regelbalk


 

Canto 7

Jaya Râdhâ Mâdhava 1

 

 

Hoofdstuk 9: Prahlâda stemt Heer Nrisimhadeva gunstig met Gebeden

(1) Nârada Muni zei [nog steeds tot Yudhishthhira]: 'Al de Sura's aldus vertegenwoordigd door Brahmâ en S'iva waagden het niet naar voren te treden daar Hij, kokend van woede, zeer moeilijk te benaderen was. (2) De Godin van het Geluk die op verzoek van de goden ermee werd geconfronteerd, kon, nadat ze Hem zo groots en wonderbaarlijk zag, zoals nog nooit iemand voordien Hem had gehoord of gezien, ook niet in Zijn nabijheid komen daar ze zelf zeer bang was. (3) Prahlâda naar Heer Brahmâ toegebracht werd verzocht: 'Mijn beste zoon, zou je alsjeblieft naar de Heer toe kunnen gaan en Hem gunstig stemmen daar hij zeer kwaad is over wat je vader heeft gedaan.'

(4) 'Zo zij het' zei hij en heel langzaam, o Koning, kwam de grote toegewijde, hoewel hij maar een kleine jongen was, stapje voor stapje in Zijn buurt en wierp hij zich languit voor Hem op de grond, gebeden brengend met gevouwen handen. (5) Met hem, zo'n kleine jongen, aan Zijn lotusvoeten neergevallen was de godheid zo genadevol hoogst ontroerd en met het heffen van Zijn lotushand die Hij op zijn hoofd plaatste, verdreef Hij uit alle geesten de angst over de slang van de tijd [naar zijn vier fysieke noodzakelijkheden van âhâra, nidrâ, bhaya en maithuna; eten, slapen, vrezen of verdedigen en paren]. (6) Hij vanwege die aanraking schoongewassen van alle onzuiverheden, vertoonde, in de omgang met de Superziel ofwel de werkelijkheid van Zijn lotusvoeten, vanuit een hart overweldigd en gegrepen door geestelijke verrukking, de symptomen der extase over heel zijn lichaam met tranen opwellend in zijn ogen. (7) Met zijn geest eenpuntig in grote concentratie en met een van liefde haperende stem, begon hij in de volle toewijding van zijn hart en geest gebeden voor de Heer op te zeggen.

(8) S'rî Prahlâda zei: 'Al de Sura's met Brahmâ aan het hoofd, al de heiligen zowel als de volmaakten van het spirituele leven eenpuntig in hun opzet, waren met hun woordenstromen tot dusverre niet in staat U te behagen, hoe gekwalificeerd ze ook zijn; hoe kan het zo zijn dat Hij, deze Heer, met mijn woorden dat wel is, terwijl ik slechts van een asura geboorte ben? (9) Ik denk dat rijkdom, een goede geboorte, een fraai lichaam, boetvaardigheid, vedische kennis, talent, energie, invloed, kracht, ijver, intelligentie en mystiek vermogen in het geheel niet bevredigen; zoals de Allerhoogste Heer met Gajendra [de olifant], is the Persoon der Bovenzinnelijkheid tevredengesteld met bhakti. (10) Een geschoold iemand met de twaalf eigenschappen [als vermeld, zie ook*] die zich niet bekommert om de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot, beschouw ik niet zo gezegend als een man van lage komaf die zijn leven wijdt aan het Uiteindelijke, daar hij met zijn geest en woorden en alles wat hij doet, zijn welvaart en leven en familie zuivert, terwijl dat niet zo is met degene die denkt vanuit vals prestige. (11) Wat iemand in zijn onwetendheid ook maar offert wordt vriendelijk aanvaard door de Allerhoogste Heer, daar dat voorzeker, met Hem die altijd gelukkig is van binnen, niet iets waar Hij persoonlijk op uit is; die aanbidding dient het belang van de toegewijde zelf, net zoals de weerkaatsing in een spiegel er is voor de heerlijkheid van iemands eigen gezicht. (12) Het is om deze reden dat ik mezelf niet als ongeschikt moet beschouwen; in volle overgave aan de Heer zal ik naar mijn beste kunnen en inzicht op Zijn Heerlijkheid uitzijn, hoe laaggeboren ik ook ben; want met het onwetend betreden hebben van deze wereld is het beschrijven en bezingen van die heerlijkheid de manier voor een persoon om gezuiverd te raken [zie ook B.G. 18: 55]. (13) Ik ben er zeker van dat, in tegenstelling tot ons [Asura's], al deze volgelingen, zoals Brahmâ en zo meer, trouw en godvrezend zijn naar het principe van U die altijd van de goedheid bent o Heer, maar men stelt dat het voor de meerdere eer en glorie van Uw bescherming en verschaffing en het geluk van de ziel is dat U de incarnaties van Uwe Heerlijkheid in deze materiële wereld manifesteerde. (14) Wees daarom niet langer vertoornd over de Asura die U vandaag doodde, zelfs de heiligen zijn gelukkig als een schorpioen of slang gedood wordt; de waarheid is dat al de werelden het genoegen gesmaakt hebben en dat zij allen, ernaar uitziend U te gedenken, afwachten hoe deze gedaante van U hun angsten zal bezweren. (15) Ikzelf ben niet bang, o Onoverwinnelijke, voor Uw angstwekkende mond, tong, schietende ogen en vertrokken gezicht, Uw sterke bloeddorstige tanden of slinger van ingewanden en bloederige manen, Uw gespitste oren, Uw gebrul dat zelfs de olifanten angst aanjaagt of de nagels die de vijand doorboorden. (16) Maar ik ben wel bang, o genadevolle Zorgzame Vader, voor die onverdraaglijke, naargeestige herhaling van geboorte en dood, voor het feit van de ellendige omstandigheid van het leven tussen roofdiermensen te belanden, voor het feit gebonden te zijn aan de handelingen en terugslagen van het karma, o Onoverkomelijke; wanneer zal ik, met U tevreden over mij aan Uw voetzolen, die de toevlucht in deze oceaan der materie zijn, naar U worden teruggeroepen? (17) Vanwege het door iemands aangename of niet zo aangename geboorte afgescheiden zijn van U en samengevoegd zijn met de wereld, wordt men, verblijvend in wat voor een lichaam ook, verteerd door het vuur van het weeklagen en heeft men evenzogoed te lijden onder de remedies ertegen waarin men het lichaam voor het ware zelf houdt; ik, o Allergrootst Wezen, ben dolende; alstUblieft wijdt me in in het dienen van U in yoga. (18) Op die manier zal ik, door het steeds weer luisteren naar de vertellingen over Uw doen en laten als de weldoener en Allerhoogste Godheid, o Nrisimha, zoals doorgegeven in erfopvolging, met gemak de oversteek maken en vrij zijn van de geaardheden, en zal ik, in wijsheid en omgang met de toegewijden, met de bevrijde zielen van alle ellende bevrijd zijn in het volledig in beslag genomen zijn door Uw lotusvoeten. (19) Van een klein kind in deze wereld niet de toevlucht van het ouderschap vormend, o Nrisimha, noch van een patiënt het medicijn zijnd, noch van een persoon verdrinkend in de oceaan de boot zijnd of van een persoon die lijdt de verlosser wezend, vormen al de dingen die in deze wereld gekoesterd worden door degenen die in een lichaam zijn opgesloten slechts de schijn van een remedie, o Almachtige, waarin ze van U verstoken zijn. (20) Naar welke omstandigheid ook, om welke reden dan ook, wat het tijdstip ook moge wezen, wat de verplichting of de relatie ook is, door wie of jegens wie dan ook, op welke manier of van welke aard ook, zeker is dat ieder van deze zaken slechts andere vormen zijn van hetzelfde Allerhoogste; met andere woorden: in de natuur is er als gevolg van allerlei veranderingen het afgescheiden zijn in een bepaalde bestaansvorm, maar welke vorm het ook betreft, het is steeds een manifestatie van de energie van Uwe heerlijkheid. (21) Het illusoire van de materie is een creatie van de geest [als een fixatie beleefd] die de bron vormt van eindeloze begeertige handelingen; handelingen die door de Tijd, die de drie geaardheden der natuur in beroering brengt, zijn geconditioneerd. En zo gevangen worden je dan als persoon, onder het toeziend oog van God met wat er in de Veda's [in het karma-kânda gedeelte] is geregeld, minder glorieus de zestien spaken geboden [van de waarnemende en handelende zinnen, de elementen en de geest] van het rad der wedergeboorte, o Ongeborene. Wie o wie, die het moet stellen zonder het beste dat U voorstelt, kan hier op eigen houtje uitkomen [zie ook B.G. 9: 25]? (22) U bent inderdaad dat ene element van de Tijd, waaraan men in zijn intelligentie, middels Uw persoonlijke energie, voor altijd en eeuwig is overgeleverd; aanwezig als een vorm van materiële energie die in alle gevolgen en oorzaken onder Uw cyclische controle valt, sta ik machteloos, o Heer en Meester, en ben ik geplet onder het wiel met de zestien spaken; alstUblieft redt me hieruit, o Machtigste, ik heb me geheel aan U overgegeven. (23) Ik was er getuige van o Almachtige, hoe in dit opzicht al de hoger geplaatste staatslieden in hun begeerte naar een lang leven, weelde en glorie, allen door onze vader met zijn sarcastische lach in een oogwenk werden verslagen, desalniettemin werd hij door U volledig weggevaagd. (24) Daarom, wetende waar al de zinsbevrediging van al die langlevendheid, weelde en beschaving van al de belichaamden, van Brahmâ tot aan de kleinste mier, toe leidt, heb ik er geen behoefte aan door U te moeten worden onderworpen, U die zo machtig zijt als de Meester van de Tijd; alstUblieft wees zo goed me in de richting te leiden van de omgang met Uw gewetensvolle dienaren. (25) In welk opzicht is men nu gezegend met het gelukkig zijn in horigheid [aan verlangens]? Wat betekent voor dit lichaam, dat plaats biedt aan zovele ziekten, nu het geluk dat niet meer is dan een luchtspiegeling in de woestijn? Ookal heeft de gewone man er nimmer genoeg van, toch pogen de geschoolden dat vuur te blussen met kleine druppeltjes honing, proberen ze dat onder controle te krijgen wat alleen maar met de grootste moeite kan worden bereikt. (26) In welke positie verkeer ik nu? Hoe kan ik nu uitstijgen boven het feit dat ik geboren ben in de duisternis van een lichaam van hartstocht, in een familie ver verwijderd van de verlichting? De lotushand van Uwe grondeloze genade die U mij op mijn hoofd hebt gelegd als teken van genade, zou er zelfs voor Heer Brahmâ, voor Heer S'iva of zelfs de Godin van het Geluk niet zijn! (27) In dezen kan er feitelijk met Uwe Heerlijkheid als zijnde de vriend van de ganse wereld geen onderscheid bestaan tussen hogere en lagere levende wezens, maar niettemin is er van U, afhankelijk van de geleverde dienst, net als met een wensboom die geeft wat men maar wenst, de manifestatie van de zegening die gereserveerd is voor de toewijding, ongeacht of men nu van een hoger of lager nivo is [zie ook 2.3: 10 en B G. 4: 33, 9: 25]. (28) De gewone man die in zijn materiële bestaan in die zin in een overwoekerde put vol van slangen viel, jaagt het voorwerp van zijn begeerte na; ik die persoonlijk vanwege slecht gezelschap eveneens in die toestand ben beland werd door de sura wijze [Nârada], o Allerhoogste Heer, in vertrouwen genomen; hoe kan ik nu ooit de dienst van Uw zuivere toegewijde loslaten? (29) Mijn leven reddend o Onbegrensde, met U die me gered hebt van de dood door de hand van mijn vader, beschouw ik de woorden van Uw dienaar, dat wat de rishi zei, als waar daar U ze bewaarheid hebt jegens hem die kwaadwillend met het zwaard in de hand tegen me zei: 'Laat die heerser buiten mij je maar van mij verlossen nu ik je je hoofd zal afslaan.'

(30) 'Dit universum overal om ons heen is die Ene die U alleen bent, vanwege U waren in den beginne en op het eind zowel als halverwege er afzonderlijk zij die U geschapen hebt middels de drie geaardheden die Uw uitwendig vermogen gestalte geven, zij, de velen van al de verscheidenheid die hun ervaring aan U te danken hebben die erin is binnengegaan [zie ook B.G 9: 4]. (31) U dan wel als de oorzaak, dan wel als het gevolg van dit geheel, o Mijn Heer, blijft Zelf losstaan van de materie die Uw illusoir vermogen vormt, en waarvan we weten dat die zich manifesteert als de substantie waarvan we de schepping, de vernietiging en het behoud hebben; en daarvan is er het feitelijk inhoudsloze idee van het hebben van een verschillend zelf of, anders gesteld, dat het aardse bestaan en het subtiele ervan te vergelijken is met wat men heeft met een boom en een zaadje [vanwaaruit het allemaal ontspruit enerzijds en dat het resultaat van Uw manifesteren erin is anderzijds]. (32) Met het met deze schepping van U teruggeworpen zijn [met mijn vader b.v. in zijn vernietiging] in het zelf van Uw causale oceaan, schijnt U er geen activiteit op na te houden en te slapen als U binnenin Uzelf het gelukzalig persoonlijke ervaart met het hebben gesloten van Uw ogen in de yoga; maar het is niet een materieel sluimeren in de duisternis der geaardheden waar U zich in bevindt, het feit in aanmerking nemend dat U, middels een manifestatie van Uzelf [deze Nrisimha-gedaante], dat soort van slapen bent tegengegaan in het behouden van de bovenzinnelijkheid. (33) Uit Uw sluimering op het bed van Ananta in de causale wateren ontwaakt, verscheen de grote lotus van al de werelden uit Uw navel zoals een bananenboom dat doet uit zijn zaad, en dat kosmische lichaam van U, dit universum aangedreven door de tijdfactor, toont Uw manier van reageren [in de vorm en godheden van de geaardheden] op de materie. (34) De ene van de kennis [Brahmâ] voortgebracht uit die lotus kon niemand anders ontwaren daar Uwe Heerlijkheid, als het zaadje, zich tot hemzelf had uitgebreid; hij dook in het water voor een honderdtal halfgodenjaren niet begrijpend hoe een zaadje eenmaal gekiemd, o mijn Heer, nog steeds kan worden waargenomen [zie 3.8]. (35) Hij enkel maar uit zichzelf geboren was er zeer verbaasd over zich op die lotus aan te treffen. Na de nodige tijd door verschillende zware boetedoeningen gezuiverd vond hij dan U, o Beheerser, zeer subtiel, zoals de geur in de aarde, verspreid door heel het zinnelijk wezen dat zo vol van begeerten is. (36) Op deze manier de Grote Persoon ziend met Zijn duizenden gezichten, voeten, handen en dijen, neuzen, oren en ogen, en uitgerust met allerlei sieraden en wapens, die tezamen, zich voordoend in verschillende tekenen, een bewijs vormden van Zijn vermogen, bereikte Heer Brahmâ de bovenzinnelijke gelukzaligheid. (37) Terwille van het zijne zowaar het hoofd van een paard aanvaardend in een incarnatie, doodde U twee zeer machtige demonen genaamd Madhu en Kaitabha die tegen de Veda ingingen en die de hartstocht en de onwetendheid vertegenwoordigden, en bracht U de s'ruti [de vier Veda's] waarvoor men Uw meest geliefde gedaante [van Hayagrîva] eert als het zuivere van de transcendentale goedheid [zie ook 5.18: 18 en B.G. 4: 7]. (38) Op deze manier overeenkomstig de yuga in kwestie verschijnend in verschillende incarnaties als een menselijk wezen, een heilige, een god of een waterdier, beschermt U al de werelden, daarbij soms de lastpakken van de wereld dodend ter verdediging van het dharma, o Allerhoogste Persoonlijkheid; in Kali-yuga bent u verhuld [channa] en derhalve wordt U, als zijnde één en dezelfde persoon, Triyuga genoemd [vanwege het herkenbaar zijn in de drie andere yuga's, zie ook 11.5: 32]. (39) Zeker is dat de geest die niet is gericht op Uw bovenzinnelijke verhalen, ver verwijderd als hij is van de Heer van Vaikunthha, verontreinigd, oneerlijk en moeilijk te beheersen is door de zonden waarmee hij dan sympatiseert; vol van verlangens en lusten is hij van hoogten en diepten, angsten en leed vanwege de aandrang; hoe kan ik met zo een armzalige en gevallen geest de bedoeling van het Allerhoogste van U doorgronden? (40) De tong leidt me af in deze richting, o Onfeilbare, en de geslachtsdelen trekken me onbevredigd in die richting, zo doen de huid, de maag en het oor dat terwille van het ene en gaat voor het andere de neus die kant op en de ogen daar weer heen; de drukte van de actieve zintuigen haalt je naar beneden zoals bijvrouwen een huisvader naar beneden kunnen halen. (41) Op deze manier door m'n karma beland in de Vaitaranî rivier [voor de poort van de dood] lijdt ik helaas, de ene na de andere geboorte van alles en nog wat etend, eronder steeds maar banger te zijn om te zien hoe het levende wezen, als de gevangene van zijn eigen lichaam en verstrikt in de omgang met andere lichamen, vijandig of van vriendschap is; o U, die zich aan gene zijde bevindt, redt me van dit gevaar daar we vandaag hier allen een stel dwazen zijn. (42) Wat inderdaad zou Uw grote mededogen in de weg staan jegens ons vriendelijke mensen, die altijd zo begerig zijn in dezen van dienst te zijn o Meester van Allen, o Allerhoogste Heer, om ervoor de zorgen dat wij materialistische dwazen worden gered van de oorzaak van het steeds maar weer maken, vasthouden en verliezen, o Vriend der Behoeftigen? (43) Zeer zeker ben ik, o Allerhoogste, van het verdiept zijn in het verkondigen van Uw zoete oceaan van heerlijkheden, vrij van zorgen wat betreft de moeilijk over te steken Vaitaranî die deze wereld is; ik treur eerder, hoewel ze een stel zotten zijn, over degenen die de bevrijding missen en die voor het heil hunner zinnen plannen maken ten gunste van schijnvormen van geluk en plichtsbetrachting [zie ook 6.17: 28]. (44) Over het algemeen, o Godheid, trekken de heiligen, ambitieus uitzijnde op hun eigen verlossing, in stilte door afgelegen gebieden, zonder erg geïnteresseerd in een leven ter wille van het heil van anderen; maar ik wil niet, zoals zij dat doen, de anderen links laten liggen die tekort schieten, ik wil niet in mijn eentje terugkeren naar God, ik zou graag willen dat anderen, gevangen in de vicieuze cirkel, er beter in slagen deze toevlucht van U te vinden. (45) Het je druk maken over seks is inderdaad zo triviaal als de jeuk waarvan men verlost raakt door z'n handen te wrijven; zij die hiermee tekort schieten vinden, gebukt gaand onder allerlei soorten van ellende, de verschillende gevoelens van verdriet er nimmer mee beëindigd, maar als men daarvan leert, het herkennend als een drogbeeld, is men een nuchtere persoon die in staat is de jeuk te verdragen [zie ook B.G. 7: 14]. (46) Stilte, geloften, vedische kennis, verzaking, studie, plichtmatigheid, uitleg van de geschriften, alleen wonen, bidden en verzonkenheid, behoren tot het pad der bevrijding, maar vaak vormen deze zaken [deze tien methoden om geëmancipeerd te raken] met hen die hun zinnen niet echt de baas zijn de belangrijkste manier om in hun levensonderhoud te voorzien, o mijn Heer, en is er dan in dit verband sprake van niets dan hypocrisie [zie ook 6.1: 16]. (47) Over de twee van het ware en onware van U, die zelf zonder een vorm bent en buiten wie er verder niets te vinden is, spreken de Veda's in termen van het zaadje en de spruit; die twee, die als het hout zijn en het vuur erin aanwezig, zijn voor de ogen van hen die met U in verbinding staan, dankzij Uw bewustzijnsvereniging, duidelijk te herkennen [in het spirituele verzaken en het materieel concreet van dienst zijn], en op een andere manier is dat niet mogelijk. (48) U bent de lucht, het vuur, de aarde, de ether en het water, de zinsobjecten, de levenskracht, de zinnen, de geest, het bewustzijn en alle goddelijkheid die erbij hoort; U bent dat alles, de enige natuur der geaardheden zowel als degene voorbij aan alles, o Mijn Heer; wat er ook gemanifesteerd is of zich uitdrukt in de geest en in woorden, is niemand anders dan U. (49) Noch alle geaardheden der natuur, noch de hun overheersende goden; noch het geheel van de kosmische intelligentie, het valse ego, de stoffelijke en subtiele elementen, de zinnen en hun objecten; noch zij die zo nadenkend zijn samen met al de goddelijken en de sterfelijken die allen een begin en een einde kennen, o Heer verheerlijkt door al de heiligen, is het gegeven dat wat allemaal het Uwe is te omvatten, en zodoende denken de zuiveren erover een punt te zetten achter hun studies [en een begin te maken met hun toegewijde dienst, zie ook B.G. 2: 52].'

(50) 'Daarom biedt ik U, o Beste der Aanbedenen, met gebeden mijn eerbetuigingen en volbreng ik de aanbidding, span ik me voor U in, herinner ik mij U, houdt ik het bij Uw toevlucht en luister ik altijd naar de verhalen over U; hoe kan zonder het vereren van U in al deze zes vormen een persoon [werkelijk] de bhakti genieten die gereserveerd is voor de besten der transcendentie [de paramahamsa's, vergelijk 7.5: 23-24, zie voor verdere gebeden tot Heer Nrisimha 5.18: 7-14]?'

(51) S'rî Nârada zei: 'Tot zover heb ik de bovenzinnelijke kwaliteiten beschreven van de bhakta in zijn bhakti. De Heer boven de geaardheden die was behaagd en de woede onder controle had, richtte zich toen tot hem die zich aan Zijn voeten had overgegeven. (52) De Allerhoogste Heer zei: 'Prahlâda mijn lieve jongen, al het goede zij je toegewenst, ik ben verheugd over jou, o beste der Asura's, je mag om welke gunst vragen die je ook maar van Mij verlangt, want Ik ben de vervulling van alle wensen van een ieder. (53) Geniet een lang leven! Mij niet behagend, zelden Mijn aanwezigheid opzoekend, Mij niet gezien hebbend, is het het lot van het levend wezen om keer op keer zich over zichzelf te beklagen. (54) Wees er inderdaad op uit Me te behagen, daar daarvan ieder nuchter mens in ieder opzicht, als een goed gevormd mens, het beste wat het leven te bieden heeft mag verwachten, o fortuinlijke; ik ben immers de Meester aller Zegeningen.'

(55) S'rî Nârada zei: 'Hoewel hij aldus met wereldse zegeningen ertoe verlokt werd, wilde de beste der Asura's niets van de zaken waar hij om mocht vragen, omdat hij er alleen maar in geïnteresseerd was van overgave te zijn aan de Allerhoogste Heer [zie ook: S'ikshâshthaka vers vier].'  

 

 

next                          

 
Tweede editie, geladen 13 juli 2007.

 

 

 

Bronteksten:

Prahlâda kalmeert Heer Nrisimhadeva met gebeden

 

Tekst 1

Nârada Muni zei [nog steeds tot Yudhishthhira]: 'Al de Sura's aldus vertegenwoordigd door Brahmâ en S'iva waagden het niet naar voren te treden daar Hij, kokend van woede, zeer moeilijk te benaderen was.

De grote heilige Nârada Muni vervolgde: De halfgoden, onder leiding van Heer Brahmâ, Heer S'iva en andere belangrijke halfgoden, durfden niet voor de Heer te verschijnen, omdat deze razend van woede was. (Vedabase)

 

Tekst 2

De Godin van het Geluk die op verzoek van de goden ermee werd geconfronteerd, kon, nadat ze Hem zo groots en wonderbaarlijk zag, zoals nog nooit iemand voordien Hem had gehoord of gezien, ook niet in Zijn nabijheid komen daar ze zelf zeer bang was.

De aanwezige halfgoden verzochten de godin van het geluk, Lakshmîjî , om naar de Heer toe te gaan, omdat zij zelf te bang waren om voor Hem te verschijnen. Maar zelfs zij had nog nooit zo'n wonderbaarlijke en buitengewone gedaante van de Heer aanschouwd, en daarom kon ze Hem niet benaderen. (Vedabase)

 

Tekst 3

Prahlâda naar Heer Brahmâ toegebracht werd verzocht: 'Mijn beste zoon, zou je alsjeblieft naar de Heer toe kunnen gaan en Hem gunstig stemmen daar hij zeer kwaad is over wat je vader heeft gedaan.'

Daarna verzocht Heer Brahmâ Prahlâda Mahârâja, die vlakbij hem stond: Mijn beste zoon, Heer Nrisimhadeva is buitengewoon boos vanwege je demonische vader. Ga daarom alsjeblieft naar Hem toe en kalmeer Hem. (Vedabase)

 

Tekst 4

'Zo zij het' zei hij en heel langzaam, o Koning, kwam de grote toegewijde, hoewel hij maar een kleine jongen was, stapje voor stapje in Zijn buurt en wierp hij zich languit voor Hem op de grond, gebeden brengend met gevouwen handen.

Nârada Muni vervolgde: O koning, hoewel de grote toegewijde Prahlâda Mahârâja nog maar een kind was, gaf hij gehoor aan Heer Brahmâ's verzoek. Hij liep langzaam op Heer Nrisimhadeva af en viel languit op de grond neer om Hem met gevouwen handen zijn nederige eerbetuigingen te brengen. (Vedabase)

  

Tekst 5:

Met hem, zo'n kleine jongen, aan Zijn lotusvoeten neergevallen was de godheid zo genadevol hoogst ontroerd en met het heffen van Zijn lotushand die Hij op zijn hoofd plaatste, verdreef Hij uit alle geesten de angst over de slang van de tijd [naar zijn vier fysieke noodzakelijkheden van âhâra, nidrâ, bhaya en maithuna; eten, slapen, vrezen of verdedigen en paren].

Toen Heer Nrisimhadeva de jongen languit aan Zijn lotusvoeten zag liggen, raakte Hij uit genegenheid voor Zijn toegewijde vervuld van grote extase. Hij tilde Prahlâda op en legde Zijn lotushand op diens hoofd, omdat Zijn hand nooit aarzelt om Zijn toegewijden van alle angst te bevrijden. (Vedabase)

 

Tekst 6:

Hij vanwege die aanraking schoongewassen van alle onzuiverheden, vertoonde, in de omgang met de Superziel ofwel de werkelijkheid van Zijn lotusvoeten, vanuit een hart overweldigd en gegrepen door geestelijke verrukking, de symptomen der extase over heel zijn lichaam met tranen opwellend in zijn ogen.

Door de aanraking van Heer Nrisimhadeva's hand op zijn hoofd werd Prahlâda Mahârâja volkomen bevrijd van elke materiële besmetting en alle materiële verlangens, alsof hij door en door gereinigd was. Daardoor kwam hij onmiddellijk op het transcendentale niveau en werden alle symptomen van extase zichtbaar in zijn lichaam. Zijn hart vulde zich met liefde en zijn ogen met tranen, en zo was hij in staat om de lotusvoeten van de Heer ten volle te omhelzen in het diepst van zijn hart. (Vedabase)

 

Tekst 7:

Met zijn geest eenpuntig in grote concentratie en met een van liefde haperende stem, begon hij in de volle toewijding van zijn hart en geest gebeden voor de Heer op te zeggen.

Prahlâda Mahârâja richtte zijn geest en blik onafgebroken en in totale vervoering op Heer Nrisimhadeva. In volkomen concentratie begon hij vol liefde stamelend gebeden tot de Heer te richten. (Vedabase)

   

Tekst 8:

S'rî Prahlâda zei: 'Al de Sura's met Brahmâ aan het hoofd, al de heiligen zowel als de volmaakten van het spirituele leven eenpuntig in hun opzet, waren met hun woordenstromen tot dusverre niet in staat U te behagen, hoe gekwalificeerd ze ook zijn; hoe kan het zo zijn dat Hij, deze Heer, met mijn woorden dat wel is, terwijl ik slechts van een asura geboorte ben?

Prahlâda Mahârâja bad als volgt: Hoe zou ik, die in een asura-familie geboren ben, gepaste gebeden kunnen uitspreken om de Allerhoogste Godspersoon tevreden te stellen? Tot nu toe konden zelfs alle halfgoden, met Heer Brahmâ aan het hoofd, en alle heiligen de Heer niet tevredenstellen met hun stroom van uitgelezen woorden, hoewel ze in hoge mate gekwalificeerd zijn aangezien ze zich in de geaardheid goedheid bevinden. Wat dan te zeggen van mijzelf? Ik ben in het geheel niet gekwalificeerd. (Vedabase)

 

Tekst 9:

Ik denk dat rijkdom, een goede geboorte, een fraai lichaam, boetvaardigheid, vedische kennis, talent, energie, invloed, kracht, ijver, intelligentie en mystiek vermogen in het geheel niet bevredigen; zoals de Allerhoogste Heer met Gajendra [de olifant], is the Persoon der Bovenzinnelijkheid tevredengesteld met bhakti.

Prahlâda Mahârâja vervolgde: Men kan in het bezit zijn van rijkdom, uit een aristocratische familie komen, heel mooi zijn, ascetisch leven, zeer ontwikkeld zijn of beschikken over krachtige zintuigen, lichamelijke uitstraling, invloed, lichaamskracht, ijver, intelligentie en mystieke vermogens, maar ik denk dat men zelfs door al deze goede eigenschappen tezamen de Allerhoogste Godspersoon niet tevreden kan stellen. De Heer is echter heel eenvoudig tevreden te stellen door toegewijde dienst. Dat is wat Gajendra deed, en daarom was de Heer tevreden over hem. (Vedabase)

 

Tekst 10:

Een geschoold iemand met de twaalf eigenschappen [als vermeld, zie ook*] die zich niet bekommert om de lotusvoeten van Hem uit wiens navel de lotus ontsproot, beschouw ik niet zo gezegend als een man van lage komaf die zijn leven wijdt aan het Uiteindelijke, daar hij met zijn geest en woorden en alles wat hij doet, zijn welvaart en leven en familie zuivert, terwijl dat niet zo is met degene die denkt vanuit vals prestige.

Als een brâhmana al de twaalf brahmaanse eigenschappen bezit [zoals ze in het boek genaamd Sanat-sujâta vermeld staan], maar geen toegewijde is en afkerig is van de lotusvoeten van de Heer, is hij zondermeer inferieur aan een toegewijde die een hondevleeseter is maar alles wat hij bezit - zijn geest, woorden, daden, bezit en leven - aan de Allerhoogste Heer gewijd heeft. Zo iemand is beter dan een volmaakte brâhmana omdat een toegewijde zijn hele familie kan zuiveren, terwijl een zogenaamde brâhmana die beïnvloed wordt door valse trots nog niet eens zichzelf kan zuiveren. (Vedabase)

 

Tekst 11:

Wat iemand in zijn onwetendheid ook maar offert wordt vriendelijk aanvaard door de Allerhoogste Heer, daar dat voorzeker, met Hem die altijd gelukkig is van binnen, niet iets waar Hij persoonlijk op uit is; die aanbidding dient het belang van de toegewijde zelf, net zoals de weerkaatsing in een spiegel er is voor de heerlijkheid van iemands eigen gezicht.

De Allerhoogste Heer, de Allerhoogste Godspersoon, is altijd volkomen voldaan in Zichzelf. Als men Hem daarom iets offert, is dat, door de genade van de Heer, voor het welzijn van de toegewijde, want de Heer heeft niemands dienst nodig. Om een voorbeeld te geven: als iemand zijn gezicht heeft opgemaakt, is het gezicht dat hij in de spiegel weerkaatst ziet ook opgemaakt. (Vedabase)

 

Tekst 12:

Het is om deze reden dat ik mezelf niet als ongeschikt moet beschouwen; in volle overgave aan de Heer zal ik naar mijn beste kunnen en inzicht op Zijn Heerlijkheid uitzijn, hoe laaggeboren ik ook ben; want met het onwetend betreden hebben van deze wereld is het beschrijven en bezingen van die heerlijkheid de manier voor een persoon om gezuiverd te raken [zie ook B.G. 18: 55].

Hoewel ik in een familie van demonen geboren ben, kan ik daarom zonder enige twijfel met heel mijn hart gebeden tot de Heer richten voorzover mijn intelligentie dat toelaat. Iedereen die door onwetendheid gedwongen is om in deze materiële wereld te komen, kan van dit materiële bestaan gezuiverd worden als hij gebeden tot de Heer richt en over Zijn heerlijkheid hoort. (Vedabase)

 

Tekst 13:

Ik ben er zeker van dat, in tegenstelling tot ons [Asura's], al deze volgelingen, zoals Brahmâ en zo meer, trouw en godvrezend zijn naar het principe van U die altijd van de goedheid bent o Heer, maar men stelt dat het voor de meerdere eer en glorie van Uw bescherming en verschaffing, en het geluk van de ziel is dat U de incarnaties van Uwe Heerlijkheid in deze materiële wereld manifesteerde.

O mijn Heer, die altijd op het transcendentale niveau bent, alle halfgoden, met Heer Brahmâ aan het hoofd, zijn Uw oprechte dienaren. Daarom zijn zij niet als wij [Prahlâda en zijn vader, de demon Hiranyakas'ipu]. Uw verschijning in deze angstaanjagende gedaante is Uw spel en vermaak voor Uw eigen plezier. Zo'n incarnatie komt altijd om het universum te beschermen en de situatie erin te verbeteren. (Vedabase)

 

Tekst 14:

Wees daarom niet langer vertoornd over de Asura die U vandaag doodde, zelfs de heiligen zijn gelukkig als een schorpioen of slang gedood wordt; de waarheid is dat al de werelden het genoegen gesmaakt hebben en dat zij allen, ernaar uitziend U te gedenken, afwachten hoe deze gedaante van U hun angsten zal bezweren.

O Heer Nrisimhadeva, laat daarom alstublieft Uw woede varen nu mijn vader, de grote demon Hiranyakas'ipu, dood is. Aangezien zelfs heiligen er plezier in scheppen om een schorpioen of een slang te doden, voelen alle werelden zich zeer voldaan nu deze demon ter ziele is. Nu is hun geluk gegarandeerd en zullen ze zich altijd Uw zegenrijke incarnatie herinneren om vrij van angst te zijn. (Vedabase)

 

Tekst 15:

Ikzelf ben niet bang, o Onoverwinnelijke, voor Uw angstwekkende mond, tong, schietende ogen en vertrokken gezicht, Uw sterke bloeddorstige tanden of slinger van ingewanden en bloederige manen, Uw gespitste oren, Uw gebrul dat zelfs de olifanten angst aanjaagt of de nagels die de vijand doorboorden.

O mijn Heer, die door niemand te verslaan is, ik ben beslist niet bang voor Uw meedogenloze mond en tong, Uw ogen die schitteren als de zon of Uw gefronste wenkbrauwen. Ik ben niet bang voor Uw machtige, scherpe tanden, de krans van ingewanden om Uw nek, Uw met bloed doordrenkte manen, of Uw hoge, puntige oren. En ik ben evenmin bang voor Uw oorverdovende gebrul, waarvoor olifanten op de vlucht slaan, of voor Uw nagels, die bestemd zijn voor het doden van Uw vijanden. (Vedabase)

 

Tekst 16:

Maar ik ben wel bang, o genadevolle Zorgzame Vader, voor die onverdraaglijke, naargeestige herhaling van geboorte en dood, voor het feit van de ellendige omstandigheid van het leven tussen roofdiermensen te belanden, voor het feit gebonden te zijn aan de handelingen en terugslagen van het karma, o Onoverkomelijke; wanneer zal ik, met U tevreden over mij aan Uw voetzolen, die de toevlucht in deze oceaan der materie zijn, naar U worden teruggeroepen?

O almachtige, onovertrefbare Heer, die zo goed voor de gevallen zielen bent, daar ik als gevolg van mijn eigen daden in het gezelschap van demonen terechtgekomen ben, vervult mijn situatie in deze materiële wereld me van angst. Wanneer zal het moment komen dat U me bij U roept en me toevlucht geeft aan Uw lotusvoeten, die het uiteindelijke doel zijn van hen die uit het geconditioneerde bestaan verlost willen raken? (Vedabase)
 
Tekst 17:

Vanwege het door iemands aangename of niet zo aangename geboorte afgescheiden zijn van U en samengevoegd zijn met de wereld, wordt men, verblijvend in wat voor een lichaam ook, verteerd door het vuur van het weeklagen en heeft men evenzogoed te lijden onder de remedies ertegen waarin men het lichaam voor het ware zelf houdt; ik, o Allergrootst Wezen, ben dolende; alstUblieft wijdt me in in het dienen van U in yoga.

O Allerhoogste Heer, o allergrootste, soms bevindt het levend wezen zich in een plezierige situatie en dan weer in een zeer onaangename, maar al met al verkeert hij in een zeer betreurenswaardige positie - of hij nu op de hemelse planeten is of op de helse - en lijdt hij alsof hij door een vuur van smart verteerd wordt. Hoewel er vele manieren zijn om aan de ellende van het bestaan te ontsnappen, zijn al deze oplossingen in de materiële sfeer nog erger dan de problemen zelf. Daarom denk ik dat er maar één werkelijke oplossing is, en dat is om Uw dienaar te worden. Wees zo goed om me in dit opzicht te onderrichten. (Vedabase)

 

Tekst 18:

Op die manier zal ik, door het steeds weer luisteren naar de vertellingen over Uw doen en laten als de weldoener en Allerhoogste Godheid, o Nrisimha, zoals doorgegeven in erfopvolging, met gemak de oversteek maken en vrij zijn van de geaardheden, en zal ik, in wijsheid en omgang met de toegewijden, met de bevrijde zielen van alle ellende bevrijd zijn in het volledig in beslag genomen zijn door Uw lotusvoeten.

O mijn Heer Nrisimhadeva, door U transcendentale liefdedienst te bewijzen in het gezelschap van bevrijde toegewijden [hamsa's], zal ik mij volkomen zuiveren van de besmetting door de drie geaardheden der materiële natuur en in staat zijn om U, die mij zo dierbaar bent, en Uw heerlijkheid te loven. Ik zal Uw heerlijkheid loven door nauwgezet in het voetspoor van Heer Brahmâ en zijn guru-paramparâ te treden. Op die manier zal ik zonder enige twijfel in staat zijn om de oceaan van onwetendheid over te steken. (Vedabase)

 

Tekst 19:

Van een klein kind in deze wereld niet de toevlucht van het ouderschap vormend, o Nrisimha, noch van een patiënt het medicijn zijnd, noch van een persoon verdrinkend in de oceaan de boot zijnd of van een persoon die lijdt de verlosser wezend, vormen al de dingen die in deze wereld gekoesterd worden door degenen die in een lichaam zijn opgesloten slechts de schijn van een remedie, o Almachtige, waarin ze van U verstoken zijn.

O Heer Nrisimhadeva, o Allerhoogste, door hun lichamelijke levensbeschouwing kunnen de belichaamde zielen die U aan hun lot hebt overgelaten en die Uw bescherming niet meer genieten, niets doen om hun lot te verbeteren. De oplossing die ze verzinnen, kunnen misschien tijdelijk enig soelaas bieden, maar zijn zondermeer slechts van voorbijgaande aard. Een vader en moeder kunnen bijvoorbeeld hun kind niet beschermen, en evenmin kunnen een dokter en medicijnen een lijdende zieke verlichting bieden, of kan een boot op de oceaan iemand ervoor behoeden dat hij verdrinkt. (Vedabase)

 

Tekst 20:

Naar welke omstandigheid ook, om welke reden dan ook, wat het tijdstip ook moge wezen, wat de verplichting of de relatie ook is, door wie of jegens wie dan ook, op welke manier of van welke aard ook, zeker is dat ieder van deze zaken slechts andere vormen zijn van hetzelfde Allerhoogste; met andere woorden: in de natuur is er als gevolg van allerlei veranderingen het afgescheiden zijn in een bepaalde bestaansvorm, maar welke vorm het ook betreft, het is steeds een manifestatie van de energie van Uwe heerlijkheid.

O mijn Heer, iedereen in deze materiële wereld is een gevangene van de geaardheden der materiële natuur en verkeert onder invloed van goedheid, hartstocht en onwetendheid. Iedereen - van de grootste persoonlijkheid, Heer Brahmâ, tot aan de meest onbeduidende mier - werkt onder invloed van deze geaardheden. Dit betekent dat iedereen in deze materiële wereld door Uw energie wordt beïnvloed. Het motief waarvoor ze werken, de plaats waar ze werken, de tijd dat ze werken, de reden waarom ze werken, het levensdoel dat ze zich gesteld hebben en de manier waarop ze dit doel willen bereiken, zijn allemaal slechts openbaringen van Uw energie. Ja, aangezien er geen verschil bestaat tussen de energie en de energiebron, zijn dit allemaal niets anders dan openbaringen van Uzelf. (Vedabase)

 

Tekst 21:

Het illusoire van de materie is een creatie van de geest [als een fixatie beleefd] die de bron vormt van eindeloze begeertige handelingen; handelingen die door de Tijd, die de drie geaardheden der natuur in beroering brengt, zijn geconditioneerd. En zo gevangen worden je dan als persoon, onder het toeziend oog van God met wat er in de Veda's [in het karma-kânda gedeelte] is geregeld, minder glorieus de zestien spaken geboden [van de waarnemende en handelende zinnen, de elementen en de geest] van het rad der wedergeboorte, o Ongeborene. Wie o wie, die het moet stellen zonder het beste dat U voorstelt, kan hier op eigen houtje uitkomen [zie ook B.G. 9: 25]?

O Heer, o eeuwige allerhoogste, door Uw volkomen deelaspect te openbaren hebt U door middel van Uw externe energie, die in beweging wordt gebracht door de tijd, de fijnstoffelijke lichamen van de levende wezens geschapen. Op deze wijze houdt de geest het levend wezen gevangen in een oneindige verscheidenheid van verlangens die door het volgen van de vedische richtlijnen van karma-kânda [baatzuchtige activiteit] en de zestien elementen vervuld moeten worden. Wie kan uit deze verstrikking loskomen tenzij hij zijn toevlucht tot Uw lotusvoeten neemt? (Vedabase)

 

Tekst 22:

U bent inderdaad dat ene element van de Tijd, waaraan men in zijn intelligentie, middels Uw persoonlijke energie, voor altijd en eeuwig is overgeleverd; aanwezig als een vorm van materiële energie die in alle gevolgen en oorzaken onder Uw cyclische controle valt, sta ik machteloos, o Heer en Meester, en ben ik geplet onder het wiel met de zestien spaken; alstUblieft redt me hieruit, o Machtigste, ik heb me geheel aan U overgegeven.

O mijn Heer, o allergrootste, U hebt deze materiële wereld bestaande uit zestien elementen geschapen, maar U bent Zelf transcendentaal aan de invloed ervan. Met andere woorden, deze materiële krachten staan volledig onder Uw gezag en ze kunnen U nooit onderwerpen. Daarom wordt U vertegenwoordigd door de tijd. Mijn Heer, o Allerhoogste, niemand kan U overwinnen. Ik word echter vermorzeld door het rad van de tijd en daarom geef ik mij volledig aan U over. Verleen me nu alstublieft de bescherming van Uw lotusvoeten. (Vedabase)

 

Tekst 23:

Ik was er getuige van o Almachtige, hoe in dit opzicht al de hoger geplaatste staatslieden in hun begeerte naar een lang leven, weelde en glorie, allen door onze vader met zijn sarcastische lach in een oogwenk werden verslagen, desalniettemin werd hij door U volledig weggevaagd.

O mijn Heer, de mensen willen over het algemeen naar de hogere planetenstelsels bevorderd worden om daar van een lang leven vol rijkdom en plezier te genieten, maar ik heb dit allemaal al gezien door de activiteiten van mijn vader. Als mijn vader kwaad was en de halfgoden op sarcastische wijze uitlachte, waren ze onmiddellijk verslagen, gewoon doordat ze hem zijn wenkbrauwen zagen optrekken. Maar zelfs mijn vader die zo machtig was, is in een oogwenk door U overwonnen. (Vedabase)

 

Tekst 24:

Daarom, wetende waar al de zinsbevrediging van al die langlevendheid, weelde en beschaving van al de belichaamden, van Brahmâ tot aan de kleinste mier, toe leidt, heb ik er geen behoefte aan door U te moeten worden onderworpen, U die zo machtig zijt als de Meester van de Tijd; alstUblieft wees zo goed me in de richting te leiden van de omgang met Uw gewetensvolle dienaren.

O Heer, ik heb nu volmaakt ervaren wat de waarde is van wereldse rijkdom, mystieke kracht, een lang leven en alle andere materiële genoegens waar de levende wezens, van Heer Brahmâ tot aan de mier, van genieten. Als de machtige tijd vernietigt U alles. Daarom kan ik uit ervaring zeggen dat ik ze niet wens te bezitten. O Heer, ik verzoek U om me in contact te brengen met Uw zuivere toegewijde en hem als een oprechte dienaar te mogen dienen. (Vedabase)

 

Tekst 25:

In welk opzicht is men nu gezegend met het gelukkig zijn in horigheid [aan verlangens]? Wat betekent voor dit lichaam, dat plaats biedt aan zovele ziekten, nu het geluk dat niet meer is dan een luchtspiegeling in de woestijn? Ookal heeft de gewone man er nimmer genoeg van, toch pogen de geschoolden dat vuur te blussen met kleine druppeltjes honing, proberen ze dat onder controle te krijgen wat alleen maar met de grootste moeite kan worden bereikt.

In deze materiële wereld hoopt ieder levend wezen op wat toekomstig geluk, wat vergeleken kan worden met een luchtspiegeling in de woestijn. Waar in de woestijn is er water te vinden, of anders gezegd, waar is het geluk in deze materiële wereld? En wat het lichaam betreft, wat is de waarde ervan? Het is alleen maar een bron van allerlei ziektes. De zogenaamde filosofen, wetenschappers en politici weten dit maar al te goed, maar niettemin blijven ze naar voorbijgaand geluk streven. Het geluk is heel erg moeilijk te vinden, maar omdat ze niet in staat zijn om hun zinnen te beheersen, rennen ze als bezetenen achter het zogenaamde geluk van de materiële wereld aan zonder ooit tot de juiste conclusie te komen. (Vedabase)

 

Tekst 26:

In welke positie verkeer ik nu? Hoe kan ik nu uitstijgen boven het feit dat ik geboren ben in de duisternis van een lichaam van hartstocht, in een familie ver verwijderd van de verlichting? De lotushand van Uwe grondeloze genade die U mij op mijn hoofd hebt gelegd als teken van genade, zou er zelfs voor Heer Brahmâ, voor Heer S'iva of zelfs de Godin van het Geluk niet zijn!

O Heer, o Allerhoogste, wat is mijn kwalificatie? Ben ik niet geboren in een familie die volkomen onder invloed van de helse geaardheden hartstocht en onwetendheid staat? Vanwaar Uw grondeloze genade, die U zelfs nog nooit geschonken heeft aan Heer Brahmâ, Heer S'iva of de godin van het geluk, Lakshmî? U heeft nog nooit Uw lotushand op hun hoofd gelegd, maar bij mij heeft U dat wel gedaan. (Vedabase)

 

Tekst 27:

In dezen kan er feitelijk met Uwe Heerlijkheid als zijnde de vriend van de ganse wereld geen onderscheid bestaan tussen hogere en lagere levende wezens, maar niettemin is er van U, afhankelijk van de geleverde dienst, net als met een wensboom die geeft wat men maar wenst, de manifestatie van de zegening die gereserveerd is voor de toewijding, ongeacht of men nu van een hoger of lager nivo is [zie ook 2.3: 10 en B G. 4: 33, 9: 25].

In tegenstelling tot een gewoon levend wezen, o Heer, maakt U geen onderscheid tussen vriend en vijand of tussen degene die U gunstig gezind is en degene die dat niet is, want voor U bestaat er geen hoger en lager. Niettemin verleent U Uw zegeningen naargelang het gehalte van de U bewezen dienst, zoals een wensboom iedereen overeenkomstig zijn verlangens vruchten schenkt zonder daarbij onderscheid te maken tussen hoog en laag. (Vedabase)

 

Tekst 28:

De gewone man die in zijn materiële bestaan in die zin in een overwoekerde put vol van slangen viel, jaagt het voorwerp van zijn begeerte na; ik die persoonlijk vanwege slecht gezelschap eveneens in die toestand ben beland werd door de sura wijze [Nârada], o Allerhoogste Heer, in vertrouwen genomen; hoe kan ik nu ooit de dienst van Uw zuivere toegewijde loslaten?

O mijn Heer, o Allerhoogste Godspersoon, door het ene materiële verlangen na het andere te ontwikkelen, zakte ik langzaam weg in een donkere put vol slangen, in navolging van de grote massa. Maar Uw dienaar Nârada Muni heeft me in zijn goedheid als zijn leerling aangenomen en me geleerd hoe ik op het transcendentale niveau moet komen. Daarom is het mijn allereerste plicht om hem te dienen. Hoe zou ik zijn dienst ooit kunnen verlaten? (Vedabase)

 

Tekst 29:

Mijn leven reddend o Onbegrensde, met U die me gered hebt van de dood door de hand van mijn vader, beschouw ik de woorden van Uw dienaar, dat wat de rishi zei, als waar daar U ze bewaarheid hebt jegens hem die kwaadwillend met het zwaard in de hand tegen me zei: 'Laat die heerser buiten mij je maar van mij verlossen nu ik je je hoofd zal afslaan.'

O Heer, oneindige oceaan van transcendentale kwaliteiten, U hebt mijn vader, Hiranyakas'ipu, gedood en me behoed voor zijn zwaard. Hij zei in grote woede: "Als er een andere allerhoogste bestuurder dan ikzelf bestaat, laat hij je dan redden, want ik ga nu je hoofd afhakken!" Daarom denk ik dat U door mij te redden en hem te doden, wilde bewijzen dat de woorden van Uw toegewijde waar zijn. Een andere reden is er niet. (Vedabase)

 

Tekst 30:

Dit universum overal om ons heen is die Ene die U alleen bent, vanwege U waren in den beginne en op het eind zowel als halverwege er afzonderlijk zij die U geschapen hebt middels de drie geaardheden die Uw uitwendig vermogen gestalte geven, zij, de velen van al de verscheidenheid die hun ervaring aan U te danken hebben die erin is binnengegaan [zie ook B.G 9: 4].

O Heer, U alleen verschijnt als de hele kosmische openbaring, want U bestond al vóór de schepping. U zal na de vernietiging blijven bestaan en U bent ook degene die het universum tussentijds instandhoudt. Dit alles geschiedt dankzij Uw uitwendige energie, door middel van de acties en reacties van de drie geaardheden der materiële natuur. Daarom is wat er ook bestaat - zowel buiten als binnen - enkel en alleen Uzelf. (Vedabase)

 

Tekst 31:

U dan wel als de oorzaak, dan wel als het gevolg van dit geheel, o Mijn Heer, blijft Zelf losstaan van de materie die Uw illusoir vermogen vormt, en waarvan we weten dat die zich manifesteert als de substantie waarvan we de schepping, de vernietiging en het behoud hebben; en daarvan is er het feitelijk inhoudsloze idee van het hebben van een verschillend zelf of, anders gesteld, dat het aardse bestaan en het subtiele ervan te vergelijken is met wat men heeft met een boom en een zaadje [vanwaaruit het allemaal ontspruit enerzijds en dat het resultaat van Uw manifesteren erin is anderzijds].

O Heer, o Allerhoogste Godspersoon, U bent de oorzaak van de kosmos, en de kosmische openbaring is een produkt van Uw energie. Hoewel de hele kosmos niets anders is dan Uzelf, blijft U er los van staan. Het idee van "mijn en dijn" is zondermeer een vorm van begoocheling [mâyâ], omdat dit alles uit U voortkomt en daarom niet van U verschilt. Ja, de hele kosmische openbaring is niet-verschillend van U en U bent eveneens de oorzaak van de vernietiging ervan. Deze relatie tussen U, Heer, en de kosmos kan geïllustreerd worden aan de hand van het voorbeeld van het zaadje en de boom, of van de subtiele oorzaak en het grofstoffelijke, zichtbare gevolg. (Vedabase)

 

Tekst 32:

Met het met deze schepping van U teruggeworpen zijn [met mijn vader b.v. in zijn vernietiging] in het zelf van Uw causale oceaan, schijnt U er geen activiteit op na te houden en te slapen als U binnenin Uzelf het gelukzalig persoonlijke ervaart met het hebben gesloten van Uw ogen in de yoga; maar het is niet een materieel sluimeren in de duisternis der geaardheden waar U zich in bevindt, het feit in aanmerking nemend dat U, middels een manifestatie van Uzelf [deze Nrisimha-gedaante], dat soort van slapen bent tegengegaan in het behouden van de bovenzinnelijkheid.

O mijn Heer, o Allerhoogste Godspersoon, na de vernietiging blijft de scheppende energie in U bewaard, terwijl het lijkt alsof U met halfgesloten ogen ligt te slapen. In werkelijkheid ligt U echter niet als een gewoon mens te slapen, want U bent altijd op het transcendentale niveau, verheven boven de schepping van de materiële wereld en voortdurend in een toestand van transcendentale gelukzaligheid. Zo blijft U als Kâranodakas'âyî Vishnu altijd in Uw transcendentale positie, zonder enig contact met het materiële. Hoewel het lijkt alsof U slaapt, is dit slapen heel iets anders dan slapen in onwetendheid. (Vedabase)

 

Tekst 33:

Uit Uw sluimering op het bed van Ananta in de causale wateren ontwaakt, verscheen de grote lotus van al de werelden uit Uw navel zoals een bananenboom dat doet uit zijn zaad, en dat kosmische lichaam van U, dit universum aangedreven door de tijdfactor, toont Uw manier van reageren [in de vorm en godheden van de geaardheden] op de materie.

Deze kosmische openbaring, de materiële wereld, is eveneens Uw lichaam. Deze hele klomp materie wordt in beweging gebracht door Uw machtige energie die bekendstaat als kâla-s'akti, en zo worden de drie geaardheden der materiële natuur geopenbaard. U ontwaakt op het bed van S'esha, Ananta, en uit Uw navel komt een klein transcendentaal zaadje tevoorschijn. Uit dit zaadje ontvouwt zich de lotus van het reusachtige universum, net zoals een baniaanboom uit een minuscuul zaadje voortspruit. (Vedabase)

 

Tekst 34:

De ene van de kennis [Brahmâ] voortgebracht uit die lotus kon niemand anders ontwaren daar Uwe Heerlijkheid, als het zaadje, zich tot hemzelf had uitgebreid; hij dook in het water voor een honderdtal halfgodenjaren niet begrijpend hoe een zaadje eenmaal gekiemd, o mijn Heer, nog steeds kan worden waargenomen [zie 3.8].

Uit die reusachtige lotus werd Heer Brahmâ geboren, maar hij kon niets zien behalve deze lotus. Omdat hij veronderstelde dat U Zich ergens moest bevinden, dook Heer Brahmâ het water in en trachtte honderd jaar lang de oorsprong van de lotus te vinden. Hij kon echter niet het minste spoor van U ontdekken, want als een zaadje eenmaal ontkiemd is, vindt men er niets meer van terug. (Vedabase)

 

Tekst 35:

Hij enkel maar uit zichzelf geboren was er zeer verbaasd over zich op die lotus aan te treffen. Na de nodige tijd door verschillende zware boetedoeningen gezuiverd vond hij dan U, o Beheerser, zeer subtiel, zoals de geur in de aarde, verspreid door heel het zinnelijk wezen dat zo vol van begeerten is.

Heer Brahmâ, die de faam geniet zonder moeder geboren te zijn (âtma-yoni), was hoogst verbaasd. Daarom nam hij zijn toevlucht tot de lotus, en toen ij eenmaal na vele honderden jaren van strenge ascese gezuiverd was, kon hij zien dat de oorzaak van alle oorzaken, de Allerhoogste Godspersoon, door zijn hele lichaam en over al zijn zintuigen verspreid was, net zoals men in de aarde, zij het zeer subtiel, een geur waarneemt. (Vedabase)

 

Tekst 36:

Op deze manier de Grote Persoon ziend met Zijn duizenden gezichten, voeten, handen en dijen, neuzen, oren en ogen, en uitgerust met allerlei sieraden en wapens, die tezamen, zich voordoend in verschillende tekenen, een bewijs vormden van Zijn vermogen, bereikte Heer Brahmâ de bovenzinnelijke gelukzaligheid.

Heer Brahmâ kon U toen zien, met Uw vele duizenden gezichten, voeten, hoofden, handen, dijen, neuzen, oren en ogen. U was fraai gekleed, getooid met een grote verscheidenheid aan sieraden en uitgerust met allerlei wapens. Toen Heer Brahmâ U aldus zag als Heer Vishnu, wiens attributen en gedaante transcendentaal zijn en wiens benen Zich uitstrekken tot aan de lagere planetenstelsels, ervaarde hij transcendentale gelukzaligheid. (Vedabase)

 

Tekst 37:

Terwille van het zijne zowaar het hoofd van een paard aanvaardend in een incarnatie, doodde U twee zeer machtige demonen genaamd Madhu en Kaitabha die tegen de Veda ingingen en die de hartstocht en de onwetendheid vertegenwoordigden, en bracht U de s'ruti [de vier Veda's] waarvoor men Uw meest geliefde gedaante [van Hayagrîva] eert als het zuivere van de transcendentale goedheid [zie ook 5.18: 18 en B.G. 4: 7].

O Heer, toen U als Hayagrîva verscheen, met het hoofd van een paard, doodde U twee demonen genaamd Madhu en Kaitabha, die volledig onder invloed stonden van de geaardheden hartstocht en onwetendheid. Vervolgens overhandigde U de vedische kennis aan Heer Brahmâ. Om die reden beschouwen alle grote heiligen Uw gedaantes als transcendentaal en volkomen vrij van materiële eigenschappen. (Vedabase)

 

Tekst 38:

Op deze manier overeenkomstig de yuga in kwestie verschijnend in verschillende incarnaties als een menselijk wezen, een heilige, een god of een waterdier, beschermt U al de werelden, daarbij soms de lastpakken van de wereld dodend ter verdediging van het dharma, o Allerhoogste Persoonlijkheid; in Kali-yuga bent u verhuld [channa] en derhalve wordt U, als zijnde één en dezelfde persoon, Triyuga genoemd [vanwege het herkenbaar zijn in de drie andere yuga's, zie ook 11.5: 32].

O Heer, op deze manier verschijnt U in verschillende incarnaties - nu eens als een mens en dan weer als een dier, een grote heilige, een halfgod, een vis of een schildpad. Zo houdt U de hele schepping op de verschillende planetenstelsels in stand en vernietigt U de demonische principes. O Heer, al naargelang het betreffende tijdperk beschermt U de religieuze principes. In het Kali-tijdperk laat U echter niet duidelijk blijken dat U de Allerhoogste Godspersoon bent, en daarom staat U bekend als Triyuga, de Heer die in drie yuga's verschijnt. (Vedabase)

 

Tekst 39:

Zeker is dat de geest die niet is gericht op Uw bovenzinnelijke verhalen, ver verwijderd als hij is van de Heer van Vaikunthha, verontreinigd, oneerlijk en moeilijk te beheersen is door de zonden waarmee hij dan sympatiseert; vol van verlangens en lusten is hij van hoogten en diepten, angsten en leed vanwege de aandrang; hoe kan ik met zo een armzalige en gevallen geest de bedoeling van het Allerhoogste van U doorgronden?

O mijn Heer van de Vaikunthha-planeten waar angst en zorgen onbekend zijn, mijn geest is buitengewoon zondig en wellustig en wordt nu eens overweldigd door zogenaamd geluk en dan weer door zogenaamd verdriet. Hij zit vol jammerklachten en angsten en is altijd op zoek naar meer geld. Daardoor is hij erg vervuild geraakt en kunnen onderwerpen die U betreffen hem geen voldoening schenken. Daarom ben ik zeer gevallen en berooid. Hoe zal ik in zo'n toestand ooit in staat zijn om over Uw activiteiten te spreken? (Vedabase)

 

Tekst 40:

De tong leidt me af in deze richting, o Onfeilbare, en de geslachtsdelen trekken me onbevredigd in die richting, zo doen de huid, de maag en het oor dat terwille van het ene en gaat voor het andere de neus die kant op en de ogen daar weer heen; de drukte van de actieve zintuigen haalt je naar beneden zoals bijvrouwen een huisvader naar beneden kunnen halen.

O Heer, U die onfeilbaar bent, mijn situatie is als die van een man met vele vrouwen die hem allemaal op hun eigen manier tot zich proberen aan te trekken. Zo is de tong bijvoorbeeld aangetrokken tot lekker eten, de geslachtsdelen tot het bedrijven van seks met een mooie vrouw, en de tastzin tot het aanraken van zachte dingen. Ook al zit de buik vol, dan wil hij nog steeds meer eten, en het oor dat geen poging doet om over U te horen, voelt zich over het algemeen aangetrokken tot bioscoop-muziek. Het reukzintuig laat zich weer een andere kant op trekken, de rusteloze ogen zijn aangetrokken tot taferelen van materieel genot, en de werkzintuigen worden weer door iets anders bekoord. Daarom bevind ik me dus zondermeer in een moeilijke situatie. (Vedabase)

 

Tekst 41:

Op deze manier door m'n karma beland in de Vaitaranî rivier [voor de poort van de dood] lijdt ik helaas, de ene na de andere geboorte van alles en nog wat etend, eronder steeds maar banger te zijn om te zien hoe het levende wezen, als de gevangene van zijn eigen lichaam en verstrikt in de omgang met andere lichamen, vijandig of van vriendschap is; o U, die zich aan gene zijde bevindt, redt me van dit gevaar daar we vandaag hier allen een stel dwazen zijn.

O Heer, U bevindt Zich altijd op het transcendentale niveau, aan gene zijde van de rivier des doods, maar door de terugslagen van ons doen en laten moeten wij aan deze kant lijden. Ja, we zijn in deze rivier gevallen en ondergaan onophoudelijk de pijn van geboorte en dood, en eten de vreselijkste dingen. Wees toch zo goed een blik op ons te werpen - niet alleen op mij, maar ook op alle anderen die aan het lijden zijn - en verlos ons en ontferm U over ons uit Uw grondeloze genade en mededogen. (Vedabase)

 

Tekst 42:

Wat inderdaad zou Uw grote mededogen in de weg staan jegens ons vriendelijke mensen, die altijd zo begerig zijn in dezen van dienst te zijn o Meester van Allen, o Allerhoogste Heer, om ervoor de zorgen dat wij materialistische dwazen worden gered van de oorzaak van het steeds maar weer maken, vasthouden en verliezen, o Vriend der Behoeftigen?

O Heer, U bent de Allerhoogste Godspersoon en de oorspronkelijke geestelijk leraar van de hele wereld - waarom zou het U, die het hele universum bestuurt, dan enige moeite kosten om de gevallen zielen die U toegewijde dienst bewijzen, te verlossen? U bent de vriend van de hele lijdende mensheid, en grote persoonlijkheden dienen immers de dwazen genadig te zijn. Daarom denk ik dat U mensen als wij, die opgaan in Uw dienst, Uw grondeloze genade zult betonen. (Vedabase)

 

Tekst 43:

Zeer zeker ben ik, o Allerhoogste, van het verdiept zijn in het verkondigen van Uw zoete oceaan van heerlijkheden, vrij van zorgen wat betreft de moeilijk over te steken Vaitaranî die deze wereld is; ik treur eerder, hoewel ze een stel zotten zijn, over degenen die de bevrijding missen en die voor het heil hunner zinnen plannen maken ten gunste van schijnvormen van geluk en plichtsbetrachting [zie ook 6.17: 28].

O beste van alle grote persoonlijkheden, ik ben helemaal niet bang voor het materiële bestaan, omdat ik waar ik ook ben volledig opga in gedachten aan Uw heerlijkheid en activiteiten. Het enige waarom ik me zorgen maak, zijn die dwazen en schurken die uitgebreide plannen maken om van materieel geluk te genieten en hun gezin, gemeenschap en land in stand te houden. Het is zuiver uit liefde dat ik me zo bezorgd om hen maak. (Vedabase)

 

Tekst 44:

Over het algemeen, o Godheid, trekken de heiligen, ambitieus uitzijnde op hun eigen verlossing, in stilte door afgelegen gebieden, zonder erg geïnteresseerd in een leven ter wille van het heil van anderen; maar ik wil niet, zoals zij dat doen, de anderen links laten liggen die tekort schieten, ik wil niet in mijn eentje terugkeren naar God, ik zou graag willen dat anderen, gevangen in de vicieuze cirkel, er beter in slagen deze toevlucht van U te vinden.

O Heer Nrisimhadeva, ik zie dat er zondermeer vele heilige personen zijn, maar ze zijn alleen geïnteresseerd in hun eigen verlossing. Zonder zich zorgen te maken om de metropolen en de steden trekken ze de Himalaya's of het woud in om onder de eed van zwijgzaamheid [mauna-vrata] te gaan mediteren. Ze stellen er geen belang in om anderen te verlossen. Wat mij echter betreft, ik wens niet in mijn eentje bevrijd te worden en al deze arme dwazen en schurken hier achter te laten. Ik weet dat niemand zonder Krishna-bewustzijn, zonder zijn toevlucht tot Uw lotusvoeten te nemen, ooit gelukkig kan zijn. Daarom wens ik ze terug te brengen naar de toevlucht van Uw lotusvoeten. (Vedabase)

 

Tekst 45:

Het je druk maken over seks is inderdaad zo triviaal als de jeuk waarvan men verlost raakt door z'n handen te wrijven; zij die hiermee tekort schieten vinden, gebukt gaand onder allerlei soorten van ellende, de verschillende gevoelens van verdriet er nimmer mee beëindigd, maar als men daarvan leert, het herkennend als een drogbeeld, is men een nuchtere persoon die in staat is de jeuk te verdragen [zie ook B.G. 7: 14].

Seks wordt vergeleken met het tegen elkaar wrijven van de twee handen om jeuk te verlichten. Grihamedhi's, zogenaamde grihastha's zonder geestelijke kennis, denken dat dit jeuken de hoogste vorm van geluk is, hoewel het eigenlijk een bron van ellende is. De kripana's, de dwazen die precies het tegenovergestelde van brâhmana's zijn, vinden geen voldoening in dit steeds herhaalde zingenot. Degenen die echter dhîra, verstandig, zijn en deze jeuk gewoon verdragen, ontkomen aan het lijden dat de dwazen en de schurken ondergaan. (Vedabase)

 

Tekst 46:

Stilte, geloften, vedische kennis, verzaking, studie, plichtmatigheid, uitleg van de geschriften, alleen wonen, bidden en verzonkenheid, behoren tot het pad der bevrijding, maar vaak vormen deze zaken [deze tien methoden om geëmancipeerd te raken] met hen die hun zinnen niet echt de baas zijn de belangrijkste manier om in hun levensonderhoud te voorzien, o mijn Heer, en is er dan in dit verband sprake van niets dan hypocrisie [zie ook 6.1: 16].

O Allerhoogste Godspersoon, er worden tien methodes voorgeschreven om bevrijding te bereiken - het in acht nemen van stilte zonder tegen wie dan ook te spreken, het zich houden aan bepaalde geloftes, het vergaren van allerlei soorten vedische kennis, het beoefenen van ascese, het bestuderen van de Veda's en andere vedische geschriften, het naleven van zijn plichten volgens het varnâs'rama-dharma stelsel, het uitleggen van de s'âstra's, het wonen op een afgelegen plaats, het in stilte chanten van mantra's, en het opgaan in trance. Deze verschillende methodes die tot bevrijding moeten leiden, worden echter over het algemeen gebruikt bij wijze van beroep of als manier om in zijn levensonderhoud te voorzien door mensen die geen meester zijn over hun zinnen. Omdat zulke mensen verwaand zijn, is het goed mogelijk dat deze methode geen enkel resultaat opleveren. (Vedabase)

 

Tekst 47:

Over de twee van het ware en onware van U, die zelf zonder een vorm bent en buiten wie er verder niets te vinden is, spreken de Veda's in termen van het zaadje en de spruit; die twee, die als het hout zijn en het vuur erin aanwezig, zijn voor de ogen van hen die met U in verbinding staan, dankzij Uw bewustzijnsvereniging, duidelijk te herkennen [in het spirituele verzaken en het materieel concreet van dienst zijn], en op een andere manier is dat niet mogelijk.

Wie gezaghebbende vedische kennis heeft, kan zien dat de verschillende manifestaties van oorzaak en gevolg in de kosmische openbaring aan de Allerhoogste Godspersoon toebehoren, aangezien de kosmische openbaring uit Zijn energie bestaat. Zowel oorzaak als gevolg zijn slechts energieën van de Heer. O Heer, zoals daarom een wijs man door oorzaak en gevolg te beschouwen kan zien hoe er vuur in hout verborgen ligt, zo kunnen zij die U toegewijde dienst bewijzen begrijpen hoe U zowel de oorzaak als het gevolg van alles bent. (Vedabase)

 

Tekst 48:

U bent de lucht, het vuur, de aarde, de ether en het water, de zinsobjecten, de levenskracht, de zinnen, de geest, het bewustzijn en alle goddelijkheid die erbij hoort; U bent dat alles, de enige natuur der geaardheden zowel als degene voorbij aan alles, o Mijn Heer; wat er ook gemanifesteerd is of zich uitdrukt in de geest en in woorden, is niemand anders dan U.

O Allerhoogste Heer, U bent in feite lucht, aarde, vuur, ether en water. U bent de objecten van zintuiglijke waarneming, de verschillende soorten levenslucht, de vijf zintuigen, de geest, het bewustzijn en het vals ego. Ja, U bent alles wat er bestaat, zowel fijn- als grofstoffelijk. De materiële elementen en verder alles wat tot uitdrukking is gebracht, hetzij met woorden of door middel van de geest, zijn niets anders dan U alleen. (Vedabase)

 

Tekst 49:

Noch alle geaardheden der natuur, noch de hun overheersende goden; noch het geheel van de kosmische intelligentie, het valse ego, de stoffelijke en subtiele elementen, de zinnen en hun objecten; noch zij die zo nadenkend zijn samen met al de goddelijken en de sterfelijken die allen een begin en een einde kennen, o Heer verheerlijkt door al de heiligen, is het gegeven dat wat allemaal het Uwe is te omvatten, en zodoende denken de zuiveren erover een punt te zetten achter hun studies [en een begin te maken met hun toegewijde dienst, zie ook B.G. 2: 52].

Noch de drie geaardheden der materiële natuur [sattva-guna, rajo-guna en tamo-guna], noch de godheden die over deze drie geaardheden heersen, noch de vijf grofstoffelijke elementen, de geest, de halfgoden of de mensen kunnen U begrijpen, aangezien ze allemaal aan geboorte en vernietiging onderhevig zijn. Met dit in gedachte zijn degenen die geestelijk gevorderd zijn tot toegewijde dienst overgegaan. Zulke wijzen maken zich nauwelijks druk om het bestuderen van de Veda's; in plaats daarvan leggen ze zich toe op praktische toegewijde dienst. (Vedabase)

 

Tekst 50:

Daarom biedt ik U, o Beste der Aanbedenen, met gebeden mijn eerbetuigingen en volbreng ik de aanbidding, span ik me voor U in, herinner ik mij U, houdt ik het bij Uw toevlucht en luister ik altijd naar de verhalen over U; hoe kan zonder het vereren van U in al deze zes vormen een persoon [werkelijk] de bhakti genieten die gereserveerd is voor de besten der transcendentie [de paramahamsa's, vergelijk 7.5: 23-24, zie voor verdere gebeden tot Heer Nrisimha 5.18: 7-14]?'

O Allerhoogste Godspersoon, de beste van alle personen tot wie men gebeden richt, ik bied U mijn nederige eerbetuigingen aan, want wie kan zonder het beoefenen van zes vormen van toegewijde dienst - bidden, alle vruchten van zijn werk aan U opdragen, U vereren, werken ter wille van U, zich altijd Uw lotusvoeten herinneren en over Uw heerlijkheid horen - ooit datgene bereiken wat voor de paramahamsa's is bestemd. (Vedabase)

 

Tekst 51:

S'rî Nârada zei: 'Tot zover heb ik de bovenzinnelijke kwaliteiten beschreven van de bhakta in zijn bhakti. De Heer boven de geaardheden die was behaagd en de woede onder controle had, richtte zich toen tot hem die zich aan Zijn voeten had overgegeven.

De grote heilige Nârada zei: Aldus kalmeerde de grote toegewijde Prahlâda Mahârâja Heer Nrisimhadeva met zijn transcendentale gebeden. De Heer gaf Zijn woede op en sprak met veel affectie de volgende woorden tot Prahlâda, die Hem ter aarde geworpen zijn eerbetuigingen bracht. (Vedabase)

 

Tekst 52:

De Allerhoogste Heer zei: 'Prahlâda mijn lieve jongen, al het goede zij je toegewenst, ik ben verheugd over jou, o beste der Asura's, je mag om welke gunst vragen die je ook maar van Mij verlangt, want Ik ben de vervulling van alle wensen van een ieder.

De Allerhoogste Godspersoon zei: Mijn dierbare, nobele Prahlâda, o beste van de familie der Asura's, Ik wens je alle zegen toe. Ik ben uitermate tevreden over je. Aangezien het Mijn spel en vermaak is om de verlangens van alle levende wezens te vervullen, kun je Me nu vragen om iedere zegen die je maar wenst. (Vedabase)

 

Tekst 53:

Geniet een lang leven! Mij niet behagend, zelden Mijn aanwezigheid opzoekend, Mij niet gezien hebbend, is het het lot van het levend wezen om keer op keer zich over zichzelf te beklagen.

Mijn beste Prahlâda, dat je lang mag leven. Men kan Mij niet waarderen of begrijpen zonder Mij tevreden te stellen, maar iemand die Mij heeft gezien of tevredengesteld, heeft zelf geen enkele reden meer om te klagen. (Vedabase)

 

Tekst 54:

Wees er inderdaad op uit Me te behagen, daar daarvan ieder nuchter mens in ieder opzicht, als een goed gevormd mens, het beste wat het leven te bieden heeft mag verwachten, o fortuinlijke; ik ben immers de Meester aller Zegeningen.'

Mijn beste Prahlâda, je bent zeer fortuinlijk. Laat Me je vertellen dat zij die erg wijs en hoog verheven zijn, Mij met allerlei verschillende vormen van toewijding proberen te plezieren, aangezien Ik de enige ben die ieders verlangens kan vervullen. (Vedabase)

 

Tekst 55:

S'rî Nârada zei: 'Hoewel hij aldus met wereldse zegeningen ertoe verlokt werd, wilde de beste der Asura's niets van de zaken waar hij om mocht vragen, omdat hij er alleen maar in geïnteresseerd was van overgave te zijn aan de Allerhoogste Heer [zie ook: S'ikshâshthaka vers vier].'  

Nârada Muni zei: Prahlâda Mahârâja was de allerbeste uit de familie der Asura's, die altijd naar materieel geluk streven. Hoewel de Allerhoogste Godspersoon hem in verleiding probeerde te brengen door hem alle mogelijke zegeningen voor materieel geluk aan te bieden, weigerde hij dankzij zijn zuivere Krishna-bewustzijn om ook maar iets voor zijn zinsbevrediging aan te nemen. (Vedabase)

 

 

*: De kwaliteiten van de brahmaan worden in de Sanat-sujâta als volgt beschreven:

jñânam ca satyam ca damah s'rutam ca
hy amâtsaryam hrîs titikshânasûyâ
yajñas ca dânam ca dhritih s'amas ca
mahâ-vratâ dvâdas'a brâhmanasya
 

'Geestelijke kennis, waarheidsliefde, trouw aan de Schrift, zonder afgunst, verdraagzaamheid, van opoffering, liefdadigheid, gelijkgezind, en leven naar de grote gelofte [van yama die naast het waarachtige reeds vermeld de vier met zich meebrengt van het celibaat, de geweldloosheid, de vrijheid van bezitsdrang en het niet-stelen] zijn de twaalf kwaliteiten van de brahmaan.' Zie ook 5.5: 24 en B.G. 18: 42.

 

 

 

 

Voor deze oorspronkelijke vertaling is een alles-in-een band exemplaar
met uitgebreid commentaar gebruikt.
ISBN: o-91277-27-7
Zie de
S'rîmad Bhâgavatam linkspagina
voor een download van dit boek en andere boeken van Prabhupâda.
Het eerste schilderij op deze pagina is van
Muralîdhara dâsa & het tweede schilderij is van Caruhasa dâsa.
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd  


 

 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties