Hoofdstuk
19:
Heer
Vâmanadeva Bedingt een Gift van Bali
Mahârâja

(29)
Sukrâcârya, de meest ter zake kundige, die
door had wat Vishnu's plan was, richtte zich toen tot
zijn discipel, de asura heer die op het punt stond het
land aan Vishnu te weg te geven.

Hoofdstuk
20:
Heer
Vâmanadeva Omsluit Alle Werelden

(21) Toen begon de
vâmana-gedaante van de Onbegrensde Heer zich hoogst
wonderlijk uit te breiden tot de gehele omvang van het
drievoudige der materie: over alle land, de hemel, in
iedere richting, de planetenstelsels, de buitenruimte en
de zeeën en oceanen, alwaar de vogels en de beesten,
de mensen, de goden en de heiligen leefden.

Hoofdstuk
21:
Bali
Mahârâja Aangehouden door de
Heer

(26) Daarna, op de dag
als voor het offer de soma wordt genoten
[soma-pâna], werd Bali, naar de wens van de
meester van de koning der vogels [Heer Vishnu],
door de zoon van Târksya [Garuda]
aangehouden, die hem bond met de touwen van Varuna.

Hoofdstuk
22:
Bali
Mahârâja Geeft Zich Geheel
Over

(13) Daar zag hij, de
speer van Indra, zijn grootvader, de beste van al de
goedgunstigen, aanwezig in zijn volle glorie: met ogen zo
wijd als lotusblaadjes, prachtig gebouwd, gekleed in
saffraan, met de pracht van een donkere huid en lange
armen.

(32) Tot die tijd is
hij vrij te gaan om te leven in Sutala [zie 5.24:
18] de plaats opgezet door Visvakarmâ alwaar
het voor de bewoners door Mijn bijzondere waakzaamheid
onmogelijk is gemaakt dat men psychisch of fysiek gebukt
gaat onder saaiheid, uitputting of verslagenheid.

Hoofdstuk
23:
De
Halfgoden Herwinnen de Hemelse Plaatsen

(16) Naar de tijd en
plaats, de ontvanger en de benodigdheden kunnen er
tekortkomingen zijn met de mantra's en het volgen van de
principes, maar dat alles wordt foutloos gemaakt door
regelmatig met elkaar de glorie te herhalen [in
lezing en gezang] van uwe Heerlijkheid
[*].

Hoofdstuk
24:
Matsya,
de Vis-incarnatie van de Heer

(12) Toen hij op een
dag aan de Krtamâlâ rivier zat, wateroffers
brengend, manifesteerde in zijn palm vol water zich een
soort visje.

(27) U met Uw aannemen
van de vorm van een zeedier, moet de Allerhoogste Heer in
eigen persoon zijn, de onuitputtelijke Heer
Nârâyana daar om Uw genade te tonen aan alle
levensvormen.

(42) Zich
herinnerend wat de Heer had gezegd zag hij een boot op
zich afkomen waar hij, de kruiden en klimplanten met zich
meenemend, met de heersende geleerden op ging.

(45) Blij dat hij de
boot aan die hoorn kon vastleggen met behulp van het
grote serpent als touw op de manier zoals de Heer dat
voordien had aangeraden, stelde hij de Doder van Madhu
tevreden.