regelbalk


 

Canto 10

Mahâmantra5

 

 

Hoofdstuk 37: Kes'î en Vyoma Gedood en Nârada Looft Krishna's Toekomst

(1-2) S'rî S'uka zei: 'Gestuurd door Kamsa [in 10.36: 20] was er toen Kes'î, een gigantisch paard dat, met zijn hoeven de aarde openrijtend en met de snelheid van de geest de wolken en de hemelwagens van de goden uiteendrijvend, met zijn manen en gehinnik allen grote schrik aanjoeg. De Allerhoogste Heer trad, op het geluid van zijn gehinnik en de onrust van de wolken teweeggebracht door zijn staart dat Zijn koeherdersdorp in schrik verzette, daarop naar voren om te vechten en daagde Kes'î uit die naar Hem op zoek brulde als een leeuw. (3) Toen hij, moeilijk te overwinnen en te benaderen en agressief met zijn mond open de lucht indrinkend, Hem voor zich zag, rende hij in volle vaart er op af om de Lotusogige Heer met zijn benen aan te vallen. (4) Dat ontwijkend greep de Heer van het Voorbije, erop bedacht, hem met Zijn armen bij de benen om hem daarop onverschillig rondslingerend op een afstand van honderd booglengten van Zich af te werpen, erbij staand als was Hij de zoon van Târkshya [Garuda] die een slang van zich afwerpt. (5) Hij weer bij bewustzijn komend hief zich op in bittere woede en rende, [zijn mond] wijd open, in volle vaart op de Heer af die op Zijn beurt met een glimlach Zijn linker arm in zijn mond stak als was het een slang in een hol. (6) Met het in aanraking komen van Kes'î's tanden met de Heer Zijn arm vlogen die eruit alsof ze waren geraakt door een roodgloeiende staaf en zwol de arm van de Allerhoogste Ziel die zijn lichaam was binnengedrongen op als een verwaarloosde [van waterzucht] zieke buik. (7) Met Krishna's arm aldus uitzettend werd zijn adem tot staan gebracht en viel hij, met zijn benen trappelend, zwetend over heel zijn lijf, met zijn ogen rollend en zijn ontlasting de vrije loop latend, ontzield neer op de grond. (8) Hij met de Machtige Armen die Zijn arm terugtrok uit het dode lijf dat eruit zag als een komkommer [karkathikâ], werd, er bescheiden over Zijn vijand moeiteloos gedood te hebben, vanboven door de goden vereerd met een regen van bloemen.

(9) De devarishi [Nârada], de hoogst verheven toegewijde van de Heer, o Koning, zei privé tot Krishna die zo moeiteloos was in Zijn handelingen dit: (10-11) 'Krishna, o Krishna, o Vâsudeva, onmetelijke Ziel, o Heer der Yoga, o Beheerser van het Universum, o toevlucht van allen, o, U meester en allerbeste van de Yadu's; U alleen bent de Ziel van alle levende wezens die als het vuur schuilgaand in brandhout Zich in het hart ophoudt als de Getuige, de Beheerser, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (12) Als de vluchthaven der intelligentie van de Geestelijke Ziel bracht U allereerst, middels Uw energie, de geaardheden der natuur voort en door hen [toen] deze waarheid [van het Universum], met de drijvende kracht waarvan U schept, vernietigt en handhaaft als de Beheerser. (13) U, deze ene [schepper] Zelve bent er voor de vernietiging van de demonen [Daitya's], wildemannen [Râkshasa's] en kwelgeesten [Pramatha's] die zich opwerpen als leiders en ook bent U nedergedaald voor de bescherming van de geheiligden. (14) Tot ons geluk hebt U voor de sport deze demon ter dood gebracht die de gedaante van een paard had aangenomen en die met zijn gehinnik de goden die zo waakzaam zijn verschrikt de hemel uitjaagde. (15-20) Overmorgen zal ik er getuige van zijn dat Cânûra, Mushthika en andere worstelaars alsook de olifant [Kuvalayâpîda] en Kamsa door U worden gedood, o Almachtige. Daarna zullen dan volgen [de demonen] S'ankha, [Kâla-]yavana en Mura zowel als Naraka en zal U de pârijâta-bloem wegkapen en Indra verslaan. In Dvârakâ zal men U, o Meester van het Universum, kennen om Uw trouwen met de dochters der heldhaftigen [de koningen] met het geschenk van Uw heldenmoed, het bevrijden van Koning Nriga van zijn vervloeking, het bemachtigen van het juweel genaamd Syamantaka tezamen met een echtgenote en het naar boven halen van de overleden zoon van een brahmaan [Sândîpani Muni] uit Uw verblijf [van de Dood]. Vervolgens zal U Paundraka doden, de stad Kâs'î [Benares] platbranden en toezien op de teloorgang van Dantavakra en de koning van Cedi [S'is'upâla] tijdens de grote offerplechtigheid [zie ook: 3.2: 19, 7.1: 14-15]. Over deze en andere grote wapenfeiten die ik van U tegemoet zal zien tijdens Uw verblijf in Dvârakâ zullen de dichters van deze aarde zingen. (21) Dan zal ik U zien als de wagenmenner van Arjuna, met wie U de gedaante van de Tijd aanneemt met de bedoeling effectief de vernietiging af te roepen over het geheel van de strijdkrachten van deze wereld. (22) Laat mij naderen tot deze Opperheer die vol is van het zuiverste spirituele gewaar zijn, die in Zijn oorspronkelijke identiteit volkomen vervuld is, wiens wil in geen van Zijn ondernemingen is tegen te gaan en die bij de macht van Zijn vermogen immer verheven is boven de gang van zaken met de geaardheden van de illusoire, materiële energie. (23) Voor U, de op Zichzelf staande Beheerser, die door het scheppend vermogen van Uw eigen Zelf heeft voorzien in een onbeperkt aantal specifieke omstandigheden zodat U kon optreden en nu de [last van de] in zichzelf verdeelde mensheid [die in strijd verkeert] op Zich hebt genomen, buig ik mij diep neer voor de Grootste der Yadu's, Vrishni's en Sâtvata's.'

(24) S'rî S'uka zei: 'De meest voortreffelijke wijze onder de toegewijden die aldus respectvol van eerbetoon was voor Krishna, de leidende Yadu, kreeg toestemming te vertrekken en ging heen erover opgetogen zijnde dat hij Hem had gezien. (25) En Govinda, de Opperheer die Kes'î in de strijd had gedood, hoedde de dieren samen met de koeherdersjongens die zo blij waren met het geluk dat Hij in Vraja bracht. (26) Op een dag, toen de gopa's de dieren aan het weiden waren, gingen ze op de helling van de heuvel over tot verstoppertje spelen met politie en boefje. (27) Sommigen van hen waren daarin de dieven, sommigen waren de herders, terwijl anderen van hen, o Koning, zich daarbij voordeden als de nietsvermoedende schapen. (28) Een zoon van de demon Maya genaamd Vyoma ['het zwerk'], een machtige magiër, die zich voordeed in de vermomming van een gopa, speelde voor een van de vele dieven en nam allen die voor schaap speelden mee. (29) De een na de ander werd door de grote demon in een berggrot gegooid waarvan hij de ingang met een grote kei blokkeerde zodat er nog maar vier of vijf overbleven. (30) Ontdekkend waar hij mee bezig was nam Krishna, de aanvoerder der gopa's en beschermer van hen die zuivering zoeken, hem zonder pardon te pakken precies zoals een leeuw een wolf grijpt. (31) De demon die zijn oorspronkelijke gedaante weer aannam die zo groot was als een berg, probeerde zich uit alle macht te bevrijden, maar stevig omkneld verspilde hij zijn krachten, het lukte hem niet. (32) Hem met Zijn armen bedwingend drukte Acyuta hem tegen de grond en terwijl de goden in de hemel toekeken doodde Hij hem als was ie een offerdier [wurgde hem dus]. (33) Met het doorbreken van de geblokkeerde ingang van de grot bevrijdde Hij de gopa's uit hun benarde positie en keerde Hij, onder de lofzang van de goden en gopa's terug naar Zijn koeherdersdorp.'

 

next                    

 
 

 Tweede editie, geladen 8 juli 2008  

 

 

 

 

 

Voorgaande Aadhar-editie en Vedabase links:

 

Text 1-2

 

S'rî S'uka zei: 'Gestuurd door Kamsa [in 10.36: 20] was er toen Kes'î, een gigantisch paard dat, met zijn hoeven de aarde openrijtend en met de snelheid van de geest de wolken en de hemelwagens van de goden uiteendrijvend, met zijn manen en gehinnik allen grote schrik aanjoeg. De Allerhoogste Heer trad, op het geluid van zijn gehinnik en de onrust van de wolken teweeggebracht door zijn staart dat Zijn koeherdersdorp in schrik verzette, daarop naar voren om te vechten en daagde Kes'î uit die naar Hem op zoek brulde als een leeuw.

S'rî S'uka zei: 'Toen zoals gestuurd door Kamsa [in 10.36:20] joeg Kes'i, een gigantisch paard dat met zijn hoeven de aarde open reet, met de snelheid van de geest de wolken uiteen drijvend, met zijn manen en gehinnik allen grote schrik aan die zich in de hemel verdrongen met hemelse voertuigen. De Allerhoogste Heer trad, op het geluid van zijn gehinnik dat Zijn koeherdersdorp in schrik verzette en de beroering van de wolken met zijn staart, Zelve naar voren om te vechten en daagde Kes'i uit die naar Hem op zoek brulde als een leeuw. (Vedabase)

 

Text 3

Toen hij, moeilijk te overwinnen en te benaderen en agressief met zijn mond open de lucht indrinkend, Hem voor zich zag, rende hij in volle vaart er op af om de Lotusogige Heer met zijn benen aan te vallen.

Toen hij, moeilijk te overwinnen en te benaderen, agressief met zijn mond open de lucht indrinkend, Hem voor zich zag, rende hij in volle vaart er op af om de Lotusogige Heer met zijn benen aan te vallen. (Vedabase)

 

Text 4

Dat ontwijkend greep de Heer van het Voorbije, erop bedacht, hem met Zijn armen bij de benen om hem daarop onverschillig rondslingerend op een afstand van honderd booglengten van Zich af te werpen, erbij staand als was Hij de zoon van Târkshya [Garuda] die een slang van zich afwerpt.

Dat ontwijkend greep de Heer van het Voorbije, er scherp op, hem met Zijn armen bij de benen om hem daarop onverschillig rond slingerend op een afstand van honderd booglengten van Zich af te werpen, erbij staand als de zoon van Târkshya [Garuda] die een slang van zich afwerpt. (Vedabase)

 

Text 5

Hij weer bij bewustzijn komend hief zich op in bittere woede en rende, [zijn mond] wijd open, in volle vaart op de Heer af die op Zijn beurt met een glimlach Zijn linker arm in zijn mond stak als was het een slang in een hol.

Hij weer bij bewustzijn komend hief zich op in bittere woede en rende, [zijn mond] wijd open, in volle vaart op de Heer af die op Zijn beurt met een glimlach Zijn linker arm in zijn mond stak als was het een slang in een hol. (Vedabase)

 

Text 6

Met het in aanraking komen van Kes'î's tanden met de Heer Zijn arm vlogen die eruit alsof ze waren geraakt door een roodgloeiende staaf en zwol de arm van de Allerhoogste Ziel die zijn lichaam was binnen gedrongen op als een verwaarloosde [van waterzucht] zieke buik.

Met het in aanraking komen van Kes'i's tanden met de Heer Zijn arm vlogen die eruit alsof ze waren geraakt door een roodgloeiende staaf en zwol de arm van de Allerhoogste Ziel die zijn lichaam was binnen gedrongen op als een verwaarloosde [van waterzucht] zieke buik. (Vedabase)

 

Text 7

Met Krishna's arm aldus uitzettend werd zijn adem tot staan gebracht en viel hij, met zijn benen trappelend, zwetend over heel zijn lijf, met zijn ogen rollend en zijn ontlasting de vrije loop latend, ontzield neer op de grond.

Met Krishna's arm aldus uitdijend werd zijn adem tot staan gebracht en viel hij, met zijn benen trappelend, zwetend over heel zijn lijf, met zijn ogen rollend en zijn ontlasting de vrije loop latend, ontzield neer op de grond. (Vedabase)

 

Text 8

Hij met de Machtige Armen die Zijn arm terugtrok uit het dode lijf dat eruit zag als een komkommer [karkathikâ], werd, er bescheiden over Zijn vijand moeiteloos gedood te hebben, vanboven door de goden vereerd met een regen van bloemen.

De machtig-gearmde die Zijn arm terugtrok uit het dode lijf dat eruit zag als een komkommer [karkathikâ], werd, er bescheiden over Zijn vijand moeiteloos gedood te hebben, van boven door de goden vereerd met een regen van bloemen. (Vedabase)

 

Text 9

De devarishi [Nârada], de hoogst verheven toegewijde van de Heer, o Koning, zei privé tot Krishna die zo moeiteloos was in Zijn handelingen dit:

De devarishi [Nârada], de hoogst verheven toegewijde van de Heer, o Koning, zei privé tot Krishna die zo moeiteloos was in Zijn handelingen dit: (Vedabase)

 

Text 10-11

 'Krishna, o Krishna, o Vâsudeva, onmetelijke Ziel, o Heer der Yoga, o Beheerser van het Universum, o toevlucht van allen, o, U meester en allerbeste van de Yadu's; U alleen bent de Ziel van alle levende wezens die als het vuur schuilgaand in brandhout Zich in het hart ophoudt als de Getuige, de Beheerser, de Allerhoogste Persoonlijkheid.

'Krishna, o Krishna, o Vâsudeva, onmetelijke Ziel, o Heer der Yoga, o Beheerser van het Universum, o toevlucht van allen, o, U meester en allerbeste van de Yadu's; U alleen bent de Ziel van alle levende wezens die als het vuur schuil gaand in brandhout Zich binnen in het hart ophoudt als de Getuige, de Beheerser, de Allerhoogste Persoonlijkheid. (Vedabase)

 

Text 12

Als de vluchthaven der intelligentie van de Geestelijke Ziel bracht U allereerst, middels Uw energie, de geaardheden der natuur voort en door hen [toen] deze waarheid [van het Universum], met de drijvende kracht waarvan U schept, vernietigt en handhaaft als de Beheerser.

Als de vluchthaven der intelligentie van de Geestelijke Ziel bracht U allereerst, middels Uw energie, de geaardheden der natuur voort en door dezen [toen] deze waarheid [van het Universum], naar de aanzet waarvan U schept, vernietigt en handhaaft als de Beheerser. (Vedabase)

  

Text 13

U, deze ene [schepper] Zelve bent er voor de vernietiging van de demonen [Daitya's], wildemannen [Râkshasa's] en kwelgeesten [Pramatha's] die zich opwerpen als leiders en ook bent U nedergedaald voor de bescherming van de geheiligden.

U, deze ene [schepper] Zelve bent voor de vernietiging van de demonen [daitya's], wildemannen [râkshasa's] en kwelgeesten [pramatha's] die zich opwerpen als leiders en voor de bescherming van de geheiligden, nedergedaald. (Vedabase)

   

 Text 14

Tot ons geluk hebt U voor de sport deze demon ter dood gebracht die de gedaante van een paard had aangenomen en die met zijn gehinnik de goden die zo waakzaam zijn verschrikt de hemel uitjaagde.

 Tot ons geluk hebt U voor de sport deze demon ter dood gebracht die de gedaante van een paard had aangenomen en met zijn gehinnik de goden zo waakzaam vol schrik de hemel deed verlaten. (Vedabase)

 

Text 15-20

Overmorgen zal ik er getuige van zijn dat Cânûra, Mushthika en andere worstelaars alsook de olifant [Kuvalayâpîda] en Kamsa door U worden gedood, o Almachtige. Daarna zullen dan volgen [de demonen] S'ankha, [Kâla-]yavana en Mura zowel als Naraka en zal U de pârijâta-bloem wegkapen en Indra verslaan. In Dvârakâ zal men U, o Meester van het Universum, kennen om Uw trouwen met de dochters der heldhaftigen [de koningen] met het geschenk van Uw heldenmoed, het bevrijden van Koning Nriga van zijn vervloeking, het bemachtigen van het juweel genaamd Syamantaka tezamen met een echtgenote en het naar boven halen van de overleden zoon van een brahmaan [Sândîpani Muni] uit Uw verblijf [van de Dood]. Vervolgens zal U Paundraka doden, de stad Kâs'î [Benares] platbranden en toezien op de teloorgang van Dantavakra en de koning van Cedi [S'is'upâla] tijdens de grote offerplechtigheid [zie ook: 3.2: 19, 7.1: 14-15]. Over deze en andere grote wapenfeiten die ik van U tegemoet zal zien tijdens Uw verblijf in Dvârakâ zullen de dichters van deze aarde zingen.

Overmorgen, zal ik zien dat Cânûra, Mushthika en andere worstelaars als ook de olifant [Kuvalayâpîda] en Kamsa door U worden gedood, o Almachtige. Daarna zullen dan volgen [de demonen] S'ankha, [Kâla-]yavana en Mura zowel als Naraka en zal U de pârijâta-bloem wegkapen en Indra verslaan. In Dvârakâ zal men U, o Meester van het Universum, kennen om Uw trouwen met de dochters der heldhaftigen [de koningen] met het geschenk van Uw heldenmoed, het bevrijden van Koning Nriga van zijn vervloeking, het bemachtigen van het juweel genaamd Symantaka tezamen met een echtgenote en het naar boven halen van de overleden zoon van een brahmaan [Sandipani Muni] uit Uw verblijf [van de Dood]. Vervolgens zal U Paundraka doden, de stad Kâs'î [Benares] platbranden en toezien op de teloorgang van Dantavakra en de koning van Cedi [S'is'upâla] tijdens de grote offerplechtigheid [zie ook: 3.2: 19, 7.1: 14-15]. Over deze en andere grote wapenfeiten die ik van U tegemoet zal zien tijdens Uw verblijf in Dvârakâ zullen de dichters van deze aarde zingen. (Vedabase)

 

Text 21

Dan zal ik U zien als de wagenmenner van Arjuna, met wie U de gedaante van de Tijd aanneemt met de bedoeling effectief de vernietiging af te roepen over het geheel van de strijdkrachten van deze wereld.

Dan zal ik U zien als de wagenmenner van Arjuna, in de gedaante van de Tijd met de bedoeling de vernietiging inderdaad af te roepen over het geheel van de strijdkrachten van deze wereld. (Vedabase)

 

Text 22

Laat mij naderen tot deze Opperheer die vol is van het zuiverste spirituele gewaar zijn, die in Zijn oorspronkelijke identiteit volkomen vervuld is, wiens wil in geen van Zijn ondernemingen is tegen te gaan en die bij de macht van Zijn vermogen immer verheven is boven de gang van zaken met de geaardheden van de illusoire, materiële energie.

Laat mij deze Opperheer naderen, die vol is van het zuiverste spirituele gewaar zijn, die in Zijn oorspronkelijke identiteit volkomen vervuld is, wiens wil in geen van Zijn ondernemingen wordt teruggewezen en die bij de macht van Zijn vermogen Zich immer afzijdig houdt van de gang van de geaardheden der illusiewekkende energie. (Vedabase)

 

Text 23

Voor U, de op Zichzelf staande Beheerser, die door het scheppend vermogen van Uw eigen Zelf heeft voorzien in een onbeperkt aantal specifieke omstandigheden zodat U kon optreden en nu de [last van de] in zichzelf verdeelde mensheid [die in strijd verkeert] op Zich hebt genomen, buig ik mij diep neer voor de Grootste der Yadu's, Vrishni's en Sâtvata's.'

Voor U, de op Zichzelf staande Beheerser, die door het scheppend vermogen van Uw eigen Zelf heeft voorzien in een onbeperkt aantal specifieke omstandigheden zodat U kon optreden en nu de [last van de] in zichzelf verdeelde mensheid [in strijd verkerend] op U hebt genomen, buig ik mij diep neer, neer voor de Grootste der Yadu's, Vrishni's en Sâtvata's.' (Vedabase)

 

Text 24

 S'rî S'uka zei: 'De meest voortreffelijke wijze onder de toegewijden die aldus respectvol van eerbetoon was voor Krishna, de leidende Yadu, kreeg toestemming te vertrekken en ging heen erover opgetogen zijnde dat hij Hem had gezien.

S'rî S'uka zei: 'De meest voortreffelijke wijze onder de toegewijden aldus respectvol van eerbetoon voor Krishna, de leidende Yadu, kreeg toestemming te vertrekken en ging heen erover opgetogen Hem te hebben gezien. (Vedabase)

 

Text 25

En Govinda, de Opperheer die Kes'î in de strijd had gedood, hoedde de dieren samen met de koeherdersjongens die zo blij waren met het geluk dat Hij in Vraja bracht.

 En Govinda, de Opperheer die Kes'i in de strijd had gedood, hoedde de dieren samen met de koeherdersjongens die zo blij waren met het geluk dat Hij in Vraja bracht. (Vedabase)

 

Text 26

Op een dag, toen de gopa's de dieren aan het weiden waren, gingen ze op de helling van de heuvel over tot verstoppertje spelen met politie en boefje.

Op een dag, toen de gopa's de dieren aan het weiden waren, gingen ze op de helling van de heuvel over tot verstoppertje spelen met politie en boefje. (Vedabase)

 

Text 27

Sommigen van hen waren daarin de dieven, sommigen waren de herders, terwijl anderen van hen, o Koning, zich daarbij voordeden als de nietsvermoedende schapen.

Sommigen van hen waren daarin de dieven, sommigen waren de herders, terwijl anderen van hen, o Koning, zich daarbij voordeden als de nietsvermoedende schapen. (Vedabase)

 

Text 28

Een zoon van de demon Maya genaamd Vyoma ['het zwerk'], een machtige magiër, die zich voordeed in de vermomming van een gopa, speelde voor een van de vele dieven en nam allen die voor schaap speelden mee.

Een zoon van de demon Maya genaamd Vyoma ['het zwerk'], een machtige magiër, die zich opwierp vermomd als een gopa, speelde voor een van de vele dieven en nam allen die voor schaap speelden mee. (Vedabase)

 

Text 29

De een na de ander werd door de grote demon in een berggrot gegooid waarvan hij de ingang met een grote kei blokkeerde zodat er nog maar vier of vijf overbleven.

De een na de ander werd door de grote demon in een berggrot gegooid waarvan hij de ingang met een grote kei blokkeerde zodat er nog maar vier of vijf overbleven. (Vedabase)

 

Text 30

Ontdekkend waar hij mee bezig was nam Krishna, de aanvoerder der gopa's en beschermer van hen die zuivering zoeken, hem zonder pardon te pakken precies zoals een leeuw een wolf grijpt.

Ontdekkend waar hij mee bezig was nam Krishna, de aanvoerder der gopa's en beschutting der geheiligden, onverzettelijk hem te pakken precies zoals een leeuw een wolf grijpt. (Vedabase)

 

Text 31

De demon die zijn oorspronkelijke gedaante weer aannam die zo groot was als een berg, probeerde zich uit alle macht te bevrijden, maar stevig omkneld verspilde hij zijn krachten, het lukte hem niet.

De demon die zijn oorspronkelijke gedaante weer aannam zo groot als een berg, wilde met alle macht zich bevrijden, maar stevig omkneld, verspilde hij zijn krachten er niet toe in staat. (Vedabase)

 

Text 32

Hem met Zijn armen bedwingend drukte Acyuta hem tegen de grond en terwijl de goden in de hemel toekeken doodde Hij hem als was ie een offerdier [wurgde hem dus].

Hem met Zijn armen vasthoudend dwong Acyuta hem op de grond en terwijl de goden in de hemel toekeken doodde Hij hem als was ie een offerdier [wurgde hem dus]. (Vedabase)

 

Text 33

Met het doorbreken van de geblokkeerde ingang van de grot bevrijdde Hij de gopa's uit hun benarde positie en keerde Hij, onder de lofzang van de goden en gopa's terug naar Zijn koeherdersdorp.'

Met het verbreken van de blokkade van de grot leidde Hij de gopa's weg uit hun benarde positie en ging Hij, geprezen door god en gopa, Zijn koeherdersdorp binnen. (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

Voor deze vertaling werd de Vedabase van de BBT gebruikt die het werk van Svâmi Prabhupâda's
leerlingen biedt dat werd verricht voor het voltooien van zijn vertaling van het Bhâgavatam.

Zie de S'rîmad Bhâgavatam linkspagina.
De eerste afbeelding toon Krishna die de kes'i demon doodt.
Bron.
Het tweede plaatje heet: 'Krishna killing the demon Vyomasura'
Bhagavata Purana. Ms., Pre-Mughal, c. 1550; .
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties