regelbalk


 

Canto 8

Mahâmantra 4

 

 

Hoofdstuk 23: De Halfgoden Herwinnen de Hemelse Plaatsen

(1) S'rî S'uka zei: 'Nadat de grote en verheven ziel [Bali], die de goedkeuring wegdroeg van de heiligen, aldus was toegesproken door de Oorspronkelijke, Oudste Persoon, sprak hij vol van toewijding met gevouwen handen, met tranen in zijn ogen en een haperende stem. (2) S'rî Bali zei: 'Hoe wonderbaarlijk is het dat, in de enkele poging mijn respect te betuigen voor de regulerende beginselen zoals nageleefd door de zuivere toegewijden, het voor een gevallen Asura als ik, met het geschenk van Uw grondeloze genade, mogelijk is geworden wat voorheen niet kon worden bereikt door de goddelijken of de leiders van de wereld!'

(3) S'rî S'uka zei: 'Dit tegen de Heer gezegd hebbende bood hij Hem, Heer Brahmâ en Heer S'iva zijn eerbetuigingen en ging Bali bevrijd en op die manier tevreden met zijn metgezellen vervolgens Sutala binnen. (4) En zo oefende de Allerhoogste Heer die, met in het vervullen van Aditi's wensen, aan koning Indra zijn heerschappij over de hemelse werelden had teruggeven, Zijn heerschappij uit [zie ook 8.16: 11-17]. (5) Prahlâda die in zijn extatische toewijding had meegekregen hoe zijn nazaat, zijn kleinzoon Bali, Zijn genade had verworven en was verlost uit de gebondenheid, sprak toen als volgt [tot de Allerhoogste]. (6) S'rî Prahlâda zei: 'Met deze zegening, welke niet bereikbaar was voor Heer Brahmâ, door de Godin van het Geluk of door Heer S'iva - om nog maar te zwijgen over anderen -, bent U voor ons Asura's de Beschermer Tegen Alle Misère geworden, Hij wiens voeten worden aanbeden door hen die vereerd worden in het ganse universum! (7) Heer Brahmâ en anderen, o Toevlucht van Allen, genieten Uw genade met de smaak van de honing van het dienen van de lotus gevormd door Uw voeten; hoe hebben wij, schuldige escapisten geboren uit afgunst, de positie kunnen bereiken die wordt vergund door de genadevolle blik van Uwe Heerlijkheid? (8) O hoe wonderlijk zijn al de werken van Uw onbegrensd spiritueel vermogen: in Uw optreden bent U, U uitbreidend in dienstbaarheid, de Ene die al de werelden schiep, o Heer allen doorvarend en gelijkgezind; onverdeeld te zijn is de aard van Uw liefde voor de toegewijden daar U van nature de wensboom bent [zie B.G. 9: 29].'

(9) De Allerhoogste Heer zei: 'Mijn zoon Prahlâda, ik wens je al het goede toe, ga alsjeblieft en geniet van de plaats Sutala je verheugend in het geluk met je kleinzoon, verwanten en vrienden! (10) Aldaar zul je de constante aanblik genieten van Mij als de drager van de knots en Mij aldus beziend zal de gebondenheid van het baatzuchtig handelen door de grote verrukking worden verslagen.'

(11-12) S'rî S'uka zei: 'Prahlâda, met zijn verstand helder, accepteerde met gevouwen handen instemmend de opdracht van de Allerhoogste Heer, o Koning, en nadat hij de Meester van alle leidende Asura's om de Oorspronkelijke Persoon heen had gelopen en zijn eerbetuiginge had gebracht betrad hij samen met Bali met Zijn permissie de grootse plaats Sutala. (13) Daarna zei de Heer tot S'ukrâcârya die in de bijeenkomst van brahmaanse volgelingen vlak bij Hem, Nârâyana, neerzat in een groep van priesters [brahma, hotâ, udgâtâ en adhvaryu]: (14) 'O brahmaan, beschrijf alstublieft de karmische tekorten van uw discipel in het uitvoeren van het offer daar die karmische moeilijkheden [zie 8.20: 15] zullen worden geneutraliseerd als ze door de brahmanen in overweging worden genomen.'

(15) S'rî S'ukra zei: 'Wat zou er verkeerd zijn aan hem die in alle opzichten van aanbidding was voor Uwe Heerlijkheid die de meester bent van alle vruchtdragend handelen; U bent de Beheerser en Genieter van alle offers [zie ook 4.31: 14, 1.2: 13 en B.G. 5: 25]. (16) Naar de tijd en plaats, de ontvanger en de benodigdheden kunnen er tekortkomingen zijn met de mantra's en het volgen van de principes, maar dat alles wordt foutloos gemaakt door regelmatig met elkaar de glorie te herhalen [in lezing en gezang] van uwe Heerlijkheid [*]. (17) O Allerhoogste, omdat U het hem zei was Bali vrij van fouten echter en moet ik me naar Uw opdracht schikken daar het het meest goedgunstige en allerhoogste voor iedere persoon is de handen te vouwen naar de door U ingestelde orde.'

(18) S'rî S'uka zei: 'Aldus in reactie op de opdracht van de Heer zijn eerbetuigingen brengend zette Us'anâ [S'ukrâcârya, zie 4.1: 45] de machtigste zich samen met de beste der brahmanen aan de taak het gebrekkige offer dat Bali had gebracht voor de Heer te compenseren. (19) O Koning, op deze manier van Bali het land afgesmeekt hebbend overhandigde de Heer die de gedaante van een dwerg had aangenomen aan Zijn godsbroeder de grote Indra de plaatsen der goden die de anderen hen hadden ontnomen. (20-21) De meester der stamvaderen Heer Brahmâ, samen met de godvrezenden, de heiligen, de voorouders, ieder van zijn zoons ['Heer S'iva en Kârttikeya'], de Manu's en al de grote leiders zoals Daksha, Bhrigu en Angirâ, accepteerden voor het genoegen van Kas'yapa en Aditi [als de ouders van Vâmana] en voor het welzijn van alle levende wezens en werelden, Heer Vâmana als de hoogste leider van alle plaatselijke autoriteiten. (22-23) Van de Veda, van alle goden, van alle religie, van alle roem, van alle weelde, van alle goedgunstigheid, van alle geloften het allerdeskundigst in het bevorderen tot een hoger leven maakten zij in die tijd de weg vrij voor Upendra als de meester voor alle doeleinden en dat maakte alle levende wezens buitengewoon gelukkig, o heerser der mensen. (24) Indra die daarna, met al de plaatselijke leiders, enkel nog Heer Vâmana voor ogen hield op het hoge pad der goddelijkheid ['het hemelse voertuig'] bracht het aldus, goedgekeurd door Heer Brahmâ, met Hem tot het hemelrijk. (25) Op het herwinnen van de drie werelden genoot Indra alzo onder de bescherming van Vâmanadeva de weelde en heerschappij die hij gewoon was en had hij niets te vrezen van de Asura's. (26-27) Brahmâ, een ieder van zijn zoons, Bhrigu en de anderen, de muni's, o Koning en de voorvaderen, alle levende wezens, de vervolmaakten en de engelen ['zij die door de hemel reizen'] en dergelijken, verheerlijkten allen tezamen de ongewone en wonderbaarlijke, lofwaardige daden van Heer Vishnu alsook van Aditi en vertrokken toen ieder naar hun eigen wereld.

(28) Als men verneemt, o vreugde van de dynastie, over al deze handelingen van Heer Urukrama [de Heer 'der grote stappen'] die ik u beschreef, wist dit alle gevolgen van de zonde weg. (29) Wat betreft het inschatten van de heerlijkheden van Hem zo groot in Zijn stappen moge een persoon al de atomen van de planeet aarde proberen te tellen; geen sterveling die gedoemd is te worden herboren, noch een sterveling die van wedergeboorte is, is hiertoe in staat zo stelde de grote heilige [Vasishthha Muni] het in zijn mantra's aangaande de Oorspronkelijke Persoon [hier Heer Râma, zie ook B.G. 10: 42 en **]? (30) Een ieder die verneemt over en blijft vernemen over deze God aanbeden door de goden, de Heer Hari wiens werken in al Zijn incarnaties teruggevonden allen even wonderbaarlijk zijn, zal de hoogste bestemming bereiken. (31) Wie dan ook die dit doet behoort in het bezig zijn terwille van de goden, de voorvaderen of anders het genoegen van het menselijk samenzijn, te weten dat waar en wanneer het ook maar wordt beschreven, dat iemand alle geluk zal brengen.'

 

 

next

 
Tweede editie, geladen 8 november 2007.  

 

 

Bronteksten:

De halfgoden herkrijgen de hemelse planeten

 

Tekst 1 :

S'rî S'uka zei: 'Nadat de grote en verheven ziel [Bali], die de goedkeuring wegdroeg van de heiligen, aldus was toegesproken door de Oorspronkelijke, Oudste Persoon, sprak hij vol van toewijding met gevouwen handen, met tranen in zijn ogen en een haperende stem.

S'ukadeva Gosvâmî zei: Toen de allerhoogste, alleroudste, eeuwige Godspersoon dit tegen Bali Mahârâja gezegd had, die overal in het universum als een zuivere toegewijde van de Heer en dus als een grote ziel wordt beschouwd, gaf Bali Mahârâja, zijn ogen vol tranen, zijn handen gevouwen en zijn stem haperend van toegewijde extase, het volgende antwoord. (Vedabase)

 

Tekst 2:

S'rî Bali zei: 'Hoe wonderbaarlijk is het dat, in de enkele poging mijn respect te betuigen voor de regulerende beginselen zoals nageleefd door de zuivere toegewijden, het voor een gevallen Asura als ik, met het geschenk van Uw grondeloze genade, mogelijk is geworden wat voorheen niet kon worden bereikt door de goddelijken of de leiders van de wereld!'

Bali Mahârâja zei: Wat heeft zelfs slechts een poging om U nederig eerbetuigingen te brengen al een wonderbaarlijk effect! Ik heb niet meer gedaan dan geprobeerd om U eerbetuigingen te brengen, maar toch had die poging evenveel succes als wanneer zuivere toegewijden dat doen. Zelfs de halfgoden of de leiders van de verschillende planeten bent U niet zo grondeloos genadig geweest als mij, een gevallen demon. (Vedabase)

 

Tekst 3:

S'rî S'uka zei: 'Dit tegen de Heer gezegd hebbende bood hij Hem, Heer Brahmâ en Heer S'iva zijn eerbetuigingen en ging Bali bevrijd en op die manier tevreden met zijn metgezellen vervolgens Sutala binnen.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Na deze woorden bracht Bali Mahârâja eerst zijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Godspersoon Hari, en vervolgens aan Heer Brahmâ en Heer S'iva. Zo werd hij bevrijdt van de nâga-pâs'a banden [de touwen van Varuna] en reisde hij in volle tevredenheid af naar de planeet Sutala. (Vedabase)

 

Tekst 4:

En zo oefende de Allerhoogste Heer die, met in het vervullen van Aditi's wensen, aan koning Indra zijn heerschappij over de hemelse werelden had teruggeven, Zijn heerschappij uit [zie ook 8.16: 11-17].

Nadat de Allerhoogste Godspersoon Indra weer tot heer en meester van de hemelse planeten had gemaakt en daarmee de wens van Aditi, de moeder van de halfgoden, had vervuld, zag Hij toe op de goede gang van zaken in het universum. (Vedabase)

 

Tekst 5:

Prahlâda die in zijn extatische toewijding had meegekregen hoe zijn nazaat, zijn kleinzoon Bali, Zijn genade had verworven en was verlost uit de gebondenheid, sprak toen als volgt [tot de Allerhoogste].

Toen Prahlâda Mahârâja hoorde hoe Bali Mahârâja, zijn kleinzoon en nazaat, uit gevangenschap was vrijgelaten en de zegen van de Heer had ontvangen, sprak hij met een stem vol extatische devotie de volgende woorden. (Vedabase)

  

Tekst 6:

S'rî Prahlâda zei: 'Met deze zegening, welke niet bereikbaar was voor Heer Brahmâ, door de Godin van het Geluk of door Heer S'iva - om nog maar te zwijgen over anderen -, bent U voor ons Asura's de Beschermer Tegen Alle Misère geworden, Hij wiens voeten worden aanbeden door hen die vereerd worden in het ganse universum!

Prahlâda Mahârâja zei: O Allerhoogste Godspersoon, U wordt in het hele universum aanbeden; zelfs Heer Brahmâ en Heer S'iva vereren Uw lotusvoeten. Maar hoewel U zo'n grote persoonlijkheid bent, hebt U toch de vriendelijke belofte gedaan om ook ons demonen in bescherming te nemen. Ik denk dat U nog nooit zo goed bent geweest, zelfs niet voor Heer Brahmâ, Heer S'iva of de godin van het geluk, Lakshmî, om maar te zwijgen van de andere halfgoden of de gewone mensen. (Vedabase)

 

Tekst 7:

Heer Brahmâ en anderen, o Toevlucht van Allen, genieten Uw genade met de smaak van de honing van het dienen van de lotus gevormd door Uw voeten; hoe hebben wij, schuldige escapisten geboren uit afgunst, de positie kunnen bereiken die wordt vergund door de genadevolle blik van Uwe Heerlijkheid?

O allerhoogste toevlucht voor iedereen, grote persoonlijkheden als Brahmâ genieten van hun volmaaktheid door gewoon de honing te proeven van het dienen van Uw lotusvoeten. Maar hoe is het toch mogelijk dat wij, die stuk voor stuk schurken en losbollen zijn, geboren in een jaloerse demonen-familie, Uw genade hebben ontvangen? Dit is alleen maar mogelijk omdat Uw genade grondeloos is. (Vedabase)

 

Tekst 8:

O hoe wonderlijk zijn al de werken van Uw onbegrensd spiritueel vermogen: in Uw optreden bent U, U uitbreidend in dienstbaarheid, de Ene die al de werelden schiep, o Heer allen doorvarend en gelijkgezind; onverdeeld te zijn is de aard van Uw liefde voor de toegewijden daar U van nature de wensboom bent [zie B.G. 9: 29].'

O Heer, Uw wonderbaarlijke spel en vermaak wordt totstandgebracht door Uw onvoorstelbare geestelijke energie; en door het verwrongen spiegelbeeld daarvan, de materiële energie, hebt U alle universa geschapen. Als Superziel van alle levende wezens weet U alles, en daarom bent U ook beslist onpartijdig tegenover iedereen. Niettemin begunstigt U Uw toegewijden. Dat is echter geen partijdigheid, want U bent net als een wensboom, die iemand alles schenkt wat hij maar verlangt. (Vedabase)

 

Tekst 9:

De Allerhoogste Heer zei: 'Mijn zoon Prahlâda, ik wens je al het goede toe, ga alsjeblieft en geniet van de plaats Sutala je verheugend in het geluk met je kleinzoon, verwanten en vrienden!

De Allerhoogste Godspersoon zei: Prahlâda, Mijn beste zoon, Ik wens je alle geluk en voorspoed toe. Ga nu alsjeblieft naar de planeet Sutala en wees daar gelukkig samen met je kleinzoon en andere verwanten en vrienden. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Aldaar zul je de constante aanblik genieten van Mij als de drager van de knots en Mij aldus beziend zal de gebondenheid van het baatzuchtig handelen door de grote verrukking worden verslagen.'

De Allerhoogste Godspersoon verzekerde Prahlâda Mahârâja: Je zult Mij daar kunnen zien in Mijn gebruikelijke gedaante, met een schelphoorn, werpschijf, knots en lotus in de hand. Doordat je Me altijd persoonlijk ziet, zul je voortdurend in een staat van transcendentale gelukzaligheid verkeren en niet langer gebonden zijn aan baatzuchtige activiteiten. (Vedabase)

 

Tekst 11-12:

S'rî S'uka zei: 'Prahlâda, met zijn verstand helder, accepteerde met gevouwen handen instemmend de opdracht van de Allerhoogste Heer, o Koning, en nadat hij de Meester van alle leidende Asura's om de Oorspronkelijke Persoon heen had gelopen en zijn eerbetuiginge had gebracht betrad hij samen met Bali met Zijn permissie de grootse plaats Sutala.

S'rîla S'ukadeva Gosvâmî zei: Beste koning Parîkshit, in het bijzijn van Bali Mahârâja nam Prahlâda Mahârâja, de meester van alle demonenleiders, de opdracht van de Allerhoogste Godspersoon met gevouwen handen op het hoofd. Nadat hij ja tegen de Heer had gezegd, een paar keer om Hem heen gelopen was en Hem nederig zijn eerbetuigingen had gebracht, reisde hij af naar het lagere planetenstelsel dat bekendstaat als Sutala. (Vedabase)

  

Tekst 13:

Daarna zei de Heer tot S'ukrâcârya die in de bijeenkomst van brahmaanse volgelingen vlak bij Hem, Nârâyana, neerzat in een groep van priesters [brahma, hotâ, udgâtâ en adhvaryu]:

Daarna richtte de Allerhoogste Godspersoon Hari of Nârâyana Zich tot S'ukrâcârya, die vlakbij zat, temidden van alle priesters [brahma, hotâ, udgâtâ en adhvaryu]. O Mahârâja Parîkshit, die priesters waren allemaal brahma-vâdî's, aanhangers van de vedische principes voor het brengen van offers. (Vedabase)

 

Tekst 14:

'O brahmaan, beschrijf alstublieft de karmische tekorten van uw discipel in het uitvoeren van het offer daar die karmische moeilijkheden [zie 8.20: 15] zullen worden geneutraliseerd als ze door de brahmanen in overweging worden genomen.'

O S'ukrâcârya, beste der brâhmana's, beschrijf ons alstublieft de fouten en tekortkomingen van uw leerling Bali Mahârâja bij het brengen van de offers. Dergelijke tekortkomingen worden ongedaan gemaakt als ze beoordeeld worden in aanwezigheid van bekwame brâhmana's. (Vedabase)

 

Tekst 15:

S'rî S'ukra zei: 'Wat zou er verkeerd zijn aan hem die in alle opzichten van aanbidding was voor Uwe Heerlijkheid die de meester bent van alle vruchtdragend handelen; U bent de Beheerser en Genieter van alle offers [zie ook 4.31: 14, 1.2: 13 en B.G. 5: 25].

S'ukrâcârya zei: O Heer, U bent de genieter van elk offerritueel en degene die de wetten ervan opstelt, en U bent de yajña-purusha, degene aan wie alle offers opgedragen worden. Als iemand U volmaakt tevreden heeft gesteld, wat voor mogelijkheid bestaat er dan nog dathij bij de uitvoering van zijn offer fouten heeft gemaakt of tekortgeschoten is? (Vedabase)

  

Tekst 16:

Naar de tijd en plaats, de ontvanger en de benodigdheden kunnen er tekortkomingen zijn met de mantra's en het volgen van de principes, maar dat alles wordt foutloos gemaakt door regelmatig met elkaar de glorie te herhalen [in lezing en gezang] van uwe Heerlijkheid [*].

Er kunnen misschien tekortkomingen zijn in het uitspreken van de mantra's, de naleving van de regels en bepalingen en bovendien nog betreffende tijd, plaats, persoon en offer-attributen. Maar als Uw heilige naam gechant wordt, o Heer, wordt alles foutloos. (Vedabase)

 

Tekst 17:

O Allerhoogste, omdat U het hem zei was Bali vrij van fouten echter en moet ik me naar Uw opdracht schikken daar het het meest goedgunstige en allerhoogste voor iedere persoon is de handen te vouwen naar de door U ingestelde orde.'

Niettemin, Heer Vishnu, moet ik nu Uw bevel opvolgen, want gehoorzaamheid aan Uw bevelen is de bron van alle heil en zegen en de voornaamste plicht van iedereen. (Vedabase)

 

Tekst 18:

S'rî S'uka zei: 'Aldus in reactie op de opdracht van de Heer zijn eerbetuigingen brengend zette Us'anâ [S'ukrâcârya, zie 4.1: 45] de machtigste zich samen met de beste der brahmanen aan de taak het gebrekkige offer dat Bali had gebracht voor de Heer te compenseren.

S'ukadeva Gosvâmî vervolgde: Zo aanvaardde de zeer machtige S'ukrâcârya vol eerbied het bevel van de Allerhoogste Godspersoon. Samen met de beste brâhmana's begon hij de tekortkomingen in de offers die Bali Mahârâja had gebracht te compenseren. (Vedabase)

 

Tekst 19:

O Koning, op deze manier van Bali het land afgesmeekt hebbend overhandigde de Heer die de gedaante van een dwerg had aangenomen aan Zijn godsbroeder de grote Indra de plaatsen der goden die de anderen hen hadden ontnomen.

O Koning Parîkshit, nadat Heer Vâmanadeva, de Allerhoogste Godspersoon, al het land van Bali Mahârâja had afgenomen door hem om een aalmoes te vragen, gaf Hij Zijn broer Indra het hele gebied terug dat diens vijand op hem had veroverd. (Vedabase)

 

Tekst 20-21:

De meester der stamvaderen Heer Brahmâ, samen met de godvrezenden, de heiligen, de voorouders, ieder van zijn zoons ['Heer S'iva en Kârttikeya'], de Manu's en al de grote leiders zoals Daksha, Bhrigu en Angirâ, accepteerden voor het genoegen van Kas'yapa en Aditi [als de ouders van Vâmana] en voor het welzijn van alle levende wezens en werelden, Heer Vâmana als de hoogste leider van alle plaatselijke autoriteiten.

Heer Brahmâ [de meester van koning Daksha en alle andere Prajâpati's], en met hem alle halfgoden, de grote heiligen, de bewoners van Pitriloka, de Manu's, de muni's en leiders als Daksha, Bhrigu en Angirâ, evenals Kârttikeya en Heer S'iva, aanvaardden Heer Vâmanadeva als de beschermer van iedereen. Hij deed dit om Kas'yapa Muni en zijn vrouw Aditi een plezier te doen en voor het welzijn van alle bewoners van het universum, inclusief hun verschillende leiders. (Vedabase)

 

Tekst 22-23:

Van de Veda, van alle goden, van alle religie, van alle roem, van alle weelde, van alle goedgunstigheid, van alle geloften het allerdeskundigst in het bevorderen tot een hoger leven maakten zij in die tijd de weg vrij voor Upendra als de meester voor alle doeleinden en dat maakte alle levende wezens buitengewoon gelukkig, o heerser der mensen.

O Koning Parîkshit, Indra werd als koning van het hele universum beschouwd, maar de halfgoden onder leiding van Heer Brahmâ wilden Upendra, Heer Vâmanadeva, als beschermer van de Veda's, de religieuze principes, alle roem, rijkdom, voorspoed, geloftes, verheffing naar de hogere planeten en bevrijding. Daarom accepteerden zij Upendra of Heer Vâmanadeva als de allerhoogste meester van iedereen. Deze beslissing maakte alle levende wezens bijzonder gelukkig. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Indra die daarna, met al de plaatselijke leiders, enkel nog Heer Vâmana voor ogen hield op het hoge pad der goddelijkheid ['het hemelse voertuig'] bracht het aldus, goedgekeurd door Heer Brahmâ, met Hem tot het hemelrijk.

Daarna plaatsten Indra, de hemelkoning, en de leiders van de hemelse planeten Heer Vâmanadeva aan het hoofd van hun groep en brachten Hem met toestemming van Heer Brahmâ in een hemels vliegtuig naar het hemelrijk. (Vedabase)

 

Tekst 25:

Op het herwinnen van de drie werelden genoot Indra alzo onder de bescherming van Vâmanadeva de weelde en heerschappij die hij gewoon was en had hij niets te vrezen van de Asura's.

Zo kreeg de hemelkoning Indra, beschermd door de armen van Vâmanadeva, de Allerhoogste Godspersoon, zijn leidende positie over de drie werelden terug en kwam hij weer op zijn eigen troon te zitten, rijker dan wie dan ook, zonder enige vrees en volkomen voldaan. (Vedabase)

  

Tekst 26-27:

Brahmâ, een ieder van zijn zoons, Bhrigu en de anderen, de muni's, o Koning en de voorvaderen, alle levende wezens, de vervolmaakten en de engelen ['zij die door de hemel reizen'] en dergelijken, verheerlijkten allen tezamen de ongewone en wonderbaarlijke, lofwaardige daden van Heer Vishnu alsook van Aditi en vertrokken toen ieder naar hun eigen wereld.

Heer Brahmâ, Heer S'iva, Heer Kârttikeya, de grote wijze Bhrigu, andere heiligen, de bewoners van Pitriloka en alle andere levende wezens die aanwezig waren, inclusief de bewoners van Siddhaloka en de levende wezens die per vliegtuig door de ruimte reizen, verheerlijkten allemaal de buitengewone activiteiten van Heer Vâmanadeva. O Koning, voortdurend de heerlijkheid van de Heer chantend, keerden ze naar hun eigen hemelse planeten terug. Ook Aditi werd geprezen. (Vedabase)

 

Tekst 28:

Als men verneemt, o vreugde van de dynastie, over al deze handelingen van Heer Urukrama [de Heer 'der grote stappen'] die ik u beschreef, wist dit alle gevolgen van de zonde weg.

O Mahârâja Parîkshit, bron van vreugde van uw dynastie, ik heb u nu alles over de wonderbaarlijke activiteiten van de Allerhoogste Godspersoon Vâmanadeva verteld. Wie hierover hoort, wordt beslist bevrijd van alle reacties op zijn zondige activiteiten. (Vedabase)

 

Tekst 29:

Wat betreft het inschatten van de heerlijkheden van Hem zo groot in Zijn stappen moge een persoon al de atomen van de planeet aarde proberen te tellen; geen sterveling die gedoemd is te worden herboren, noch een sterveling die van wedergeboorte is, is hiertoe in staat zo stelde de grote heilige [Vasishthha Muni] het in zijn mantra's aangaande de Oorspronkelijke Persoon [hier Heer Râma, zie ook B.G. 10: 42 en **]?

Wie onderhevig is aan de dood kan de heerlijkheid van de Allerhoogste Godspersoon Trivikrama, Heer Vishnu, evenmin naar waarde schatten als hij kan tellen hoeveel atomen er op de hele planeet aarde zijn. Niemand kan dat, of hij nu al geboren is of voorbestemd is geboren te worden. Dat heeft de grote wijze Vasishthha in zijn mantra's gezegd. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Een ieder die verneemt over en blijft vernemen over deze God aanbeden door de goden, de Heer Hari wiens werken in al Zijn incarnaties teruggevonden allen even wonderbaarlijk zijn, zal de hoogste bestemming bereiken.

Als men de verhalen over de buitengewone activiteiten van de Allerhoogste Godspersoon in Zijn verschillende incarnaties hoort, wordt men beslist naar de hogere planeten bevordert of zelfs teruggebracht naar huis, terug naar God. (Vedabase)

  

Tekst 31:

Wie dan ook die dit doet behoort in het bezig zijn terwille van de goden, de voorvaderen of anders het genoegen van het menselijk samenzijn, te weten dat waar en wanneer het ook maar wordt beschreven, dat iemand alle geluk zal brengen.'

Wanneer tijdens een rituele ceremonie de activiteiten van Vâmanadeva worden beschreven, of dat nu een plechtigheid is om de halfgoden een genoegen te doen, om de voorvaders in Pitriloka te plezieren of om een sociale gebeurtenis als een huwelijk te vieren, dan moet die ceremonie als bijzonder zegenrijk worden beschouwd. (Vedabase)

 

* Vaak aangehaald in dit verband is wat S'rî Caitanya Mahâprabhu heeft aanbevolen:

harer nâma harer nâma
harer nâmaiva kevalam
kalau nâsty eva nâsty eva
nâsty eva gatir anyathâ

"In dit tijdperk van de redetwist en de hypocrysie bestaat de enige manier om bevrijd te raken eruit de heilige naam van de Heer te zingen. Er is geen andere manier, er is geen andere manier, er is geen andere manier." (Brihan-nâradîya  Purâna 38.126)

Ook wordt hierbij vaak een deel van vers 11.5: 32 aangehaald: 'In het Kali-tijdperk, houden intelligente mensen zich bezig met samenzang om de incarnatie te vereren van God die zonder ophouden de namen van Krishna zingt. '

** Vasishthha Muni heeft een mantra nagelaten over Heer Vishnu: 'na te vishnor jâyamâno na jâto mahimnah pâram anantam âpa': 'Niemand is in staat zich een idee te vormen van de omvang van de ongewone, glorieuze activiteiten van Heer Vishnu'.

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties