Canto
8
Hoofdstuk 6: De Sura's en Asura's kondigen een Wapenstilstand af
(1) S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer Hari, de Hoogste Beheerser, aldus aanbeden door de goddelijken verscheen toen voor hen, o Koning, met een gloed van duizenden opgaande zonnen. (2) Om die reden was op dat moment het gezichtsvermogen van de goddelijken geblokkeerd; ze zagen niets in welke richting ook, noch in de hemel, noch op het land, noch zagen ze zichzelf, en waar was de Almachtige nu te zien? (3-7) Maar zo gauw ze Zijn gestalte ontwaarden, zo zuiver met de gloed van een blauwe diamant, Zijn oogwit zo roze als een lotushart, Zijn glans van gesmolten goud, Zijn geelzijden kleding, de grote schoonheid en gratie van al Zijn ledematen, Zijn glimlach, Zijn fraaie wenkbrauwen, Zijn helm vol edelstenen, de opsmuk van al Zijn sierselen, het licht van Zijn oorhangers, de kaaklijn van Zijn prachtige gezicht, Zijn gordel en banden, Zijn halssnoer en enkelbelletjes alles prachtig geschikt, het Kaustubhajuweel op Zijn borst, S'rî Lakshmî die zich met Hem meebewoog, Zijn bloemenslingers en Zijn cakra en Zijn andere wapens, wierpen al de onsterfelijke zielen tezamen met Heer S'iva, die voor hen allen de enige goddelijkheid vormde, zich met lijf en leden ter aarde en verheerlijkte de o zo machtige Heer Brahmâ, de aanvoerder van de goden, de Allerhoogste Persoonlijkheid.
(8) S'rî Brahmâ zei: 'Jegens Hem die nimmer geboorte nam maar altijd ten tonele verschijnt, Hij die vrij is van de geaardheden, die oceaan van gelukzaligheid voorbij alle bestaan, die kleinste van alle atomen zo ondoorgrondelijk in al Zijn trekken, jegens U, de Ondoorgrondelijke, ons herhaaldelijk eerbetoon [zie ook B.G. 4: 6]. (9) Deze gedaante van U, o Beste van alle Personen, is zo aanbiddelijk en goedgunstig voor allen die verlangen overeenkomstig de vedische aanwijzingen zoals verstaan vanuit de tantra's [speciale vedische verhandelingen] in het praktizeren van de yoga; o bestuurder die met ons de drie werelden regeert, o, in U zien we rechtstreeks het Universum compleet. (10) Jegens U in het begin was er, jegens U in het midden was er, jegens U op het eind zal dit alles er zijn; de aanvang, het einde en het midden van deze kosmische schepping beheerst U in zijn geheel: zoals de aarde staat tot de pot ervan gemaakt, bent U de leiding der transcendentie. (11) U, door Uw eeuwig energetish vermogen, met Uw Ziel als de toevlucht, gaat, uit Uzelf voor het heil van de schepping dit universum zo immens binnen en zij die verbonden zijn, zij die vol van de S'âstra zijn, zien, als hooggestemde personen met een gevorderd bewustzijn, U, in de transformatie van de geaardheden hoewel U door de kwaliteiten der natuur onberoerd blijft. (12) Zoals met vuur uit het hout, zoals met de nectar uit de koeien, zoals met de granen en het water die men vindt op deze aarde en ook zoals met het levensonderhoud verkregen uit eigen ondernemen, bereikt het levend wezen door de praktijk van de yoga, intelligent naar de geaardheden, inderdaad U, zo bevestigen het de grootsten. (13) O Heer van ons allen, o Meester in Uw volheid hier aanwezig voor ons, met de lotus uit Uw navel, hebben we zolang gewacht verlangend naar het doel en nu vandaag mogen we allen de visie van het geluk dan koesteren, gelijk olifanten, die in nood in een bosbrand, het water van de Ganges zouden koesteren. (14) O Ziel, die voor een ieder het voorbije is, over de bedoeling waarvoor we kwamen tot Uw voeten hoeven we U, de getuige van allen, niet te informeren; moge U zo goed zijn aan onze verlangens tegemoet te komen voor de leniging van de behoeften van deze zielen overeenkomstig de plaatsen door hen bestuurd. (15) Ik en Hij die verblijft op de berg [S'iva], de verlichten en allen zo geleid door stamvaders als Daksha, zijn als vonken in verhouding tot het vuur dat U bent mijn Heer - hoe kunnen wij als losse deeltjes nu tot begrip komen, o mijn Heer? Schenk ons alstUblieft het goede geluk, de mantra's, van de tweemaal geborenen en de brahmaan.'
(16) S'rî S'uka zei: 'Aldus aanbeden door Viriñca [Brahmâ] en allen, begrijpend wat ze in hun harten verlangden, antwoordde Hij met woorden rollend als de donder hen die in gebed hun zinnen beheersten. (17) Hoewel de Beheerser alleen op zichzelf aankon wat de goddelijken te doen stond, wilde Hij als hun Heer Zijn spel gaan genieten van het karnen van de oceaan en sprak Hij tot hen. (18) De Allerhoogste Heer zei: 'Luister o Brahmâ en S'iva, o goden, naar wat Ik te zeggen heb; luistert nu allen aandachtig omdat dat jullie sura's al het goede geluk zal brengen. (19) In afwachting van je eigen voorspoed, stel je in op een wapenstilstand met de Daitya's en Danava's hun zegeningen van een gunstige tijd. (20) Als het van belang is voor de eigen plichten moet men zelfs met zijn vijanden tot een vergelijk willen komen, zoals een slang dat zou doen met een muis o goden, naar het belang van zijn eigen positie [*]. (21) Aarzel niet je in te spannen voor de nectar waarvan welk levend wezen ook dat in doodsgevaar verkeert onsterfelijk kan worden als ervan gedronken wordt. (22-33) Met het in de oceaan van melk geworpen hebben van allerlei klimplanten, grassen, groenten en kruiden en het met Mijn hulp gebruiken van Vâsuki [de slang] als het touw voor de karnstok die de berg Mandara is, ga zorgvuldig tewerk met het karnen; het zal de samenzweerders der belemmering bezighouden maar jullie allen, zullen er de vruchten van plukken. (24) Jullie moeten allen tezamen accepteren wat de Asura's ook maar van je verlangen o sura's, wordt er niet kwaad over, daar tewerkgaand in vrede alle doelen zullen worden bereikt met het grootste succes. (25) Wees niet bevreesd voor het kâlakûtha ['valse tijd'] gif dat uit de oceaan van melk zal verschijnen en laat je nooit leiden door begeerte, lust en woede met dat wat wordt voorgebracht.'
(26) S'rî S'uka zei: 'Nadat de Allerhoogste Heer aldus de goddelijken van advies had gediend, verdween het Hoogste Voorbeeld vandaar, o Koning, daar Hij de Beheerser is die zich vrij beweegt. (27) Toen ze Hem, hun Allerhoogste Heer, hun eerbetuigingen hadden gebracht, keerde de Grote Vader met de Heer der Wording [Bhava, S'iva] terug naar hun verblijfplaatsen en werd koning Bali door de Sura's benaderd. (28) De achtenswaardige leider van de Daitya's [Bali] zag heel goed dat, hoewel zijn kapiteins in staat van paraatheid verkeerden, de vijanden niet van zins waren te vechten en dus hield hij ze terug, zich wel bewust van wat de tijd om te vechten en de tijd om te onderhandelen was. (29) Ze kwamen allen tot de zoon van Virocana [Bali] en gingen met hem zitten, die, goed beschermd door de asura bevelhebbers, als de veroveraar van al de werelden was gezegend met een grote weelde. (30) De grote Indra in zachte bewoordingen hem behagend zo goed als hij kon, legde als de grootste intelligentie alles aan hem voor wat ze hadden vernomen van de Allerhoogste Persoonlijkheid. (31) Het was allemaal heel goed te aanvaarden voor de daitya heerser alsook voor de andere asura aanvoerders S'ambara, Arishthanemi en de rest van de inwoners van Tripura. (32) Direct daarop besluitend tot een wapenstilstand tussen hen, begonnen zij, deva en Asura, met de verheven onderneming van het karnen voor de nectar, o bestraffer der vijanden. (33) Daartoe rukten ze allen uit alle macht, met grote kracht onder luid geschreeuw de Mandara Berg van zijn plaats en namen ze die mee naar de oceaan met hun sterke en stoere armen. (34) Over een grote afstand die lading meetorsend konden Indra en de zoon van Virocana vermoeid geraakt de last niet nog langer dragen zodat ze hem halverwege achterlieten. (35) De enorme berg van goud die ter plekke naar beneden kwam verpletterde met zijn grote gewicht vele van de verlichte en de onverlichte zielen. (36) Gedragen door Garuda verscheen de Allerhoogste Heer daarna voor hen allen die zowel hun armen en benen als hun harten hadden gebroken. (37) Middels een enkele blik geworpen op de onsterfelijken en de sterfelijken die waren verpletterd door de vallende berg, wekte hij hen weer tot leven zonder een schrammetje en vrij van verdriet. (38) Met het grootste gemak plaatste Hij met één hand de berg op Garuda, besteeg Hij zijn rug en ging Hij omringd door de Asura's en de Sura's naar de oceaan. (39) Aldaar de berg van zijn schouder ladend ging Garuda, de grootste aller vogels, ermee naar de waterkant en zette hij hem daar neer, waarna hij door de Heer werd heengezonden [zodat hij Vâsuki niet zou opeten].'
Tweede editie, geladen 3 september 2007
![]()
Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:
S'rî S'uka zei: 'De Allerhoogste Heer Hari, de Hoogste Beheerser, aldus aanbeden door de goddelijken verscheen toen voor hen, o Koning, met een gloed van duizenden opgaande zonnen.S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: O Koning Parîkshit, nadat de halfgoden en Heer Brahmâ de Allerhoogste Godspersoon Hari op deze wijze met gebeden vereerd hadden, verscheen Hij voor hen. De uitstraling van Zijn lichaam was zo sterk dat het leek alsof er duizenden zonnen tegelijk opkwamen. (Vedabase)
Om die reden was op dat moment het gezichtsvermogen van de goddelijken geblokkeerd; ze zagen niets in welke richting ook, noch in de hemel, noch op het land, noch zagen ze zichzelf, en waar was de Almachtige nu te zien?
Verblind door de uitstraling van de Heer konden de halfgoden noch de lucht, noch de omgeving, noch de grond en niet eens zichzelf zien, om maar te zwijgen van de Heer die voor hen stond. (Vedabase)
Maar zo gauw ze Zijn gestalte ontwaarden, zo zuiver met de gloed van een blauwe diamant, Zijn oogwit zo roze als een lotushart, Zijn glans van gesmolten goud, Zijn geelzijden kleding, de grote schoonheid en gratie van al Zijn ledematen, Zijn glimlach, Zijn fraaie wenkbrauwen, Zijn helm vol edelstenen, de opsmuk van al Zijn sierselen, het licht van Zijn oorhangers, de kaaklijn van Zijn prachtige gezicht, Zijn gordel en banden, Zijn halssnoer en enkelbelletjes alles prachtig geschikt, het Kaustubhajuweel op Zijn borst, S'rî Lakshmî die zich met Hem meebewoog, Zijn bloemenslingers en Zijn cakra en Zijn andere wapens, wierpen al de onsterfelijke zielen tezamen met Heer S'iva, die voor hen allen de enige goddelijkheid vormde, zich met lijf en leden ter aarde en verheerlijkte de o zo machtige Heer Brahmâ, de aanvoerder van de goden, de Allerhoogste Persoonlijkheid.
Heer Brahmâ en Heer S'iva zagen de kristalheldere schoonheid van de Allerhoogste Godspersoon, wiens zwartachtige lichaam op een marakata-juweel lijkt, wiens ogen rozig zijn als het hart van een lotus, die gekleed is in gewaden die zo geel zijn als gesmolten goud, en wiens hele lichaam aantrekkelijk met sieraden getooid is. Ze zagen Zijn prachtige, glimlachende lotusgezicht, gekroond met een helm die was ingelegd met kostbare juwelen. De Heer heeft bekoorlijke wenkbrauwen en Zijn wangen worden gesierd door oorbellen. Heer Brahmâ en Heer S'iva zagen de gordel om het middel van de Heer, de armbanden om Zijn polsen, de halsketting op Zijn borst en de enkelbelletjes aan Zijn benen. De Heer is getooid met bloemenslingers, Zijn hals wordt gesierd door het Kaustubha-juweel en Hij draagt de godin van het geluk en Zijn persoonlijke wapens zoals Zijn werpschijf en knots met Zich mee. Toen Heer Brahmâ, Heer S'iva en de andere halfgoden de gedaante van de Heer zo voor zich zagen, lieten ze zich onmiddellijk languit op de grond vallen en brachten hun eerbetuigingen. (Vedabase)
S'rî Brahmâ zei: 'Jegens Hem die nimmer geboorte nam maar altijd ten tonele verschijnt, Hij die vrij is van de geaardheden, die oceaan van gelukzaligheid voorbij alle bestaan, die kleinste van alle atomen zo ondoorgrondelijk in al Zijn trekken, jegens U, de Ondoorgrondelijke, ons herhaaldelijk eerbetoon [zie ook B.G. 4: 6].
Heer Brahmâ zei: Hoewel U nooit geboren bent, komt er nooit een einde aan het verschijnen en verdwijnen van Uw incarnaties. U bent altijd vrij van de materiële geaardheden en U bent de toevlucht van transcendentale gelukzaligheid die vergelijkbaar is met een oceaan. Omdat U eeuwig bestaat in Uw transcendentale gedaante, bent U nog subtieler dan het allersubtielste. Daarom brengen we onze nederige eerbetuigingen aan U, de Allerhoogste, wiens bestaan onvoorstelbaar is. (Vedabase)
Deze gedaante van U, o Beste van alle Personen, is zo aanbiddelijk en goedgunstig voor allen die verlangen overeenkomstig de vedische aanwijzingen zoals verstaan vanuit de tantra's [speciale vedische verhandelingen] in het praktizeren van de yoga; o bestuurder die met ons de drie werelden regeert, o, in U zien we rechtstreeks het Universum compleet.
O beste van allen, o allerhoogste leider, degenen die werkelijk naar het allerhoogste geluk streven, vereren deze gedaante van U volgens de vedische Tantra's. O Heer, we kunnen alledrie de werelden in U zien. (Vedabase)
Jegens U in het begin was er, jegens U in het midden was er, jegens U op het eind zal dit alles er zijn; de aanvang, het einde en het midden van deze kosmische schepping beheerst U in zijn geheel: zoals de aarde staat tot de pot ervan gemaakt, bent U de leiding der transcendentie.
O Heer, U die altijd volkomen onafhankelijk bent, deze hele kosmische openbaring komt voort uit U, rust op U en eindigt in U. U bent het begin, de instandhouding en het eind van alles, net zoals aarde, hetgeen de oorsprong van een aarden pot is, de pot tot steun dient en hetgeen is waarnaar de pot, als hij eenmaal gebroken is, uiteindelijk weer terugkeert. (Vedabase)
U, door Uw eeuwig energetish vermogen, met Uw Ziel als de toevlucht, gaat, uit Uzelf voor het heil van de schepping dit universum zo immens binnen en zij die verbonden zijn, zij die vol van de S'âstra zijn, zien, als hooggestemde personen met een gevorderd bewustzijn, U, in de transformatie van de geaardheden hoewel U door de kwaliteiten der natuur onberoerd blijft.
O Allerhoogste, U bent volkomen onafhankelijk en neemt geen hulp van anderen aan. Door Uw eigen vermogen schept U deze kosmische openbaring en gaat erin binnen. Degenen die gevorderd zijn in Krishna-bewustzijn, die volledige kennis van de gezaghebbende s'âstra hebben en door het beoefenen van bhakti-yoga gezuiverd zijn van alle materiële besmetting, kunnen met hun heldere geest zien dat U geenszins door de materiële geaardheden beïnvloed wordt, ook al bent U in de transformaties ervan aanwezig. (Vedabase)
Zoals met vuur uit het hout, zoals met de nectar uit de koeien, zoals met de granen en het water die men vindt op deze aarde en ook zoals met het levensonderhoud verkregen uit eigen ondernemen, bereikt het levend wezen door de praktijk van de yoga, intelligent naar de geaardheden, inderdaad U, zo bevestigen het de grootsten.
Zoals men vuur uit hout kan halen, melk uit de uier van een koe, granen en water van het land en materiële welvaart uit industrie, zo kan men door de beoefening van bhakti-yoga zelfs in deze materiële wereld Uw gunst verwerven of U door middel van zijn intelligentie benaderen. Alle vrome zielen bevestigen dit. (Vedabase)
O Heer van ons allen, o Meester in Uw volheid hier aanwezig voor ons, met de lotus uit Uw navel, hebben we zolang gewacht verlangend naar het doel en nu vandaag mogen we allen de visie van het geluk dan koesteren, gelijk olifanten, die in nood in een bosbrand, het water van de Ganges zouden koesteren.
Olifanten die bedreigd worden door een bosbrand zijn heel gelukkig als ze het water van de Ganges vinden. Hetzelfde geldt voor ons, o Heer uit wiens navel een lotus groeit, want omdat U nu voor ons verschenen bent, ervaren we transcendentaal geluk. Doordat we U gezien hebben, o Heer, die we al zolang hadden willen zien, hebben we het hoogste doel in het leven bereikt. (Vedabase)
O Ziel, die voor een ieder het voorbije is, over de bedoeling waarvoor we kwamen tot Uw voeten hoeven we U, de getuige van allen, niet te informeren; moge U zo goed zijn aan onze verlangens tegemoet te komen voor de leniging van de behoeften van deze zielen overeenkomstig de plaatsen door hen bestuurd.
O Heer, wij, de verschillende halfgoden, de leiders van dit universum, zijn samengekomen aan Uw lotusvoeten. Wees zo goed ons het doel te helpen bereiken waarvoor we gekomen zijn. U bent de getuige van alles, vanbinnen en vanbuiten. Niets is U onbekend, en daarom is het onnodig om U nogmaals van alles op de hoogte te stellen. (Vedabase)
Ik en Hij die verblijft op de berg [S'iva], de verlichten en allen zo geleid door stamvaders als Daksha, zijn als vonken in verhouding tot het vuur dat U bent mijn Heer - hoe kunnen wij als losse deeltjes nu tot begrip komen, o mijn Heer? Schenk ons alstUblieft het goede geluk, de mantra's, van de tweemaal geborenen en de brahmaan.'
Ik [Heer Brahmâ], Heer S'iva en alle andere halfgoden, vergezeld van de prajâpati's zoals Daksha, zijn niets dan vonken, verlicht door U die het oorspronkelijke vuur bent. We zijn deeltjes van U, dus hoe kunnen wij begrijpen wat het beste voor ons is? O Allerhoogste Heer, geef ons alstublieft de methode tot verlossing die brâhmana's en halfgoden past. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Aldus aanbeden door Viriñca [Brahmâ] en allen, begrijpend wat ze in hun harten verlangden, antwoordde Hij met woorden rollend als de donder hen die in gebed hun zinnen beheersten.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Toen de halfgoden met Heer Brahmâ voorop deze gebeden tot de Heer hadden gericht, begreep Hij om welke reden ze naar Hem toe waren gekomen. Daarom antwoordde de Heer de halfgoden, die daar met gevouwen handen allemaal aandachtig stonden te wachten, met een diepe stem die op het gedonder van de wolken leek. (Vedabase)
Hoewel de Beheerser alleen op zichzelf aankon wat de goddelijken te doen stond, wilde Hij als hun Heer Zijn spel gaan genieten van het karnen van de oceaan en sprak Hij tot hen.
Hoewel de Allerhoogste Godspersoon, de meester van de halfgoden, zondermeer in staat was om de activiteiten van de halfgoden Zelf te verrichten, wilde Hij bij wijze van Zijn spel en vermaak de oceaan karnen. Daarom sprak Hij de volgende woorden. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Luister o Brahmâ en S'iva, o goden, naar wat Ik te zeggen heb; luistert nu allen aandachtig omdat dat jullie sura's al het goede geluk zal brengen.
De Allerhoogste Godspersoon zei: O Heer Brahmâ, Heer S'iva en andere halfgoden, luister alstublieft met grote aandacht naar Me, want wat Ik te zeggen heb zal u allemaal geluk en voorspoed brengen. (Vedabase)
In afwachting van je eigen voorspoed, stel je in op een wapenstilstand met de Daitya's en Danava's hun zegeningen van een gunstige tijd.
Zolang het niet goed met jullie gaat, moeten jullie een wapenstilstand met de demonen en de asura's sluiten, die nu de tijd meehebben. (Vedabase)
Als het van belang is voor de eigen plichten moet men zelfs met zijn vijanden tot een vergelijk willen komen, zoals een slang dat zou doen met een muis o goden, naar het belang van zijn eigen positie [*].
O halfgoden, het is zo belangrijk om zijn eigenbelang te dienen, dat men soms zelfs een wapenstilstand met zijn vijanden moet sluiten. Als dit in zijn eigen voordeel is, moet men de logica van de slang en de muis hanteren. (Vedabase)
Aarzel niet je in te spannen voor de nectar waarvan welk levend wezen ook dat in doodsgevaar verkeert onsterfelijk kan worden als ervan gedronken wordt.
Ga meteen aan de slag en maak nectar, die zelfs iemand die op het randje van de dood is nog onsterfelijk kan maken als hij ervan drinkt. (Vedabase)
Met het in de oceaan van melk geworpen hebben van allerlei klimplanten, grassen, groenten en kruiden en het met Mijn hulp gebruiken van Vâsuki [de slang] als het touw voor de karnstok die de berg Mandara is, ga zorgvuldig tewerk met het karnen; het zal de samenzweerders der belemmering bezighouden maar jullie allen, zullen er de vruchten van plukken.
O halfgoden, gooi allerlei groentes, gras, klimplanten en geneeskrachtige kruiden in de oceaan van melk. Gebruik dan met Mijn hulp de berg de Mandara als karnstok en Vâsuki als karntouw, en karn daarmee de oceaan van melk zonder je aandacht ook maar een ogenblik te laten verslappen. Zo zullen de demonen het werk doen terwijl jullie, halfgoden, het werkelijke resultaat zullen krijgen, namelijk de nectar die uit de oceaan gemaakt wordt. (Vedabase)
Jullie moeten allen tezamen accepteren wat de Asura's ook maar van je verlangen o Sura's, wordt er niet kwaad over, daar tewerkgaand in vrede alle doelen zullen worden bereikt met het grootste succes.
Beste halfgoden, met geduld en een vreedzame instelling kan men alles krijgen, maar als men kwaad wordt, bereikt men zijn doel niet. Ga daarom met alles akkoord wat de demonen voorstellen. (Vedabase)
Wees niet bevreesd voor het kâlakûtha ['valse tijd'] gif dat uit de oceaan van melk zal verschijnen en laat je nooit leiden door begeerte, lust en woede met dat wat wordt voorgebracht.'
Er zal een gif met de naam kâlakûtha uit de oceaan van melk tevoorschijn komen, maar daar hoeven jullie niet bang voor te zijn. En wanneer er allerlei andere produkten uit de oceaan gekarnd worden, moeten jullie je hebzucht, lust en woede beheersen. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Nadat de Allerhoogste Heer aldus de goddelijken van advies had gediend, verdween het Hoogste Voorbeeld vandaar, o Koning, daar Hij de Beheerser is die zich vrij beweegt.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: O Koning Parîkshit, na dit advies aan de halfgoden te hebben gegeven, verdween de onafhankelijke Allerhoogste Godspersoon, de beste van alle levende wezens, uit hun gezelschap. (Vedabase)
Toen ze Hem, hun Allerhoogste Heer, hun eerbetuigingen hadden gebracht, keerde de Grote Vader met de Heer der Wording [Bhava, S'iva] terug naar hun verblijfplaatsen en werd koning Bali door de Sura's benaderd.
Toen keerden Heer Brahmâ en Heer S'iva, na de Heer vol respect hun eerbetuigingen te hebben gebracht, terug naar hun respectievelijke woonplaatsen. Alle halfgoden begaven zich vervolgens naar Mahârâja Bali. (Vedabase)
De achtenswaardige leider van de Daitya's [Bali] zag heel goed dat, hoewel zijn kapiteins in staat van paraatheid verkeerden, de vijanden niet van zins waren te vechten en dus hield hij ze terug, zich wel bewust van wat de tijd om te vechten en de tijd om te onderhandelen was.
Mahârâja Bali, een zeer beroemde koning van de demonen, wist heel goed wanneer hij vrede moest sluiten en wanneer hij moest vechten. Dus hoewel zijn aanvoerders en kapiteins ongedurig waren en op het punt stonden om de halfgoden te doden, weerhield Mahârâja Bali hen daarvan, omdat hij zag dat de halfgoden zonder oorlogszuchtige bedoelingen waren gekomen. (Vedabase)
Ze kwamen allen tot de zoon van Virocana [Bali] en gingen met hem zitten, die, goed beschermd door de Asura bevelhebbers, als de veroveraar van al de werelden was gezegend met een grote weelde.
De halfgoden liepen naar Bali Mahârâja toe, de zoon van Virocana, en gingen bij hem zitten. Bali Mahârâja werd beschermd door de aanvoerders van de demonen en was enorm rijk doordat hij alle universa veroverd had. (Vedabase)
De grote Indra in zachte bewoordingen hem behagend zo goed als hij kon, legde als de grootste intelligentie alles aan hem voor wat ze hadden vernomen van de Allerhoogste Persoonlijkheid.
Na Bali Mahârâja met vriendelijke woorden tevredengesteld te hebben, deed Heer Indra, de koning van de halfgoden die zeer intelligent was, heel beleefd alle voorstellen die de Allerhoogste Godspersoon, Heer Vishnu, hem gesuggereerd had. (Vedabase)
Het was allemaal heel goed te aanvaarden voor de daitya heerser alsook voor de andere Asura aanvoerders S'ambara, Arishthanemi en de rest van de inwoners van Tripura.
Bali Mahârâja en zijn helpers, met S'ambara en Arishthanemi aan het hoofd, en alle andere inwoners van Tripura, namen koning Indra's voorstellen meteen aan. (Vedabase)
Direct daarop besluitend tot een wapenstilstand tussen hen, begonnen zij, deva en Asura, met de verheven onderneming van het karnen voor de nectar, o bestraffer der vijanden.
O Mahârâja Parîkshit, straffer van de vijand, daarna sloten de halfgoden en de demonen een wapenstilstand met elkaar. Vervolgens troffen ze met grote ijver maatregelen om nectar te maken, zoals Heer Indra had voorgesteld. (Vedabase)
Daartoe rukten ze allen uit alle macht, met grote kracht onder luid geschreeuw de Mandara Berg van zijn plaats en namen ze die mee naar de oceaan met hun sterke en stoere armen.
Daarna trokken de demonen en de halfgoden, die allemaal zeer sterk waren en lange, stevige armen hadden, de berg de Mandara met grote kracht uit de grond en droegen hem onder luid geroep naar de oceaan van melk. (Vedabase)
Over een grote afstand die lading meetorsend konden Indra en de zoon van Virocana vermoeid geraakt de last niet nog langer dragen zodat ze hem halverwege achterlieten.
Omdat koning Indra, Mahârâja Bali en de andere halfgoden en demonen de grote berg over een grote afstand moesten vervoeren, raakten ze vermoeid. Ze waren niet meer bij machte om de berg te dragen en lieten hem vallen. (Vedabase)
De enorme berg van goud die ter plekke naar beneden kwam verpletterde met zijn grote gewicht vele van de verlichte en de onverlichte zielen.
Toen de Mandara, die bijzonder zwaar was omdat hij helemaal uit goud bestond, viel, verpletterde hij vele halfgoden en demonen. (Vedabase)
Gedragen door Garuda verscheen de Allerhoogste Heer daarna voor hen allen die zowel hun armen en benen als hun harten hadden gebroken.
Zowel de halfgoden als de demonen waren teleurgesteld en uit het veld geslagen, en hun armen, dijen en schouders waren gebroken. Daarom verscheen de Allerhoogste Godspersoon, die alles weet, ter plaatse, gezeten op de rug van Zijn drager Garuda. (Vedabase)
Middels een enkele blik geworpen op de onsterfelijken en de sterfelijken die waren verpletterd door de vallende berg, wekte hij hen weer tot leven zonder een schrammetje en vrij van verdriet.
Toen de Heer zag dat de meeste demonen en halfgoden door de berg verpletterd waren, liet Hij Zijn blik over hen glijden en bracht hen weer tot leven. Zo werd hun pijn verlicht, en hadden ze zelfs geen schrammetje op hun lichaam. (Vedabase)
Met het grootste gemak plaatste Hij met één hand de berg op Garuda, .sura's en de Sura's naar de oceaan.
De Heer tilde de berg zonder enige moeite met één hand op en zette hem op de rug van Garuda, waar Hijzelf ook op plaatsnam. Vervolgens begaf Hij Zich, omringd door de halfgoden en demonen, naar de oceaan van melk. (Vedabase)
Aldaar de berg van zijn schouder ladend ging Garuda, de grootste aller vogels, ermee naar de waterkant en zette hij hem daar neer, waarna hij door de Heer werd heengezonden [zodat hij Vâsuki niet zou opeten].'
Daarna liet Garuda, de eerste van alle vogels, de berg de Mandara van zijn schouders glijden en bracht hem naar het water toe. Toen verzocht de Heer hem die plek te verlaten, en hij verdween. (Vedabase)
*: Het idee hier is dat van een muis en een slang: de muis, met de slang gevangen in een mand maakt een gat en de slang profiteert van beide als de slang de muis niet meteen opeet.
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina.
De eerste afbeelding is een mandala van Vishnu. Jayateja,
Pata/Paubha, dated 1420
Ter beschikking gesteld door LACMA.
De tweede afbeelding is een tekening getiteld: 'The Hindu God Vishnu
Riding on His Mount Garuda',
India, Rajasthan, Bundi, South Asia, circa 1750-1775. Ter beschikking
gesteld door LACMA.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd