regelbalk



 

Canto 5

Râdhâ Mâdhava 2

 
 

Hoofdstuk 18: Gebeden tot de Verschillende Avatâra's

(1) S'rî S'uka zei: 'De zoon van Dharmarâja die bekend staat als Bhadras'ravâ, aanbidt samen met de leidende edelen en de bewoners van Bhadrâs'va-varsha, rechtstreeks op dezelfde manier [als Heer S'iva] de Allerhoogste Heer Vâsudeva in Zijn meest geliefde gedaante als de bestuurder van alle religie: Zijn incarnatie als Hayagrîva [of Hayas'îrsha]. Hem benaderend zingen zij, verzonken in de bovenzinnelijkheid, het volgende. (2) De heerser Bhadras'ravâ en de zijnen zeggen: 'Onze eerbetuigingen voor de Allerhoogste Heer die we aanbidden omdat Hij de bron van alle religieuze beginselen is en ons zuivert van alle materiële smetten. (3) Helaas! Hoe wonderlijk zijn de wegen van de Heer. Ook al is iemand er zeker van dat hij voor de dood komt te staan, toch ziet hij dit niet in en denkt hij aan materieel geluk. Als hij verkeerde dingen doet probeert hij te genieten en als hij zijn vader of zijn zoons cremeert wenst hij zich het eewige leven. (4) De grote wijzen houden traditioneel vast aan hun standpunt dat het universum van voorbijgaande aard is en ook de filosofen en geleerden die hun ware zelf zien en kennen stellen dat. Niettemin raken ze bevangen door illusie, o Ongeborene. We brengen U, die Ongeboren Ene, onze eerbetuigingen wiens daden zo wonderbaarlijk zijn. (5) De Vedische geschriften stellen dat U afstand houdt van de acties van de schepping, handhaving en beëindiging van het ganse universum. Dat die U niet raken, wekt bij ons echter geen verbazing omdat we in U, de oorspronkelijke oorzaak van alle oorzaken, de essentie [dan wel oersubstantie] aantreffen die er in ieder opzicht los van staat. (6) Aan het einde van de Yuga werden de vier Veda's gestolen door de onwetendheid in eigen persoon [de demon Madhu] en [die terughalend] van de laagste werelden werden ze door U, die de gedaante aannam van half een paard, half een mens [Hayagrîva], weer teruggegeven aan de allerhoogste poëet [Brahmâ] toen hij naar ze vroeg. Voor Hem, U wiens besluit nimmer faalt, brengen we onze eerbetuigingen.'

(7) Daarnaast bevindt zich in Hari-varsha de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Heer in een menselijke gedaante [als Nrisimhadeva]. De reden waarom hij die voor de grote persoonlijkheid van alle goede kwaliteiten Prahlâda hoogst bevredigende gedaante aannam, zal ik u later uiteenzetten [zie zevende canto]. Deze bovenste beste toegewijde door wiens verheven karakter en kwaliteiten al de Daitya's in zijn familie bevrijd raakten, is tezamen met de mensen van die varsha van een ononderbroken, vastberaden toegewijde dienst en zij aanbidden Hem met deze lofprijzing: (8) 'O Allerhoogste Heer Nrisimha, ik buig me voor U, ik breng de macht van alle macht die U bent mijn eerbetuigingen. AlstUblieft manifesteert U zich volledig, o U wiens nagels en tanden als bliksemschichten zijn. Neem alstUblieft het verlangen weg het onware te genieten, o Heer, wees zo goed de onwetendheid in de materiële wereld uit te bannen. Mogen we met mijn offerande vrij zijn van alle angst. Ik bidt U, o Heer, bron van mijn gebed, voor mijn geestesoog te verschijnen. (9) Moge er geluk en voorspoed zijn voor het gehele universum, moge alle ondeugd de deugd vinden, laat alle levende wezens tot bewustzijn komen in een wederkerige bedachtzaamheid en moge de geest rust vinden. Geef ons de ervaring van U als de Heer in het voorbije, verleen onze intelligentie de verzonkenheid zonder nevenmotieven. (10) Laat er niet langer de gehechtheid zijn aan het hebben van een huis, een echtgenote, kinderen, een banksaldo, vrienden en verwanten, maar laat ons omgaan met personen die de Heer koesteren, personen die genoegen nemen met het hoogst noodzakelijke en die - in tegenstelling tot hen die de zinnen koesteren - er snel in slagen tot zelfverwerkelijking te komen. (11) De ongeborene die via de oren de kern van het hart binnenging verdrijft met de macht van een constant vermogen de onzuiverheden uit het lichaam en de geest van hen die erin slaagden regelmatig met elkaar om te gaan en in contact te staan met de heilige plaatsen [tempels, heilige rivieren, bedevaartsoorden etc.]. Wie zou nu niet de Heer van de Bevrijding dienen en zijn glorieuze daden [bespreken]? (12) In hen die, zonder nevenmotieven, de Fortuinlijke van dienst zijn, manifesteren zich al de halfgoden en treft men alle goede kwaliteiten aan. Maar waar zijn de goede kwaliteiten van een persoon die de Heer niet toegewijd is en die met een drukke geest steeds gericht is op het tijdelijke van de buitenwereld? (13) Zo wenselijk als water is voor waterdieren, is de Allerhoogste Heer wenselijk als het ware zelf, als de (Super)ziel van alle belichaamde wezens. Als men het opgeeft met een grote persoonlijkheid als Hij, zal men gehecht raken aan een huishoudelijk bestaan dat van een echtpaar op latere leeftijd dan de [hele] glorie is [die werd bereikt]. (14) Het huishoudelijk bestaan vormt de grondoorzaak van angst en depressie, hartstocht, gehechtheid, teleurstelling, woede, eerzucht en de kringloop van geboorte en dood. Men moet het opgeven [op die manier gehecht te zijn] en [in plaats daarvan] van aanbidding zijn voor de voeten van Heer Nrisimhadev, de toevlucht vrij van angst.'

Kamadeva_Krishna

(15) De Allerhoogste Heer verblijft in Ketumâla in de gedaante van Kâmadeva [of ook wel Pradyumna, zie 4.24: 35] overeenkomstig Zijn verlangen de Godin van het Geluk te behagen alsmede de over het land heersende zonen [de dagen] en dochters [de nachten] van de stamvader [Samvatsara, de godheid van het jaar], waarvan er evenzoveel zijn als er dagen en nachten zijn in een mensenleven. De foetussen van die dochters, wiens geesten van streek zijn door de straling van het grote wapen [de cakra] van de Hoogste Persoonlijkheid, vinden hun vernietiging en worden na een jaar uit [de baarmoeder] gedreven als miskramen. (16) Zo wonderschoon in Zijn bewegingen en vertoonde avonturen, behaagt Hij met Zijn milde glimlachen, speelse blikken, lichtelijk geheven, aantrekkelijke wenkbrauwen en de charme van Zijn lotusgelijke gezicht de Godin van het Geluk en alle zinnen. (17) Voor die hoogste gedaante van de Opperheer zo vol genegenheid voor allen, heft de Godin van de Schittering [Lakshmîdevî] in de verzonkenheid van de yoga, gedurende het gehele jaar tijdens de nacht met de dochters van de Prajâpati en tijdens de dagen met de beschermers [zonen, echtgenoten] van aanbidding voor Hem, het volgende gebed aan: (18) 'O Heer, hrâm hrîm hrûm [een mystieke mantra ter verzoening], met achting voor al Uw kwaliteiten en eigenschappen betuig ik U de eer, U de Allerhoogste Heer van de zinnen, U de Ziel van allen en meester van alle handelen, weten, functie en relatie; de Ene die bekend staat als het zestienvoudige [van de werkende, de kennende zinnen, de elementen en de geest]. U als de genieter van alle rituelen, de verschaffer van het voedsel, Hij die het eeuwige leven vergunt, de Allesdoordringende van de Macht, de kracht van het lichaam en de zinnen en de Allerhoogste Echtgenoot die alle verlangens vervult, geldt mijn eerbetoon - moge er altijd Uw goede geluk zijn! (19) Vrouwen in deze wereld vragen om [U als] een andere, zelfstandiger echtgenoot door Uw persoon, de Heer van de Zinnen, gunstig te stemmen met behulp van heilige geloften, omdat de afhankelijke echtgenoten niet in staat zijn het teerbeminde nageslacht, de weelde en het leven van deze vrouwen te beschermen. (20) Die man zou een echtgenoot zijn die onbevreesd en zelfvoorzienend volledig in staat is bescherming te bieden. U bent die persoon [die van niemand afhankelijk is] want anders zouden mensen bang voor elkaar zijn [in hun afhankelijkheid]. Niets  wordt in deze wereld zo hoog geacht als het bereiken van U. (21) Een vrouw die, met dat idee van U voor ogen, ijverig Uw lotusvoeten aanbidt, wordt door U, ondanks al de verlangens waar ze aan verslaafd is, beloond voor enkel dat ene verlangen; maar als ze, met de wens U te aanbidden, een ander doel nastreeft, o Allerhoogste Heer, zal ze, aldus gebroken [hebbend met de oorspronkelijke bedoeling], pijn ondervinden. (22) Om de genade van mij [de Godin van het Geluk] te verwerven onderwerpen de ongeborene [Brahmâ], de machtige meester [Îs'a ofwel S'iva], de andere goden alsook de onverlichte zielen zich aan zware boetedoeningen, maar omdat ik U altijd in mijn hart heb, zal niemand met een geest ingesteld op het zintuiglijke mij kunnen verwerven, tenzij, o Onoverwinnelijke, Uw voeten zijn uiteindelijke doel vormen. (23) Ik bidt dat U, o Onfeilbare, Uw aanbiddelijke lotushand, die U legde op de hoofden van de toegewijden, ook op mijn hoofd legt. U draagt mijn merkteken op Uw borst, o Aanbiddelijke, maar dat is misleidend [dat verzekert me nog niet van Uw genade]. Wie kan nu met redeneren en argumenteren de motieven van U, de Allerhoogste Heer, doorgronden?'

(24) In Ramyaka, waar [Vaivasvata] Manu heerst, werd in het verleden [aan het eind van de Câkshusha-manvantara] de Allerhoogste Persoon aanbeden in zijn hoogst geliefde gedaante van Matsya, de vis-incarnatie. Zelfs vandaag de dag nog is Manu in zijn toegewijde dienst van aanbidding met het volgende gebed: (25) 'Ik bied Hem, de Allerhoogste Heer, mijn eerbetuigingen, die zuivere goedheid is, de oorsprong van het leven, de bron van vitaliteit, de oorsprong van alle geesteskracht en lichamelijke kracht, verschenen in de gedaante van de grote vis. (26) Onzichtbaar voor het oog van de leiders van de verschillende werelden, beweegt U, o Allerhoogste Heer, zich zowel vanbinnen als vanbuiten gekend aan de hand van de grootse [Vedische] klanken [de mantra's] waarmee de mens, aangesproken met zijn verschillende [varnâs'rama] benamingen [voor status en beroep], onder Uw controle wordt gebracht als was hij een ledenpop. (27) De leiders van de wereld lijden in de politiek onder de koorts van de afgunst. Zij die, afzonderlijk dan wel tezamen, los van U hun plannen uitvoeren, trachten ook bescherming te bieden, maar ze zijn daar niet toe in staat, ongeacht welke tweebenige, vierbenige, kruipende of niet bewegende schepselen het in deze wereld ook betreft. (28) O Godheid, toen deze aarde, die vergaarplaats van alle soorten medicinale kruiden, aan het einde van de Yuga zich in de onstuimige golven van het water van de vernietiging bevond, was U met al Uw macht snel aanwezig voor [de redding van] haar en mij, o Ongeborene. U, de uiteindelijke bron van het leven van het ganse universum, biedt ik daarom mijn respectvolle eerbetuigingen [zie ook 8.24].'

(29) Verblijvend in Hiranmaya manifesteert de Allerhoogste Heer zich in de gedaante van een schildpad [Kurma]. Aryamâ, de leider van de voorvaderen, aanbidt samen met de mensen van die landstreek, die meest geliefde belichaming van Hem met het zingen van de volgende lofzang. (30) 'Mijn Heer wij betuigen U, de Allerhoogste Heer in de gedaante van een schildpad, de eer. U bent de belichaming van alle goede kwaliteiten, keer op keer brengen wij U onze eerbetuigingen wiens positie niet te bepalen is, U de allergrootste, die tot overal reikt en de toevlucht van allen bent. (31) Deze gedaante van U van het zichtbare kosmische geheel dat U manifesteerde vanuit Uw creatieve vermogen en dat gekend wordt aan de hand van zo vele verschijningsvormen, gaat iedere voorstelling te boven en kunnen we daardoor niet waarnemen zoals hij is - voor U, wiens eigenlijke gedaante niet in woorden uit te drukken is, ons eerbetoon. (32) Wat wordt geboren uit een baarmoeder, geboren wordt uit vocht, geboren wordt uit een ei, uit de aarde wordt geboren; wat zich beweegt of niet beweegt, een god, een wijze of een voorvader; wat er is als de materiële elementen, de zinnen, de hogere werelden, de hemel, de aardse werelden, de heuvels en de bergen, de rivieren, de oceanen, de eilanden, de sterren en de planeten, zijn allemaal verschillende noties van een en dezelfde [gedaante van U]. (33) Aan U, met al Uw talloze afzonderlijke namen, vormen en eigenschappen, ontlenen de geleerden hun idee van getalsmatige verhoudingen, opsommingen en samenhangen, waarvan ze de waarheid achterhalen middels observatie. U die zich aldus analytisch laat doorgronden, biedt ik mijn eerbetuigingen [zie ook Kapila 3.28-33].'

(34) In  het noordelijke gebied genaamd Kuru is de Allerhoogste Heer,  de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, er ook, en wel in Zijn zwijnengedaante [Varâha, zie 3.13]. Hij wordt daar telkens weer aanbeden door de Godin en deze planeet aarde, tezamen met de inwoners van [Uttara-]Kuru, die constant ijveren voor Zijn toegewijde dienst. Bij die aanbidding herhaalt men de volgende versregels uit de Upanishad: (35) 'Wij brengen de Allerhoogste Heer onze eerbetuigingen die men begrijpt middels de verschillende mantra's voor het offeren, de rituelen en al de grote plechtigheden die deel uitmaken van Zijn lichaam. Die grote persoonlijkheid die ons zuivert van ons karma en die zich in al de drie [voorgaande] tijdperken manifesteerde, betuigen wij de eer. (36) Voor de grote geleerden vol van wijsheid vormt de materiële natuur met haar basiskwaliteiten Uw gedaante. Precies zoals vuur zich manifesteert in hout als men met een stok ronddraait, vinden zij, die in hun geestelijke onderzoekingen speuren naar de oorzaak, U, de zich manifesterende Ziel die wij ons respect betonen, maar die verborgen blijft als men zich inspant voor materiële resultaten. (37) Zij wiens intelligentie zich stabiliseerde, door zorgvuldig al de verschillende onderdelen van het yogasysteem in overweging te nemen, raken daardoor geheel bevrijdt van de mâyâ van Uw uiterlijke vorm, de illusie die wordt opgewekt door de voorwerpen van de zintuigen, de godheden [van de zon, de maan, het vuur etc.] die heersen over de zinnen, het lichaam, de geldende Tijd [de Heerser], degene die handelt [het ego] en de geaardheden van de natuur, die men alle waarneemt als feitelijkheden. Voor die sublieme Ziel is er ons herhaaldelijke eerbetoon. (38) U die er geen verlangens op nahoudt in het handhaven, beëindigen en scheppen van het universum, U die in het overzien van guna en mâyâ - [en aldus het universum doet bewegen] zoals ijzer zich beweegt in de richting van een magneet - graag wil [zorgen voor de zielen] maar niet verlangt naar [Uw manifestatie], U die er bent als de getuige van de handelingen en de terugslagen, betuigen wij de eer. (39) Voor Hem die in de oorspronkelijke gedaante van een everzwijn, speels als een olifant, na het doden van de meest formidabele daitya tegenstander in het gevecht [Hiranyâksha zie 3.19], uit het water van de Garbhodaka oceaan tevoorschijn kwam met onze aarde op de toppen van Zijn slagtanden - voor die Almachtige Heer buigen wij ons diep.'
 

 

next                     

 
Derde herziene editie, geladen 4 juni, 2018. 
 
 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

S'rî S'uka zei: 'De zoon van Dharmarâja die bekend staat als Bhadras'ravâ, aanbidt samen met de leidende edelen en de bewoners van Bhadrâs'va-varsha, rechtstreeks op dezelfde manier [als Heer S'iva] de Allerhoogste Heer Vâsudeva in Zijn meest geliefde gedaante als de bestuurder van alle religie: Zijn incarnatie als Hayagrîva [of Hayas'îrsha]. Hem benaderend zingen zij, verzonken in de bovenzinnelijkheid, het volgende.
S'rî S'uka zei: 'Op dezelfde manier [als Heer S'iva] is de zoon van Dharmarâja, die bekend staat als Bhadras'ravâ, en met hem de leidende edelen en al de mensen van het land van Bhadrâs'va-varsha, rechtstreeks van aanbidding voor de Allerhoogste Heer Vâsudeva, in Zijn meest geliefde gedaante als de bestuurder van alle religie, de incarnatie van Hayagrîva [of Hayas'îrsha]. Hem benaderend heffen zij allen, gefixeerd op het hoogste, deze zang aan. (Vedabase)

 

Tekst 2

De heerser Bhadras'ravâ en de zijnen zeggen: 'Onze eerbetuigingen voor de Allerhoogste Heer die we aanbidden omdat Hij de bron van alle religieuze beginselen is en ons zuivert van alle materiële smetten.

Bhadras'ravâ, de heerser zegt: 'Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer die de bron is van alle religieuze beginselen en die ons van alle materiële smetten zuivert; aan Hem dus ons respectvolle eerbetoon. (Vedabase)

 

Tekst 3

Helaas! Hoe wonderlijk zijn de wegen van de Heer. Ook al is iemand er zeker van dat hij voor de dood komt te staan, toch ziet hij dit niet in en denkt hij aan materieel geluk. Als hij verkeerde dingen doet probeert hij te genieten en als hij zijn vader of zijn zoons cremeert wenst hij zich het eewige leven.

Helaas! Hoe wonderlijk de wegen van de Heer. Er zeker van dat hij voor de dood komt te staan ziet een persoon dit niettemin niet in en denkt hij aan materieel geluk; hoe onterecht is het dat hij het zo verlangt te genieten van een leven voor zichzelf, terwijl hij zijn vader en zijn zoons cremeert! (Vedabase)

 

Tekst 4

De grote wijzen houden traditioneel vast aan hun standpunt dat het universum van voorbijgaande aard is en ook de filosofen en geleerden die hun ware zelf zien en kennen stellen dat. Niettemin raken ze bevangen door illusie, o Ongeborene. We brengen U, die Ongeboren Ene, onze eerbetuigingen wiens daden zo wonderbaarlijk zijn.

De grote wijzen houden vast aan hun standpunt dat het geheel van de schepping zonder twijfel vergankelijk is en zo stellen dat ook de filosofen en de geleerden; niettemin raken ze bevangen door illusie, o ongeborene, door Uw uitwendige energie, Uw wonderbaarlijke wegen; voor U als die ongeboren Ene, mijn respect. (Vedabase)

 

Tekst 5

De Vedische geschriften stellen dat U afstand houdt van de acties van de schepping, handhaving en beëindiging van het ganse universum. Dat die U niet raken, wekt bij ons echter geen verbazing omdat we in U, de oorspronkelijke oorzaak van alle oorzaken, de essentie [dan wel oersubstantie] aantreffen die er in ieder opzicht los van staat.

In de Veda's aangenomen als Zich waarlijk bevindend buiten Uw activiteiten van de schepping, de handhaving en het tot staan brengen van het gehele universum, wekt U, hoewel door hen niet beroerd, bij ons geen verbazing, daar we zijn verbonden in U, de oorspronkelijke oorzaak aller oorzaken en de oorspronkelijke substantie die er in alle opzichten los van staat. (Vedabase)

 

Tekst 6

Aan het einde van de Yuga werden de vier Veda's gestolen door de onwetendheid in eigen persoon [de demon Madhu] en [die terughalend] van de laagste werelden werden ze door U, die de gedaante aannam van half een paard, half een mens [Hayagrîva], weer teruggegeven aan de allerhoogste poëet [Brahmâ] toen hij naar ze vroeg. Voor Hem, U wiens besluit nimmer faalt, brengen we onze eerbetuigingen.'

Aan het eind van de Yuga werden de vier Veda's gestolen door de onwetendheid in eigen persoon en van de laagste werelden werden ze door U, de gedaante aannemend van half een paard, half een mens, weer teruggebracht naar de allerhoogste poëet [Brahmâ] toen hij naar ze vroeg; mijn eerbetuigingen voor Hem, voor U wiens besluit nimmer faalt.' (Vedabase)

  

Tekst 7

Daarnaast bevindt zich in Hari-varsha de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Heer in een menselijke gedaante [als Nrisimhadeva]. De reden waarom hij die voor de grote persoonlijkheid van alle goede kwaliteiten Prahlâda hoogst bevredigende gedaante aannam, zal ik u later uiteenzetten [zie zevende canto]. Deze bovenste beste toegewijde door wiens verheven karakter en kwaliteiten al de Daitya's in zijn familie bevrijd raakten, is tezamen met de mensen van die varsha van een ononderbroken, vastberaden toegewijde dienst en zij aanbidden Hem met deze lofprijzing:

In Hari-varsha, bevindt zich eveneens de Allerhoogste Persoonlijkheid van de Heer als God in een menselijke gedaante [als Nrisimhadeva]. De reden waarom hij die hoogst bevredigende gedaante aannam voor de grote persoonlijkheid van alle goede kwaliteiten, zal ik u later uiteenzetten [zie zevende canto]. Prahlâda, deze bovenste beste toegewijde door wiens verheven karakter en kwaliteiten al de Daitya's in zijn familie bevrijd raakten, is tezamen met de mensen van die varsha van een ononderbroken, niet aflatende toegewijde dienst en zij aanbidden Hem onder aanhef van deze lofprijzing: (Vedabase)

 

Tekst 8

'O Allerhoogste Heer Nrisimha, ik buig me voor U, ik breng de macht van alle macht die U bent mijn eerbetuigingen. AlstUblieft manifesteert U zich volledig, o U wiens nagels en tanden als bliksemschichten zijn. Neem alstUblieft het verlangen weg het onware te genieten, o Heer, wees zo goed de onwetendheid in de materiële wereld uit te bannen. Mogen we met mijn offerande vrij zijn van alle angst. Ik bidt U, o Heer, bron van mijn gebed, voor mijn geestesoog te verschijnen.

'O Allerhoogste Heer Nrisimha, ik buig me voor U neer, mijn eerbetuigingen aan de macht aller macht die U bent; alstublieft manifesteer U volledig - o U wiens nagels en tanden als bliksemschichten zijn, neemt U alstublieft het verlangen het onware te genieten weg, o Heer, wees zo goed de onwetendheid in de materiële wereld uit te bannen; moge er met mijn offerande er de vrijheid van alle angst zijn, ik bidt U o Heer, bron van mijn gebed, voor mijn geestesoog te verschijnen. (Vedabase)

 

Tekst 9

Moge er geluk en voorspoed zijn voor het gehele universum, moge alle ondeugd de deugd vinden, laat alle levende wezens tot bewustzijn komen in een wederkerige bedachtzaamheid en moge de geest rust vinden. Geef ons de ervaring van U als de Heer in het voorbije, verleen onze intelligentie de verzonkenheid zonder nevenmotieven.

Moge er geluk en voorspoed zijn voor het gehele universum, laat allen die aan het aardse zijn gebonden de vrede vinden, laat alle levende wezens tot bewustzijn komen in een wederkerige bedachtzaamheid en de geest rust vinden - laat hen de Heer in het voorbije ervaren, geef onze intelligentie de verzonkenheid zonder nevenmotieven. (Vedabase)

 

Tekst 10

Laat er niet langer de gehechtheid zijn aan het hebben van een huis, een echtgenote, kinderen, een banksaldo, vrienden en verwanten, maar laat ons omgaan met personen die de Heer koesteren, personen die genoegen nemen met het hoogst noodzakelijke en die - in tegenstelling tot hen die de zinnen koesteren - er snel in slagen tot zelfverwerkelijking te komen.

Laat er niet de gehechtheid zijn aan thuis, de echtgenote, de kinderen, een banksaldo en vrienden en verwanten; laat ons verkeren met personen die de Heer liefhebben, personen tevreden met de noodzakelijkheden des levens die - in tegenstelling tot hen voor wie de zinnen dierbaar zijn - in het levend voor de ziel, zeer snel van succes zijn. (Vedabase)

 

Tekst 11

De ongeborene die via de oren de kern van het hart binnenging, verdrijft met de macht van een constant vermogen de onzuiverheden uit het lichaam en de geest van hen die erin slaagden regelmatig met elkaar om te gaan en in contact te staan met de heilige plaatsen [tempels, heilige rivieren, bedevaartsoorden etc.]. Wie zou nu niet de Heer van de Bevrijding dienen en zijn glorieuze daden [bespreken]?

Door het hebben bereikt van de herhaalde omgang met hen wiens invloed van een ongewone aard is en door het in aanraking komen met de heilige plaatsen, worden voorzeker de onzuiverheden van de geest overwonnen; de ongeborene die via de oren de kern van het hart binnenging, zou inderdaad onzuivere zaken niet van dienst zijn - zo gaat het met Mukunda [de Heer der Bevrijding]. (Vedabase)


Tekst 12

In hen die, zonder nevenmotieven, de Fortuinlijke van dienst zijn, manifesteren zich al de halfgoden en treft men alle goede kwaliteiten aan. Maar waar zijn de goede kwaliteiten van een persoon die de Heer niet toegewijd is en die met een drukke geest steeds gericht is op het tijdelijke van de buitenwereld?

In hen die, met alle goede kwaliteiten, van een onvermengde toegewijde dienst zijn voor de Fortuinlijke, vind men alle halfgoden terug die van respect zijn voor de Heer - maar waar zijn de goede kwaliteiten van een persoon die niet toegewijd is, die met zijn mentale speculeren zich druk maakt in de richting van het tijdelijke van de wereld? (Vedabase)

 

Tekst 13

Zo wenselijk als water is voor waterdieren, is de Allerhoogste Heer wenselijk als het ware zelf, als de (Super)ziel van alle belichaamde wezens. Als men het opgeeft met een grote persoonlijkheid als Hij, zal men gehecht raken aan een huishoudelijk bestaan dat van een echtpaar op latere leeftijd dan de [hele] glorie is [die werd bereikt].

Zo noodzakelijk als water is voor waterdieren is de Heer, de Allerhoogste, het leven en de ziel voor alle belichaamde wezens; als men het opgeeft met een grote persoonlijkheid als Hij, zal men gehecht blijven aan het huishoudelijk leven dat dan, voor een echtpaar op leeftijd, een vorm van hoogmoed inhoudt. (Vedabase)


Tekst 14

Het huishoudelijk bestaan vormt de grondoorzaak van angst en depressie, hartstocht, gehechtheid, teleurstelling, woede, eerzucht en de kringloop van geboorte en dood. Men moet het opgeven [op die manier gehecht te zijn] en [in plaats daarvan] van aanbidding zijn voor de voeten van Heer Nrisimhadev, de toevlucht vrij van angst.'

Het huishoudelijk leven is de grondoorzaak van angst en depressie, hartstocht, gehechtheid, teleurstelling, woede, eerzucht en de kringloop van geboorte en dood, en moet om deze redenen worden opgegeven middels het eerbetoon aan de voeten van Heer Nrisimhadev, die de toevlucht is om vrij te kunnen zijn van angst in deze wereld.' (Vedabase)

 

Tekst 15

De Allerhoogste Heer verblijft in Ketumâla in de gedaante van Kâmadeva [of ook wel Pradyumna, zie 4.24: 35], overeenkomstig Zijn verlangen de Godin van het Geluk te behagen alsmede de over het land heersende zonen [de dagen] en dochters [de nachten] van de stamvader [Samvatsara, de godheid van het jaar], waarvan er evenzoveel zijn als er dagen en nachten zijn in een mensenleven. De foetussen van die dochters, wiens geesten van streek zijn door de straling van het grote wapen [de cakra] van de Hoogste Persoonlijkheid, vinden hun vernietiging en worden na een jaar uit [de baarmoeder] gedreven als miskramen.

In de gedaante van Kâmadeva [of ook wel Pradyumna, zie 4.24: 35] verblijft de Allerhoogste Heer in Ketumâla ter bevrediging van de Godin van het geluk, alsook van de over het land heersende zonen [de dagen] en de dochters [de nachten] van de stamvader [Samvatsara, de godheid van het jaar] - waarvan er evenzoveel zijn als er dagen en nachten in een mensenleven zijn. De foetussen van die dochters, wiens geesten van streek zijn door de straling van het grote wapen [de cakra] van de Hoogste Persoonlijkheid, belanden, afgedreven, aan het einde van een jaar uit [de baarmoeder] gebannen, erdoor in het werelds ongeluk. (Vedabase)


Tekst 16

Zo wonderschoon in Zijn bewegingen en vertoonde avonturen, behaagt Hij met Zijn milde glimlachen, speelse blikken, lichtelijk geheven, aantrekkelijke wenkbrauwen en de charme van Zijn lotusgelijke gezicht de Godin van het Geluk en alle zinnen.

Zo wonderschoon in Zijn bewegingen en vertoonde avonturen, behaagt Hij met Zijn milde glimlachen, speelse blikken en lichtelijk geheven aantrekkelijke wenkbrauwen; goedgunstig met Zijn lotusgelijke gezicht is Hij de Godin van het Geluk en alle zinnen een genoegen. (Vedabase)

 

Tekst 17

Voor die hoogste gedaante van de Opperheer zo vol genegenheid voor allen, heft de Godin van de Schittering [Lakshmîdevî] in de verzonkenheid van de yoga, gedurende het gehele jaar tijdens de nacht met de dochters van de Prajâpati en tijdens de dagen met de beschermers [zonen, echtgenoten] van aanbidding voor Hem, het volgende gebed aan:

Voor die hoogste gedaante van de Opperheer zo vol genegenheid voor allen, heft de Godin der Schittering in de verzonkenheid van de yoga, gedurende het gehele jaar tijdens de nacht met de dochters van de Prajâpati en tijdens de dagen met de echtgenoten, van aanbidding zijnde voor Hem, het volgende gebed aan: (Vedabase)

 

Tekst 18

'O Heer, hrâm hrîm hrûm [een mystieke mantra ter verzoening], met achting voor al Uw kwaliteiten en eigenschappen betuig ik U de eer, U de Allerhoogste Heer van de zinnen, U de Ziel van allen en meester van alle handelen, weten, functie en relatie; de Ene die bekend staat als het zestienvoudige [van de werkende, de kennende zinnen, de elementen en de geest]. U als de genieter van alle rituelen, de verschaffer van het voedsel, Hij die het eeuwige leven vergunt, de Allesdoordringende van de Macht, de kracht van het lichaam en de zinnen en de Allerhoogste Echtgenoot die alle verlangens vervult, geldt mijn eerbetoon - moge er altijd Uw goede geluk zijn!

'O Heer, o wijzenlied gezongen, mijn eerbetoon aan U als de Allerhoogste Heer der zinnen, U met achting voor al Uw kwaliteiten en al Uw verscheidenheid, U als de ziel van allen en meester van alle handelen, weten, functie en relatie, de Ene bekend als het zestienvoudige (van de werkende, de kennende zinnen, de elementen en de geest); voor U als de genieter van alle rituelen, de Handhaver en Onderhouder van allen, Hij die het eeuwige leven vergunt, de Alles-doordringende van de Macht, de kracht van het lichaam en de zinnen, de Allerhoogste Echtgenoot die alle verlangens vervult, mijn respectvolle eerbetuigingen - moge er altijd Uw goede geluk zijn! (Vedabase)

 

Tekst 19

Vrouwen in deze wereld vragen om [U als] een andere, zelfstandiger echtgenoot door Uw persoon, de Heer van de Zinnen, gunstig te stemmen met behulp van heilige geloften, omdat de afhankelijke echtgenoten niet in staat zijn het teerbeminde nageslacht, de weelde en het leven van deze vrouwen te beschermen.

Voor alle vrouwen van Uw overeenkomst naar de gelofte, bent U de Beheerser van de zinnen die om een echtgenoot wordt gevraagd om voor te zorgen in deze wereld. Als iemand anders voor hen zijn die echtgenoten inderdaad niet in staat de zo geliefde kinderen, weelde en levensduur te beschermen, omdat ze zelf afhankelijk zijn. (Vedabase)


Tekst 20

Die man zou een echtgenoot zijn die onbevreesd en zelfvoorzienend volledig in staat is bescherming te bieden. U bent die persoon [die van niemand afhankelijk is] want anders zouden mensen bang voor elkaar zijn [in hun afhankelijkheid]. Niets wordt in deze wereld zo hoog geacht als het bereiken van U.

U zou inderdaad de echtgenoot zijn, vrij van angst en zelfvoorzienend, die ten volle de angstige persoon beschut. Derhalve, omdat U anders van de angst voor elkaar zou zijn, bent U de enige ware; er is waarlijk niets dat men hoger moet achten dan het bereiken van U. (Vedabase)


Tekst 21

Een vrouw die, met dat idee van U voor ogen, ijverig Uw lotusvoeten aanbidt, wordt door U, ondanks al de verlangens waar ze aan verslaafd is, beloond voor enkel dat ene verlangen; maar als ze, met de wens U te aanbidden, een ander doel nastreeft, o Allerhoogste Heer, zal ze, aldus gebroken [hebbend met de oorspronkelijke bedoeling], pijn ondervinden.

Een vrouw die met dat beeld van U vol van verlangen is in de aanbidding van Uw lotusvoeten, wordt door U, ongeacht al die gekoesterde verlangens, beloond in enkel dat verlangen; ziet ze uit naar een andere gunst, dan zal, o mijn Heer, ze breken, pijnlijk getroffen in dat soort van aanbidden met nevenmotieven. (Vedabase)


Tekst 22

Om de genade van mij [de Godin van het Geluk] te verwerven onderwerpen de ongeborene [Brahmâ], de machtige meester [Îs'a ofwel S'iva], de andere goden alsook de onverlichte zielen zich aan zware boetedoeningen, maar omdat ik U altijd in mijn hart heb, zal niemand met een geest ingesteld op het zintuiglijke mij kunnen verwerven, tenzij, o Onoverwinnelijke, Uw voeten zijn uiteindelijke doel vormen.

De ongeborene [Brahmâ], de beheerser [S'iva] en de andere goden, zowel als de onverlichten, ondergaan zware boete om mijn genade te verwerven; maar omdat ik mijn hart altijd in U heb, zal niemand met een geest die is ingesteld op het zintuiglijke mij kunnen verwerven, tenzij die persoon met zijn ziel en zaligheid van dienst is aan Uw voeten, o Onoverwinnelijke. (Vedabase)

 

Tekst 23

Ik bidt dat U, o Onfeilbare, Uw aanbiddelijke lotushand, die U legde op de hoofden van de toegewijden, ook op mijn hoofd legt. U draagt mijn merkteken op Uw borst, o Aanbiddelijke, maar dat is misleidend [dat verzekert me nog niet van Uw genade]. Wie kan nu met redeneren en argumenteren de motieven van U, de Allerhoogste Heer, doorgronden?'

Ik bidt dat U, o Onfeilbare, de aanbeden lotushand die U legde op de hoofden van de toegewijden ook op mijn hoofd legt; U hebt mijn merkteken op Uw borst o aanbiddelijke, maar dat is misleidend - wie zou met redeneren en argumenteren in staat zijn te doorgronden wat U als de Allerhoogste Beheerser allemaal van ons wilt?' (Vedabase)

 

Tekst 24

In Ramyaka, waar [Vaivasvata] Manu heerst, werd in het verleden [aan het eind van de Câkshusha-manvantara] de Allerhoogste Persoon aanbeden in zijn hoogst geliefde gedaante van Matsya, de vis-incarnatie. Zelfs vandaag de dag nog is Manu in zijn toegewijde dienst van aanbidding met het volgende gebed:

In Ramyaka werd voorheen door [Vaivasvata] Manu [aan het eind van de Câkshusha-manvantara] Matsya, de vis-incarnatie, als de Allerhoogste, meest belangrijke Persoon aanbeden; hij, de heerser van dat land is zelfs vandaag de dag nog door zijn toegewijde dienst van aanbidding in dezen met het volgende bidden: (Vedabase)

 

Tekst 25

'Ik bied Hem, de Allerhoogste Heer, mijn eerbetuigingen, die zuivere goedheid is, de oorsprong van het leven, de bron van vitaliteit, de oorsprong van alle geesteskracht en lichamelijke kracht, verschenen in de gedaante van de grote vis.

'Mijn eerbetuigingen aan de Allerhoogste Heer in Zijn verschijnen als de eerste incarnatie; mijn respectvolle eerbetoon voor het zuivere der goedheid, de oorsprong van het leven, de bron aller zinnigheid, de oorsprong van alle geesteskracht en lichamelijke kracht; aan Hem als de grote vis mijn eerbewijzen. (Vedabase)

 

Tekst 26

Onzichtbaar voor het oog van de leiders van de verschillende werelden, beweegt U, o Allerhoogste Heer, zich zowel vanbinnen als vanbuiten gekend aan de hand van de grootse [Vedische] klanken [de mantra's] waarmee de mens, aangesproken met zijn verschillende [varnâs'rama] benamingen [voor status en beroep], onder Uw controle wordt gebracht als was hij een ledenpop.

Zowel van binnen als van buiten aanwezig bent U, buiten het zicht van de leiders van al de verschillende werelden, er steeds; door de grootsheid van Uw geluiden wordt de mens, zo uiteenlopend benoemd, als een ledenpop onder Uw controle gebracht, o Allerhoogste Beheerser. (Vedabase)
 

Tekst 27

De leiders van de wereld lijden in de politiek onder de koorts van de afgunst. Zij die, afzonderlijk dan wel tezamen, los van U hun plannen uitvoeren, trachten ook bescherming te bieden, maar ze zijn daar niet toe in staat, ongeacht welke tweebenige, vierbenige, kruipende of niet bewegende schepselen het in deze wereld ook betreft.

De wereldleiders in de politiek lijden onder de koorts der afgunst, zij, los van U ondernemend, of het nu afzonderlijk is of tezamen, trachten ook te beschermen, maar ze zijn er niet toe in staat, welke tweebenige, vierbenige, kruipende of niet bewegende schepselen het in deze wereld ook betreft. (Vedabase)

 

Tekst 28

O Godheid, toen deze aarde, die vergaarplaats van alle soorten medicinale kruiden, aan het einde van de Yuga zich in de onstuimige golven van het water van de vernietiging bevond, was U met al Uw macht snel aanwezig voor [de redding van] haar en mij, o Ongeborene. U, de uiteindelijke bron van het leven van het ganse universum, biedt ik daarom mijn respectvolle eerbetuigingen [zie ook 8.24].'

O Godheid, toen deze aarde, die vergaarplaats van alle soorten van medicinale kruiden, zich aan het einde van de Yuga in de onstuimige golven van het water der vernietiging bevond, behoedde U haar en mij, waarbij U met al Uw macht hoogst grondig te werk ging, o Ongeborene; U, de uiteindelijke bron van het leven van het ganse universum biedt ik hier mijn respectvolle eerbetuigingen.' (Vedabase)

 

Tekst 29

Verblijvend in Hiranmaya manifesteert de Allerhoogste Heer zich in de gedaante van een schildpad [Kurma]. Aryamâ, de leider van de voorvaderen, aanbidt samen met de mensen van die landstreek die meest geliefde belichaming van Hem met het zingen van de volgende lofzang.

In Hiranmaya toont de Allerhoogste Heer zich verder in de gedaante van een schildpad [Kurma]. Van Hem, die meest geliefde belichaming, is Aryamâ, de leider der voorvaderen, tezamen met de mensen van die landstreek, van aanbidding met het zingen van de volgende lofzang.  (Vedabase)

 

Tekst 30

'Mijn Heer wij betuigen U, de Allerhoogste Heer in de gedaante van een schildpad, de eer. U bent de belichaming van alle goede kwaliteiten, keer op keer brengen wij U onze eerbetuigingen wiens positie niet te bepalen is, U de allergrootste, die tot overal reikt en de toevlucht van allen bent.

'Mijn Heer, ons respect voor U, als de Allerhoogste Heer in de gedaante van een schildpad, U bent het bovenzinnelijk goede van allen; aan U wiens positie niet te bepalen is, onze hulde. Hoewel U de oudste bent, wordt U door de werking van de tijd niet aangetast; mijn eerbied voor U als de Grote die overal reikt; keer op keer verbuig ik me voor de toevlucht van allen - onze eerbetuigingen gelden U! (Vedabase)


Tekst 31

Deze gedaante van U van het zichtbare kosmische geheel dat U manifesteerde vanuit Uw creatieve vermogen en dat gekend wordt aan de hand van zo vele verschijningsvormen, gaat iedere voorstelling te boven en kunnen we daardoor niet waarnemen zoals hij is - voor U, wiens eigenlijke gedaante niet in woorden uit te drukken is, ons eerbetoon.

Deze gedaante van U van het zichtbare kosmische geheel dat U manifesteerde vanuit Uw eigen vermogen en dat gekend wordt in zo vele goddelijke verschijningsvormen, gaat iedere inschatting te boven; en van de poging dat geheel in te schatten als zijnde iets zichtbaars, hebben we het valse - voor U, wiens ware gedaante niet waar te nemen is, buig ik mij. (Vedabase)

 

Tekst 32

Wat wordt geboren uit een baarmoeder, geboren wordt uit vocht, geboren wordt uit een ei, uit de aarde wordt geboren; wat zich beweegt of niet beweegt, een god, een wijze of een voorvader; wat er is als de materiële elementen, de zinnen, de hogere werelden, de hemel, de aardse werelden, de heuvels en de bergen, de rivieren, de oceanen, de eilanden, de sterren en de planeten, zijn allemaal verschillende noties van een en dezelfde [gedaante van U].

Wat wordt geboren uit een baarmoeder, geboren wordt uit vocht, geboren wordt uit een ei, uit de aarde wordt geboren; wat zich beweegt of niet beweegt, een god, een wijze of een voorvader; dat wat bestaat als de materiële elementen, de zinnen, de hogere werelden, de hemel, de aardse werelden, de heuvels en de bergen; de rivieren, de oceanen, de eilanden, de sterren en de planeten moet aldus, in al zijn verscheidenheid, als één worden gekend. (Vedabase)

 

Tekst 33

Aan U, met al Uw talloze afzonderlijke namen, vormen en eigenschappen, ontlenen de geleerden hun idee van getalsmatige verhoudingen, opsommingen en samenhangen, waarvan ze de waarheid achterhalen middels observatie. U die zich aldus analytisch laat doorgronden, biedt ik mijn eerbetuigingen [zie ook Kapila 3.28-33].'

In U, die ontelbaar zijt in het bijzondere van namen en vormen, van verschillende lichaamskenmerken, hebben de geschoolden dit idee van getallen, waarvan ze de waarheid achterhalen middels observatie; jegens Hem, U die zich aldus onthult in analyse, mijn eerbetuigingen [zie ook Kapila 3.28-33]. (Vedabase)

 

Tekst 34

In  het noordelijke gebied genaamd Kuru is de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, er ook, en wel in Zijn zwijnengedaante [Varâha, zie 3.13]. Hij wordt daar telkens weer aanbeden door de Godin en deze planeet aarde, tezamen met de inwoners van [Uttara-]Kuru, die constant ijveren voor Zijn toegewijde dienst. Bij die aanbidding herhaalt men de volgende versregels uit de Upanishad:

Zo ook, bestaat voor eeuwig in het noordelijk gebied genaamd Kuru er de Allerhoogste Heer, de Oorspronkelijke Persoon van het Offer, in Zijn zwijnen-gedaante [Varâha, zie 3.13], telkens weer opnieuw aanbeden door de godin en deze planeet aarde tezamen met de inwoners van [Uttara-]Kuru, volijverig in toegewijde dienst jegens Hem. Daarbij worden deze Upanishad versregels herhaald:  (Vedabase)

Tekst 35

'Wij brengen de Allerhoogste Heer onze eerbetuigingen die men begrijpt middels de verschillende mantra's voor het offeren, de rituelen en al de grote plechtigheden die deel uitmaken van Zijn lichaam. Die grote persoonlijkheid die ons zuivert van ons karma en die zich in al de drie [voorgaande] tijdperken manifesteerde, betuigen wij de eer.

'Ons respect voor de Allerhoogste Heer wiens ledematen en functies in waarheid worden begrepen door middel van de verschillende mantra's, door de offerandes, door de rituelen en de grote plechtigheden; aan die grote persoonlijkheid, die uitzuiveraar van het karma, mijn eerbetoon; aan Hem, bekend uit de drie voorgaande Yuga's ['tri-yuga'], mijn eerbetuigingen.  (Vedabase)


Tekst 36

Voor de grote geleerden vol van wijsheid vormt de materiële natuur met haar basiskwaliteiten Uw gedaante. Precies zoals vuur zich manifesteert in hout als men met een stok ronddraait, vinden zij, die in hun geestelijke onderzoekingen speuren naar de oorzaak, U, de zich manifesterende Ziel die wij ons respect betonen, maar die verborgen blijft als men zich inspant voor materiële resultaten.

Voor de grote geleerden van scholing is de materiële natuur met haar geaardheden Uw gedaante; precies als met vuur dat zich manifesteert in hout door met een stok rond te draaien, vinden zij op onderzoek uit met hun denken het verborgene van U in hun speurtocht naar de oorzaak; U, die zich manifesterende Ziel, bied, bied ik mijn respect. (Vedabase)

 

Tekst 37

Zij wiens intelligentie zich stabiliseerde, door zorgvuldig al de verschillende onderdelen van het yogasysteem in overweging te nemen, raken daardoor geheel bevrijdt van de mâyâ van Uw uiterlijke vorm, de illusie die wordt opgewekt door de voorwerpen van de zintuigen, de godheden [van de zon, de maan, het vuur etc.] die heersen over de zinnen, het lichaam, de geldende Tijd [de Heerser], degene die handelt [het ego] en de geaardheden van de natuur, die men alle waarneemt als feitelijkheden. Voor die sublieme Ziel is er ons herhaaldelijke eerbetoon.

Van de mâyâ van Uw gedaante opgewekt door de voorwerpen van de zintuigen, de godheden heersend over de zinnen, het lichaam, de geldende tijd, door het vals ego en de geaardheden der natuur waargenomen als feitelijkheid, raken zij wiens intelligentie zich stabiliseerde door het zorgvuldig overwegen van al de verschillende onderdelen van het yogasysteem, volledig bevrijd; jegens die Sublieme Ziel mijn respectvolle eerbetoon. (Vedabase)

 

Tekst 38

U die er geen verlangens op nahoudt in het handhaven, beëindigen en scheppen van het universum, U die in het overzien van guna en mâyâ - [en aldus het universum doet bewegen] zoals ijzer zich beweegt in de richting van een magneet - graag wil [zorgen voor de zielen] maar niet verlangt naar [Uw manifestatie], U die er bent als de getuige van de handelingen en de terugslagen, betuigen wij de eer.

U, die in het handhaven, weer terugwinnen en scheppen van het universum er geen verlangens op na houdt; U van wiens overzien van het begeerde, de geaardheden en het illusoire van de materie zich bewegen als ijzer in de buurt van een magnetische steen, gelden mijn eerbetuigingen; U als de getuige van de handelingen en de terugslagen. (Vedabase)

 

Tekst 39

Voor Hem die in de oorspronkelijke gedaante van een everzwijn, speels als een olifant, na het doden van de meest formidabele daitya tegenstander in het gevecht [Hiranyâksha zie 3.19], uit het water van de Garbhodaka oceaan tevoorschijn kwam met onze aarde op de toppen van Zijn slagtanden - voor die Almachtige Heer buigen wij ons diep.'

Voor Hem, die speels als een olifant, na het doden van de meest formidabele daitya tegenstander [Hiranyâksha zie 3.19] in het gevecht, uit het water van de Garbhodaka oceaan tevoorschijn kwam met mij, de aarde, op de toppen van Zijn slagtanden - voor die Almachtige, verbuig ik mij.' (Vedabase)

 

 

 

 
 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De afbeelding is getiteld:  'Krishna and Gopis; Kamadeva, God of Desire',
Folio from a Gita Govinda (Song of the Cowherd), circa 1585
India, Gujarat, South Asia. ter beschikking gesteld door: LACMA.
 Productie: de Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd



 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties