regelbalk


 

Canto 7

S'rî S'rî Gurv-ashthaka

 

 

Hoofdstuk 5: Prahlâda Mahârâja, de Heilige Zoon van Hiranyakas'ipu 

(1) S'rî Nârada zei: 'De machtige S'ukrâcârya ['de leraar der zuiverheid'] die door de Asura's werd uitgekozen om als hun priester op te treden, had twee zoons genaamd  Shanda en Amarka die vlak bij het paleis van de daitya koning woonden. (2) De koning stuurde de jongen Prahlâda, die goed kon redeneren, naar hen toe om samen met andere asura kinderen te worden onderricht in verschillende vakken van kennis. (3) Luisterend en herhalend wat de leraren daar allemaal zeiden vond hij dat het geen goede manier van denken betrof omdat men uitging van een idee van vijanden en bondgenoten.  (4) Op een dag nam de asura despoot zijn zoon op zijn schoot o zoon van Pându en vroeg hij: 'Vertel me eens mijn zoon, wat denk jij nou zelf dat het beste zou zijn?'

(5) S'rî Prahlâda ['de vreugde van het begrijpen'] zei: 'Goed o koning der Asura's, ik denk dat iedere belichaamde ziel steeds een geest vol van zorgen heeft omdat hij daarmee een gevangene is van de materie. Als men van die versluiering van de ziel, van dat aardse bestaan dat niets anders is dan een overwoekerde put, af wil komen, kan men maar beter het bos ingaan en zijn heil zoeken bij de Heer.'

(6) S'rî Nârada zei: 'Toen de Daitya hoorde hoe zijn zoon bij zijn volle verstand met zoveel woorden de kant van de vijand koos, lachte hij over de intelligentie van de kleine jongen en hield hij het erop dat hij verkeerd was voorgelicht: (7) 'Dit jongetje zal beter af zijn op school waar zijn geest vrij is van de invloed van op Vishnu georiënteerde brahmanen die zich [mogelijk] anders voordoen dan ze zijn.'

(8) Teruggebracht naar school, riepen de daitya priesters Prahlâda bij zich om hem te ondervragen, terwijl ze hem met een zachte stem en aangename woorden geruststelden. (9) 'Lief kind, Prahlâda, we wensen je het allerbeste, vertel ons de waarheid en lieg niet. Waar haal je deze verkeerde manier van denken vandaan die we niet bij de andere kinderen aantreffen? (10) Zeg ons, is deze tegendraadse zienswijze afkomstig van kwaadwilligen of was het iets van jezelf? Wij, je leraren, willen dit heel graag weten o beste van de familie.'

(11) S'rî Prahlâda zei: 'Dat praten over anderen in termen van vijanden en bondgenoten is iets dat hoort bij mensen die er een materiële levensopvatting op nahouden. Redenerend naar wat ze zien zijn ze begoocheld door de uiterlijkheid die door Hem geschapen werd, Hij de Allerhoogste Heer die ik mijn respect betoon [zie ook B.G. 5: 18]. (12) Als een persoon Hem is toegewijd wordt het dierlijk begrip tenietgedaan van deze tijdgebonden manier van onderscheid maken tussen het 'ik' van iemand anders en het 'ik' van jezelf. (13) Voor hen wiens intelligentie en dienstverlening bedorven raakte door te denken in termen van vriend en vijand, is het toegewijd dienen van Hem, de Superziel, iets heel moeilijks. Zelfs anderen die spiritueel zijn en het Vedisch pad volgen, verkeren erover in verwarring hoe ze Hem moeten dienen die mijn intelligentie heeft getransformeerd. (14) O brahmanen, zoals ijzer zich vanzelf in de richting van een magneet beweegt, heeft ook mijn bewustzijn zich spontaan afgesplitst [van die van de andere jongens] door de werking van de cakra in Zijn hand [door de natuurlijke orde van de Tijd, zie b.v. 5.14: 29].' 

(15) S'rî Nârada zei: 'Nadat hij dit alles tegen de brahmanen had gezegd viel de grote geest stil en werd hij hardvochtig terechtgewezen door de dienaren van de koning die het maar niks vonden en boos op hem waren: (16) 'O haal een stok voor hem, deze sintel van de dynastie, die ons met zijn corrupte denkwijze in diskrediet brengt. Dit vraagt om de oplossing van de vierde optie der diplomatie, de danda [de roede, volgend op sâma, gunstig stemmen; dâna, wettelijk geregelde liefdadigheid en bheda, het verdelen van posten]. (17) In het sandelhoutbos van de Daitya's werd deze jongen geboren als een boom vol doornen die dient als handvat voor de bijl van Vishnu om ons bij de wortel om te hakken!' 

(18) Aldus op verschillende manieren hem met straffen en dergelijke bedreigend, onderrichtten ze Prahlâda in wat er in de geschriften stond over de [eerste] drie levensdoelen [de purusârtha's van dharma, artha en kâma]. (19) Toen zijn leraren ervan overtuigd waren dat hij alles wist wat er te weten viel over de vier beginselen der diplomatie werd hij, na door zijn moeder te zijn gebaad en fraai aangekleed, naar de daitya heerser gebracht. (20) De jongen die hem ten voeten viel werd aangemoedigd met zegeningen door de Asura die er een grote vreugde aan ontleende om hem langdurig in zijn armen te sluiten. (21) Hem op zijn schoot nemend besnoof hij zijn hoofd en bevochtigde hij hem met het nat van zijn tranen. Toen zei hij, met een lach op zijn gezicht, het volgende o Yudhishthhira. 

(22) Hiranyakas'ipu zei: 'Welnu Prahlâda mijn zoon, zeg me eens wat jij, goed onderricht als je bent o liefde van mijn leven, het beste vindt van wat je in die tijd allemaal geleerd hebt van je leraren.'

(23-24) S'rî Prahlâda zei: 'Luisteren, zingen, je Vishnu herinneren, de voeten dienen, het brengen van offers en doen van gebeden, ten dienste staan, een vriend zijn en je met hart en ziel overgeven. Dit  zijn de negen kenmerken van de toegewijde dienst aan Vishnu geleverd door toegewijden. Dit is de manier waarop men moet omgaan met de Hoogste Persoonlijkheid. Dat is, denk ik, het beste wat je kan leren.'
 
(25) Toen Hiranyakas'ipu zijn zoon dit hoorde zeggen zei hij, met lippen trillend van woede, het volgende tegen de zoon van de goeroe [die Prahlâda's leraar was]: (26) 'Jij nepbrahmaan! Dwaas die je bent! Wat krijgen we nou? Kies je nu partij voor de vijand door zo achterbaks deze onzin te onderrichten zonder je naar behoren te bekommeren om mijn jongen? (27) Zo zie je maar weer, wat zijn er toch een hoop bedriegers in deze wereld die zich valselijk uitdossen als vrienden. Maar in de loop van de tijd ziet men hoe de zonde zich manifesteert, zoals een ziekte dat doet bij mensen met een verkeerde levensstijl.'

(28) De zoon van de goeroe zei: 'Wat uw zoon hier zegt is in het geheel niet wat wij hem hebben bijgebracht, noch heeft iemand anders hem dat geleerd o vijand van Indra. Dit is een aangeboren neiging o Koning. Wees niet kwaad op ons, u moet ons er niet de schuld van geven.' 

(29) S'rî Nârada zei: 'Na aldus van de leraar een antwoord gekregen te hebben richtte de Asura zich wederom tot zijn zoon: 'Als je dit niet vernomen hebt uit de mond van je leraar, jij ellendeling, waar komt dit kwalijke idee van jou dan vandaan?'

(30) S'rî Prahlâda zei: 'Personen die zweren bij een aards bestaan ontwikkelen vanwege een gebrek aan zinsbeheersing in hun telkens weer herkauwen van de bekende dingen, een leven dat tot de hel voert. Nimmer zijn ze Krishna [zie B.G. 4: 4-5] toegenegen op basis van wat anderen zeggen, naar eigen inzicht of door een combinatie van die twee [zie ook B.G. 2: 44]. (31) Zij die denken te winnen bij de uiterlijke wereld hebben in hun moeilijke voornemens geen idee van het doel van het leven, Heer Vishnu. Hoewel ze zich laten leiden zijn ze, als blinden geleid door een blinde, gehoorzamend aan de dictaten van de materiële natuur, gebonden aan de bepalingen [de 'touwen'] van haar grote macht [mâyâ]. (32) Het overwinnen van het ongewenste - hetgeen de opzet is van al de grote zielen [de goeroes en de toegewijden] - ligt buiten het bereik van deze mensen zolang hun bewustzijn niet in contact staat met de Voeten van de Roem, zolang ze niet de heiliging aanvaarden van de orde [of het stof] van de voeten van hen die in [vrijwillige] armoede vrij van die gebondenheid zijn.'

(33) Na aldus gesproken te hebben hield de zoon op. Hiranyakas'ipu blind van woede zijn verstand kwijt, wierp hem van zijn schoot op de grond.  (34) Overmand door verontwaardiging zei hij furieus met bloeddoorlopen ogen: 'Mannen, o zonen van Nirriti [een demon], maak direct een eind aan zijn leven, voer hem weg om hem te doden! (35) Hij hier is de moordenaar van mijn broer, want hij, die zo laaghartig zijn eigen weldoeners heeft opgegeven, is als een dienaar aan de voeten van Vishnu van aanbidding voor Hem die zijn eigen oom heeft gedood! (36) En voor Vishnu deugt hij ook niet met de schamele vijf jaren dat hij oud is en met zijn trouweloze verzaken van de bezwaarlijk op te geven liefde van zijn ouders. (37) Zelfs geboren uit een ander vormt een kind een zegen zo groot als een geneeskrachtig kruid, maar een zoon geboren uit jezelf die niet van goede wil is moet, net als een verziekte arm of been, worden afgezet. Want schadelijk als hij is voor het welzijn van het lichaam kan zijn verwijdering nog een gelukkig leven mogelijk maken. (38) In ieder geval moet hij worden gedood die met ons etend, liggend en zittend, zich voordeed als een vriend, maar net zo'n vijand voor ons is als de onbeheerste zinnen dat zijn voor een wijze.'

(39-40) De zonen van Nirriti gehoorzamend aan de opdracht van hun leider brulden met hun angstaanjagende tanden en gezichten, hun rode haren en snorren en de scherpe drietanden in hun handen toen schrikwekkend: 'Ja, laten we hem in stukken hakken!' en vielen met hun spiesen toen de weke delen van Prahlâda aan die daar stilletjes zat. (41) Maar net zoals lovenswaardige daden die op de verkeerde manier worden verricht geen effect hebben, had die aanval geen effect op hem wiens geest was verzonken in het Allerhoogste Absolute van de Fortuinlijke, de Ziel van een Ieder die voor de zinnen niet waar te nemen is. (42) O Yudhishthhira, de daitya despoot verontrust toen hij zag hoe al de pogingen mislukten, bedacht toen vastberaden tal van manieren om hem ter dood te brengen. (43-44) Hij probeerde hem te pletten met een olifant, met grote slangen aan te vallen, vloeken over hem uit te spreken, hem van grote hoogten te werpen, met truuks te verwarren, hem op te sluiten, gif toe te dienen, hem uit te hongeren en bloot te stellen aan kou, wind, vuur en water en hem onder rotsblokken te bedelven, maar met geen van deze manieren slaagde de demon erin zijn zoon te doden. Toen zijn langdurige pogen geen succes had werd hij zeer nerveus.

(45) [Hij dacht:] 'Met deze overdaad aan onheilige uitingen en diverse methoden bedacht om hem te doden, met al deze verraderlijkheden en wantoestanden vond hij verlichting op eigen kracht! (46) Ondanks dat hij maar een kind is is hij de zaak de baas en nergens bang voor. Zo dicht in mijn buurt zal hij net als een geslagen hond altijd zijn staart krom houden - hij zal mijn wandaden nooit vergeten. (47) Zijn onbegrensde geloof, zijn [blijkbare] onsterfelijkheid en zijn gebrek aan angst voor welke van deze vijandigheden ook zal vroeg of laat ongetwijfeld tot mijn dood leiden.'

(48) Met dat in gedachten liet hij het hoofd hangen en verloor hij een groot deel van zijn glans. Shanda en Amarka, de twee zonen van Us'anâ [S'ukrâcârya], spraken toen met hem in privé. (49) 'Al de leiders van de drie werelden die u als enige de baas bent, beven vol van angst als u uw wenkbrauwen optrekt. U hebt van hem niets te vrezen o meester en we snappen niet waarom u zich druk maakt over de kwaliteiten en fouten van dit of dat kind. (50) Houd hem, totdat onze goeroe S'ukra er weer is, gevangen met de touwen van Varuna zodat hij er niet uit angst vandoor gaat. Ondersteund door mensen met meer ervaring [zoals wij] zal hij de intelligentie wel ontwikkelen als hij wat ouder is.' 

(51) Op deze manier van advies gediend nam hij in acht wat de zoons van de geestelijk leraar hem hadden gezegd en zo gebeurde het dat Prahlâda werd onderricht in de [burgerlijke] plichten van de leden van een koninklijke familie. (52) Het naleven van religieuze plichten, het economisch bestuur en het kanaliseren van verlangens werd keer op keer van a tot z aan de nederige en onderworpen Prahlâda uiteengezet o Koning [vergelijk B.G. 14: 20 & 26]. (53) [Maar] dat wat de leraren hem voorhielden betreffende de drie wegen, die opvoeding die hij van deze mensen ontving die behagen schiepen in de dualiteit [van vriend en vijand], beschouwde hij [net als voorheen] helemaal niet als goed onderricht [vergelijk 6.3: 20-25]. (54) Als de leraren druk waren met hun eigen huiselijke plichten namen de jongens van zijn leeftijd de kans waar om zich met hem af te zonderen. (55) Hij richtte zich dan glimlachend tot hen om ze in aangename bewoordingen met grote intelligentie en geleerdheid uit te leggen hoe genadevol het is om met God een beter leven te leiden. (56-57) O grote koning, al de jongens die uit respect voor zijn woorden hun speelgoed opgaven, zaten dan om hem heen met hun geesten niet [langer] gecorrumpeerd door de instructies en handelingen van hen [de leraren] die behagen schiepen in de dualiteit. Tot hen die waren bevrijd zo gauw ze hun ogen en harten op hem richtten, sprak hij vol medeleven als een echte vriend en een groot voorbeeld van een Asura vol van toewijding.'

 

next                      

 
Derde herziene editie, geladen 29 februari, 2012.

 

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî Nârada zei: 'De machtige S'ukrâcârya ['de leraar der zuiverheid'] die door de Asura's werd uitgekozen om als hun priester op te treden  had twee zoons genaamd  Shanda en Amarka die vlak bij het paleis van de daitya koning woonden.
S'rî Nârada zei: 'Om als hun priester op te treden werd door de asura's de machtigste die er was, S'ukrâcârya ['de leraar naar geslacht'], gekozen. Zijn twee zoons Shanda en Amarka leefden in de buurt van waar de daitya koning zijn verblijf had. (Vedabase)

 

Tekst 2

De koning stuurde de jongen Prahlâda, die goed kon redeneren, naar hen toe om samen met andere asura kinderen te worden onderricht in verschillende vakken van kennis.

De koning stuurde de jongen Prahlâda die wel bekend was met de morele richtlijnen naar hen twee om uit de leerboeken onderricht te ontvangen tezamen met andere asura kinderen. (Vedabase)

 

Tekst 3

Luisterend en herhalend wat de leraren daar allemaal zeiden vond hij dat het geen goede manier van denken betrof omdat men uitging van een idee van vijanden en bondgenoten. 

Luisterend en herhalend wat de leraren onderwezen over wat volgens het denken allemaal niet zou deugen van de dingen van iemand zelf en van anderen, vond hij dat het een slecht staaltje filosofie betrof. (Vedabase)

 

Tekst 4

Op een dag nam de asura despoot zijn zoon op zijn schoot o zoon van Pându en vroeg hij: 'Vertel me eens mijn zoon, wat denk jij nou zelf dat het beste zou zijn?'

Toen eens de asura despoot zijn zoon op zijn schoot zette, o zoon van Pându, vroeg hij: 'Vertel me mijn zoon, wat denk jij nou zelf dat het beste zou zijn?' (Vedabase)

 

Tekst 5

S'rî Prahlâda ['de vreugde van het begrijpen'] zei: 'Goed o koning der Asura's, ik denk dat iedere belichaamde ziel steeds een geest vol van zorgen heeft omdat hij daarmee een gevangene is van de materie. Als men van die versluiering van de ziel, van dat aardse bestaan dat niets anders is dan een overwoekerde put, af wil komen, kan men maar beter het bos ingaan en zijn heil zoeken bij de Heer.'

S'rî Prahlâda ['de vreugde van het begrijpen'] zei: 'O heiligste excellentie der asura's, ik denk dat allen die een lichaam hebben, vanwege het feit dat ze het tijdelijke voor het ware aanzien, een intelligentie hebben die altijd vol van zorgen is; met het opgeven van die versluiering van de ziel, dat huishoudelijk belang wat niets anders is dan een overwoekerde put, kan men er beter zeker van zijn het bos in te gaan en zijn toevlucht te zoeken bij de Heer.' (Vedabase)

 

Tekst 6

S'rî Nârada zei: 'Toen de Daitya  hoorde hoe zijn zoon bij zijn volle verstand met zoveel woorden de kant van de vijand koos, lachte hij over de intelligentie van de kleine jongen en hield hij het erop dat hij verkeerd was voorgelicht:

S'rî Nârada zei: 'De daitya die hoorde hoe zijn zoon bij zijn volle verstand met zoveel woorden de kant van de vijand koos, lachte over de intelligentie van de kleine jongen en dacht van hem dat hij negatief beïnvloed was door de verkeerde mentaliteit: (Vedabase)

 

Tekst 7

'Dit jongetje zal beter af zijn op school waar zijn geest vrij is van de invloed van op Vishnu georiënteerde brahmanen die zich [mogelijk] anders voordoen dan ze zijn.'

'Laat deze jongen maar beter beschermd zijn op school zodat zijn intelligentie vrij blijft van de invloed van de tweemaal geborenen van Vishnu die zich voordoen in verschillende gedaanten.'  (Vedabase)

 

Tekst 8

Teruggebracht naar school, riepen de daitya priesters Prahlâda bij zich om hem te ondervragen, terwijl ze hem met een zachte stem en aangename woorden geruststelden.

Teruggebracht naar die plek [de guru-kula], riepen de daitya priesters Prahlâda bij zich en ondervroegen ze hem, hem met een zachte stem en aangename woorden geruststellend. (Vedabase)

   

Tekst 9

'Lief kind, Prahlâda, we wensen je het allerbeste, vertel ons de waarheid en lieg niet. Waar haal je deze verkeerde manier van denken vandaan die we niet bij de andere kinderen aantreffen? 

'Lief kind, Prahlâda, het beste zij je toegewenst, vertel ons de waarheid en lieg niet, welke van de andere kinderen hebben je deze verkeerde manier van denken bijgebracht? (Vedabase)

 

Tekst 10

Zeg ons, is deze tegendraadse zienswijze afkomstig van kwaadwilligen of was het iets van jezelf? Wij, je leraren, willen dit heel graag weten o beste van de familie.'

Zeg ons, kwam deze tegendraadse zienswijze van kwaadwilligen of was het iets van jezelf; wij, al je leraren branden van verlangen hier achter te komen, o beste van de familie.' (Vedabase)

 

Tekst 11

S'rî Prahlâda zei: 'Dat praten over anderen in termen van vijanden en bondgenoten is iets dat hoort bij mensen die er een materiële levensopvatting op nahouden. Redenerend naar wat ze zien zijn ze begoocheld door de uiterlijkheid die door Hem geschapen werd, Hij de Allerhoogste Heer die ik mijn respect betoon [zie ook B.G. 5: 18].

S'rî Prahlâda zei: 'Of het nu van vreemden is of van jezelf, op die manier redeneert men over mensen met een verkeerd idee; denkend over wat men ziet is men eenvoudigweg begoocheld door het uiterlijke dat door Hem geschapen is; de Allerhoogste Heer die ik mijn respekt betoon [zie ook B.G. 5:18]. (Vedabase)

 

Tekst 12

Als een persoon Hem is toegewijd wordt het dierlijk begrip tenietgedaan van deze tijdgebonden manier van onderscheid maken tussen het 'ik' van iemand anders en het 'ik' van jezelf.

Als Hij tevreden is over de persoon is het dierlijk begrip van deze tijdgebonden manier van onderscheid maken tussen het 'Ik' van iemand anders en het 'Ik' van jezelf te niet gedaan. (Vedabase)

 

Tekst 13

Voor hen wiens intelligentie en dienstverlening bedorven raakte door te denken in termen van vriend en vijand, is het toegewijd dienen van Hem, de Superziel, iets heel moeilijks. Zelfs anderen die spiritueel zijn en het Vedisch pad volgen, verkeren erover in verwarring hoe ze Hem moeten dienen die mijn intelligentie heeft getransformeerd. 

Van Hem, deze Superziel kunnen zij, wiens intelligentie en dienstverlening is bedorven door de 'Ik' en 'Gij' manier van denken, zich zeer moeilijk verzekeren; zij, die van Brahmâ [hier: de valse leraren], van wie de navolgers op het vedisch pad in de war zijn, hebben inderdaad mijn intelligentie tegenover zich geplaatst. (Vedabase)

  

Tekst 14

O brahmanen, zoals ijzer zich vanzelf in de richting van een magneet beweegt, heeft ook mijn bewustzijn zich spontaan afgesplitst [van die van de andere jongens] door de werking van de cakra in Zijn hand [door de natuurlijke orde van de Tijd, zie b.v. 5.14: 29].' 

O brahmanen, net zoals ijzer uit zichzelf beweegt in de nabijheid van een magneet is dienovereenkomstig mijn intelligentie simpelweg bepaald door de wil van de cakra in Zijn hand [zie b.v. 5.14:29].'  (Vedabase)

 

Tekst 15

S'rî Nârada zei: 'Nadat hij dit alles tegen de brahmanen had gezegd viel de grote geest stil en werd hij hardvochtig terechtgewezen door de dienaren van de koning die het maar niks vonden en boos op hem waren:

S'rî Nârada zei: 'Na dit alles de brahmanen gezegd te hebben viel de grote geest stil en werd hij hardvochtig terechtgewezen door de dienaren van de koning die het allemaal niks vonden en zeer boos op hem waren: (Vedabase)

 

Tekst 16

'O haal een stok voor hem, deze sintel van de dynastie, die ons met zijn corrupte denkwijze in diskrediet brengt. Dit vraagt om de oplossing van de vierde optie der diplomatie, de danda [de roede, volgend op sâma, gunstig stemmen; dâna, wettelijk geregelde liefdadigheid en bheda, het verdelen van posten].

'O laten we een stok ter hand nemen, deze sintel van de dynastie, die met zijn corrupte denkwijze ons naar beneden haalt; voor hem is de vierde optie der diplomatie, de danda [de roede], de geëigende oplossing [volgend op dâna, wettelijk bepaalde liefdadigheid; sâma, gunstig stemmen en bheda, het verdelen van posten]. (Vedabase)
 
Tekst 17

In het sandelhoutbos van de Daitya's werd deze jongen geboren als een boom vol doornen die dient als handvat voor de bijl van Vishnu om ons bij de wortel om te hakken!'

In het sandelhoutbos van de daityas is deze jongen geboren als een doornenboom die dient als handvat voor de bijl die Vishnu is die ons bij de wortel omhakt!' (Vedabase)

 

Tekst 18

Aldus op verschillende manieren hem met straffen en dergelijke bedreigend, onderrichtten ze Prahlâda in wat er in de geschriften stond over de [eerste] drie levensdoelen [de purusârtha's van dharma, artha en kâma].

Op deze wijze op verschillende manieren hem in woord en daad bedreigend, onderrichten zij Prahlâda over wat de geschriften allemaal wel niet zouden zeggen over de drie doelen in het leven [de purusârtha's van dharma, artha en kâma]. (Vedabase)

 

Tekst 19

Toen zijn leraren ervan overtuigd waren dat hij alles wist wat er te weten viel over de vier beginselen der diplomatie werd hij, na door zijn moeder te zijn gebaad en fraai aangekleed, naar de daitya heerser gebracht.

Nadat zijn leraren hem alles hadden bijgebracht wat er maar te weten viel over de vier beginselen der diplomatie werd hij, door zijn moeder gebaad en opgesierd, naar de daitya heerser gebracht. (Vedabase)

 

Tekst 20

De jongen die hem ten voeten viel werd aangemoedigd met zegeningen door de Asura die er een grote vreugde aan ontleende om hem langdurig in zijn armen te sluiten.

De jongen hem ten voeten gevallen werd door de asura bemoedigd met zegeningen en een langdurige omhelzing met beide armen van zijn kant, welke hem grote vreugde schonk. (Vedabase)

 

Tekst 21

Hem op zijn schoot nemend besnoof hij zijn hoofd en bevochtigde hij hem met het nat van zijn tranen. Toen zei hij, met een lach op zijn gezicht, het volgende o Yudhishthhira. 

Hem op zijn schoot nemend besnoof hij zijn hoofd en bevochtigde hij met het water van zijn tranen hem terwijl hij met een lach op zijn gezicht het volgende zei, o Yudhishthhira. (Vedabase)

 

Tekst 22

Hiranyakas'ipu zei: 'Welnu Prahlâda mijn zoon, zeg me eens wat jij, goed onderricht als je bent o liefde van mijn leven, het beste vindt van wat je in die tijd allemaal geleerd hebt van je leraren.'

Hiranyakas'ipu zei. 'Welnu Prahlâda mijn zoon, nu je zo goed onderricht bent, zeg me eens iets aardigs van wat jij, o liefde van mijn leven, al die tijd zo hebt geleerd van je leraren.' (Vedabase)

 

Tekst 23-24

S'rî Prahlâda zei: 'Luisteren, zingen, je Vishnu herinneren, de voeten dienen, het brengen van offers en doen van gebeden, ten dienste staan, een vriend zijn en je met hart en ziel overgeven. Dit  zijn de negen kenmerken van de toegewijde dienst aan Vishnu geleverd door toegewijden. Dit is de manier waarop men moet omgaan met de Hoogste Persoonlijkheid. Dat is, denk ik, het beste wat je kan leren.'

S'rî Prahlâda zei: 'Luisteren, zingen, je Vishnu herinneren, aandacht besteden aan de voeten, het brengen van offers en gebeden, een dienaar worden, een vriend zijn en je ziel en zaligheid overgeven zijn voor alle mensen van opoffering de negen manieren die de bhakti uitmaken die men moet opbrengen voor de Allerhoogste Heer Vishnu; dat alles bij elkaar beschouw ik als het toppunt van wat je kan leren.' (Vedabase)

 

Tekst 25

Toen Hiranyakas'ipu zijn zoon dit hoorde zeggen zei hij, met lippen trillend van woede, het volgende tegen de zoon van de goeroe [die Prahlâda's leraar was]:

Toen hij zijn zoon dit hoorde zeggen zei Hiranyakas'ipu, met lippen trillend van woede, daarop tegen de zoon van de goeroe [die Prahlâda's leraar was] het volgende: (Vedabase)

 

Tekst 26

'Jij nepbrahmaan! Dwaas die je bent! Wat krijgen we nou? Kies je nu partij voor de vijand door zo achterbaks deze onzin te onderrichten zonder je naar behoren te bekommeren om mijn jongen?

'Jij ontaarde brahmaan! Wat krijgen we nou, kies je partij voor de vijand zo achterbaks deze onzin onderrichtend zonder je naar behoren te bekommeren om mijn jongen, dwaas die je bent! (Vedabase)

 

Tekst 27

Zo zie je maar weer, wat zijn er toch een hoop bedriegers in deze wereld die zich valselijk uitdossen als vrienden. Maar in de loop van de tijd ziet men hoe de zonde zich manifesteert, zoals een ziekte dat doet bij mensen met een verkeerde levensstijl.' 

Werkelijk, wat zijn er toch een hoop oneerlijke mensen in de wereld die, hun vrienden belazerend zich maar voor het vertoon uitdossen; in de loop van de tijd kan men van hen zich de zonde zien manifesteren zoals een ziekte dat doet bij mensen die verkeerd leven. (Vedabase)

 

Tekst 28

De zoon van de goeroe zei: 'Wat uw zoon hier zegt is in het geheel niet wat wij hem hebben bijgebracht, noch heeft iemand anders hem dat geleerd o vijand van Indra. Dit is een aangeboren neiging o Koning. Wees niet kwaad op ons, u moet ons er niet de schuld van geven.'

De zoon van de goeroe zei: 'Dit wat uw zoon zegt is in het geheel niet wat wij hem hebben bijgebracht, noch heeft iemand anders hem dat geleerd, o vijand van Indra; dit is zijn eigen natuurlijke toeneiging, o Koning, wees niet vertoornd jegens ons over die klaarblijkelijke misser van hem.'  (Vedabase)

 

Tekst 29

S'rî Nârada zei: 'Na aldus van de leraar een antwoord gekregen te hebben richtte de Asura zich wederom tot zijn zoon: 'Als je dit niet vernomen hebt uit de mond van je leraar, jij ellendeling, waar komt dit kwalijke idee van jou dan vandaan?'

S'rî Nârada zei: 'Aldus van de leraar een antwoord gekregen hebbend richtte de asura zich wederom tot zijn zoon: 'Als je dit niet vernomen hebt uit de mond van je leraar, vanwaar dan stamt deze kwalijke voorkeur van je, o mislukkeling?' (Vedabase)

 

Tekst 30

S'rî Prahlâda zei: 'Personen die zweren bij een aards bestaan ontwikkelen vanwege een gebrek aan zinsbeheersing in hun telkens weer herkauwen van de bekende dingen, een leven dat tot de hel voert. Nimmer zijn ze Krishna [zie B.G. 4: 4-5] toegenegen op basis van wat anderen zeggen, naar eigen inzicht of door een combinatie van die twee [zie ook B.G. 2: 44].

S'rî Prahlâda zei: 'Personen gehecht aan hun materiële leven ontwikkelen vanwege een gebrek aan kontrole over hun zinnen, in hun telkens weer opnieuw herkauwen van het gekauwde, een leven dat tot de hel voert; nimmer zijn ze Krishna [zie B.G. 4-5] toegenegen omdat anderen het zeggen of omdat ze het van zichzelf begrijpen, noch zullen ze dat zijn door een kombinatie van die twee [zie ook B.G. 2:44]. (Vedabase)

 

Tekst 31

Zij die denken te winnen bij de uiterlijke wereld hebben in hun moeilijke voornemens geen idee van het doel van het leven, Heer Vishnu. Hoewel ze zich laten leiden zijn ze, als blinden geleid door een blinde, gehoorzamend aan de dictaten van de materiële natuur, gebonden aan de bepalingen [de 'touwen'] van haar grote macht [mâyâ].

Zij die denken dat de uiterlijkheid van waarde is hebben er in hun ambities geen idee van wat het doel van hun leven, Vishnu, is; hoewel ze worden geleid zijn ze, als blindemannen geleid door een blinde, zwaar in touwen gebonden aan de diktaten van de materiële natuur. (Vedabase)

 

Tekst 32

Het overwinnen van het ongewenste - hetgeen de opzet is van al de grote zielen [de goeroes en de toegewijden] - ligt buiten het bereik van deze mensen zolang hun bewustzijn niet in contact staat met de Voeten van de Roem, zolang ze niet de heiliging aanvaarden van de orde [of het stof] van de voeten van hen die in [vrijwillige] armoede vrij van die gebondenheid zijn.'

Zo lang als het bewustzijn van deze mensen niet in kontakt staat met de Voeten van de Roem, zolang als ze niet de heiliging aanvaarden van de orde [of het stof] van de voeten van hen die vrij van de gebondenheid zijn, ligt de verdwijning van het ongewenste, wat de opzet is van al de groten, buiten hun bereik.' (Vedabase)

 

Tekst 33

Na aldus gesproken te hebben hield de zoon op. Hiranyakas'ipu blind van woede zijn verstand kwijt, wierp hem van zijn schoot op de grond.

Aldus gesproken hebbend hield de zoon op. Hiranyakas'ipu in woede ontstoken en blind voor de zelfverwerkelijking wierp hem van zijn schoot op de grond. (Vedabase)

 

Tekst 34

Overmand door verontwaardiging zei hij furieus met bloeddoorlopen ogen: 'Mannen, o zonen van Nirriti [een demon], maak direct een eind aan zijn leven, voer hem weg om hem te doden!

Overmand door verontwaardiging en woede en met bloed doorlopen ogen zei hij: 'Mannen, maak meteen een einde aan zijn leven, voer deze hier, zeker van de dood, van me weg! (Vedabase)

 

Tekst 35

Hij hier is de moordenaar van mijn broer, want hij, die zo laaghartig zijn eigen weldoeners heeft opgegeven, is als een dienaar aan de voeten van Vishnu van aanbidding voor Hem die zijn eigen oom heeft gedood!

Hij hier is de moordenaar van mijn broer, hij, die zo laag zijn eigen weldoeners heeft opgegeven, is als een dienaar aan de voeten van die zelfde Vishnu die zijn oom heeft gedood. (Vedabase)

 

Tekst 36

En voor Vishnu deugt hij ook niet met de schamele vijf jaren dat hij oud is en met zijn trouweloze verzaken van de bezwaarlijk op te geven liefde van zijn ouders

En voor Vishnu deugt hij ook niet met het met zijn ampele vijf jaren zo onbetrouwbaar eraan gegeven hebben van de slecht te verzaken liefde van zijn vader en zijn moeder. (Vedabase)

 

Tekst 37

Zelfs geboren uit een ander vormt een kind een zegen zo groot als een geneeskrachtig kruid, maar een zoon geboren uit jezelf die niet van goede wil is moet, net als een verziekte arm of been, worden afgezet. Want schadelijk als hij is voor het welzijn van het lichaam kan zijn verwijdering nog een gelukkig leven mogelijk maken.

Zelfs afkomstig van anderen is een kind een zegen zo groot als een geneeskrachtig kruid dat van elders stamt; maar een zoon geboren uit jezelf die van slechte wil is behoort net als met een verziekte arm of been worden afgezet, schadelijk als hij is voor het welzijn van het lichaam dat op zijn verwijdering nog een gelukkig leven kan hebben. (Vedabase)

 

Tekst 38

In ieder geval moet hij worden gedood die met ons etend, liggend en zittend, zich voordeed als een vriend, maar net zo'n vijand voor ons is als de onbeheerste zinnen dat zijn voor een wijze.'

Alleszins moet hij worden gedood, hij die etend, neerliggend en zittend met ons, zich voordoend als een vriend even zo goed een vijand is als onbeheersbare zinnen zijn voor een wijze.' (Vedabase)

 

Tekst 39-40

De zonen van Nirriti gehoorzamend aan de opdracht van hun leider brulden met hun angstaanjagende tanden en gezichten, hun rode haren en snorren en de scherpe drietanden in hun handen toen schrikwekkend: 'Ja, laten we hem in stukken hakken!' en vielen met hun spiesen toen de weke delen van Prahlâda aan die daar stilletjes zat.

De handlangers die ter harte hadden genomen wat hun leider allemaal had te zeggen brulden toen waarlijk met de scherpste drietanden in hun handen, met angstaanjagende tanden en gezichten en hun rode haren en snorren, vreeswekkend: 'Laten we hem in stukken hakken', en vielen toen Prahlâda, die daar stilletjes zat, met hun spiesen aan op zijn weke delen. (Vedabase)

 

Tekst 41

Maar net zoals lovenswaardige daden die op de verkeerde manier worden verricht geen effect hebben, had die aanval geen effect op hem wiens geest was verzonken in het Allerhoogste Absolute van de Fortuinlijke, de Ziel van een Ieder die voor de zinnen niet waar te nemen is.

Maar met hem wiens geest was verzonken in het Allerhoogste Absolute van de Fortuinlijke, de Ziel van een Ieder die voor de zinnen niet waar te nemen is, sorteerden ze geen effect precies zoals goede daden dat niet doen met een onwaardig iemand. (Vedabase)

 

Tekst 42

O Yudhishthhira, de daitya despoot verontrust toen hij zag hoe al de pogingen mislukten, bedacht toen vastberaden tal van manieren om hem ter dood te brengen.

O Yudhishthhira, de daitya despoot geïntimideerd toen hij zag hoe al de pogingen ijdel bleken, voorzag toen vastberaden in tal van manieren om hem ter dood te brengen. (Vedabase)

  

Tekst 43-44

Hij probeerde hem te pletten met een olifant, met grote slangen aan te vallen, vloeken over hem uit te spreken, hem van grote hoogten te werpen, met truuks te verwarren, hem op te sluiten, gif toe te dienen, hem uit te hongeren en bloot te stellen aan kou, wind, vuur en water en hem onder rotsblokken te bedelven, maar met geen van deze manieren slaagde de demon erin zijn zoon te doden. Toen zijn langdurige pogen geen succes had werd hij zeer nerveus.

Hem pletten met een olifant, met de gifslangen van de koning aanvallen, met toverspreuken van verdoemenis, hem van grote hoogten werpend, truuks verzinnend, hem opsluitend, gif toedienend en onderwerpend aan uithongering, koude, wind, vuur en water en met het uitstorten van rotsblokken, was de demon niet in staat zijn zoon, de zondenloze, ter dood te brengen en met het in dat lang volgehouden pogen mislukt zijn verkeerde hij in grote zorgen: (Vedabase)

 

Tekst 45

[Hij dacht:] 'Met deze overdaad aan onheilige uitingen en diverse methoden bedacht om hem te doden, met al deze verraderlijkheden en wantoestanden vond hij verlichting op eigen kracht!

'Van de overmaat aan deze onheilige uitingen en de verschillende manieren uitgedacht om hem te doden, van al deze verraderlijkheden en wantoestanden vond hij verlichting op eigen kracht!  (Vedabase)

 

Tekst 46

Ondanks dat hij maar een kind is is hij de zaak de baas en nergens bang voor. Zo dicht in mijn buurt zal hij net als een geslagen hond altijd zijn staart krom houden - hij zal mijn wandaden nooit vergeten.

Mij zo nabij en enkel maar een kind is hij niettemin stevig verankerd in een volledige onbevreesdheid; hij zal mijn wandaden nooit vergeten precies zoals honden altijd hun staart zullen krom houden. (Vedabase)

 

Tekst 47

Zijn onbegrensde geloof, zijn [blijkbare] onsterfelijkheid en zijn gebrek aan angst voor welke van deze vijandigheden ook zal vroeg of laat ongetwijfeld tot mijn dood leiden.'

Ongetwijfeld zal deze grenzenloze heerlijkheid en onsterfelijke vrees voor niets en niemand, van waaruit hij ook belaagd werd, vroeg of laat de reden van mijn dood zijn.' (Vedabase)


Tekst 48

Met dat in gedachten liet hij het hoofd hangen en verloor hij een groot deel van zijn glans. Shanda en Amarka, de twee zonen van Us'anâ [S'ukrâcârya], spraken toen met hem in privé.

Aldus met een hangend hoofd piekerend verloor hij een groot deel van zijn glans. Shanda en Amarka, de twee zonen van de leraar van het voorschrift, spraken toen in het geheim tot hem. (Vedabase)

 

Tekst 49

'Al de leiders van de drie werelden die u als enige de baas bent, beven vol van angst als u uw wenkbrauwen optrekt. U hebt van hem niets te vrezen o meester en we snappen niet waarom u zich druk maakt over de kwaliteiten en fouten van dit of dat kind.

'Door u alleen overwonnen beven al de leiders van de drie werelden van angst voor het heffen van uw wenkbrauwen; u hebt van hem niets te vrezen o meester, noch zien we in waarom u zich eigenlijk zorgen zou moeten maken over de kwaliteiten en fouten van dit of dat kind. (Vedabase)

 

Tekst 50

Houd hem, totdat onze goeroe S'ukra er weer is, gevangen met de touwen van Varuna zodat hij er niet uit angst vandoor gaat. Ondersteund door mensen met meer ervaring [zoals wij] zal hij de intelligentie wel ontwikkelen als hij wat ouder is.'

Houd hem, totdat onze goeroe S'ukrâcârya er weer is, vastgebonden met de touwen van Varuna zo dat hij, bang, er niet van door gaat; geholpen door de meer ervarenen zal de intelligentie wel komen met het ouder worden van de persoon.' (Vedabase)

 

Tekst 51

Op deze manier van advies gediend nam hij in acht wat de zoons van de geestelijk leraar hem hadden gezegd en zo gebeurde het dat Prahlâda werd onderricht in de [burgerlijke] plichten van de leden van een koninklijke familie.

Op deze manier van advies gediend nam hij in acht wat de zoons van de geestelijk leraar hem hadden gezegd en aldus werd Prahlâda feitelijk onderricht over wat de plichten waren van koningen in hun huishoudelijk bestaan. (Vedabase)

 

Tekst 52

Het naleven van religieuze plichten, het economisch bestuur en het kanaliseren van verlangens werd keer op keer van a tot z aan de nederige en onderworpen Prahlâda uiteengezet o Koning.

De formele plicht, de economie en het reguleren van het verlangen werden keer op keer systematisch aan Prahlâda uiteengezet o Koning, die evenzo nederig was als onderworpen [vergelijk B.G. 14:20 & 26]. (Vedabase)

 

Tekst 53

[Maar] dat wat de leraren hem voorhielden betreffende de drie wegen, die opvoeding die hij van deze mensen ontving die behagen schiepen in de dualiteit [van vriend en vijand], beschouwde hij [net als voorheen] helemaal niet als goed onderricht [vergelijk 6.3: 20-25].

Wat de leraren aan hem overdroegen over de drie wegen - die opvoeding door mensen die waren verslingerd aan een opgelegd idee van dualiteit, beschouwde hij niet als een werkelijk goede instructie [vergelijk 6.3:20-25]. (Vedabase)

 

Tekst 54

Als de leraren druk waren met hun eigen huiselijke plichten namen de jongens van zijn leeftijd de kans waar om zich met hem af te zonderen.

Als de leraren druk waren met hun eigen huishoudelijke plichten grepen de jongens van zijn leeftijd de kans om op hem een beroep te doen. (Vedabase)

 

Tekst 55

Hij richtte zich dan glimlachend tot hen om ze in aangename bewoordingen met grote intelligentie en geleerdheid uit te leggen hoe genadevol het is om met God een beter leven te leiden.

Hij, de grote intelligentie, sprak dan tot hen, in aangename bewoordingen hen glimlachend en geleerd uitleggend hoe genadevol het is om bij God te blijven. (Vedabase)

 

Tekst 56-57

O grote koning, al de jongens die uit respect voor zijn woorden hun speelgoed opgaven, zaten dan om hem heen met hun geesten niet [langer] gecorrumpeerd door de instructies en handelingen van hen [de leraren] die behagen schiepen in de dualiteit. Tot hen die waren bevrijd zo gauw ze hun ogen en harten op hem richtten, sprak hij vol medeleven als een echte vriend en een groot voorbeeld van een Asura vol van toewijding.'

Zij, de jongens, zowaar allen vol van bewondering voor zijn woorden kregen, hun speelgoed opgevend, dan hun geesten vrijgemaakt van de aanwijzingen en de vorming door hen die er genoegen in schiepen van tegenstellingen te spreken. Ze zaten om hem heen o Koning der macht, met hun harten en ogen in vrijheid op hem gevestigd die vol van medeleven sprak als een echte vriend en een groot voorbeeld van een asura vol van toewijding. (Vedabase)

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

Het schilderij is getiteld: 'Hiranyakasipu About to Decapitate Prahlada',
Folio from a Bhagavata Purana (Ancient Stories of the Lord).
India, Jammu and Kashmir, Mankot, South Asia, circa 1725. Ter beschikking gesteld door:
LACMA.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd.


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties