S'rî
S'uka zei: 'Nadat hij comfortabel gezeten op een bank dermate
was vereerd door Râma en Krishna, zag hij
[Akrûra] aldus zich alles afspelen dat hij zich
onderweg voor de geest had gehaald.
S'ukadeva
Gosvâmî said: Having been honored so much by
Lord Balarâma and Lord Krishna, Akrûra, seated
comfortably on a couch, felt that all the desires he had
contemplated on the road were now fulfilled.
(Vedabase)
Tekst
2
Wat zou er met
de tevredengestelde Allerhoogste Heer, met de toevlucht van
S'rî, niet te bereiken zijn; niettemin verlangen zij die
Hem toegewijd zijn nergens naar.
My
dear King, what is unattainable for one who has satisfied
the Supreme Personality of Godhead, the shelter of the
goddess of fortune? Even so, those who are dedicated to His
devotional service never want anything from Him.
(Vedabase)
Tekst
3
Toen het
avondmaal was genoten vroeg de Allerhoogste Heer, de zoon van
Devakî wat Kamsa in zijn schild voerde in relatie tot
Zijn vrienden en verwanten en wat hij verder van plan
was.
After
the evening meal, Lord Krishna, the son of Devakî,
asked Akrûra how Kamsa was treating their dear
relatives and friends and what the King was planning to do.
(Vedabase)
Tekst
4
De Opperheer
zei: 'O zachtgeaarde, bent u bekomen van de reis? Al het goede
zij u toegewenst! Zijn uw vrienden en verwanten en andere
metgezellen allemaal gelukkig en gezond?
The
Supreme Lord said: My dear, gentle uncle Akrûra, was
your trip here comfortable? May all good fortune be yours.
Are our well-wishing friends and our relatives, both close
and distant, happy and in good health? (Vedabase)
Tekst
5
Maar hoe kom Ik
erbij te vragen naar ons welzijn, onze verwanten en de
onderdanen, zolang als die ziekte van de familie Kamsa, die
slechts in naam onze oom is van moederszijde, zich zo te buiten
gaat?
But,
my dear Akrûra, as long as King Kamsa - that disease
of our family who goes by the name "maternal uncle" - is
still prospering, why should I even bother to ask about the
well-being of our family members and his other subjects?
(Vedabase)
Tekst
6
Denk er eens
aan hoe Mijn onschuldige ouders die vanwege Mij door hem
gevangen zijn gehouden zwaar te lijden hadden onder hem die de
dood van hun zoons op zijn geweten heeft.
Just
see how much suffering I have caused My offenseless parents!
Because of Me their sons were killed and they themselves
imprisoned. (Vedabase)
Tekst
7
Vandaag is de
wens in vervulling gegaan dat We het goede geluk mogen smaken
dat u, Mijn nauwe verwant, Mijn aanwezigheid zoekt, o
vriendelijke man; leg alstublieft uit o oom, wat de reden van
uw komst is.'
By
good fortune We have today fulfilled Our desire to see you,
Our dear relative. O gentle uncle, please tell Us why you
have come. (Vedabase)
Tekst
8
S'rî
S'uka zei: 'Op verzoek van de Allerhoogste Heer beschreef de
afstammeling van Madhu [Akrûra, zie
9.23:
29] de
vijandige houding en de moordplannen [van Kamsa] jegens
Vasudeva en de Yadu's.
S'ukadeva
Gosvâmî said: In response to the Supreme Lord's
request, Akrûra, the descendant of Madhu, described
the whole situation, including King Kamsa's enmity toward
the Yadus and his attempt to murder Vasudeva.
(Vedabase)
Tekst
9
Hij onthulde om
welke boodschap hij als gezant was gestuurd en wat Nârada
hem [Kamsa] had verteld over het feit dat Krishna als
de zoon van Ânakadundubhi
ter wereld was gekomen.
Akrûra
relayed the message he had been sent to deliver. He also
described Kamsa's real intentions and how Nârada had
informed Kamsa that Krishna had been born as the son of
Vasudeva. (Vedabase)
Tekst
10
Toen Hij hoorde
wat Akrûra te melden had moesten Krishna en
Balarâma, de vernietiger van alles wat brutaal is in
oppositie, lachen en vertelden ze Nanda, hun
[pleeg]vader, wat de koning had
verordonneerd.
Lord
Krishna and Lord Balarâma, the vanquisher of heroic
opponents, laughed when They heard Akrûra's words. The
Lords then informed Their father, Nanda
Mahârâja, of King Kamsa's orders.
(Vedabase)
Tekst
11-12
De
gopa's zei hij op zijn beurt toen: 'Verzamel al de
melkproducten, pak giften en span de wagens in. Morgen zullen
we samen met al de mensen die onder mijn zorg vallen naar
Mathurâ gaan om de koning onze producten aan te bieden en
een groot feest te vieren', en zo liet de gopa Nanda het
door zegslieden in heel zijn domein aankondigen.
Nanda
Mahârâja then issued orders to the cowherd men
by having the village constable make the following
announcement throughout Nanda's domain of Vraja: "Go collect
all the available milk products. Bring valuable gifts and
yoke your wagons. Tomorrow we shall go to Mathurâ,
present our milk products to the King and see a very great
festival. The residents of all the outlying districts are
also going." (Vedabase)
Tekst
13
De
koeherdersmeisjes die hoorden dat Akrûra naar Vraja was
gekomen om Râma en Krishna mee naar de stad te nemen,
raakten toen geheel overstuur.
When
the young gopîs heard that Akrûra had
come to Vraja to take Krishna and Balarâma to the
city, they became extremely distressed. (Vedabase)
Tekst
14
Bij sommigen
van hen bracht dat in hun harten zo'n grote pijn teweeg dat ze
zuchtend met hun mooie gezichten bleek wegtrokken terwijl van
anderen de haarknotten, de armbanden en de kleren
losschoten.
Some
gopîs felt so pained at heart that their faces
turned pale from their heavy breathing. Others were so
anguished that their dresses, bracelets and braids became
loose. (Vedabase)
Tekst
15
Met anderen,
gefixeerd in meditatie op Hem, hielden, net als bij hen die het
bereik van de zelfrealisatie hebben betreden, al de
zintuigelijke functies ermee op zonder nog een flauw benul van
de wereld te hebben.
Other
gopîs entirely stopped their sensory activities
and became fixed in meditation on Krishna. They lost all
awareness of the external world, just like those who attain
the platform of self-realization. (Vedabase)
Tekst
16
Weer andere
vrouwen vielen flauw, eraan denkend hoe S'auri
met het delen
van Zijn liefdevolle glimlachen hen in het hart trof en hoe Hij
Zich uitdrukte in fraaie volzinnen.
And
still other young women fainted simply by remembering the
words of Lord S'auri [Krishna]. These words,
decorated with wonderful phrases and expressed with
affectionate smiles, would deeply touch the young girls'
hearts. (Vedabase)
Tekst
17-18
Denkend aan de
charmante manier van bewegen, de handelingen, de toegenegen
glimlachen, de blikken die alle ongeluk wegvaagden, de
grappenmakerij en de machtige daden van Mukunda, kwamen ze in
angst over de scheiding hevig aangeslagen in groepen bij elkaar
om diep verzonken in Acyuta met elkaar te praten met tranen op
hun gezichten.
The
gopîs were frightened at the prospect of even
the briefest separation from Lord Mukunda, so now, as they
remembered His graceful gait, His pastimes, His
affectionate, smiling glances, His heroic deeds and His
joking words, which would relieve their distress, they were
beside themselves with anxiety at the thought of the great
separation about to come. They gathered in groups and spoke
to one another, their faces covered with tears and their
minds fully absorbed in Acyuta. (Vedabase)
Tekst
19
De fijne
gopî's zeiden: 'O voorzienigheid, waar is uw
genade om in liefde en vriendschap de belichaamden tezamen te
brengen terwijl u ieder van ons gefrustreerd in haar plannen
aan haar lot overlaat; hoe zinloos zit u met ons als een kind
te sollen!
The
gopîs said: O Providence, you have no mercy!
You bring embodied creatures together in friendship and love
and then senselessly separate them before they fulfill their
desires. This whimsical play of yours is like a child's
game. (Vedabase)
Tekst
20
Met het ons
tonen van het gelaat van Mukunda omlijst door zwarte lokken,
Zijn fraaie kaaklijn en rechte neus en de schoonheid van Zijn
bescheiden glimlach die de ellende verdrijft, doet u er in het
geheel geen goed aan ze aan ons zicht te
onttrekken.
Having
shown us Mukunda's face, framed by dark locks and beautified
by His fine cheeks, raised nose and gentle smiles, which
eradicate all misery, you are now making that face
invisible. This behavior of yours is not at all good.
(Vedabase)
Tekst
21
Met de naam van
Akrûra [wat betekent 'niet-wreed'] bent u
welzeker wreed; de Volmaaktheid van de Ganse Schepping, de
volmaakte vijand van Madhu, die u eens onze ogen heeft vergund
te mogen aanschouwen hebt u werkelijk net als een dwaas helaas
weggenomen.
O
Providence, though you come here with the name Akrûra,
you are indeed cruel, for like a fool you are taking away
what you once gave us - those eyes with which we have seen,
even in one feature of Lord Madhudvisha's form, the
perfection of your entire creation. (Vedabase)
Tekst
22
Helaas, nu dat
Hij een nieuwe liefde heeft opgevat, heeft de zoon van Nanda,
in een luttele seconde brekend met Zijn vriendschap, geen oog
voor ons die onder Zijn invloed in rechtstreekse dienstbaarheid
aan Hem ertoe werden bewogen hun thuis op te geven, hun
verwanten, kinderen en echtgenoten.
Alas,
Nanda's son, who breaks loving friendships in a second, will
not even look directly at us. Forcibly brought under His
control, we abandoned our homes, relatives, children and
husbands just to serve Him, but He is always looking for new
lovers. (Vedabase)
Tekst
23
Hoe gelukkig is
het ochtendgloren na deze nacht als ontwijfelbaar de hoop in
vervulling gaat van de vrouwen in de stad
[Mathurâ] die het gezicht zullen indrinken van de
meester van Vraja daar binnenkomend met een nectargelijke
glimlach die schuilgaat in de hoeken van Zijn
ogen.
The
dawn following this night will certainly be auspicious for
the women of Mathurâ. All their hopes will now be
fulfilled, for as the Lord of Vraja enters their city, they
will be able to drink from His face the nectar of the smile
emanating from the corners of His eyes. (Vedabase)
Tekst
24
Hoe gedienstig
en intelligent Mukunda ook moge zijn, als Zijn geest eenmaal is
gegrepen door hun honingzoete woorden, o meisjes, welke kans
hebben wij dan nog dat Hij, bewogen door de bekoring van hun
bedeesde glimlachen, naar ons boerenluitjes zal terugkeren?
O
gopîs, although our Mukunda is intelligent and
very obedient to His parents, once He has fallen under the
spell of the honey-sweet words of the women of Mathurâ
and been enchanted by their alluring, shy smiles, how will
He ever return to us unsophisticated village girls?
(Vedabase)
Tekst
25
Vandaag zal
voor ogen van de Dâs'ârha's, Bhoja's, Andhaka's,
Vrishni's en Sâtvata's en de anderen zich daar zeer zeker
een groot feest voordoen als ze op straat de Lieveling van de
Godin voorbij zien komen, het reservoir van alle goddelijke
kwaliteiten die de zoon van Devakî is.
When
the Dâs'ârhas, Bhojas, Andhakas, Vrishnis and
Sâtvatas see the son of Devakî in Mathurâ,
they will certainly enjoy a great festival for their eyes,
as will all those who see Him traveling along the road to
the city. After all, He is the darling of the goddess of
fortune and the reservoir of all transcendental qualities.
(Vedabase)
Tekst
26
De naam van
iemand die zo onaardig is, een persoon die zo buitengewoon
wreed is als hij hier, zou niet 'a-krûra' moeten
zijn daar hij zonder zich te verontschuldigen bij ons deze
allerverdrietigste mensen [van Vraja], Hem wegkaapt,
Hij die ons dierbaarder is dan de dierbaarste.
He
who is doing this merciless deed should not be called
Akrûra. He is so extremely cruel that without even
trying to console the sorrowful residents of Vraja, he is
taking away Krishna, who is more dear to us than life
itself. (Vedabase)
Tekst
27
Deze hier, Hij
die, tot de onverschilligheid van de ouderen, zo koeltjes de
wagen heeft beklommen, wordt door deze halve gare gopa's
gevolgd in hun ossenwagens; vandaag is het lot ons niet gunstig
gezind!
Hard-hearted
Krishna has already mounted the chariot, and now the foolish
cowherds are hurrying after Him in their bullock carts. Even
the elders are saying nothing to stop Him. Today fate is
working against us. (Vedabase)
Tekst
28
Laten we naar
Hem toegaan en Hem tegenhouden, Hij kan dit ons, de familie, de
ouderen en onze verwanten niet aandoen - wij die nog niet een
halve seconde buiten het gezelschap van Mukunda kunnen; door
dat lot gescheiden zullen onze harten breken!
Let
us directly approach Mâdhava and stop Him from going.
What can our family elders and other relatives do to us? Now
that fate is separating us from Mukunda, our hearts are
already wretched, for we cannot bear to give up His
association even for a fraction of a second.
(Vedabase)
Tekst
29
Voor ons die
door de charme van Zijn liefdevolle genegenheid, aantrekkelijke
glimlachen, intieme onderonsjes en speelse blikken en
omhelzingen, naar de bijeenkomst van de râsadans werden
getrokken [10.33],
verstreek de nacht in een enkel moment; hoe, o
gopî's, kunnen we nu de onoverkomelijke duisternis
overwinnen zonder Hem?
When
He brought us to the assembly of the râsa dance, where
we enjoyed His affectionate and charming smiles, His
delightful secret talks, His playful glances and His
embraces, we passed many nights as if they were a single
moment. O gopîs, how can we possibly cross over
the insurmountable darkness of His absence?
(Vedabase)
Tekst
30
Hoe kunnen we
ooit ons bestaan vinden zonder Hem, de Vriend van Ananta
[Râma] die aan het einde van de dag, omringd door
gopa's Vraja binnenkwam met Zijn haar en bloemenslinger
dik onder het stof van de hoeven en die, spelend op Zijn fluit,
glimlachend vanuit Zijn ooghoeken, met Zijn blikken onze
geesten op hol bracht?'
How
can we exist without Ananta's friend Krishna, who in the
evening would return to Vraja in the company of the cowherd
boys, His hair and garland powdered with the dust raised by
the cows' hooves? As He played His flute, He would captivate
our minds with His smiling sidelong glances.
(Vedabase)
Tekst
31
S'rî
S'uka zei: 'Zich aldus hopeloos ontsteld over de scheiding
uitlatend, vergaten de dames van Vraja, in gehechtheid aan
Krishna denkend, al hun schaamte en riepen ze hardop: 'O
Govinda, o Dâmodara, o Mâdhava!'
S'ukadeva
Gosvâmî said: After speaking these words, the
ladies of Vraja, who were so attached to Krishna, felt
extremely agitated by their imminent separation from Him.
They forgot all shame and loudly cried out, "O Govinda! O
Dâmodara! O Mâdhava!" (Vedabase)
Tekst
32
Terwijl de
vrouwen aldus lamenteerden ging bij zonsopkomst Akrûra,
na zijn ochtendroutines te hebben afgewerkt, er op uit met zijn
wagen.
But
even as the gopîs cried out in this way,
Akrûra, having at sunrise performed His morning
worship and other duties, began to drive the chariot.
(Vedabase)
Tekst
33
De gopa's
met Nanda voorop volgden hem toen in hun karren met bij
zich een overdaad aan offergaven en aarden potten vol met
melkproducten.
Led
by Nanda Mahârâja, the cowherd men followed
behind Lord Krishna in their wagons. The men brought along
many offerings for the King, including clay pots filled with
ghee and other milk products. (Vedabase)
Tekst
34
De
gopî's stonden daartoe te wachten, achter Krishna
aangekomen in de hoop wat woorden op te vangen die hen gerust
zouden stellen.
[With
His glances] Lord Krishna somewhat pacified the
gopîs, and they also followed behind for some
time. Then, hoping He would give them some instruction, they
stood still. (Vedabase)
Tekst
35
Toen Hij ze bij
Zijn vertrek op die manier zag treuren, troostte de Grootste
van de Yadu's hen vol van liefde met de boodschap: 'Hou moed!'
[*]
As
He departed, that best of the Yadus saw how the
gopîs, were lamenting, and thus He consoled
them by sending a messenger with this loving promise: "I
will return." (Vedabase)
Tekst
36
In hun geesten
Hem nog volgend voor zolang de vlag nog zichtbaar was en het
stof van de wagen kon worden gezien, stonden ze erbij als
gebeeldhouwde figuren.
Sending
their minds after Krishna, the gopîs stood as
motionless as figures in a painting. They remained there as
long as the flag atop the chariot was visible, and even
until they could no longer see the dust raised by the
chariot wheels. (Vedabase)
Tekst
37
Zonder de hoop
Hem ooit nog terug te zien gingen ze toen vol verdriet terug om
hun dagen en nachten al zingend over hun Geliefde door te
brengen.
The
gopîs then turned back, without hope that
Govinda would ever return to them. Full of sorrow, they
began to spend their days and nights chanting about the
pastimes of their beloved. (Vedabase)
Tekst
38
Met de wagen
zich snel als de wind verplaatsend kwam de Opperheer samen met
Râma en Akrûra, o Koning, aan bij de Yamunâ,
de rivier die alle zonde wegvaagt.
My
dear King, the Supreme Lord Krishna, traveling as swiftly as
the wind in that chariot with Lord Balarâma and
Akrûra, arrived at the river Kâlindî,
which destroys all sins. (Vedabase)
Tekst
39
Na het water
daar te hebben beroerd, en het zoete nat dat straalde als
juwelen uit Zijn hand te hebben gedronken, begaf Hij zich naar
een groepje bomen en klom Hij daar samen met Balarâma op
de wagen.
The
river's sweet water was more effulgent than brilliant
jewels. After Lord Krishna had touched it for purification,
He drank some from His hand. Then He had the chariot moved
near a grove of trees and climbed back on, along with
Balarâma. (Vedabase)
Tekst
40
Akrûra
verzocht Hen toen op de wagen achter te blijven en ging naar
een poel in de Yamunâ om daar overeenkomstig de
voorschriften een bad te nemen.
Akrûra
asked the two Lords to take Their seats on the chariot.
Then, taking Their permission, he went to a pool in the
Yamunâ and took his bath as enjoined in the
scriptures. (Vedabase)
Tekst
41
Zich in dat
water onderdompelend en de mantra's van het eeuwige reciterend
zag Akrûra daar toen zowel Râma als Krishna recht
voor zich.
While
immersing himself in the water and reciting eternal mantras
from the Vedas, Akrûra suddenly saw Balarâma and
Krishna before him. (Vedabase)
Tekst
42-43
Hij dacht: 'Hoe
kunnen de twee zoons van Ânakadundubhi die op de wagen
zitten nu hier zijn; laat ik eens even kijken of ze er nog
steeds zijn', en uit het water komend zag hij Ze zitten waar
hij Ze achtergelaten had. Opnieuw alleen het water ingaand
vroeg hij zich af: 'Was het misschien een hallucinatie van me
dat ik Ze daar in het water zag?'
Akrûra
thought, "How can the two sons of Ânakadundubhi, who
are sitting in the chariot, be standing here in the water?
They must have left the chariot." But when he came out of
the river, there They were on the chariot, just as before.
Asking himself "Was the vision I had of Them in the water an
illusion?" Akrûra reentered the pool.
(Vedabase)
Tekst
44-45
En weer op
diezelfde plaats zag hij de Heer der Serpenten [Ananta of
Balarâma], de godheid met de duizenden koppen, kragen
en helmen, gekleed in het blauw en zo blank als de vezels van
een lotusstengel, zich daar ophouden als was Hij de berg
Kailâsa met zijn witte pieken, en met hun hoofden gebogen
daarbij de vervolmaakten, de achtenswaardigen, de zangers van
de hemel en zij die van de duisternis zijn.
There
Akrûra now saw Ananta S'esha, the Lord of the
serpents, receiving praise from Siddhas, Câranas,
Gandharvas and demons, who all had their heads bowed. The
Personality of Godhead whom Akrûra saw had thousands
of heads, thousands of hoods and thousands of helmets. His
blue garment and His fair complexion, as white as the
filaments of a lotus stem, made Him appear like white
Kailâsa Mountain with its many peaks.
(Vedabase)
Tekst
46-48
Op Zijn schoot
bevond zich, als een donkere wolk gekleed in gele zijde, de
Oorspronkelijke Persoonlijkheid met de vier armen in vrede; met
Zijn oogwit roze als de blaadjes van een lotus; een
aantrekkelijk vreugdevol gezicht met een charmante,
glimlachende blik; fijne wenkbrauwen, oren en een rechte neus;
fraaie kaken en rode lippen; een brede borst en hoge schouders;
stoere, lange armen en een nek als een schelphoorn; een diepe
navel en een buik gestreept als een
[banyaan-]blad.
Akrûra
then saw the Supreme Personality of Godhead lying peacefully
on the lap of Lord Ananta S'esha. The complexion of that
Supreme Person was like a dark-blue cloud. He wore yellow
garments and had four arms and reddish lotus-petal eyes. His
face looked attractive and cheerful with its smiling,
endearing glance and lovely eyebrows, its raised nose and
finely formed ears, and its beautiful cheeks and reddish
lips. The Lord's broad shoulders and expansive chest were
beautiful, and His arms long and stout. His neck resembled a
conchshell, His navel was deep, and His abdomen bore lines
like those on a banyan leaf (Vedabase)
Tekst
49-50
Compact was
Zijn achterwerk en Zijn heupen, als de slurf van een olifant
waren Zijn twee dijen, welgevormd Zijn twee knieën en
aantrekkelijk de twee kuiten die Hij had. Lang waren Zijn
enkels, roze de gloed die afstraalde van Zijn teennagels en
gloeiend als bloemblaadjes de zachte tenen aan weerszijden van
Zijn twee grote tenen.
He
had large loins and hips, thighs like an elephant's trunk,
and shapely knees and shanks. His raised ankles reflected
the brilliant effulgence emanating from the nails on His
petallike toes, which beautified His lotus feet.
(Vedabase)
Tekst
51-52
Gesierd met een
helm overdekt met grote en kostbare edelstenen, met banden om
Zijn polsen en armen, een gordel, een heilige draad,
halssnoeren, enkelbelletjes en oorhangers, hield Hij een
stralende lotus, een schelphoorn, een werpschijf en een
strijdknots in Zijn handen bij de S'rîvatsa op Zijn
borst, het schitterende Kaustubha juweel en een
bloemenslinger.
Adorned
with a helmet, bracelets and armlets, which were all
bedecked with many priceless jewels, and also with a belt, a
sacred thread, necklaces, ankle bells and earrings, the Lord
shone with dazzling effulgence. In one hand He held a lotus
flower, in the others a conchshell, discus and club. Gracing
His chest were the S'rîvatsa mark, the brilliant
Kaustubha gem and a flower garland. (Vedabase)
Tekst
53-55
Voor Hem klaar
stonden Zijn dienaren met Nanda en Sunanda voorop. Door Sanaka
en de anderen [de Kumâra's], door de leidende
halfgoden aangevoerd door Brahmâ en S'iva, door de
belangrijkste tweemaal geborenen [met Marîci aan het
hoofd] en door de meest verheven toegewijden aangevoerd
door Prahlâda, Nârada en Vasu,
werd Hij, naar gelang ieder zijn eigen soort van liefdevol zich
gedragen, geprezen in gewijde termen en bediend door Zijn
[vrouwelijke] interne vermogens van geluk
[S'rî], ontwikkeling [Pushthi of ook wel de
kracht], de spraak [Gîr ofwel kennis], de
schoonheid [Kânti], faam [Kîrti],
de tevredenheid [Tushthi of verzaking - deze eersten vormen
Zijn zes volheden]; het comfort [Ilâ,
bhû-s'akti, het aarde-element of
sandhinî] en de macht [Ûrjâ,
zich expanderend in Tulasî]; zijn vermogens van
kennen en onwetendheid [vidyâ en
avidyâ, leidend tot bevrijding en
gebondenheid]; Zijn inwendig pleziervermogen [S'akti of
hlâdinî], Zijn marginaal vermogen
[jîva-s'akti] en Zijn creatief vermogen
[Mâyâ].
Encircling
the Lord and worshiping Him were Nanda, Sunanda and His
other personal attendants; Sanaka and the other
Kumâras; Brahmâ, Rudra and other chief demigods;
the nine chief brâhmanas; and the best of the saintly
devotees, headed by Prahlâda, Nârada and
Uparicara Vasu. Each of these great personalities was
worshiping the Lord by chanting sanctified words of praise
in his own unique mood. Also in attendance were the Lord's
principal internal potencies - S'rî, Pushthi,
Gîr, Kânti, Kîrti, Tushthi, Ilâ and
Ûrjâ - as were His material potencies
Vidyâ, Avidyâ and Mâyâ, and His
internal pleasure potency, S'akti. (Vedabase)
Tekst
56-57
Er zeer
verheugd over hiervan getuige te zijn, stond hij
[Akrûra] daar, enthousiast in opperste
toewijding, met de haren op zijn lichaam overeind en met zijn
ogen en zijn lichaam nat van de vervoering in de liefde. Zijn
evenwicht weervindend betoonde de grote toegewijde met zijn
stem verstikt zijn respect met zijn hoofd voorover gebogen en
vouwde hij zijn handen terwijl hij aandachtig langzaam
bad.'
As
the great devotee Akrûra beheld all this, he became
extremely pleased and felt enthused with transcendental
devotion. His intense ecstasy caused His bodily hairs to
stand on end and tears to flow from his eyes, drenching his
entire body. Somehow managing to steady himself,
Akrûra bowed his head to the ground. Then he joined
his palms in supplication and, in a voice choked with
emotion, very slowly and attentively began to pray.
(Vedabase)
*
De
Sanskriet wortel van het werkwoord hier gebruikt is
âyâsya, dat beweeglijk, handig en moedig
betekent, en wordt door sommige vertalers geïnterpreteerd
als terugkeren. Maar aangezien Krishna niet naar Vraja zal
terugkeren anders dan door Uddhava later te sturen en ook
Balarâma die nog eens terugkomt, is hier gekozen voor het
letterlijke: 'denk eraan moedig te zijn' van het
'âyâsye iti' als: 'hou je haaks, hou stand,
hou moed, blijf sterk'.