatam, deze bloemlezing die een status geniet gelijk aan de vier Veda's, aan mij te vertellen o Mahârâja. (43) Sûta Gosvâmî, die hier bij ons zit, zal het [op zijn beurt] doorvertellen aan de wijzen die aanwezig zijn in het Naimishâranyawoud voor een langdurig offer onder leiding van S'aunaka, o beste van de Kuru's [zie 1.1].'
Tweede editie, geladen 9 oktober 2009
Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:
S'rî S'uka zei: 'De tijd vanaf het kleinste van het atoom en culminerend in de twee helften [of parârdha's] van het leven van Brahmâ, o Koning is beschreven [in 3.11] tezamen met de duur van de yuga's; luister nu naar de vernietiging van de kalpa.
S'rî S'uka zei: 'De tijd vanaf het kleinste van het atoom en culminerend in de twee helften [of parârdha's] van het leven van Brahmâ, o Koning is beschreven [in 3.11] tezamen met de duur van de yuga's; luister nu naar de vernietiging van de kalpa. (Vedabase)
Duizend cycli van vier yuga's heet een kalpa, een dag van Brahmâ, waarin er veertien oervaders van de mensheid zijn [Manu's].
Duizend cycli van vier yuga's heet een kalpa, een dag van Brahmâ, waarin er veertien oervaders van de mensheid zijn [Manu's]. (Vedabase)
Als zij klaar zijn met hun leven is er de desintegratie beschreven als de nacht van Brahmâ die van dezelfde duur is; de drie werelden blijven ontbonden tot aan het eind van die tijd.
Na hen is er de desintegratie beschreveven als de nacht van Brahmâ die van dezelfde duur is; tot aan het eind van die tijd blijven deze drie werelden ontbonden. (Vedabase)
Dit wordt de incidentele vernietiging genoemd [of naimittika pralaya] waarin [Nârâyana] de schepper van het universum zich te ruste legt op Zijn slangenbed Ananta om het universum met inbegrip van Heer Brahmâ in Zich op te nemen.
Dit wordt de incidentele vernietiging genoemd [of naimittika pralaya] waarin [Nârâyana] de schepper van het universum neerligt net als heer Brahmâ, om op Zijn bed Ananta het universum in Zich op te nemen. (Vedabase)
Na het verstrijken van twee parârdha's [d.w.z. de levenshelften] van het hoogst geplaatste levende wezen, Heer Brahmâ, zijn de zeven elementen [mahat, ahamkâra en de tanmâtra's], onderhevig aan vernietiging.
Na de volle tijd van twee parârdha's van het hoogst geplaatste levende wezen, Heer Br rahmâ, zijn vervolgens de zeven elementen [mahat, ahamkâra en de tanmâtra's], onderhevig aan vernietiging. (Vedabase)
Dit, o Koning vormt de elementaire vernietiging. Daarna, als de tijd voor zijn vernietiging is aangebroken, valt dit universele ei, dit samenstel [van deze zeven universele principes] uiteen.
Dit, o Koning, is de elementaire vernietiging, waarna dit universele ei, dit samenstel [van deze zeven universele principes] ontbindt, als de tijd van zijn uiteenvallen is bereikt. (Vedabase)
Honderd jaar lang zullen de wolken o Koning, geen regen laten vallen op de aarde. De mensen verward door die tijd, zullen dan, met de eropvolgende hongersnood, als gevolg van de honger die ze lijden [zelfs] elkaar consumeren en aldus geleidelijk aan hun vernietiging vinden.
Een honderd jaren lang zullen de wolken o Koning, geen regen laten vallen op de aarde en zullen dan, met de er op volgende hongersnood, de mensen in de war gestuurd door de tijd, daardoor lijdend onder honger [zelfs] elkaar consumeren en geleidelijk aan hun vernietiging vinden. (Vedabase)
De zon die met zijn verschrikkelijke stralen niet het geringste [aan neerslag] terug biedt, zal alle vocht opdrinken van de aarde, de oceaan en de levende lichamen.
De zon die met zijn verschrikkelijke stralen niet het geringste terug biedt, zal alle vocht opdrinken van de aarde, de oceaan en de levende lichamen. (Vedabase)
Dan zal het vuur der vernietiging voortkomen uit de mond van Heer Sankarshana en aangewakkerd door de kracht van de wind de kale gebieden van de planeten verbranden [3.11: 30, 8.5: 35].
Dan zal het vuur der vernietiging voortkomen uit de mond van Heer Sankarshana en aangewakkerd door de kracht van de wind de kale gebieden van de planeten verbranden [3.11: 30, 8.5: 35]. (Vedabase)
Het ei van het universum zal aan alle kanten brandend met de vlammen van het vuur beneden en de zon erboven, gloeien als een bal koeienmest.
Van alle kanten brandend met de vlammen van het vuur beneden en de zon erboven, zal het ei van het universum gloeien als een bal koeienmest. (Vedabase)
Daarna zal er meer dan honderd jaar een verschrikkelijke wind waaien die de vernietiging brengt en de hemel met grijs stof zal verduisteren.
Daarna zal er meer dan honderd jaar een verschrikkelijke wind waaien die de vernietiging brengt en de hemel grijs zal verduisteren. (Vedabase)
Samengepakte veelkleurige wolken, mijn beste, zullen het dan honderd jaar lang laten regenen met enorme donderslagen.
Samengepakte veelkleurige wolken, mijn beste, zullen het dan honderd jaar lang laten regenen met enorme donderslagen. (Vedabase)
Het omhulsel van het universum zal dan vollopend één enkele [kosmische] zee van water vormen.
Het omhulsel van het universum zal, vollopend, dan één enkele [kosmische] zee van water vormen. (Vedabase)
Als het water ten tijde van de vloed de kwaliteit van de geur verdrijft zal het aarde-element, verstoken van haar geur, zich oplossen [zie ook 3.26: 49-61, 11.3: 9, 11.24: 22-27].
Als het water ten tijde van de vloed de kwaliteit van de geur wegneemt zal het aarde-element, verstoken van haar geur, oplossen [zie ook 3.26: 49-61, 11.3: 9, 11.24: 22-27]. (Vedabase)
Vuur neemt dan de smaak van het water weg, waarna het, verstoken van haar unieke kwaliteit, oplost. Dan volgt het vuur dat door de lucht verstoken raakt van haar vorm. Met het vuur opgegaan in de wind neemt de ether de kwaliteit [der aanraking] van de lucht weg en dan volgt de kwaliteit van de ether, het geluid, dat wordt weggenomen door het oorspronkelijk elementaire van de natuur [of het valse ego in onwetendheid]. Met de ether die vervolgens opgaat neemt de vitale kracht [vals ego in hartstocht] bezit van de zinnen, mijn beste, en worden de goden die onderhevig zijn aan verandering gegrepen [door het valse ego der goedheid]. De kosmische intelligentie neemt daar weer bezit van [van vaikârika] samen met de kwaliteiten [of manifeste functies] ervan en die mahat wordt dan door de guna's van sattva enzovoorts opgenomen. Deze drie geaardheden o Koning worden daarna, onder de druk van de Tijd, overschaduwd door de onuitputtelijke doener [de oorspronkelijke ongemanifesteerde vorm van de natuur] van wie er niet de transformatie en dergelijke is met de verdelingen van de tijd [shath-ûrmi]; ongemanifesteerd zonder een begin en een einde vormt het de onfeilbare eeuwige oorzaak.
Vuur neemt dan de smaak van het water weg, waarna het, verstoken van haar unieke kwaliteit, oplost; dan volgt het vuur door de lucht verstoken van haar vorm. Met het vuur opgegaan in de wind neemt de ether de kwaliteit [der aanraking] van de lucht weg en dan volgt de kwaliteit van de ether, het geluid, dat wordt weggenomen door het oorspronkelijk elementaire [of valse ego in onwetendheid]. Met de ether vervolgens daarin opgaand neemt de vitale kracht [vals ego in hartstocht] bezit van de zinnen, mijn beste, en worden de goden gegrepen die onderhevig zijn aan verandering [naar het valse ego der goedheid]. De kosmische intelligentie neemt daar weer bezit van [van vaikârika] samen met de kwaliteiten [of manifeste functies] ervan en die mahat wordt dan door de guna's van sattva enzovoorts opgenomen. Deze drie geaardheden o Koning worden dan, er door de Tijd toe aangezet, overschaduwd door de onuitputtelijke doener [de oorspronkelijke ongemanifesteerde vorm van de natuur] van wie er niet de transformatie en dergelijke is met de verdelingen van de tijd; ongemanifesteerd zonder een begin en een einde vormt het de onfeilbare eeuwige oorzaak. (Vedabase)
Daarin vindt men niet de spraak, geen geest, noch de geaardheid goedheid, hartstocht of onwetendheid; de elementen van de grotere werkelijkheid - de levensadem, de intelligentie, de zinnen en zo meer - treft men er niet aan, noch zijn er daar de goden of de schikking van de verschillende planetaire vormen van orde. Er is daar niet het slapen, het waken of de diepe slaap, geen water, lucht, ether, vuur, aarde of zon. Dat wat is als een leegte of als iemand die diep in slaap is vormt iedere verklaring tebovengaand de substantie die dienst doet als de wortel [de pradhâna], zo stellen de autoriteiten.
Daarin vindt men niet de spraak, geen geest, noch de geaardheid goedheid, hartstocht of onwetendheid; daar zijn er niet de elementen van de grotere werkelijkheid - de levensadem, de intelligentie de zinnen en zo meer - noch zijn er daar de goden of is er daar de schikking van de verschillende planetaire vormen van orde. Er is daar niet het slapen, het waken of de diepe slaap, geen water, lucht, ether, vuur, aarde of zon; dat, alle logica verslaand er zijnde als een leegte of iemand die diep in slaap is, vormt de substantie die dienst doet als de wortel [de pradhâna], zo zeggen de autoriteiten. (Vedabase)
Dit vormt de [prâkritika pralaya] vernietiging waarin al de materiële elementen van de natuur en de energieën van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon volledig onttakeld raken door de Tijd en reddeloos opgaan.
Deze tijd als de energieën hulpeloos opgaan, volledig onttakeld door de Tijd, vormt de [prâkritika pralaya] vernietiging van al de materiële elementen van de natuur van de ongeziene Oorspronkelijke Persoon. (Vedabase)
Het is [niets dan] de spirituele kennis [het bewustzijn, de Absolute Waarheid] die zich manifesteert in de vorm van deze elementen der intelligentie, de zinnen en de zinsobjecten. Wat men ook waarneemt als hebbende een begin en een eind is inessentieel daar het geen bestaan heeft dat los staat van zijn oorzaak [maar er slechts een aanduiding van vormt, vergelijk 11.28: 21].
Het is de spirituele kennis [het bewustzijn, de Absolute Waarheid] die zich manifesteert in de vorm van deze elementen der intelligentie, de zinnen en de zinsobjecten; wat men ook waarneemt als hebbende een begin en een eind is inessentieel daar het geen bestaan heeft dat los staat van zijn oorzaak [maarslechts een aanduiding vormt, vergelijk 11.28: 31]. (Vedabase)
Een lamp, een waarnemend oog en de waargenomen vorm staan niet los van het licht [dat door hen behandeld wordt]. Op dezelfde manier staat de intelligentie, staan de zintuigen en de zintuigelijke waarnemingen ook niet los van de [ene] werkelijkheid die geheel iets anders is [zie ook siddhânta en B.G. 9.15].
Een lamp, een waarnemend oog en de waargenomen vorm zijn [als de omvormingen ervan] niet verschillend van het licht, op dezelfde manier verschillen de intelligentie, de zintuigen en de zintuigelijke waarnemingen niet van de [ene] zich verschillend manifesterende werkelijkheid [zie ook siddhânta en B.G. 9.15]. (Vedabase)
Het waken, de slaap en de diepe slaap die bij de intelligentie horen worden aldus een begoocheling van de zinnen genoemd. Dit o Koning is de dualiteit zoals de ziel die ervaart.
Het waken, de slaap en de diepe slaap die bij de intelligentie horen worden aldus een begoocheling van de zinnen genoemd, dit o Koning is de dualiteit ervaren door de ziel. (Vedabase)
Net zoals wolken in de lucht er wel en er niet zijn in het Absolute van de Waarheid, is evenzo dit ganse universum dat zijn verschillende delen ontwikkelt en weer opgeeft wel en niet aanwezig.
Net zoals wolken in de lucht er wel en er niet zijn in het Absolute van de Waarheid, is evenzo dit ganse universum wel en niet aanwezig zoals het met zijn verschillende delen zich ontwikkelt en weer opgaat. (Vedabase)
De samenstellende oorzaak, mijn beste, van welke samengestelde bestaansvorm dan ook alhier, is een werkelijk iets zo stelt men [in de Vedânta-sûtra], precies zoals dat met de draden van een stof is die men los kan waarnemen van het product dat zij vormen [zie ook 6.3: 12, 11.12: 21].
Het oorzakelijk element, mijn beste, van welke samengestelde bestaansvorm dan ook alhier, kan, zo is gesteld [in de vedânta-sûtra], los van zijn gemanifesteerde product worden waargenomen, precies zoals men dat met de draden van stof kan [zie ook 6.3: 12, 11.12: 21]. (Vedabase)
Wat men ook ervaart in termen van een algemene oorzaak en een bepaald gevolg is een vorm van illusie, daar alles wat onderling afhankelijk zijnde onderhevig is aan het hebben van een begin en een einde niet wezenlijk is [d.w.z. gefixeerde materie vormt een illusie, maar de daaraan ten grondslag liggende energie van de materie zelf is echt].
Wat men ook ervaart in termen van een algemene oorzaak en een specifiek effect is, in die wederzijdse afhankelijkheid, een vorm van verbijstering, daar alles wat onderhevig is aan het hebben van een begin en een einde niet wezenlijk is [d.w.z. de fixatie is de illusie, de materie is echt]. (Vedabase)
Een enkel atoom aan verandering onderhevig is, hoewel het zich manifesteert, zonder het Rechtstreekse Bewijs [in de vorm van de Tijd] van het Opperste Zelf niet denkbaar [of zelfs maar waarneembaar], zelfs als het op dezelfde manier [als de onveranderlijke ziel] standhoudt zonder te veranderen.
Onderhevig aan verandering is een enkel atoom, hoewel het zich manifesteert, zonder het Rechtstreekse Bewijs [in de vorm van de Tijd] van het Opperste Zelf niet denkbaar [of zelfs maar waarneembaar], zelfs als het zo gelijksoortig [aan de onveranderlijke ziel] standhoudt zonder te veranderen. (Vedabase)
Er kunnen geen verschillende soorten Absolute Waarheid zijn; als een onwetende persoon erover denkt in termen van tegenstellingen is dat als het hebben van twee hemelen, twee daglichten of twee winden.
Dienovereenkomstig bestaat er wat betreft de Absolute Waarheid geen dualiteit; als een persoon niet in kennis erover denkt als zijnde tweevoudig is dat als het hebben van twee hemelen, twee daglichten of twee winden. (Vedabase)
Net zoals goud zich voor mensen voordoet in vele vormen afhankelijk van het gebruik ervan wordt evenzo de Allerhoogste Heer Adhokshaja die zintuiglijk niet te doorgronden is, omschreven in verschillende termen door zowel de gewone man als door de vedische persoon.
Net zoals goud zich voor mensen voordoet in vele vormen afhankelijk van het gebruik ervan wordt evenzo de Allerhoogste Heer Adhokshaya die zintuiglijk niet te doorgronden is, omschreven in verschillende termen door zowel de gewone man als door de vedische persoon. (Vedabase)
Zoals een wolk als een product van de zon zichtbaar wordt gemaakt door de zon en feitelijk als een gedeeltelijke expansie van de zon de duisternis is [van het werpen van een schaduw] voor de ogen, is zo ook het ik-besef een kwaliteit van God, die zichtbaar door Hem als een gedeeltelijke expansie van Hem tegelijkertijd dienst doet als een individuele ziel die [met een versluierde blik] in verhouding tot de Opperziel in gebondenheid leeft.
Zoals een wolk als een product van de zon zichtbaar wordt gemaakt door de zon en waarlijk als een gedeeltelijke expansie van de zon de duisternis is [van het werpen van een schaduw] voor de ogen, is zo ook het ik-besef een kwaliteit van God, die zichtbaar door Hem als een gedeeltelijke expansie van Hem tegelijkertijd dienst doet als een individuele ziel die [met een versluierde blik] in verhouding tot de Opperziel in gebondenheid leeft. (Vedabase)
Als een wolk voortgebracht door de zon uiteengedreven wordt kan het oog daarop de eigenlijke verschijning van de zon zien; zo ook verwerft men de juiste heugenis zo gauw men het oppervlakkige valse ego dat de geestelijke ziel verduistert vernietigt door spiritueel onderzoek.
Als de wolk als een product van de zon uiteengedreven is ziet het oog daarop de zon in zijn eigen gedaante; zo ook verwerft men, als het oppervlakkige valse ego dat de geestelijke ziel verduistert wordt vernietigd door spiritueel onderzoek, op dat moment de juiste heugenis. (Vedabase)
Als men op deze manier door middel van dit zwaard van onderscheid het misleidende valse ego [van fixaties] heeft weggesneden dat de oorzaak vormt van de gebondenheid van de ziel en men een gedegen realisatie heeft van de Onfeilbare Allerhoogste Ziel [van het Levende Wezen], spreekt men in dat geval van de uiteindelijke vernietiging [âtyantika pralaya], mijn beste.
Als men op deze manier door middel van dit zwaard van onderscheid het misleidende valse ego [van fixaties] heeft weggesneden dat de oorzaak vormt van de gebondenheid van de ziel en men een gedegen realisatie heeft van de Onfeilbare Allerhoogste Ziel [van het Levende Wezen], is dat wat men noemt de uiteindelijke vernietiging [âtyantika pralaya], mijn beste. (Vedabase)
O onderwerper van de vijanden, door sommige deskundigen van het subtiele wordt gesteld dat de schepping en vernietiging die al de levende wezens beginnende bij Brahmâ ondergaan iets is dat voortdurend plaatsvindt.
O onderwerper van de vijanden, door sommige deskundigen in het subtiele wordt bevestigd dat schepping en vernietiging van al de levende wezens beginnende bij Brahmâ voortdurend plaats vindt. (Vedabase)
De verschillende omstandigheden [stadia van bestaan] van de dingen die zijn onderworpen aan verandering worden gezwind weggevaagd door de kracht van de machtige maalstroom van de Tijd; ze vormen het bewijs van hun constant geboren en vernietigd worden [dat we nityah pralaya noemen].
Van de dingen onderworpen aan verandering welke gezwind worden weggenomen door de kracht van de machtige stroom van de Tijd, vormen de verschillende omstandigheden [stadia van bestaan] de oorzaken van hun constant geboren en vernietigd worden [nityah pralaya]. (Vedabase)
De verschillende stadia gecreëerd door de Tijd - die zelf, zonder een begin en een eind te kennen, Îs'vara [de Beheerser] vertegenwoordigd [in het onpersoonlijke] - worden, zoals u weet, niet rechtstreeks waargenomen, net zoals de bewegingen van de planeten in de ruimte [of iemands verschillende conditioneringen] niet direct worden gezien [zie ook 3.10; 10-14].
De verschillende stadia gecreëerd door de Tijd die, zonder een begin en een eind, de representatie vormt van Î'svara, worden, zoals u weet, niet rechtstreeks waargenomen, net zoals de bewegingen van de planeten in de ruimte [of iemands verschillende conditioneringen] niet direct worden gezien [zie ook 3.10; 10-14]. (Vedabase)
Op deze manier wordt de voortgang van de Tijd [kâla] beschreven als zijnde van een voortdurende [nitya], incidentele [naimittika], natuurlijke [elementaire of prâkritika] en uiteindelijke [âtyantika] vernietiging.
Op deze manier wordt de voortgang van de Tijd [kâla] beschreven als zijnde van een voortdurende [nitya], incidentele [naimittika], natuurlijke [elementaire of prâkritika] en uiteindelijke [âtyantika] vernietiging. (Vedabase)
Bondig zijn deze vertellingen over de lîlâ van de schepper van het universum, Nârâyana, het reservoir van alle bestaansvormen, aan u voorgedragen o beste van de Kuru's; zelfs niet de Ongeborene [Brahmâ] is in staat ze allen op te sommen.
Bondig zijn deze vertellingen over de lîlâ van de schepper van het universum, Nârâyana, het reservoir van alle bestaansvormen, aan u voorgedragen o beste van de Kuru's; zelfs niet de Ongeborene [Brahmâ] is in staat ze allen op te sommen. (Vedabase)
Voor de persoon die te lijden heeft als gevolg van het vuur van de verschillende vormen van ongeluk en ernaar verlangt de moeilijk te boven te komen oceaan van het materiële bestaan over te steken, bestaat er geen andere boot dan het leveren van dienst aan de Fortuinlijke, de Allerhoogste Persoonlijkheid, overeenkomstig de persoonlijke smaak voor de vertellingen van Zijn wederwaardigheden.
Voor de persoon die, in leed verkerend door het vuur van de verschillende vormen van ongeluk, het verlangt de moeilijk te boven te komen oceaan van het materiële bestaan over te steken, bestaat er geen andere boot dan het leveren van dienst naar de persoonlijke smaak voor de vertellingen van de wederwaardigheden van de Fortuinlijke, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (Vedabase)
Dit essentiële compendium van al de klassieke verhalen werd voorheen door de onfeilbare Heer Nara-Nârâyana uitgesproken voor Nârada die het herhaalde voor Krishna Dvaipâyana [Vyâsa, de schrijver; zie 5.19: 10-15].
Dit essentiële compendium van al de klassieke verhalen werd voorheen door de onfeilbare Heer Nara-Nârâyana uitgesproken voor Nârada die het herhaalde voor Krishna-dvaipayana [Vyâsa, de schrijver; zie 5.19: 10-15]. (Vedabase)
Hij, die machtige heer Bâdarâyana, was er zeker van dit Bhâgavatam, deze bloemlezing die een status geniet gelijk aan de vier Veda's, aan mij te vertellen o Mahârâja.
Hij, die machtige heer Bâdarâyana, was er zeker van dit Bhâgavatam, deze bloemlezing die qua status te vergelijken is met de vier Veda's, aan mij te vertellen o Mahârâja. (Vedabase)
Sûta Gosvâmî, die hier bij ons zit, zal het [op zijn beurt] doorvertellen aan de wijzen die aanwezig zijn in het Naimishâranyawoud voor een langdurig offer onder leiding van S'aunaka, o beste van de Kuru's [zie 1.1].'
Dit zal worden verteld door Sûta Gosvâmî, die hier bij ons zit, aan de wijzen aanwezig in het Naimishâranya woud voor een langdurig offer voorgezeten door S'aunaka, o beste van de Kuru's [zie 1.1]. (Vedabase)
Voor
deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van
Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn
vertaling van het Bhâgavatam.
Zie
de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina.
Het eerste schilderij van de zondvloed is van Wassilij Petrovich
Wereschtschagin (1835 - 1909).
Bron.
Het tweede schilderij is van Joseph Mallord William Turner, en
getiteld: ' Light and Colour (Goethe's Theory)
- the Morning after the Deluge, Moses Writing the Book of Genesis'
(1843). Bron.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd