Canto
8
Hoofdstuk 24: Matsya, de Vis-incarnatie van de Heer
(1) De achtenswaardige koning zei: 'O machtige, ik zou graag het verhaal horen over die eerste incarnatie van de Heer zo wonderbaarlijk in Zijn daden waarin Hij eenvoudigweg wordt begrepen bij de illusoire gedaante van een vis [of Matsya, zie ook 2.7: 12, 5.18: 24-28 en 6.9: 23]. (2-3) Met welk doel nam de Beheerser de gedaante van een vis aan, een vorm die zeker niet de meest gunstige is in de wereld; om op te treden in die trage geaardheid der materie moet zo zwaar zijn als het leven van iemand onder de wetten van karma! O machtige wijze, vertel ons alstublieft zo goed als u kan alles over de wederwaardigheden van Heer Uttamas'loka ['de Verheerlijkte'], daar over Hem te vernemen is wat de wereld gelukkig maakt [B.G. 4: 7].'
(4) S'rî Sûta Gosvâmî zei: "Aldus verzocht door Vishnurâta ['door Vishnu gezonden'] vertelde de zo machtige zoon van Vyâsadeva hem alles wat er te weten viel over de daden van Vishnu in de gedaante van een vis. (5) S'rî S'uka zei: 'Ter wille van de koeien, de brahmanen, de verlichte zielen, de toegewijden en zelfs de vedische literatuur neemt de Allerhoogste Beheerser in Zijn incarnaties gedaanten aan om het dharma en de bedoeling van het leven veilig te stellen. (6) Lager of hoger onder de levende wezens is de Beheerser [Zelve], precies zoals de lucht die zich hier en daar beweegt, niet hoger of lager met de gedaanten die Hij aanneemt; Zijn wil uitoefenend met de geaardheden staat Hij boven de geaardheden. (7) In de vorige dag van Brahmâ [kalpa], was er aan het eind bijgevolg een overstroming en waren al de bestaande werelden ondergedompeld in de oceaan, o Koning. (8) Op dat moment wilde Brahmâ die zich slaperig voelde te ruste leggen en kwam uit zijn mond zeer krachtig de vedische kennis voort die door Hayagrîva die daar in de buurt was in bezit werd genomen [zie 2.7: 11 en 5.18: 6]. (9) Die dânava manier van doen van Hayagrîva begrijpend nam de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser, de gedaante van een vis aan. (10) Toen zich dat voltrok was er een wijze koning genaamd Satyavrata, een grote persoonlijkheid en toegewijde van Heer Nârâyana, die in zijn boetedoeningen van de ascese was van het enkel drinken van water. (11) In de huidige dag van Brahmâ was hij iemand die, als een zoon van de zonnegod, bekend werd met de naam S'râddhadeva en door Heer Hari de positie van Manu werd toevertrouwd [zie 6.6: 40 en 8.13: 1].(12) Toen hij op een dag aan de Kritamâlâ rivier zat, wateroffers brengend, manifesteerde in zijn palm vol water zich een soort visje. (13) Satyavrata, de meester van Dravidades'a, o zoon van Bharata, gooide het visje met de handvol water in de rivier. (14) Een beroep doend op de grootmoedige Koning zei het: 'Het rivierwater is zeer angstwekkend, o beschermer der zwakken, waarom gooit u Mij, zo klein, voor de vraatzuchtige waterdieren, o Koning?'
(15) Er zeer blij mee het zijn persoonlijke gunst te bewijzen besloot hij, zonder te weten dat hij de gedaante van Matsya vasthield, het visje zijn bescherming te bieden. (16) De grote heerser die de meelijwekkende woorden van het visje hoorde deed het genadig in het water van een pot en nam het mee naar huis. (17) Maar uitdijend in het water van die pot kon het op een dag zich er niet meer lekker in voelen en zei het daarom tot de grote leider: (18) 'In deze pot heb Ik het moeilijk, Ik kan niet in zo'n ruimte leven, zie alstublieft om naar een wat ruimer bemeten verblijf waar Ik naar genoegen kan leven'
(19) Hij haalde het er toen uit en deed het in een grote bron, maar daarin geworpen groeide het binnen een seconde uit tot de lengte van drie el [2.10 meter]. (20) [Hij zei:] 'Deze plas is niet geschikt voor Mij, ik kan hier niet gelukkig in leven, gun alstublieft Mij, die bij u Zijn beschutting zocht, een plaats die veel ruimer is!'
(21) De koning Hem daar weghalend gooide Hem, o Koning, in een meer dat onmiddellijk door Zijn lichaam gevuld raakte toen Hij uitgroeide tot een gigantische vis. (22) 'Dit water waar u Me ingegooid hebt is in het geheel niet naar Mijn zin, o Koning, Ik ben een groot waterdier, stop Me liever in een grote zee van water die Me meer duurzaam van pas komt'.
(23) Aldus verzocht bracht hij Matsya naar steeds weer grote wateren totdat hij uiteindelijk de gigant in de oceaan gooide. (24) Daarin geworpen zei Hij tot de koning: 'Hier zijn er gevaarlijke waterbeesten die al te machtig Mij willen verorberen, o held, u moet Me daarom hier niet inwerpen!'
(25) Aldus zich verbazend over de vis die zich allerliefst tot hem richtte zei hij: 'Wie bent U die in deze vissengedaante ons versteld doet staan? (26) Zo'n energieke vis als U heb ik nog nooit gezien of van gehoord: Uwe Heerlijkheid bent in één dag uitgegroeid tot honderden kilometers! (27) U met Uw aannemen van de vorm van een zeedier, moet de Allerhoogste Heer in eigen persoon zijn, de onuitputtelijke Heer Nârâyana hier aanwezig om Uw genade te tonen aan alle levensvormen. (28) Ik biedt U, de allerverhevenste Persoonlijkheid van Handhaving, Schepping en Vernietiging mijn eerbetuigingen; voor overgegeven toegewijden als ik bent U daadwerkelijk de Allerhoogste Meester, de Hoogste Bestemming, o Almachtige. (29) Alles wat U doet in Uw incarnaties vormt de oorzaak van het welzijn van alle levende wezens; ik zou graag weten met welke bedoeling Uwe Heerlijkheid deze gedaante heeft aangenomen. (30) Nimmer kan de aanbidding van Uw lotusvoeten, o Lotusblaadjesogige op niets uitlopen: U bent de vriend, de meest geliefde, de oorspronkelijke ziel namelijk van iedereen, van al de godheden verschillend belichaamd en geestelijk bepaald en voor ons hebt U nu waarlijk dat zo hoogst wonderlijke lichaam gemanifesteerd.'
(31) S'rî S'uka zei: 'Zich aldaar op die manier uitlatend werd die meester der mensen, Satyavrata, toegesproken door de Meester van het Universum, de Heer die als de ene, ware liefde van de toegewijden aan het einde van de yuga, terwille van het genieten van Zijn spel en vermaak, in het water van de grote vloed de vorm van een vis had aangenomen. (32) De Allerhoogste Heer zei: 'Vanaf de zevende dag na heden zal deze drievoudige schepping van aarde, ether en hemel, worden overspoeld door de alles verzwelgende oceaan. (33) Als de drie werelden zijn verzonken in de wateren der voleinding, kan u te dien tijde rekenen op het verschijnen van een zeer groot schip door Mij aan u gezonden. (34-35) Verzamel om u op die tijd voor te bereiden met [de wijsheid van] de zeven wijzen alle hogere en lagere soorten van kruiden en zaden en begeef u, u omringend met alle soorten van levende wezens, op die gigantische boot om onverschrokken de oceaan van de vloed te bevaren met geen ander licht dan de gloed van de rishi's. (36) Bindt met het grote serpent [Vâsuki] die boot, heen en weer geslingerd door de o zo machtige wind, vast aan Mijn hoorn, want Ik sta u bij. (37) Ik zal u, samen met de wijzen in het schip, met Me meetrekken door de wateren voor zolang de nacht van Brahmâ duurt, o mijn beste. (38) Door Mijn raad en steun zal zich in uw hart volledig de kennis van Mijn glorie openbaren die bekend staat als het Opperste Brahman [zie ook B.G. 5: 16, 10: 11].'
(39) Na de koning aldus te hebben geïnstrueerd verdween de Heer vandaar. De koning wachtte toen de tijd af waar de Meester der Zinnen het met hem over had gehad. (40) Kus'agras uitspreidend met de toppen naar het oosten zat de heilige koning noordwaarts met zijn gezicht om te mediteren op de voeten van de Heer die was verschenen in de gedaante van een vis. (41) Met enorme, onophoudelijk regenende wolken in de hemel zag hij hoe vervolgens de oceaan overstroomde aan alle kanten en zo de aarde meer en meer onder water kwam te staan. (42) Zich herinnerend wat de Heer had gezegd zag hij een boot op zich afkomen waar hij, met het meenemen van de kruiden en klimplanten, samen met de wijzen aan boord ging. (43) De wijzen zeer verheugd zeiden tot hem: 'O Koning mediteer op Kes'ava ['de Heer met de zwarte lokken'] want Hij is degene die ons zal redden van het op handen zijnde gevaar en orde op zaken zal stellen.'
(44) Hij door de koning bemediteerd verscheen daarna in de grote oceaan als een talloos aantal yojana's grote gouden vis met een enkele hoorn. (45) Blij dat hij de boot aan die hoorn kon vastleggen met behulp van het grote serpent als touw op de manier zoals de Heer dat voordien had aangeraden, stelde hij de Doder van Madhu tevreden. (46) De koning zei: 'Sedert mensenheugenis is onwetendheid omtrent de kennis van de ziel de grondoorzaak geweest van de materiële gebondenheid die zoveel lijden en beproevingen met zich meebrengt; met de genade God's kan, met de ondersteuning van de kant van de leraar van het voorbeeld, in bevrijding [d.w.z. in toegewijde dienst, zie 7.5: 23-24] Hij, onze Allerhoogste Heer en Geestelijk Leraar, worden bereikt. (47) Hij die geboren werd, aanvaardt onwijs als gevolg van zijn karma verschillende lichamen in zijn verlangen gelukkig te zijn [zie 4.29 en B.G. 4: 5, 6: 45 en 16: 20], maar zijn baatzuchtige plannen brengen hem alleen maar verdriet; door dienst te leveren wordt die kwestie opgehelderd en wordt met Hem, onze goeroe in de kern van ons hart, de hechte knoop van de geest der onwaarheid doorsneden. (48) Middels die dienst is, precies als met een brok erts dat in aanraking met vuur wordt gezuiverd, een persoon in staat al de onzuiverheid op te geven waar hij uit onwetendheid mee zit en kan hij zijn oorspronkelijke identiteit doen herleven [zijn roeping of varna]; laat Hem, die in die zin de Onuitputtelijke is, onze Allerhoogste Beheerser zijn, de Goeroe der Goeroes.(49) Anderen met elkaar of individueel of zelfs de halfgoden en de goeroes kunnen de vergelijking met nog niet één tienduizendste van Uw genade doorstaan; laat ik me overgeven aan Hem, de Beheerser, aan U, aan die toevlucht. (50) Zoals een blinde zich laat leiden door een blinde, aanvaard men net zo onwijs een persoon als goeroe die tekort schiet in de kennis; Uwe heerlijkheid verschijnend gelijk de zon als de ziener van alles dat kan worden gezien, bent aanvaard als de geestelijk leraar van ons, van mij, de verlichte persoon die zijn bestemming kent. (51) Met wat men als een gewoon mens van normale personen opsteekt is men van overgave aan het tijdelijke als het levensdoel en van een onwetendheid die onoverkomelijk is, maar met de onvergankelijke, zuivere kennis van U bereikt een persoon zeer spoedig de positie die hem eigen is. (52) U bent van alle werelden de meest geliefde weldoener, de beheerser, de oorspronkelijke ziel en geestelijk leraar, de spirituele kennis, de vervulling van alle verlangens en degene die zich in het hart bevindt en die door in begeerte verstrikte mensen die een wazig verstand hebben niet kan worden gekend. (53) Moge door mijn overgave aan de Verhevene die U bent, de Grootste van Allen aanbeden door de goden, de Allerhoogste Beheerser voor het begrip van de werkelijke bedoeling van het leven; bij het licht van Uw veelbetekenende woorden van instructie, de knopen gelegd in het hart doorsneden worden, o Opperheer, alstUblieft zeg me waar ik thuis hoor [zie ook B.G. 4: 34].'
(54) S'rî S'uka zei: 'Aldus aangesproken verschafte de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon die de gedaante van Matsya had aangenomen, uitleg aan de koning over de Absolute Waarheid terwijl ze zich voortbewogen over de grote oceaan. (55) Zo raakte de heilige koning Satyavrata toen op de hoogte van de oude verhalen, de Purâna's; de vedische instructies, de Samhitâ's; het bovenzinnelijke, het divya; het analytische, de sânkhya; het zichzelf verbinden met het goddelijke met een verenigd [Krishna- of natuurlijk] bewustzijn, de yoga; het praktische van het ermee leven, de kriya; en al de mysteriën der zelfrealisatie in al haar vormen. (56) Hij, zich bevindend in de boot met de wijzen, vernam aldus over de overgeleverde kennis van de traditie van de wetenschap der zelfrealisatie zoals die, boven alle twijfel verheven, door de Allerhoogste Heer werd uitgelegd. (57) Toen de laatste overstroming ten einde was overhandigde de Heer aan Brahmâ, teneinde hem op te wekken, al de vedische verslagen nadat Hij een einde had gemaakt aan de duisternis veroorzaakt door Hayagrîva. (58) Koning Satyavrata verlicht in de geestelijke kennis en haar praktische wijsheid werd bij de genade van Heer Vishnu in deze periode Vaivasvata Manu.
(59) Iemand die naar de beschrijving luistert van dit grootse verhaal van Satyavrata de wijze koning en de Matsya-incarnatie met de ene hoorn, raakt bevrijd van alle terugslagen der zonde. (60) Een ieder die dagelijks het persoonlijk verschijnen van de Heer vereert zal slagen in zijn ondernemen en terugkeren naar huis, terug naar God. (61) Ik biedt Hem mijn eerbetuigingen, de Oorzaak der Oorzaken, Hij die, Zich voordoend als een vis, voor het heil van Satyavrata de vedische kennis uiteenzette en een einde maakte aan de daitya duisternis met het teruggeven van de vedische verslagen die waren gestolen uit de monden van Heer Brahmâ die lag te slapen in de wateren van de vloed.'
Aldus eindigt het achtste Canto van het S'rîmad Bhâgavatam genaamd: 'De Aanzet tot de Schepping'.
Tweede editie,geladen 15 november 2007.
![]()
Bronteksten:
Matsya, de vis-incarnatie van de Heer
De achtenswaardige koning zei: 'O machtige, ik zou graag het verhaal horen over die eerste incarnatie van de Heer zo wonderbaarlijk in Zijn daden waarin Hij eenvoudigweg wordt begrepen bij de illusoire gedaante van een vis [of Matsya, zie ook 2.7: 12, 5.18: 24-28 en 6.9: 23].Mahârâja Parîkshit zei: De Allerhoogste Godspersoon Hari blijft eeuwig in Zijn transcendentale positie, maar toch daalt Hij af naar deze materiële wereld en manifesteert Zich in allerlei incarnaties. Zijn eerste incarnatie was die van een grote vis. O machtige S'ukadeva Gosvâmî, ik wil graag over het spel en vermaak van die vis-incarnatie horen. (Vedabase)
Met welk doel nam de Beheerser de gedaante van een vis aan, een vorm die zeker niet de meest gunstige is in de wereld; om op te treden in die trage geaardheid der materie moet zo zwaar zijn als het leven van iemand onder de wetten van karma! O machtige wijze, vertel ons alstublieft zo goed als u kan alles over de wederwaardigheden van Heer Uttamas'loka ['de Verheerlijkte'], daar over Hem te vernemen is wat de wereld gelukkig maakt [B.G. 4: 7].'
Met welk doel nam de Allerhoogste Godspersoon, net als een gewoon levend wezen dat onder de wetten van karma steeds een ander gedaante krijgt, de verfoeilijke vorm aan van een vis? De levensvorm van een vis is zondermeer verdoemd en onderhevig aan vreselijke pijn. O heer, wat was het doel van deze incarnatie? Leg ons dit alstublieft uit, want luisteren naar uiteenzettingen over het spel en vermaak van de Heer is heilzaam voor iedereen. (Vedabase)
S'rî Sûta Gosvâmî zei: "Aldus verzocht door Vishnurâta ['door Vishnu gezonden'] vertelde de zo machtige zoon van Vyâsadeva hem alles wat er te weten viel over de daden van Vishnu in de gedaante van een vis.
Sûta Gosvâmî zei: Op dit verzoek van Parîkshit Mahârâja begon de machtige heilige S'ukadeva Gosvâmî het spel en vermaak van de vis-incarnatie van de Heer te beschrijven. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Ter wille van de koeien, de brahmanen, de verlichte zielen, de toegewijden en zelfs de vedische literatuur neemt de Allerhoogste Beheerser in Zijn incarnaties gedaanten aan om het dharma en de bedoeling van het leven veilig te stellen.
S'rî S'ukadeva Gosvâmî zei: O Koning, omdat Hij de koeien, brâhmana's, halfgoden en toegewijden, de vedische geschriften, de religieuze principes en de principes die tot het doel van het leven leiden wil beschermen, incarneert de Allerhoogste Godspersoon Zich in verschillende gedaantes. (Vedabase)
Lager of hoger onder de levende wezens is de Beheerser [Zelve], precies zoals de lucht die zich hier en daar beweegt, niet hoger of lager met de gedaanten die Hij aanneemt; Zijn wil uitoefenend met de geaardheden staat Hij boven de geaardheden.
Zoals de wind door allerlei verschillende plaatsen waait, zo is ook de Allerhoogste Godspersoon, al verschijnt Hij soms als mens en dan weer als dier, altijd transcendentaal. Omdat Hij boven de geaardheden der materiële natuur staat wordt Hij door zaken als hogere en lagere levensvormen niet geraakt. (Vedabase)
In de vorige dag van Brahmâ [kalpa], was er aan het eind bijgevolg een overstroming en waren al de bestaande werelden ondergedompeld in de oceaan, o Koning.
O Koning Parîkshit, aan het einde van het vorige millennium, aan het eind van Brahmâ's dag, vond er een verwoesting plaats omdat Heer Brahmâ 's nachts slaapt, en werden de drie werelden overspoeld door het water van de oceaan. (Vedabase)
Op dat moment wilde Brahmâ die zich slaperig voelde te ruste leggen en kwam uit zijn mond zeer krachtig de vedische kennis voort die door Hayagrîva die daar in de buurt was in bezit werd genomen [zie 2.7: 11 en 5.18: 6].
Aan het eind van Brahmâ's dag, toen Brahmâ zich slaperig voelde en wilde gaan liggen, kwamen de Veda's uit zijn mond tevoorschijn en stal de grote demon Hayagrîva alle vedische kennis. (Vedabase)
Die dânava manier van doen van Hayagrîva begrijpend nam de Allerhoogste Heer Hari, de Beheerser, de gedaante van een vis aan.
Omdat de Allerhoogste Godspersoon, Hari, die alle volheden bezit, wist wat de grote demon Hayagrîva gedaan had, nam Hij de gedaante van een vis aan en redde de Veda's door de demon te doden. (Vedabase)
Toen zich dat voltrok was er een wijze koning genaamd Satyavrata, een grote persoonlijkheid en toegewijde van Heer Nârâyana, die in zijn boetedoeningen van de ascese was van het enkel drinken van water.
Tijdens het Câkshusha-manvantara heerste er een machtige koning, Satyavrata genaamd, die een groot toegewijde van de Allerhoogste Godspersoon was. Satyavrata beoefende ascese door alleen op water te leven. (Vedabase)
In de huidige dag van Brahmâ was hij iemand die, als een zoon van de zonnegod, bekend werd met de naam S'râddhadeva en door Heer Hari de positie van Manu werd toevertrouwd [zie 6.6: 40 en 8.13: 1].
In dit millennium [het huidige] werd koning Satyavrata geboren als de zoon van Vivasvân, de koning van de zonneplaneet, en staat hij bekend onder de naam S'râddhadeva. Door de genade van de Allerhoogste Godspersoon kreeg hij de positie van Manu. (Vedabase)
Toen hij op een dag aan de Kritamâlâ rivier zat, wateroffers brengend, manifesteerde in zijn palm vol water zich een soort visje.
Op een dag toen koning Satyavrata aan de oever van de rivier de Kritamâlâ ascese aan het beoefenen was en water offerde, verscheen er een visje in het water dat hij in de palmen van zijn handen hield. (Vedabase)
Satyavrata, de meester van Dravidades'a, o zoon van Bharata, gooide het visje met de handvol water in de rivier.
Satyavrata, de koning van Dravidades'a, wierp het visje tegelijk met het water uit zijn handen in de rivier, o koning Parîkshit, telg van Bharata. (Vedabase)
Een beroep doend op de grootmoedige Koning zei het: 'Het rivierwater is zeer angstwekkend, o beschermer der zwakken, waarom gooit u Mij, zo klein, voor de vraatzuchtige waterdieren, o Koning?'
Met een aandoenlijk stemmetje zei het arme visje tegen koning Satyavrata, die heel genadig was: Beste koning, beschermer van de armen, waarom gooit u Me in het water van de rivier, waar allemaal andere waterdieren zijn die Me kunnen doden? Ik ben heel erg bang voor ze. (Vedabase)
Er zeer blij mee het zijn persoonlijke gunst te bewijzen besloot hij, zonder te weten dat hij de gedaante van Matsya vasthield, het visje zijn bescherming te bieden.
Om zichzelf een genoegen te doen en niet wetende dat het visje de Allerhoogste Godspersoon was, besloot koning Satyavrata dat hij het visje met alle plezier wilde beschermen. (Vedabase)
De grote heerser die de meelijwekkende woorden van het visje hoorde deed het genadig in het water van een pot en nam het mee naar huis.
De genadige koning, geroerd door de meelijwekkende woorden van het visje, deed Hem in een waterkruik en nam Hem mee naar zijn verblijfplaats. (Vedabase)
Maar uitdijend in het water van die pot kon het op een dag zich er niet meer lekker in voelen en zei het daarom tot de grote leider:
Maar in één nacht werd de vis zo groot dat Hij Zich nog slechts met moeite in de kruik kon bewegen. Toen sprak Hij als volgt tot de koning. (Vedabase)
'In deze pot heb Ik het moeilijk, Ik kan niet in zo'n ruimte leven, zie alstublieft om naar een wat ruimer bemeten verblijf waar Ik naar genoegen kan leven'
O beste koning, Ik vind het helemaal niet fijn om met zoveel moeite in deze kruik te wonen. Zoek daarom alstublieft een betere plaats met water voor Me waar Ik comfortabeler kan leven. (Vedabase)
Hij haalde het er toen uit en deed het in een grote bron, maar daarin geworpen groeide het binnen een seconde uit tot de lengte van drie el [2.10 meter].
Daarop nam de koning de vis uit de waterkruik en gooide Hem in een grote bron. Maar in een oogwenk groeide de vis tot Hij een lengte van drie el had. (Vedabase)
[Hij zei:] 'Deze plas is niet geschikt voor Mij, ik kan hier niet gelukkig in leven, gun alstublieft Mij, die bij u Zijn beschutting zocht, een plaats die veel ruimer is!'
Toen zei de vis: Beste koning, deze bron is geen plek waar Ik gelukkig kan worden. Geef Me alstublieft een grotere poel, want Ik heb mijn toevlucht bij u genomen. (Vedabase)
De koning Hem daar weghalend gooide Hem, o Koning, in een meer dat onmiddellijk door Zijn lichaam gevuld raakte toen Hij uitgroeide tot een gigantische vis.
O Mahârâja Parîkshit, toen haalde de koning de vis uit de bron en gooide Hem in een meer, maar de vis nam zulke reusachtige afmetingen aan dat Hij boven het water uitstak. (Vedabase)
'Dit water waar u Me ingegooid hebt is in het geheel niet naar Mijn zin, o Koning, Ik ben een groot waterdier, stop Me liever in een grote zee van water die Me meer duurzaam van pas komt'.
Toen zei de vis: O Koning, Ik ben een grote vis, en dit meer is totaal niet geschikt voor Mij. Vind nu alstublieft een manier om Me te redden. Het is het beste dat u Me in een meer gooit wat nooit kleiner wordt. (Vedabase)
Aldus verzocht bracht hij Matsya naar steeds weer grote wateren totdat hij uiteindelijk de gigant in de oceaan gooide.
Op dit verzoek bracht koning Satyavrata de vis naar het grootste waterbekken dat er was. Maar toen ook dat niet groot genoeg bleek, gooide de koning de gigantische vis uiteindelijk in de oceaan. (Vedabase)
Daarin geworpen zei Hij tot de koning: 'Hier zijn er gevaarlijke waterbeesten die al te machtig Mij willen verorberen, o held, u moet Me daarom hier niet inwerpen!'
Maar toen Satyavrata de vis tenslotte in de oceaan gooide, zei deze: O heldhaftige koning, in dit water zwemmen heel gevaarlijke en sterke haaien rond die Me beslist zullen opeten. Daarom kunt u Me hier beter niet ingooien. (Vedabase)
Aldus zich verbazend over de vis die zich allerliefst tot hem richtte zei hij: 'Wie bent U die in deze vissengedaante ons versteld doet staan?
Na deze zoete woorden van de Allerhoogste Godspersoon in Zijn gedaante als vis vroeg de koning Hem verbijsterd: Wie bent U, Heer? U brengt ons danig in de war. (Vedabase)
Zo'n energieke vis als U heb ik nog nooit gezien of van gehoord: Uwe Heerlijkheid bent in één dag uitgegroeid tot honderden kilometers!
O Heer, op één dag bent U honderden kilometers groter geworden, zodat U nu de hele rivier en de oceaan beslaat. Tot nu toe had ik nog nooit zo'n vis gezien of er zelfs van gehoord. (Vedabase)
U met Uw aannemen van de vorm van een zeedier, moet de Allerhoogste Heer in eigen persoon zijn, de onuitputtelijke Heer Nârâyana hier aanwezig om Uw genade te tonen aan alle levensvormen.
Mijn Heer, U bent vast en zeker de onuitputtelijke Allerhoogste Godspersoon, Nârâyana, S'rî Hari. Het is beslist om de levende wezens Uw genade te tonen dat U nu de gedaante van een vis hebt aangenomen. (Vedabase)
Ik biedt U, de allerverhevenste Persoonlijkheid van Handhaving, Schepping en Vernietiging mijn eerbetuigingen; voor overgegeven toegewijden als ik bent U daadwerkelijk de Allerhoogste Meester, de Hoogste Bestemming, o Almachtige.
O Heer, o meester van de schepping, instandhouding en vernietiging, o allerhoogste genieter, Heer Vishnu, U bent de leider en de bestemming van overgegeven toegewijden zoals wij. Laat me U daarom mijn nederige eerbetuigingen brengen. (Vedabase)
Alles wat U doet in Uw incarnaties vormt de oorzaak van het welzijn van alle levende wezens; ik zou graag weten met welke bedoeling Uwe Heerlijkheid deze gedaante heeft aangenomen.
Als U Uw spel en vermaak tentoonspreidt en in Uw verschillende incarnaties verschijnt, is dat altijd voor het welzijn van alle levende wezens. Daarom, Heer, wil ik graag van U weten waarom U deze vissengedaante hebt aangenomen. (Vedabase)
Nimmer kan de aanbidding van Uw lotusvoeten, o Lotusblaadjesogige op niets uitlopen: U bent de vriend, de meest geliefde, de oorspronkelijke ziel namelijk van iedereen, van al de godheden verschillend belichaamd en geestelijk bepaald en voor ons hebt U nu waarlijk dat zo hoogst wonderlijke lichaam gemanifesteerd.'
O Heer met Uw ogen als de kelkblaadjes van een lotus, het vereren van de halfgoden, die een lichamelijke levensbeschouwing hebben, is volkomen nutteloos. Maar het is nooit zinloos om Uw lotusvoeten te vereren, want U bent de allerhoogste vriend en de Superziel die iedereen zeer dierbaar is. Dat is waarom U Uw vissengedaante hebt gemanifesteerd. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Zich aldaar op die manier uitlatend werd die meester der mensen, Satyavrata, toegesproken door de Meester van het Universum, de Heer die als de ene, ware liefde van de toegewijden aan het einde van de yuga, terwille van het genieten van Zijn spel en vermaak, in het water van de grote vloed de vorm van een vis had aangenomen.
S'ukadeva Gosvâmî zei: Toen koning Satyavrata dit gezegd had, gaf de Allerhoogste Godspersoon, die aan het eind van het yuga de gedaante van een vis had aangenomen om Zijn toegewijden te redden en Zelf van Zijn spel en vermaak in het verwoestingswater te genieten, het volgende antwoord. (Vedabase)
De Allerhoogste Heer zei: 'Vanaf de zevende dag na heden zal deze drievoudige schepping van aarde, ether en hemel, worden overspoeld door de alles verzwelgende oceaan.
De Allerhoogste Godspersoon zei: O Koning, overwinnaar van uw vijanden, vandaag over zeven dagen zullen de drie werelden - Bhûh, Bhuvah en Svah - door een vloedgolf totaal onder water komen te staan. (Vedabase)
Als de drie werelden zijn verzonken in de wateren der voleinding, kan u te dien tijde rekenen op het verschijnen van een zeer groot schip door Mij aan u gezonden.
Wanneer alledrie de werelden in het water verzinken, zult u een groot schip zien dat Ik u gezonden heb. (Vedabase)
Verzamel om u op die tijd voor te bereiden met [de wijsheid van] de zeven wijzen alle hogere en lagere soorten van kruiden en zaden en begeef u, u omringend met alle soorten van levende wezens, op die gigantische boot om onverschrokken de oceaan van de vloed te bevaren met geen ander licht dan de gloed van de rishi's.
O Koning, daarna moet u allerlei kruiden en zaden verzamelen en die op dat grote schip laden. Vervolgens gaat u zelf aan boord, vergezeld van de zeven rishi's en omringd door alle soorten levende wezens. U zult samen met uw metgezellen een gemakkelijke en probleemloze reis over het water van de zondvloed maken, en uw enige licht daarbij zal de uitstraling van de grote rishi's zijn. (Vedabase)
Bindt met het grote serpent [Vâsuki] die boot, heen en weer geslingerd door de o zo machtige wind, vast aan Mijn hoorn, want Ik sta u bij.
Aangezien het schip door krachtige winden heen en weer zal worden geslingerd, moet u het vaartuig door middel van de grote slang Vâsuki aan Mijn hoorn vastmaken, want Ik zal bij u zijn. (Vedabase)
Ik zal u, samen met de wijzen in het schip, met Me meetrekken door de wateren voor zolang de nacht van Brahmâ duurt, o mijn beste.
O Koning, Ik zal het schip, met u en alle rishi's erin, voorttrekken en in het verwoestingswater blijven rondzwemmen tot Heer Brahmâ's nacht voorbij is. (Vedabase)
Door Mijn raad en steun zal zich in uw hart volledig de kennis van Mijn glorie openbaren die bekend staat als het Opperste Brahman [zie ook B.G. 5: 16, 10: 11].'
Ik zal u voortdurend raad geven en begunstigen, en omdat u zoveel vragen hebt, zal alles over Mijn heerlijkheid, param brahma genoemd, in uw hart geopenbaard worden. Zo zult u alles over Me te weten komen. (Vedabase)
Na de koning aldus te hebben geïnstrueerd verdween de Heer vandaar. De koning wachtte toen de tijd af waar de Meester der Zinnen het met hem over had gehad.
Na deze instructies aan de koning was de Allerhoogste Godspersoon op slag verdwenen. Toen wachtte koning Satyavrata op het moment waarover de Heer gesproken had. (Vedabase)
Kus'agras uitspreidend met de toppen naar het oosten zat de heilige koning noordwaarts met zijn gezicht om te mediteren op de voeten van de Heer die was verschenen in de gedaante van een vis.
Nadat hij kus'a-gras met de toppen naar het oosten op de grond had gespreid, ging de heilige koning erop zitten, zijn gezicht naar het noordoosten gericht, en mediteerde op de Allerhoogste Godspersoon Vishnu, die de gedaante van een vis had aangenomen. (Vedabase)
Met enorme, onophoudelijk regenende wolken in de hemel zag hij hoe vervolgens de oceaan overstroomde aan alle kanten en zo de aarde meer en meer onder water kwam te staan.
Toen pakten er reusachtige wolken samen waar onophoudelijk regen uitstroomde zodat de oceaan steeds meer aanzwol. Daardoor werd het land overstroomd en de hele wereld onder water gezet. (Vedabase)
Zich herinnerend wat de Heer had gezegd zag hij een boot op zich afkomen waar hij, met het meenemen van de kruiden en klimplanten, samen met de wijzen aan boord ging.
Satyavrata dacht aan de opdracht van de Allerhoogste Godspersoon en meteen zag hij een schip naderen. Hij verzamelde daarom de diverse kruiden en planten en ging samen met de heilige brâhmana's aan boord. (Vedabase)
De wijzen zeer verheugd zeiden tot hem: 'O Koning mediteer op Kes'ava ['de Heer met de zwarte lokken'] want Hij is degene die ons zal redden van het op handen zijnde gevaar en orde op zaken zal stellen.'
De heilige brâhmana's waren zeer over de koning te spreken en zeiden hem: "O Koning, mediteer alstublieft op de Allerhoogste Godspersoon, Kes'ava. Hij zal ons behoeden voor de gevaren die ons boven het hoofd hangen en ervoor zorgen dat alles goed met ons gaat." (Vedabase)
Hij door de koning bemediteerd verscheen daarna in de grote oceaan als een talloos aantal yojana's grote gouden vis met een enkele hoorn.
Terwijl de koning constant op de Allerhoogste Godspersoon mediteerde, verscheen er een enorme gouden vis in de oceaan. De vis had één hoorn en was 12.800.000 kilometer lang. (Vedabase)
Blij dat hij de boot aan die hoorn kon vastleggen met behulp van het grote serpent als touw op de manier zoals de Heer dat voordien had aangeraden, stelde hij de Doder van Madhu tevreden.
Volgens de instructies die de Allerhoogste Godspersoon hem voorheen gegeven had, verankerde de koning het schip aan de hoorn van de vis, waarbij hij de slang Vâsuki als touw gebruikte. Voldaan richtte hij toen gebeden tot de Heer. (Vedabase)
De koning zei: 'Sedert mensenheugenis is onwetendheid omtrent de kennis van de ziel de grondoorzaak geweest van de materiële gebondenheid die zoveel lijden en beproevingen met zich meebrengt; met de genade God's kan, met de ondersteuning van de kant van de leraar van het voorbeeld, in bevrijding [d.w.z. in toegewijde dienst, zie 7.5: 23-24] Hij, onze Allerhoogste Heer en Geestelijk Leraar, worden bereikt.
De koning zei: Door de genade van de Heer krijgen de levende wezens, die sinds onheuglijke tijden hun zelfkennis kwijt zijn en door die onwetendheid betrokken zijn geraakt in een materieel geconditioneerd bestaan vol ellende, de kans om een toegewijde van de Heer te ontmoeten. Ik aanvaard die Allerhoogste Godspersoon als de allerhoogste geestelijk leraar. (Vedabase)
Hij die geboren werd, aanvaardt onwijs als gevolg van zijn karma verschillende lichamen in zijn verlangen gelukkig te zijn [zie 4.29 en B.G. 4: 5, 6: 45 en 16: 20], maar zijn baatzuchtige plannen brengen hem alleen maar verdriet; door dienst te leveren wordt die kwestie opgehelderd en wordt met Hem, onze goeroe in de kern van ons hart, de hechte knoop van de geest der onwaarheid doorsneden.
Hopend dat hij gelukkig zal worden in deze materiële wereld, verricht de dwaze geconditioneerde ziel allerlei baatzuchtige activiteiten die alleen maar pijn en ellende tot gevolg hebben. Maar als men de Allerhoogste Godspersoon dient, komt men vrij van zulke valse geluksdromen. Moge mijn allerhoogste geestelijk leraar de knoop van de valse verlangens in het diepst van mijn hart doorsnijden. (Vedabase)
Middels die dienst is, precies als met een brok erts dat in aanraking met vuur wordt gezuiverd, een persoon in staat al de onzuiverheid op te geven waar hij uit onwetendheid mee zit en kan hij zijn oorspronkelijke identiteit doen herleven [zijn roeping of varna]; laat Hem, die in die zin de Onuitputtelijke is, onze Allerhoogste Beheerser zijn, de Goeroe der Goeroes.
Wie niet langer verwikkeld wil zijn in de materie moet de Allerhoogste Godspersoon gaan dienen en zich ontdoen van de besmetting der onwetendheid, die de oorzaak is van alle vrome en zondige activiteiten. Zo krijgt men zijn oorspronkelijke identiteit terug, net zoals een klomp goud of zilver gezuiverd wordt van al het vuil als men hem in het vuur legt. Moge die onuitputtelijke Allerhoogste Godspersoon onze geestelijk leraar worden, want Hij is de oorspronkelijke geestelijk leraar van alle geestelijke leraren. (Vedabase)
Anderen met elkaar of individueel of zelfs de halfgoden en de goeroes kunnen de vergelijking met nog niet één tienduizendste van Uw genade doorstaan; laat ik me overgeven aan Hem, de Beheerser, aan U, aan die toevlucht.
Geen van de halfgoden, noch de zogenaamde guru's noch een van de andere mensen kunnen, onafhankelijk van elkaar of allemaal samen, zó genadig zijn dat ze ook maar één tienduizendste deel van Uw genade evenaren. Daarom wil ik mijn toevlucht nemen tot Uw lotusvoeten. (Vedabase)
Zoals een blinde zich laat leiden door een blinde, aanvaard men net zo onwijs een persoon als goeroe die tekort schiet in de kennis; Uwe heerlijkheid verschijnend gelijk de zon als de ziener van alles dat kan worden gezien, bent aanvaard als de geestelijk leraar van ons, van mij, de verlichte persoon die zijn bestemming kent.
Zoals een blinde een andere blinde als gids neemt omdat hij niet kan zien, zo nemen mensen die het doel van het leven niet kennen iemand als guru die een schurk en een dwaas is. Maar wij zijn geïnteresseerd in zelfrealisatie. Daarom aanvaarden wij U, de Allerhoogste Godspersoon, als onze geestelijk leraar, want U kunt in alle richtingen zien en bent alwetend als de zon. (Vedabase)
Met wat men als een gewoon mens van normale personen opsteekt is men van overgave aan het tijdelijke als het levensdoel en van een onwetendheid die onoverkomelijk is, maar met de onvergankelijke, zuivere kennis van U bereikt een persoon zeer spoedig de positie die hem eigen is.
Een materialistische zogenaamde goeroe onderwijst zijn materialistische leerlingen in materiële vooruitgang en zinsbevrediging, en door zulk onderricht blijven de dwaze leerlingen in het materialistische bestaan dat vol onwetendheid is. Maar U, o Heer, geeft kennis die eeuwig is, en een intelligent mens die deze kennis ontvangt, komt weer snel in zijn oorspronkelijke wezensstaat. (Vedabase)
U bent van alle werelden de meest geliefde weldoener, de beheerser, de oorspronkelijke ziel en geestelijk leraar, de spirituele kennis, de vervulling van alle verlangens en degene die zich in het hart bevindt en die door in begeerte verstrikte mensen die een wazig verstand hebben niet kan worden gekend.
Mijn Heer, U bent de allergrootste weldoener van iedereen, de allerdierbaarste vriend, de bestuurder, de Superziel, de allerhoogste leraar en de schenker van de allerhoogste kennis en de vervulling van alle wensen. Maar ofschoon U in het hart woont, kunnen de dwazen U door de wellustige verlangens in hun hart niet begrijpen. (Vedabase)
Moge door mijn overgave aan de Verhevene die U bent, de Grootste van Allen aanbeden door de goden, de Allerhoogste Beheerser voor het begrip van de werkelijke bedoeling van het leven; bij het licht van Uw veelbetekenende woorden van instructie, de knopen gelegd in het hart doorsneden worden, o Opperheer, alstUblieft zeg me waar ik thuis hoor [zie ook B.G. 4: 34].'
O Allerhoogste Heer, voor mijn zelfrealisatie geef ik me over aan U, die door de halfgoden vereerd wordt als de allerhoogste bestuurder van alles. Wees zo goed om met Uw onderricht, dat het doel van het bestaan onthult, de knoop uit het diepst van mijn hart te snijden en laat me weten wat mijn bestemming in het leven is. (Vedabase)
S'rî S'uka zei: 'Aldus aangesproken verschafte de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon die de gedaante van Matsya had aangenomen, uitleg aan de koning over de Absolute Waarheid terwijl ze zich voortbewogen over de grote oceaan.
S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Na dit gebed van Satyavrata tot de Allerhoogste Godspersoon, die de gedaante van een vis had aangenomen, vertelde de Heer hem, al rondzwemmend in het verwoestingswater, alles over de Absolute Waarheid. (Vedabase)
Zo raakte de heilige koning Satyavrata toen op de hoogte van de oude verhalen, de Purâna's; de vedische instructies, de Samhitâ's; het bovenzinnelijke, het divya; het analytische, de sânkhya; het zichzelf verbinden met het goddelijke met een verenigd [Krishna- of natuurlijk] bewustzijn, de yoga; het praktische van het ermee leven, de kriya; en al de mysteriën der zelfrealisatie in al haar vormen.
Zo legde de Allerhoogste Godspersoon koning Satyavrata de geestelijke wetenschap uit die we kennen als sânkhya-yoga, de wetenschap waardoor men onderscheid leert maken tussen stof en geest [met andere woorden, bhakti-yoga], evenals de instructies die in de Purâna's [de oude geschiedenissen] en de samhitâ's staan. De Heer gaf uitleg over Zichzelf in al deze geschriften. (Vedabase)
Hij, zich bevindend in de boot met de wijzen, vernam aldus over de overgeleverde kennis van de traditie van de wetenschap der zelfrealisatie zoals die, boven alle twijfel verheven, door de Allerhoogste Heer werd uitgelegd.
En zo, terwijl ze op het schip zaten, luisterde koning Satyavrata samen met de grote heiligen naar de aanwijzingen van de Allerhoogste Godspersoon met betrekking tot zelfrealisatie. Deze instructies kwamen allemaal uit de eeuwige vedische literatuur [brahma]. De koning en de wijzen hadden daarom geen enkele twijfel omtrent de Absolute Waarheid. (Vedabase)
Toen de laatste overstroming ten einde was overhandigde de Heer aan Brahmâ, teneinde hem op te wekken, al de vedische verslagen nadat Hij een einde had gemaakt aan de duisternis veroorzaakt door Hayagrîva.
Aan het eind van de laatste zondvloed [in de periode van Svâyambhuva Manu] doodde de Allerhoogste Godspersoon de demon Hayagrîva en bracht de vedische geschriften naar Heer Brahmâ terug toen deze uit zijn slaap ontwaakte. (Vedabase)
Koning Satyavrata verlicht in de geestelijke kennis en haar praktische wijsheid werd bij de genade van Heer Vishnu in deze periode Vaivasvata Manu.
Door de genade van Heer Vishnu raakte koning Satyavrata verlicht door de volledige kennis van de Veda's, en in het huidige tijdperk is hij geboren als Vaivasvata Manu, de zoon van de zonnegod. (Vedabase)
Iemand die naar de beschrijving luistert van dit grootse verhaal van Satyavrata de wijze koning en de Matsya-incarnatie met de ene hoorn, raakt bevrijd van alle terugslagen der zonde.
Deze geschiedenis van de grote koning Satyavrata en de vis-incarnatie van de Allerhoogste Godspersoon, Vishnu, is een machtig transcendentaal verhaal. Iedereen die het hoort wordt bevrijd van de reacties op zijn zondig leven. (Vedabase)
Een ieder die dagelijks het persoonlijk verschijnen van de Heer vereert zal slagen in zijn ondernemen en terugkeren naar huis, terug naar God.
Wie deze geschiedenis van de Matsya-incarnatie en koning Satyavrata vertelt, ziet beslist al zijn wensen vervuld en zal zonder enige twijfel terugkeren naar huis, terug naar God. (Vedabase)
Ik biedt Hem mijn eerbetuigingen, de Oorzaak der Oorzaken, Hij die, Zich voordoend als een vis, voor het heil van Satyavrata de vedische kennis uiteenzette en een einde maakte aan de daitya duisternis met het teruggeven van de vedische verslagen die waren gestolen uit de monden van Heer Brahmâ die lag te slapen in de wateren van de vloed.'
Ik breng mijn nederige eerbetuigingen aan de Allerhoogste Godspersoon, die Zich voordeed als een reusachtige vis, die de Veda's terugbracht aan Heer Brahmâ toen deze uit zijn slaap ontwaakte en de essentie van de Veda's aan koning Satyavrata en de grote heiligen uiteenzette. (Vedabase)
![]()
Voor
deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam
linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van
Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van Premavilasa
dâsa
en het vierde schilderij van Puskar
dâsa.
Productie: de Filognostische
Associatie
van De
Orde van de Tijd