regelbalk


 

Canto 10

S'rî Nâma

   

 

Hoofdstuk 38: Akrûra's Gemijmer en de Ontvangst in Gokula

(1) S'rî S'uka zei: 'Akrûra die hooggestemd de nacht doorbracht in de stad Mathurâ [na 10.36: 40], beklom toen zijn wagen en vertrok richting Nanda's koeherdersdorp. (2) Onderweg ervoer hij een buitengewoon sterke toewijding voor de allerfortuinlijkste lotusogige Persoonlijkheid van God en dacht hij derhalve als volgt: (3) 'Welke goede daden heb ik verricht, door welke ernstige boete werd ik gelouterd of van welke andere aanbidding was ik dat ik vandaag Kes'ava mag zien? (4) Mijn reiken tot de aanwezigheid van Hem die Geprezen Wordt in de Geschriften is denk ik voor iemand met een wereldse geest evenzo moeilijk te bereiken als het zingen van vedische mantra's voor iemand van de laagste klasse. (5) Maar genoeg daarover, zelfs voor een gevallen ziel als ik bestaat er een kans om Acyuta te zien te krijgen; soms bereikt iemand die wordt meegesleurd door de rivier van de tijd de andere oever! (6) Vandaag is het onzuivere verdreven en werpt mijn geboorte zijn vrucht af, daar het de lotusgelijke voeten van de Opperheer bemediteerd door de yogi's zijn die ik zal gaan respecteren. (7) Kamsa die me hierheen stuurde heeft me, door me ertoe te bewegen de voeten van de Heer op te zoeken die in deze wereld nederdaalde, werkelijk een grote dienst bewezen; het is bij de gloed van Zijn geronde teennagels dat velen in het verleden zich konden bevrijden van de zo moeilijk te overwinnen duisternis van een materieel bestaan. (8) Het zijn zij [die voeten], aanbeden door heer Brahmâ, S'iva, de andere halfgoden, door S'rî, de godin van het geluk, de wijzen en met de toegewijden, waarmee Hij zich voor het hoeden van de koeien met Zijn kameraden rondbewoog in het woud waarin de sporen van de kunkum van de borsten van de gopî's te vinden is. (9) Zonder twijfel zal ik Mukunda's fraaie kaaklijn en neus te zien krijgen, de glimlachen en de blikken van Zijn roodgekleurde lotusgelijke ogen en het haar dat zich krult rondom Zijn gezicht; en het is inderdaad zo dat de herten me van rechts passeren [een gunstig voorteken]! (10) Zeer zeker zal ik vandaag het genoegen smaken Vishnu recht voor me te zien, de Hemel der Schoonheid te aanschouwen die vanuit Zijn eigen verlangen de last van deze wereld te verlichten de gedaante van een menselijk wezen heeft aangenomen. (11) Hij, hoewel Hij [net als ik] een getuige is van het ware en onware, is verstoken van het idee van een ik en heeft bij dat persoonlijk vermogen van Hem de duisternis en verbijstering uitgebannen van een afgescheiden bestaan [zie ook 2.5: 14, 2.10: 8-9, 3.27: 18-30 en 10.3: 18]; het is Hij die vanbinnenuit werkzaam is, die door de geschapen wezens die zich manifesteren als Hij Zijn blik laat rusten op de materiële energie van Zijn schepping, slechts indirect kan worden waargenomen via de poorten van de vitale adem, de zinnen en de intelligentie in hun lichamen [zie ook 2.2: 35]. (12) De goedgunstige woorden, samengevoegd met de kwaliteiten, handelingen en incarnaties [van Hem en Zijn expansies], maken een einde aan al de zonden in de wereld en schenken leven, schoonheid en zuiverheid aan het ganse universum, terwijl woorden verstoken van dezen worden beschouwd als mooie dingen op een lijk. (13) En nu is zowaar nedergedaald in Zijn eigen geslacht van getrouwen [Sâtvata's] Hij die de gedragscodes handhaaft, Hij die als de leider der onsterfelijken, genoegen verschaffend, Zijn roem verbreidt met Zijn aanwezigheid in Vraja als de Beheerser wiens alles-begunstigende aard de godsbewusten bezingen. (14) Voorzeker zal ik Hem vandaag te zien krijgen, de bestemming en de geestelijk leraar van de grote zielen van al de drie werelden, de ware schoonheid en het grote feest voor allen die ogen hebben, Hij die de gedaante vertoont waar het verlangen van de godin naar uitgaat, die voor mij de vluchthaven is van wie alle zonsopgangen veranderen in een zichtbare zegening. (15) Zo gauw ik uit mijn wagen stap om de voeten te respecteren van de twee Heren, de Leidende Persoonlijkheden waaraan zelfs de mediterende yogi's vasthouden voor hun zelfverwerkelijking, zal ik me voor Hen verbuigen alsook voor de vrienden die met Hen in het bos leven. (16) En als ik dan voor de voeten ben neergevallen zal de Almachtige op mijn hoofd Zijn ene, eigen, lotusgelijke hand leggen die de angst verdrijft voor het serpent van de tijd vanwege wiens gezwinde kracht de mensen zwaar verstoord een veilig heenkomen zoeken. (17) Met het in die hand een respectvolle offergave leggen verwierven Purandara [zie 8.13: 4] en eveneens Bali [zie 8.19] de heerschappij [de positie van Indra] over de drie werelden; het is die hand welke tijdens het spel in aanraking met de dames van Vraja geurig als een welriekende bloem de vermoeidheid wegwiste [zie 10.33]. (18) Naar mij toe zal Acyuta, hoewel ik een boodschapper van Kamsa ben, geen vijandige houding aannemen; Hij die alles binnen en buiten het hart overziet is de Kenner van het veld [van het lichaam, zie B.G. 13: 3], de Kenner die met een volmaakte blik alles ziet, wat er ook geprobeerd of gezocht wordt. (19) Verankerd aan de basis van Zijn voeten met samengevouwen handen zal Hij op mij beminnelijk lachend neerzien zodat met het onmiddellijke uitbannen van alle besmetting middels Zijn blik ik bevrijd zal zijn van twijfel en een intens geluk zal bereiken. (20) Als de beste vriend en als een lid van de familie enkel Hem hebbend als mijn voorwerp van aanbidding, zal Hij me omhelzen met Zijn twee grote armen waarop als gevolg daarvan terstond mijn lichaam geheiligd zal raken en mijn karma-afhankelijke banden minder zullen knellen. (21) Als ik, met gebogen hoofd en gevouwen handen, het fysieke contact heb bereikt, zal Urus'rava ['de vermaarde Heer'] me aanspreken met woorden als 'O Akrûra, beste verwant' en zal aldus vanwege de Grootste van Alle Personen mijn geboorte een succes zijn; inderdaad is hij wiens geboorte niet op die manier wordt geëerd meelijwekkend! (22) Niemand is Zijn favoriet of beste vriend, noch heeft Hij een hekel aan wie dan ook, haat Hij iemand of minacht Hij iemand [zie B.G. 9: 29] en niettemin is Hij wederkerig met Zijn toegewijden [zie ook 10.32: 17-22] daar zij net als [wens-] bomen uit de hemel zijn die als men zich tot hen wendt alles schenken wat gewenst werd [zie vaishnava pranâma]. (23) Verder zal Zijn oudere broer, de meest excellente Yadu, glimlachend naar mij, die daar dan staat met een gebogen hoofd, me omhelzen, mijn handen beetgrijpen en me mee naar Zijn huis nemen om me te ontvangen met alle egards en zal Hij navraag doen over hoe Kamsa bezig is met Zijn familieleden.'

(24) S'rî S'uka zei: 'Aldus met zijn wagen onderweg mijmerend over Krishna bereikte de zoon van S'vaphalka [zie 9.24: 15] het dorp Gokula op het moment dat de zon onderging achter de berg, o Koning. (25) De afdrukken van Zijn voeten, waarvan de heersers van alle werelden het zuivere stof op hun kronen houden, zag hij in de aarde van de weidegronden: een prachtige versiering zich aftekenend met de lotus, de korenaar, de olifantendrijfstok en zo meer [zie ook 10.16: 18 en 10.30: 25*]. (26) De extase ze te zien deed in hevige mate zijn opwinding toenemen en zijn haren overeind staan waarbij zijn ogen zich vulden met tranen; van zijn wagen afkomend rolde hij zich [toen] in de voetsporen uitroepend: 'O dit is het stof van de voeten van mijn Meester!' (27) Voor alle belichaamde wezens is dit het levensdoel: om met het voor ogen hebben van de tekenen van de Heer waarover men verneemt en zo meer, de trots, de angst en het verdriet op te geven van het materieel bepaald zijn [door mâyâ, zie 7.5: 23-24].

(28-33) In Vraja zag hij Krishna en Râma die, gestoken in gele en blauwe kleding, met Hun ogen zo mooi als herfstlotussen op weg waren naar waar de koeien worden gemolken. De twee die de toevlucht zijn van de godin waren, blauwig donker en blank van teint, als jongeren hoogst fraai om te zien met machtige armen, aantrekkelijke gezichten en een tred gelijk die van een olifant. Met Hun voeten getekend door de vlag, de schicht, de drijfstok en de lotus verhoogden de grote zielen vol van mededogen met Hun glimlachen en blikken de schoonheid van het weidegebied. Zij wiens wederwaardigheden zo groots waren en aantrekkelijk, waren fris gewassen en droegen halskettingen met juwelen en bloemenslingers, hadden Hun ledematen ingesmeerd met heilzame, geurige substanties en waren onberispelijk gekleed. De twee oorspronkelijke, hoogst uitzonderlijke personen, die de Oorzaak en Heer van het universum zijn [zie ook 5.25], waren voor het welzijn van dat universum nedergedaald in Hun afzonderlijke gedaanten van Balarâma en Kes'ava. O Koning, met Hun uitstraling verdreven Ze, als een berg van smaragd en een berg van zilver opgesierd met goud, in alle richtingen de duisternis. (34) Snel van zijn wagen klauterend wierp Akrûra overmand door gevoelens van liefde zich ter aarde aan de voeten van Râma en Krishna. (35) Toen hij de Allerhoogste Persoonlijkheid zag was hij, vanwege de vreugdetranen opwellend in zijn ogen en de verrukking [van de extase] die zijn ledematen doortrok, in zijn vervoering niet in staat zich kenbaar te maken, o Koning. (36) De Allerhoogste Heer, de Zorgdrager der Overgegeven zielen, hem [niettemin] herkennend, trok hem met Zijn hand gemerkt met een wagenwiel [de cakra] naar Zich toe en omhelsde hem verheugd. (37-38) Vervolgens werd hij die daar met zijn gezicht naar beneden stond grootmoedig omhelsd door Sankarshana [Râma], die met Zijn hand zijn twee handen beetpakkend hem samen met Zijn jongere broer met Zich meevoerde in huis. Daarna informeerde Hij of zijn reis aangenaam geweest was en waste Hij, zoals dat was voorgeschreven bij wijze van een respectvol eerbetoon, hem zijn voeten met gezoete melk. (39) Een koe wegschenkend in liefdadigheid en vol van respect de vermoeide gast een massage gevend, serveerde de Almachtige hem trouw het juiste voedsel in verschillende smaken. (40) Na het maal voorzag Râma, de Allerhoogste Kenner van het Dharma, met liefde verder nog in kruiderij om de tong van dienst te zijn en in bloemenslingers om de hoogste voldoening te schenken.

(41) Nanda vroeg de geëerde: 'O nakomeling van Das'ârha, hoe vergaat het u met het in leven zijn van de genadeloze Kamsa, die baas die net als een slager is met schapen? (42) Als hij wreed en zelfzuchtig de baby's van zijn eigen zuster tot haar grote verdriet doodde, wat zou dat dan wel niet, zo durf ik te beweren, betekenen voor uw welzijn?'

(43) Aldus door Nanda gepast vereerd met ware en aangename bewoordingen wierp Akrûra de vermoeidheid van de reis van zich af.'

 

next                     

 
 

 Tweede editie, geladen 14 juli 2008    

 

 

 

 

 

Bronteksten (geen voorgaande versie in het Nederlands beschikbaar):

Akrûra's Arrival in Vrindâvana

 

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Akrûra die hooggestemd de nacht doorbracht in de stad Mathurâ [na 10.36: 40], beklom toen zijn wagen en vertrok richting Nanda's koeherdersdorp.

S'ukadeva Gosvâmî said: After passing the night in the city of Mathurâ, the high-minded Akrûra mounted his chariot and set off for the cowherd village of Nanda Mahârâja. (Vedabase)

 

Tekst 2

Onderweg ervoer hij een buitengewoon sterke toewijding voor de allerfortuinlijkste lotusogige Persoonlijkheid van God en dacht hij derhalve als volgt:

As he traveled on the road, the great soul Akrûra felt tremendous devotion for the lotus-eyed Personality of Godhead, and thus he began to consider as follows. (Vedabase)

 

Tekst 3

'Welke goede daden heb ik verricht, door welke ernstige boete werd ik gelouterd of van welke andere aanbidding was ik dat ik vandaag Kes'ava mag zien?

[S'rî Akrûra thought:] What pious deeds have I done, what severe austerities undergone, what worship performed or charity given so that today I will see Lord Kes'ava? (Vedabase)

 

Tekst 4

Mijn reiken tot de aanwezigheid van Hem die Geprezen Wordt in de Geschriften is denk ik voor iemand met een wereldse geest evenzo moeilijk te bereiken als het zingen van vedische mantra's voor iemand van de laagste klasse.

Since I am a materialistic person absorbed simply in sense gratification, I think it is as difficult for me to have gotten this opportunity to see Lord Uttamahs'loka as it would be for one born a s'ûdra to be allowed to recite the Vedic mantras. (Vedabase)

 

Tekst 5

Maar genoeg daarover, zelfs voor een gevallen ziel als ik bestaat er een kans om Acyuta te zien te krijgen; soms bereikt iemand die wordt meegesleurd door de rivier van de tijd de andere oever!

But enough of such thoughts! After all, even a fallen soul like me can have the chance to behold the infallible Supreme Lord, for one of the conditioned souls being swept along in the river of time may sometimes reach the shore. (Vedabase)

 

Tekst 6

Vandaag is het onzuivere verdreven en werpt mijn geboorte zijn vrucht af, daar het de lotusgelijke voeten van de Opperheer bemediteerd door de yogi's zijn die ik zal gaan respecteren.

Today all my sinful reactions have been eradicated and my birth has become worthwhile, since I will offer my obeisances to the Supreme Lord's lotus feet, which mystic yogis meditate upon. (Vedabase)

 

Tekst 7

Kamsa die me hierheen stuurde heeft me, door me ertoe te bewegen de voeten van de Heer op te zoeken die in deze wereld nederdaalde, werkelijk een grote dienst bewezen; het is bij de gloed van Zijn geronde teennagels dat velen in het verleden zich konden bevrijden van de zo moeilijk te overwinnen duisternis van een materieel bestaan.

Indeed, today King Kamsa has shown me extreme mercy by sending me to see the lotus feet of Lord Hari, who has now appeared in this world. Simply by the effulgence of His toenails, many souls in the past have transcended the insurmountable darkness of material existence and achieved liberation. (Vedabase)

 

Tekst 8

Het zijn zij [die voeten], aanbeden door heer Brahmâ, S'iva, de andere halfgoden, door S'rî, de godin van het geluk, de wijzen en met de toegewijden, waarmee Hij zich voor het hoeden van de koeien met Zijn kameraden rondbewoog in het woud waarin de sporen van de kunkum van de borsten van de gopî's te vinden is.

Those lotus feet are worshiped by Brahmâ, S'iva and all the other demigods, by the goddess of fortune, and also by the great sages and Vaishnavas. Upon those lotus feet the Lord walks about the forest while herding the cows with His companions, and those feet are smeared with the kunkuma from the gopîs' breasts. (Vedabase)

 

Tekst 9

Zonder twijfel zal ik Mukunda's fraaie kaaklijn en neus te zien krijgen, de glimlachen en de blikken van Zijn roodgekleurde lotusgelijke ogen en het haar dat zich krult rondom Zijn gezicht; en het is inderdaad zo dat de herten me van rechts passeren [een gunstig voorteken]!

Surely I shall see the face of Lord Mukunda, since the deer are now walking past me on my right. That face, framed by His curly hair, is beautified by His attractive cheeks and nose, His smiling glances and His reddish lotus eyes. (Vedabase)

 

Tekst 10

Zeer zeker zal ik vandaag het genoegen smaken Vishnu recht voor me te zien, de Hemel der Schoonheid te aanschouwen die vanuit Zijn eigen verlangen de last van deze wereld te verlichten de gedaante van een menselijk wezen heeft aangenomen.

I am going to see the Supreme Lord Vishnu, the reservoir of all beauty, who by His own sweet will has now assumed a humanlike form to relieve the earth of her burden. Thus there is no denying that my eyes will achieve the perfection of their existence. (Vedabase)

 

Tekst 11

Hij, hoewel Hij [net als ik] een getuige is van het ware en onware, is verstoken van het idee van een ik en heeft bij dat persoonlijk vermogen van Hem de duisternis en verbijstering uitgebannen van een afgescheiden bestaan [zie ook 2.5: 14, 2.10: 8-9, 3.27: 18-30 en 10.3: 18]; het is Hij die vanbinnenuit werkzaam is, die door de geschapen wezens die zich manifesteren als Hij Zijn blik laat rusten op de materiële energie van Zijn schepping, slechts indirect kan worden waargenomen via de poorten van de vitale adem, de zinnen en de intelligentie in hun lichamen [zie ook 2.2: 35].

He is the witness of material cause and effect, yet He is always free from false identification with them. By His internal potency He dispels the darkness of separation and confusion. The individual souls in this world, who are manifested here when He glances upon His material creative energy, indirectly perceive Him in the activities of their life airs, senses and intelligence. (Vedabase)

 

Tekst 12

De goedgunstige woorden, samengevoegd met de kwaliteiten, handelingen en incarnaties [van Hem en Zijn expansies], maken een einde aan al de zonden in de wereld en schenken leven, schoonheid en zuiverheid aan het ganse universum, terwijl woorden verstoken van dezen worden beschouwd als mooie dingen op een lijk.

All sins are destroyed and all good fortune created by the Supreme Lord's qualities, activities and appearances, and words that describe these three things animate, beautify and purify the world. On the other hand, words bereft of His glories are like the decorations on a corpse. (Vedabase)

 

Tekst 13

En nu is zowaar nedergedaald in Zijn eigen geslacht van getrouwen [Sâtvata's] Hij die de gedragscodes handhaaft, Hij die als de leider der onsterfelijken, genoegen verschaffend, Zijn roem verbreidt met Zijn aanwezigheid in Vraja als de Beheerser wiens alles-begunstigende aard de godsbewusten bezingen.

That same Supreme Lord has descended into the dynasty of the Sâtvatas to delight the exalted demigods, who maintain the principles of religion He has created. Residing in Vrindâvana, He spreads His fame, which the demigods glorify in song and which brings auspiciousness to all. (Vedabase)

   

 Tekst 14

Voorzeker zal ik Hem vandaag te zien krijgen, de bestemming en de geestelijk leraar van de grote zielen van al de drie werelden, de ware schoonheid en het grote feest voor allen die ogen hebben, Hij die de gedaante vertoont waar het verlangen van de godin naar uitgaat, die voor mij de vluchthaven is van wie alle zonsopgangen veranderen in een zichtbare zegening.

Today I shall certainly see Him, the goal and spiritual master of the great souls. Seeing Him brings jubilation to all who have eyes, for He is the true beauty of the universe. Indeed, His personal form is the shelter desired by the goddess of fortune. Now all the dawns of my life have become auspicious. (Vedabase)

 

Tekst 15

Zo gauw ik uit mijn wagen stap om de voeten te respecteren van de twee Heren, de Leidende Persoonlijkheden waaraan zelfs de mediterende yogi's vasthouden voor hun zelfverwerkelijking, zal ik me voor Hen verbuigen alsook voor de vrienden die met Hen in het bos leven.

Then I will at once alight from my chariot and bow down to the lotus feet of Krishna and Balarâma, the Supreme Personalities of Godhead. Theirs are the same feet that great mystic yogis striving for self-realization bear within their minds. I will also offer my obeisances to the Lords' cowherd boyfriends and to all the other residents of Vrindâvana. (Vedabase)

 

Tekst 16

En als ik dan voor de voeten ben neergevallen zal de Almachtige op mijn hoofd Zijn ene, eigen, lotusgelijke hand leggen die de angst verdrijft voor het serpent van de tijd vanwege wiens gezwinde kracht de mensen zwaar verstoord een veilig heenkomen zoeken.

And when I have fallen at His feet, the almighty Lord will place His lotus hand upon my head. For those who seek shelter in Him because they are greatly disturbed by the powerful serpent of time, that hand removes all fear. (Vedabase)

 

Tekst 17

Met het in die hand een respectvolle offergave leggen verwierven Purandara [zie 8.13: 4] en eveneens Bali [zie 8.19] de heerschappij [de positie van Indra] over de drie werelden; het is die hand welke tijdens het spel in aanraking met de dames van Vraja geurig als een welriekende bloem de vermoeidheid wegwiste [zie 10.33].

By offering charity to that lotus hand, Purandara and Bali earned the status of Indra, King of heaven, and during the pleasure pastimes of the râsa dance, when the Lord wiped away the gopîs' perspiration and removed their fatigue, the touch of their faces made that hand as fragrant as a sweet flower. (Vedabase)

 

Tekst 18

Naar mij toe zal Acyuta, hoewel ik een boodschapper van Kamsa ben, geen vijandige houding aannemen; Hij die alles binnen en buiten het hart overziet is de Kenner van het veld [van het lichaam, zie B.G. 13: 3], de Kenner die met een volmaakte blik alles ziet, wat er ook geprobeerd of gezocht wordt.

The infallible Lord will not consider me an enemy, even though Kamsa has sent me here as his messenger. After all, the omniscient Lord is the actual knower of the field of this material body, and with His perfect vision He witnesses, both externally and internally, all the endeavors of the conditioned soul's heart. (Vedabase)

 

Tekst 19

Verankerd aan de basis van Zijn voeten met samengevouwen handen zal Hij op mij beminnelijk lachend neerzien zodat met het onmiddellijke uitbannen van alle besmetting middels Zijn blik ik bevrijd zal zijn van twijfel en een intens geluk zal bereiken.

Thus He will cast His smiling, affectionate glance upon me as I remain fixed with joined palms, fallen in obeisances at His feet. Then all my contamination will at once be dispelled, and I will give up all doubts and feel the most intense bliss. (Vedabase)

 

Tekst 20

Als de beste vriend en als een lid van de familie enkel Hem hebbend als mijn voorwerp van aanbidding, zal Hij me omhelzen met Zijn twee grote armen waarop als gevolg daarvan terstond mijn lichaam geheiligd zal raken en mijn karma-afhankelijke banden minder zullen knellen.

Recognizing me as an intimate friend and relative, Krishna will embrace me with His mighty arms, instantly sanctifying my body and diminishing to nil all my material bondage, which is due to fruitive activities. (Vedabase)

 

Tekst 21

Als ik, met gebogen hoofd en gevouwen handen, het fysieke contact heb bereikt, zal Urus'rava ['de vermaarde Heer'] me aanspreken met woorden als 'O Akrûra, beste verwant' en zal aldus vanwege de Grootste van Alle Personen mijn geboorte een succes zijn; inderdaad is hij wiens geboorte niet op die manier wordt geëerd meelijwekkend!

Having been embraced by the all-famous Lord Krishna, I will humbly stand before Him with bowed head and joined palms, and He will address me, "My dear Akrûra." At that very moment my life's purpose will be fulfilled. Indeed, the life of anyone whom the Supreme Personality fails to recognize is simply pitiable. (Vedabase)

 

Tekst 22

Niemand is Zijn favoriet of beste vriend, noch heeft Hij een hekel aan wie dan ook, haat Hij iemand of minacht Hij iemand [zie B.G. 9: 29] en niettemin is Hij wederkerig met Zijn toegewijden [zie ook 10.32: 17-22] daar zij net als [wens-] bomen uit de hemel zijn die als men zich tot hen wendt alles schenken wat gewenst werd [zie vaishnava pranâma].

The Supreme Lord has no favorite and no dearmost friend, nor does He consider anyone undesirable, despicable or fit to be neglected. All the same, He lovingly reciprocates with His devotees in whatever manner they worship Him, just as the trees of heaven fulfill the desires of whoever approaches them. (Vedabase)

 

Tekst 23

Verder zal Zijn oudere broer, de meest excellente Yadu, glimlachend naar mij, die daar dan staat met een gebogen hoofd, me omhelzen, mijn handen beetgrijpen en me mee naar Zijn huis nemen om me te ontvangen met alle egards en zal Hij navraag doen over hoe Kamsa bezig is met Zijn familieleden.'

And then Lord Krishna's elder brother, the foremost of the Yadus, will grasp my joined hands while I am still standing with my head bowed, and after embracing me He will take me to His house. There He will honor me with all items of ritual welcome and inquire from me about how Kamsa has been treating His family members. (Vedabase)

 

Tekst 24

S'rî S'uka zei: 'Aldus met zijn wagen onderweg mijmerend over Krishna bereikte de zoon van S'vaphalka [zie 9.24: 15] het dorp Gokula op het moment dat de zon onderging achter de berg, o Koning.

S'ukadeva Gosvâmî continued: My dear King, while the son of S'vaphalka, traveling on the road, thus meditated deeply on S'rî Krishna, he reached Gokula as the sun was beginning to set. (Vedabase)

 

Tekst 25

De afdrukken van Zijn voeten, waarvan de heersers van alle werelden het zuivere stof op hun kronen houden, zag hij in de aarde van de weidegronden: een prachtige versiering zich aftekenend met de lotus, de korenaar, de olifantendrijfstok en zo meer [zie ook 10.16: 18 en 10.30: 25*].

In the cowherd pasture Akrûra saw the footprints of those feet whose pure dust the rulers of all the planets in the universe hold on their crowns. Those footprints of the Lord, distinguished by such marks as the lotus, barleycorn and elephant goad, made the ground wonderfully beautiful. (Vedabase)

 

Tekst 26

De extase ze te zien deed in hevige mate zijn opwinding toenemen en zijn haren overeind staan waarbij zijn ogen zich vulden met tranen; van zijn wagen afkomend rolde hij zich [toen] in de voetsporen uitroepend: 'O dit is het stof van de voeten van mijn Meester!'

Increasingly agitated by ecstasy at seeing the Lord's footprints, his bodily hairs standing on end because of his pure love, and his eyes filled with tears, Akrûra jumped down from his chariot and began rolling about among those footprints, exclaiming, "Ah, this is the dust from my master's feet!" (Vedabase)

 

Tekst 27

Voor alle belichaamde wezens is dit het levensdoel: om met het voor ogen hebben van de tekenen van de Heer waarover men verneemt en zo meer, de trots, de angst en het verdriet op te geven van het materieel bepaald zijn [door mâyâ, zie 7.5: 23-24].

The very goal of life for all embodied beings is this ecstasy, which Akrûra experienced when, upon receiving Kamsa's order, he put aside all pride, fear and lamentation and absorbed himself in seeing, hearing and describing the things that reminded him of Lord Krishna. (Vedabase)

 

Tekst 28-33

In Vraja zag hij Krishna en Râma die, gestoken in gele en blauwe kleding, met Hun ogen zo mooi als herfstlotussen op weg waren naar waar de koeien worden gemolken. De twee die de toevlucht zijn van de godin waren, blauwig donker en blank van teint, als jongeren hoogst fraai om te zien met machtige armen, aantrekkelijke gezichten en een tred gelijk die van een olifant. Met Hun voeten getekend door de vlag, de schicht, de drijfstok en de lotus verhoogden de grote zielen vol van mededogen met Hun glimlachen en blikken de schoonheid van het weidegebied. Zij wiens wederwaardigheden zo groots waren en aantrekkelijk, waren fris gewassen en droegen halskettingen met juwelen en bloemenslingers, hadden Hun ledematen ingesmeerd met heilzame, geurige substanties en waren onberispelijk gekleed. De twee oorspronkelijke, hoogst uitzonderlijke personen, die de Oorzaak en Heer van het universum zijn [zie ook 5.25], waren voor het welzijn van dat universum nedergedaald in Hun afzonderlijke gedaanten van Balarâma en Kes'ava. O Koning, met Hun uitstraling verdreven Ze, als een berg van smaragd en een berg van zilver opgesierd met goud, in alle richtingen de duisternis.

Akrûra then saw Krishna and Balarâma in the village of Vraja, going to milk the cows. Krishna wore yellow garments, Balarâma blue, and Their eyes resembled autumnal lotuses. One of those two mighty-armed youths, the shelters of the goddess of fortune, had a dark-blue complexion, and the other's was white. With Their fine-featured faces They were the most beautiful of all persons. As They walked with the gait of young elephants, glancing about with compassionate smiles, Those two exalted personalities beautified the cow pasture with the impressions of Their feet, which bore the marks of the flag, lightning bolt, elephant goad and lotus. The two Lords, whose pastimes are most magnanimous and attractive, were ornamented with jeweled necklaces and flower garlands, anointed with auspicious, fragrant substances, freshly bathed, and dressed in spotless raiment. They were the primeval Supreme Personalities, the masters and original causes of the universes, who had for the welfare of the earth now descended in Their distinct forms of Kes'ava and Balarâma. O King Parîkchit, They resembled two gold-bedecked mountains, one of emerald and the other of silver, as with Their effulgence They dispelled the sky's darkness in all directions. (Vedabase)

 

Tekst 34

Snel van zijn wagen klauterend wierp Akrûra overmand door gevoelens van liefde zich ter aarde aan de voeten van Râma en Krishna.

Akrûra, overwhelmed with affection, quickly jumped down from his chariot and fell at the feet of Krishna and Balarâma like a rod. (Vedabase)

 

Tekst 35

Toen hij de Allerhoogste Persoonlijkheid zag was hij, vanwege de vreugdetranen opwellend in zijn ogen en de verrukking [van de extase] die zijn ledematen doortrok, in zijn vervoering niet in staat zich kenbaar te maken, o Koning.

The joy of seeing the Supreme Lord flooded Akrûra's eyes with tears and decorated his limbs with eruptions of ecstasy. He felt such eagerness that he could not speak to present himself, O King. (Vedabase)

 

Tekst 36

De Allerhoogste Heer, de Zorgdrager der Overgegeven zielen, hem [niettemin] herkennend, trok hem met Zijn hand gemerkt met een wagenwiel [de cakra] naar Zich toe en omhelsde hem verheugd.

Recognizing Akrûra, Lord Krishna drew him close with His hand, which bears the sign of the chariot wheel, and then embraced him. Krishna felt pleased, for He is always benignly disposed toward His surrendered devotees. (Vedabase)

 

Tekst 37-38

Vervolgens werd hij die daar met zijn gezicht naar beneden stond grootmoedig omhelsd door Sankarshana [Râma], die met Zijn hand zijn twee handen beetpakkend hem samen met Zijn jongere broer met Zich meevoerde in huis. Daarna informeerde Hij of zijn reis aangenaam geweest was en waste Hij, zoals dat was voorgeschreven bij wijze van een respectvol eerbetoon, hem zijn voeten met gezoete melk.

As Akrûra stood with his head bowed, Lord Sankarshana [Balarâma] grasped his joined hands, and then Balarâma took him to His house in the company of Lord Krishna. After inquiring from Akrûra whether his trip had been comfortable, Balarâma offered him a first-class seat, bathed his feet in accordance with the injunctions of scripture and respectfully served him milk with honey. (Vedabase)

 

Tekst 39

Een koe wegschenkend in liefdadigheid en vol van respect de vermoeide gast een massage gevend, serveerde de Almachtige hem trouw het juiste voedsel in verschillende smaken.

The almighty Lord Balarâma presented Akrûra with the gift of a cow, massaged his feet to relieve him of fatigue and then with great respect and faith fed him suitably prepared food of various fine tastes. (Vedabase)

 

Tekst 40

Na het maal voorzag Râma, de Allerhoogste Kenner van het Dharma, met liefde verder nog in kruiderij om de tong van dienst te zijn en in bloemenslingers om de hoogste voldoening te schenken.

When Akrûra had eaten to his satisfaction, Lord Balarâma, the supreme knower of religious duties, offered him aromatic herbs for sweetening his mouth, along with fragrances and flower garlands. Thus Akrûra once again enjoyed the highest pleasure. (Vedabase)

 

Tekst 41

Nanda vroeg de geëerde: 'O nakomeling van Das'ârha, hoe vergaat het u met het in leven zijn van de genadeloze Kamsa, die baas die net als een slager is met schapen?

Nanda Mahârâja asked Akrûra: O descendant of Das'ârha, how are all of you maintaining yourselves while that merciless Kamsa remains alive? You are just like sheep under the care of a butcher. (Vedabase)

 

Tekst 42

Als hij wreed en zelfzuchtig de baby's van zijn eigen zuster tot haar grote verdriet doodde, wat zou dat dan wel niet, zo durf ik te beweren, betekenen voor uw welzijn?'

That cruel, self-serving Kamsa murdered the infants of his own sister in her presence, even as she cried in anguish. So why should we even ask about the well-being of you, his subjects? (Vedabase)

 

Tekst 43

Aldus door Nanda gepast vereerd met ware en aangename bewoordingen wierp Akrûra de vermoeidheid van de reis van zich af.'

Honored by Nanda Mahârâja with these true and pleasing words of inquiry, Akrûra forgot the fatigue of his journey. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor de Vedabase en/of een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het tweede schilderij op deze pagina is van
Parîkshit dâsa (Doug Ball).
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties