regelbalk



  

 

Canto 3

Dâmodarâshthaka

 

 

Hoofdstuk 19: Het doden van de demon Hiranyâksha

(1) Maitreya zei: 'Het horen van Brahmâ's oprechte, nectargelijke woorden ontlokte een hartelijke lach aan de Heer toen Hij ze aanvaardde met een blik vol liefde. (2) Toen, opspringend, bracht de Heer die uit Brahmâ's neusgat was verschenen, met Zijn strijdknots zijwaarts de demonische vijand, die zich onbevreesd voor Hem bewoog, een slag toe op zijn kin. (3) Maar die klap werd door Hiranyâksha zodanig met zijn knots afgeweerd, dat de  knots van de Heer wonderlijk, met een verrassende gloed naar beneden wervelend, uit Zijn handen glipte. (4) Hoewel Hiranyâksha zodoende een uitstekende kans kreeg, hield hij zich aan de gevechtscode dat men iemand die geen wapen heeft niet aanvalt. Dit wond de Heer op. (5) Toen Zijn strijdknots viel rees er een angstkreet op [onder de toeschouwers] maar de Almachtige Heer, geplaatst voor Hiranyâksha's rechtzinnigheid, moest aan Zijn Sudars'ana-cakra denken. (6) Spelend met de gemene zoon van Diti, deze grootste van Zijn metgezellen, liet Hij Zijn werpschijf roteren en werd toen onthaald op verschillende uitingen van ongeloof van de kant van hen die zich onbewust [van al Zijn vermogens] in de hemel verdrongen en zeiden: 'We wensen U alle geluk, doodt hem alstUblieft.'

(7) Toen de Daitya Hem, die ogen had gelijk de blaadjes van lotusbloemen, met Zijn schijf gewapend voor zich zag, klaar voor hem en hem aankijkend, raakte hij buiten zinnen van verontwaardiging en beet hij in grote weerzin sissend als een slang op zijn lippen. (8) Met zijn angstaanjagende, enorme tanden en starende, vuurschietende ogen viel hij Hem toen aan met zijn knots, uitroepend: 'En zo wordt Je dan verslagen!', en slingerde hem naar de Heer. (9) Hoewel die knots, o zoeker van de waarheid, de kracht had van een orkaan, werd hij door de Heer van de offers die de vorm van een everzwijn had aangenomen, voor ogen van Zijn vijand speels met Zijn linkerpoot afgeweerd.

(10) Toen zei Hij: 'Raap hem op en probeer het nog eens, als je het zo graag wil winnen'. De aldus uitgedaagde Hiranyâksha sloeg daarop luid brullend opnieuw toe. (11) De Heer die de strijdknots op zich af zag komen zette zich schrap en ving hem op met het gemak waarmee Garuda een slang grijpt. (12) Met zijn bravoure aldus gefrustreerd had de grote demon, gekrenkt in zijn trots, er vernederd geen zin meer in de knots opnieuw te accepteren die de Heer hem aanbood. (13) In plaats daarvan nam hij een drietand ter hand en stoof laaiend als vuur verbeten op de Varâhagedaante van de Heer van de Offers af, gelijk iemand die met kwaad in de zin tegen een brahmaan ingaat. (14) De glanzende drietand die de machtigste onder de Daitya's met al zijn kracht naar de Heer had geworpen, lichtte in zijn vlucht helder op maar, zoals Indra Garuda zijn vleugel afsneed [toen hij ooit eens een pot nectar had weggegrist], werd hij in stukken gehakt door de scherpgerande cakra. (15) Toen hij zijn drietand in stukken gehakt zag door de Heer Zijn werpschijf, kwam hij woedend brullend naar voren en bracht met zijn vuist de brede, met het S'rîvatsateken gemerkte borst van de Heer, de verblijfplaats van de godin, hard een slag toe. Daarna verdween de demon uit het gezicht. (16) Door hem aldus getroffen, o Vidura, was de Allerhoogste Heer, in Zijn eerste incarnatie als een zwijn, niet in het minst geraakt. Hij was niet meer beroerd dan een olifant geslagen met een bos bloemen. (17) De omstanders echter zagen hoe de Heer van het inwendig vermogen daarop belaagd werd door een reeks trucs en vol van angst dachten ze dat het einde van de wereld op handen was. (18) Felle winden raasden en in alle richtingen verspreidde zich vanwege het stof duisternis, terwijl er stenen naar beneden kwamen alsof een heel leger bezig was. (19) De hemellichten verdwenen achter massa's wolken waaruit het donderde en bliksemde, terwijl het de hele tijd pus, haar, bloed, ontlasting, urine en beenderen regende. (20) O zondeloze, vanuit de bergen werden allerlei soorten wapens gelanceerd en men zag naakte duivelinnen met loshangende haren die gewapend waren met drietanden. (21) Vele woeste duivels en demonen te voet, te paard, op strijdwagens en met olifanten verschenen ten tonele die wrede, moorddadige woorden riepen. (22) Volgend op dit magisch machtsvertoon van de demon lanceerde de geliefde genieter van de drie offers [van het luisteren, de goederen en de adem, zie B.G. 4: 26-27], die een einde aan dat alles wilde maken, het wapen van Zijn hoogst excellente aanwezigheid [de Sudars'ana-cakra].

(23) Op dat moment doortrok plots een huivering het hart van Diti [de moeder van de demon] waarop, met het zich herinneren van de woorden van haar echtgenoot [Kas'yapa], er bloed uit haar borsten vloeide. (24) Toen zijn magische krachten verdreven waren [door de lancering van de cakra] doemde de demon opnieuw op voor de Opperheer. Hij omhelsde Hem vol razernij om Hem te pletten, maar ontdekte dat de Heer zich buiten zijn greep bevond. (25) Hiranyâksha sloeg Heer Adhokshaja ['Hij voorbij de controle van de zinnen'] met zijn vuist hard als een donderslag, maar kreeg van Hem een trap precies onder zijn oor, net zoals de heer van de Maruts [Indra] dat deed met de demon Vritra. (26) Hoewel de onoverwinnelijke Heer hem slechts terloops raakte, tolde het lichaam van de duivel in het rond met zijn ogen puilend uit hun kassen, waarop hij, met zijn armen en benen levenloos en zijn haar in wanorde, neerstortte als een gigantische boom geveld door de wind.

(27) De zelfgeborene [Brahmâ] en de anderen die hem op de grond zagen liggen met zijn bloed nog niet uit zijn gezicht weggetrokken en zijn schrikwekkende tanden door zijn lip, zeiden, vol bewondering naderbij komend: 'O waarachtig, wie kan er nu zo zijn eindbestemming vinden? (28) Hij op wie de yogi's, in afzondering verzonken in de vereniging van hun bewustzijn, mediteren om bevrijding te vinden uit het onwerkelijke, materiële lichaam, trof met één van Zijn poten hem, de zoon, het kroonjuweel van de Daitya's, die zijn lichaam verliet terwijl hij Hem in het gelaat staarde. (29) Beide medewerkers van de Heer zijn vervloekt om enkele levens opnieuw geboorte te nemen in goddeloze families. Daarna zullen ze weer naar hun posities terugkeren.'

(30) De halfgoden zeiden: 'Alle eer aan U, o Genieter van Alle Offers die ter wille van de handhaving [van deze wereld] een gedaante van zuivere goedheid hebt aangenomen. Tot ons grote geluk hebt U een einde gemaakt aan hem hier die zo'n chaos veroorzaakte in al de werelden. Met de toewijding tot Uw voeten zijn we nu op ons gemak.'

(31) S' Maitreya zei: 'Na aldus de zo hoogst machtige Hiranyâksha te hebben gedood, werd de Heer, de oorsprong van de zwijnincarnatie, geprezen door hem die op de lotus is gezeten en de andere goden, waarop Hij terugkeerde naar Zijn hemelverblijf waar men ononderbroken [Zijn glorie] viert. (32) Ik heb u, beste vriend, uiteengezet zoals het mij werd verteld, hoe de Opperheer, door neder te dalen in een materiële gedaante, een einde maakte aan de acties van die zo heel machtige Hiranyâksha die in een groots gevecht werd gedood alsof hij een speeltje was.' "

(33) Sûta zei: "Nadat Vidura, de grote toegewijde, aldus van de zoon van Kushâru [Maitreya] had vernomen over het verhaal van de Fortuinlijke, bereikte hij het opperste geluk, o brahmaan [S'aunaka]. (34) Als men al vreugde ontleent aan het luisteren naar verhalen over deugdzame zielen van naam en faam, wat voor een vreugde geeft het dan niet om te luisteren naar een verhaal over Hem met het S'rivatsateken op de borst? (35) Toen de koning van de olifanten [Gajendra] door een krokodil werd aangevallen, mediteerde hij op de lotusvoeten terwijl zijn wijfjes jammerden en werd hij snel van het gevaar verlost [zie 8.2-4]. (36) Wie zou er niet zijn toevlucht nemen tot Hem die zo makkelijk te aanbidden is voor eerlijke en oprechte personen; welke dankbare ziel zou nu geen dienst verlenen aan degene die onmogelijk te aanbidden is voor hen die niet deugdzaam en eerlijk zijn? (37) Hij die verneemt over, zingt over en genoegen beleeft aan dit wonderlijke avontuur van de Allerhoogste, die als een zwijn de aarde ophief uit de oceaan en Hiranyâksha doodde, zal terstond worden bevrijd [van de terugslagen van zijn zonden], zelfs als hij een brahmaan doodde, o tweemaal geborene. (38) Deze vertelling is hoogst stichtelijk, is zeer heilig en verschaft weelde, roem en een lang leven en zal iemand alles bezorgen wat hij nodig heeft. Wie er ook maar naar luistert zal op het slagveld er zijn levenskracht en zinnen door gesterkt zien en aan het eind van zijn leven er de toevlucht van Nârâyana mee verwerven, beste S'aunaka."

 

next                         

 
 Derde herziene editie, geladen 24 februari 2017.

 

 

 

Vorige Aadhar-editie en Vedabase links:

Tekst 1

Maitreya zei: 'Het horen van Brahmâ's oprechte, nectargelijke woorden ontlokte een hartelijke lach aan de Heer toen Hij ze aanvaardde met een blik vol van liefde.
Maitreya zei: 'Het horen van de nectar-gelijke woorden vrij van zondige bedoelingen van Brahmâ, ontlokten een hartelijke lach aan de Heer die ze aanvaardde met een blik vol van liefde.  (Vedabase)

 

Tekst 2

Toen, opspringend, bracht de Heer die uit Brahmâ's neusgat was verschenen, met Zijn strijdknots zijwaarts de demonische vijand, die zich onbevreesd voor Hem bewoog, een slag toe op zijn kin.

TToen, opspringend, bracht Hij de demonische vijand die onbevreesd voor Hem heen en weer sloop, een slag met Zijn strijdknots toe, zijwaarts op zijn kin. (Vedabase)

 

Tekst 3

Maar die klap werd door Hiranyâksha zodanig met zijn knots afgeweerd, dat de  knots van de Heer wonderlijk, met een verrassende gloed naar beneden wervelend, uit Zijn handen glipte.

Maar die klap werd door Hiranyâksha zijn knots gestopt, zodat de knots die aan de Heer Zijn handen ontglipte met een verrassend wonderbaarlijke gloed naar beneden wervelde. (Vedabase)

 

Tekst 4

Hoewel Hiranyâksha zodoende een uitstekende kans kreeg, hield hij zich aan de gevechtscode dat men iemand die geen wapen heeft niet aanvalt. Dit wond de Heer op.

Hoewel Hiranyâksha daardoor toen een uitstekende kans kreeg, viel hij niet aan, de gevechtscode respecterend dat in de strijd geen wapen hebben in acht moet worden genomen. Dit dreef de Heer verder.  (Vedabase)

  

Tekst 5

Toen Zijn strijdknots viel rees er een angstkreet op [onder de toeschouwers] maar de Almachtige Heer, geplaatst voor Hiranyâksha's rechtzinnigheid, moest aan Zijn Sudars'ana-cakra denken.

Toen Zijn strijdknots viel, rees er een kreet van alarm op [van de toeschouwers] en moest de Almachtige Heer, toen Hij Hiranyâksha's rechtsgevoel zag, aan Zijn Sudars'ana-cakra denken. (Vedabase)

  

Tekst 6

Spelend met de gemene zoon van Diti, deze grootste van Zijn metgezellen, liet Hij Zijn werpschijf roteren en werd toen onthaald op verschillende uitingen van ongeloof van de kant van hen die zich onbewust [van al Zijn vermogens] in de hemel verdrongen en zeiden: 'We wensen U alle geluk, doodt hem alstUblieft.'

Terwijl Hij Zijn werpschijf liet rondspinnen, werd Hij, spelend met de gemene zoon van Diti, die allerbelangrijkste van Zijn metgezellen, begroet met verschillende uitdrukkingen van ongeloof die de lucht vulden met: 'Alle geluk aan U, breng hem alstUblieft tot zijn einde.' (Vedabase)"

   

Tekst 7

Toen de Daitya Hem, die ogen had gelijk de blaadjes van lotusbloemen, met Zijn schijf gewapend voor zich zag, klaar voor hem en hem aankijkend, raakte hij buiten zinnen van verontwaardiging en beet hij in grote weerzin sissend als een slang op zijn lippen.

Toen de Daitya Hem met Zijn schijf gewapend voor zich zag, klaar voor hem en hem aankijkend met ogen gelijk de blaadjes van lotusbloemen, raakte hij buiten zinnen van verontwaardiging en beet hij sissend als een slang op zijn lip in grote weerzin. (Vedabase)

  

Tekst 8

Met zijn angstaanjagende, enorme tanden en starende, vuurschietende ogen viel hij Hem toen aan met zijn knots, uitroepend: 'En zo wordt Je dan verslagen!', en slingerde hem naar de Heer.

Met zijn angstwekkende enorme tanden en zijn beide starende vuurschietende ogen viel hij toen aan uitroepend: 'Zo wordt Je verslagen door Je eigen strijdknots!', en slingerde hem naar de Heer. (Vedabase)!"

 

Tekst 9

Hoewel die knots, o zoeker van de waarheid, de kracht had van een orkaan, werd hij door de Heer van de offers die de vorm van een everzwijn had aangenomen, voor ogen van Zijn vijand speels met Zijn linkerpoot afgeweerd.

Die knots, o zoeker van de waarheid, werd, voor ogen van Zijn vijand, hoewel die de kracht had van een orkaan, speels door de rechtervoet van de Heer der offers die de vorm van een zwijn had aangenomen afgeweerd. (Vedabase)


Tekst 10

Toen zei Hij: 'Raap hem op en probeer het nog eens, als je het zo graag wil winnen'. De aldus uitgedaagde Hiranyâksha sloeg daarop luid brullend opnieuw toe.

Toen zei Hij: 'Raap hem maar op en probeer het nog eens, als je zo graag wilt winnen'. Op dat ogenblik, deed Hiranyâksha, aldus uitgedaagd, luid brullend opnieuw een uitval. (Vedabase)

 

Tekst 11

De Heer die de strijdknots op zich af zag komen zette zich schrap en ving hem op met het gemak waarmee Garuda een slang grijpt.

De strijdknots op zich af zien komend, ving de Heer hem, stevig op Zijn voeten staand, met gemak op, hem grijpend zoals Garuda dat zou met een slang. (Vedabase)

 

Tekst 12

Met zijn bravoure aldus gefrustreerd had de grote demon, gekrenkt in zijn trots, er vernederd geen zin meer in de knots opnieuw te accepteren die de Heer hem aanbood.

De frustratie van zijn bravoure sloeg de trots van de grote demon aan diggelen en er geen zin meer in hebbend weigerde hij de knots weer terug te nemen die de Heer hem aanbood. (Vedabase)

  

Tekst 13

In plaats daarvan nam hij een drietand ter hand en stoof laaiend als vuur verbeten op de Varâhagedaante van de Heer van de Offers af, gelijk iemand die met kwaad in de zin tegen een brahmaan ingaat.

In plaats daarvan nam hij een drietand ter hand en laaiend als vuur stoof hij verwoed op de Heer der Offers in de gedaante van Varâha af, zoals iemand met kwaad in de zin dat zou tegen een brahmaan. (Vedabase)

 

Tekst 14

De glanzende drietand die de machtigste onder de Daitya's met al zijn kracht naar de Heer had geworpen, lichtte in zijn vlucht helder op maar, zoals Indra Garuda zijn vleugel afsneed [toen hij ooit eens een pot nectar had weggegrist], werd hij in stukken gehakt door de scherpgerande cakra.

De glanzende drietand die de machtigste onder de Daitya's met al zijn kracht naar de Heer had geworpen werd in zijn vlucht met een lichtflits in stukken gehakt door de scherpe rand van de cakra, zoals Indra de vleugel van Garuda afsneed [toen hij ooit een pot nectar had weggegrist]. (Vedabase)

 

Tekst 15

Toen hij zijn drietand in stukken gehakt zag door de Heer Zijn werpschijf, kwam hij woedend brullend naar voren en bracht met zijn vuist de brede, met het S'rîvatsateken gemerkte borst van de Heer, de verblijfplaats van de godin, hard een slag toe. Daarna verdween de demon uit het gezicht.

Toen hij zijn drietand in stukken gehakt zag door de Heer Zijn werpschijf, werd hij woedend en ging hij Hem brullend te lijf waarbij hij de brede met het S'rîvatsa-teken gemerkte borst van de Heer hard met zijn vuist trof, waarna de demon uit het gezicht verdween. (Vedabase)


Tekst 16

Door hem aldus getroffen, o Vidura, was de Allerhoogste Heer, in Zijn eerste incarnatie als een zwijn, niet in het minst geraakt. Hij was niet meer beroerd dan een olifant geslagen met een bos bloemen.

Zo door hem getroffen, o Vidura, was de Allerhoogste Heer in Zijn eerste incarnatie als een zwijn niet in het minst beroerd en niet meer aangedaan dan een olifant geslagen met een bos bloemen. (Vedabase)

 

Tekst 17

De omstanders echter zagen hoe de Heer van het inwendig vermogen daarop belaagd werd door een reeks trucs en vol van angst dachten ze dat het einde van de wereld op handen was.

De mensen eromheen echter zagen de Heer van de eenheid in de materie nu belaagd door een reeks van trucs en vol van angst dachten ze dat het einde van de wereld was aangebroken. (Vedabase)

 

Tekst 18

Felle winden raasden en in alle richtingen verspreidde zich vanwege het stof duisternis, terwijl er stenen naar beneden kwamen alsof een heel leger bezig was.

Felle winden raasden en in alle richtingen verspreidde zich door het stof een duisternis terwijl het stenen regende alsof een heel leger bezig was.  (Vedabase)

  

Tekst 19

De hemellichten verdwenen achter massa's wolken waaruit het donderde en bliksemde, terwijl het de hele tijd pus, haar, bloed, ontlasting, urine en beenderen regende.

De hemellichten verdwenen achter massa's wolken waaruit het donderde en bliksemde, terwijl het de hele tijd pus, haar, bloed, ontlasting, urine en beenderen regende. (Vedabase)

  

Tekst 20

O zondeloze, vanuit de bergen werden allerlei soorten wapens gelanceerd en men zag naakte duivelinnen met loshangende haren die gewapend waren met drietanden.

O zondenloze, bergen van allerlei soorten wapens die hun lading verschoten kwamen tevoorschijn en men zag naakte duivelinnen gewapend met drietanden en loshangende haren. (Vedabase)

  

Tekst 21

Vele woeste duivels en demonen te voet, te paard, op strijdwagens en met olifanten verschenen ten tonele die wrede, moorddadige woorden riepen.

Vele woeste duivels en demonen te voet, te paard, op strijdwagens en met olifanten verschenen, die wrede moorddadige woorden riepen.  (Vedabase)

 

Tekst 22

Volgend op dit magisch machtsvertoon van de demon lanceerde de geliefde genieter van de drie offers [van het luisteren, de goederen en de adem, zie B.G. 4: 26-27], die een einde aan dat alles wilde maken, het wapen van Zijn hoogst excellente aanwezigheid [de Sudars'ana-cakra].

Volgend op dit magisch machtsvertoon van de demon gebrand op de vernietiging, lanceerde de geliefde genieter van de drie offers [van het luisteren, de goederen en de adem zie B.G. 4: 26-27] het wapen van Zijn meest uitnemende aanwezigheid [de Sudars'ana-cakra]. (Vedabase)

 

Tekst 23

Op dat moment doortrok plots een huivering het hart van Diti [de moeder van de demon] waarop, met het zich herinneren van de woorden van haar echtgenoot [Kas'yapa], er bloed uit haar borsten vloeide.

Op dat moment doortrok een huivering het hart van Diti [de moeder van de demon] en zich de woorden van haar echtgenoot [Kas'yapa] herinnerend vloeide er bloed uit haar borsten. (Vedabase)

  

Tekst 24

Toen zijn magische krachten verdreven waren [door de lancering van de cakra] doemde de demon opnieuw op voor de Opperheer. Hij omhelsde Hem vol razernij om Hem te pletten, maar ontdekte dat de Heer zich buiten zijn greep bevond.

Met zijn magische krachten verdreven kwam de demon opnieuw in het zicht van de Opperheer, en vol razernij omhelsde hij Hem om Hem te pletten, maar hij ontdekte dat de Heer zich buiten zijn greep bevond. (Vedabase)

 

Tekst 25

Hiranyâksha sloeg Heer Adhokshaja ['Hij voorbij de controle van de zinnen'] met zijn vuist hard als een donderslag, maar kreeg van Hem een trap precies onder zijn oor, net zoals de heer van de Maruts [Indra] dat deed met de demon Vritra.

Hiranyâksha sloeg Heer Adhokshaja [Hij voorbij de controle der zinnen] met zijn vuist hard als een donderslag, maar kreeg van Hem een mep precies onder zijn oor, zoals de heer der Maruts [Indra] dat deed met de demon Vritra. (Vedabase)

 

 Tekst 26

Hoewel de onoverwinnelijke Heer hem slechts terloops raakte, tolde het lichaam van de duivel in het rond met zijn ogen puilend uit hun kassen, waarop hij, met zijn armen en benen levenloos en zijn haar in wanorde, neerstortte als een gigantische boom geveld door de wind.

Hoewel door de onoverwinnelijke Heer slechts terloops geraakt, tolde het lichaam van de duivel in het rond; puilden zijn ogen uit hun kassen en viel hij, met zijn armen en benen levenloos en zijn haar in wanorde, als een gigantische boom geveld door de wind ter aarde. (Vedabase)

 

Tekst 27

De zelfgeborene [Brahmâ] en de anderen die hem op de grond zagen liggen met zijn bloed nog niet uit zijn gezicht weggetrokken en zijn schrikwekkende tanden door zijn lip, zeiden, vol bewondering naderbij komend: 'O waarachtig, wie kan er nu zo zijn eindbestemming vinden?

De zelfgeborene [Brahmâ] en de anderen die hem op de grond zagen met zijn bloed nog niet uit zijn gezicht weggetrokken en zijn tanden door zijn lip, zeiden, vol bewondering naderbij komend: 'O waarlijk wie is een dergelijke eindbestemming zo vergund?'. (Vedabase)

 

Tekst 28

Hij op wie de yogi's, in afzondering verzonken in de vereniging van hun bewustzijn, mediteren om bevrijding te vinden uit het onwerkelijke, materiële lichaam, trof met één van Zijn poten hem, de zoon, het kroonjuweel van de Daitya's, die zijn lichaam verliet terwijl hij Hem in het gelaat staarde.

Hij op wie de yogi's in afzondering mediteren verzonken in de eenheid, bevrijding zoekend uit het onwerkelijke van het lichaam - door een voet van Hem werd de zoon, het kroonjuweel van de Diti-mens, getroffen en wierp hij daadwerkelijk zijn lichaam af Hem in het gelaat starend. (Vedabase)


Tekst 29

Beide medewerkers van de Heer zijn vervloekt om enkele levens opnieuw geboorte te nemen in goddeloze families. Daarna zullen ze weer naar hun posities terugkeren.'

Beide medewerkers van de Heer zijn vervloekt wederom voor enkele levens geboorte te nemen uit de goddelozen, waarna ze daadwerkelijk weer terug zullen keren.' (Vedabase)

 

Tekst 30

De halfgoden zeiden: 'Alle eer aan U, o Genieter van Alle Offers die ter wille van de handhaving [van deze wereld] een gedaante van zuivere goedheid hebt aangenomen. Tot ons grote geluk hebt U een einde gemaakt aan hem hier die zo'n chaos veroorzaakte in al de werelden. Met de toewijding tot Uw voeten, zijn we nu op ons gemak.'

De godsbewusten zeiden: 'Alle eer aan U, Genieter Aller Offers die terwille van de handhaving de gedaante van de zuivere goedheid heeft aangenomen; tot het grote geluk van de wereld hebt U deze hier, die zoveel onheil stichtte, tot zijn einde gebracht. Met de toewijding tot Uw voeten, zijn we nu op ons gemak.' (Vedabase)

 

Tekst 31

S'rî Maitreya zei: 'Na aldus de zo hoogst machtige Hiranyâksha te hebben gedood, werd de Heer, de oorsprong van de zwijnincarnatie, geprezen door hem die op de lotus is gezeten en de andere goden, waarop Hij terugkeerde naar Zijn hemelverblijf waar men ononderbroken [Zijn glorie] viert.

S'rî Maitreya zei: 'Na aldus de zo hoogst machtige Hiranyâksha te hebben gedood, keerde de Heer, de oorsprong van de zwijn-incarnatie terug naar Zijn verblijf, in één ononderbroken viering geprezen door hem die op de lotus is gezeten en de anderen. (Vedabase)

 

Tekst 32

Ik heb u, beste vriend, uiteengezet zoals het mij werd verteld, hoe de Opperheer, door neder te dalen in een materiële gedaante, een einde maakte aan de acties van die zo heel machtige Hiranyâksha die in een groots gevecht werd gedood alsof hij een speeltje was.' "

Ik heb voor U, zoals het mij werd verteld, beste vriend, uiteengezet hoe door de handelingen van de Opperheer in het op Zich nemen van Zijn zwijn-incarnatie, Hiranyâksha, die zo'n grote macht had, in een groots gevecht werd gedood alsof hij een speeltje was'." (Vedabase)

 

Tekst 33

Sûta zei: "Nadat Vidura, de grote toegewijde, aldus van de zoon van Kushâru [Maitreya] had vernomen over het verhaal van de Fortuinlijke, bereikte hij het opperste geluk, o brahmaan [S'aunaka].

Sûta zei: "Toen Vidura, de grote toegewijde, van de zoon van Kushâru [Maitreya], aldus vernam van de vertelling over de Allerhoogste Heer, bereikte hij het bovenzinnelijk geluk, o brahmaan [S'aunaka]. (Vedabase)

 

Tekst 34

Als men al vreugde ontleent aan het luisteren naar verhalen over deugdzame zielen van naam en faam, wat voor een vreugde geeft het dan niet om te luisteren naar een verhaal over Hem met het S'rivatsateken op de borst?

Wat moet ik zeggen van het horen over de Heer met het S'rîvatsa merkteken, als zelfs de bekendheid van anderen, toegewijden trouw aan de verzen, tot dat genoegen kan voeren? (Vedabase)


Tekst 35

Toen de koning van de olifanten [Gajendra] door een krokodil werd aangevallen, mediteerde hij op de lotusvoeten terwijl zijn wijfjes jammerden en werd hij snel van het gevaar verlost [zie 8.2-4].

Toen de koning der olifanten [Gajendra] die door een krokodil werd aangevallen, mediteerde op de lotusvoeten terwijl zijn wijfjes weeklaagden werd hij snel van het gevaar verlost. (Vedabase)

 

Tekst 36

Wie zou er niet zijn toevlucht nemen tot Hem die zo makkelijk te aanbidden is voor eerlijke en oprechte personen; welke dankbare ziel zou nu geen dienst verlenen aan degene die onmogelijk te aanbidden is voor hen die niet deugdzaam en eerlijk zijn?

Wie zou er niet z'n toevlucht nemen tot Hem die zo gemakkelijk te aanbidden is voor mensen zonder pretenties; welke dankbare ziel zou geen dienst verlenen aan degene die onmogelijk te aanbidden is door hen die geen echte zoekers zijn? (Vedabase)

 

Tekst 37

Hij die verneemt over, zingt over en genoegen beleeft aan dit wonderlijke avontuur van de Allerhoogste, die als een zwijn de aarde ophief uit de oceaan en Hiranyâksha doodde, zal terstond worden bevrijd [van de terugslagen van zijn zonden], zelfs als hij een brahmaan doodde, o tweemaal geborene.

Hij die daadwerkelijk verneemt van, zingt over en genoegen beleeft aan dit wonderlijke avontuur van de Allerhoogste die als een zwijn de aarde ophief uit de oceaan en Hiranyâksha doodde, zal terstond worden bevrijd, zelfs als hij een brahmaan aan zijn eind hielp, o tweemaal geborene! (Vedabase

 

Tekst 38

Deze vertelling is hoogst stichtelijk, is zeer heilig en verschaft weelde, roem en een lang leven en zal iemand alles bezorgen wat hij nodig heeft. Wie er ook maar naar luistert zal op het slagveld er zijn levenskracht en zinnen door gesterkt zien en aan het eind van zijn leven er de toevlucht van Nârâyana mee verwerven, beste S'aunaka."

Deze vertelling brengt een grote verdienste, is zeer heilig en brengt weelde, roem en een lang leven en zal alles doen toekomen wat men nodig heeft. Wie er ook maar naar luistert zal zijn levenskracht en zinnen erdoor gesterkt zien op het slagveld en aan het eind van zijn leven er de toevlucht van Nârâyana mee verkrijgen, o beste S'aunaka."  (Vedabase)

 

 

 

 

 

 

 

Creative Commons License
De tekst en de audio worden aangeboden onder de

Creative Commons Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported License
.

De afbeelding van Heer Varâha die wordt aanbeden is © van Vlad Holst (gebruikt met permissie).
Productie: de
Filognostische Associatie van De Orde van de Tijd


 

 

Feed-back | Links | Downloads | MuziekAfbeeldingen | Wat is er Nieuw? | Zoeken | Donaties