regelbalk




 

Canto 2

S'rî S'rî Gurv-ashthaka

 

 

Hoofdstuk 5: De Oorzaak Aller Oorzaken

(1) Nârada zei [tot de Schepper]: 'Ik breng u mijn eerbetuigingen, o god van de halfgoden, omdat u de eerstgeborene bent uit wie alle levende wezens zijn voortgekomen. Leg alstublieft uit welke kennis in het bijzonder tot het transcendentale leidt. (2) Wat is de vorm, de basis en de bron van deze geschapen wereld? O meester, hoe wordt ze behouden, wat beheerst haar en, alstublieft, wat is ze in feite? (3) U weet dit alles in uw goedheid, aangezien u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is. Meester, u houdt dit universum in de greep van uw wetenschappelijke kennis als betrof het een walnoot. (4) Waar hebt u uw wijsheid vandaan, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, met behulp van de macht van de ziel, in uw eentje de levens van alle wezens met de elementen van de materie? (5) Zoals een spin zijn web maakt, manifesteert u zonder enige hulp vanuit uw eigen zielsvermogen al deze levens door wie u zich nooit laat bepalen. (6) O almachtige, ik ken in deze wereld niet één bestaansvorm met een naam, een vorm en kwaliteiten, die superieur, inferieur of gelijkwaardig is, van een tijdelijke aard of eeuwigdurend, die zijn bestaan te danken heeft aan een andere bron [dan u]. (7) Het baart ons zorgen dat uw goede zelf  met een volmaakte discipline strenge boetedoeningen op zich nam. Zo kregen we de kans eraan te twijfelen of u wel de uiteindelijke waarheid bent [en dachten we aan een hogere bestaansvorm dan u]. (8) O, alwetende heerser over alles, verschaf alstublieft uitleg over dit alles waar ik naar vroeg zodat ik een begrip zal hebben overeenkomstig uw instructies.'

(9) De schepper antwoordde: 'O vriendelijke ziel mij zo dierbaar, jij, zo aardig,  hebt volkomen gelijk te twijfelen, want ik werd [door die onderwerping in boete] ertoe aangezet de heldhaftigheid, macht en glorie van  de Allerhoogste Heer onder ogen te zien. (10) Mijn zoon, het is niet onterecht wat je zo-even zei in je beschrijving van mij, want zonder het Allerhoogste te kennen boven mij zal het zeker zo zijn [dat het lijkt alsof die grootheid] mij allemaal toekomt. (11) Alles van de wereld die ik schiep werd geschapen door de gloed [de brahmajyoti] van Zijn bestaan, net zoals dat het geval is met het vuur, de zon, de planeten en de sterren [die vanuit Zijn gloed stralen]. (12) Ik breng Hem mijn eerbetuigingen, Hij de Allerhoogste Heer Vâsudeva waarop ik mediteer. Dankzij Zijn onoverwinnelijke vermogens noemt men mij de leraar [de goeroe] van de wereld. (13) Mensen zich er niet voor schamend een prominente positie in te nemen met de begoochelende materiële energie, maken in hun staat van verbijstering een verkeerd gebruik van de taal met het bezigen van de woorden 'ik' en 'mijn'. Met dat woordgebruik wordt ik slecht begrepen. (14) De basisingrediënten van de materie in hun interactie met de Eeuwige Tijd en de natuurlijke aard van het levende wezen, maken zeker deel uit van Vâsudeva, o brahmaan, maar de waarheid is dat ieder van deze onderdelen op zichzelf geen waarde heeft. (15) De bedoeling en de oorzaak van de Veda's is Nârâyana [Krishna als de vierarmige Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en voorwereldlijke Heer van de mensheid], de halfgoden zijn de helpende handen van Nârâyana, de werelden bestaan ter wille van Nârâyana en alle offers zijn er om Nârâyana te behagen. (16) De concentratie van het denken is er slechts om Nârâyana te kennen, de versobering is er slechts om Nârâyana te bereiken, de cultuur van de transcendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nârâyana en de vooruitgang op het pad van de bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nârâyana binnen te gaan. (17) Geïnspireerd door Zijn visie en hetgeen werd geschapen door Hem, de Ziener, de Heerser, de Stabiliteit en Superziel van Allen, die ook mij heeft geschapen, schep ik eveneens.

(18) Van de goedheid, hartstocht en traagheid [de guna's] die door de uitwendige energie werd aangenomen, zijn er de drie kwaliteiten van de transcendentie van de Almachtige [Heer van de Tijd]: handhaving, schepping en vernietiging [zie ook 2.4: 23]. (19) De eeuwige transcendentale persoon, die onder invloed staat van de basiskwaliteiten van de materiële natuur, is onderhevig aan omstandigheden van oorzaak en gevolg. Dit resulteert in de symptomen van kennis [uit goedheid], activiteiten [uit hartstocht] en goederen [uit onwetendheid]. (20) Hij, de getuige van de individuele ziel die wordt beheerst door de symptomen van de drie geaardheden, de Allerhoogste Heer in het Voorbije, de heerser over mij en iedereen, kan in Zijn voortgang niet goed worden herkend, o brahmaan. (21) De Heer die Heerst middels het vermogen van Zijn materiële energie kwam aldus, vanuit de onafhankelijke wil van Zijn goddelijke zelf, tot verschillende verschijningen, waarbij Hij hun karma, [onderworpenheid aan de] tijd en hun bijzondere aard op Zich nam. (22) Door het toezicht van de Oorspronkelijke Persoon vond de schepping van de mahat-tattva plaats [de 'grotere werkelijkheid'], door de eeuwige tijd was er de omvorming van de geaardheden en uit de omvorming van de oorspronkelijke aard vonden de verschillende activiteiten hun bestaan. (23) Vanwege de transformatie van de grotere werkelijkheid domineerden echter [in het begin] de hartstocht en de goedheid, maar toen [tegenwicht biedend in reactie] vonden de materie, de materiële kennis en materiële activiteiten hun vitale bestaan. (24) Die omvorming van het materiële deel van het zelf, het ego, manifesteerde zich, zoals gezegd, overeenkomstig de drie kenmerken van de goedheid, hartstocht en onwetendheid. Aldus prabhu, verdeelden zich de krachten van een begeleidende intelligentie, kennis van de schepping en de materiële evolutie.
   
(25) Van al de materiële elementen ontwikkelde zich [allereerst] de [proto-materiële, onzichtbare] ether uit de duisternis die transformatie onderging. Met de kwaliteit van het geluid als zijn subtiele vorm is het als de ziener in verhouding tot het geziene [van alle andere materie]. (26-29) Door omvorming van de ether vond de lucht zijn bestaan die gekenmerkt wordt door de kwaliteit van de beroering. Daarbij trad ook het geluid naar voren als een kenmerk dat werd overgenomen van de ether. Zo verwierf de lucht tevens een leven vol onderscheid met energie en kracht. De lucht die op haar beurt weer transformeerde onder invloed van de tijd bracht in reactie op het voorgaande uit haar natuur weer het vuurelement voort. Bij de vorm ervan was er dan evenzo de nodige tastbaarheid en geluid [als de erfelijke last of het karma van de voorgaande elementen]. Het vuur vormde zich om tot [of condenseerde uit waterstof en zuurstof als] water en zo ontstond het smaakelement hetgeen eveneens consequent gepaard ging met tastbaarheid, geluid en vorm. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van het water vond weer daaropvolgend het geurrijke van het sap zijn bestaan dat [als het aarde-element] vorm aannam samen met de kwaliteiten van de tastbaarheid en het geluid. (30) Uit de geaardheid goedheid kwamen de [kosmische] geest en de tien goden voort die handelen in goedheid: die van de windrichtingen, de lucht [Vâyu], de zon [Sûrya], de wateren [Varuna], de langlevendheid [de As'vinî-Kumâra's], het vuur [Agni], de hemel [Indra], de transcendentie [Vishnu in de gedaante van Upendra], de vriendschap [Mitra] en de bewaker van de schepping [Brahmâ]. (31) Door de transformatie van de hartstocht van het ego ontstond de tienvoudigheid van de zinnen van het handelen en de waarneming - de mond, de handen, de voeten, het geslachtsorgaan en de anus, plus het horen, zien, voelen, proeven en ruiken - alsook de levenskracht en de intelligentie. (32) Zolang al deze categoriën van de elementen, de zinnen, de geest en de geaardheden van de natuur los van elkaar bestonden, kon het lichaam [van de mens en de mensheid] zich niet vormen, o beste in de kennis [Nârada]. (33) Toen zij [die elementen] bijeen werden gebracht door de [drijvende] kracht van de Allerhoogste en ze hun toepassing vonden, kwam dit [persoonlijke en universele bestaan] met zowel zijn ware en illusoire als zijn geestelijke en materiële werkelijkheden [sat/asat] tot stand.

(34) Het universum werd na talloze millennia verzonken te zijn geweest in de [causale] wateren, tot zijn eigen tijd van leven opgewekt door de persoonlijke ziel [de Heer] die het levenloze leven inblies. (35) Hij als de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha] kwam uit het ei van het universum tevoorschijn om Zich te verdelen over duizenden afdelingen van benen, armen, ogen, monden en hoofden. (36) De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum er zijn als de ledematen van een lichaam [de virâth-rûpa] dat bestaat uit zeven systemen onder de gordel en zeven aan de bovenzijde. (37) De brahmanen vertegenwoordigen de mond van de Oorspronkelijke Persoon, de heersende klasse is er als Zijn armen, de handelaren vormen de bovenbenen van de Opperheer en de arbeidersklasse manifesteerde zich uit Zijn voeten. (38) De aardse [lagere] werelden [Bhûrloka's] behoren tot Zijn benen zo zegt men, de etherische werelden [Bhuvarloka's] behoren tot Zijn buik, de hemelse werelden van het hart [Svarloka's] bevinden zich in Zijn borst en de hoogste werelden van de heiligen en wijzen [Maharloka's] zijn van de Grote Ziel. (39) Boven de borst tot aan de nek treft men de wereld van de godmensen [de zonen van Brahmâ, Janaloka] aan en daar weer boven in de hals vindt men de wereld van de verzaking [Tapoloka, van de asceten]. De wereld van de waarheid [Satyaloka van de zelfgerealiseerde, verlichte mensen] treft men in het hoofd aan. [Deze werelden zijn allen aan tijd gebonden,] maar de geestelijke wereld [Brahmaloka, de wereld van de ene Ziel, de Opperheer] is eeuwig. (40-41) Met op Zijn middel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, lager bij Zijn knieën de derde, de vierde op Zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het lichaam van de Heer [de virâth-rûpa of universele gedaante] geheel gevuld met al de [veertien] werelden. (42) Men stelt het zich alternatief [eenvoudig in drieën verdeeld zo] voor dat de aardse, lagere werelden zich bevinden op de benen, de etherische, middelste werelden zich bevinden in het gebied van de navel en dat de hemelse, hogere werelden vanaf de borst naar boven te vinden zijn.'


Lees de inspiratie bij dit hoofdstuk door Anand Aadhar.



next                      

 
 

Derde herziene editie, geladen 24 juli 2016.

 

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

Nârada zei [tot de Schepper]: 'Ik breng u mijn eerbetuigingen, o god van de halfgoden, omdat u  de eerstgeborene bent uit wie alle levende wezens zijn voortgekomen. Leg alstublieft uit welke kennis in het bijzonder tot het transcendentale leidt.
Nârada zei [tot de Schepper]: 'Mijn eerbetuigingen aan u, o god der halfgoden, daar u als de eerste, de levende wezens het leven schenkt. Leg alstublieft uit welke kennis in het bijzonder het transcendentale stuurt.  (Vedabase)

 

Tekst 2

Wat is de vorm, de basis en de bron van deze geschapen wereld? O meester, hoe wordt ze behouden, wat beheerst haar en, alstublieft, wat is ze in feite?

Wat is de vorm, de achtergrond en de bron van deze geschapen wereld, o meester, hoe wordt ze behouden, wat beheerst haar en, alstublieft, wat is hiervan in feite werkelijk? (Vedabase)

 

Tekst 3

U weet dit alles in uw goedheid, aangezien u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is. Meester, u houdt dit universum in de greep van uw wetenschappelijke kennis als betrof het een walnoot.

Dit alles weet u in uw goedheid, daar u alles kent dat tot stand kwam, tot stand zal komen en tot stand aan het komen is; meester, het universum is als een walnoot in uw wetenschappelijke greep. (Vedabase)

 

Tekst 4

Waar hebt u uw wijsheid vandaan, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, met behulp van de macht van de ziel, in uw eentje de levens van alle wezens met de elementen van de materie?

Wat is de bron van uw wijsheid, onder wiens bescherming en beschikking staat u en in welke hoedanigheid schept u, alleen, de levens van alle wezens met de elementen der materie, die voorzeker door de ziel worden gemachtigd? (Vedabase)

 

Tekst 5

Zoals een spin zijn web maakt, manifesteert u zonder enige hulp vanuit uw eigen zielsvermogen al deze levens door wie u zich nooit laat bepalen.

Te werk gesteld als een spin, manifesteert u zelfvoorzienend zonder enige hulp uit uzelf al dezen [deze levens] zonder er zelf door verslagen te zijn.  (Vedabase)

 

Tekst 6
O almachtige, ik ken in deze wereld niet één bestaansvorm met een naam, een vorm en kwaliteiten, die superieur, inferieur of gelijkwaardig is, van een tijdelijke aard of eeuwigdurend, die zijn bestaan te danken heeft aan een andere bron [dan u].

Of ik nu wel of niet mijzelf ken als superieur of inferieur in deze wereld, of als een gelijke, o machtige, de kwaliteiten van naam en vorm van alles wat met het eeuwige zijn bestaan vond, zijn slechts tijdelijk, zoals al het overige dat ontsproot uit een andere bron. (Vedabase)

 

Tekst 7

Het baart ons zorgen dat uw goede zelf  met een volmaakte discipline strenge boetedoeningen op zich nam. Zo kregen we de kans eraan te twijfelen of u wel de uiteindelijke waarheid bent [en dachten we aan een hogere bestaansvorm dan u].

Het baart ons zorgen dat uw goede zelf strenge boetedoeningen op zich nam en ons de kans gaf te twijfelen aan de uiteindelijke waarheid van u.  (Vedabase)

  

Tekst 8

O, alwetende heerser over alles, verschaf alstublieft uitleg over dit alles waar ik naar vroeg zodat ik een begrip zal hebben overeenkomstig uw instructies.'

O, u alwetende heerser over alles, verschaf alstublieft uitleg over al hetgeen waar ik naar vroeg zodat ik, naar wat het gezag stelt, in staat zal zijn te begrijpen.' (Vedabase)

  

Tekst 9

De schepper antwoordde: 'O vriendelijke ziel mij zo dierbaar, jij, zo aardig, hebt volkomen gelijk te twijfelen, want ik werd [door die onderwerping in boete] ertoe aangezet de heldhaftigheid, macht en glorie van de Allerhoogste Heer onder ogen te zien.

De schepper antwoordde: 'O zachtgeaarde mij zo dierbaar, u bent zeer vriendelijk in uw volmaakte navraag die me inspireert tot de heldhaftigheid van de Allerhoogste Heer. (Vedabase)


Tekst 10

Mijn zoon, het is niet onterecht wat je zo-even zei in je beschrijving van mij, want zonder het Allerhoogste te kennen boven mij zal het zeker zo zijn [dat het lijkt alsof die grootheid] mij allemaal toekomt.

U zit er niet naast in wat u zoëven zei in uw beschrijving van mij; mijn beste, daar het zonder het Allerhoogste voorbij aan mij, het, mij kennend, zeker zo zal zijn zoals u het over me zei. (Vedabase)

 

Tekst 11

Alles van de wereld die ik schiep werd geschapen door de gloed [de brahmajyoti] van Zijn bestaan, net zoals dat het geval is met het vuur, de zon, de planeten en de sterren [die vanuit Zijn gloed stralen].

Ik ben het die het universum doet verschijnen dat voortstraalt bij de macht van Zijn gloed [genaamd de brahmajyoti], zo goed als de zon en het vuur als ook de maan, de sterren, de planeten en de constellaties hun herderheid laten zien. (Vedabase)

 

Tekst 12

Ik breng Hem mijn eerbetuigingen, Hij de Allerhoogste Heer Vâsudeva waarop ik mediteer. Dankzij Zijn onoverwinnelijke vermogens noemt men mij de leraar [de goeroe] van de wereld.

Mijn eerbetuigingen zijn voor Hem, de Allerhoogste Heer Vâsudeva waarop ik mediteer, door wiens onoverwinnelijke vermogens men mij de leraar [de goeroe] van de wereld noemt. (Vedabase)

 

Tekst 13

Mensen zich er niet voor schamend een prominente positie in te nemen met de begoochelende materiële energie, maken in hun staat van verbijstering een verkeerd gebruik van de taal met het bezigen van de woorden 'ik' en 'mijn'. Met dat woordgebruik wordt ik slecht begrepen.

Onbeschaamd over hun voorop blijven gaan met macht der begoocheling, misbruiken zij die verbijsterd zijn hun woorden pratende over 'ik' en 'mijn', maar zo sprekende wordt ik slecht begrepen. (Vedabase)

  

Tekst 14

De basisingrediënten van de materie in hun interactie met de Eeuwige Tijd en de natuurlijke aard van het levende wezen, maken zeker deel uit van Vâsudeva, o brahmaan, maar de waarheid is dat ieder van deze onderdelen op zichzelf geen waarde heeft.

De vijf elementen in hun interactie in de Eeuwige Tijd als ook de aangeboren aard van het levende wezen maken deel uit van Vâsudeva, o brahmaan; ieder voor zich hebben ze in waarheid geen waarde. (Vedabase)


Tekst 15

De bedoeling en de oorzaak van de Veda's is Nârâyana [Krishna als de vierarmige Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en voorwereldlijke Heer van de mensheid], de halfgoden zijn de helpende handen van Nârâyana, de werelden bestaan ter wille van Nârâyana en alle offers zijn er om Nârâyana te behagen.

Nârâyana [Krishna als de vier-armige Oorspronkelijke Persoonlijkheid van God en voorwereldlijke Heer der mensheid] is de oorzaak van de kennis, de halfgoden zijn Zijn helpende handen, ter wille van Hem bestaan de werelden en alle offers zijn er slechts om Hem, de Allerhoogste Heer, te behagen. (Vedabase)


Tekst 16

De concentratie van het denken is er slechts om Nârâyana te kennen, de versobering is er slechts om Nârâyana te bereiken, de cultuur van de transcendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nârâyana en de vooruitgang op het pad van de bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nârâyana binnen te gaan.

De concentratie van het denken is er slechts om Nârâyana te kennen, de versobering is er slechts om Nârâyana te bereiken, de cultuur der transcendentie is er slechts om zich bewust te worden van Nârâyana en de vooruitgang op het pad der bevrijding is er slechts om het koninkrijk van Nârâyana binnen te gaan.  (Vedabase)

 

Tekst 17

Geïnspireerd door Zijn visie en hetgeen werd geschapen door Hem, de ziener, de heerser, de stabiliteit en Superziel van allen die ook mij heeft geschapen, schep ik eveneens.

Met voor ogen wat door de Ziener, door de Superziel, de heerser over alle intelligentie die mij heeft geschapen, zo volmaakt werd geschapen, hou ik, geïnspireerd door Zijn blik, mezelf bezig met scheppen. (Vedabase)

 

Tekst 18

Van de goedheid, hartstocht en traagheid [de guna's] die door de uitwendige energie werd aangenomen, zijn er de drie kwaliteiten van de transcendentie van de Almachtige [Heer van de Tijd]: handhaving, schepping en vernietiging [zie ook 2.4: 23].

Van deze [werkelijkheid van de geaardheden der] goedheid, hartstocht en traagheid [zie 4.23], die vanwege de Almachtige [Heer van de Tijd] door de uitwendige energie werd aangenomen, zijn er de drie kwaliteiten der transcendentie: handhaving, schepping en vernietiging. (Vedabase)

 

Tekst 19

De eeuwige transcendentale persoon, die onder invloed staat van de basiskwaliteiten van de materiële natuur, is onderhevig aan omstandigheden van oorzaak en gevolg. Dit resulteert in de symptomen van kennis [uit goedheid], activiteiten [uit hartstocht] en goederen [uit onwetendheid].

Onder de invloed van de geaardheden van de materiële energie raakt het eeuwig bevrijdde levende wezen gekonditioneerd aan de materiële kennis [van 'ik' en 'mijn'] die zich manifesteert met de symptomen van oorzaak en gevolg in materiële activiteiten. (Vedabase)


Tekst 20

Hij, de getuige van de individuele ziel die wordt beheerst door de symptomen van de drie geaardheden, de Allerhoogste Heer in het Voorbije, de heerser over mij en iedereen, kan in Zijn voortgang niet goed worden herkend, o brahmaan.

Hij, deze Opperheer, die in de symptomen van al deze drie geaardheden waarlijk, als de Superziener, ongezien is in Zijn bewegingen, o brahmaan, is van iedereen zowel als van mij de beheerser. (Vedabase)


Tekst 21

De Heer die Heerst middels het vermogen van Zijn materiële energie kwam aldus, vanuit de onafhankelijke wil van Zijn goddelijke zelf, tot verschillende verschijningen, waarbij Hij hun karma, [onderworpenheid aan de] tijd en hun bijzondere aard op Zich nam.

[De Heer van de] Eeuwige Tijd, de beheerser van de begoochelende macht van de materie [mâyâ] die de werklast [karma] als ook de specifieke aard [- of svabhâva - heeft het op zich genomen middels de energie van zijn [Zijn] eigen Zelf, onafhankelijk daarin opgegaan, te verschijnen met het in gang zetten van verschillende gedaanten. (Vedabase)


Tekst 22

Door het toezicht van de Oorspronkelijke Persoon vond de schepping van de mahat-tattva plaats [de 'grotere werkelijkheid'], door de eeuwige tijd was er de omvorming van de geaardheden en uit de omvorming van de oorspronkelijke aard vonden de verschillende activiteiten hun bestaan.

Door die eeuwige tijd gebeurde het zo dat vanwege de transformatie van de activiteiten geschapen door de geaardheden der natuur, de Oorspronkelijke Persoon Zijn omvorming van het geheel der materie [de mahat-tattva] plaats vond. (Vedabase)


Tekst 23

Vanwege de transformatie van de grotere werkelijkheid domineerden echter [in het begin] de hartstocht en de goedheid, maar toen [tegenwicht biedend in reactie] vonden de materie, de materiële kennis en materiële activiteiten hun vitale bestaan.

Maar door de transformatie van het geheel der materie namen de geaardheden van de hartstocht en de goedheid toe zodat [tegenwicht biedend in reaktie] een overwegen van de geaardheid der duisternis plaatsgreep met haar enkelvoudige materiële kennis en overwegen van materiële activiteiten. (Vedabase)

 

Tekst 24

Die omvorming van het materiële deel van het zelf, het ego, manifesteerde zich, zoals gezegd, overeenkomstig de drie kenmerken van de goedheid, hartstocht en onwetendheid. Aldus prabhu, verdeelden zich de krachten van een begeleidende intelligentie, kennis van de schepping en de materiële evolutie.

Dat omgevormde materiële ego, zoals gezegd, manifesteerde zich in haar drie kenmerken van zowel goedheid, hartstocht als onwetendheid, en aldus, prabhu, raakten de machten van actie, kennis in schepping en begeleiding in intelligentie verdeeld.  (Vedabase)


Tekst 25

Van al de materiële elementen ontwikkelde zich [allereerst] de [proto-materiële, onzichtbare] ether  uit de duisternis die transformatie onderging. Met de kwaliteit van het geluid als zijn subtiele vorm is het als de ziener in verhouding tot het geziene [van alle andere materie].

Door de identificatie met de duisternis der materie werd middels de omvorming naar die geaardheid [het eerste element van] de ether tot ontwikkeling gebracht met haar subtiele vorm en kwaliteit van het geluid dat een aanduiding vormt voor zowel de ziener als het geziene. (Vedabase)


Tekst 26-29

Door omvorming van de ether vond de lucht zijn bestaan die gekenmerkt wordt door de kwaliteit van de beroering. Daarbij trad ook het geluid naar voren als een kenmerk dat werd overgenomen van de ether. Zo verwierf de lucht tevens een leven vol onderscheid met energie en kracht. De lucht die op haar beurt weer transformeerde onder invloed van de tijd bracht in reactie op het voorgaande uit haar natuur weer het vuurelement voort. Bij de vorm ervan was er dan evenzo de nodige tastbaarheid en geluid [als de erfelijke last of het karma van de voorgaande elementen]. Het vuur vormde zich om tot [of condenseerde uit waterstof en zuurstof als] water en zo ontstond het smaakelement hetgeen eveneens consequent gepaard ging met tastbaarheid, geluid en vorm. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van het water vond weer daaropvolgend het geurrijke van het sap zijn bestaan dat [als het aarde-element] vorm aannam samen met de kwaliteiten van de tastbaarheid en het geluid.

Door de omvorming van de ether kwam de aanraking, als de kwaliteit van de lucht, tot het volle van het geluid, met de kenmerken van het voorgaande element erin meegenomen, en kwam het zodoende eveneens tot een leven van onderscheid en het vermogen van het krachtige. Dienovereenkomstig transformerend naar die lucht bracht de tijd als reactie op het verleden op natuurlijke wijze het vuur-element voort, daarbij eveneens de nodige vorm, aanraking en geluid gevend. Van het water dat van vuur getransformeerd raakte waren er de sappen en de smaak hetgeen, zoals voorheen gezien, eveneens in opeenvolging geluid gaf [tranen, speeksel, zaad, bloed, melk]. Maar door de veelvormigheid van die transformatie van water kwam weer daarop volgend het geurrijke [van het aarde-element] van het sap dat de vorm aannam van de kwaliteiten van aanraking en geluid. (Vedabase)  

 

Tekst 30

Uit de geaardheid goedheid kwamen de [kosmische] geest en de tien goden voort die handelen in goedheid: die van de windrichtingen, de lucht [Vâyu], de zon [Sûrya], de wateren [Varuna], de langlevendheid [de As'vinî-Kumâra's], het vuur [Agni], de hemel [Indra], de transcendentie [Vishnu in de gedaante van Upendra], de vriendschap [Mitra] en de bewaker van de schepping [Brahmâ].

Uit de geaardheid goedheid kwam [aldus] het denken van de goddelijken tot stand die handelen in goedheid, gekend in de tien van hen als de heerser der windrichtingen, de lucht, de zon, de wateren [Varuna], de langlevendheid [As'vinî-Kumâra's geassocieerd met de geur], het vuur, de hemelen [Indra], de beeltenis der transcendentie, het eindigen [Mitra, geassocieerd met de uitscheiding] en de geest [Brahmâ]. (Vedabase)


Tekst 31

Door de transformatie van de hartstocht van het ego ontstond de tienvoudigheid van de zinnen van het handelen en de waarneming - de mond, de handen, de voeten, het geslachtsorgaan en de anus, plus het horen, zien, voelen, proeven en ruiken - alsook de levenskracht en de intelligentie.

Door de hartstocht van het ego vond de dienovereenkomstige tienvoudige transformatie aangaande de macht der kennis en handeling naar de vijf zinnen plaats die de levende energie de intelligentie gaf van al haar horen, aanraken, ruiken, waarnemen en zich ontlasten. (Vedabase)

 

Tekst 32

Zolang al deze categoriën van de elementen, de zinnen, de geest en de geaardheden van de natuur los van elkaar bestonden, kon het lichaam [van de mens en de mensheid] zich niet vormen, o beste in de kennis [Nârada].

Voor de tijd dat al deze elementen van de zinnen en het denken naar de geaardheden der natuur afgezonderd bleven, zolang kon het lichaam [van de mens en de mensheid] niet worden gevormd, o [Nârada] beste in de kennis. (Vedabase)

 

Tekst 33

Toen zij [die elementen] bijeen werden gebracht door de [drijvende] kracht van de Allerhoogste en ze hun toepassing vonden, kwam dit [persoonlijke en universele bestaan] met zowel zijn ware en illusoire als zijn geestelijke en materiële werkelijkheden [sat/asat] tot stand.

Toen die [elementen] allemaal de één na de ander samengevoegd door de Opperste Energie hun toepassing vonden, en dat eveneens in het aanvaarden van hun primaire en secundaire aard, kwamen beide [dienovereenkomstige geestelijke en materiële werkelijkheden] van dit universum duidelijk tot stand. (Vedabase)

 

Tekst 34

Het universum werd na talloze millennia verzonken te zijn geweest in de [causale] wateren, tot zijn eigen tijd van leven opgewekt door de persoonlijke ziel [de Heer] die het levenloze leven inblies.

Talloze millennia bleef die universele werkelijkheid verzonken in de [causale] wateren totdat de individuele ziel [jîva of de Heer] door de actie van de Eeuwige Tijd naar de geaardheden der natuur het niet levende tot leven deed komen. (Vedabase)

 

Tekst 35

Hij als de Oorspronkelijke Persoon [de Purusha] kwam uit het ei van het universum tevoorschijn om Zich te verdelen over duizenden afdelingen van benen, armen, ogen, monden en hoofden.

Hij Zelve als de Oorspronkelijke Persoon [de purusha] kwam vanuit het universele ei te voorschijn Zichzelf verdelend in indelingen van benen, armen, ogen, monden en hoofden. (Vedabase)

 

Tekst 36

De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum er zijn als de ledematen van een lichaam [de virâth-rûpa] dat bestaat uit zeven systemen onder de gordel en zeven aan de bovenzijde.

De grote filosofen stellen het zich zo voor dat al de werelden in het universum zijn als de ledematen van het lichaam met zeven systemen onder en zeven aan de bovenzijde van wat kan worden gezien. (Vedabase)

 

Tekst 37

De brahmanen vertegenwoordigen de mond van de Oorspronkelijke Persoon, de heersende klasse is er als Zijn armen, de handelaren vormen de bovenbenen van de Opperheer en de arbeidersklasse manifesteerde zich uit Zijn voeten.

De brahmanen werpen zich op als de mond van de Oorspronkelijke Persoon, de heersende klasse als Zijn armen, de handelaren representeren de bovenbenen van de Opperheer en de arbeidersklasse vormt zijn [onder]benen. (Vedabase)

 

Tekst 38

De aardse [lagere] werelden [Bhûrloka's] behoren tot Zijn benen zo zegt men, de etherische werelden [Bhuvarloka's] behoren tot Zijn buik, de hemelse werelden van het hart [Svarloka's] bevinden zich in Zijn borst en de hoogste werelden van de heiligen en wijzen [Maharloka's] zijn van de Grote Ziel.

De aardse [lagere] werelden zijn van Zijn benen zegt men, de etherische werelden zijn van Zijn buik, de hemelse werelden van het hart zijn van de borst terwijl de opperste werelden van de heiligen en wijzen van de grote Ziel zijn. (Vedabase)

 

Tekst 39

Boven de borst tot aan de nek treft men de wereld van de godmensen [de zonen van Brahmâ, Janaloka] aan en daar weer boven in de hals vindt men de wereld van de verzaking [Tapoloka, van de asceten]. De wereld van de waarheid [Satyaloka van de zelfgerealiseerde, verlichte mensen] treft men in het hoofd aan. [Deze werelden zijn allen aan tijd gebonden,] maar de geestelijke wereld [Brahmaloka, de wereld van de ene Ziel, de Opperheer] is eeuwig.

Terwijl men tot aan de nek de werelden van de menselijkheid vindt en daarop vanaf de borst de werelden der verzaking en de werelden der waarheid met het hoofd aantreft, zijn het de werelden van de geest die in het eeuwige worden gevonden. (Vedabase)

 

Tekst 40-41

Met op Zijn middel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, lager bij Zijn knieën de derde, de vierde op Zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het lichaam van de Heer [de virâth-rûpa of universele gedaante] geheel gevuld met al de [veertien] werelden.

Met onder Zijn gordel de eerste van de lagere werelden, op Zijn heupen de tweede, tot zijn knieën de derde, de vierde op zijn kuiten, de vijfde op Zijn enkels, de zesde op Zijn voeten en de zevende op Zijn voetzolen [vergelijk 2.1: 26-39], is het lichaam van de Heer [de virâth-rûpa of universele gedaante] vol van al de werelden. (Vedabase)

 

Tekst 42

Men stelt het zich alternatief [eenvoudig in drieën verdeeld zo] voor dat de aardse, lagere werelden zich bevinden op de benen, de etherische, middelste werelden zich bevinden in het gebied van de navel en dat de hemelse, hogere werelden vanaf de borst naar boven te vinden zijn.'

Aldus stelt men zich [drievoudig] de aardse planeten gesitueerd op de benen, de etherische werelden gesitueerd in het gebied van de navel en de hemelse werelden vanaf de borst naar boven gesitueerd voor of anders de wereld zoals verschillend [in een vier- of veertien verdeling] voorgesteld.'    (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De afbeelding is een Hindoe vintage voorstelling van Heer Brahmâ.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties