regelbalk


      
 

Canto 9

Govinda jaya jaya

 

 

Hoofdstuk 4: Ambarîsha Mahârâja Aangevallen door Durvâsâ Muni

(1) S'rî S'uka zei: 'Nâbhâga, de geleerde jongste zoon van Nabhaga [zie 9.1: 11-12, niet de oom die ook wel Nriga heet, noch de Nâbhâga van Dishtha, zie 9.2: 23] kreeg toen hij terugkeerde van een celibatair bestaan, [als zijn aandeel in het koninkrijk, de zorg voor] zijn vader toebedeeld omdat zijn oudere broers [in zijn afwezigheid] het bezit [onder elkaar al] hadden verdeeld.

(2)
'O, mijn broeders' [zei hij] 'Wat is het aandeel dat jullie voor mij gereserveerd hebben?'

'We wijzen je onze vader toe als je aandeel.' [gaven ze ten antwoord].

[Hij zei toen tegen zijn vader:] 'O vader, mijn oudere broers hebben me niet mijn aandeel gegeven!'

[De vader gaf daarop ten antwoord:] 'Mijn zoon, sla daar geen acht op! (3) De zo uiterst intelligente afstammelingen van Angirâ [zie 6.6: 19] brengen vandaag een offer, maar op iedere zesde dag dat ze dat doen o geleerde zoon, zullen ze met hun baatzuchtige activiteit in illusie vervallen. (4-5) Je kan maar beter voor die grote zielen twee Vedische hymnen met betrekking tot de God van het Universum [Vais'vadeva, de Allerhoogste Heer] opzeggen zodat, als ze weer hun eigen weg vervolgen, ze de weelde aan je zullen overhandigen die ze van hun offer ontvingen. Zoek ze daarom op.'

Doend wat zijn vader hem gezegd had gaven ze hem de opbrengst van de yajña voordat ze naar hun hemelse plaatsen terugkeerden. (6) Toen hij zijn rijkdommen verzamelde zei een persoon met een zwart uiterlijk die uit het noorden was gekomen tegen hem: 'Al die rijkdommen die van het offer over zijn gebleven zijn van mij!'

(7)
[Hij antwoordde:] 'Ze zijn allemaal van mij, de wijzen hebben ze aan me overgedragen!'

[De zwarte man zei:] 'Laten we ons wat dit betreft wenden tot de zoon van Manu, uw vader en het hem vragen', en zo informeerde hij bij zijn vader zoals was voorgesteld.

(8) [Vader Nabhaga zei:] 'Alles wat overblijft van het offeren wordt door de wijzen, zo hebben ze ooit [tijdens het offer van Daksha, zie 4.7] besloten, beschouwd als een aandeel voor Heer S'iva. Hij is de halfgod die het allemaal toekomt.'

(9)
Nâbhâga bracht hem [S'iva] zijn eerbetuigingen en zei: 'Zoals mijn vader het zei: alles wat behoort tot het offerperk is uw eigendom o Heer [zie 3.12: 6-14]. O heiligheid, laat me voor u mijn hoofd buigen, ik biedt u mijn verontschuldigingen aan.'

(10)
[Heer S'iva zei:] 'Alles wat uw vader zei is waar en wat u zegt is ook de waarheid. Laat mij, de kenner der mantra's, u de spirituele kennis verlenen die bovenzinnelijk en eeuwig is. (11) Neemt u alstublieft al de rijkdommen. Ik schenk u alles wat aan mij werd geofferd', en nadat hij dat had gezegd verdween Rudra, de grote heer en bewaker van het dharma. (12) Een ieder die in de ochtend en in de avond zich dit aandachtig herinnert wordt een geleerde: hij zal een kenner van de mantra's en de hoogste bestemming worden en aldus een zelfverwerkelijkte ziel. (13) Door Nâbhâga kwam de meest hoogstaande en gevierde toegewijde Ambarîsha ter wereld. Een vloek van een brahmaan tegen hem faalde, die kon hem nooit raken.'

(14)
De koning zei: 'O heer, ik zou graag over hem vernemen, die koning die zo intelligent was dat de onoverkomelijke macht van een brahmaanse maatregel geen vat op hem had.'

(15-16)
S'rî S'uka zei: 'Nadat Ambarîsha, de man van het grote geluk, op deze aarde bestaande uit de zeven continenten een onbegrensde weelde had vergaard, was hij van mening dat alles wat door menig leider zo zelden wordt verkregen is als de rijkdom die men zich voorstelt in een droom: bij zinnen gekomen is het allemaal weer verdwenen. Het vormt de reden waarom een mens belandt in onwetendheid. (17) Jegens Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, jegens de toegewijden alsook jegens de heiligen had hij de eerbied en toewijding bereikt in het bovenzinnelijke waarvan men dit ganse universum [met zijn weelde] houdt voor iets dat zo onbeduidend is als een stuk steen. (18-20) Hij was er zeker van zijn geest te vestigen op de lotusvoeten van Krishna, zijn woorden te gebruiken voor de beschrijving van de kwaliteiten van [de Heer van] Vaikunthha, zijn handen te gebruiken voor zaken als het reinigen van de Heer Zijn tempel en zijn oren om te luisteren naar de bovenzinnelijke verhalen over de Onfeilbare. Hij gebruikte zijn ogen om de beeltenissen, de tempels en de gebouwen van Mukunda te aanschouwen, gebruikte zijn lichaam om in contact te staan met de lichamen van de toegewijden, gebruikte zijn neus om de geur op te snuiven van de tulsîblaadjes op de lotusbloem die wordt gevormd door Zijn voeten en gebruikte zijn tong om van het voedsel te genieten dat aan Hem werd geofferd. Door zijn benen te gebruiken om zich te bewegen naar de heilige plaatsen van de Heer, zijn hoofd te gebruiken om voorover te buigen voor de voeten van Hrishîkes'a en zijn zinnen in te zetten om meer een dienaar te zijn van Hem dan van de lustbevrediging, was hij als degenen die hun toevlucht zoeken in het gehecht zijn aan de Heer die wordt Verheerlijkt in de Geschriften [zoals Prahlâda b.v.]. (21) Aldus in de naleving van zijn plichten altijd offers brengend voor de Transcendentie, de Oorspronkelijke Genieter van het Offer, de Allerhoogste Heer Voorbij de Zinnen, beoefende hij al de verschillende vormen van toegewijde dienst en bestuurde hij, onder leiding van Zijn trouwe geleerden, deze planeet aarde [zie ook 5.18: 12 en B.G. 5: 29]. (22) Met paardoffers uitgevoerd door brahmanen als Vasishthha, Asita en Gautama, aanbad hij, daar waar de rivier de Sarasvatî door de woestijngebieden stroomde, de Heer van het Offer, de Allerhoogste Meester, met grote weelde en met al de voorgeschreven parafernalia en vergoedingen. (23) Tijdens zijn offerplechtigheden voor de beeltenissen kon men de tot in de puntjes geklede deelnemers aan de bijeenkomsten, de priesters en de overige functionarissen herkennen als de eeuwig waakzame halfgoden. (24) Een hemels bestaan zoals de halfgoden dat waarderen, was niet iets dat werd nagestreefd door zijn burgerij die eraan gewend was te luisteren naar en te zingen over de heerlijkheden van Uttamas'loka, de Heer Geprezen in de Geschriften. (25) Personen die eraan gewend zijn Mukunda in hun harten te hebben, verlangen zelden naar de perfecties van de groten omdat dergelijke ambities ten koste gaan van het geluk te verkeren in je oorspronkelijke positie van dienst verlenen [zie siddhi's]. (26-27) Hij, de koning, die zowel van de bhakti-yoga was als van de verzaking, gaf met zijn authentieke dienst aan de Heer die al zijn verlangens bevredigde, aldus het stap voor stap op zijn geest te richten op de tijdelijkheid van het hebben van een thuis, een echtgenote, kinderen, vrienden en verwanten, een goede olifant, een mooie wagen en fijne paarden en duurzame goederen als juwelen, sieraden, een mooi stel kleren en dergelijke en een nimmer lege schatkist. (28) Tevreden over zijn zuivere toegewijde dienst schonk de Heer hem Zijn cakra [schijfwapen] die de toegewijden beschermt maar degenen die tegen Hem ingaan angst inboezemt [zie tevens 7.9: 43 en B.G. 9: 31]. (29) Met de bedoeling Krishna te vereren samen met zijn evenzo geschikte koningin, nam de koning voor een heel jaar de gelofte van dvâdas'î in acht [vasten op bepaalde maankalenderdagen]. (30) Aan het einde van die gelofte nam hij in de maand Kârtika [okt./nov.] voor een drietal nachten een volledig vasten [met één maaltijd overdag] in acht en aanbad hij, na een bad in de rivier de Yamunâ, Heer Krishna in Madhuvana [een deel van het Vrindâvana gebied]. (31-32) Hij aanbad de hoogst fortuinlijke Heer Kes'ava en ook de brahmanen met een geest vol van liefde en toewijding terwijl hij met al de parafernalia voor het doen van puja, overeenkomstig de regels de beeltenis baadde en hulde in fraaie kleren en sieraden, geurige bloemenslingers en andere zaken van aanbidding [mahâbhisheka] (33-35) Nadat hij de brahmanen, de geleerden die bij hem thuis waren gearriveerd, een zestigtal croren fraai versierde, jonge en prachtige koeien had geschonken waarvan de hoorns met goud en de hoeven met zilver bedekt waren, die volle uiers hadden en kalveren aan hun zijde, voedde hij hen eerst rijkelijk met het meest hemelse, kostelijke voedsel. Toen hij vervolgens met hun volle tevredenheid en hun instemming zelf zijn vasten beëindigde en op het punt stond de afsluitende ceremonie uit te voeren, werden ze opeens geconfronteerd met een onverwacht bezoek van de machtige wijze Durvâsâ. (36) Hoewel hij onuitgenodigd kwam opdagen betoonde de koning hem zijn respect door op te staan en hem een zitplaats aan te bieden, en vroeg hij hem met alle eerbied ten voeten gevallen of hij misschien iets wilde eten. (37) Hij ging graag op zijn verzoek in en begaf zich, om de noodzakelijke rituelen uit te voeren, naar de Yamunâ om zich onder te dompelen in het zegenrijke water en te mediteren op het Allerhoogste Brahman. (38) Dat, met een halve muhûrta [24 minuten] over voor het einde van het in acht genomen dvâdas'î-vasten, maakte dat de koning zich met de brahmanen afvroeg wat nu het juiste idee van dharma zou zijn voor de precaire situatie waarin hij was beland: (39-40) 'Zowel het er niet in slagen de brahmaanse wijze te respecteren is een overtreding als het niet op het juiste tijdstip beëindigen van het dvâdas'î-vasten. Wat kan je nu het beste doen? Wat is nu in strijd met de religie en wat niet? Laat me daarom enkel water aanraken zodat ik op de juiste manier mijn gelofte kan afronden, aangezien, beste geleerden, men zegt dat de daad van het drinken van water feitelijk zowel een vorm van eten is als van niet eten.'

(41)
De grote koning dronk aldus water en wachtte, met zijn geest gericht op de Onfeilbare, de terugkeer af van de brahmaanse mysticus o beste der Kuru's. (42) Toen Durvâsâ klaar was met zijn rituelen aan de oever van de Yamunâ en terugkeerde, werd hij door de koning goed ontvangen, maar hij kwam er door zijn inzicht achter wat zich had voorgedaan. (43) Trillend van woede richtte hij zich met een verwrongen gezicht fronsend en ook hongerig, tot de overtreder die daar met gevouwen handen stond. (44) 'Helaas heeft hij hier, deze 'liefde van de mensen', in zijn zotternij met de weelde voor het oog van iedereen gebroken met het dharma! In het geheel geen toegewijde zijnd van Vishnu, denkt hij dat hij de Heer Zelve is! (45) Ik die hier onverwachts arriveerde werd door deze man uitgenodigd zijn gast te zijn, maar nu heeft hij voedsel tot zich genomen zonder dat met mij te delen. Ik zal u direct laten zien wat voor repercussies dat heeft!'

(46)
Dat zeggend trok hij, rood van woede, zich een bos haar uit zijn hoofd en schiep daaruit voor hem een demon die eruit zag als het vuur aan het einde der tijden. (47) Toen de demon op hem af kwam met een drietand laaiend van vuur in zijn hand en een tred die de aarde deed schudden, bewoog de koning, die hem recht voor zich zag, zich geen centimeter van zijn plaats [vergelijk 6.17: 28]. (48) Zoals dat door de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Superziel was voorbeschikt ter bescherming van Zijn toegewijden, verbrandde de cakra [die Ambarîsha had gekregen, zie vers 28] als een vuur dat nijdige serpent van een gekunstelde duivel tot as [zie ook B.G. 18: 66]. (49) Toen hij zag dat zijn opzet had gefaald en dat de schijf achter hem aankwam, zocht Durvâsâ in grote angst verzet om zijn leven te redden overal waar hij maar kon gaan een veilig heenkomen. (50) Toen de muni zag dat de werpschijf, dat wagenwiel van de Heer, hem op de hielen zat, rende hij als een slang achtervolgd door een hoog oplaaiende, ziedende bosbrand, snel naar de berg Meru om daar een grot binnen te gaan. (51) Maar in welke richting Durvâsâ ook wegvluchtte - de lucht in, op het aardoppervlak, in grotten, in zeeën of naar al de werelden en hun leiders tot aan de hemel toe - zag hij zich geplaatst voor de ondraaglijke Sudars'ana cakra ['Zijn onmiddellijke aanwezigheid']. (52) Zonder de toevlucht van een beschermer was hij voortdurend, overal met de schrik om het hart, op zoek naar iemand die hem bescherming kon bieden. Tenslotte benaderde hij Heer Brahmâ [en bad:] 'O mijn Heer, o Zelfgeborene, bescherm me tegen het onverwinnelijk vuur dat op me af is gestuurd.'

(53-54)
Heer Brahmâ zei: 'Aan het eind van mijn leven [een dvi-parârdha, zie 3.11: 33] als Zijn spel en vermaak is afgelopen, zal de Heer van de Eindtijd [Vishnu], het Zelf van de Tijd, met enkel een beweging van Zijn wenkbrauwen dit universum vernietigen met inbegrip van mijn hemelse verblijfplaats. Ik, Heer S'iva, Daksha, Bhrigu en de andere wijzen, alsook de heersers over de mensen, de levende wezens en de halfgoden, handelen allen naar Zijn wilsbesluit en buigen gezamenlijk, voor het heil van alle levende wezens, ons hoofd in overgave aan het beginsel dat ons leven beheerst.'

(55)
 Durvâsâ die, verschroeid door Vishnu's cakra, werd afgewezen door Heer Brahmâ, zocht zijn toevlucht bij hem die altijd op Kailâsa verblijft [Heer S'iva]. (56) S'rî S'ankara [S'iva] zei: 'Mijn beste, wij hebben geen macht over de Allerhoogste, de Transcendentie in eigen Persoon met wie ik, de andere levende wezens en zelfs Heer Brahmâ ronddolen die samen met de talloze universa bij tijden tevoorschijn komen en weer worden vernietigd. (57-59) Ik, Sanat en de andere Kumâra's, Nârada, de grote Ongeboren Heer, Kapila, Vyâsadeva, Devala [de grote wijze], Yamarâja, Âsuri [de heilige], Marîci en andere meesters volmaakt in de kennis in navolging van hem, hebben de grenzen ontdekt van alles wat er te weten valt, maar geen van ons is in staat om geheel Zijn begoochelende energie [mâyâ] en dat wat er door overdekt wordt te doorgronden. Het wapen van de Heerser van het Universum [de cakra] is zelfs voor ons moeilijk om mee om te gaan en daarom moet u uw toevlucht zoeken bij de Heer die u zeker Zijn geluk en fortuin zal verlenen.'

(60)
Teleurgesteld ging Durvâsâ daarna naar het hemelverblijf van de Allerhoogste Heer dat bekend staat als Vaikunthha en waar Hij als S'rînivâsa, de Meester van het Verblijf, samenleeft met de godin van het geluk. (61) Verschroeid door het vuur van het onoverwinnelijke wapen viel hij trillend over zijn gehele lijf neer aan Zijn lotusvoeten en zei: 'O Onfeilbare en Onbegrensde, o Verlangen der Heiligen, o Meester, bescherm mij, deze grote overtreder, o Weldoener van het Ganse Universum! (62) Geen weet hebbende van Uw ondoorgrondelijke vermogen heb ik een grote overtreding begaan aan de voeten van iemand die U dierbaar is o Heerlijkheid. AlstUblieft wees zo genadig alles te doen wat maar noodzakelijk is om een overtreding als deze ongedaan te maken o Vidhâta, Heer der Regulatie, met het uitspreken van wiens naam een persoon zelfs uit de hel kan worden bevrijd.'

(63)
De Allerhoogste Heer zei: 'Zo is het precies o brahmaan, Ik ga niet af op Mijn eigen wil, Ik ben mijn bhakta's volledig toegewijd. Mijn hart wordt beheerst door toegewijden vrij van materiële verlangens. Zelfs de toegewijde van een toegewijde is mij dierbaar. (64) Ik, hun uiteindelijke bestemming, voel zonder Mijn zuivere toegewijden niets voor de gelukzalige essentie of de verhevenheid van Mijn vormen van weelde [zie om pûrnam]. (65) Hoe zou Ik hen de rug kunnen toekeren die bij Mij hun toevlucht zoeken en hun vrouw, kinderen, verwanten, hun leven, weelde en verheffing naar een hogere positie hebben opgegeven? (66) Zoals een kuise vrouw een zachtaardige echtgenoot van dienst is, treedt Ik op als de dienaar van zuivere en gelijkgezinde toegewijden [zie ook 7.9: 43], die met hun harten stevig verankerd in Mij zich bezighouden met toegewijde dienst. (67) Mij toegewijd talen ze niet naar de volkomenheid [de pûrnam] van de vier vormen van bevrijding die ze, simpelweg van dienst zijnd, vanzelf bereiken. Waarom zouden ze zich overgeven aan andere zaken die mettertijd weer verloren gaan? (68) De zuivere toegewijden bevinden zich altijd in Mijn hart en Ik ben altijd in hun harten aanwezig. Zij kennen niets buiten Mij en Ik koester niet de geringste belangstelling buiten hen [zie ook B.G. 9: 29]. (69) Laat me u zeggen hoe u uzelf in dezen moet beschermen o geleerde. Luister goed naar wat Ik zeg. Met wat u gedaan hebt hebt u uzelf geweld aangedaan. Verdoe nu niet langer uw tijd en begeef u terstond naar hem [Ambarîsha] die de aanleiding vormde. Zoals u ziet: de macht ingezet tegen een toegewijde keert zich tegen hem die zich daar schuldig aan maakt. (70) Boete en kennis brengen de geschoolden de grootste zegen, maar in praktijk gebracht door een opstandig iemand leiden ze tot het tegengestelde. (71) O brahmaan, ik wens u al het geluk van de wereld, ga daarom naar de koning, de zoon van Nâbhâga, om die grote persoonlijkheid tevreden te stellen. Dan zal er vrede zijn.' 

 

next                  

 

 

Derde herziene editie, geladen 24 November 2012.

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'Nâbhâga, de geleerde jongste zoon van Nabhaga [zie 9.1: 11-12, niet de oom die ook wel Nriga heet, noch de Nâbhâga van Dishtha, zie 9.2: 23] kreeg toen hij terugkeerde van een celibatair bestaan, [als zijn aandeel in het koninkrijk, de zorg voor] zijn vader toebedeeld omdat zijn oudere broers [in zijn afwezigheid] het bezit [onder elkaar al] hadden verdeeld.
S'rî S'uka zei: 'Nâbhâga, de geleerde jongste zoon van Nâbhaga [zie 9.1: 11-12, niet de oom die ook wel Nriga heet, noch de Nâbhâga van Dishtha, zie: 9.2: 23] kreeg terugkerend van een celibatair bestaan de vader toen de oudere broers het bezit verdeelden [onder elkaar].(Vedabase)

 

Tekst 2

'O, mijn broeders' [zei hij] 'Wat is het aandeel dat jullie voor mij gereserveerd hebben?'

'We wijzen je onze vader toe als je aandeel.' [gaven ze ten antwoord].

[Hij zei toen tegen zijn vader:] 'O vader, mijn oudere broers hebben me niet mijn aandeel gegeven!'

[De vader gaf daarop ten antwoord:] 'Mijn zoon, sla daar geen acht op!

'O, mijn broeders' [zei hij] 'Wat is het aandeel waar jullie mij mee bedacht hebben?'

'We wijzen je onze vader toe als het jouwe.' [gaven ze ten antwoord].

[Hij zei toen tegen zijn vader:] 'O vader, mijn oudere broers hebben me niet mijn aandeel gegeven!'

[De vader gaf daarop ten antwoord:] 'Mijn zoon, sla daar geen acht op! (Vedabase)

 

Tekst 3

De zo uiterst intelligente afstammelingen van Angirâ [zie 6.6: 19] brengen vandaag een offer, maar op iedere zesde dag dat ze dat doen o geleerde zoon, zullen ze met hun baatzuchtige activiteit in illusie vervallen.

Al deze zo heel intelligente afstammelingen van Angirâ [zie 6.6:19] zijn vandaag een offer aan het brengen maar iedere zesde dag na zo'n dag zullen ze, o geleerde zoon, door hun karma in onwetendheid vervallen. (Vedabase)

 

Tekst 4-5

Je kan maar beter voor die grote zielen twee Vedische hymnen met betrekking tot de God van het Universum [Vais'vadeva, de Allerhoogste Heer] opzeggen zodat, als ze weer hun eigen weg vervolgen, ze de weelde aan je zullen overhandigen die ze van hun offer ontvingen. Zoek ze daarom op.'

Doend wat zijn vader hem gezegd had gaven ze hem de opbrengst van de yajña voordat ze naar hun hemelse plaatsen terugkeerden.

Jij zelf, beschrijf voor al die grote zielen, twee vedische hymnen met betrekking tot de God van het Universum zodat, nadat ze weer met hun eigen zaken bezig zijn, ze je de weelde zullen leveren van wat overbleef van het offeren van hun eigendom; ga daarom naar hen toe.' Hij deed toen wat zijn vader hem had gezegd en zo gaven ze hem wat er van de yajña was overgebleven toen ze naar hun eigen hemelse plaatsen terugkeerden. (Vedabase)

 

Tekst 6

Toen hij zijn rijkdommen verzamelde zei een persoon met een zwart uiterlijk die uit het noorden was gekomen tegen hem: 'Al die rijkdommen die van het offer over zijn gebleven zijn van mij!'

Terwijl hij zijn rijkdommen bijeen gaarde zei een zwart-uitziende persoon die uit het noorden was aangekomen tegen hem: 'Al deze rijkdommen die van het offer over zijn gebleven zijn de mijne!' (Vedabase)

  

Tekst 7

[Hij antwoordde:] 'Ze zijn allemaal van mij, de wijzen hebben ze aan me overgedragen!'

[De zwarte man zei:] 'Laten we ons wat dit betreft wenden tot de zoon van Manu, uw vader en het hem vragen', en zo informeerde hij bij zijn vader zoals was voorgesteld.

[Hij antwoordde:] 'Ze zijn allemaal van mij, de wijzen hebben ze aan me overgedragen!'

[De zwarte man zei:] 'Laten we wat dit betreft ons wenden tot de zoon van Manu, uw vader en het hem vragen', en zo deed hij navraag bij zijn vader zoals was voorgesteld. (Vedabase)

 

Tekst 8

[Vader Nabhaga zei:] 'Alles wat overblijft van het offeren wordt door de wijzen, zo hebben ze ooit [tijdens het offer van Daksha, zie 4.7] besloten, beschouwd als een aandeel voor Heer S'iva. Hij is de halfgod die het allemaal toekomt.'

[Vader Nâbhaga zei] 'Alles dat behoort tot het offerperk, en dat soms overblijft wordt door de wijzen apart gezet als een aandeel voor Heer S'iva; hij is de halfgod die het allemaal verdient.' (Vedabase)

 

Tekst 9

Nâbhâga bracht hem [S'iva] zijn eerbetuigingen en zei: 'Zoals mijn vader het zei: alles wat behoort tot het offerperk is uw eigendom o Heer [zie 3.12: 6-14]. O heiligheid, laat me voor u mijn hoofd buigen, ik biedt u mijn verontschuldigingen aan.'

Nâbhâga bracht hem [S'iva] zijn eerbetuigingen en zei: 'Zoals mijn vader het zei: het is van u, o Heer, en zo is voorzeker alles dat behoort tot het offerperk - o u die er van Brahmâ bent [zie: 3.12-6-14], laat me voor u mijn hoofd buigen, ik biedt u mijn verontschuldigingen aan. (Vedabase)


Tekst 10

[Heer S'iva zei:] 'Alles wat uw vader zei is waar en wat u zegt is ook de waarheid. Laat mij, de kenner der mantra's, u de spirituele kennis verlenen die bovenzinnelijk en eeuwig is.

[Heer S'iva zei: ] 'Alles dat uw vader zei is waar en ook is wat u zegt de waarheid; laat mij, de kenner der mantra's, u de spirituele kennis vergunnen die bovenzinnelijk en eeuwig is. (Vedabase)

 

Tekst 11

Neemt u alstublieft al de rijkdommen. Ik schenk u alles wat aan mij werd geofferd', en nadat hij dat had gezegd verdween Rudra, de grote heer en bewaker van het dharma.
Neemt u alstublieft al de rijkdommen; ik schenk u alles wat om mijnent wille werd geofferd', en aldus gesproken hebbende, verdween Rudra, de grote heer en bewaker van het dharma. (Vedabase)

 

Tekst 12

Een ieder die in de ochtend en in de avond zich dit aandachtig herinnert wordt een geleerde: hij zal een kenner van de mantra's en de hoogste bestemming worden en aldus een zelfverwerkelijkte ziel.

Een ieder die in de ochtend en in de avond met grote zorg zich dit herinnert wordt geleerd: gelijk een zelfverwerkelijkte ziel zal hij een kenner van de mantra's en de bestemming zijn. (Vedabase)

 

Tekst 13

Door Nâbhâga kwam de meest hoogstaande en gevierde toegewijde Ambarîsha ter wereld. Een vloek van een brahmaan tegen hem faalde, die kon hem nooit raken.'

Door Nâbhâga kwam de meest hoogstaande en gevierde toegewijde Ambarîsha ter wereld; een vloek van een brahmaan tegen hem faalde: die kon hem nooit raken. (Vedabase)

 

Tekst 14

De koning zei: 'O heer, ik zou graag over hem vernemen, die koning die zo intelligent was dat de onoverkomelijke macht van een brahmaanse maatregel geen vat op hem had.'
De koning zei: 'O heer, ik zou graag over hem vernemen, die koning die een dermate nuchtere persoonlijkheid was dat de zo onoverkomelijke macht van een brahmaanse maatregel geen effect op hem had.' (Vedabase)

  

Tekst 15-16

S'rî S'uka zei: 'Nadat Ambarîsha, de man van het grote geluk, op deze aarde bestaande uit de zeven continenten een onbegrensde weelde had vergaard, was hij van mening dat alles wat door menig leider zo zelden wordt verkregen is als de rijkdom die men zich voorstelt in een droom: bij zinnen gekomen is het allemaal weer verdwenen. Het vormt de reden waarom een mens belandt in onwetendheid.

S'rî S'uka zei: 'Ambarîsha, de man van het grote geluk, meende, na op deze aarde bestaande uit de zeven continenten een onbegrensde weelde te hebben vergaard, dat alles wat door menig leider zo zelden wordt verkregen is als de rijkdom die men zich voorstelt in een droom: bij zinnen gekomen is het allemaal verdwenen; het vormt de reden waarom een mens in onwetendheid beland. (Vedabase)

  

Tekst 17

Jegens Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, jegens de toegewijden alsook jegens de heiligen had hij de eerbied en toewijding bereikt in het bovenzinnelijke waarvan men dit ganse universum [met zijn weelde] houdt voor iets dat zo onbeduidend is als een stuk steen.

Jegens Vâsudeva, de Allerhoogste Persoonlijkheid, jegens de toegewijden alsook jegens de heiligen was hij als iemand die de eerbied en de toewijding had bereikt in het bovenzinnelijke waarvan men dit ganse universum houdt voor iets dat zo onbeduidend is als een stuk steen. (Vedabase)

 

Tekst 18-20

Hij was er zeker van zijn geest te vestigen op de lotusvoeten van Krishna, zijn woorden te gebruiken voor de beschrijving van de kwaliteiten van [de Heer van] Vaikunthha, zijn handen te gebruiken voor zaken als het reinigen van de Heer Zijn tempel en zijn oren om te luisteren naar de bovenzinnelijke verhalen over de Onfeilbare. Hij gebruikte zijn ogen om de beeltenissen, de tempels en de gebouwen van Mukunda te aanschouwen, gebruikte zijn lichaam om in contact te staan met de lichamen van de toegewijden, gebruikte zijn neus om de geur op te snuiven van de tulsîblaadjes op de lotusbloem die wordt gevormd door Zijn voeten en gebruikte zijn tong om van het voedsel te genieten dat aan Hem werd geofferd. Door zijn benen te gebruiken om zich te bewegen naar de heilige plaatsen van de Heer, zijn hoofd te gebruiken om voorover te buigen voor de voeten van Hrishîkes'a en zijn zinnen in te zetten om meer een dienaar te zijn van Hem dan van de lustbevrediging, was hij als degenen die hun toevlucht zoeken in het gehecht zijn aan de Heer die wordt Verheerlijkt in de Geschriften [zoals Prahlâda b.v.].

Hij was er zeker van zijn gest te vestigen op de lotusvoeten van Krishna, zijn woorden op de beschrijving van de kwaliteiten van Vaikuntha, zijn handen op dingen als het reinigen van de Heer Zijn tempel en zijn oren te zetten naar de Onfeilbare. Luisterend naar de bovenzinnelijke gesprekken, zijn ogen gebruikend om de beeltenissen, de tempels en de gebouwen van Mukunda te aanschouwen, fysiek in kontakt staand met de lichamen van de toegewijden, de geur van de tulsîblaadjes op te snuiven aan de lotusbloem van Zijn voeten, om op zijn tong het voedsel te hebben aan Hem geofferd, om met zijn benen zich te bewegen naar de heilige plaatsen van de Heer, om zijn hoofd te buigen voor de voeten van Hrsîkesa, om zijn zinnen er meer naar te zetten een dienaar te zijn dan zijn zinnen te bevredigen, was hij als die ene man [Prahlâda] die zijn toevlucht zoekt bij de Heer Verheerlijkt in de Geschriften. (Vedabase)

  

Tekst 21

Aldus in de naleving van zijn plichten altijd offers brengend voor de Transcendentie, de Oorspronkelijke Genieter van het Offer, de Allerhoogste Heer Voorbij de Zinnen, beoefende hij al de verschillende vormen van toegewijde dienst en bestuurde hij, onder leiding van Zijn trouwe geleerden, deze planeet aarde [zie ook 5.18: 12 en B.G. 5: 29].

Aldus in de hem voorgeschreven verplichtingen altijd van opoffering voor de Transcendentie, de Oorspronkelijke van het Offer, de Allerhoogste Heerlijkheid en Hij die Zich Bevind Voorbij de Zinnen, beoefende hij al de verschillende vormen van liefde voor de Ware van de Ziel en bestuurde hij, op aanwijzing van de Heer Zijn getrouwen der geleerdheid, deze planeet aarde in het verleden [zie ook 5.18: 12 en B.G. 5: 29]. (Vedabase)


Tekst 22

Met paardoffers uitgevoerd door brahmanen als Vasishthha, Asita en Gautama, aanbad hij, daar waar de rivier de Sarasvatî door de woestijngebieden stroomde, de Heer van het Offer, de Allerhoogste Meester, met grote weelde en met al de voorgeschreven parafernalia en vergoedingen.

In paardenoffers uitgevoerd door brahmanen als Vasishthha, Asita en Gautama, aanbad hij, overal waar de rivier de Sarasvatî door de woestijngebieden stroomde, de Heer van het Offer, de Allerhoogste Beheerser, met grote weelde en met al de voorgeschreven parafernalia en schadeloosstellingen. (Vedabase)


Tekst 23

Tijdens zijn offerplechtigheden voor de beeltenissen kon men de tot in de puntjes geklede deelnemers aan de bijeenkomsten, de priesters en de overige functionarissen herkennen als de eeuwig waakzame halfgoden.

De getrouwen der boete en de deskundigen die als de deelnemers aan de offerande voor hem als de priesters waren belast met het uitvoeren van de offerplechtigheid, werden, tot in de puntjes gekleed, gezien als de nimmer met hun ogen knipperende halfgoden. (Vedabase)


Tekst 24

Een hemels bestaan zoals de halfgoden dat waarderen, was niet iets dat werd nagestreefd door zijn burgerij die eraan gewend was te luisteren naar en te zingen over de heerlijkheden van Uttamas'loka, de Heer Geprezen in de Geschriften.

Het hemels bestaan zo dierbaar voor zelfs de halfgoden, was niet iets dat werd nagestreefd door zijn burgerij die het gewoon was te luisteren naar en te zingen over de heerlijkheden van Uttamas'loka, de Heer Geprezen in de Geschriften. (Vedabase)

 

Tekst 25

Personen die eraan gewend zijn Mukunda in hun harten te hebben, verlangen zelden naar de perfecties van de groten omdat dergelijke ambities ten koste gaan van het geluk te verkeren in je oorspronkelijke positie van dienst verlenen [zie siddhi's].

Omdat zulke strevingen niet bevorderlijk zijn voor het geluk van hen die voldaan zijn in hun authentieke positie van dienst verlenen, zijn de personen die het zo gewend zijn Mukunda in hun harten te hebben, zelden uit op de volmaaktheden van de groten [zie siddhi's]. (Vedabase)


Tekst 26-27

Hij, de koning, die zowel van de bhakti-yoga was als van de verzaking, gaf met zijn authentieke dienst aan de Heer die al zijn verlangens bevredigde, aldus het stap voor stap op zijn geest te richten op de tijdelijkheid van het hebben van een thuis, een echtgenote, kinderen, vrienden en verwanten, een goede olifant, een mooie wagen en fijne paarden en duurzame goederen als juwelen, sieraden, een mooi stel kleren en dergelijke en een nimmer lege schatkist.

Hij, de koning, van de bhakti-yoga en tegelijkertijd van de verzaking, gaf in zijn authentieke handelingen jegens de Heer alle soorten van verlangens bevredigend, op deze manier het geleidelijk op zijn geest te richten naar het onware dat men aantreft in een thuis, de echtgenote, in kinderen, in vrienden en verwanten, een goede olifant, een mooie wagen, fijne paarden en in duurzame goederen als juwelen, sieraden, een uitdossing en dergelijke en een nimmer lege schatkist. (Vedabase)

 

Tekst 28

Tevreden over zijn zuivere toegewijde dienst schonk de Heer hem Zijn cakra [schijfwapen] die de toegewijden beschermt maar degenen die tegen Hem ingaan angst inboezemt [zie tevens 7.9: 43 en B.G. 9: 31].

Tevreden over zijn onvermengde toegewijde dienst schonk de Heer voor de bescherming van de toegewijden hem Zijn cakra zo bedreigend voor hen die tegenstand bieden. [zie tevens 7.9: 43 en B.G. 9: 31]. (Vedabase)

 

Tekst 29

Met de bedoeling Krishna te vereren samen met zijn evenzo geschikte koningin, nam de koning voor een heel jaar de gelofte van dvâdas'î in acht [vasten op bepaalde maankalenderdagen].

Ernaar strevend met zijn evenzo geschikte koningin samen Krishna te vereren, legde de koning de gelofte van dvâdas'î af [vasten op bepaalde maankalender-dagen] voor een heel jaar. (Vedabase)

Tekst 30

Aan het einde van die gelofte nam hij in de maand Kârtika [okt./nov.] voor een drietal nachten een volledig vasten [met één maaltijd overdag] in acht en aanbad hij, na een bad in de rivier de Yamunâ, Heer Krishna in Madhuvana [een deel van het Vrindâvana gebied].

Toen hij eens aan de oever van de Yamunâ was nam hij, aan het einde van zijn gelofte, in de maand Kârtika [Okt.-Nov.] voor een drietal nachten een volledig vasten in acht waarna hij een bad nam en de Heer in Madhuvana vereerde [een deel van het Vrindâvana gebied]. (Vedabase)

 

Tekst 31-32

Hij aanbad de hoogst fortuinlijke Heer Kes'ava en ook de brahmanen met een geest vol van liefde en toewijding terwijl hij met al de parafernalia voor het doen van puja, overeenkomstig de regels de beeltenis baadde en hulde in fraaie kleren en sieraden, geurige bloemenslingers en andere zaken van aanbidding [mahâbhisheka].

Naar de regels van het baden van de beeltenis [mahâbhisheka] met alle benodigdheden voor de verering - mooie kleding en sieraden, geurige bloemenslingers en andere middelen van aanbidding - deed hij de puja met een geest vervuld van goddelijke liefde in bhakti jegens het hoogst fortuinlijke van Kes'ava en de brahmanen, waarbij hij ook met zichzelf in volmaakte vrede verkeerde. (Vedabase)


Tekst 33-35

Nadat hij de brahmanen, de geleerden die bij hem thuis waren gearriveerd, een zestigtal croren fraai versierde, jonge en prachtige koeien had geschonken waarvan de hoorns met goud en de hoeven met zilver bedekt waren, die volle uiers hadden en kalveren aan hun zijde, voedde hij hen eerst rijkelijk met het meest hemelse, kostelijke voedsel. Toen hij vervolgens met hun volle tevredenheid en hun instemming zelf zijn vasten beëindigde en op het punt stond de afsluitende ceremonie uit te voeren, werden ze opeens geconfronteerd met een onverwacht bezoek van de machtige wijze Durvâsâ.

De brahmanen, de geleerden die bij zijn plaats waren gearriveerd, voedde hij, de tweemaal geborenen voorop, rijkelijk met het meest hemelse, kostelijke voedsel na eerst te hebben weggeschonken zestig croren fraai versierde, jonge en prachtige koeien met goud bedekte hoorns en zilver beslagen hoeven, volle uiers en extra kalveren aan hun zijde. Met het volle van hun bevrediging en met hun instemming een einde te maken aan het vasten was hij er juist aan toe de afsluitende ceremonie te volbrengen toen ze opeens werden geconfronteerd met een onverwacht bezoek van de machtige wijze Durvâsâ. (Vedabase)

   

Tekst 36

Hoewel hij onuitgenodigd kwam opdagen betoonde de koning hem zijn respect door op te staan en hem een zitplaats aan te bieden, en vroeg hij hem met alle eerbied ten voeten gevallen of hij misschien iets wilde eten.

Hoewel hij onuitgenodigd kwam opdagen betoonde de koning hem zijn respekt door op te staan en hem een zitplaats aan te bieden, met alle eerbied hem ten voeten gevallen vragend of hij iets wilde eten. (Vedabase)

 

Tekst 37

Hij ging graag op zijn verzoek in en begaf zich, om de noodzakelijke rituelen uit te voeren, naar de Yamunâ om zich onder te dompelen in het zegenrijke water en te mediteren op het Allerhoogste Brahman.

Gretig ging hij op zijn verzoek in en ging om de noodzakelijke rituelen op te voeren naar de Yamunâ om een duik te nemen in het goedgunstige water en te mediteren op het Allerhoogste Brahmân. (Vedabase)

 

Tekst 38

Dat, met een halve muhûrta [24 minuten] over voor het einde van het in acht genomen dvâdas'î-vasten, maakte dat de koning zich met de brahmanen afvroeg wat nu het juiste idee van dharma zou zijn voor de precaire situatie waarin hij was beland:

Dat, met minder dan een uur te gaan voor het beëindigen van het in acht genomen dvâdas'î vasten, deed hem zich met de tweemaal geborenen afvragen wat nu het juiste idee van het dharma zou zijn in de gevaarlijke situatie waarin hij was beland: (Vedabase)

  

Tekst 39-40

'Zowel het er niet in slagen de brahmaanse wijze te respecteren is een overtreding als het niet op het juiste tijdstip beëindigen van het dvâdas'î-vasten. Wat kan je nu het beste doen? Wat is nu in strijd met de religie en wat niet? Laat me daarom enkel water aanraken zodat ik op de juiste manier mijn gelofte kan afronden, aangezien, beste geleerden, men zegt dat de daad van het drinken van water feitelijk zowel een vorm van eten is als van niet eten.'

'Erin mislukken de brahmaanse wijze te respecteren is een overtreding zowel als niet te breken met het dvâdas'î vasten op het juiste ogenblik; wat is nu het beste dat men kan doen, wat is nu tegen de religie en wat niet? Laat me daarom enkel water beroeren zodat ik op de juiste manier het einde van mijn gelofte kan respekteren, daar, o weledelen, gezegd wordt dat de daad van het drinken van water feitelijk zowel een vorm van eten is als van niet eten.' (Vedabase)

 

Tekst 41

De grote koning dronk aldus water en wachtte, met zijn geest gericht op de Onfeilbare, de terugkeer af van de brahmaanse mysticus o beste der Kuru's.

De grote koning, na aldus water te hebben gedronken, wachtte met zijn geest ingesteld op de Onfeilbare de terugkeer af, o beste der Kuru's, van hem, de brahmaanse mysticus. (Vedabase)

 

Tekst 42

Toen Durvâsâ klaar was met zijn rituelen aan de oever van de Yamunâ en terugkeerde, werd hij door de koning goed ontvangen, maar hij kwam er door zijn inzicht achter wat zich had voorgedaan.

Toen Durvâsâ klaar was met zijn rituelen aan de oever van de Yamunâ en terugkeerde werd hem door de koning een goede ontvangst geboden maar hij kon met zijn verstand nagaan wat zich had voorgedaan. (Vedabase)

   

Tekst 43

Trillend van woede richtte hij zich met een verwrongen gezicht fronsend en ook hongerig, tot de overtreder die daar met gevouwen handen stond.

Boos geworden en over zijn gehele lijf trillend, met zijn gezicht verwrongen en fronsend, en zeer hongerig, richtte hij zich tot de overtreder die daar met gevouwen handen stond. (Vedabase)

 

Tekst 44

'Helaas heeft hij hier, deze 'liefde van de mensen', in zijn zotternij met de weelde voor het oog van iedereen gebroken met het dharma! In het geheel geen toegewijde zijnd van Vishnu, denkt hij dat hij de Heer Zelve is!

'Helaas, heeft deze mijnheer hier, deze 'liefde van iedereen', gek van zijn weelde, voor het oog van iedereen, gebroken met het dharma; in het geheel geen toegewijde van Vishnu, denkt hij dat hij de Beheerser Zelve is! (Vedabase)

 

Tekst 45

Ik die hier onverwachts arriveerde werd door deze man uitgenodigd zijn gast te zijn, maar nu heeft hij voedsel tot zich genomen zonder dat met mij te delen. Ik zal u direct laten zien wat voor repercussies dat heeft!'

Deze man heeft jegens mij, die hier onverwacht aankwam, na mij te verwelkomen als zijn gast voedsel tot zich genomen zonder mij ervan te geven: ik zal hem nu direct laten zien wat voor repercussies dat heeft.' (Vedabase)

 

Tekst 46

Dat zeggend trok hij, rood van woede, zich een bos haar uit zijn hoofd en schiep daaruit voor hem een demon die eruit zag als het vuur aan het einde der tijden.

Zich aldus uitdrukkend trok hij, rood van woede, zich een bos haar uit en schiep hij daaruit een demon die verscheen als het vuur aan het einde der tijden. (Vedabase)

 

Tekst 47

Toen de demon op hem af kwam met een drietand laaiend van vuur in zijn hand en een tred die de aarde deed schudden, bewoog de koning, die hem recht voor zich zag, zich geen centimeter van zijn plaats [vergelijk 6.17: 28].

Toen de demon op hem af kwam met een drietand laaiend van vuur in zijn hand en een voetstap die de aarde deed trillen, bewoog de koning, die hem duidelijk voor zich zag, zich geen centimeter van zijn plaats [vergelijk 6.17: 28]. (Vedabase)

 

Tekst 48

Zoals dat door de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Superziel was voorbeschikt ter bescherming van Zijn toegewijden, verbrandde de cakra [die Ambarîsha had gekregen, zie vers 28] als een vuur dat nijdige serpent van een gekunstelde duivel tot as [zie ook B.G. 18: 66].

Zoals het door de Oorspronkelijke Persoonlijkheid van de Superziel was voorbeschikt ter bescherming van Zijn toegewijden, verbrandde de cakra [die Ambarîsha had gekregen, zie vers 28] als vuur dat nijdige serpent van een gekunstelde duivel tot as [zie ook B.G. 18: 66]. (Vedabase)

 

Tekst 49

Toen hij zag dat zijn opzet had gefaald en dat de schijf achter hem aankwam, zocht Durvâsâ in grote angst verzet om zijn leven te redden overal waar hij maar kon gaan een veilig heenkomen.

Ziend hoe de werpschijf in zijn richting bewoog en hoe zijn eigen pogen had gefaald, zocht Durvâsâ om zijn leven te redden in grote angst verzet een heenkomen in alle richtingen die hij maar wist. (Vedabase)

 

Tekst 50

Toen de muni zag dat de werpschijf, dat wagenwiel van de Heer, hem op de hielen zat, rende hij als een slang achtervolgd door een hoog oplaaiende, ziedende bosbrand, snel naar de berg Meru om daar een grot binnen te gaan.

Als een slang achtervolgd door een hoog oplaaiende ziedende bosbrand rende de muni, die zag hoe de werpschijf, dat wiel van de Heer Zijn wagen, hem in de rug brandde, snel naar de berg Meru om daar een grot binnen te gaan. (Vedabase)

 

Tekst 51

Maar in welke richting Durvâsâ ook wegvluchtte - de lucht in, op het aardoppervlak, in grotten, in zeeën of naar al de werelden en hun leiders tot aan de hemel toe - zag hij zich geplaatst voor de ondraaglijke Sudars'ana cakra ['Zijn onmiddellijke aanwezigheid'].

Maar in welke richting hij zich ook begaf, in de hemel, op het aardoppervlak, in grotten, in de zeeën, op alle plaatsen met alle heersers over de drie werelden - waarheen hij zich ook begaf, zag Durvâsâ het acute van Zijn zo angstwekkende aanwezigheid [de Sudars'ana cakra]. (Vedabase)

  

Tekst 52

Zonder de toevlucht van een beschermer was hij voortdurend, overal met de schrik om het hart, op zoek naar iemand die hem bescherming kon bieden. Tenslotte benaderde hij Heer Brahmâ [en bad:] 'O mijn Heer, o Zelfgeborene, bescherm me tegen het onverwinnelijk vuur dat op me af is gestuurd.'

Zonder de toevlucht van een beschermer was hij overal, met een konstante vrees in het hart, op zoek naar iemand die hem bescherming kon bieden. Ten leste benaderde hij Heer Brahmâ: 'O mijn Heer, o Zelfgeborene, bescherm me tegen het vuur op mij losgelaten door de Onoverwinnelijke.' (Vedabase)

 

Tekst 53-54

Heer Brahmâ zei: 'Aan het eind van mijn leven [een dvi-parârdha, zie 3.11: 33] als Zijn spel en vermaak is afgelopen, zal de Heer van de Eindtijd [Vishnu], het Zelf van de Tijd, met enkel een beweging van Zijn wenkbrauwen dit universum vernietigen met inbegrip van mijn hemelse verblijfplaats. Ik, Heer S'iva, Daksha, Bhrigu en de andere wijzen, alsook de heersers over de mensen, de levende wezens en de halfgoden, handelen allen naar Zijn wilsbesluit en buigen gezamenlijk, voor het heil van alle levende wezens, ons hoofd in overgave aan het beginsel dat ons leven beheerst.'

Heer Brahmâ zei: 'Als de Allerhoogste Heer klaar is met Zijn spel en vermaak zal, volgend op Zijn verlangen het in de vorm van de tijd te verzengen, met een enkele beweging van Zijn wenkbrauwen de plaats waar ik me bevind, mijn verblijf, tezamen met dit hele universum, na één dag van mijn leven [een dvi-parârdha, zie 3.11: 33], daadwerkelijk worden verslagen. Ik, Heer S'iva, Daksha, Bhrigu en anderen onder hun leiding, de heersers over de mens, de levende wezens en de halfgoden - wij en allen door ons geleid, die voor het heil van alle levende wezens ons hoofd buigen overgegeven aan de regulerende beginselen, handelen naar Zijn wilsbeschikking.' (Vedabase)


Tekst 55

Durvâsâ die, verschroeid door Vishnu's cakra, werd afgewezen door Heer Brahmâ, zocht zijn toevlucht bij hem die altijd op Kailâsa verblijft [Heer S'iva].

Afgewezen door Heer Brahmâ zocht Durvâsâ, verschroeid door de cakra, zijn toevlucht bij hem die altijd op Kailasa verblijft [Heer S'iva]. (Vedabase)

 

Tekst 56

S'rî S'ankara [S'iva] zei: 'Mijn beste, wij hebben geen macht over de Allerhoogste, de Transcendentie in eigen Persoon met wie ik, de andere levende wezens en zelfs Heer Brahmâ ronddolen die samen met de talloze universa bij tijden tevoorschijn komen en weer worden vernietigd.

S'rî Sankara zei: 'Wij in verhouding tot de Allerhoogste schieten tekort in macht, mijn beste - met ons ronddraaiend in Hem, de Verhevenheid, kunnen [Ik en] de andere levende wezens tot aan de Ongeborene, Heer Brahmâ, toe en ook de universa niet, het [die macht] mettertijd worden; inderdaad kunnen wij en al de duizenden en miljoenen van onze werelden zich niet tot dat ontwikkelen. (Vedabase)


Tekst 57-59

Ik, Sanat en de andere Kumâra's, Nârada, de grote Ongeboren Heer, Kapila, Vyâsadeva, Devala [de grote wijze], Yamarâja, Âsuri [de heilige], Marîci en andere meesters volmaakt in de kennis in navolging van hem, hebben de grenzen ontdekt van alles wat er te weten valt, maar geen van ons is in staat om geheel Zijn begoochelende energie [mâyâ] en dat wat er door overdekt wordt te doorgronden. Het wapen van de Heerser van het Universum [de cakra] is zelfs voor ons moeilijk om mee om te gaan en daarom moet u uw toevlucht zoeken bij de Heer die u zeker Zijn geluk en fortuin zal verlenen.'

Ik, Sanat en de andere Kumâra's, Nârada, de grote Ongeboren Heer, Kapila, Vyâsadeva, Devala [de grote wijze], Yamarâja, Âsuri [de heilige] en Marîci, en de anderen volkomen in de kennis aangevoerd door hen, hebben de grenzen ontdekt van alle weten, maar geen van ons is in staat zijn illusiewekkende energie en dat wat er door overdekt wordt volledig te doorgronden. De beheerser van het universum Zijn wapen [de cakra] is daadwerkelijk zelfs voor ons moeilijk te hanteren en derhalve moet u uw toevlucht zoeken bij de Heer die in Zijn goedgunstigheid niet zal falen. ' (Vedabase)

 

Tekst 60

Teleurgesteld ging Durvâsâ daarna naar het hemelverblijf van de Allerhoogste Heer dat bekend staat als Vaikunthha en waar Hij als S'rînivâsa, de Meester van het Verblijf, samenleeft met de godin van het geluk.

Teleurgesteld ging Durvâsâ daarna naar de Allerhoogste Heer Zijn plaats die bekend staat als Vaikuntha alwaar Hij als Srinivâsa, de Meester van het Verblijf, zich constant ophoudt met de godin van het geluk. (Vedabase)

 

Tekst 61

Verschroeid door het vuur van het onoverwinnelijke wapen viel hij trillend over zijn gehele lijf neer aan Zijn lotusvoeten en zei: 'O Onfeilbare en Onbegrensde, o Verlangen der Heiligen, o Meester, bescherm mij, deze grote overtreder, o Weldoener van het Ganse Universum!

Verschroeid door het vuur van het onoverwinnelijke wapen viel hij neer aan Zijn lotusvoeten trillend over zijn gehele lijf en zei hij: 'O Onfeilbare en Onbegrensde, o Verlangen der Heiligen, o Meester bescherm mij, deze grote overtreder, o Weldoener van het Ganse Universum! (Vedabase)

 

Tekst 62

Geen weet hebbende van Uw ondoorgrondelijke vermogen heb ik een grote overtreding begaan aan de voeten van iemand die U dierbaar is o Heerlijkheid. AlstUblieft wees zo genadig alles te doen wat maar noodzakelijk is om een overtreding als deze ongedaan te maken o Vidhâta, Heer der Regulatie, met het uitspreken van wiens naam een persoon zelfs uit de hel kan worden bevrijd.'

Geen weet hebbende van Uw ondoorgrondelijke vermogen heb ik een grote overtreding begaan aan de voeten van een van hen die Uwe Heerlijkheid dierbaar zijn; alstublieft wees zo genadig alles te doen dat maar noodzakelijk is om een overtreding als deze tegen te gal zijn bevran o Vidhâta, Heer der Regulatie, bij wiens naam, eenmaal opgewekt, zelfs een persoon bestemd voor de heijding kan vinden.' (Vedabase)

 

Tekst 63

De Allerhoogste Heer zei: 'Zo is het precies o brahmaan, Ik ga niet af op Mijn eigen wil, Ik ben mijn bhakta's volledig toegewijd. Mijn hart wordt beheerst door toegewijden vrij van materiële verlangens. Zelfs de toegewijde van een toegewijde is mij dierbaar.

De Allerhoogste Heer zei: 'Zo is het precies o tweemaal geborene, Ik heb geen wil voor Mezelf, Ik ben waarlijk volledig betrokken bij Mijn toegewijden; omdat ze toegewijden zijn wordt Mijn hart beheerst door de geheiligden en door hen die die bhakta's dierbaar zijn. (Vedabase)

 

Tekst 64

Ik, hun uiteindelijke bestemming, voel zonder Mijn zuivere toegewijden niets voor de gelukzalige essentie of de verhevenheid van Mijn vormen van weelde [zie om pûrnam].

Ik als hun uiteindelijke bestemming ben, zonder Mijn geheiligde toegewijden, niet voor de gelukzalige essentie of het Allerhoogste van Mijn vormen van weelde [zie om pûrnam]. (Vedabase)

 

Tekst 65

Hoe zou Ik hen de rug kunnen toekeren die bij Mij hun toevlucht zoeken en hun vrouw, kinderen, verwanten, hun leven, weelde en verheffing naar een hogere positie hebben opgegeven?

Hun vrouw, huis, kinderen, verwanten, hun hele hebben en houden - als zij jegens Mij voor de Transcendentie dit alles eraan gaven hun toevlucht nemend, hoe kan Ik dan uit zijn op dergelijke zaken en hen de rug toekeren? (Vedabase)


Tekst 66

Zoals een kuise vrouw een zachtaardige echtgenoot van dienst is, treedt Ik op als de dienaar van zuivere en gelijkgezinde toegewijden [zie ook 7.9: 43] die met hun harten stevig verankerd in Mij zich bezighouden met toegewijde dienst.

De manier waarop een kuise vrouw het heeft met een zachtgeaarde echtgenoot, hebben de geheiligden, zuiver en gelijkgezind [zie ook 7.9: 43], met hun harten stevig verankerd in Mij, met het inrichten van hun toegewijde dienst, Mij onder controle. (Vedabase)

 

Tekst 67

Mij toegewijd talen ze niet naar de volkomenheid [de pûrnam] van de vier vormen van bevrijding die ze, simpelweg van dienst zijnd, vanzelf bereiken. Waarom zouden ze zich overgeven aan andere zaken die mettertijd weer verloren gaan? 

In Mijn dienst bereiken ze vanzelf de vier vormen van bevrijding en talen ze, eenvoudig dienend, niet naar de volkomenheid [de pûrnam] zodat er geen sprake is van andere zaken: in de loop van de tijd zijn ze die te boven gekomen. (Vedabase)

 

Tekst 68

De zuivere toegewijden bevinden zich altijd in Mijn hart en Ik ben altijd in hun harten aanwezig. Zij kennen niets buiten Mij en Ik koester niet de geringste belangstelling buiten hen [zie ook B.G. 9: 29].

De geheiligden bevinden zich altijd in Mijn hart en Ik ben waarlijk altijd in hun harten aanwezig; zij kennen niets buiten Mij en Ik koester niet de geringste belangstelling buiten hen [zie ook B.G 9: 29]. (Vedabase)

 

Tekst 69

Laat me u zeggen hoe u uzelf in dezen moet beschermen o geleerde. Luister goed naar wat Ik zeg. Met wat u gedaan hebt hebt u uzelf geweld aangedaan. Verdoe nu niet langer uw tijd en begeef u terstond naar hem [Ambarîsha] die de aanleiding vormde. Zoals u ziet: de macht ingezet tegen een toegewijde keert zich tegen hem die zich daar schuldig aan maakt.

Laat me u zeggen hoe u uzelf in dezen moet beschermen, o geleerde, luister enkel naar wat Ik zeg: met dit optreden van u bent u uw eigen vijand geworden; verdoe nu niet langer uw tijd en begeef u terstond naar hem [Ambarîsha] vanwege wie dit alles zich afspeelde - u ziet: de macht ingezet tegen de toegewijde is schadelijk voor hem die hem toepast. (Vedabase)

 

Tekst 70

Boete en kennis brengen de geschoolden de grootste zegen, maar in praktijk gebracht door een opstandig iemand leiden ze tot het tegengestelde.

Boete en kennis zijn de twee oorzaken van de verheffing der geschoolden, maar met een omhoog gevallen iemand brengen ze de beoefenaar precies het tegenovergestelde. (Vedabase)

 

Tekst 71

O brahmaan, ik wens u al het geluk van de wereld, ga daarom naar de koning, de zoon van Nâbhâga, om die grote persoonlijkheid tevreden te stellen. Dan zal er vrede zijn.' 

O brahmaan, ga derhalve naar de koning, de zoon van Nâbhâga, om hem, de grote persoonlijkheid, gerust te stellen - dan zal er vrede zijn. (Vedabase)
 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de
Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License.
De afbeelding getiteld 'Krishna geeft de Sudars'ana cakra' is een collage van Anand Aadhar
van een
vintage plaatje waarin S'iva de Sudars'ana cakra aan Vishnu geeft
met op de achtergrond "
The ten syllables of the kalachakra mantra mandala',
een kunstwerk van
exoticindia.com. Gebruikt met toestemming.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties